RU23.06.07B Bijlage b - Ruimtelijke onderbouwing Gezandebaan 46a.pdf
Tekst van het document
27 van 44
Benodigde compensatie (in m3) = toename verhard oppervlak (m2) x ‘gevoeligheidsfactor’ x 0,06 (m) In de beoogde situatie is er een toename van maximaal 1.390 m2 verhard oppervlak. Omdat er een toename van verharding is dient er een compenserende maatregel getroffen te worden om het hemelwater op te vangen. De grootte van de retentievoorziening wordt berekend conform de rekenregel die in de nieuwe Algemene regels van de Keur van de waterschappen is geïntroduceerd. Deze rekenregel luidt als volgt: De gevoeligheidsfactor is af te leiden uit de kaart die bij de nieuwe Keur is gevoegd. Hierbij is het grondgebied van het desbetreffende waterschap, in dit geval Aa en Maas, verdeeld in drie categorieën. Naarmate de gevoeligheid van een gebied of oppervlaktewatersysteem voor de gevolgen van piekafvoeren lager is, is minder compensatie nodig. Er worden drie waarden voor de gevoeligheidsfactor gehanteerd: ¼ (Laag), ½ (Gemiddeld) en 1 (Hoog). Zoals uit navolgende afbeelding blijkt is er voor de projectlocatie een gevoeligheidsfactor van 1 (Hoog) van toepassing.
Beoogd bouwvlak
Afbeelding 20: uitsnede keurkaart met gevoeligheidsfactor (bron: Waterschap Aa en Maas)
De factor 0,06 (m) vertegenwoordigt een waterschijf van 60 mm (600 m 3/ha) die de hoeveelheid water aangeeft die onder maatgevende omstandigheden daadwerkelijk op het watersysteem terecht zou komen als er geen voorziening wordt aangelegd. Deze is door het waterschap vastgelegd op basis van eigen onderzoek en toekomstscenario’s. Dit is een vast gegeven in de formule. Alle onderdelen van de rekenregel zijn bekend. Dit betekent dat de volgende rekensom gemaakt kan worden. Benodigde compensatie = 1.390 m2 x 1 x 0,06 = 83,4 m3 Bij de uitwerking van de compenserende maatregelen zal ook rekening gehouden moeten worden met de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG). De voorziening mag namelijk niet dieper worden afgegraven dan de GHG ter plaatse. De gemiddelde hoogste grondwaterstand is af te leiden uit de gedetailleerde bodematlas van de provincie Noord-Brabant. Zoals uit navolgende afbeelding blijkt ligt
28 van 44
de gemiddelde hoogste grondwaterstand ter plaatse van de beoogde erfverharding en werktuigenloods variërend tussen 0 cm en 20 cm en 120 cm en 140 cm beneden maaiveld.
Beoogd bouwvlak
Afbeelding 21: uitsnede bodematlas 'Gemiddelde hoogste grondwaterstand' (bron: provincie Noord-Brabant)
In de beoogde situatie is de grond ten noordoosten van het beoogde bouwvlak verlaagd (zie navolgende afbeelding. Deze laagte vangt het hemelwater afkomstig van het dak en erfverharding op zodat deze vertraagt kan infiltreren in de bodem. De laagte heeft een oppervlakte van ongeveer 918 m 2 en een gemiddelde laagte van 10 cm. De totale retentievoorziening is 91,8 m3 groot (918 m2 x 0,10 meter) en is daarmee voldoende groot om het hemelwater op te vangen. Bij hevige buien kan het hemelwater overlopen naar de omliggende gronden (golfbaan) waar het opgevangen kan worden en vertraagd kan infiltreren in de bodem.
Afbeelding 22: beoogde retentievoorziening
29 van 44
Naast de toename in verharding binnen perceel 1782, vindt er in de beoogde situatie (elders) een afname plaats in de hoeveelheid verharding. Met de beoogde ontwikkeling komen de bouwmogelijkheden (1.500 m2) aan de Sengersbroekweg (kadastraal perceel ATN01-P-2171 te vervallen. Effect waterbergend vermogen De normale peilstand van het water in de Eeuwselse Loop is 23,50+ NAP. Met het waterschap is bij de aanleg van de golfbaan overeengekomen dat voor de onderkant van de bruggen over de beek een hoogte van 24,50+NAP wordt aangehouden i.v.m. hoog water bij hevige regenval. Een waterstand van 24,50+ NAP is al een keer voorgekomen. Bij aanleg van de golfbaan zijn er delen verlaagd en delen verhoogd tot hoogtes van 25,0+ NAP, dat laatste met als doel dat de hogere delen niet onder water komen. Een hogere waterstand dan 24,50+ NAP is zeer onwaarschijnlijk. De werktuigenloods wordt gebouwd op een hoger deel van het perceel. Daar is het maaiveld gelijk of hoger dan 25,50+ NAP, en maakt daarmee geen deel uit van de waterberging. De poel die wordt gedempt is een kleine laagte in het hoge deel van 25,50 +NAP en is door deze hoge ligging ook geen onderdeel van de waterberging. Zowel de bouw van de loods als de demping van de poel hebben geen gevolgen voor het waterbergend vermogen. Hoog water zal de loods op een hoogte van 25,50+NAP nooit bereiken.
Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect water geen belemmeringen zijn voor het initiatief. 4.3. Natuur Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.
4.3.1. Natuurnetwerk Nederland (NNN)
In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht. Het Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: ▪ Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; ▪ Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; ▪ Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ▪ Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; ▪ Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan.
Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied.
30 van 44
Natuur Netwerk Brabant (NNB) Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Interim omgevingsverordening (Iov) de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant. Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het Natuur Netwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren. De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016. De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de Iov. Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Volgens de kaart ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ van de Iov is het beoogde bouwvlak is in de nabijheid gelegen van een bos (NNB), de Eeuwselse loop (NNB-ecologische verbindingszone) en binnen de Attentiezone waterhuishouding. Het NNB-gebied, ecologische verbindingszone en de Attentiezone waterhuishouding (artikel 3.26) zijn in de Interim Omgevingsverordening Brabant aangegeven met verschillende aanduidingen.
Op navolgende afbeelding zijn dat deze aanduidingen en het beoogde bouwvlak weergegeven.
Beoogd bouwvlak
Afbeelding 23: uitsnede viewer Iov kaart ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ (bron: viewer Iov 8-12-2020)
Het beoogde bouwvlak is gelegen in de nabijheid van een NNB-gebied met beheertype ‘Droog bos met productie’. ‘Droog bos met productie’ is vaak door mensen aangeplant. De diversiteit is vaak laag door de uniforme aanleg en beheer in het verleden. Vaak is menselijk beheer, zoals kap, begrazingsbeheer en inbreng van strooiselverrijkende soorten, nodig om dynamiek, variatie en vestigingsmilieus te bevorderen. Het betreft hier een productiebos waarbij houtoogst een doel is van het bos. De houtoogst vindt periodiek plaats. Ten behoeve van het project worden geen bomen gekapt die onderdeel uitmaken van het Natuur Netwerk Brabant. Het bestaande groen ter plaatse van de beoogde bouwvlak wordt zoveel mogelijk behouden om zo de beoogde werktuigenloods zoveel mogelijk uit het zicht te onttrekken. Door het behoud van bestaande bomen en stuiken blijven de kenmerken van de omgeving behouden. In het kader van de beoogde ontwikkeling is er door Quickscan Flora en Fauna uitgevoerd door IVN Natuurwerkgroep Het Woold. Dit rapport is als separate bijlage (bijlage 2) toegevoegd aan deze
31 van 44
onderbouwing. Tijdens het veldbezoek is het aanliggende NNB gebied beoordeeld op wezenlijke waarden en kenmerken. Het NNB- bosgebied in de directe omgeving bestaat uit zomereik, berk en een enkele grove den met een verruigde ondergroei met hoofdzakelijk braamstruwelen. In dit rapport wordt geconcludeerd dat met betrekking tot het NNB gebied, de beoogde ontwikkeling geen nadelige effecten heeft op het aanwezige NNB gebied. Het plangebied is gelegen binnen de aanduiding ‘Attentiezone waterhuishouding’. In het beekdal van de Eeuwselse Loop komen dichtbij de beek gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG voor van 2040 cm-mv. Het maaiveld is op die plaatsen 24+ NAP. Op het deel van het terrein waar de loods wordt gebouwd is het maaiveld aanzienlijk hoger, namelijk 25,50 +NAP met een GHG van 60-80 cm-mv en 80-100 cm-mv. In bijlage 5 is zijn pagina’s bijgevoegd uit het rapport van Arcadis van 21 mei 2007 ’Project Gezandebaan, Bijlagenrapport Bestemmingsplan gemeente Asten, bijlage 6 Grondwatermodellering, pagina 9’. Hierop is een hoogtekaart van de golfbaan is weergegeven en GHG binnen de golfbaan. Op de kaart is te zichtbaar dat de te dempen poel ook op dit hoge deel van het terrein ligt. De loods wordt gebouwd op een hoog en droog deel van het terrein en wijziging van de grondwaterstand is derhalve niet aan de orde.
Regenwater infiltreert ter plaatse in de zandgrond of stroomt af naar lagergelegen terreinonderdelen. De bouw van de loods zal geen gevolgen hebben voor de omgeving. Het regenwater zal via de hemelwaterafvoeren weer terug worden gebracht in de omgeving van de loods waardoor er zowel geen vernatting als geen verdroging zal plaatsvinden. Voor de natuur in de omgeving zijn er daardoor ook geen gevolgen. De omvang van de beoogde ontwikkeling zijn kleinschalig van aard en hebben derhalve geen invloed op de concrete ambities uit het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016. Het beoogde bouwvlak ligt niet in het NNB-gebied. Met de uitvoering van het project wijzigt de grondwaterstand niet. Daarmee is er geen sprake van vernatting of verdroging. De beoogde ontwikkeling heeft daarmee geen negatieve gevolgen voor de omgeving. De uitvoering van het project gaat gepaard met een goede landschappelijke inpassing. Daarbij wordt opgemerkt dat het omliggend groen zo veel mogelijk blijft behouden zodat de nieuw te realiseren werktuigenloods landschappelijk is ingepast. De ecologische waarden van het gebied blijven daardoor behouden. Het initiatief voldoet hiermee voldaan aan de regels zoals opgenomen in de Interim omgevingsverordening onder paragraaf 3.2.3 Natuur Netwerk Brabant.
4.3.2. Wet natuurbescherming
In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is al beschermd in het Barro en de provinciale verordening. In Nederland zijn 161 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Grote Peel, Deurnsche Peel & Mariapeel, Strabrechtse Heide & Beuven en Weerter- en Budelerbergen & Ringselven. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd.
Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het dichtstbij liggende Natura 2000-gebied betreft Grote Peel, dat op een afstand van circa 1,7 kilometer ligt.
32 van 44
Elke ruimtelijke ontwikkeling kan negatieve effecten hebben op de Natura 2000-gebieden. Er zijn namelijk verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Vooral de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht spelen hierbij een belangrijke rol, omdat deze ook op grote afstand van een gebied voor effecten kunnen zorgen. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt.
Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht
Middels het rekenprogramma AERIUS kan de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden worden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Wanneer met het rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond dat een project geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden. Indien er wel sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden moet onderbouwd worden hoe deze toename in depositie ongedaan wordt gemaakt (door het treffen van maatregelen of extern salderen). Op 1 juli 2021 zijn de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (hierna: Wsn) en het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden. Deze hebben de Wet natuurbescherming gewijzigd. In de Wsn is een vrijstelling van vergunningplicht voor het aspect stikstof opgenomen voor activiteiten van de bouwsector. De vrijstelling geldt voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten waarvan de emissies tijdelijk zijn. Het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering werkt de Wsn verder uit, waaronder de bouwvrijstelling. Hierdoor is geen verder onderzoek naar de effecten van de aanlegfase vereist gezien het ontbreken van een significant effect op de voor verzuring gevoelige gebieden binnen de N2000-gebieden. Een vergunningplicht is evenmin van toepassing.
Om aan te tonen dat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden plaatsvindt zijn middels het rekenprogramma AERIUS-berekeningen gemaakt voor de gebruiksfase van het project. De uitgangspunten voor deze berekeningen zijn uiteengezet in Bijlage 3. In Bijlage 4 is het rekenresultaat van deze berekening opgenomen. Hieruit blijkt dat de stikstofdepositie in de gebruiksfase van het plan niet groter is dan 0,00 mol/ha/jaar. Het aspect stikstofdepositie vormt derhalve geen belemmering voor vaststelling en uitvoering van het plan.
Overige storingsfactoren
Vanwege de afstand van het beoogde bouwvlak tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Grote Peel leidt het project verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling.
Conclusie Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Er is derhalve op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van gebiedsbescherming noodzakelijk. Bescherming van soorten De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd.
33 van 44
3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in het beoogde bouwvlak voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: ▪ Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); ▪ Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); ▪ Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden.
Gelet op de aard van het project, dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de nieuw te realiseren werktuigenloods, beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan. Gezien het huidige intensieve gebruik van het perceel, waar momenteel bouwmaterialen, zand en split wordt opgeslagen en het gebruik van de omliggende greens grenzend aan het beoogde bouwvlak, is de aanwezigheid van beschermde of bijzondere soorten echter niet te verwachten. Het beoogde bouwvlak wordt op dit moment gebruikt voor de opslag van bouwmaterialen. De percelen rondom het beoogde bouwvlak maken onderdeel uit van Golfbaan Het Woold en worden gebruikt ten behoeve van de sport golf. Hierdoor vinden er menselijke activiteiten plaats in en rondom het beoogde bouwvlak. Het aantreffen van beschermde of bedreigde plantensoorten is uitgesloten omdat het beoogde bouwvlak in gebruik grotendeels is verhard waardoor er geen geschikte biotopen aanwezig zijn. In het kader van de beoogde ontwikkeling is er door Quickscan Flora en Fauna uitgevoerd door IVN Natuurwerkgroep Het Woold.
Deze is als separate bijlage (bijlage 2) toegevoegd aan deze onderbouwing. Tijdens het veldbezoek is het aanliggende NNB gebied beoordeeld op wezelijke waarden en kenmerken. Het NNB- bosgebied in de directe omgeving bestaat uit zomereik, berk en een enkele grove den met een verruigde ondergroei met hoofdzakelijk braamstruwelen. In dit rapport wordt geconcludeerd dat: - Indien de maatregelen voor ‘Vogels algemeen’ en ‘Bunzing’ worden opgevolgd, vormt de Wet natuurbescherming geen belemmering voor de oprichting van een schuur golfbaan Het Woold in Asten- Heusden. - Dit betekent dat buiten de broedtijd van vogels (of indien een broedgeval aanwezig is) en buiten de kwetsbare periode van de bunzing gewerkt dient te worden. De werkzaamheden kunnen plaatsvinden in de periode half september- begin maart. Gezien het voorstaande kan geconcludeerd worden dat het aantreffen van beschermde natuurwaarden niet aan de orde is. Een omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van soorten is op grond van de Wet natuurbescherming derhalve niet noodzakelijk. Bescherming van houtopstanden De bescherming van houtopstanden zoals die is vastgelegd in de Wnb vloeit voort uit de voormalige Boswet. Voorwaarden zijn gericht op de instandhouding van het bosareaal. Bij houtopstanden groter
34 van 44
dan 10 are of 20 rijbomen en liggend buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod. Met het project is geen sprake van het vellen van houtopstanden. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van houtopstanden noodzakelijk is. 4.4. Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde werktuigenloods moet onderzocht worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden.
4.4.1. Cultuurhistorie en aardkunde
Uit de cultuurhistoriekaart van de provinciale Interim omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat het beoogde bouwvlak niet in gebied ligt met aardkundige of cultuurhistorische waarden, zie navolgende afbeelding.
Beoogd bouwvlak
Afbeelding 24: uitsnede kaart 'Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed' Iov
Volgens de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant is het beoogde bouwvlak gelegen in ‘archeologische landschappen’, zie navolgende afbeelding. Het beoogde bouwvlak is gelegen de regio de Peelkern en binnen het Dekzandeiland Asten-Deurne. In navolgend kader worden de kenmerken van dit gebied beschreven.
35 van 44
Beoogd bouwvlak
Afbeelding 25: uitsnede Cultuurhistorische waardenkaart (CHW) (bron: provincie Noord-Brabant) Peelkern De regio Peelkern ontleent zijn cultuurhistorische betekenis in eerste instantie aan de veenwinning. De kanalen, wijken, ontginningsdorpen en wegen met beplanting geven een beeld van de grootschalige vervening die hier vanaf 1850 heeft plaatsgevonden. Op enkele plaatsen komen Peelbanen en veenputjes voor die wijzen op kleinschalige turfwinning. De grote landgoederen die omstreeks 1900 zijn gesticht zijn van cultuurhistorisch belang door de landhuizen, bijgebouwen en pachtboerderijen, parken en laanstructuren. In de regio ligt een groot deel van de Peel-Raamstelling. Essentiële aspecten van de Peelkern zijn: Griendtsveen en Helenaveen; Landgoederen in de Peel; Dragende structuren in de regio zijn; De jonge ontginningen met lanen; De kanalen; De wijken en peelbanen; De landgoederen; De plantages met naaldhout; De ontginningsdorpen met dorpsbosjes; De Peel-Raamstelling met Defensiekanaal Dekzandeiland Asten-Deurne Dit landschap bestaat uit de met oude bouwlanden en stuifduinen bedekte dekzandeilanden van Asten, Deurne, Vlierden en Milheeze. De eilanden worden van elkaar gescheiden door de beken de Astensche Aa, Oude Aa en Kaweische loop. De strategie van dit gebied is het duurzaam en in samenhang behouden van het bodemarchief (o.a.
door afstemming van het gemeentelijk archeologiebeleid).
Met de realisatie van de werktuigenloods wordt rekening gehouden met het omliggende landschap. Hierdoor blijven kenmerken van de archeologische landschappen Peelkern en Dekzandeiland AstenDeurne behouden. Hierdoor zal bij uitvoering van het plan geen afbreuk gedaan worden aan cultuurhistorische waarden of aardkundig waardevol gebied.
4.4.2. Archeologie
De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan omgevingsvergunning voor de activiteiten bouw, aanleggen e.d. In het bestemmingsplan ‘Asten Veegplan 2017-1’ (herstelbesluit Achtermijterbaan 1) zijn geen bestemmingen of aanduidingen opgenomen met betrekking tot archeologie. Binnen de gemeente Asten is de Nota Archeologiebeleid gemeente Asten (21-12-2010) geldend. In de Nota Archeologiebeleid gemeente Asten, is het archeologiebeleid van de gemeente Asten beschreven. De archeologische beleidsadvieskaart maakt onderdeel van deze nota. Het beoogde bouwvlak is gelegen in archeologische verwachtingswaarde van ‘categorie 6 gebieden met een lage archeologische verwachting’, zie navolgende afbeelding.
36 van 44
Beoogd bouwvlak
Afbeelding 26: uitsnede archeologische beleidskaart
Voor dit gebied geldt alleen een onderzoeksplicht bij een MER-plichtig project of een project vallend onder de Tracéwet of de Wet Milieubeheer. Er is hier geen sprake van een MER-plichtig project of een project vallend onder de Tracéwet of de Wet Milieubeheer. Voor de beoogde ontwikkeling geld geen onderzoeksplicht in het kader archeologie. 4.5. Bodemkwaliteit In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen dient de aanwezige bodemkwaliteit te passen bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren. Indien de bodemkwaliteit (humane) risico’s met zich meebrengt of er sprake is van een spoedeisend geval van bodemverontreiniging kan de ontwikkeling voor bepaalde nieuwe functies geen doorgang vinden tot de risico’s zijn beheerst of weggenomen door sanering. Een historisch en verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 dient te worden uitgevoerd wanneer de bestemming en/of gebruik wordt gewijzigd én wanneer een gebouw of gebruik wordt gerealiseerd waarin mensen 2 uur of langer gaan verblijven.
Golfbaan Het Woold is voornemens om de werktuigenloods ten dienste van het onderhoud van de golfbaan, die al mogelijk gemaakt wordt in het huidige bestemmingsplan ‘Asten Veegplan 2017-1 (herstelbesluit Achtermijterbaan 1)’, te verplaatsen naar een ander perceel binnen het golfbaancomplex. De bouwmogelijkheden aan de Sengersbroekweg (kadastraal perceel ATN01-P-2171 komen dan te vervallen. De beoogde werktuigenloods wordt op perceel 1782 gerealiseerd. De loods wordt gebruikt ten behoeve van opslag van materialen en werktuigen. In dit geval wordt er geen gebruik gerealiseerd waarin mensen 2 uur of langer gaan verblijven. Er is derhalve geen sprake van onaanvaardbare risico’s voor de huidige en toekomstige gebruikers van de bodem. Ten aanzien van het aspect bodem zijn er derhalve geen bezwaren voor de gewenste ontwikkeling. Een nader onderzoek naar de bodemgesteldheid is dan ook niet noodzakelijk.
37 van 44
4.6. Bedrijven en milieuzonering De handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: ▪ Het al in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; ▪ Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten (geur, stof, geluid en veiligheid) en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: ▪ Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding.
Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. ▪ Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Hier zijn dan ook kleinere richtafstanden te rechtvaardigen (behalve voor het aspect veiligheid). De projectlocaties liggen conform de definitie in de VNG-publicatie in het omgevingstype ‘rustig buitengebied’. In de directe omgeving vindt geringe functiemenging plaats. Tevens is er weinig verstoring door verkeer. Qua aanvaardbare milieubelasting is dit omgevingstype dus vergelijkbaar met een rustige woonwijk. Een golfbaan (SBI-code 931) behoort tot milieucategorie 1. Voor een bedrijf uit deze milieucategorie, liggend in gemengd gebied, is de richtafstand 10 meter. De dichtstbij liggende woning van derden Gezandebaan 35 bevindt zich op een afstand van ongeveer 135 meter van de het beoogde bouwvlak ten behoeve van de werktuigenloods. De afstand van de golfbaan tot de omliggende woningen en bedrijven wijzigt niet.
Op grond hiervan kan worden gesteld dat er sprake is van een ongewijzigde situatie. Het plan leidt derhalve niet tot onaanvaardbare hinder/belasting op de omgeving. 4.7. Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) betreft een wet waarmee de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door bedrijven. Indirect heeft de Wgv ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt ‘omgekeerde werking’ genoemd. Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in ogenschouw moeten worden genomen: 1. Wordt er een onevenredige inbreuk gemaakt op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de nabijgelegen veehouderijen? 2. Is ter plaatse van de planlocatie een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? Er is in de bestaande situatie geen geurgevoelig object aanwezig binnen het beoogde bouwvlak en er wordt met het project geen geurgevoelig object gerealiseerd.
Er wordt derhalve geen onevenredige inbreuk gemaakt op de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen in de omgeving en het is niet noodzakelijk om het woon- en verblijfklimaat ter plaatse inzichtelijk te maken.
38 van 44
Ten aanzien het aspect geur zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.8. Luchtkwaliteit In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de Wet luchtkwaliteit in beeld te worden gebracht. Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en sindsdien staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). In de Wet luchtkwaliteit zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. Met name de stoffen stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) worden beleidsmatig relevant geacht. Er dient te worden aangetoond dat het woon- en leefklimaat ten aanzien van deze stoffen ter plaatse aanvaardbaar is en als gevolg van de beoogde ontwikkeling in de omgeving aanvaardbaar blijft.
4.8.1. Niet in betekenende mate
Indien ontwikkelingen binnen de locatie gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit moet aandacht worden besteed aan de gevolgen voor de milieukwaliteitseisen. Onderzoek moet worden verricht naar de gevolgen voor de in bijlage 2 van de Wet milieubeheer genoemde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht. Volgens de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 moeten de concentraties worden bepaald vanaf de grens van het terrein van de inrichting. Dit onderzoek kan echter achterwege blijven indien de nieuwe bestemming betrekking heeft op één of meer categorieën van gevallen als genoemd in de Regeling niet in betekende mate bijdragen. In die gevallen wordt aangenomen dat de toename van de concentratie in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM10) als stikstofdioxide de 3% grens van de jaargemiddelde concentratie niet overschrijdt. Als sprake is van een beperkte toename van de luchtverontreiniging die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de concentratie PM10 in de buitenlucht, hoeft een plan niet langer meer getoetst te worden. Dit volgt uit artikel 5.16, lid 1, sub c, van de Wet milieubeheer. Het Besluit NIBM legt vast wat geldt als niet in betekenende mate bijdragen.
Voor de volgende categorieën in de Regeling NIBM kan getoetst worden aan of een plan NIBM bijdraagt: ▪ Categorie woningbouwlocaties; ▪ Categorie kantoorlocaties; ▪ Combinatie van woningbouw en kantoren; ▪ Categorie inrichtingen. Golfbaan Het Woold is voornemens om de werktuigenloods ten dienste van het onderhoud van de golfbaan, die al mogelijk gemaakt wordt in het huidige bestemmingsplan ‘Asten Veegplan 2017-1 (herstelbesluit Achtermijterbaan 1)’, te verplaatsen naar een ander perceel binnen het golfbaancomplex. De loods wordt gebruikt ten behoeve van opslag van materialen en werktuigen. Het bestaande bouwvlak binnen de golfbaan wordt verplaatst naar een andere locatie binnen de golfbaan. Hierbij blijft het aantal verkeersbewegingen in de bestaande en beoogde situatie gelijk. Er is dus geen relevantie als aannemelijk kan worden gemaakt, dat de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor NO 2 en PM10.
Voor het beoogde werktuigenloods dient bepaalt te worden of de eventuele toename in het aantal verkeersbewegingen van en naar de inrichting invloed hebben op de luchtkwaliteit in de omgeving. Het ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft hier in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil een specifieke rekentool voor ontwikkeld. Met die tool kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of de verkeersaantrekkende werking van een functie ‘Niet In Betekenende Mate’ bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht.
39 van 44
Om de verkeersaantrekkende werking van de beoogde bedrijfsopzet te bepalen kan worden aangesloten bij de CROW. Voor een bedrijf in de categorie ‘arbeidsextensief/bezoekersextensief (loods, opslag, transsportbedrijf)’, dat ligt in het buitengebied, wordt een verkeersgeneratie van 5,7 per 100 m2 bedrijfsvloeroppervlakte voorgeschreven. In de beoogde situatie heeft het bouwvlak een omvang maximaal 1.390 m2. Daarbinnen wordt een werktuigenloods gerealiseerd van ongeveer 33 meter bij 18 meter met daaromheen erfverharding. In de worst-case scenario is uitgegaan dat het gehele bouwvlak bebouwd is. Dit resulteert in een worst-case scenario in een weekdaggemiddelde van 80 verkeersbewegingen van en naar de inrichting. Uit de berekening met de NIBM-tool blijkt dat bij een toename met dit aantal de bijdrage aan de fijnstofconcentratie nog NIBM is. Zie navolgende afbeelding. Bovendien vinden er in de bestaande situatie ook al verkeersbewegingen van en naar de inrichting plaats. De beoogde ontwikkeling heeft dus met zekerheid geen significant negatieve effecten op de luchtkwaliteit in de omgeving.
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie
2022
Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
80
Aandeel vrachtverkeer
95,0%
NO2 in μg/m3
0,55
3
0,07
Extra verkeer als gevolg van het plan
Maximale bijdrage extra verkeer
PM10 in μg/m Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m 3
1,2
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig
Afbeelding 27: uitsnede NIMB-tool
Het bestaande bouwvlak ten behoeve van een werktuigenloods aan de Sengersbroekweg wordt verplaatst naar (gedeeltelijk) perceel 1782. Het beoogde bouwvlak ligt centraal gelegen tussen de greens van Golfbaan Het Woold. In de bestaande situatie wordt het beoogde bouwvlak gebruikt ten behoeve van opslag bouwmaterialen, zand en split. De beoogde werktuigenloods maakt onderdeel uit van Golfbaan Het Woold. Met het beoogde project wordt geen verblijfsobject gerealiseerd. De afstand tussen omliggende woningen en de golfbaan blijven gelijk. Er wordt derhalve geen onevenredige inbreuk gemaakt op de ontwikkelingsmogelijkheden van bedrijven in de omgeving en het is niet noodzakelijk om het woon- en verblijfklimaat ter plaatse inzichtelijk te maken. Ten aanzien van de luchtkwaliteit zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.9. Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) vormt sinds 1979 het juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. Deze wet zorgt voor de bescherming van geluidsgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen.
In de Wgh is bepaald dat voor locaties in een bestemmingsplan waar woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen kunnen worden gerealiseerd, de geluidbelasting dient te worden onderzocht binnen de zones behorende bij verkeersbewegingen, spoorwegen en industrieterreinen. Er is in de bestaande situatie geen geluidsgevoelig object aanwezig binnen de beoogde bouwvlak en er wordt met het project geen geluidsgevoelig object gerealiseerd. Er hoeft derhalve geen onderzoek te worden gedaan naar de geluidsinvloed van industrieterreinen in de omgeving of omliggende wegen en spoorlijnen.
40 van 44
Er kan worden geconcludeerd dat er voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen zijn voor het project. 4.10. Verkeer en parkeren Binnen het beoogde bouwvlak dient een adequate afwikkeling van personen- en goederenvervoer verzekerd te zijn, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor. Het beoogde bouwvlak ligt aan een zandpad dat gebruikt wordt door bestemmings- en sluipverkeer. Het zandpad wordt ontsloten door Gezandebaan en Kothoenweg. Deze ontsluitingsroutes beschikken over voldoende capaciteit om verkeersbewegingen van voornamelijk tractoren en werktuigen af te wikkelen. Er zullen de beoogde situatie namelijk voornamelijk werktuigen ten behoeve van het onderhoud van de golfbaan van en naar de beoogde werktuigenloods bewegen. CROW, het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte, schrijft in ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ kencijfers ten aanzien van parkeren en verkeersgeneratie voor uiteenlopende activiteiten voor onder ander het parkeerbeleid van de gemeente Asten. Er zijn echter geen representatieve cijfers in opgenomen voor een werktuigenloods bij een golfbaan. Eigen machines en werktuigen kunnen worden gestald in de daarvoor bestemde machine- en werktuigenberging.
Vrachtwagens, tractoren of machines van derden verblijven altijd maar kortstondig op het bedrijf, bijvoorbeeld voor loonwerk. Voor dergelijk materieel is ruim voldoende erfverharding aanwezig. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ruim voldoende parkeergelegenheid aanwezig is op de locatie. De beoogde ontwikkeling vormt dus geen belemmering voor wat betreft de aspecten verkeer en parkeren. 4.11. Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen). Externe veiligheid gaat nadrukkelijk niet over de veiligheid van de mensen die werkzaam zijn binnen het bedrijf of binnen een risicogebied van een transportroute.
4.11.1. Regelgeving
De regelgeving rondom externe veiligheid is opgenomen in diverse besluiten en regelingen. Besluiten en regelingen, waarin de aanvaardbare risico’s zijn vastgelegd, zijn: ▪ Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) ▪ Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) ▪ Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) De normen in de besluiten zijn vastgelegd in de vorm van grenswaarden en richtwaarden. De grenswaarden geven de milieukwaliteit aan die op een bepaald tijdstip ten minste moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, ten minste in stand moet worden gehouden. De richtwaarden geven de kwaliteit aan die op een bepaald tijdstip zoveel mogelijk moet zijn bereikt en die, waar zij aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden.
4.11.2. Toetsing aan beleid
Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de richtwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken. Toetsing aan het beleid begint met de inventarisatie van de omgeving van het beoogde bouwvlak. Dit is inzichtelijk gemaakt middels onderstaande uitsnede van de Risicokaart Nederland, zie navolgende afbeelding
41 van 44
Beoogd bouwvlak
Afbeelding 28: uitsnede risicokaart Nederland (www.risicokaart.nl)
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Gezien de aard van de voorgenomen activiteiten, het realiseren van een werktuigenloods, binnen het beoogde bouwvlak, is het Bevi, Bevb en Bevt niet van toepassing. Uit de risicokaart blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten aanwezig zijn op of nabij het beoogde bouwvlak. Er ontstaan daardoor geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen binnen de locatie, perceel 1782. Het project voorziet niet in de realisatie van nieuwe beperkt kwetsbare objecten. Aangezien het beoogd bouwvlak niet binnen een risicoaanduiding of binnen veiligheidsafstanden ligt zijn geen risico’s aanwezig voor de voorgenomen ontwikkelingen. Daarom kan worden geconcludeerd dat er voor dit project geen belemmeringen zijn vanuit het oogpunt van externe veiligheid. 4.12. Technische infrastructuur In of nabij de locatie liggen geen planologisch relevante buisleidingen en lopen tevens geen relevante straalpaden (zoals te zien op de risicokaart in afbeelding 28). Voordat er gebouwd wordt zal er een KLIC-melding gemaakt worden om relevante kabels en leidingen van de locatie in beeld te brengen.
42 van 44
5. Bijlagen Bijlage 1 Landschappelijke inpassing Bijlage 2 Quickscan Flora en Fauna Bijlage 3 toelichting invoergegevens Aerius-berekening Bijlage 4 Aerius-berekening beoogde situatie Bijlage 5 Hoogtelijnen en rondwatermodellering Golfbaan
43 van 44
44 van 44
Legenda Beoogd bouwvlak 1.390 m² Loods 33 meter x 18 meter Bestaande groenstructuren Retentievoorziening 91,8 m³
Landschappelijk inpassingsplan l Perceel ATN01-P-1782 te Heusden Deze tekening bevat tevens informatie die geen betrekking heeft op de verplichte landschappelijke inpassing als gevolg van bijbehorende procedure, hieraan kunnen dan ook geen rechten worden ontleend.
Quickscan Flora en fauna Golfbaan Het Woold te Asten- Heusden
2
Inhoud 1. INLEIDING ...............................................................................................................................3 1.1 Aanleiding .............................................................................................................................3 1.2 Kader van het onderzoek. .....................................................................................................3 1.3 Doelstelling onderzoek ..........................................................................................................3 2. BESCHRIJVING PLANGEBIED....................................................................................................4 2.1 Ligging en beschrijving plangebied.........................................................................................4 2.2 Beoogde ontwikkeling ...........................................................................................................5 2.3 Foto- impressie plangebied....................................................................................................6 3. WERKWIJZE ............................................................................................................................7 4.
NATUURBESCHERMING IN NEDERLAND .................................................................................8 4.1 Soortenbescherming .............................................................................................................8 4.2 Gebiedsbescherming ........................................................................................................... 11 4.3 Bescherming van houtopstanden ........................................................................................ 12 5. RESULTATEN ONDERZOEK SOORTENBESCHERMING............................................................. 13 5.1 Flora .................................................................................................................................... 13 5.2 Vogels ................................................................................................................................. 13 5.3 Landgebonden zoogdieren .................................................................................................. 15 5.4 Vleermuizen ........................................................................................................................ 16 5.5 Ongewervelden ...................................................................................................................
17 5.6 Vissen, reptielen en amfibieën............................................................................................. 18 6. RESULTATEN ONDERZOEK GEBIEDSBESCHERMING .............................................................. 19 6.1 Natura 2000 ........................................................................................................................ 19 6.2 Natuurnetwerk Brabant/ Ecologische hoofdstructuur .......................................................... 22 6.3 Overige provinciale beschermingszones .............................................................................. 21 6.4 Houtopstanden ................................................................................................................... 21 7. SAMENVATTING EN CONCLUSIE ........................................................................................... 22 8. VOORZORGSMAATREGELEN ................................................................................................. 24 9. AANBEVELINGEN .................................................................................................................. 26 10. GERAADPLEEGDE BRONNEN ............................................................................................... 26 Bijlage 1. Beschermde soorten Vogelrichtlijn Bijlage 2. Beschermde soorten Habitatrichtlijn Bijlage 3.
Beschermde soorten Provincie Noord- Brabant, ‘Andere soorten’ Bijlage 4. Vrijgestelde soorten
IVN Asten-Someren
Quickscan Flora en fauna Golfbaan ‘t Woold te Asten- Heusden.
3
1. INLEIDING 1.1
Aanleiding
Initiatiefnemers zijn voornemens om op golfbaan Het Woold in Asten-Heusden een schuur op te richten. Ten behoeve van de bestemmingsplanwijziging wordt hiervoor een planologische procedure doorlopen. Ter onderbouwing van het nieuwe bestemmingsplan dient een quickscan Flora en fauna (een verkennende natuurtoets) uitgevoerd te worden. IVN Asten-Someren is door de initiatiefnemers gevraagd om deze quickscan uit te voeren.
1.2
Kader van het onderzoek
Projecten of handelingen dienen te worden getoetst aan de wet- en regelgeving voor natuur. De natuurbescherming in Nederland bestaat uit de volgende kaders: • Wet natuurbescherming: o Soortenbescherming o Gebiedsbescherming o Houtopstanden • Provinciale verordening: o Natuurnetwerk Nederland (NNN) • Gemeentelijke regelgeving: o APV bomenkap
1.3
Doelstelling van het onderzoek
Middels dit verkennende onderzoek wordt een eerste inzicht verkregen in de mogelijke effecten op beschermde natuurwaarden in en om het plangebied en de mogelijke vervolgstappen die moeten worden ondernomen met betrekking tot aanvullend veldonderzoek, nader effectonderzoek en nadere procedures. Het doel van dit onderzoek is het vaststellen/uitsluiten van aanwezigheid van beschermde soorten die zijn opgenomen in paragraaf 3.1, 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming. En op welke wijze en in welke mate de beoogde ontwikkeling effect kan hebben op het (mogelijk) voorkomen van beschermde soorten. Aanvullend wordt bepaald of ontwikkelingen effect hebben op beschermde natuurwaarden van nabijgelegen Natura 2000- gebieden, gebieden die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland en houtopstanden die op basis van de Wet natuurbescherming zijn beschermd. Indien de beoogde ontwikkeling kan leiden tot negatieve effecten, leidt de quickscan tot aanbeveling voor vervolgstappen om te voorkomen dat verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming worden overtreden.
IVN Asten-Someren
Quickscan Flora en fauna Golfbaan ‘t Woold te Asten- Heusden.
4
2.
BESCHRIJVING PLANGEBIED
2.1
Ligging en beschrijving plangebied
Golfbaan Het Woold ligt ten zuiden van Heusden gemeente Asten, in het buitengebied. De omgeving kenmerkt zich door open agrarisch landschap en bosrijke natuur.
Figuur 1. Ligging van golfbaan ‘t Woold in het landschap en locatie op te richten schuur (rood). Bron: Google Earth.
Golfbaan ’t Woold heeft een oppervlakte van 70 ha. waarvan 15 ha. gemengd bosgebied en 55 ha. voormalige landbouwgrond. De inrichting en beheer van de golfbaan is gericht op verbetering van de landschappelijke kwaliteit en versterking van de biodiversiteit. Op het terrein zijn diverse biotooptypen te vinden als natte en droge heide, schrale graslandjes, droge bospercelen, moerassige laagtes en poelen. Het gebied wordt van oost naar west doorsneden door de NNB/EVZ de Eeuwselse loop. De flora en fauna op de golfbaan wordt continu door een natuurwerkgroep van het plaatselijke IVN gemonitord. De gegevens worden vastgelegd en geanalyseerd en vormen de basis voor optimale onderhoud- en beheersmaatregelen van de natuur op de golfbaan. Sinds de aanleg van de golfbaan in het overwegend agrarische landschap in 2009, is de biodiversiteit enorm toegenomen. Het te herontwikkelen terrein (rood omcirkeld in fig. 1 en hierna te noemen ‘het plangebied’) bestaat uit een laagte met een poel omringd door rietvegetaties, lisdodde en wilgenopslag. Het plangebied ligt ten noorden van het zandpad welke de scheiding vormt tussen het halfopen landschap op het golfterrein aan de noordzijde en het bosrijke deel ten zuiden. Ten oosten ligt een klein heideveldje.
Aan de westzijde bevindt zich aangrenzend de werf met materiaalopslag omringd door een aarden wal aangeplant met soorten als hazelaar, berk en gewone vlier met een ondergroei van ruigte- en pionier soorten als braam, melganzenvoet en Canadese fijnstraal. Ook werden diverse exemplaren van brede wespenorchis aangetroffen.
IVN Asten-Someren
Quickscan Flora en fauna Golfbaan ‘t Woold te Asten- Heusden.
6 2.3
Foto- impressie plangebied
Indruk van de directe omgeving, het zandpad en zicht op het plangebied vanuit het zandpad.
Zicht op het plangebied vanuit oost en zicht op het plangebied vanuit noord met links op de foto het plangebied en rechts de werf met aarden wal.
Indruk van de poel binnen het plangebied.
IVN Asten-Someren
Quickscan Flora en fauna Golfbaan ‘t Woold te Asten- Heusden.
7
Indruk van de werf en de omliggende aarden wal rond de werf.
3.
WERKWIJZE
De quickscan bestaat uit een bronnenonderzoek, een verkennend veldbezoek en een biotoopgeschiktheidsbeoordeling. Bronnenonderzoek In het kader van de quickscan heeft een bronnenonderzoek plaatsgevonden, waarbij is gekeken naar mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied en directe omgeving. Voor het soortenonderzoek is o.a. gebruik gemaakt van gegevens uit de jaarverslagen van Natuurwerkgroep Het Woold, diverse verspreidingsatlassen, soortspecifieke literatuur en kennisdocumenten. Voor de gebiedsgerichte bescherming is gekeken naar aanwezigheid van relevante natuurterreinen in de omgeving, het betreft de Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (EHS). Daarvoor is o.a. gebruik gemaakt van de website van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en die van de provincie Noord- Brabant. Veldbezoek Er heeft een veldbezoek plaatsgevonden op 1 oktober 2021 in de voormiddag. Het weer was licht bewolkt met een zwakke tot matige zuidwesten wind bij een temperatuur van 12°C. Daarbij zijn de aanwezige biotopen in het plangebied en directe omgeving opgenomen. Bij de biotoopgeschiktheidsbeoordeling worden de aangetroffen biotopen tijdens het veldbezoek en de waarnemingen uit inventarisatieverslagen vergeleken met de habitatvereisten van beschermde soorten, waarop ingeschat kan worden welke soorten er potentieel voorkomen.
Naast de biotopen zijn directe en indirecte aanwijzingen opgenomen die kunnen duiden op het voorkomen van beschermde soorten. Behalve het fysiek aantreffen van exemplaren van soorten is er ook gelet op bijv. holen, uitwerpselen, prooiresten, braakballen vraat-, loop- en veegsporen. Deze waarnemingen zijn bij de beoordeling betrokken.
IVN Asten-Someren
Quickscan Flora en fauna Golfbaan ‘t Woold te Asten- Heusden.
8
4.
NATUURBESCHERMING IN NEDERLAND
Op 1 januari 2017 is de nieuwe Wet Natuurbescherming van kracht geworden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De Wet natuurbescherming staat in het teken van verbinding tussen ecologie en economie en bescherming van natuur. Het uitgangspunt van de wet is dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan. Zowel in de voorgaande als nieuwe wetgeving zijn de nationale natuurwetgeving en internationale richtlijnen en verdragen verankerd, zoals Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, Wetland-Conventie, Conventie van Bern, Cites en Verdrag van Ramsar. De wet is opgesplitst in Soortenbescherming en Gebiedsbescherming.
4.1
SOORTENBESCHERMING
Beschermingsniveaus De Wet natuurbescherming kent drie categorieën beschermde soorten: 1. Alle van nature in Europa in het wild levende vogels worden beschermd volgens het beschermingsregime van de Vogelrichtlijn. 2. Soorten worden Europees beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Het derde beschermingsregime betreft: ‘Andere soorten,’ waaronder soorten vallen die vanuit nationaal oogpunt beschermd zijn. Het zwaarste beschermingsregime gelden voor de Europees beschermde soorten welke vallen onder de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en welke hier als strikt beschermd worden aangeduid. Voor nationaal beschermde soorten ‘Andere soorten’ geldt een zwakker beschermingsregime en kan per provincie en per soort vrijstelling verleend worden voor ingrepen die betreffen ruimtelijke ontwikkeling en bestendig beheer en onderhoud. Van de soorten die worden beschermd onder de Vogelrichtlijn is geen limitatieve lijst beschikbaar. Het gaat om ca. 700 soorten die van nature op het grondgebied van de Europese unie voorkomen. In de praktijk betreft het alle soorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, in totaal ca. 290 soorten. (met uitzondering van exoten die hier ook kunnen broeden).
Op alle vogels is het beschermingsregime van § 3.1 van de Wet natuurbescherming van toepassing. De Europees beschermde soorten bestaan uit soorten van de Habitatrichtlijn bijlage IV onderdeel a inclusief het verdrag van Bern bijlage II en het verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. Op deze soorten (zie bijlage 2) is het beschermingsregime van § 3.2 van de Wet natuurbescherming van toepassing. De ‘andere’ nationale soorten staan vermeld in een bijlage van de wet die hoort bij artikel 3.10 en 3.11. Op deze bijlage staan soorten uit de soortgroepen zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Het betreft een limitatieve lijst. Op deze soorten (zie bijlage 3), is het beschermingsregime van § 3.3 van de Wet natuurbescherming van toepassing.
IVN Asten-Someren
Quickscan Flora en fauna Golfbaan ‘t Woold te Asten- Heusden.
9 Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn § 3.1 Wnb
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn § 3.2 Wnb
Beschermingsregime andere soorten § 3.3 Wnb
Art 3.1 lid 1 Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen.
Art 3.5 lid 1 Het is verboden soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen
Art 3.10 lid 1a Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen
Art 3.1 lid 2 Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen
Art 3.5 lid 4 Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen
Art 3.10 lid 1b Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen
Art 3.1 lid 3 Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben
Art 3.5 lid 3 Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen
Niet van toepassing
Art 3.1 lid 4 en lid 5 Het is verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort
Art 3.5 lid 2 Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren
Niet van toepassing
Niet van toepassing
Art 3.5 lid 5 Het is verboden plantensoorten in hun Natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen
Art 3.10 lid 1c Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen
Tabel 1. Overzicht beschermingsregime met verbodsbepalingen Wet natuurbescherming.
IVN Asten-Someren
Quickscan Flora en fauna Golfbaan ‘t Woold te Asten- Heusden.
10 Jaarrond beschermde verblijfplaatsen Naast soorten beschermt de Wet Natuurbescherming ook verblijfplaatsen die als ‘vast’ kunnen worden aangemerkt. Deze bescherming geldt alleen de vaste verblijfplaatsen van vogels en zoogdieren. (zie bijlage 1 en 2) Een vaste verblijfplek betreft een verblijfplek waar een dier regelmatig terugkeert en niet slechts eenmalig voor een specifieke functie gebruikt wordt, zoals de nesten van de meeste vogels. Ook hier zijn er verschillende gradaties in beschermingsniveau, afhankelijk hoe kwetsbaar de instandhouding van de soort is in relatie tot gebruik van de vaste verblijfplek. In samenhang met de verblijfplek wordt ook de leefomgeving beschermd zover voor deze van belang is om het functioneren van de verblijfplek mogelijk te maken. Ontheffingsplicht en vrijstelling Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten. Vaak kunnen maatregelen getroffen worden zodat verbodsbepalingen niet worden overtreden, zoals de werkzaamheden uitvoeren buiten de kwetsbare periode, het aanpassen van de werkvolgorde of de werkzaamheden faseren in ruimte en tijd. In sommige gevallen kan er gebruik gemaakt worden van vrijstelling. Een vrijstelling is een uitzondering op een wettelijk verbod, die wordt vastgelegd voor een van te voren bepaalde categorie van gevallen.