CConstaterende datBaarle-Nassau
Koppel je AI →
Document · PDF

3.1 - Bijlage 1 - Toelichting ontwerp omgevingsplan

Gemeenteraad (openbaar) 18 februari 2026, gemeente Baarle-NassauBij agendapunt: Categorie 3: Raadsinformatiebrieven voor kennisgeving aannemen25.359 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De standaardwaarde voor een Rijks- of provinciale weg bedraagt 50 Lden, wanneer het een gemeentelijke of waterschapsweg betreft is de standaardwaarde 53 Lden. Indien de standaardwaarde wordt overschreden is de ontwikkeling toch mogelijk indien er maatregelen worden getroffen. De maximale grenswaarde voor de wegen bedraagt 60 Lden afkomstig van Rijks- of provinciale wegen en 70 Lden afkomstig van gemeentelijke of waterschapswegen. Er is daarom een akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai uitgevoerd door [onderzoeksbureau], zie Bijlage 6. Uit het onderzoek kan worden geconcludeerd dat de voorkeursgrenswaarde niet zal worden overschreden. Het is dus niet nodig om hogere grenswaarden vast te stellen. PM Er kan worden geconcludeerd dat er voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen zijn voor het initiatief. 4.2. Bodemkwaliteit Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een

Pagina 24 van 68

overschrijding van een vastgestelde waarde in art. 5.89i van het Bkl is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl). Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in de Omgevingswet en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving: • Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (paragraaf 2.3.6a.2); • Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22 Bal); • Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4) • Maatwerkregels over het saneren van de bodem in het zinkassengebied De Kempen, (paragraaf 2.3.6a.5). Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren.

Indien de bodemkwaliteit (humane) risico’s met zich meebrengt of er sprake is van een spoedeisend geval van bodemverontreiniging kan de ontwikkeling voor bepaalde nieuwe functies geen doorgang vinden tot de risico’s zijn beheerst of weggenomen door sanering. Een historisch en verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 dient te worden uitgevoerd wanneer de bestemming en/of gebruik wordt gewijzigd én wanneer een gebouw of gebruik wordt gerealiseerd waarin mensen 2 uur of langer gaan verblijven. Uitbreiding veehouderij Binnen de bedrijfsvoering vinden enkele bodembedreigende activiteiten plaats. Deze activiteiten hebben betrekking op het onderhoud aan de werktuigen en de opslag van mest en voer ten behoeve van de veehouderij. Op het bedrijf zullen bovendien kleine gebruikshoeveelheden medicijnen, reinigings- en ontsmettingsmiddelen aanwezig zijn. Deze worden opgeslagen in afsluitbare (koel)kasten. Door gebruik te maken van zeer reguliere voorzieningen, zoals vloeistofkerende vloeren, vloeistofdichte mestkelders, lekbakken en afgesloten kasten wordt het bodembedreigende risico verwaarloosbaar gemaakt. Door visuele controle, de aanwezigheid van absorptiemiddelen en de aanwezigheid van de bodembeschermende voorzieningen wordt het bodemrisico nog verder teruggebracht. In het Bal zijn regels opgenomen voor de bescherming van de bodemkwaliteit.

Middels het treffen van de beschreven technische maatregelen en voorzieningen is er sprake van een verwaarloosbaar risico op bodemverontreiniging. De beoogde ontwikkeling, het realiseren van een nieuwe stal en loods binnen de planlocatie, voorziet niet in een nieuwe bodembedreigende activiteit. Maar de beoogde mestvergister voorziet wel in een nieuwe bodembedreigende activiteit. Op locatie wordt immers al drijfmest opgeslagen in mestkelders. In de nieuwe stal worden geen reinigings- en ontsmettingsmiddelen en/of medicatie opgeslagen. Ter plaatse van de nieuw te bouwen stal hebben in het verleden geen bodembedreigende activiteiten plaats gevonden. Hierdoor wordt een nul-situatieonderzoek niet noodzakelijk geacht. Bovendien wijzigt de bestemming niet, deze blijft bestemd voor agrarisch gebruik. De grond ter plaatse van de nieuw te bouwen stal bestaat uit landbouwgrond en erfverharding. In het verleden is deze grond altijd in gebruik geweest als landbouwgrond. Geconcludeerd kan worden is dat de bodemkwaliteit, ter plaatse van de nieuwe stal, als onverdacht kan worden beschouwd. De beoogde mestvergister wordt gerealiseerd conform de BRL-richtlijn, hierdoor is bodemverontreiniging niet te verwachten.

Pagina 25 van 68

Er is derhalve geen sprake van onaanvaardbare risico’s voor de huidige en toekomstige gebruikers van de bodem. Ten aanzien van het aspect bodem zijn er derhalve geen bezwaren voor de gewenste ontwikkeling. Een nader onderzoek naar de bodemgesteldheid is dan ook niet noodzakelijk. Ten aanzien van het aspect bodem zijn er daarom geen bezwaren voor de beoogde ontwikkeling. Verplaatsen woonfunctie Op de locatie aan de Chaamseweg-Hazenberg 13a te Ulicoten wordt in dit geval een nieuw gebruik gerealiseerd waarin mensen 2 uur of langer gaan verblijven, namelijk de burgerwoning. Er gaat daarom een verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd naar de bodemgesteldheid ter plaatse. Dit bodemonderzoek zal gepaard met de bouwvergunning voor de woning zal worden aangevraagd. In de regels bij dit omgevingsplan is opgenomen dat een bodemonderzoek uitgevoerd moet worden vóórdat wordt gestart met de bouw van de woning. 4.3. Luchtkwaliteit In het Bkl is de Europese richtlijn geïmplementeerd op het gebied van grenswaarden voor diverse stoffen. Het doel is mensen te beschermen tegen risico's van luchtverontreiniging. Voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn in paragraaf 2.2.1.1 van het Bkl omgevingswaarden voor de buitenlucht opgenomen.

Deze waarden betreffen grenswaarden van concentraties voor onder andere zwaveldioxide, stikstofoxiden (NOx als NO2) zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood, koolmonoxide en benzeen. Uitbreiding veehouderij In de agrarische sector is voornamelijk de emissie van fijnstof bepalend voor de luchtkwaliteit op de omgeving. Fijnstof, zowel PM10 en PM2,5 komt voornamelijk door emissie van huid-, mest-, voer- en strooiseldeeltjes uit de stallen. Dit gebeurt continu (24 uur per dag). De belangrijkste bron bij een veehouderij zijn de stallen. Het vrijkomen van fijnstof ten gevolge van overige activiteiten op het bedrijf zijn verwaarloosbaar ten opzichte van de emissie uit de stallen. Voor het bepalen van de concentraties fijnstof in de omgeving van veehouderijen, zijn gegevens nodig over de hoeveelheid fijnstof die dieren produceren. Deze hoeveelheid varieert per dier en is afhankelijk van het huisvestingssysteem zoals het type stal. De emissiefactoren voor fijnstof, zoals opgenomen in bijlage V (en VI) van de Omgevingsregeling, geven per huisvestingssysteem aan hoeveel fijnstof een bepaald dier per jaar produceert. PM10 Met behulp van het rekenprogramma Geomilieu, is een berekening gemaakt van de belasting van fijnstof PM10 van de beoogde bedrijfsopzet op de gevoelige objecten in de omgeving zie Bijlage 8.

Door middel van het invullen van de invoergegevens (brongegevens en gegevens beschermde objecten) wordt berekend wat het jaargemiddelde fijnstofconcentratie (microgram/m³) en het aantal overschrijdingsdagen ter plaatse van de rekenpunten is. Uit de uitgevoerde berekening voor PM10 volgt dat het jaargemiddelde concentratie fijnstof maximaal 15,49 µg/m3 bedraagt. De beoogde bedrijfsopzet voldoet dus ruimschoots aan de grenswaarde voor het jaargemiddelde concentratie (40 µg/m3 conform artikel 2.5, onder 1, onder b van het Bkl). Tevens volgt dat het aantal overschrijdingsdagen van het 24-uursgemiddelde van 50 µg/m3 6,00 dagen bedraagt, wat eveneens ruimschoots voldoet aan de norm (35 dagen conform artikel 2.5, onder 1, onder a van het Bkl). Bovendien zal de emissie fijnstof PM10 aan het plangebied afnemen met het onderhavig plan, zoals ook blijkt uit de fijnstofberekening en de Mer-beoordelingsnotitie, zie Bijlage 8 en Bijlage 13. PM2,5 Sinds 1 januari 2015 geldt een grenswaarde voor PM 2,5 waaraan moet worden voldaan. Deze grenswaarde is opgenomen in artikel 2.5 onder 2, onder a van het Bkl en bedraagt 25 µg/m3 voor het jaargemiddelde concentratie. In tegenstelling tot PM10 zijn voor PM2,5 geen normen opgenomen met betrekking tot overschrijdingsdagen.

Pagina 26 van 68

Bij een PM2,5 berekening worden alle fijnstofdeeltjes kleiner dan 2,5 micrometer meegenomen. Bij de toetsing aan PM10 worden ook alle fijnstofdeeltjes PM2,5 meegenomen, aangezien bij de PM10 alle fijnstof kleiner dan 10 micrometer wordt meegenomen en daarmee dus ook alle fijnstofdeeltjes kleiner dan 2,5 micrometer (=PM2,5). PM2,5 betreft dus een fractie van PM10. Uit de uitgevoerde Geomilieu berekening voor PM10, zie Bijlage 8, volgt dat het jaargemiddelde concentratie fijnstof maximaal 15,49 µg/m3 bedraagt. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m3, conform Bkl. Aangezien de jaargemiddelde concentratie fijnstof PM10 maximaal 15,49 µg/m3 per jaar bedraagt kan met zekerheid geconcludeerd worden dat de grenswaarde voor PM2,5 niet zal worden overschreden, aangezien bij de toetsing aan PM2,5 het aantal µg/m3 altijd lager uit zal vallen, omdat de fijnstofdeeltjes tussen de 2,5 microgram en 10 microgram niet worden meegenomen in de berekening voor PM2,5. Tevens mag opgemerkt worden dat de totale fijnstofemissie van de veehouderij met de beoogde ontwikkeling zal afnemen, zoals ook blijkt uit de fijnstofberekening en de Mer-beoordelingsnotitie, zie Bijlage 8 en Bijlage 13. Met deze afname zal ook de emissie PM2,5 afnemen. Met de beoogde bedrijfsopzet aan de ChaamsewegHazenberg 3 te Ulicoten wordt dus ruimschoots aan de grenswaarde voor PM2,5 voldaan.

Ten aanzien van luchtkwaliteit zijn er daarom geen bezwaren ten aanzien van de beoogde ontwikkeling. Verplaatsen woonfunctie In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan het Bkl in beeld te worden gebracht. Met name de stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) worden beleidsmatig relevant geacht. Er dient te worden aangetoond dat het woon- en leefklimaat ten aanzien van deze stoffen ter plaatse aanvaardbaar is en als gevolg van de beoogde ontwikkeling in de omgeving aanvaardbaar blijft.

4.3.1. Niet in betekenende mate Indien ontwikkelingen binnen de planlocatie gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit moet aandacht worden besteed aan de gevolgen voor de milieukwaliteitseisen. Onderzoek moet worden verricht naar de gevolgen voor de in paragraaf 2.2.1.1 van het Bkl genoemde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht. Dit onderzoek kan echter achterwege blijven indien de nieuwe bestemming betrekking heeft op één of meer categorieën van gevallen die, als genoemd in artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl, niet in betekenende mate bijdragen. In die gevallen wordt aangenomen dat de toename van de concentratie in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM10) als stikstofdioxide de 3% grens van de jaargemiddelde concentratie niet overschrijdt. Als sprake is van een beperkte toename van de luchtverontreiniging die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de concentratie PM10 in de buitenlucht, hoeft een plan niet langer meer getoetst te worden. Dit volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl. Voor de volgende categorieën kan getoetst worden of een plan NIBM bijdraagt: ▪ Categorie woningbouwlocaties; ▪ Categorie kantoorlocaties; ▪ Combinatie van woningbouw en kantoren; ▪ Categorie inrichtingen. Het initiatief betreft het creëren van één woning en opheffen van een woonfunctie. De ontwikkeling behoort derhalve tot de categorie woningbouwlocaties.

Voor woningbouwlocaties geldt dat deze NIBM zijn wanneer het netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, in geval van één ontsluitingsweg (artikel 5.54, onder b, onder 1, Bkl). Aangezien met het initiatief slechts één nieuwe woning mogelijk worden gemaakt, wordt dus ruimschoots voldaan aan de NIBM-grens. De beoogde ontwikkeling heeft dus met zekerheid geen significant negatieve effecten op de luchtkwaliteit in de omgeving. Er kan worden geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het initiatief.

Pagina 27 van 68

4.3.2. Woon- en leefklimaat

Op grond van het Bkl (paragraaf 2.2.1.1) zijn omgevingswaarden opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM10). De omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m3. Vanaf 1 januari 2015 geldt daarnaast een omgevingswaarde voor PM2,5 waaraan door het bevoegd gezag bij vergunningverlening moet worden getoetst. Deze omgevingswaarde bedraagt 25 μg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie. Voor de gemiddelde jaarconcentratie van NO2 geldt een omgevingswaarde van 40 μg/m3. Indien aan deze omgevingswaarden wordt voldaan, mag worden aangenomen dat het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit aanvaardbaar is. Het RIVM heeft Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland waarop de achtergrondconcentratie van fijnstof PM10, PM2,5 en NO2 ten aanzien van een goed woon- en leefklimaat geraadpleegd kan worden. De jaargemiddelde fijnstofconcentratie binnen de planlocatie is conform de GCN-kaart voor fijnstof PM10 14,92 μg/m3, voor PM2,5 8,319 μg/m3 en voor NO2 10,89 μg/m3, zie Afbeelding 12, Afbeelding 13 en Afbeelding 14. De beoogde woning is ook meegenomen in de fijnstof berekening in Bijlage 8. Hieruit blijkt dat er ter plaatse van de beoogde woning sprake is van een fijnstof PM10 concentratie van 14,96 μg/m3.

Afbeelding 12: Uitsnede GCN-kaart fijnstof PM10, planlocatie burgerwoning weergegeven met rode stip

Pagina 28 van 68

Afbeelding 13: Uitsnede GCN-kaart fijnstof PM2,5, planlocatie burgerwoning weergegeven met rode stip

Afbeelding 14: Uitsnede GCN-kaart fijnstof NO2, planlocatie burgerwoning weergegeven met rode stip

Pagina 29 van 68

Ten aanzien van de luchtkwaliteit zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.4. Geur In het Bkl zijn regels opgenomen met betrekking tot geurhinder van dierenverblijven. De wetgeving heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting door het opnemen van geurnormen of vaste afstanden. Hierbij is het mogelijk dat de gemeenteraad afwijkende normen (ten opzichte van de bruidsschat) vaststelt in het Omgevingsplan. Deze regels zijn afkomstig van de beoordelingsregels zoals opgenomen in het Bkl. Indirect heeft de wetgeving ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening. Dit betekent dat de volgende aspecten in ogenschouw moeten worden genomen: 1. Worden bedrijven in de omgeving onevenredig belemmerd door de beoogde ontwikkeling? 2. Is ter plaatse van de planlocatie een goed woon- en verblijfklimaat voor wat betreft het aspect geur gegarandeerd? Uitbreiding veehouderij

4.4.1. Individuele hinder

De gemeente Baarle-Nassau heeft afwijkende geurnormen vastgesteld ten opzichte van de normen zoals opgenomen in de bruidsschat. Voor rundveehouderijen zoals opgenomen binnen de planlocatie zijn geen emissiefactoren voor geur vastgesteld. Conform artikel 5.112 van het Bkl gelden voor deze bedrijven vaste afstanden tussen het dierverblijf en geurgevoelige gebouwen. De afstand dient minimaal 100 meter tot geurgevoelige gebouwen binnen de kom en 50 meter naar geurgevoelige gebouwen buiten de kom te bedragen. Daarnaast dient op grond van artikel 5.116 binnen de bebouwde kom de afstand ten minste 50 meter van de gevel van het dierenverblijf tot het geurgevoelig gebouw te bedragen. Buiten de bebouwde kom is deze afstand minimaal 25 meter. Zoals reeds benoemd heeft de gemeente Baarle-Nassau geen afwijkende afstanden vastgesteld om af te wijken van deze afstanden. Het dichtstbijzijnde geurgevoelige gebouw ligt buiten de bebouwde kom aan de ChaamsewegHazenberg 10-12. De afstand tot van bouwvlak tot bouwvlak bedraagt 38 meter, waardoor niet voldaan kan worden aan de afstanden uit artikel 5.112. Echter wordt in 5.116 beschreven dat in een omgevingsplan dat het houden van landbouwhuisdieren toelaat in het buitengebied een minimale afstand van 25 m in acht wordt gehouden van gevel tot gevel.

Het geurgevoelige gebouw aan de Chaamseweg-Hazenberg 10-12 ligt in de beoogde situatie in het buitengebied op circa 53 meter afstand van het dichtstbijzijnde dierenverblijf en voldoet hierdoor aan de richtafstand van 25 meter artikel 5.116 Bkl. Deze afstand kan ook nooit kleiner worden dan 38 meter, daar het bouwvlak op een afstand van 38 meter van de gevel van de Chaamseweg-Hazenberg 10-12 is gelegen. De afstanden van gevel tot gevel zullen dan ook nooit kleiner worden dan de vaste afstanden als beschreven in 5.116. Verplaatsen woonfunctie

4.4.2. Belemmering bedrijvigheid

Op grond van de regels uit het Bkl moeten veehouderijen, waar dieren worden gehouden waarvoor bij ministeriële regeling geuremissiefactoren zijn vastgesteld, geurcontouren in acht nemen ten opzichte van geurgevoelige gebouwen. Dit geldt onder andere voor pluimveehouderijen en varkenshouderijen. Voor dieren waarvoor bij ministeriële regeling geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld, zoals melkrundveehouderijen, gelden de vaste afstanden zoals opgenomen in het omgevingsplan. Wanneer er een nieuw geurgevoelig gebouw wordt opgericht binnen de geurcontour of vaste afstand van een veehouderij, kan dat de ontwikkelingsmogelijkheden van die veehouderij belemmeren. In dit geval zijn er reeds bestaande geurgevoelige objecten dichter bij de omliggende veehouderijen gelegen, dan de beoogde woonkavel. Die objecten zijn dan ook maatgevend voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de omliggende veehouderijen, niet de nieuwe woning. Hierdoor zullen bestaande geurgevoelige objecten de veehouderijen ook altijd meer belemmeren dan de beoogde geurgevoelige objecten binnen

Pagina 30 van 68

het plangebied zullen doen. De op te richten geurgevoelige objecten zullen buiten 50 meter van de dichtstbijzijnde agrarische bedrijven zijn gelegen. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling met zekerheid niet zorgt voor een onevenredige belemmering voor de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen in de omgeving.

4.4.3. Woon- en leefklimaat

Vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het van belang dat er ter plaatse van de planlocatie sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur. Om dit te kunnen beoordelen is in eerste instantie aangesloten bij de richtafstanden die zijn gesteld in de VNGhandreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’. De dichtstbijzijnde veehouderij ten opzichte van de planlocatie ligt aan Chaamseweg-Hazenberg 20. Dit betreft een konijnenhouderij. Echter zijn de milieutoestemming ingetrokken, maar planologisch gezien kan hier een konijnenhouderij gevestigd zitten. Hiervoor geldt op grond van de VNG-handreiking een richtafstand van 50 meter in het kader van geur. De konijnenhouderij ligt op een afstand van circa 80 meter ten opzichte van de planlocatie. De dichtstbijzijnde intensieve veehouderij ligt aan de Chaamseweg-Hazenberg 7 op een afstand van 150 meter. Dit betreft een varkenshouderij. Voor dit bedrijfstype geldt een richtafstand van 50 meter in het kader van geur. Ter plaatse van de Chaamseweg-Hazenberg 15 is een agrarisch bouwvlak gelegen. Echter is er momenteel geen milieutoestemming aanwezig. Het is planologisch gezien wel mogelijk om een veehouderij op te richten. Voor het houden van bijvoorbeeld rundvee geldt een richtafstand van 50 meter in het kader van geur.

De beoogde woonfunctie is 30 meter gelegen vanaf het bouwvlak van de agrarisch functie gelegen aan de Chaamseweg-Hazenberg 15. Er kan dus niet voldaan worden aan de richtafstanden van bouwvlak tot bouwvlak. De beoogde woning is op circa 61 meter gelegen vanaf het dichtstbijzijnde gebouw aan de Chaamseweg-Hazenberg 15. Het emissiepunt van de stal kan daarom dus ook nooit kleiner zijn dan 50 meter. Uitgaande van deze feitelijke situatie kan dus wel voldaan worden aan de richtafstanden. Er kan dus ruimschoots worden voldaan aan de richtafstanden ten opzichte van (intensieve) veehouderijen in de omgeving. Voor veehouderijen zoals deze kunnen worden opgericht aan de Chaamseweg-Hazenberg 15 kunnen emissiefactoren voor geur vastgesteld zijn. Conform artikel 5.112 van het Bkl gelden voor deze bedrijven vaste afstanden tussen het dierverblijf en geurgevoelige gebouwen. De afstand dient minimaal 100 meter tot geurgevoelige gebouwen binnen de kom en 50 meter naar geurgevoelige gebouwen buiten de kom te bedragen. In artikel 5.109 wordt beschreven dat de geuremissie buiten de bebouwde komen en binnen een concentratiegebied niet meer mag bedragen dan 14,0 OUe/m3. Daarnaast dient op grond van artikel 5.116 binnen de bebouwde kom de afstand ten minste 50 meter van de gevel van het dierenverblijf tot het geurgevoelig gebouw te bedragen. Buiten de bebouwde kom is deze afstand minimaal 25 meter.

De afstanden van artikel 5.116 zijn van toepassing voor zowel landbouwhuisdieren mét als zonder geuremissiefactor. Zoals reeds benoemd heeft de gemeente BaarleNassau geen afwijkende afstanden vastgesteld om af te wijken van deze afstanden. Het bouwvlak van de Chaamseweg-Hazenberg 15, waar dus geen veehouderij is gevestigd maar planologisch gezien wel is toegestaan, is gelegen op een afstand van 27 meter waardoor voldaan kan worden aan de vaste afstanden zoals deze zijn opgenomen in artikel 5.116. De afstanden in 5.116 gelden als afstand van gevel tot gevel, maar kunnen dus nooit kleiner zijn dan de minimale afstand van 25 meter. Zoals is weergegeven op Afbeelding 15 is de achtergrondgeurbelasting ter plaatse van de beoogde woning redelijk goed (7 – 13 OUe) bedraagt. Hiermee wordt voldaan aan artikel 5.109 Bkl, aangezien de geurbelasting ter plaatse van het plangebied van de beoogde woonfunctie niet meer bedraagt dan 14 OUe. Het gemeentelijk beleid (Beleidsregel Ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder gemeente Baarle-Nassau 2022) schrijft voor dat een object voor ‘wonen’ in het Deelgebied D voldoende scoort als de achtergrondbelasting kleiner is dan 20 OUe. Zoals beschreven bedraagt de achtergrondgeurbelasting ter plaatse van de woning 7-13 OUe. Er kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor het aspect geur.

Pagina 31 van 68

Afbeelding 15: Uitsnede kaart ODZOB-achtergrondgeurbelasting nieuw woonfunctie rood omcirkeld

Ten aanzien van het aspect geur zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.5. Spuitzones In de vollegronds- en sierteelt is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen tegen schimmels, luizen, onkruiden en andere vormen van plaagdruk veelal onvermijdelijk. In relatie tot omliggende gronden kan de projectlocatie daarom te maken hebben met zogenoemde spuitzones. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient een zorgvuldige afweging plaats te vinden tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de bescherming van de volksgezondheid. Uit jurisprudentie blijkt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische percelen waar gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast in het algemeen niet onredelijk acht. Kortere afstanden kunnen volgens vaste rechtspraak echter ook aanvaardbaar zijn, mits deze goed worden onderbouwd. Daarbij kunnen aanvullende overdrachtsmaatregelen, zoals bijvoorbeeld een dichte haag, nodig zijn om drift te beperken. Opgemerkt wordt dat deze richtafstand voornamelijk is bedoeld voor teelten waarbij zijwaarts wordt gespoten, zoals in boomgaarden. Voor gewassen die laag bij de grond groeien, vindt de bespuiting doorgaans neerwaarts plaats, wat de (mogelijke) drift aanzienlijk beperkt.

De beoogde nieuwbouwwoning, ligt direct aansluitend aan landbouwgronden. Daarmee wordt niet voldaan aan de richtafstand van 50 meter. Hierbij dient opgemerkt te worden dat initiatiefnemer bij de bedrijfswoning (Chaamseweg-Hazenberg 3) eigenaar is van alle aangrenzende gronden. Bij de beoogde woning (Chaamseweg-Hazenberg 13a) is initiatiefnemer eigenaar van de aangrenzende gronden aan noord, zuid en westelijke zijde van het plangebied. Er geldt dat een agrariër niet gevoelig is voor de effecten van gewasbeschermingsmiddelen, aangezien de agrariër zelf dan het beste kan bepalen wanneer gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast, bijvoorbeeld wanneer er niemand thuis is. Enkel aan de oostelijke zijde bevinden zich op een afstand van 46 meter van de burgerwoning landbouwgronden.

Pagina 32 van 68

Er dient te worden opgemerkt dat de richtafstand is vastgesteld op basis van een driftreductie van 50% bij het toepassen van zijwaarts bespuiten. Deze driftreductie is tegenwoordig wettelijk vastgelegd op minimaal 75%. Derhalve wordt de drift met 50% meer gereduceerd, waardoor theoretisch kan worden gesteld dat de richtafstand derhalve niet 50 meter maar 27,5 meter moet bedragen. Uit een uitspraak van 20 december 2017 (ECLI:NLRVS:2017:3524) volgt dat voor het antwoord op de vraag of rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat het gebruik van de agrarische gronden wordt gewijzigd naar teelt, bezien moet worden of deze wijziging binnen de planperiode voorzienbaar is. Indien deze wijziging zodanig onwaarschijnlijk is, behoeft de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan dat woningbouw mogelijk maakt, geen rekening te houden met spuitzones van andere teelten. De omliggende percelen zijn de afgelopen jaren gebruikt voor de teelt van maïs, grasland en tarwe. Dit betreffen teelten die niet intensief worden bespoten met gewasbeschermingsmiddelen.

Afbeelding 16: Weergave Chaamseweg-Hazenberg 13a i.r.t. omliggende landbouwgronden

Gezondheidsrisico’s ten gevolge van gewasbeschermingsmiddelen ontstaan pas bij structurele, langdurige en hoge blootstelling. In het geval van reguliere landbouw, zoals op het betrokken perceel, is hiervan geen sprake. Indien er al blootstelling is, betreft deze een minimaal niveau. Er is bovendien geen wetenschappelijk bewijs dat toepassing van gewasbeschermingsmiddelen in Nederland leidt tot gezondheidsschade bij omwonenden. Onderzoeken tonen aan dat de werkelijke blootstelling ruimschoots onder de risicogrenzen ligt die worden gehanteerd bij toelating van middelen. Bij deze toelating wordt bovendien geen rekening gehouden met drift reducerende maatregelen, terwijl deze in de praktijk wél wettelijk verplicht zijn (minimaal 75% reductie). De kans op gezondheidsschade voor bewoners naast een gewasperceel wordt daarmee als minimaal ingeschat. In Frankrijk zijn in het verleden middelen gebruikt die in Nederland al lang verboden zijn. Hoewel daar effecten op gezondheid van agrariërs zijn aangetoond, is er ook daar geen bewijs dat omwonenden gezondheidsschade hebben opgelopen. Door LTO Nederland, Glastuinbouw Nederland, KAVB, LLTB, LTO Noord, NFO en ZLTO is een leidraad opgesteld over spuitzones voor gemeenten. Hierin wordt verwezen naar het door het RIVM gecoördineerde OBO-1 onderzoek, waarvan de resultaten in 2020 zijn gepubliceerd.

De conclusie luidt dat de gemeten gehalten in lucht en urine van omwonenden niet hoger waren dan de risicogrenzen.

Pagina 33 van 68

Er is dus geen reden om beperkingen op te leggen aan het gebruik of de toelating van middelen. Wel wordt aanvullend onderzoek aanbevolen. In vervolg op het eerste onderzoek is er een vervolgonderzoek uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van LVVN, het OBO-2. Het vervolgadvies van de Gezondheidsraad uit 2020 is helder: er moeten zaken nader onderzocht worden, maar er is geen reden om nadere beperkingen te stellen aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Hieruit leiden we af dat het instellen van aanvullende eisen in gemeenten en provincies, zoals teeltverboden en ruimere teeltvrije zones niet nodig is. Uit beide onderzoeken kwam geen aanleiding tot het aanvullen van de regulerende maatregelen. Daarnaast worden in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) verschillende voorwaarden gesteld aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, met name in de nabijheid van oppervlaktelichamen. De minimale driftreductie welke wordt geëist om verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam en het beschermen van de gezondheid te voorkomen of te beperken bedraagt minimaal 75%. Indien er tevens een watergang is gelegen naast het landbouwperceel, geldt daar bovenop dat er extra drift reducerende maatregelen genomen dienen te worden. Zo geldt er een strengere driftreductie eis en geldt er een teeltvrije zone langs het oppervlaktelichaam.

In onderstaande tabel zijn de maatregelen opgesomd zoals weergegeven in artikel 4.723d van het Bal. Soort gewas Aardappelen, uien, bloembollen en bloemknollen, aardbeien, asperges, prei, schorseneren, sla, wortelen en vaste planten

Teelt vrije zone in cm 150 of meer

Aanvullende voorwaarden -

100 of meer

Boomkwekerijgewassen

150 of meer 100 of meer

Gebruik van techniek met een drift reductie van tenminste 90% ten opzichte van een referentietechniek Neerwaarts bespuiten Gebruik van techniek met een drift reductie van tenminste 90% ten opzichte van een referentietechniek Op- en zijwaarts bespuiten Gebruik van techniek met een driftreductie van ten minste 90% ten opzichte van een referentietechniek; of

Pit- en steenvruchten

Overige gewassen

500 of meer 450 of meer 300 of meer

50 of meer

Gebruik van productiemethode -

biologische

Tussen de beoogde woning en de agrarische gronden van derden zijn aan weerszijden van de Chaamseweg-Hazenberg B-watergangen gelegen. Naast de reeds genoemde voorwaarden geldt op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen niet is toegestaan wanneer de windsnelheid meer dan 5 meter per seconde bedraagt, gemeten op een hoogte van 2 meter boven het maaiveld bij neerwaarts bespuiten en 1 meter boven het maaiveld bij zijwaarts bespuiten. Deze bepaling dient ter bescherming van de volksgezondheid en ter voorkoming van verontreiniging van oppervlaktewaterlichamen. Gelet op het voorgaande is het aannemelijk dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in relatie tot het aspect spuitzones. Er zijn geen aanwijzingen dat het gebruik van het agrarische perceel aan de oostzijde gedurende de planperiode zal wijzigen naar

Pagina 34 van 68

een intensiever teeltgebruik waarbij zijwaartse bespuiting aan de orde is. Bovendien is de afstand tot landbouwgronden van derden minimaal 46 meter tot de burgerwoning. De gewassen die momenteel op het aangrenzende perceel worden geteeld, worden uitsluitend neerwaarts bespoten, hetgeen leidt tot een zeer beperkte driftneerslag. Bovendien gelden voor de naastgelegen watergang aanvullende regels op grond van het Bal, waarbij extra drift reducerende maatregelen verplicht zijn en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op voldoende afstand van het oppervlaktewater moet plaatsvinden. Deze omstandigheden zorgen er gezamenlijk voor dat de kans dat drift de beoogde woningen bereikt, als verwaarloosbaar kan worden beschouwd. Op basis van het bovenstaande valt te concluderen dat er sprake zal zijn van een aanvaardbaar woonen leefklimaat ten aanzien van het aspect spuitzones. De eventuele drift die bij toepassing van gewasbeschermingsmiddelen zou kunnen optreden, wordt wegens de afstand tot landbouwgronden van derden als verwaarloosbaar beoordeeld. Het plangebied heeft dus in relatie tot omliggende gronden geen negatief effect van spuitzones en hiermee vormt het aspect spuitzones geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. 4.6. Activiteiten- en milieuzonering Het omgevingsplan van een gemeente bevat de regels voor de fysieke leefomgeving op gemeentelijk niveau.

In het omgevingsplan worden regels gesteld voor activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. Voor het gehele grondgebied van de gemeente bevat het omgevingsplan in ieder geval de regels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Deze regels kunnen dus onder andere worden gesteld voor activiteiten. De handreiking ‘Activiteiten en Milieuzonering’ is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een passende locatie ten opzichte van bedrijven gesitueerd worden. Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: ▪ Het al in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; ▪ Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de milieuwaarden en bijbehorende contouren in beeld te brengen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijke milieuaspecten geur en geluid.

De handreiking geeft voor beide aspecten de milieuwaarden voor verschillende activiteiten. Aan deze milieuwaarden kunnen contouren worden gekoppeld. Deze contouren zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: ▪ Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype). Waar slechts (incidenteel) activiteiten (anders dan wonen) plaatsvinden. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. ▪ Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Hier zijn dan ook kleinere richtafstanden te rechtvaardigen (behalve voor het aspect veiligheid). De planlocatie ligt in omgevingstype ‘gemengd gebied’. Dit omgevingstype wordt gekenmerkt door een matige tot sterke functiemenging. Doordat de locatie direct naast de doorgaande weg van Ulicoten naar Chaam ligt, is hier reeds sprake van verhoogde milieubelasting door geluid.

Uitbreiding veehouderij Een melkveehouderij behoort tot milieuwaarde 1 voor het aspect geluid en milieuwaarde 3 voor het aspect geur. Voor een bedrijf uit deze milieuwaarden, liggend in gemengd gebied, bedraagt de

Pagina 35 van 68

milieucontour 10 meter voor het aspect geluid en 50 meter voor het aspect geur. Het bouwvlak van de dichtstbijzijnde woning van derden, Chaamseweg-Hazenberg 10-12 bevindt zich op een afstand van ca. 38 meter van het bouwvlak van het bedrijf op het perceel Chaamseweg-Hazenberg 3 en voldoet daarmee, ook in het kader van de maximale planologische mogelijkheden, aan de richtafstanden betreft geluid. De richtafstanden van bouwvlak tot bouwvlak voor het aspect geur voldoen daarmee niet. Het onderhavig plan voorziet niet in het realiseren van nieuwe bebouwing op een kleinere afstand dan in de huidige situatie aanwezig is. Daarnaast gelden, zoals ook beschreven in paragraaf 4.4, op grond van artikel 5.112 Bkl vaste afstanden voor de afstand van een gevel van een dierenverblijf waarbij dieren worden gehouden zonder geuremissiefactor tot een geurgevoelig gebouw. Deze vaste afstand geldend voor het plangebied is 50 m. De afstand van dierenverblijven kan tot het dichtstbijzijnde geurgevoelige gebouw dus nooit kleiner zijn van 50 m, waardoor, ook met de maximale planologische mogelijkheden, ten alle tijden wordt voldaan aan de richtafstanden vanuit de activiteiten en milieuzonering aangezien er nooit op kortere afstand dierenverblijven mogen worden opgericht.

De woning is feitelijk in de beoogde situatie op circa 53 meter gelegen vanaf de gebouwen en voorzieningen van de veehouderij en voldoet daarmee aan de richtafstanden betreft geur en geluid uit de activiteiten en milieuzonering. Verplaatsen woonfunctie Een woonfunctie heeft conform de VNG geen richtafstanden toegekend gekregen. Derhalve wordt er daarom gekeken naar de omliggende bedrijven. Wat betreft veehouderijen is in paragraaf 4.3.2 getoetst aan de wetgeving die specifiek van toepassing is voor veehouderijen met betrekking tot het aspect geur en in paragraaf 4.1 aan het aspect geluid. De dichtstbijzijnde veehouderij is gelegen aan de Chaamseweg-Hazenberg 17, op een afstand van circa 200 meter. Hiermee kan voor veehouderijen worden voldaan aan de richtafstanden voor geur en geluid zoals deze zijn opgenomen in de Activiteiten en milieuzonering. Het bouwvlak van de dichtstbijzijnde veehouderij is gelegen op een afstand van circa 150 m. De dichtstbijzijnde niet-agrarische bedrijvigheid is timmerbedrijf (gelegen aan de Maaijkant 5), wat behoort tot milieuwaarde 3 voor het aspect geluid en milieuwaarde FM voor het aspect geur. Conform de handreiking geldt voor een bedrijf in deze milieuwaarden, liggend in gemengd gebied, een milieucontour van 50 meter. Het bedrijf ligt op circa 566 meter van de planlocatie. De planlocatie ligt dus buiten de milieucontour van de bedrijvigheid.

Er kan worden geconcludeerd dat er op grond van de activiteiten- en milieuzonering een evenwichtige toedeling van de functie op de locatie is. 4.7. Gezondheid Wat betreft volksgezondheid geldt dat gezondheidsrisico’s een optelsom zijn van blootstelling, gevaar en impact. Bij blootstelling wordt er gekeken hoeveel ziekteverwekkers een persoon binnen moet krijgen om geïnfecteerd te raken of ziek te worden. Gevaren zijn er in diverse vormen, zoals biologisch (bijv. ziekteverwekkende bacteriën), chemisch (bijv. diergeneesmiddelen of bestrijdingsmiddelen) of fysisch (zoals elektriciteit of ter plaatse gewond raken). Impact staat voor de grootte van het effect dat veroorzaakt wordt. In deze motivering zijn paragrafen toegewijd aan de thema’s luchtkwaliteit (4.3), geur (4.4), geluid (4.1), spuitzones (4.5), trillingen (4.9) en bodem (4.2). In deze paragrafen is beschreven dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties betreffende. Hieruit blijkt dat sprake is van een goede volksgezondheid betreffende deze thema’s. Uitbreiding veehouderij De perceptie van risico's voor de volksgezondheid wordt vaak beïnvloed door de onbekendheid van de burger met de strenge regelgeving in de veehouderijsector. Hierdoor kunnen ongegronde zorgen ontstaan over mogelijke gezondheidsrisico’s.

De risicoperceptie heeft impact op het imago van de sector, hoewel de wettelijk vastgestelde grenswaarden voldoende bescherming bieden voor de volksgezondheid. Het bedrijf hanteert een strikte hygiënebarrière om de gezondheid van de dieren te waarborgen, met onder andere beperkte toelating van bezoekers, strikte voedsel- en mestverwerking, en regelmatige reiniging. Daarnaast worden vervoersbewegingen en infecties zorgvuldig geregistreerd en beheerd volgens de Meststoffenwet, en wordt voldaan aan de vereisten van de omgevingsvergunning en het Bal. Dit alles draagt bij aan de bescherming van de volksgezondheid.

Pagina 36 van 68

Verplaatsen woonfunctie Er zijn verschillende onderzoeken uitgevoerd naar de relatie tussen veehouderij en volksgezondheid, waarbij endotoxine in fijnstof uit intensieve veehouderijen als belangrijke factor voor luchtwegklachten naar voren kwam. De aanbevolen grenswaarde voor endotoxine is 30 EU/m3. Vervolgonderzoeken tonen aan dat de endotoxineconcentratie toeneemt naarmate de afstand tot een veehouderij kleiner wordt. De dichtstbijzijnde (niet-intensieve) veehouderij bij de planlocatie, een rundveehouderij aan Chaamseweg-Hazenberg 17, ligt op ongeveer 200 meter afstand. De effecten op de volksgezondheid van rundveehouderijen zijn echter minimaal vanwege de lage emissies van fijnstof. Alle veehouderijen moeten voldoen aan strikte wet- en regelgeving voor milieuaspecten zoals ammoniakuitstoot, geur en fijnstof. Als een veehouderij niet voldoet, wordt geen vergunning verleend. Gezien de afstand van de planlocatie tot veehouderijen, is er geen sprake van nadelige gezondheidsrisico’s. Onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden De perceptie van risico's voor de volksgezondheid wordt vaak beïnvloed door de onbekendheid van de burger met de strenge regelgeving in de veehouderijsector. Hierdoor kunnen ongegronde zorgen ontstaan over mogelijke gezondheidsrisico’s.

De risicoperceptie heeft impact op het imago van de sector, hoewel de wettelijk vastgestelde grenswaarden voldoende bescherming bieden voor de volksgezondheid. Het bedrijf hanteert een strikte hygiënebarrière om de gezondheid van de dieren te waarborgen, met onder andere beperkte toelating van bezoekers, strikte voedsel- en mestverwerking, en regelmatige reiniging. Daarnaast worden vervoersbewegingen en infecties zorgvuldig geregistreerd en beheerd volgens de Meststoffenwet, en wordt voldaan aan de vereisten van de omgevingsvergunning en het Bal. Dit alles draagt bij aan de bescherming van de volksgezondheid. Handelingsperspectieven veehouderij en volksgezondheid Naar aanleiding van het eerste VGO-onderzoek wordt momenteel door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, een landelijk toetsingskader ontwikkeld voor endotoxine. In afwachting hierop is door het ondersteuningsteam van bestuurders van gemeenten in Brabant in 2016 de notitie ‘Handelingsperspectieven veehouderij en volksgezondheid: endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. Aan de hand van deze notitie kan het risico van de verspreiding van endotoxinen van uitbreidende veehouderijen beoordeeld worden. Gemeenten en provincie willen uit voorzorg voorkomen dat door lopende en nieuwe aanvragen de endotoxine advieswaarde van de Gezondheidsraad wordt overschreden.

Daar waar de advieswaarde al wordt overschreden willen ze voorkomen dat de overschrijding toeneemt. Een standstil van de emissie fijnstof-endotoxine is dus gewenst. Bij voorkeur wordt er een reductie van de emissie bereikt. Omdat endotoxinen zich met (fijn)stofdeeltjes naar de omgeving verspreiden zijn in het Toetsingskader endotoxinen op basis van de fijnstofemissie afstanden bepaald die een te hoge blootstelling aan endotoxinen zullen voorkomen. Voor vleeskuikens, legkippen en vleesvarkens zijn afstandsgrafieken opgesteld. Het dichtstbijzijnde intensieve veehouderijbedrijf heeft een fijnstofemissie (PM10) van 50,43 kg PM10 per jaar. Dit betreft een varkenshouderij en is gelegen aan de Chaamseweg-Hazenberg 7. Met behulp van het Endotoxine toetsingskader 1.0 is de minimale afstand berekend van de veehouderij tot aan het plangebied. Deze richtafstand bedraagt 4 meter. Het bouwvlak van de varkenshouderij aan Chaamseweg-Hazenberg 7 ligt op 150 meter van de planlocatie. Hieruit kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van de planlocatie voldaan kan worden aan de adviesgrenswaarde voor endotoxinen van 30 EU/m3. Het intensieve veehouderijbedrijf aan de Chaamseweg-Hazenberg 16 heeft een fijnstofemissie (PM10) van 85,54 kg PM10 per jaar. Met behulp van het Endotoxine toetsingskader 1.0 is de minimale afstand

Pagina 37 van 68

berekend van de veehouderij tot aan het plangebied. Deze richtafstand bedraagt 35 meter. Het bouwvlak van de varkenshouderij aan Chaamseweg-Hazenberg 16 ligt op 160 meter van de planlocatie. Hieruit kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van de planlocatie voldaan kan worden aan de adviesgrenswaarde voor endotoxinen van 30 EU/m3. De provincie Noord-Brabant stelde in 2018 een geitenmoratorium in om gezondheidsrisico's te voorkomen. Er is echter een vraag over de wenselijkheid van nieuwe woningbouw nabij geitenhouderijen. Gezien de 2 km-regel voor nieuwe gevoelige functies wordt er afgewogen of het verantwoord is om woningen dichter bij geitenhouderijen te bouwen. Het geitenmoratorium zorgt ervoor dat het woonklimaat niet verslechtert, maar mogelijk verbetert. Er is geen wettelijk kader voor het risico op longontsteking door geitenhouderijen, wat betekent dat geen normoverschrijding wordt geconstateerd. Op basis van het landelijk beleid, dat kleine toename van fijnstof accepteert, kan een gemeente besluiten medewerking te verlenen aan woningbouw binnen bepaalde afstanden van geitenhouderijen, mits bestaande woningen niet verder worden benaderd. De kortste afstand tussen het bouwvlak van de geitenhouderij aan Meerleseweg 27 te Chaam en de planlocatie bedraagt 3,4 km. Hiertussen liggen echter reeds bestaande woningen.

Op basis hiervan kan de gemeente overwegen om medewerking te verlenen aan het initiatief. Op basis van vorenstaande kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor de thema’s luchtkwaliteit, geur, geluid, spuitzones, trillingen, bodem, endotoxinen en geitenhouderijen. Op basis van toetsing aan al deze thema’s kan geconcludeerd worden dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor het aspect gezondheid. 4.8. Verkeersgeneratie, - afwikkeling & parkeren Binnen de planlocatie dient een adequate afwikkeling van personen- en goederenvervoer verzekerd te zijn, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor.

4.8.1. Verkeer

Uitbreiding veehouderij Het initiatief heeft slechts een geringe toename van het aantal transportbewegingen tot gevolg. Voer wordt in bulk aangeleverd, loonwerk wordt op een vast aantal momenten in het jaar uitgevoerd, melk wordt op bepaalde momenten in de week opgehaald en jongvee wordt op afspraak afgevoerd, wat de voornaamste aan- en afvoerbewegingen zijn. Door de toename van dieren is er sprake van een toename van 1,5 zware verkeersbewegingen per dag. De planlocatie ligt aan de Chaamseweg-Hazenberg. Een verharde weg die gebruikt door agrarisch bestemmingsverkeer en de weg betreft de doorgaande weg tussen de kernen Chaam en Ulicoten. Deze weg beschikt over voldoende capaciteit voor de afwikkeling van de beperkte toename in verkeersbewegingen. Verplaatsen woonfunctie Gekeken naar het aspect verkeer heeft de gemeente geen eigen normen opgenomen in de parkeernota en derhalve wordt aansluiting gezocht bij de CROW. Er wordt aangesloten bij een koophuis, vrijstaand, in niet stedelijk gebied in het buitengebied. Een dergelijke woning kent een verkeersgeneratie van maximaal 8,6 per woning. Doordat de woning slechts enkele honderden meter verplaatst wordt zal er geen sprake zijn van een onevenredige verandering van de verkeersgeneratie.

4.8.2. Parkeren

Naast het aspect verkeer dient tevens voldoende parkeergelegenheid aanwezig te zijn binnen de planlocatie. Uitbreiding veehouderij Er zijn echter geen representatieve cijfers in opgenomen voor agrarisch bedrijven. Eigen machines en werktuigen kunnen worden gestald in de daarvoor bestemde machine- en werktuigenbergingen.

Pagina 38 van 68

Vrachtwagens en tractoren van derden verblijven altijd maar kortstondig op het bedrijf, bijvoorbeeld voor melkafname, voerlevering of loonwerk. Voor dergelijk materieel is ruim voldoende erfverharding aanwezig. Voor het eigen personenvervoer wordt aangesloten bij de vereiste parkeergelegenheid bij een woning > 100m2, liggend in ‘Overig gemeente Baarle-Nassau’ uit de parkeernota ‘NOTA PARKEERNORMEN 2011’ van de gemeente Baarle-Nassau. Hiervoor wordt een minimum van 2 parkeerplaatsen voorgeschreven. Op de inrit naar de bedrijfswoning is ruim voldoende ruimte om 2 auto’s te kunnen parkeren. Gemiddeld zullen er dagelijks 2 tot 4 bezoekers met personenvervoer naar het bedrijf toe komen. Te denken valt aan de veearts, vertegenwoordigers, adviseurs, privébezoekers etc. Normaliter zullen deze niet gelijktijdig op het bedrijf aanwezig zijn, maar zelfs als dit het geval zou zijn is er ruim voldoende erfverharding aanwezig voor in totaal 6 personenvervoersmiddelen, eigen vervoersmiddelen en van bezoekers, te parkeren. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ruim voldoende parkeergelegenheid aanwezig is op het bedrijf. Verplaatsen woonfunctie Voor de verplaatsen woonfunctie zal voldoende erfverharding aanwezig zijn voor het realiseren van 2 parkeerplaatsen. Dit is conform de parkeernota van de gemeente Baarle-Nassau.

Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ruim voldoende parkeergelegenheid aanwezig is bij de beoogde woning. Er kan worden geconcludeerd dat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen belemmeringen zullen ontstaan voor de afwikkeling van personen- en goederenvervoer. 4.9. Trillingen Met het oog op de bescherming van de fysieke leefomgeving kunnen gemeenten in het omgevingsplan regels opnemen voor trillingen. Het Rijk heeft alleen instructieregels opgesteld voor trillingen door activiteiten. In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels voor trillingen. Deze instructieregels zijn gericht op de bescherming van trilling gevoelige ruimten in trilling gevoelige gebouwen. Een woonfunctie valt onder een trilling gevoelig gebouw. De centrale beoordelingsregel voor trillingen door activiteiten is geformuleerd in artikel 5.83 van het Bkl: ‘’In een omgevingsplan wordt

rekening gehouden met trillingen door activiteiten in trilling gevoelige ruimten van trilling gevoelige gebouwen.’’ In de (directe) omgeving van het plangebied zijn vinden geen activiteiten plaats die trillingen kunnen veroorzaken. De woning zal hier derhalve ook geen belemmering van ondervinden.

Ook trillingen door weg- en spoorwegverkeer kunnen trillingen veroorzaken in woningen, scholen en dergelijke. Dit moet het bevoegd gezag betrekken bij de ruimtelijke inpassing van spoor(wegen) en/of trilling gevoelige gebouwen, in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Verkeer over een oneffen wegdek veroorzaakt trillingen. Bij het passeren van vooral zware voertuigen, zoals vrachtwagens en bussen, kunnen trillingen ontstaan met een kortdurend karakter. De aard van deze trilling is afhankelijk van het type voertuig en de belading, de rijsnelheid en de vorm van de oneffenheden, zoals bij een brug. In de meeste gevallen speelt het aspect trillingen geen rol bij de ruimtelijke inpassing. Voor onderhavige ontwikkeling geldt dat het plangebied is gelegen aan de Chaamseweg, een geasfalteerde, doorgaande weg in het buitengebied van Gilze en Rijen. Deze weg wordt veelvuldig gebruikt door voornamelijk licht verkeer volgens de ‘Staat van Mobiliteit Brabant’, namelijk enkele duizenden keren per dag. De trillingen welke ontstaan vanuit het lichte verkeer zijn dusdanig gering dat deze niet zullen leiden tot belemmering van de plattelandswoning. Gekeken naar het aantal zware vervoersbewegingen liggen deze op enkele tientallen per dag.

Aangezien dit aantal beperkt is en de vervoerbewegingen plaatsvinden over een effen geasfalteerde weg kan ervan uit worden gegaan dat deze trillingen de grenswaarden niet zullen overstijgen. De trillingen welke ontstaan van verkeer zullen gezien het voorgaande niet leiden tot belemmeringen voor de plattelandswoning. Treinverkeer (vooral goederenvervoer) kan leiden tot trillingen in trilling gevoelige gebouwen. Het wijzigen of aanleggen van een hoofdspoorweg gebeurt meestal via een projectbesluit. Bij de ruimtelijke inpassing van trilling gevoelige functies dicht bij een spoorweg speelt het aspect trillingen een rol in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De dichtstbijzijnde spoorweg is gelegen

Pagina 39 van 68

op een afstand van circa 8,7 kilometer van het plangebied. Gezien de ruime afstand kan worden geconcludeerd dat er geen belemmeringen zullen ontstaan vanuit deze spoorweg. Gezien het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het aspect trillingen niet zal leiden tot belemmeringen ten aanzien van de plattelandswoning.

Pagina 40 van 68

5. Bescherming van de waterbelangen

In een aanvraag voor een buitenplanse omgevingsplan activiteit dient rekening te worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Voor de beoogde ontwikkeling is het daarom van belang om te toetsen aan een evenwichtige toedeling van functies met betrekking tot het watersysteem. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: ▪ Beschrijving waterrelevant beleid; ▪ Bestaande waterhuishoudkundige situatie; ▪ Beoogde waterhuishoudkundige situatie. 5.1. Waterrelevant beleid Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels met betrekking tot: 1. het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; 2. het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; en 3. het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied.

Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit het (tijdelijke) omgevingsplan van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn opgenomen voldoende. Met de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften kan de gemeente voor specifieke bedrijven zo nodige aanvullende eisen stellen die passen bij de bedrijfssituatie. Provincie

Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) 2022 – 2027

Het Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) is de opvolger van het Provinciaal Milieu en Waterplan. Het is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma’s van de waterschappen. Het RWP is op 22 december 2021 in werking getreden. Doel van dit nieuwe RWP is: een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Deze opgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven: wonen en werken, infrastructuur en mobiliteit, landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, erfgoed, een concurrerende en duurzame economie, en de energietransitie.

Samenwerking met water- en bodempartners

De provincie heeft de koers voor de komende jaren niet alleen bepaald. In dialoogsessies hebben vele partners en belanghebbenden actief meegedacht. Naast de Brabantse waterschappen, terreinbeherende organisaties (TBO’s), de Vereniging Industriewater, drinkwaterbedrijven, de Brabantse Milieu Federatie, Zuidelijke Land- en Tuinbouw Organisatie (ZLTO) en verschillende onderwijsinstellingen, waren ook een groot aantal gemeenten aangesloten.

Water en bodemsysteem herstellen

Een belangrijke rode draad in het programma is het herstellen van de systeemwerking. Vele generaties lang had het waterbeleid als doel wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels weten we beter en is het duidelijk geworden dat het roer om moet: we moeten zuinig zijn op ons water en de bodem, en het wateren bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden.

Pagina 41 van 68

Waterschap Brabantse Delta

Waterbeheerprogramma 2022 – 2027

Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerprogramma 2022-2027, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. Het programma brengt op strategisch niveau samenhang tussen de verschillende kerntaken en draagt zo bij aan integraal waterbeheer en duurzame ontwikkeling in de regio. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheerprogramma en heeft het waterschap een eigen verordening; ‘Waterschapsverordening waterschap Brabantse Delta 2024’. De waterschapsverordening bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd.

De verordening is onder andere te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta en via regels op de kaart in het Omgevingsloket. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de ‘Waterschapsverordening’. Hieromtrent is bij de Waterschapsverordening het volgende opgenomen: ▪ Bij een toename van het verharde oppervlak van minder dan 500 m² stelt het waterschap geen andere eisen aan de verwerking van het hemelwater; ▪ Bij een toename van het verharde oppervlak van meer dan 500 m² moeten compenserende maatregelen ten aanzien van de verwerking van het hemelwater worden getroffen conform de rekenregel: benodigde compensatie (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m²); ▪ Bij een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m² is een watervergunning nodig. In alle gevallen geldt (ook) het gemeentelijke beleid. Gemeente Het waterbeleid van de gemeente Baarle-Nassau is vastgelegd in het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2025.

Het gemeentelijke waterbeleid schrijft onder meer voor dat stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater op een deugdelijke manier moeten worden ingezameld, geborgen, getransporteerd en/of lokaal gezuiverd. Alle nieuwe nieuwbouw- en herstructureringsprojecten dienen in principe hydrologisch neutraal te worden uitgevoerd waarbij de wettelijke voorkeursvolgorden gehanteerd worden. Hemelwater wordt daarom, ook als er geen toename is van het verhard oppervlak, bij voorkeur in de bodem geïnfiltreerd en schoongehouden.

Als de toename verhard oppervlak kleiner is dan 500 m2:

Bij een toename van het verhard oppervlak (daken en bestrating) van minder dan 500 m² geldt alleen het gemeentelijk beleid en wordt alleen voor het oppervlak van de bouwwerken een opgave meegegeven. Voor deze wateropgave geldt een ondergrens van 50 m2 verhard oppervlak. Voor het oprichten en aanleggen van minder dan 50 m2 verhard oppervlak geldt geen verplichting voor een wateropgave. Bij het realiseren van nieuwbouw is een bergingseis voor hemelwater van minimaal 78 mm (liter/m²) voor het toekomstige nieuwe bebouwd oppervlak vastgesteld.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16496326/1