CConstaterende datBaarle-Nassau
Koppel je AI →
Document · PDF

3.1 - Bijlage 1 - Toelichting ontwerp omgevingsplan

Gemeenteraad (openbaar) 18 februari 2026, gemeente Baarle-NassauBij agendapunt: Categorie 3: Raadsinformatiebrieven voor kennisgeving aannemen25.359 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Pagina 42 van 68

Bij het wijzigingen in het bebouwd oppervlak geldt een bergingseis van minimaal 7 mm (liter/m²) voor het vervangende oppervlak en minimaal 78 mm voor een eventuele toename van het bebouwd oppervlak. De gemeente rekent niet met een gevoeligheidsfactor. Oppervlak wat niet aangepakt wordt, hoeft niet gecompenseerd te worden. De bestaande watervoorzieningen zoals greppels en vijvers dienen gehandhaafd te blijven tenzij de bergende, afvoerende, infiltrerende en drainerende functie gecompenseerd wordt.

Als de toename groter is dan 500 m2:

Bij een toename van het verharde oppervlak van meer dan 500 m² (daken en bestrating) geldt zowel het gemeentelijk als waterschapsbeleid en wordt voor het oppervlak van het daken en bestrating een opgave meegegeven. Bij het realiseren van nieuw verhard oppervlak is een bergingseis voor hemelwater van minimaal 78 mm (liter/m²) voor het toekomstige nieuwe verhard oppervlak vastgesteld. Bij het aanpassen van verhard oppervlak geldt een bergingseis van minimaal 7 mm (liter/m²) voor het vervangende oppervlak en minimaal 78 mm voor een eventuele toename van het oppervlak. De gemeente rekent niet met een gevoeligheidsfactor. Verhard oppervlak wat niet aangepakt wordt, hoeft niet gecompenseerd te worden. De bestaande watervoorzieningen zoals greppels en vijvers dienen gehandhaafd te blijven tenzij de bergende, afvoerende, infiltrerende en drainerende functie gecompenseerd wordt. 5.2. Bestaande waterhuishoudkundige situatie In de directe nabijheid van de planlocatie zijn watergangen aanwezig. Ten westen en zuidoosten van de planlocatie ter plaatse van de veehouderij is een B-watergang gelegen en ten oosten van planlocatie ter plaatse van de beoogde burgerwoning is een B-watergang gelegen, zie onderstaande uitsnede van de legger.

Afbeelding 17: Uitlegger waterschap Brabantse Delta, planlocatie veehouderij rood omcirkeld en planlocatie beoogde burgerwoning blauw omcirkeld

In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige wordt er vanaf de locatie enkel niet-verontreinigd

Pagina 43 van 68

hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m3 niet-verontreinigd hemelwater per m2 verhard oppervlak. Dit hemelwater wordt door middel van afschot van daken en erfverharding geloosd op omliggende gronden en perceelsloten. Op het bedrijf wordt aandacht besteed aan het schoonhouden van het verhard oppervlak. Er is sprake van good-house-keeping management waarbij de erfverharding en de daken zo vaak als voor de goede orde noodzakelijk is schoon worden gehouden. Op het bedrijf vinden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met het hemelwater. Het niet-verontreinigde hemelwater kan dus zonder problemen worden geloosd op de omliggende perceelsloten. In de bestaande situatie is er een bedrijfswoning en een burgerwoning aanwezig. In de bestaande waterhuishoudkundige situatie ter plaatse van de beoogde burgerwoning is er geen sprake van lozing. Ook is er geen afvalwater aanwezig. 5.3. Beoogde waterhuishoudkundige situatie Bij de nieuwbouw zal gebruik worden gemaakt van milieuvriendelijke bouwmaterialen en niet van uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie.

Verder zullen de beschermingszones ten opzichte van omliggende watergangen in acht worden genomen. Binnen 5 meter van de B-watergangen worden geen nieuwe obstakels, zijnde bebouwing dan wel landschapselementen, mogelijk gemaakt. Zoals aangegeven is waterschap Brabantse Delta de beheerder van de kwaliteit en kwantiteit van het grond- en oppervlaktewater binnen de planlocatie. Door middel van het gemeentelijkbeleid, kan worden bepaald bij welke ontwikkelingen mitigerende maatregen getroffen moeten worden. Dit om versnelde afvoer van hemelwater op het watersysteem te voorkomen. Bij voorkeur wordt ervoor gezorgd dat het hemelwater alsnog kan infiltreren in de bodem, eventueel via mitigerende maatregelen zoals een retentievoorziening. Het gemeentelijk beleid schrijft voor dat mitigerende maatregelen nodig zijn indien sprake is van een toename van het verhard oppervlak bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. De grootte van de retentievoorziening moet in dat gevel worden berekend conform de rekenregel uit het gemeentelijk beleid.

Deze rekenregel voor nieuw verhard oppervlak luidt als volgt: Benodigde compensatie (in m3) = toename verhard oppervlak (m2) x 0,078 (m) De rekenregel voor vervangend verhard oppervlak luidt als volgt: Benodigde compensatie (in m3) = toename verhard oppervlak (m2) x 0,007 (m) Uitbreiding veehouderij In de beoogde situatie is er een sprake van 9.601,2 m2 nieuwe bebouwing. 2.288,4 m2 aan bebouwing zal gesaneerd worden. Derhalve dient er over 2.288,4 m2 de rekenregel voor vervangend oppervlak toegepast te worden en over 7.312,8 m2 de rekenregel voor nieuw oppervlak, zie onderstaande tabel. Tabel 3: Overzicht toename verhard oppervlak Nieuw Toename in verhard oppervlak Bedrijfsbebouwing 5.939,7 m2 Sleufsilo’s, mengkuip en vaste 1.516,3 m2 mestopslag Erfverharding 2.145,2 m2 Te slopen bebouwing Totaal 9.601,2 m2

Afname in verhard oppervlak

2.288,4 m2 2.288,4 m2

Verschil

7.312,8 m2

Pagina 44 van 68

De factor 0,078 en 0,007 (m) vertegenwoordigt een waterschijf van 78 mm (780 m3/ha) en 7 mm (70 m3) die de hoeveelheid water aangeeft die onder maatgevende omstandigheden daadwerkelijk op het watersysteem terecht zou komen als er geen voorziening wordt aangelegd. Deze is door de gemeente vastgelegd op basis van eigen onderzoek en toekomstscenario’s. Dit is een vast gegeven in de formule. Alle onderdelen van de rekenregel zijn bekend. Dit betekent dat de volgende rekensom gemaakt kan worden.

Afbeelding 18: Uitsnede berekening wateropgave gemeente Baarle-Nassau

Totale benodigde compensatie = 570,4 m3 + 16 m3 = 586,4 m3 Bij de uitwerking van de compenserende maatregelen zal ook rekening gehouden moeten worden met de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG). De voorziening mag namelijk niet dieper worden afgegraven dan de GHG ter plaatse. De gemiddelde hoogste grondwaterstand is af te leiden uit het DINOloket. Zoals uit Afbeelding 19 blijkt ligt de gemiddelde hoogste grondwaterstand ter plaatse van de beoogde retentievoorziening 40 cm beneden maaiveld.

Afbeelding 19: Uitsnede DINOloket 'Gemiddelde hoogste grondwaterstand', planlocatie met groen pin aangegeven

De nieuwe bebouwing en erfverharding zal door middel van een buis aangesloten worden op de beoogde retentievoorziening. De retentievoorziening zal in de vorm van een wadi gerealiseerd worden ten oosten van de nieuwe melkveestal, zie Afbeelding 7. De retentievoorziening zal een diepte van circa 40 cm krijgen. Het hemelwater infiltreert vanuit de wadi in de bodem. In geval van nood kan de wadi leegstromen via het maaiveld over het naastgelegen perceel. Verplaatsen woonfunctie In de beoogde ontwikkeling voorziet in een toename van 525 m2 in verhard oppervlak. De grootte van de retentievoorziening moet in dat gevel worden berekend conform de rekenregel uit het gemeentelijk beleid. Deze rekenregel voor nieuw verhard oppervlak luidt als volgt: Benodigde compensatie (in m3) = toename verhard oppervlak (m2) x 0,078 (m)

Pagina 45 van 68

Alle onderdelen van de rekenregel zijn bekend. Dit betekent dat de volgende rekensom gemaakt kan worden. Benodigde compensatie = 525 m2 x 0,078 = 41 m3 Zoals uit Afbeelding 20 blijkt ligt de gemiddelde hoogste grondwaterstand ter plaatse van de beoogde retentievoorziening 36 cm beneden maaiveld.

Afbeelding 20: Uitsnede DINOloket 'Gemiddelde hoogste grondwaterstand', planlocatie met groen pin aangegeven

De nieuwe woning, bijgebouw en erfverharding zal door middel van een buis aangesloten worden op de beoogde retentievoorziening. De retentievoorziening zal in de vorm van een retentiesloot gerealiseerd worden ten zuiden van de woning en het bijgebouw, zie Afbeelding 8. De retentievoorziening zal een diepte van circa 36 cm krijgen. Het hemelwater infiltreert vanuit de retentiesloot in de bodem. Indien van nood kan de sloot leegstromen via het maaiveld over het naastgelegen perceel. Daarbij zal het afvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool Ter plaatse van de beoogde inrit voor de burgerwoning zal een duiker geplaatst moeten worden. Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit worden de benodigde vergunningen hiervoor aangevraagd. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect water geen belemmeringen zijn voor het initiatief.

Pagina 46 van 68

6. Waarborgen van de veiligheid

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet een afweging gemaakt worden of de beoogde ontwikkeling passend dan wel gewenst is binnen de locatie. Als de ontwikkeling afwijkt van het beleid maar toch wenselijk is, kan het bevoegd gezag de BOPA ook verlenen. Er is op dit moment wel een goede motivering nodig om van het beleid af te wijken. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit op een locatie. In bijlage VII zijn de milieubelastende activiteiten die relevant zijn voor het aspect veiligheid omschreven. 6.1. Beleid Binnen het aspect omgevingsveiligheid zijn verschillende begrippen relevant. Onderstaand worden de belangrijkste begrippen toegelicht. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Deze persoon bevindt zich onafgebroken (24 uur per dag) en onbeschermd op één bepaalde plaats.

Het plaatsgebonden risicocontour geld niet voor werknemers of bezoekers van de milieubelastende activiteit. De grens- en standaardwaarden voor het plaatsgebonden risico zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Deze waarden worden ruimtelijk vertaald in afstanden die tot gebouwen en locaties in acht genomen moeten worden of waarmee rekening gehouden moet worden. Voor (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties zijn (artikel 5.7 in het Bkl) grenswaarden opgenomen voor het plaatsgebonden risico van ten hoogste één op de miljoen per jaar (10 -6/jaar). Deze grenswaarden (harde norm) moeten in acht genomen worden. (Zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties mogen daarom niet binnen de PR-10-6-contour van een activiteit worden gerealiseerd. Kwetsbare gebouwen en locaties kunnen hier tijdelijk afwijken gedurende een periode van ten hoogste drie jaar (artikel 5.10 van het Bkl.) Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties geldt de PR-10-6-contour als standaardwaarde. In basis moet aan de norm van PR-10-6-contour voldaan worden, tenzij er (goede) redenen zijn om af te wijken. De redenen en de afweging van de risico’s moeten nader gemotiveerd worden. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de maatschappelijke ontwrichting door een ongeluk met gevaarlijke stoffen.

Door te kijken naar het gebied waar dan een groep van ≥10 personen tegelijk kan overlijden als er iets fout gaat. Het groepsrisico is geen harde norm, het bevoegd gezag moet er rekening mee houden bij het toestaan van bepaalde activiteiten met gevaarlijke stoffen. In het omgevingsplan en bij de vergunningverlening. Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Dat betekent dat zich binnen dat gebied bij een ongeval met gevaarlijke stoffen levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Ook al is de kans daarop klein. Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig bepaald conform bijlage VII van het Bkl. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl).

Pagina 47 van 68

Voorschriftengebied De gemeente kan binnen aandachtsgebied voorschriftengebieden aanwijzen. Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. De gemeente wijst in dat geval een locatie binnen een (brand- of explosie)aandachtsgebied als (brand- of explosie)voorschriftengebied aan in het omgevingsplan (art. 5.14 Bkl). In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. Deze aanvullende bouweisen staan in de artikelen 4.90 tot en met 4.96 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). De aanvullende bouweisen gelden niet voor bestaande gebouwen die binnen een voorschriftengebied liggen. Locaties voor nieuwe zeer kwetsbare gebouwen in een brandof explosieaandachtsgebied moeten altijd worden aangewezen als voorschriftengebied. Register Externe Veiligheidsrisico’s In het Register Externe Veiligheidsrisico’s (REV) zijn de risico’s met gevaarlijke stoffen vastgelegd. De afstanden met betrekking tot het plaatsgebonden risico, brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied vuurwerk, civiele of militaire explosieaandachtsgebied wordt visueel weergegeven via geografische kaarten zoals de kaart van Atlas Leefomgeving en EV signaleringskaart.

Op deze kaart zijn onder andere de PR-10-6-contour en aandachtsgebieden visueel weergegeven. Transportroutes De afstand van PR-10-6 en aandachtsgebieden voor transportroutes als bedoeld in artikel 1 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, over het basisnet zijn opgenomen in Bijlage VII, onder C, van BKL. Bijlage VII, onder C verwijst naar bij ministeriële regeling aangewezen afstanden voor het plaatsgebonden risico. Conform artikel 2.23 (aandachtsgebieden) van de Omgevingsregeling betreffen dit de afstanden zoals opgenomen in Bijlage 1 van de Regeling basisnet voor wegen en Bijlage 2 van de Regeling Basisnet voor spoorwegen. In Bijlage VII, onder C zijn voor brandaandachtsgebieden een afstand van 30 meter en voor een explosie aandachtgebied 200 meter opgenomen. Buisleidingen De afstand van PR-10-6 en aandachtsgebieden voor buisleidingen (als bedoeld in artikel 3.101, eerste lid, onder a tot en met d, van het Besluit activiteiten leefomgeving) zijn berekend (zie Bijlage VII, onder D, onder 2 van BKL. Deze afstand is geregistreerd in het REV en weergegeven op de geografische kaarten. 6.2. Toetsing aan beleid Uitbreiden veehouderij Met de beoogde ontwikkeling wordt geen (beperkt of zeer) kwetsbaar object of (beperkt of zeer) kwetsbare locatie opgericht. Met de ontwikkeling worden ook geen milieubelastende activiteiten gerealiseerd zoals opgenomen in bijlage VII van het Bkl.

Het aspect omgevingsveiligheid leidt niet tot een belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Verplaatsen woonfunctie Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de standaardwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken. Toetsing aan het beleid begint met de inventarisatie van de omgeving van de planlocatie. Dit is inzichtelijk gemaakt middels onderstaande uitsnede van de EV-signaleringskaart, zie Afbeelding 21.

Pagina 48 van 68

Afbeelding 21: Uitsnede EV-signaleringkaart, planlocatie woonfunctie blauw omcirkeld

Uit de signaleringskaart blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen, buisleidingen, transportroutes en kwetsbare objecten aanwezig zijn op of nabij de planlocatie. Er ontstaan daardoor geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen op de planlocatie. Het plan voorziet wel in de realisatie van een nieuwe beperkt kwetsbare object, de beoogde woning. Aangezien de planlocatie niet binnen de plaatsgebonden risico contour of binnen een aandachtsgebied ligt zijn geen risico’s aanwezig voor de voorgenomen ontwikkelingen. Het aspect omgevingsveiligheid leidt niet tot een belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Pagina 49 van 68

7. Bescherming van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. Het uitgangspunt is dat er verplicht rekening gehouden moet worden met het behoud van het archeologisch erfgoed in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden door middel van archeologisch onderzoek. Bij het opstellen van ontwikkelingen moet het archeologisch en cultuurhistorisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. In het Bkl zijn ten aanzien van de bescherming van cultureel erfgoed een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op het omgevingsplan ‘Paraplubeheersverordening Baarle Nassau 2023’.

Deze archeologische waarden en verwachtingen zijn doorvertaald in archeologische dubbelbestemmingen in het omgevingsplan. 7.1. Archeologie De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe omgevingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aantoonbaar, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan een omgevingsvergunning voor activiteiten waar grondwerkzaamheden worden uitgevoerd. Uitbreiding veehouderij In het omgevingsplan ligt de planlocatie van de veehouderij gedeeltelijk binnen de archeologische kaarteenheid ‘archeologische verwachting middelhoog - categorie 4’ en gedeeltelijk binnen ‘archeologische verwachting laag – categorie 6’, zie Afbeelding 22. De graaf- en grondwerkzaamheden vallen binnen de kaarteenheid ‘archeologische verwachting laag – categorie 6’. Ter plaatse van deze kaarteenheid zijn er geen verdere restricties ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen opgenomen. De, al dan niet aanwezige, archeologische waarden blijven daarom ongewijzigd behouden. Daarom is een nader onderzoek niet noodzakelijk. Verplaatsen woonfunctie De beoogde locatie voor de burgerwoning is gelegen binnen de kaarteenheid ‘archeologische verwachting laag – categorie 6’.

Zoals reeds is benoemd zijn er geen restricties ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen opgenomen in deze kaarteenheid. De, al dan niet aanwezige, archeologische waarden blijven daarom ongewijzigd behouden. Een nader onderzoek naar de archeologische waarden ter plaatse is dus niet noodzakelijk. Slopen woning De woning aan de Chaamseweg-Hazenberg 3a wordt gesaneerd. De gronden ter plaatse zijn in het verleden geroerd, door de bouw van de woning. Hierdoor valt uit te sluiten dat er ter plaatse van de nog archeologische verwachtingen in de bodem liggen. Een nader onderzoek naar de archeologische waarden ter plaatse is dus niet noodzakelijk. Landschappelijke inpassing De landschappelijke inpassing die ter plaatse van het plangebied wordt gerealiseerd is gedeeltelijk gelegen binnen de archeologische kaarteenheid ‘archeologische verwachting middelhoog - categorie 4’, zie ook Afbeelding 22. Binnen deze archeologische kaarteenheid wordt niet voor meer dan 1.000 m2 aan landschappelijke inpassing gerealiseerd. Voor de bomenrij die wordt aangeplant zal niet dieper

Pagina 50 van 68

gegraven worden dan 40 cm – Mv. De grenswaarden worden niet overschreden, waardoor een nader archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is.

Afbeelding 22: Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Baarle-Nassau, locatie veehouderij rood omcirkeld en locatie beoogde burgerwoning blauw omcirkeld

De archeologische dubbelbestemming in de huidige situatie van toepassing op het plangebied worden overgenomen met onderhavige omgevingsplanwijziging. Geconcludeerd kan worden dat er voor het aspect archeologie geen bezwaren zijn ten opzichte van de ingenomen plannen. 7.2. Cultuurhistorie Uit de cultuurhistoriekaart van de Omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat de planlocatie niet in een gebied met landschappelijke of cultuurhistorische waarden ligt, zie Afbeelding 23. Daarnaast kent de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang. Hierdoor zal bij uitvoering van het plan geen afbreuk gedaan worden aan cultuurhistorische waarden of landschappelijk waardevol gebied.

Pagina 51 van 68

Afbeelding 23: Uitsnede kaart 'Instructieregels gemeenten: aardkundige, cultuurhistorische en groenblauwe waarden’ Omgevingsverordening Noord-Brabant, planlocatie veehouderij rood omcirkeld en planlocatie beoogde burgerwoning blauw omcirkeld

De provincie Noord-Brabant ziet het ruimtelijke erfgoed als een belangrijk onderdeel van haar identiteit en wil het een plaats geven in de verdere ontwikkeling van Brabant. Het Brabantse erfgoed is daarom opgenomen op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Prominent onderdeel van deze kaart is het provinciaal cultuurhistorisch belang, met name erfgoed dat van belang is voor de regionale identiteit. De CHW-kaart bevat tevens de meest recente erfgoedinformatie van het Rijk inclusief archeologische en bouwkundige monumenten, archeologische verwachtingswaarden en beschermde stads- en dorpsgezichten. Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van de CHW weergeven.

Pagina 52 van 68

Afbeelding 24: Uitsnede CHW kaart, planlocatie veehouderij rood omcirkeld en planlocatie beoogde burgerwoning blauw omcirkeld

Uit bovenstaande afbeelding blijkt dat de planlocatie is niet gelegen ter plaatse van gronden die zijn aangewezen als ‘Cultuurhistorisch landschappen’, ‘Complex van cultuurhistorisch belang’ en ‘Cultuurhistorisch waardevol gebied’. De Chaamseweg-Hazenberg is aangewezen als historisch geografische lijn van redelijk hoge waarde. Ter plaatse van de Chaamseweg-Hazenberg 3 zal het zicht aan de straatzijde wijzigen. De woning aan de Chaamseweg-Hazenberg 3a zal worden gesaneerd en de jongveestal, welke zichtbaar is vanaf de weg, zal worden gesaneerd en vervangen door een nieuwe melkveestal. De situatie zal dus veranderen ten opzichte van de historische geografie. Om het zicht te verzachten zal het plangebied zorgvuldig landschappelijk worden ingepast, zodat de bebouwing aan het zicht wordt onttrokken en er een zachte overgang naar het achterliggende landschap ontstaat. Over het erf loopt tevens ook een lijn met hoge waarde. De lijn die over het perceel loopt betreft een weg van vóór 1850, waarvan het gedeelte aan de oostkant van het perceel is verdwenen, maar het westelijk gedeelte (aan de achterzijde van het perceel) intact lijkt. Dit gedeelte is dus ook van voor 1850. In de beoogde situatie wordt deze lijn instant gehouden. De bebouwing aan de zuidzijde van deze lijn blijft ongewijzigd.

De bebouwing aan de noordzijde van deze lijn zal worden gesaneerd en vervangen door nieuwe bebouwing. Ter plaatse van de Chaamseweg-Hazenberg zal het zicht aan de straatzijde wijzigen, doordat er op landbouwgrond een woning zal worden gerealiseerd. Om het zicht te verzachten zal het plangebied zorgvuldig landschappelijk worden ingepast, zodat de bebouwing aan het zicht wordt onttrokken en er een zachte overgang naar het achterliggende landschap ontstaat. Het initiatief heeft dus geen negatief effect op de historisch geografische waarde van Chaamseweg-Hazenberg. Derhalve zal het aspect cultuurhistorie niet voor belemmering zorgen op de beoogde ontwikkeling. 7.3. Ladder voor duurzame verstedelijking In geval van stedelijke ontwikkeling moet de Ladder voor duurzame verstedelijking worden toegepast. Deze is wettelijk vastgelegd in artikel 5.129g, Bkl. Toepassing van de ladder is verplicht voor opgaven die nieuwe stedelijke ontwikkelingen, gebaseerd op een regionale behoefte, mogelijk moeten maken.

Pagina 53 van 68

Het eerste lid van artikel 5.129g is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd:

‘Ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.’ Uitbreiding veehouderij De beoogde ontwikkeling is niet aan te merken als stedelijke ontwikkeling omdat het niet de ontwikkeling van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening betreft, maar de uitbreiding van een veehouderij. Verplaatsen woonfunctie De beoogde ontwikkeling betreft de ruimtelijke ontwikkeling van een woningbouwlocatie. In navolging van jurisprudentie (uitspraak ECLI:NL:RVS:2015:953) is de ontwikkeling van 12 woningen of meer aan te merken als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met de beoogde ontwikkeling worden er één woning gerealiseerd op de locatie. Derhalve is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling en is de Ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing. 7.4. Landschappelijke waarden Uitbreiding veehouderij De bestaande landschapsbomen binnen het plangebied zullen gehandhaafd blijven, zie Afbeelding 25. Deze zullen worden gerevitaliseerd. Net zoals de bestaande knip- of scheerheg rondom de woning.

Het revitaliseren van bestaande bomen en planten verwijst naar het nemen van maatregelen om de gezondheid, vitaliteit en groei van reeds bestaande bomen en planten te verbeteren. Het doel is om beplanting die verzwakt, gestrest of in een slechte conditie verkeren nieuw leven in te blazen en hun overlevingskansen te vergroten. Aan de noord- en zuidzijde worden bomenrijen geplant langs het plangebied. De inheemse bomen bieden leefruimte en voedsel voor een groot aantal organismen, waaronder vogels, insecten, schimmels en epifyten (planten die op andere planten groeien). Ze creëren verticale lagen in ecosystemen, wat de diversiteit van habitats verhoogt. Ook wordt een robuuste houtsingel geplant met inheemse struweel- en boomvormers. De houtsingels versterken het oude landschap en zorgen voor biodiversiteit, schuil- en broedmogelijkheden en uitkijkplekken voor roofvogels. Deze groensingel wordt aangelegd ten gunste van foerageerfuncties voor vogels, maar ook kleine knaagdieren, insecten en insecteneters zoals vleermuizen zullen hiervan profiteren. De houtsingels zijn een foerageer- en nestelplek voor vogels, een schuilplek voor egels en kleine zoogdieren en zijn zeer geschikt als luwe plek voor insecten zoals vlinders. De akkerzones zullen met deze landschapselementen beter herkenbaar worden: Het erf en het open oude landschap zijn dan beter leesbaar.

Ten slotte wordt een natuurvriendelijke oever aangelegd bij de retentievoorziening/wadi. Bovenstaande bestaande en nieuwe groenstructuren in het landschap versterken het eigen karakter van het gebied en verkleinen de ruimtelijke schaal. Het zorgt voor een groene kamer in het oude landschap. Ook sluit het aan op de wens van de gemeente om een gedifferentieerde aanplant te gebruiken die aansluit bij de omgeving. In de omgeving zijn houtsingels en bomen te vinden. Gezien voorgaand worden diverse landschapselementen aangeplant welke zorgen voor een versterking van het landschapsbeeld en welke zorgen voor een kwaliteitsverbetering van het landschap. Door deze landschapsversterkende maatregelen wordt de ruimtelijke vormgeving van de gebouwen en voorzieningen verzacht en geheel of gedeeltelijk aan het zicht onttrokken.

Pagina 54 van 68

Afbeelding 25: Landschappelijk inpassingplan Chaamseweg-Hazenberg 3

Verplaatsen woonfunctie De bestaande landschapsbomen binnen het plangebied zullen gehandhaafd blijven, zie Afbeelding 26. Deze zullen worden gerevitaliseerd. Net zoals de bestaande knip- of scheerheg rondom de woning. Het revitaliseren van bestaande bomen en planten verwijst naar het nemen van maatregelen om de gezondheid, vitaliteit en groei van reeds bestaande bomen en planten te verbeteren. Het doel is om beplanting die verzwakt, gestrest of in een slechte conditie verkeren nieuw leven in te blazen en hun overlevingskansen te vergroten. Aan de noord- en zuidzijde worden bomenrijen geplant langs het plangebied. De inheemse bomen bieden leefruimte en voedsel voor een groot aantal organismen, waaronder vogels, insecten, schimmels en epifyten (planten die op andere planten groeien). Ze creëren verticale lagen in ecosystemen, wat de diversiteit van habitats verhoogt. Ook wordt een robuuste houtsingel geplant met inheemse struweel- en boomvormers. De houtsingels versterken het oude landschap en zorgen voor biodiversiteit, schuil- en broedmogelijkheden en uitkijkplekken voor roofvogels. Deze groensingel wordt aangelegd ten gunste van foerageerfuncties voor vogels, maar ook kleine knaagdieren, insecten en insecteneters zoals vleermuizen zullen hiervan profiteren.

De houtsingels zijn een foerageer- en nestelplek voor vogels, een schuilplek voor egels en kleine zoogdieren en zijn zeer geschikt als luwe plek voor insecten zoals vlinders. De akkerzones zullen met deze landschapselementen beter herkenbaar worden: Het erf en het open oude landschap zijn dan beter leesbaar. Ten slotte wordt een natuurvriendelijke oever aangelegd bij de retentievoorziening/wadi. Bovenstaande bestaande en nieuwe groenstructuren in het landschap versterken het eigen karakter van het gebied en verkleinen de ruimtelijke schaal. Het zorgt voor een groene kamer in het oude landschap. Ook sluit het aan op de wens van de gemeente om een gedifferentieerde aanplant te gebruiken die aansluit bij de omgeving. In de omgeving zijn houtsingels en bomen te vinden. Gezien voorgaand worden diverse landschapselementen aangeplant welke zorgen voor een versterking van het landschapsbeeld en welke zorgen voor een kwaliteitsverbetering van het landschap. Door deze landschapsversterkende maatregelen wordt de ruimtelijke vormgeving van de gebouwen en voorzieningen verzacht en geheel of gedeeltelijk aan het zicht onttrokken.

Pagina 55 van 68

Afbeelding 26: Landschappelijk inpassingsplan Chaamseweg-Hazenberg 13a

7.5. Welstand Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen, denk aan vorm, kleur of gebruikte materialen. De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de welstandsnota van de gemeente Baarle-Nassau. In het omgevingsplan zijn ook regels opgenomen met betrekking tot de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (art. 22.29). In de gemeente Baarle-Nassau is de welstandsnota ‘Welstandsnota Baarle-Nassau’ van toepassing. Het welstandsbeleid levert een bijdrage aan het verhogen van de ruimtelijke kwaliteit van bebouwing binnen de gemeente. De planlocatie is gelegen binnen regulier welstandsniveau (niveau 2). Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit voor de beoogde bedrijfsbebouwing en de beoogde burgerwoning zal rekening gehouden met de specifieke eisen uit de welstandsnota. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van de functie aan de locatie voor het onderdeel welstand.

Pagina 56 van 68

8. Natuurbescherming De Omgevingswet regelt activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten in het wild en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van weten regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.

8.1.1. Gebiedsbescherming

De Omgevingswet voorziet met het oog op behoud van biodiversiteit, in regels ter bescherming van Natura 2000-gebieden zoals de aanwijzing en beheer van Natura 2000-gebieden. Daarnaast verplicht de wet dat voor bepaalde projecten, plannen en handelingen die invloed hebben op Natura 2000gebieden sprake is van een vergunningsplicht op grond van artikel 5.1 van de Omgevingswet. De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is beschermd middels regel in de Bkl. In paragraaf 7.3.1 van het Bkl zijn regels opgenomen dat provincies deze beschermingsregels in de Omgevingsverordening dienen op te nemen. Het gaat hier met name om het aanwijzen en de geometrische begrenzing vastleggen van de Natuur gebieden. Daarnaast worden in de Omgevingsverordening regels gesteld in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Hierbij worden de doelstellingen van het gebied in acht genomen. In Nederland zijn 161 Natura 2000gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Ulvenhoutse Bos en Regte Heide en Riels laag. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld.

Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een omgevingsvergunning voor de activiteit natuur wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het dichtstbij liggende Natura 2000-gebied betreft ‘Heesbossen, Vallei van Marke en Merkske en Ringven met valleigronden langs de Heerlese Loop’, dat op een afstand van circa 3,7 kilometer ligt. Het bedrijf is in het bezit van een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming d.d. 11-032015, zie Bijlage 9. Daar dit de bestaande, planologisch legale situatie direct voorafgaand aan de vaststelling van de wijziging omgevingsplan betreft, geldt die vergunning als uitgangssituatie. In Natura 2000-gebieden zijn habitattypen aanwezig die gevoelig zijn voor de verzurende en vermestende werking van stikstofdepositie.

Om het effect van de beoogde ontwikkeling op de Natura 2000-gebieden inzichtelijk te maken zijn berekeningen van de gebruiksfase gemaakt. Middels het rekenprogramma AERIUS wordt de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Wanneer met het rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden. Indien er wel sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden moet onderbouwd worden hoe deze toename in depositie ongedaan wordt gemaakt (door het treffen van maatregelen of extern salderen). Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat in de gebruiksfase niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, zie Bijlage 11 en Bijlage 12. De berekeningen en een toelichting op de invoergegevens zijn toegevoegd als separate bijlagen. Er zijn derhalve geen negatieve effecten op stikstofgevoelige habitats- en leefgebieden van soorten in Natura 2000 gebieden.

Pagina 57 van 68

Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt. Vanwege de ruime afstand van de planlocatie tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Heesbossen, Vallei van Marke en Merkske en Ringven met valleigronden langs de Heerlese Loop’ leidt het initiatief verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling. Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Gezien het toepassen van een emissiearme vloer is een passende beoordeling noodzakelijk. Derhalve is separaat een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming thans omgevingsvergunning voor een Natura 2000-Activiteit ingediend op 2212-2022 en reeds aangevuld op 21-6-2024 bij de provincie Noord-Brabant.

8.1.2. Soortenbescherming

De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in het Bal. In afdeling 11.2 van het Bal zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IX onder A en B bij het Bal. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. Het Bal regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren.

In het Bal is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in de planlocatie voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: ▪ Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); ▪ Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); ▪ Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief aan de Chaamseweg-Hazenberg 3 en Chaamseweg-Hazenberg 13a, dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de nieuw te realiseren bedrijfsbebouwing en burgerwoning, beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan.

Gezien het huidige intensieve gebruik van het bouwvlak en de landbouwgronden grenzend aan het bouwvlak is de aanwezigheid van beschermde of bijzondere soorten echter niet te verwachten.

Pagina 58 van 68

9. Behouden van de staat en werking van infrastructuur en voorzieningen Technische infrastructuur betreft een relevant planologisch aspect waarbij rekening moet worden gehouden bij het verlenen van een omgevingsvergunning. Onder andere ondergrondse leidingen, hoogspanningsleidingen en radarverstoringsgebieden hebben betrekking op technische infrastructuur. 9.1. Ondergrondse leidingen In het omgevingsplan dient gecontroleerd te worden of er aanduidingen zijn opgenomen voor riooltransportleidingen en/of watertransportleidingen. Riooltransportleidingen en watertransportleidingen betreffen leidingen die geen betrekking hebben op omgevingsveiligheid maar op technische infrastructuur. Binnen of nabij de planlocatie aan de Chaamseweg-Hazenberg 3 en binnen of nabij de planlocatie Chaamseweg-Hazenberg 13a zijn geen relevante (buis)leidingen aanwezig, zie Afbeelding 21. Derhalve zijn in het omgevingsplan geen beperkingen opgenomen binnen de bouwregels. Voordat er gebouwd wordt zal er een KLIC-melding gemaakt worden om relevante kabels en leidingen binnen en nabij de planlocatie in beeld te brengen. Derhalve zal de beoogde ontwikkeling geen gevaar opleveren voor aanwezige ondergrondse buisleidingen. 9.2.

Niet-gesprongen explosieven Het doel van een Niet Gesprongen Explosieven (NGE) vooronderzoek is dat alle toekomstige grondroerende of grond verdringende werkzaamheden binnen het plangebied op een veilige en verantwoorden wijze uitgevoerd kunnen worden. Om hier een beeld te krijgen van de verwachtingen voor NGE’s wordt gebruik gemaakt van de NGE-risicokaart van de gemeente Baarle-Nassau. Op deze kaart zijn geen bijzondere risico’s aangegeven voor NGE’s. Ter plaatse van het plangebied is enkel een risicogebied Geschutmunitie opgenomen. Dit is de minimale risicowaarde, die uitgezonderd van locaties met specifieke aanduidingen op de gehele gemeente is weergegeven. Aangezien bij onderhavige aanvraag uit vooronderzoeken blijkt niet dat het plangebied verdacht is op NGE uit de Tweede Wereldoorlog, hoeft geen NGE-onderzoek uitgevoerd te worden voordat er grondwerkzaamheden plaatsvinden.

Afbeelding 27: Uitsnede NGE-risicokaart Baarle-Nassau, boerderij rood omkaderd, woning blauw omkaderd

Pagina 59 van 68

9.3. Hoogspanningslijnen Elektriciteit wordt in Nederland vanuit een energiecentrale d.m.v. (bovengrondse) hoogspanningslijnen verplaatst. Bij het transport van elektriciteit door (bovengrondse) hoogspanningslijnen ontstaan magnetische velden, welke mogelijk effect kunnen hebben op de gezondheid van mensen. In het kader van onderhavige procedure zal gemotiveerd moeten worden dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties met de beoogde ontwikkeling. Conform de RIVM-netkaart zijn geen hoogspanningslijnen in het gebied aanwezig, zie Afbeelding 28. De beoogde ontwikkeling zal niet zorgen voor een nieuw gevoelig object binnen een magneetveld, derhalve zullen de hoogspanningslijnen geen negatief effect hebben op het woon- en leefklimaat.

Afbeelding 28: Uitsnede RIVM-netkaart, planlocatie veehouderij rood omcirkeld en planlocatie beoogde burgerwoning blauw omcirkeld

9.4. Radarverstoringsgebied In Nederland staan verschillende radarposten die dienen voor de vliegveiligheid en de nationale veiligheid. Om zeker te stellen dat de defensieradars niet in onaanvaardbare mate worden verstoord door hoge objecten, zijn in het Bkl bepalingen opgenomen om de defensieradars te beschermen. In artikel 5.155 en 5.161a van het Bkl zijn regels opgenomen met betrekking tot een maximale bouwhoogte van bouwwerken binnen 15 km, dan wel 75 km van een radarverstoringsgebied. In bijlage XIV, onder e van het Bkl zijn de maximale bouwhoogtes opgenomen binnen radarverstoringsgebieden. De laagste maximale bouwhoogte zoals opgenomen in deze bijlage bedraagt 24 meter. Er wordt geen bebouwing van hoger dan 24 meter gerealiseerd. Derhalve voldoet het initiatief aan eisen zoals opgenomen in het Bkl.

Pagina 60 van 68

10. Vliegbasis Gilze-Rijen Op de Risicokaart worden enkel defensie-inrichtingen getoond waar buiten het hek beperkingen gelden aan het ruimtegebruik. Deze beperkingen gelden binnen bepaalde veiligheidszones. Daarbinnen mogen bijvoorbeeld geen woningen en andere kwetsbare objecten worden gebouwd en mogen ook geen wegen aangelegd worden. Om elk militair terrein zijn drie zones (A, B en C) vastgesteld. Hoe dichter bij een militair terrein, hoe strenger de regels. Het plangebied is niet gelegen binnen een A-, B- of Czone, er hoeft dus niet verder te getoetst te worden aan de deze zones.

Pagina 61 van 68

11. Milieueffectrapportage Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming over plannen. Het gaat hierbij enkel om plannen die kunnen leiden tot initiatieven waardoor het milieu mogelijk nadelig wordt beïnvloed. De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r.) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Voor plannen dient een milieueffectrapportage te worden opgesteld als het plan een kader vormt voor te nemen besluiten voor plannen of wanneer een passende beoordeling onderdeel uitmaakt van het plan. Wanneer voor een plan een bestuursorgaan van de gemeente het bevoegd gezag is en de omvang van het gebied, in verhouding tot het totale grondgebied van de gemeente, klein is, is op grond van artikel 11.1, lid 3 van het Omgevingsbesluit een plan-m.e.r.-beoordeling benodigd.

Wanneer uit deze beoordeling blijkt dat een ontwikkeling aanzienlijke milieueffecten kan hebben dient alsnog een planMER onderdeel uit te maken van het plan. Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien het plan is opgenomen in kolom 1 van bijlage V van het Omgevingsbesluit en/of er een Passende Beoordeling voor natuur moet worden opgesteld. Indien de waarden in kolom 2 van de Bijlage V van het Omgevingsbesluit worden overschreden dient er een milieueffectrapport te worden opgesteld. Indien de waarden in kolom 2 niet overschreden worden dient er een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. De beoogde ontwikkeling betreft een uitbreiding van een installaties voor een intensieve veehouderij zoals bedoelt het Omgevingsbesluit. Onder A1, kolom 2, van bijlage V van het Omgevingsbesluit worden voor verschillende diercategorieën aantallen weergeven wanneer een plicht tot het opstellen van een milieueffectenrapportage van toepassing is. Categorie J11 is ook van toepassing bij onderhavig initiatief. Deze categorie betreft namelijk stedelijke ontwikkelingsprojecten met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen. Wanneer er een aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijke ontwikkeling plaatsvindt is een mer-beoordelingsplicht van toepassing.

Een stedelijke ontwikkeling betref in beginsel onder andere het realiseren van meer dan 11 woningen. Echter aangezien in de beoogde ontwikkeling slechts één woning wordt gerealiseerd en één woning wordt opgeheven is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een verplichting tot het opstellen van een m.e.r.-(beoordeling) en het doorlopen van de bijbehorende procedure betreft de verplaatsing van de woonfunctie. In de beoogde bedrijfsopzet is sprake van een uitbreiding met 250 melkkoeien. Er is daarom sprake van een m.e.r.-beoordelingsplichtig besluit. Doordat er sprake is van een passende beoordeling i.v.m. het emissiearme huisvestigingssysteem is een planMER benodigd. Het grondgebied van gemeente Baarle-Nassau, waar het dorp Ulicoten onderdeel van is, bedraagt 76,36 Km 2. Het totale plangebied heeft een oppervlakte van circa 2,0 ha, dit betekend dat het plangebied <1% van het gehele grondgebied omvat, wat wordt beschouwd als een klein gebied. Omdat voor het plan de gemeente het bevoegd gezag is en de oppervlakte van het plan klein is ten opzichte van het grondgebied kan worden volstaan met een planMER-beoordeling. In de planMER-beoordeling dient rekening te worden gehouden met de toetsingscriteria zoals opgenomen in bijlage II van de smb-richtlijn.

De planMER-beoordeling maakt onderdeel uit van het Omgevingsplan. Middels de MER-beoordelingsnotitie, deze motivering van het omgevingsplan en bijgevoegde documenten (zoals de passende beoordeling) een plan-MER-beoordeling uitgevoerd. Aangezien uit de MER-beoordelingsnotitie, de Passende Beoordeling en de motivering van het omgevingsplan blijkt dat er geen significant negatieve gevolgen zijn voor natuur, en er tevens geen negatieve effecten voor het

Pagina 62 van 68

milieu bestaan, kan worden geconcludeerd dat een plan-MER niet verplicht is. In Bijlage 10 is de Passende Beoordeling bijgevoegd. In Bijlage 13 is de m.e.r.-beoordelingsnotitie bijgevoegd.

Pagina 63 van 68

12. Uitvoerbaarheid

12.1. Economische uitvoerbaarheid De voorgestane ontwikkeling aan de Chaamseweg-Hazenberg 3 en 13a te Ulicoten betreft een particulier initiatief. De met de ontwikkeling gepaard gaande kosten worden dan ook gedragen door de desbetreffende particuliere initiatiefnemer. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. Dit plan heeft geen financiële consequenties voor de gemeente. Dit kan worden vastgelegd in een anterieure overeenkomst, waarbij de eventuele planschade voor rekening komt voor de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond. 12.2. Maatschappelijke uitvoerbaarheid Voorafgaand aan het indienen van onderhavige ruimtelijke onderbouwing is overleg gevoerd met de gemeente Baarle-Nassau. Onderhavig initiatief is in eerste instantie beknopt beschreven waarna de gemeente een positief standpunt heeft ingenomen op onderhavige ontwikkeling. Het participatietraject is vervolgens verder behandeld met meerdere belanghebbenden aan de omgevingstafel.

12.2.1. Afstemming

Principeverzoek Op 2-4-2024 heeft de gemeente in een principebesluit een positieve grondhouding aangenomen ten opzichte van het verzoek om de het bouwvlak te vergroten naar 1,5 ha met een differentiatievlak van 0,5 ha en de woning te verplaatsen naar een planologisch aanvaardbare locatie indien er voldaan wordt aan de voorgestelde voorwaarden:

1. De intensieve veehouderij dient te worden beëindigd om zo een beter woon- en leefklimaat te waarborgen; 2. De veehouderij kan alleen worden uitgebreid wanneer de woning aan de ChaamsewegHazenberg 3a wordt verplaatst; 3. Een mogelijk geschikte locatie van de te verplaatsen woning is tussen Chaamseweg-Hazenberg 13 en Chaamseweg-Hazenberg 15 in.

Overigens moet er ook voldaan worden aan de volgende voorwaarden: ▪ Voor de vervolgprocedure gelden de bouwregels uit het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ ▪ Het bouwperceel aan de Chaamseweg-Hazenberg 3 heeft een maximale oppervlakte van ▪ ▪

▪ ▪

▪ ▪ ▪

20.000 m2 waarvan het bouwvlak een maximale oppervlakte van 15.000 m2 heeft. De beoogde ontwikkeling mag geen negatieve milieueffecten tot gevolg hebben. Initiatiefnemer dient in de toelichting van de vervolgprocedure te motiveren dat voldaan kan worden aan de Omgevingsverordening Noord-Brabant en de afspraken uit de ‘Kwaliteitsverbetering van landschap in de regio West-Brabant’. De aanduiding ‘Intensieve veehouderij’ dient te worden verwijderd van de locatie ChaamsewegHazenberg 3. Initiatiefnemer dient in de toelichting van de vervolgprocedure te motiveren dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (de diverse planologische en milieu hygiënische aspecten dienen onderzocht te worden). Initiatiefnemer voert participatie met omwonenden en belanghebbenden. Initiatiefnemer en gemeente sluiten een overeenkomst af in de vervolgprocedure. De ontwikkeling mag in de aanleg- en gebruiksfase niet leiden tot een depositie van meer dan 0.0 mol stikstof op de meest nabij gelegen Natura 2000 gebieden

De bovenstaande voorwaarden zijn in deze motivering nader uitgewerkt. De intensieve veehouderij zal worden beëindigd en de burgerwoning zal worden verplaatst naar het perceel gelegen tussen Chaamseweg-Hazenberg 13 en Chaamseweg-Hazenberg 15. Bestuurlijk overleg Er is overleg gevoerd over de beoogde ontwikkeling met de gebruikelijke overlegpartners, Waterschap Brabantse Delta, provincie Noord-Brabant en de Veiligheidsregio. Naar aanleiding van dit overleg hebben de overlegpartners geen/de volgende opmerkingen gemaakt. PM.

Pagina 64 van 68

12.2.2. Participatie

In de Omgevingswet is opgenomen dat participatie een belangrijk onderdeel is van plannen in de fysieke woon- en leefomgeving. De gemeente Baarle-Nassau vindt het belangrijk dat inwoners optimaal betrokken worden bij plannen en projecten. Het is namelijk de taak van de gemeente om bij initiatieven te beoordelen hoe de omgeving is betrokken. Door participatie wordt ervoor gezorgd dat alle belangen, meningen, kennis en creativiteit direct op tafel komen. Door bezwaren, maar juist ook goede ideeën met elkaar te bespreken, kan het initiatief beter worden gemaakt en is er meer kans op betrokkenheid. Om deze reden is er een omgevingsdialoog gevoerd. Initiatiefnemers hebben de beoogde plannen voorgelegd aan omwonenden middels een bezoek. De reacties hierop zijn toegevoegd als separate bijlage bij deze motivering. De opmerkingen uit de omgevingsdialoog hebben niet geleid tot wijziging van de motivering. Samenvattend kan worden gesteld dat de omwonenden niet negatief tegenover de gewenste ontwikkeling staan, maar wel betrokken willen blijven bij de voortgang van het plan.

12.2.3. Zienswijzen

In overeenstemming met afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt het ontwerp omgevingsplan ter inzage gelegd en kunnen zienswijzen worden ingediend. Het ontwerp wordt in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode wordt eenieder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijzen kenbaar te maken tegen het plan. De eventueel ingebrachte zienswijzen worden behandeld in de zienswijzenota. De eventuele wijzigingen t.o.v. het ontwerp zullen hierin worden verwoord. Na vaststelling wordt de wijziging van het omgevingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tevens kan er beroep worden ingesteld tegen de eventueel gewijzigde onderdelen. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking. Gezien eenieder de mogelijkheid heeft om te reageren op het omgevingsplan door het kenbaar maken van zienswijzen, wordt na afloop van de hierboven beschreven procedure het plan als maatschappelijk uitvoerbaar beschouwd.

Pagina 65 van 68

13. Evenwichtige toedeling van functies aan locaties Onderhavige toelichting betreft de planologische verantwoording voor de beoogde ontwikkeling aan de Chaamseweg-Hazenberg 3 en 13a te Ulicoten. De ontwikkeling is niet rechtstreeks toegestaan volgens het omgevingsplan, derhalve wordt een wijziging van het omgevingsplan opgesteld. Door middel van deze toelichting is aangetoond dat het initiatief leidt tot een evenwichtige toedeling van functies aan de locaties en derhalve voldoet aan afdeling 5.1 van de Bkl. Het initiatief is getoetst aan alle relevante beleidskaders op provinciaal en gemeentelijk niveau. Het beleid op geen van deze niveaus vormt een belemmering voor het initiatief. In deze onderbouwing is getoetst aan de Omgevingsverordening Noord-Brabant en de gemeentelijke omgevingsvisie. Samenvattend kan worden geconcludeerd dat het initiatief leidt tot een evenwichtige toedeling van functies aan de locaties. Daarom kunnen de voorgenomen ontwikkelingen binnen het plangebied aan de Chaamseweg-Hazenberg 3 en 13a te Ulicoten doorgang vinden.

Pagina 66 van 68

14. Bijlagen Bijlage 1: Situatietekening Bijlage 2: Plattegrondtekening beoogd Bijlage 3: Landschappelijk inpassingsplan Bijlage 4: Kwaliteitsberekening Bijlage 5: Toelichting BZV inclusief bijlagen Bijlage 6: Akoestisch onderzoek Bijlage 7: Bodemonderzoek Bijlage 8: Fijnstofberekening Bijlage 9: Vergunning Wet natuurbescherming Bijlage 10: Notitie invoergegevens AERIUS-berekening Bijlage 11: AERIUS-berekening gebruiksfase veehouderij Bijlage 12: AERIUS-berekening gebruiksfase woning Bijlage 13: M.e.r.-beoordelingsnotitie Bijlage 14: Verslag omgevingsdialoog

Pagina 67 van 68

Pagina 68 van 68

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16496326/1