CConstaterende datAsten
Koppel je AI →
Document · PDF

RU22.11.04H Ruimtelijke onderbouwing - 4. Vaalbaan 1 Deel 3.pdf

Raadscommissie Ruimte 22 november 2022, gemeente AstenBij agendapunt: Ontwerpbestemmingsplan 'Asten Verzamelplan 2022-2' (opiniërend)23.107 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Indien vul - en zuigleiding niet z i j n aan­ gebracht op één en hetzelfde mangatdeksel , dan moet de vulpijp een z odanige lengte hebben , dat dez e te al len tijde in de vloei s tof reikt . Het vulpunt ( de aans luitkoppeling van de vul­ l eiding ) mag z ich niet bevinden binnen een gebouw noch op minder dan 2 meter afstand van de hori zontale pro j ectie van een tank . Het vulpunt moet z i j n voorzien van een aansluitk l em voor een kabe l voor het afvoeren van s tatische elektricite i t . B i j het vulpunt moet duidelijk z i j n aangegeven de netto- inhoud van de tank alsmede voor welk product de tank i s bes temd . 1 4 . De waterafvoerbuis en de ontluchtingsleiding moeten elk op een ander einde van de tank z i j n aangebracht . I ndien vulp i j p en zuigpij p niet op het zelfde mangatdeksel z i J n aangebracht , moet de zuigleiding . aan de z i j de van d e ontluchtings­ l eiding en de vulpijp aan het · andere einde van de tank z i j n aan­ g ebracht terwi j l de peilbuis nabij de vulpi j p moet z i j n geplaats t . 1 5 . De leidingen moeten van s taal of koper z i j n en op afschot naar de tank z i j n gelegd • . De tank mag voor ten hoogs te 9 8 % met vloei­ s to f worden gevuld . 1 6 . I nd ien in de zuigleiding een terugslagklep is aangebracht , moet de z e onmidde l l i j k v66r de pomp z i j n gemonteerd . 1 7 .

B i j het vul len van de tank moet gebruik gemaakt worden van een pei l s tok , waarmede de vloeistofinhoud van de tank kan worden bepaald . Het opnemen van de vloei s tofinhoud met behulp van een pei l s tok moet geschieden door een af zonderl i j ke pei lbuis , welke ten minste even diep als de vulpi jp in de tank reikt . In de wand van deze pei lbuis mogen geen openingen voorkomen , Het boveneinde van de peilbu i s moet zodanig in uitvoering en afmetingen ver­ s c h i l len van de vul leiding , dat het niet mogel i j k is de aflever­ leiding rechtstreeks aan de pei lbuis te koppelen . Pei lstokken mogen niet vervaardigd z i j n van metaal dat edeler is dan staal zoals bi j v . koper en roestvast s taal . - 4 -

1

·I' '

- 4 1 8 . De uitvoering van de cons truc tie voor het s luiten van de peilbui s , van de vul leiding en dergel i j ke moet zodanig z i j n , dat vas troes ten wordt voorkomen . 1 9 . Alle leidingen en appendages moe ten voldoende sterk z i j n en waar nodig doe l treffend tegen beschadiging z i j n beveil igd . A l l e losneembare pij paansluitingen aan de tank moeten z i j n aangebracht boven het hor i zonta l e vlak door de boven z i j de van de mangatstompen gelegd . Pakking- en elektrisch isol atie­ materiaal moe ten bestan1 z i j n tegen olieproducten en tegen de invloed van de bodem . 2 0 . D e a fleverplaats moe t in de buitenlucht z i j n geplaats t . 2 1 , Bi j het vul len van een tank uit een tankwagen moeten maat­ rege len tot het afvoeren van statische elektr iciteit worden getrof fe n . De elektrische verbindingen moeten tot s tand worden gebracht v66r de los slang wordt aangesloten en mogen s lechts worden verbroken nadat na het vul len de loss lang is a fgekoppe ld . i 2 - Het vul len van de tank uit een tankwagen moet gesch ieden door een zowel aan de aanvoerende tankwagen als aan de vul­ p i j p gekoppe lde afleverleiding . De tankwagen moet t i j dens h e t lossen in de open lucht z i j n opgesteld : de motor van de tankwagen mag gedurende het aan - en afkoppelen van de vul­ s lang ( en ) niet in werking zijn .

2 3 - Het vu l len van de tank en van een tankwagen moet geschieden met zodanige voor zorgen , dat lekken en morsen van de vloeistof worden voorkomen . Alvorens met het vul len wordt begonnen moe t door pei l en van de tankinhoud de mate van vul l ing nauw­ keurig wordt vastgesteld . Indien , om overvulling van de tank te voorkomen , een deugde­ l i j ke overvu lbeve i l iging of in de ontluchtings leiding een f lu i t i s aangebracht , mogen dez e hulpmiddelen op geen enkele wi j z e de toepas s ing van de gebruikel i j ke veiligheidsmaat­ regelen onmoge l i j k maken . 2 4 . Onmidde l l i j k nadat de vloeistof in de tank is overgebracht en de s lang i s losgekoppeld moet de vu l leiding met een goed s lu itende dop worden afges loten . 2 5 . Het vu l len van de tank is verboden indien daarbij wordt gerookt of enigerlei vuur of open licht aanwez ig is of de mo tor van het voertuig , waarmede de brandstof wordt aan­ g evoerd , i n werking is . 2 6 . D e l engte van de aflevers lang moet zodanig z i j n bemeten dat het vulpunt van het res ervoir van een motorvoertuig waaraan brandstof wordt afgeleverd , steeds ten minste 1 meter van de plaats waar een tank is ingegraven verw i j derd blij ft . 2 7 .

De pomp moet z odanig z i j n inger icht , dat het � i j slechts gedurende een daartoe strekkende opzette l i j ke bediening van de vulaf s luiter vloeistof uit de pomp kan stromen , hetzij de a f l evering van de v loeistof automatisch stopt als het reser­ voir waaraan wordt afge leverd , vri jwel is gevuld . - 5 -

- 5 -

In het laatste geval moeten aan de vulafsluiter voorz ieningen z i j n getroffen , waardoor deze s luit b i j een lichte schok , b i j voorbeeld ten gevolge van val len ; de . aflevering van de vloei s to f moet plaatshebben onder toe z i cht ( binnen de gez ichts­ kring ) van een tot het personee l van de pompins tallatie behorend persoon . 2 8 . De pomp moe t indien geen toezicht wordt gehouden z i j n afge­ s lo ten , z odat onbevoegden haar niet in werking kunnen s tellen . 2 9 . De pomp moet zodanig z i j n voorz ien of ingericht , dat bij het plotseling s luiten van de vulafs luiter geen te hoge druk kan onts taan . 3 0 . De elektrische ins tal latie moet voldoen aan de voorschriften gegeven in de normbladen NEN 1 0 1 0 en REGO-V 3 1 2 5 ; de elektrische installatie in en aan de pompkas t moet voldoen aan de voor­ schriften welke gelden voor ruimten met beperkt gasontplof­ f i ngsgevaar . 3 1 . Op de s chakelaar , waarmee de elektrische instal latie in en aan de pompka s t kan worden uitgeschakeld ( z ie NEN 1 0 1 0 hoofds tuk X , artikel 4 2 6 ) moeten de schakelstanden duidelijk z i j n aange­ geven . B i j deze schakelaar moet duidel i j k z i j n aangegeven , dat de z e dient voor de pomp . 3 2 .

Behalve de in punt 3 1 genoemde s chakelaar moet voor het in en u itschakelen van de elektromotor van de pomp bovendien in of aan de pompkast een schakelaar z i j n aangebracht . 3 3 . Aan de pomps lang mag geen elektrische s chakelaar aanwezig zi J n . 3 4 . Aan de pompkast mogen geen stopcontacten z i j n aangebracht . 3 5 . De elektri sche installatie moet zodanig z i j n dat geen s toring optreedt in de radio- en televis ieontvangst . 3 6 . De pompka s t moet voldoende · z i j n geventileerd . 3 7 . B i j het afleveren van de vloeistof mag noch worden gerookt of enigerlei vuur of open licht aanwez ig z i j n , noch mag hierb i j de motor van het voertuig , waaraan d e vloeistof wordt afge­ leverd , in werking z ij n . 3 8 . I n o f b i j de inrichting moet voor het blussen van branden per drie rc�pen ten minste één doelmatige poederblusser aanwe z i g z i j n , bevattende ten mins te 5 k g blusstof . 3 9 . De installatie moet schoon worden gehouden en in goede s taat van onderhoud verkeren .

��1·

�ehoo,t blJ hot �lult \' . ·n··• ·· ·.- " '"�'�r .. --� ':-t� tir;:ë"n��Stêr en V,4:tb i,,: ... ,.. ,...., r·· " .,,..:Fr.c van .....J...:l-è> 1 .

�-

•---•••. l , . .

0.

--�--

D..;

/ / /· J

!,r. ..

'

•

.

1 ' �

··· ···· i" .

•

s..��- .:.�;11 ;.. \4;, '- . L ö n c

(L__

�, .,. - ---- 1,

, " M. J. y;m [\0.;ir.mal.tn) ,.... , j . n.

VOORWAARDEN VOOR BOVENGRONDSE OLIE -OPSLAG IN RESERVOIRS

1 . De st ij fheid en de sterkte van een ketel moeten voldoende z i J n om schad e l i j ke vervorming a l s gevolg van eventuele verzakking van de s teunpunten te voorkomen ; t�rwij l de dichtheid onder alle oms tandigheden moet z i j n verzekerd . 2 . De ketel moet op tenminste 3 m afs tand van een erfafscheiding z i j n geplaats t . 3 . D e ketel ( s ) moe t ( en) z ij n · omgeven door een o lied i chte omwalling van tenminste 0 , 5 m . hoogte , binnen de omwal ling moet de gehele i nhoud van de ketel kunnen worden opgenomen . 4 . I n e lke aan- en afvoerleiding van de ketel moet binnen de om­ wal l i ng een s talen afs luiter z i j n geplaats t . 5 . D e doorvoer van leidingen door d e omwall ing moe t deugde lijk z i j n a fgedicht ; buiten de omwall ing moeten d e leid ingen tegen beschadiging z i j n beschermd . 6 . De le idingen moeten zodanig z i j n ui tgevoerd , dat b i j een z etting van de ketel geen beschadiging van de leidingen of de kete l _ kan p laatsvinden . 7 . D e ·gehele installatie moet v loeis tofdicht zij n . 8 . D e ketel moet z i j n voor zien van een olie-s tandaanwi j zer of een peilinrichting , welke zodanig is ingericht , dat het ui ttreden van olie uit de ketel , ook tengevolge van verkeerde werking of door breuk , onmogel i j k is . 9 .

De ketel moet z i j n voor z ien van een onluchtingspi j p met een i nwendige middell i j n van tenminste 50 mm ; de ontluchtingspijp moe t tegen inregenen zijn beschermd en moet in haar geheel a flopen naar de ketel .

er �--...

·-

•- ',

'

-----

\ 1/- r-, l. ,. / ,.._.1 ' ,. . -. •

•

• • · J·

• •" ,•.-::c"malen}

g e m e e n te d e u r n e ALGEMENE VOORWAARDEN.

1 . Bij het verwijderen van mest en gier mag de omgeving niet worden verontreinigd. Eventuele transport van dunne mest en gier moet geschieden in volledig gesloten tankwagens , die in een zindelijke staat moeten zijn, terwijl vaste mest moet worden getransporteerd in daarvoor geschikte transportmiddelen , die op korrekte wijze zijn beladen • . 2 . Het terrein van de inricht ing mag niet worden bevloeid of op an­ dere wijze van een laag · mest of gier worden voorzien . Deze bepaling i e niet van t oepassing bij het bemesten van grond volgens de nor­ male bemest ingspraktijk. 3 . Mest en gier mogen niet worden bewaard in een greppel , gegraven put of ander open bassin .

4. Indien op de vent ilat i ekokers op het dak van de stal ( len ) een

regenkap is aangebracht , moet de regenkap zodanig zijn uitgevoerd , dat de luchtstroom naar boven gericht blijft .

5 . Ramen van de stallen moeten , voorzover zij geen funktie hebben voor de luchtinlaat van de stal , gesloten worden gehouden . De staldeuren moeten zelfsluitend zijn .

6 . Wanneer in de stallen, danwel op of nabij het erf ongedierte ( zo­ als ratten , muizen of vliegen ) wordt waargenomen , dienen doelma­ t ige bestrijdingsmaatregelen te worden getroffen .

7 . Het voer moet worden bewaard in uitsluitend voor dit doel gebe­ zigde bewaarplaatsen die rat- en muiewerend zijn uitgevoerd .

8 . Kadavers van dieren mogen niet op het terrein van de inrichting worden begraven ; zij dienen, in afwachting van afvoer uit de in­ richt ing, te worden geborgen in een deugdelijke wat erdichte ver­ pakking of in een goed afgesloten , spec iaal daartoe beetende ruimte . 9 : Op het terrein van de inricht ing mag geen meet worden gedroogd of verbrand .

óct t yp coli

b ql

vd.W WB �

10.

De- e:iektrieohe installat ie mag geen storing veroorzaken in radio­ en/of te levisie-ontvangst .

11.

De inrichting moet te al len tijde in een schone en ordelijke toe­ stand en de opstallen en instal laties in een goede staat van onderhoud verkeren .

Aanvullende voorwaarden ten behoeve van : Varkensmesterijen . Varkensfokkerijen . Rundveehouderijen . a. Dunne mest , gier, spoel- en/of schrobwater moeten uit de stal wor­ den afgevoerd naar de hiertoe bestemde vloeistofdichte ops lag­ ruimt e (kelder of silo) . Indien deze opslagruimte niet onder de stal is gelegen , moet het transport naar de ops lagruimte ge­ schieden door middel van een gesloten riool .

- 2 78

- 2 -

De �pslagruimt e mag niet zijn voorzien van een overstort . De ops lagruimte · moet door middel van goed sluitende deksels of luiken gesloten worden gehouden , behoudens tijdens het ledigen . b . Het ledingen van mest- en gierk der ( s ) mag niet vaker dan éánmaal per geschieden n niet geschieden in het tijdvak van t ot De gezamenlijke lders moet in verband hiermede minimaal c . De in de s talle?l aanwezige vaste mes t moet zoveel mogelijk dagelijks worden verzameld en overgebracht naar de betonplaat (mestvaalt ) , waarvan de plaat s op de tekening is aangegeven. De stapeling van de mest op deze bet onplaat JDOet op zodanige wijze geschieden , dat alle uittredende vocht of door middel van een ringgoot en een daarop aansluitend gesloten riool of middels een op afschot gelegde plaat of anderszins rechtstreeks wordt afgevoerd naar de opslagruimte bedoeld onder a. len d . Het pneumat isch vullen of doen bedoeld onder 1 van de Algemene Voui.__1•_s1,a-r" uur en 07 . 00 uur . · Hinderlijke stofvQ-'l'<�m� s i lo ' s moet worden voorkomen d het op doe ltreffende wijze op te angen . Aanvullende voorwaarden ten behoeve van : Pluimveehouderijen . Pluimveemest erijen . Pluimveefokkerijen . a . Dunne mest , gier , spoel- en/of s obwat er moeten uit de stal worden af­ gevoerd na.ar de hiertoe bestenne oei st ofdichte opsl - imte (kelder s gelegen , moet of silo ) .

Indien deze ops lagruimt e · et onder de sta iddel van een gehet transport naar de ops lagruimte ge s loten rioo l . De opslagruimte mag niet ijn voor en van een overstort . De opslagruimte moet door middel van goe slu · ende deksels of luiken ledigen . ges loten worden gehouden, behouden tijdens worden opgevangen en be-

b . Mest van p luimvee , geen dunne mest zijn · waard binnen de gebouwen van de Na elke opfokperiode moet de afgevoerd uit de inricht ing.

ige mest direkt worden

De in de hokken of stallen wezige mest moet , z der daaraan water t oe te voegen , tenminste e.,__,__1 per dag worden ver ameld en overge­ ichte bak, die behoudens t ·dens het bijstor­ bracht naar een vloe ist t en van mest , geslote moet zijn . en of doen vullen van voeders ilo ' s t ankwagens d . Het pneumat isch als bedoeld ond 1 van de Alg811Dene Voorwaarden , is verb den tussen 20 .00 uur en .oo uur . Hinderlijke stofverspreiding bij het vullen van ç moet worden voorkomen door het via ont luchting ntwijkende voeders ilo stof op e ltreffende wijze op te vange1nê ,� oo:-t >:: � ,- · . . · , , .

.1'.JJ......._ . 7Li

van __

,..

Cii 1 .

D

!-;

• ! !. , . r ••

,• . : , 1

r-:� ....

'·

· ___,.

�

(,,: , .

---- -.J ·------

.

VOORWAARDEN voor een stationair propaanreservoir tot 3 . 000 liter water­ i nhoud . 1 . In het reservoir mag slechts worden bewaard een produkt , hoofdzakelijk bestaande uit propaan en propeen met geringe hoeveelheden ethaan, butanen en butenen , alsmede mengse l s , hoofdzakelijk bestaande uit twee of meer van ° de genoeude produkten een en ander voor zover de dampspanning bij 70 c ten hoogste 3 1 kg/cm2. absoluut bedraagt . Dit produkt en deze mengsels zijn in deze voorwaarden verder aangeduid met "propaan". 2 . Het reservoir moet op tenminste 1 , 5 m afstand zijn omgeven door een hek­ werk, hoog ongeveer 1 m en bestaande uit een omrastering van stevig me­ taaldraad.vlechtwerk. Op de omraster ing moet op duidelijke wijze zijn aange­ geven "ROKEN EN VUUR VERBODEN" .

3 . De afstand van het reservoir tot houten gebouwen of gebouwen van brand­

bare konstrulct ie, t ot opslagplaatsen van brandbaar materiaal en plaatsen , waar open vuur aanwezig pleegt te zijn, of tot woningen of toekomst ige woningen waarvan de bouw vaststaat , moet tenminste 1 5 m bedragen .

4 . Het reservoir moet van koolstofstaal of gelegeerd staal zijn vervaardigd en geschikt zijn voor een werkdruk die tenminste gelijk i s � de dampspan­ ning van de opgeslaggn vloeistof bij een t emperatuur van 40 C . Voor tanks t ot 2 000 liter en 35 voor tanks van 2000 t ot 3000 liter . 5 . Het reservoir moet deugdelijk zijn ondersteund door ondersteuningen van onbrandbaar materiaal , zodanig aangebracht , dat c orrosie van de reservoir­ wand i s voorkomen . De ondersteuningen moeten deugdelijk op een fundatie zijn bevest igd . Ondersteuningen moeten zodanig zijn uitgevoerd, dat zij geen te hoge plaat­ selijke belast ingen op de wanden van het reservoir veroorzaken en een uit­ zett ing en inkrimping van het reservoir ten gevolge van temperatuur-ver­ anderingen ongehinderd toelaten . 6 . Het reservoir met appendages , toebehoren en hogedrukleidingen moeten door de dienst voor het St oomwezen voor de opslag en het gebruik van propaan zijn goedgekeurd . Een bewijs van goedkeuring moet aan burgemeester en wet­ houders v66r het ingebruiknemen van het reservoir worden overgelegd . Om de 6 jaar moet deze keuring worden herhaald en moet de installatie opnieuw zijn goedgekeurd . Van elke herkeuring moet een bewijs aan burge­ meester en wethouders worden overgelegd.

7 . Het reservoir moet zijn geschilderd in een l ichte warmte-stralen reflek­ t erende kleur of zijn bescherud door een zonnedak .

8 . Het reservoir moet van een doelmatige afsluitbare opening zijn voorzien,

waardoor het inwendige wandoppervlak in voldoende mate kan worden onder­ zocht . Het reservoir mag niet zijn voorzien van een spui-inricht ing . De bouten van de deksels van de inspektie-opening en van flenzen moet vó6r de montage doelmatig worden ingevet ; ruimten tussen flenzen moeten zorgvuldig worden afgedicht .

9 . Het reservoir moet zijn voorzien van een vloeistofstandamwijzer van doel­ mat ige konstrukt ie , welke geschikt is voor de werkdruk van het reservoir . Indien daarbij propaan naar buiten wordt afgeb lazen , moet de uitvoering zodanig zijn , dat maximaal niet meer gas kan ontwijken dan door een gaat je met een doorlaat van 2 mm2 . Het t oe passen van peilglazen is verboden . - 2 -

195

- 2 -

1 0 . Behalve van een vloeist ofstandaanwijzer , als bedoeld in voorwaarde 9 moet het reservoir zijn voorzien van een vaste binnenpijp met een inwendige middellijn van t en hoogste 6 , 5 mm , waarop een proefafs luiter met een door­ laat van t en hoogste 2 mm2 is gemont eerd . Deze pijp moet zodanig in het reservoir steken , dat het einde zich bevindt op het niveau van de vloeistof, wanneer het reservoir voor 85% met vloei­ .stof is gevuld . Het reservoir mag voor t en hoogste 85% met vloeistof worden gevuld. 1 1 . Indien het reservoir is voorzien van een manometer moet deze van een doel­ mat ige konstrukt ie zijn en direkt met de dampruimte in verbinding staan . Tussen reservoir en manometer moet een afsluiter zijn geplaatst . 1 2 . Het reservoir moet zijn voorzien van een door een veer belaste veiligheids­ klep , die geschikt is voor propaan , direkt is aangeslot en op de dampruimte en is afgesteld op de werkdruk van het reservoir . Zij moet het gas vertikaal omhoog kunnen afvoeren en moet zijn beschermd. tegen regeninslag. De capac iteit van de veiligheidsklep moet , bepaald met lucht bij een druk die 2Cff, bov5:1 �e werkdruk l igt , tenminst e gelijk zijn aan : Q - 1 0 . 66 A • 8 waarin ° Q - m3/min ( lucht van 1 kg/cm2 absoluut en 1 5 � ) � A - uitwendig oppervlak van het reservoir in m2 . 1 3 .

Aan het begin van e lke op het reservoir aangesloten leiding of appendage met een grotere uit laatopening dan 2 mm2 ( met uit zondering van de veilig­ heidsklep ) moet in het reservoir een stroombegrenzer zijn aangebracht . Een stroombegrenzer mag in gesloten stand geen grotere doorlaat hebben dan 2 mm2 . 1 4 . Het vulpunt van het reservoir moet binnen het in voorwaarde 2 bedoelde hekwerk zijn geplaat st . 1 5 . Leidingen moeten zijn vervaardigd van stalen pijpen met GIVEG gara.ntiemerk . Voor lagedruk-gasafname-leidingen mogen desgewenst ook koperen leidingen worden t oegepast . 1 6 . Een leiding, welke op het reservoir is aangesloten moet zijn voorzien van een afsluiter , welke direkt op de reservoirstomp is aangebracht . Afsluiters die aan het reservoir zijn aangebracht beneden de hoogste vloei­ st ofwand , moeten van staal of van een doelmat ige kwaliteit smeedbaar of nodulair gietijzer zijn vervaardigd , een binnenwerk van c orrosie-bestendig materiaal bezit t en en geschikt zijn voor propaan De afsluiters moeten bij voorkeur zijn uitgevoerd met flens . Cilindrische schroefdraadverbindingen zijn niet toegelaten .

Coni sche ver­ bindingen , welke worden onderworpen aan de volle werkdruk, mogen tot en met 5 1 mm doorlaa.tmiddellijn worden toegepast , mogen t ot en met 5 1 mm doorlaatmiddellijn worden toegepast , mit s daarbij geen gebruik wordt ge­ maakt van hennep of dergelijk veze lmateriaal . De afs lui t era moeten zijn ontworpen voor een werkdruk, tenminste gelijk aan die van het reservoir.

- 3 -

- 3 1 7 . Het gehele leidingstelsel , inclusief de appendages , moet met gelaste verbindingen danwel met flensverbindingen of fitt ingwerk zijn uitgevoerd , waarbij in het laat ste geval uitsluitend van c onische binnen- en buiten­ draad gebruik moet zijn gemaakt . Het gebruik van hennep en dergelijk vezelmateriaal i s verboden . Leidin­ gen mogen niet van ondergrondse flensverbindingen zijn voorzien . Alle appendages moeten .an een door de dienst van het Stoomwezen goedgekeurd type zijn . 1 8 . Alle ondergrondse leidingen moeten zorgvuldig worden aange legd en moeten t egen c orrosoe en belast ing door verkeer e . d. doelmatig zijn beschermd. . 1 9 . Aan het reservoir, de leidingen en de appendages mogen geen handelingen worden verricht , waarbij vuur wordt gehanteerd of kan ont staan alvorens de zekerheid is verkregen , dat geen ontplofbaar damp-luchtmengsel aan­ wezig i s of kan zijn . Dit zal onder andere het geval zijn , indien de insta.llatie geheel gasvrij is gemaakt . 20. Het reservoir moet van aangelaste strippen zijn voorzien en moet door tussenkomst daarvan doelmatig zijn geaard. Deze aarding mag geen grot ere overgangsweerstand hebben dan 1 0 Ohm . De weerstand moet 5 Ohm bedragen . 2 1 . Slang-verbindingen tussen het aanvoerende reservoir en het vulpunt moet en : a . bestand zijn tegen vloeibaar propaan ; b . een barstdruk hebben van tenminste 90 kg/cm2 .

De slangen , alsmede de b�èehorende koppelingen moeten tenminste eenmaal per halfjaar op deugdelijkheid worden gekontroleerd en hydraulisch op tweemaal de werkdruk worden beproefd door een bevoegd persoon . Van deze beproeving moet een schriftelijke gedagtekende verklaring worden opgemaakt , welke desgevraagd. aan burgemeester en wethouders moet worden overgelegd . c . Van een door de dienst van het Stoomwezen goedgekeurd type zijn . 22 . De elektrische installat ie , gelegen binnen 3 m van het reservoir , moet voldoen aan de bepalingen , geldende met betrekking tot installaties in ruimten met beperkt gasontploffingsgevaar , bijvoorbeeld zoals deze zijn aangegeven in normblad NEN 1 01 0, uitgave 1 962 . 23. Nabij het reservoir moet een met droogpoeder werkend blust oestel aanwe zig zijn met een inhoud van tenminste 5kg blusstof, voor direkt gebruik ge­ reed en tegen weer en wind beschut . Het t oestel moet tenminste eenmaal per jaar op zijn goede werking door een deskundige worden onderzocht . 24. Op het terrein , gelegen binnen het in voorwaarde 2 genoemde hekwerk, is roken alsmede het aanwezig zijn van open vuur verboden . Dit terrein moet zijn vrijgehouden van brandbare materialen . Gras moet worden kort gehouden en onkruid onmiddellijk verwijderd . 25 .

Het vullen van het reservoir mag niet geschieden indien daarbij wordt gerookt of enigerlei vuur of open kunstlicht aanwezig i s . 26 . Bij het loskoppelen van de af levers lang van een propaanketelwagen mag ten hoogste 1 kg propaan ontwijken .

- 4 -

- 4 27 . De motor van het voertuig, waarmee propaan wordt aangevoerd mag niet in werking zijn tijdens het aan- en afkoppelen van de le idingen en - indien deze motor daarbij niet benodigd is - niet tijdens het lossen . 2 8 . Aan het reservoir mag uitsluitend gasvorming propaan worden onttrokken , dat door vaste leidingen naar de verbruikstoestellen wordt gevoerd . 29 . Het vullen van butaan of propaangas-flessen en wisseltanks direkt uit het reservoir is verboden . 3 0 . In de t oevoerleiding van hèt reservoir naar de gebruiksruimt e moet zich buiten de gebruiksruimte be� inden : a . een drukregelaar . Deze drukregelaar moet op een bepaalde werkdruk zijn ingesteld , zodanig dat deze zonder bijzondere hulpmiddelen niet kàn worden veranderd . Deze drukregelaar moet zijn voorzien van een door een veer belaste veiligheidsklep , welke met zekerheid voorkomt , dat achter de drukregelaar een voor de gebruikst oestellen te hoge gasdruk ont st aat . De drukrege laar moet in de buitenlucht zijn opgesteld J b . vóór de inlaat zijde van de drukregelaar moet een filter zijn geplaatst, waarin eventueel door het gas uit het reservoir meegevoerde veront­ reinigingen worden tegengehouden . 3 1 .

Indien de t oevoerleiding naar de gebruiksruimte ondergronds wordt aange­ bracht en over deze leiding transport plaatsvindt waardoor kans bestaat op mechanisc he beschadiding van de t oevoerleiding moet deze zijn gevoerd door een naadloze stalen mantelleiding, terwijl de doorgaande t oevoerleiding _ voor zover ondergronds aangebracht deugdelijk tegen corrosie moet zijn be­ schernrl . 3 2 . De doorvoeropening van de t oevoerleiding door de wand van de gebruiksruim­ t e moet zo klein zijn , dat ze gasdicht op de buitenkant van de leiding aan­ s luit . 33 . Direkt na de sub 3 2 bedoelde doorvoering moet de t oevoerleiding in de ge­ bruiksrui mt e met behulp van een afsluiter kunnen worden afgesloten .

34. Het leidingnet in de gebruiksruimte moet zijn uitgevoerd als een vaste metalen l eiding .

35 . De leidingen moeten aan vaste delen van de gebruiksruimte zijn bevestigd . 36 . Aan het einde van elk afta.kpunt van de vaste leiding naar een gebruiks­ t oestel moet zich een afsluiter bevinden .

37 . De dimensionering van de leiding( en) moet zodanig zijn , dat rekening hou­

dende met de minst gunstige bedrijfsomstandigheden , die redelijkerwijze kunnen worden verwacht , de mogelijkheid van een ongestoorde en gelijktijdige nomi­ nale belast ing van alle tot de instal latie behorende verbruikstoestellen is gewaarborgd . Uitgaande van een maximale belasting van de installatie mag de druk waar­ onder het gas van een verbruikstoestel wordt toegevoerd , niet lager zijn dan 95% van de werkdruk van dat toeste l .

38 . Wanneer een gebruikst oestel met behulp van een niet metalen slang op het leidingsysteem wordt aangesloten mag deze slang geen grotere lengte hebben dan 1 met er . De aansluiting moet geschieden op deugdelijke slangpilaren en zijn geborgd met s langklemmen , welke de slang niet beschadigen . De s l ang moet zijn goedgekeurd voor het gebruik van propaan .

- 5 -

- 5 -

39 . Alvorens het leidingsysteem in gebruik wordt genomen moet door beproe­ vingen volgens NEN 3324 uitgave 1 965 artikel 1 8 , onder een druk van 5

maal de werkdruk zijn vastgesteld , dat de installat ie binnen de gebruiks­ ruimt e vrij i s van lekken . Het onder druk brengen mag alleen geschieden met behulp van samengeperste lucht . Het opsporen van lekken dient te geschie­ den onder vermijding van het gebruik van open vuur . Van de beproeving moet een door of vanwege de instal leur getekende verklaring bij de gebruik( st ) er aanwezig zijn, welke mede door de gebruik(st )er is ondert ekend . Een dergelijke verklaring moet eveneens worden afgegeven bij vernieuwing of uitbreiding van de instal lat ie .

40 . Geysers moeten op deugdelijke wijze aan de wand zijn bevest igd en van een afvoerl eiding voor verbrandingsgassmnaar buiten zijn voorzien . Niet van t oepass ing voor kleine, zogenaamde keukengeysers . In deze afvoerleiding moet zich een trekonderbreker bevinden . De door­ voering van de afvoerleiding door plafonds of daken moet brandvrij zijn uitgevoerd . 41 . Branders van geysers en kachel s moet en zijn voorzien van een thermische beveil iging welke ervoor zorg draagt dat : a . de gast oevoer naar de brander wordt afges loten indien de vlammen wor­ den gedoofd door een plotselinge luchtstroom of door een hapering in de gast oevoer ; b . geen gast oevoer naar de brander kan plaatsvinden alvorens de aansteek­ vlam i s ontstoken .

42 . Infraroodstralers moeten met behulp van een stalen buis of metalen ket­ t ingen voldoende stevig zijn opgehangen . Ophanging aan de gastoevoers lang is verboden .

43 . In ruimten waar infraroodstralers zonder afvoerleiding voor verbrandings­ gassen worden toegepast moet voor afdoende vent i latie zijn zorggedragen , met dien verstande dat de verbrandingsgassen vanuit de nok van het dak worden afgevoerd .

44 . De instal lat ie moet zijn uitgevoerd door een erkend instal leur (gasfitter ) . De lassen in boven- en ondergrondse leidingen moeten zijn gemaakt door een gekwal ific eerde lasser .

45 . De instal latie of een onderdeel daarvan, waarin propaan in welke vorm ook wordt gebracht of zich bevindt , of waar propaan doorheen geleid of daar­ aan onttrokken wordt , moet steeds in goede siaat van onderhoud verkeren . Indien el ektro-mot oren aanwezig zijn , gelden alsmede de navolgende voor­ waarden :

46 . De wanden in de onmiddellijke nabijheid der elektro-mot oren moeten zijn vervaardigd van brandwerende mat erialen .

47 . De e lektrische installat ie moet zodanig zijn, dat geen storing optreedt in radio- en televisie-ontvangst .

- 6 -

- 6 -

•

Bijzondere voorschriften behorende bij voorwaarden voor een propaan-reservoir tot 3 • 000 l i t er . a . Reservoirs met een wat erinhoud van meer dan 500 liter en niet meer dan 2 . 000 liter en een t ótale waterinhoud van t en hoogste 8 . 000 liter . b . Reservoirs met een waterinhoud van niet meer dan 500 liter en een totale water inhoud van niet meer dan 3 . 000 liter . Voor beide categoriën gelden behalve de algemene voorschrift en , welke hiervoor zijn genoemd , nog de volgende bijzondere voorschriften . 1 . Indien reservoirs naast elkaar zijn gelegen , moet de onderlinge afstand ten minste 1 meter bedragen . 2 . Het t errein moet voor het geval genoend onder a, tenminste 6 meter en voor het geval genoend onder b , tenminste 4 meter langer en breder zijn dan de afmet ingen van het reservoir . Indien reservoirs naast elkaar zijn gelegen , moeten de afmet ingen van het terrein dienovereenkomstig groter zijn . 3 . De afstand van een reservoir t ot een erfscheiding moet ten minste 3 meter bedragen . A . De afstand van het reservoir tot andere gebouwen dan woningen , gebouwen van hout of een andere brandbare konstrukt ie en opslagplaatsen van brand­ baar materiaal , welke binnen de erfscheiding liggen , moet t en minste 3 meter bedragen . 5 • In afwijking van het be paalde onder 4 mag: a .

voor gebouwen waarin open vuur aanwezig pleegt te zijn , de afstand tot het reservoir 1 meter bedragen , mit s : 1 . het zij elke naar het reservoir gekeerde wand van het gebouw dicht is en het reservoir van een sproeiinstallat ie is voorzien ;· 2 . het zij het reservoir is voorzien van een brandscherm en een sproei­ installat i e ; 3 . het zij het reservoir ondergrond i s gelegen; b . voor gebouwen waarin geen vuur aanwezig i s , de afstand t ot het reservoir 1 meter bedragen , mits : 1 . hetzij e lke naar het reservoir gekeerde wand van het gebouw dicht is ; 2 . hetzij het res ervoir is voorzien van een brandscherm; 3 . het zij het reservoir ondergronds is gelegen . 6 . De afstand van het reservoir tot een opslag van flessen propaan moet ten minste 7 , 5 meter bedragen , indien de flessenopslag een grotere inhoud heeft dan 1 2 . 000 liter , tenminste 5 meter indien de flessenops lag een inhoud heeft van meer dan 1 . 500 liter of minder dan 1 2 . 000 liter en ten minste 3 meter indien de flessenopslag een inhoud heeft van minder dan 1 . 000 liter .

c . Reservoirs met een wat erinhoud van niet meer dan 1 . 000 liter . Voor deze reservoirs geldt , behalve de algemene voorschriften , welke hiervoor zijn genoend , nog het volgende voorschrift : De afstand t ot een woning ten behoeve waarvan het reservoir in gebruik is , mag 1 meter bedragen , mi t s elke naar het reservoir gekeerde wand van de wo· · -- - - -·. .!7 ning d ic ht en van een brandwerende konstrukt ie is -seh ooït l .' '- � c _ Offset nr . H . P. Dic t : vdW Typ : WB C ol l :

�-

van

en \ ,

1 ;) - &.______

, .yc.,

1 - ,

\.....

Provincie Noord-Brabant

Begeleidingsformulier mandaatstuk Uiterste verzenddatum:

Disnummer:

8 nov. 2005

967129

Portefeuillehouder:

Programma:

mw. drs. J.M .P. Moons

Groene Wetten

Directie/bureau:

Begrotingsproduct:

DI S

GEREGISTREER,

Ecologie/Natuur en Landschap Auteur:

Telefoon:

EJ. Deckers

(073) 68 1 2 1 38

Onderwerp: Natuurbeschermingswet Deurnse Peel, vergunningplichtige situatie

Voorstel + beslispunten: In 2004 hebben wij van Werkgroep Behoud de Peel een melding ontvangen over een vergunningplichtige situatie (in het kader van de Natuurbeschermingswet) voor H. van bennenbroek. Tot op heden is er geen (complete) aanvraag ingediend. Wij handelen de melding middels een brief af en wijzen de initiatiefnemer nogmaals op zijn vergunningplicht. D.d.:

Paraaf bureauhoofd:

Paraaf medewerker (A)

�

D.d:

Paraaf directielid/directeur :

D.d.:

Paraaf portefeuillehouder:

D.d.:

DIS

Advisering andere organisatieonderdelen

Toelichting

Per 1 okt. 2005 is de nieuwe Natuurbeschermingswet 1 998 in werking getreden waardoor een nieuwe situatie is ontstaan. Lang lopende aanvragen worden nu afgehandeld met het verzoek om een nieuwe aanvraag in te dienen. Personele en organisatorische aspecten en risico's

geen lnformotiserings- en outomotiseringsospeden geen Financiële aspecten en risico's

geen Communicatie-aspecten

geen Bestuurlijk juridische /Europeesrechtelijke aspecten en risico's

geen HARDE Kopieën oon (incl. bijlagen):

USER-ID:

Noom bestonden:

- mw. EJ. Deckers (Ecologie Vl 3-04)

GROENE WmEN

l O 1 660 l afhandeling melding

/Ç /4 -:72

Coll/corr.:

- dossier

- Gemeente Deurne Postbus 3 5750 AA DEURNE - Werkgroep Behoud de Peel,

Lavendelheide 27, 5754 EA Deurne

Invullen door Postkamer Ontvangen d.d.

Bewerking:

Afwerking:

Brief verzonden d.d.:

/C;/rl( 7 /l2 �

/,,

2/2

?ro�incie Noord-Brabant

Brobontloon 1 Postbus 90 1 5 1

aan: Kop ie do ssierAfschrift eckers

5200 MC 's-Hertogenbosch Telefoon (073) 68 1 28 1 2

o E. D o Gemeente Deurne

Milieu Roba/Gijsbers De heer E. Zegers Postbus 330 5750 AH DEURNE

Fox (073) 6 1 4 1 1 1 5

P ostbus 3 E 5750 AA DEURN de Pee1 oud 0 Werkgroep Beh Lavendelheide 27 5754 BA DEURNE t dossier

info@brobont.nl www.brobont.nl Bonk ING 67.45.60.043 Postbank 1 070 1 76

VERZONDEN 1 7 NOV . 2005 Onderwerp

Datum

Afhandeling melding vergunningplicht in het kader van de Natuurbeschermingswet.

1 7 november 2005 Ons kenmerk

967 1 29/ 1 1 4 1 445 Uw kenmerk

05020 1/EZ Contactpersoon

Geachte heer Zegers,

E. Shields Directie

Op 8 januari 2004 zijn wij door Werkgroep Behoud de Peel geattendeerd op een vergunningplichtige situatie in het kader van de Natuurbeschermingswet voor uw cliënt H. Bennenbroek, voor zijn bedrijf op de Paardekopweg 9 te Deurne. De werkgroep geeft aan dat de ammoniakdepositie zou toenemen tot 20,9 mol per ha per jaar door een verandering in de bedrijfssituatie.

Ecologie Telefoon

(073) 680 86 94 Fax (073) 680 7656

Bijlage

Op 22 juni 2004 hebben wij de heer Bennenbroek u op deze vergunningplicht geattendeerd en hem verzocht om een Natuurbeschermingswetvergunning aan te vragen.

1 E-mail

Groenewetten@brobont.nl

Op 16 september 2004 hebben wij van u, namens de heer Bennenbroek, een conceptaanvraag N atuurbeschermingswetvergunning ontvangen. Op 28 september 2004 hebben wij u in een brief medegedeeld dat de aanvraag onvolledig is en u om aanvulling verzocht. Op 2 februari 2005 heeft u een deel van de gevraagde aanvullende gegevens aangeleverd. Op 25 februari 2005, 15 april 2005 en 28 oktober 2005 hebben wij u telefonisch verzocht om de aanvullende gegevens. Hierbij delen wij u mede dat wij deze melding van een vergunningplicht in het kader van de Natuurbeschermingswet hiermee afhandelen. Wij hebben een nieuw aanvraagformulier bijgevoegd (reeds per e-mail verstuurd) indien u een nieuwe aanvraag wilt indienen.

Het provinciehuis is vonof het centraal station bereik­ baar met stadsbus, lijn 6 1 en 64, halte Provinciehuis of met de treintaxi.

Provincie N oord-Brabant

Het eventueel in de tussentij d uitbreiden van de betrokken inrichting geschiedt geheel voor de eigen rekening en risico van uw cliënt. Indien blijkt dat de voorgenomen uitbreiding plaatsvindt alvorens een vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet is verleend, zullen wij ons beraden over eventueel handhavend optreden.

1 7 november 2005

Datum

9671 29/ 1 1 4 1 445 Ons kenmerk

Tot slot merken wij op dat per 1 oktober 2005 de nieuwe Natuurbeschermings­ wet 1998 in werking is getreden, waardoor een nieuwe situatie is ontstaan. Een afschrift van deze brief sturen wij naar: het college van burgemeester en wethouders van Deurne; Werkgroep Behoud de Peel te Deurne.

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, namens deze,

. Timmers, bureauhoofd Natuur en Landschap.

2/2

PROV. N OOR D-BRABANT

Briefnr.: d.:

YM I L I E U

RO BA/G IJ S B E R S

Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit P/a College van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant Postbus 90 1 5 1 5200 MC 's-Hertogenbosch

Onderwerp: concept-aanvraag vergunning ex art 1 2 Natuurbeschermingswet

Deurne, 1 5 september 2004 Ref.nr.: 0409 1 6/EZ

Geacht College, Namens m'n cliënt, de heer H.G. Bennenbroek, wonende en bedrij fvoerende Paardekopweg 9, 5754 PZ te Deurne doe ik u hierbij toekomen de conceptaanvraag vergunning ex art 1 2 Natuurbeschermingswet. Graag uw reactie zodat vervolgens de aanvraag definitief ingedient kan worden. met vriendelijke groet, ROBNGDSBERS Milieu B.V.

ir. E.G.A.J. Zegers tel. 0493-326030

ROBA/GIJSBERS - Milieu Florijn 4 Postbus BO, 5750 AH Deurne Tel.: 0493 32 60 30, Fax: 0493 i 1 1 CJ 39 K.v.K. 1 ï . 1 0.25 44, BTW nr. NL 80(,6.62.293 B01

�

lliii

GEMEENTE

E U RNE

Ontwerpbesluit op verzoek om milieuvergunning Aanvraag Bij ons is op I 9 maart 2003, aangevuld op 8 juli en I O november 2003, een aanvraag om milieu­ vergunning ingekomen van de heer H.G. Bennenbroek, Paardekopweg 9, 5754 PZ te Deurne voor het perceel, kadastraal bekend gemeente Deurne, sectie H, nummer 8678, plaatselijk bekend Paardekopweg 9. De aanvraag betreft een nieuwe, de gehele inrichting omvattende, vergunning zoals bedoeld in artikel 8.4 van de Wet milieubeheer, voor een fokzeugen-, vleesvarkens- en rundveehouderij. De aanvraag heeft betrekking op het uitbreiden van het vergunde aantal vleesvarkens, guste en dragende zeugen, kraamzeugen en gespeende biggen. Om de uitbreiding van vleesvarkens te kunnen realiseren wordt een nieuwe vleesvarkensstal gebouwd (stal 8) en wordt de voormalige melkkoeienstal inclusief melkstal gedeeltelijk intern aangepast voor het houden van vleesvarkens (stal 1). In stal 2 vindt aan de bestaande stal nieuwbouw plaats voor het houden van guste en dragende zeugen en gespeende biggen. De uitbreidingen zijn alle voorzien van een Groen Labelsysteem. In stal 3 worden twee afdelingen intern aangepast voor het houden van kraamzeugen op een Groen Label huisvestings­ systeem.

Daarnaast wordt een deel van de voormalige rnachineloods in gebruik genomen voor het huisvesten van melkkoeien (stal 6) en wordt de voormalige stal voor het houden van opfokzeugen in gebruik genomen als jongvee stal (stal 7). Verder is binnen de inrichting één sleufsilo verwijderd ten behoeve van de nieuw te bouwen vleesvarkensstal (stal 8). Tevens wordt de inrichting uitgebreid met een hygiënesluis, wasplaats inclusief opvangput, kadaver-koeling, mobiele kadaverplaat, opslag van genees- en reinigingsmiddelen, mestplaat, opslag van afgewerkte olie en vijf voedersilo's met een gezamenlijke inhoud van 52 ton. Er wordt vergunning gevraagd voor het houden van: TabC1 1 : aan11.evraa1de veebczelttnl!. .

Diersoort

Stalnr. Huisvestingssysteem

Aantal dieren

Aantal plaatsen

NH1-

Maximale emissiewaarde

NH1-emissie

Mve- Mve's Factor

Melk- en klafkoeien ouder dan 2 jaar

1 +6

Overige huisvestingssystemen met beweiden

36

36

Factor 9,5

9,5

342,0

-

-

\+7

Traditioneel

85

85

3,9

-

33 1 ,5

400

400

1 ,2

1 ,2

480,0

-

-

1 10

115

4,2

2,6

BB 00.06.093/BB

75

79

2,2

540

540

Overige huisvestingssystemen

3

3

Vrouwlijk jongvee tot 2 jaar Vleesvarkens

1

Guste en dragende zeugen

2

Guste en dragende zeugen

2

Gespeende biggen

2

Dekbcren

2

20036

GL BB 99.02.070 met een emitterend mestoppervlak < 0,1 8 m' Overige huisvestingssystemen met individuele huisvesting

135% koeldeksysteem (GL

97.03.054/A98 1 0.062) Mestgoot met schuine wand en ontmestingssysteem met hokoppervlak < 0,35 m2 per gespeende big (GL BD 95. 12 03 1 V I )

1 ,3

307,7

462,0

1 ,2

9 1 ,7

2 ,6

165,0

1 ,2

62,5

0,13

0,2

70,2

4,3

1 25,6

5,5

-

1 6,5

1 ,0

3,0

· 1 abel 1 : aanl(evraa de veebezetting (vervol1û Diersoort

Stalnr.

Kraamzeugen

)

Kraarrucugen

3

Huisvestingssysteem

Aantal dieren

Aantal plaatsen

NH,Factor

Maximale emissiewaarde

NH,-emissie

MveFactor

Mve's

Overige hu1svcstingssystemen

40

42

8,3

2,9

332,0

0,8

50,0

1 50% kocldcksysteem (GL

14

14

2,4

2,9

3),6

0,8

1 7,5

BO 00.06.093/88 97.01 .05 1 V I )

Gespeende biggen

3

Mestgoot met schuine wand en ontmestingssysteem met een hokoppervlak > 0,35 ml per gespeende big (GL BB 95. 1 2.0J I V I )

320

320

0,1 6

0,2

5 1 ,2

4,3

74,4

V leesvarkcns

4

Gedeeltelijk roostervloer, gehele d1erplaats ondcrkcldcrd zonder stankafsluiter met een hokl oppervlak < 0,8 m per vleesvarken

5 10

560

3,0

1 ,2

1 .530,0

1 ,0

5 1 0,0

Vleesvarkens

5

Gedeeltelijk roostervloer, gehele dierplaats onderkelderd zonder stankafsluiter met een hokl oppervlak < 0,8 m per vleesvarken

530

532

3,0

1 ,2

1 .590,0

1 ,0

530,0

Vleesvarkens

R

GL BB 99 02.070 met een emittercnd mcstoppervlak < l 0,1 8 m

480

480

1 ,2

1 ,2

576,0

1 ,3

369,2

Tot.ooi

5.980,0

2.141,6

De aangevraagde ammomaketruss1e bedraagt volgens hu1d1ge mz1chten en regelgeving 5980,0 kg per jaar. Qua stankemissie komt de aangevraagde veebezetting overeen met 2 . 1 4 1 ,6 mestvarkeneenheden (mve). Daarnaast wordt vergunning gevraagd voor: het opslaan en gebruiken van dieselolie, smeerolie en mengvoeders; het opslaan van vloeibare en vaste dierlijke mest in mestkelders en mestplaat; een werkplaats waarin diverse handgereedschappen worden gebruikt en stalling van tractoren plaatsvindt; de installaties en voorzieningen aanwezig ten behoeve van het houden fokzeugen, vleesvarkens, melkkoeien en jongvee. Ontvankelijkheid en procedure De ingediende aanvraag voldeed niet aan de in het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer gestelde eisen. De verzoeker is derhalve verzocht aanvullende informatie in te dienen, teneinde te komen tot een ontvankelijke aanvraag. De gevraagde gegevens hebben wij op 8 juli en 1 0 november 2003 ontvangen. De aangevulde aanvraag voldoet hiermee aan de gestelde eisen en is derhalve ontvankelijk. De aanvraag is volgens de wettelijke procedure ingevolge de Algemene wet bestuursrecht en de Wet mi lieubeheer in behandeling genomen.

Coördinatie Voor het realiseren van de nieuw te bouwen stallen op een Groen Label huisvestingssysteem is een bouwvergunning vereist en zijn derhalve de coördinatieregels uit de Woningwet en de Wet milieubeheer van toepassing. Hiermee wordt tevens een inhoudelijke afstemming bevorderd. In dit verband wordt opgemerkt dat ingevolge art. 20.8 Wm ons besluit om bouwvergunning te verlenen moet worden aangehouden totdat op de aanvraag om milieuvergunning is beschikt. Pas nadat de vereiste bouwvergunning is verleend treedt de milieuvergunning in werking en kan hiervan gebruik worden gemaakt. 20 036

2

Ligging De inrichting is gelegen in het buitengebied van Deurne. In de onmiddellijke omgeving van de inrichting zijn enkele (agrarische) woningen van derden gelegen. Ontsluiting vindt plaats via de Paardekopweg en Halvernaanweg. Algemene regels

lozingenbes/uit open teelt en veehouderij Het lozen van schoon regenwater afkomstig van de wasplaats op de sloot valt onder de werkingssfeer van het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij. Het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij richt zich op het voorkomen en beperken van de verontreiniging van het oppervlaktewater door emissies van meststoffen door uit- en afspoeling. Dit betekent dat met betrekking tot dit bedrijfsonderdeel moet worden voldaan aan de voorschriften die zijn gesteld in dit besluit. Besluit ozonlaagajbrekende stoffen Wms 2003 De melkkoeling bevat een koelmedium ((H)CFK) dat valt onder het 'Besluit ozonlaagafbrekende stoffen Wms 2003' (Stb. 2003, 360). Aangezien het minimaliseren van of het verbod tot de uitstoot van stoffen die de ozonlaag aantasten reeds in dit besluit zijn geregeld zijn hieromtrent geen voorschriften opgenomen in deze vergunning. Vergunningssituatie

Voor de onderhavige inrichting hebben wij op 29 september 1998 een revisievergunning (kenmerk 97B034) ingevolge de Wet milieubeheer verleend. Op 12 november 2002 hebben wij een verklaring afgegeven (kenmerk 19 695) voor een melding artikel 8.19 Wet milieubeheer. Deze melding heeft betrekking op het aanbrengen van dichte vloerelementen op de bestaande roosters in de vleesvarkens­ stallen 4 en 5, het plaatsen van een opvangput voor percolaatvocht afkomstig van de sleufsilo, het aanleggen van een hydrofoorinstallatie en het wijzigen van de indeling c.q. uitvoering van de machineberging. Er is vergunning verleend voor het houden van: l abel 2: verRundc veebezetun Diersoort

Melk- en klaf-koc1en ouder dan 2 Jaar

Aantal plaatsen

NH1Factor

Maximale emissiewaarde

Overige huisvcstingssystemen met beweiden

76

76

9,5

9,5

Traditioneel

45

45

3,9

-

115,S

-

Ovcnge huisvcstingssystemen met individuele hu1svestmg

1 10

1 15

4,2

2,6

462,0

1 .2

9 1 .7

15

16

2,4

2,6

36,0

1 ,2

12,5

2

2

5,5

1 1 ,0

1 ,0

2,0

40

-

42

8,3

2,9

332,0

0,8

50,0

1 50

1 60

0,16

0,2

24,0

4,3

34,9

Huisvestingssysteem

1

Vrouwlijk jong-vee lOl 2 Jaar

1

Guste en dragende zeugen

2

Guste en dragende zeugen

2

Dckberen

2

Kraarnzcugen

3

Gespeende biggen

3

2 0 OJ6

Aantal dieren

Stal nr.

Smalle ondiepe rncstkanalen met metalen driekant-roosterlocr en riolerings-systeem (GL 88 95.02 .027V I ) Ovenge hu1svcstmgssystemen

Ovenge hu1svestmgssystemen

Mcstgoot met schuine wand en ontmcstingssysteem met hokoppervlak > 0,35 m2 per gespeende big (GL 88 95.12.03 1V I )

NH 1-cmissie

Mve-

Mve's

Factor 722,0

-

-

3

Tabel 2. veniunde veebe,ellml!. (vervolR) Aantal plaatsen

NH,Factor

Maximale emissiewaarde

N H ,-emissie

MveFactor

Mve's

Me,tgoul met schuine wand 300 en ontmestings-systeem met hokopper-vlak < 0,35 m2 per ge-speende hig (GL DB 95.12.oJ I V I )

320

0,13

0,2

39,0

4,3

69,8

4

Gedeeltelijk roostervloer, gehele daerplaats onderkelderd zonder stankafsluiter met een hokoppervlak < 0,8 m2 per vleesvarken

510

560

3,0

1 ,2

1 .530,0

1 ,0

5 1 0,0

Vleesvarkens

5

(lcdeehelijk roostervloer, gehele dierplaats onderkcldcrd zonder slllnkaC,luiler mei een hokoppervlak < 0,8 m' per vleesvarken

530

532

3,0

1 ,2

1 590,0

1 ,0

530,0

Opfokzeugen

7

Overige huisvcstingssystemen

27

31

3,5

1 ,2

94,5

1 ,0

27,0

Diersoort

Stalnr

Huisvestingssysteem

Gespeende biggen

3

Vleesvarkens

Aantal dieren

Totaal

-

5.016,0

1 .327,9

De vergunde ammoniakemissie bedraagt volgens huidige inzichten en regelgeving 5.01 6,0 kg per jaar. Qua stankemissie komt de vergunde veebezetting overeen met 1 .327,9 mestvarkeneenheden (mve). Beoordeling Groen Labelsystemen De nieuw aangevraagde Groen Labelsystemen BB 99.02.70 in de vleesvarkensstallen 1 en 8, BB 00.06.093/BB 97.03. 54/A98. 10.062 in de stal 2 voor het houden van guste en dragende zeugen, BB 95 . 1 2.03 1 V I in de stal 2 voor het houden van gespeende biggen en BB 00.06.093/BB 97.0 l .05 1 V l in stal 3 voor het houden van kraamzeugen, zijn technisch beoordeeld of aan de eisen van het betreffende Groen Labelsysteem wordt voldaan. Uit de beoordeling is gebleken dat de voorgestelde systemen BB 99.02.070 in stal 1 , BB 00.06.093/BB 97.03 .54/A98 . 1 0.062 en BB 95.1 2.03 1 V l in stal 2 voldoen aan de voorwaarden. Met betrekking tot het voorgestelde systeem BB 99.02.070 in stal 8 wordt aan de voorwaarden voldaan, mits: een eventuele schuine wand in het mestkanaal tegen de achterwand een helling heeft van minimaal 60 ° ten opzichte van de putvloer. Met betrekking tot het voorgestelde systeem BB 00.06.093/BB 97.0 1 .0S l V l in stal 3 wordt aan de voorwaarden voldaan, mits: de lamellen zijn geplaatst onder een hoek van 90 graden en zijn opgehangen in een drijvend frame. In bij lage I zijn de voorwaarden behorend bij het aangevraagde Groen Labelsysteem opgenomen.

Aangezien bij de eindcontrole niet meer alle essentiële voorwaarden aan de systemen gecontroleerd kunnen worden, zijn voor de bouw van het Groen Labelsystemen "meldmomenten" ingevoerd. Deze meldmomenten zijn aangegeven in bijlage 1, hoofdstuk M, onder de subparagraaf "Controle tijdens de bouw". Indien deze meldmomenten niet in acht worden genomen en het Groen Labelsysteem niet meer te controleren is, kunnen de betreffende emissiefactoren niet meer worden gewaarborgd. De vergunninghouder zal zelf deze meldmomenten in acht moeten nemen, zodat duidelijk blijft dar een Groen Labelstalsysteem aan de voorwaarden voldoet. Het vergunde Groen Labelsysteem BB 95 . 1 2.03 1 V l voor gespeende biggen in stal 3 is destijds door Bureau TES beoordeeld en akkoord bevonden. Aangezien zich met betrekking tot dit stalsysteem wijzigingen hebben voor gedaan ten opzichte van de vergunde situatie, is het systeem opnieuw 20 03(>

4

_

=====

===:) � _] De===

Po � o� rd� ek� op � w� egL_________ ------ -----� ------- ---------., �-

]D D

Situatie:

gemeente sectie nummer(s) Schaal

: Deurne : H : 8678 : 1 : 2000

(sehoort bij de aa nvraag verg u n n i ng Wet Milieubeheer d . d . :/-/) - o Ha ndteke n i n g a a nvrager:

'

: Varkensbedrijf : aan de Paardekopweg 9 te Deurne

(Project

Opdrachtgever : H. Bennenbroek

: Paardekopweg 9 : 5754 PZ Deurne : 0493-52957 4 /,

______ Onderdeel

y

: Millieutekening

� �nuu1J ,.n8

RO BA/v.d .BEEK

E \ B OU W A D V I E S B U R

1 0 NOV. 2003

AU

2O

YDotum Gewijzigd

0 3 6

Tekenaar Contactpersoon

1 1 -03-2003Î

PJCB E. Zegers

Florijn 4 Postbus 330 School 1 :200/1 :2000 5750 AH Deu rne Formaat AO T 0493-326030 Blad 01 /02 . r n MV02:37 . j F 0493- 3 1 1 939 o 1 Pr 1 roe p.n� E robovdbeek@robo g 0 ROBA/v.d.BEEK e.v. )

H.

BENNENBROEK

0493

529574

PAG I NA :

1

Ootwerpbeslglt 2P verzoek om gedeeltelijke lgtrekklna yap eeg mUleuvergupntgg Verzoek Bij ons is op 1 8 november 2004 een verzoek ingekomen van F.G. van de Beek, Goorsebergweg 1 1 , 5752 PX te Deurne, om de milieuvergunning voor het perceel, kadastraal bekend gemeente Deurne, sectie H, nummer 9033, plaatselijk bekend Goorsebergweg 1 1 te Deurne, gedeeltelijk in te trekken voor het houd�n van: 1 stuks vrouwelijk jongvee, jonger dan 2 jaar, ten behoeve van de uitbreiding van het bedrijf �n de heer H. Bennenbroek, Paardenkopweg 9, 5754 PZ te Deurne; 1 stuks vrouwelijk jongvee, jonger dan 2 jaar, ten behoeve van de uitbreiding van het bedrijf van de heer M. Kuunders, Oude Kerkbaan Ja te Milheeze; 1 stuks vrouwelijk jongvee, jonger dan 2 jaar, ten behoeve van het bedrijf van Backus van Dijck, Meerselsepeel 8 te Ysselst.eyn; .2 stuks vrouwelijkjongvee, jonger dan 2 jaar, ten behoeve van het bedrijf van Mts. Backus, Meerselsepeel 7a te Ysselsteyn . Overwegingen Vergu11de veebezetting Het vermek wordt aangemerkt als een verzoek zoals bedoeld in artikel 8.26 van de Wet milieubeheer. Voor het bedrijf aan de Goorsebergweg 1 1 verleenden wij op 12 maart 2003 een milieuvergunning, kenrnerkl9 570, voor het houden van 1 10 melk- en blfkoeien, 225 stuks vrouwelijkjongvee, jonger dan 2 jaar, 148 zoogkoeien en 3 volwassen paarden.

De afname van het aantal te houden vrouwelijk jongvee, jonger dan 2 jaar, en de daarmee samenhangende

ammoniakemissie zal enkel gunstige gevolgen hebben voor het milieu.

Door aan dit besluit voorschriften te verbinden wordt gewaarborgd dat het belang van de bescherming van het milieu zich niet tegen de intrekking van de vergunning verzet.

AFSCHRIFT

20 765

/E-t21 t

-

Burg�ster en wethouders van Deurne besluiten

de miJjeuvergunning voor de inrichting aan de Goorsebcrgweg 1 1 te Deurne1 verleend op 12 maart 2003, kenmerk 19 570, gedeeltelijk in te trekken voor het houden van 5 stuks vrouwelijk jongvee, jonger dan 2 jaar, onder de volgende voorwaarden: 1. Uiterlijk drie maanden na. het van kracht worden van dit besluit dienen de dieren, waarvoor bij dit besluit de vergunning wordt ingetrokken, uit de inrichting te zijn verwijderd. 2. Uiterlijk vier maanden na het van kracht worden van dit besluit moeten de dicrplaatsen ten behoeve van het houden van 5 stuks vrouwelijkjongvee, jonger den 2 jaar, ongeschikt te zijn gemaakt voor het houden van dieren; de hokinrichtingen en voedergelegenheid moeten zijn verwijderd.

Delll'DC, 1 1 januari 2005

Burgemeester en wethouders van Deurne, namens deze, teamleider Bouwen, Wonen en Milieu

(ing. W. Schenk)

,·

BEGELEI Dl NGSFORM ULI ER MAN DAATSTU K X Uiterste verzenddatum:

Disnr:

29 september 2004

�

('0266

lo.tfló l �

.-----,

Portefeuillehouder

: L. Verheijen

Beleidsonderdeel

: Natuurbeschermingwet

Directie/bureau

: Ecologie /Beleid en Uitvoering

Telefoon

: 8775

Auteur

: EJ. Deckers

DI S

GEREGISTREERD

Onderwerp Concept-aanvraag Natuurbeschermingswe�vergunning artikel 1 2

Deurnse Peel

Voorstel + beslispunten " - ,oek om concept-aanvraag aan te vullen aan: IA/GUSBERS namens H.G. Bennenbroek te Deure, Paardekopweg 9, 5754 PZ. Paraaf Bureauhoofd

Afdelingshoofd

id.

d.d.

tnltit.v A

Portefeuillehouder

d.d.

d.d.

Financiële consequenties Bedrag verplichting/toek.vordering : Bedrag uitgave(n)/inkomst(en)

Diens�aar

1-----------i

excl. BTW

1-----------i

excl. BTW

Productnummer: code SAP/R3

Begrotingspost �iene) prognose uitgaven/inkomsten dienstjaar Kopieen aan : auteur

dossier

(herziene) prognose volgend jaar(en)

USER-1D

EDECK

Naam bestanden

l 026889 verzoek om aanvulling Bennenbroek

Overige aanwijzingen tbv Tekstverwerking

-.. DEN 2 9 ,SE\t.� 2004 Invullen door Postkamer

Ontvangen d.d. Bewerking Coll/corr.

Advisering andere organisatieonderdelen

Achtergrond

lnformatiserings- en automatiseringsaspecten

Communicatie-aspecten

Financiële aspecten en risico's

Personele en organisatorische aspecten en risico's

Bestuurlijk juridische aspecten en risico's Europeesrechtelijke aspecten en risico's

Afwerking Brief verzonden d.d.

r

Provincie Noord-Brabant

Brabantlaan 1

Postbus 90151

5200 MC 's­

Hertogenbosch

Telefoon (073) 681 28 12 Fax (073) 6 1 4 1 1 1 5

info@brabant.nl

Milieu ROBA/GijSBERS Ir. E.G.AJ. Zegers Postbus 330 5750 AH DEURNE

www.brabont.nl

Bank ING 67.45.60.043

VERZONDEN . 2 9 SEP. 200't Onderwerp

Concept-aanvraag vergunning ex art. 12 Natuurbeschermingswet Deurnse Peel

Datum

28 september 2004

Ons kenmerk

1026869/1 028613 Uw kenmerk

Geachte heer Zegers, Hierbij vragen wij uw aandacht voor het volgende. Op 16 september 2004 hebben wij uw concept-aanvraag ontvangen namens H.G. Bennenbroek, Paardekopweg 9, 5754 PZ te Deurne. Hierbij delen wij u mede dat de concept-aanvraag niet compleet is. Wij verzoeken u ons de volgende gegevens te overleggen: een kopie van de milieuvergunning uit 19 74; een kopie van de gedeeltelijk intrekking milieuvergunning van de Paardekopweg 1O; een kopie van de gedeeltelijke intrekking milieuvergunning van de Goorsebergweg 1 1 te Deurne. Uw definitieve aanvraag zien wij zo spoedig mogelijk in 4-voud tegemoet. Mocht u nog vragen hebben dan kunt u contact opnemen met mevrouw R. Lucassen, telefoonnummer 073-6808750.

0409 1 6/EZ

Contactpersoon E. Deckers

Directie

Ecologie

Telefoon

(073) 6 8 1 2138

Fax

(073) 680 7656

Bijlage(n) E-mail

Edeckers@brabont.nl

Rlucassen@brabant.nl

Afs chrift A ur Doss ier

� u te

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,

BJ.M. Timmers, bureauhoofd Beleid & Uitvoering (Natuur en Landschap)

092804as6

Het provinciehuis is vanaf het centraal station bereik­ baar mei stadsbus, lijn 61 en 64, halte Provinciehuis of met de treintaxi.

Bennenbroek-Knoops V.O.F. Vaalbaan 1 in Heusden

Onderzoek geurhinder en luchtkwaliteit

Opdrachtgever Naam

:

Bennenbroek-Knoops V.O.F.

Postadres

:

Vaalbaan 1 in Heusden

Rombou Bezoekadres

:

Jufferenwal 30, 8011 LE Zwolle

Postadres

:

Postbus 432, 8000 AK Zwolle

Datum

:

13 september 2022

Status

:

concept

Projectnummer

:

6610685056

Projectleider Telefoon

: :

S. van Summeren 088 236 82 36

E-mail

:

info@rombou.nl

Inhoudsopgave 1 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5

WETTELIJK KADER Wet geurhinder en veehouderij Geuremissie en geurimmisie Verschillende beoordelingen Achtergrondbelasting Geurbelasting versus geurhinder

3 3 4 5 5 5

2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5

GEURBEREKENINGEN Geuremissies Geurhinder Voorgrondbelasting Achtergrondbelasting Beoordeling woon- en leefklimaat

7 7 7 8 9 10

3

LUCHTKWALITEIT (FIJNSTOF)

11

4

CONCLUSIE

12

BIJLAGEN 1. 2. 3. 4.

Berekeningen voorgrondbelasting Berekeningen achtergrondbelasting Veehouderijgegevens Berekening luchtkwaliteit

2

1 Wettelijk kader 1.1 Wet geurhinder en veehouderij In de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) staan standaard, landelijk geldende, normen voor de maximale geurbelasting die veehouderijen mogen veroorzaken en minimale afstanden tussen stallen en geurgevoelige objecten. Deze normen moeten worden toegepast bij het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een veehouderij. Hoe de geurbelasting en afstanden moeten worden bepaald is nader uitgewerkt in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv). De normen voor de geurbelasting en de afstand gelden op of tot de rand van geurgevoelige objecten (bijvoorbeeld de gevels van woningen). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks Vergunning. Dit verspreidingsmodel geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Rgv. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. Een gemeenteraad is bevoegd om bij gemeentelijke geurverordening te bepalen dat binnen een deel van het grondgebied van de gemeente een andere norm voor de geurbelasting of een andere afstand van toepassing is. De gemeente Asten heeft een geurverordening vastgesteld. Op 9 maart 2021 heeft de gemeenteraad van Asten een gewijzigde geurverordening vastgesteld, de “Verordening geurhinder en veehouderij Asten 2020”.

De maximale geurbelasting volgt uit de bij de verordening behorende Geurnormenkaart (zie hierna). Op de gevel van geurgevoelige objecten in het buitengebied (lichtgroen) mag de geurbelasting maximaal 10,0 odour units per kubieke meter lucht bedragen. De maximale geurbelasting in een zone rond de bebouwde kom van Heusden (gearceerde gebied) is 5,0 odour units per kubieke meter lucht. In de bebouwde kom van Heusden (rood) mag de geurbelasting op een geurgevoelig object maximaal 0,5 odour units per kubieke meter lucht bedragen.

3

Vaalbaan 1

Afbeelding 1: Geurnormenkaart Verordening geurhinder en veehouderij Asten 2016

Voor een (melk)rundveehouderij met melkkoeien en/of jongvee (categorieën A1 en A3 uit de Regeling geurhinder en veehouderij) geldt minimale afstand tussen de het emissiepunt van de rundveestal en een geurgevoelig object - niet zijnde bedrijfswoningen bij een andere veehouderij en/of voormalige agrarische bedrijfswoningen die na 19 maart 2000 onderdeel uitmaakten van een veehouderij. Die afstand is afhankelijk van het aantal melkkoeien + aantal stuks jongvee gedeeld door 2. Tot 300 gelden de normafstanden uit de Wet geurhinder en veehouderij: 50 meter tot een geurgevoelig object in het buitengebied en 100 meter tot een geurgevoelig object in het buitengebied. Vanaf 301 gelden grotere afstanden, maar gezien de relatief grote afstand tot burgerwoningen in het buitengebied (240 meter), het gearceerde gebied rond Heusden (circa 3 kilometer) en de bebouwde kom van Heusden (circa 4 kilometer) vormt de geurverordening geen belemmering voor het aantal te houden melkkoeien en jongvee. In het hiernavolgende hoofstuk worden de normen en afstanden die in dit onderzoek van toepassing zijn nader toegelicht. 1.2 Geuremissie en geurimmisie De geuremissies worden uitgedrukt in Europese odour units (Europese geureenheden) per tijdseenheid: ouE/s. Deze geuremissies zijn bepaald op basis van metingen aan de geurconcentraties uit stallen.

De emissiefactoren per dier staan weergegeven in bijlage 1 van de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv). De geurbelastingen (geurimissies) worden uitgedrukt in odour units per kubieke meter lucht: ouE/m3. Hiermee wordt het 98-percentiel van de geurconcentratie bedoeld. Dat is de geurconcentratie, berekend met een verspreidingsmodel, welke gedurende 2 procent van de tijd wordt overschreden.

4

1.3

Verschillende beoordelingen

1.3.1 Voorgrondbelasting Met behulp van verspreidingsmodellen kan de geurbelasting vanuit dierenverblijven op geurgevoelige objecten worden berekend. De geurbelasting van een individuele veehouderij wordt ‘voorgrondbelasting’ genoemd. De geurbelasting is afkomstig van dieren waarvoor in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) een emissiefactor is vastgesteld, zoals varkens, vleesvee, pluimvee, schapen en geiten. De maximaal toegestane geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten is afhankelijk van de ligging (binnen of buiten de bebouwde kom). De normen uit de “Verordening geurhinder en veehouderij Asten 2020” zijn opgenomen. Bij het beoordelen van vergunningaanvragen is voor het bepalen van de geurbelasting het gebruik van het verspreidingsmodel V-Stacks Vergunning versie 2020 verplicht voorgeschreven. Hiermee kan op vooraf ingegeven locaties de geurbelasting worden berekend. Voor geurgevoelig objecten bij een andere veehouderij (zoals de bedrijfswoning) geldt de maximale geurbelasting niet, maar gelden er vaste afstandsnormen (zie hieronder). Dat geldt ook voor geurgevoelige objecten die tot 19 maart 2000 nog onderdeel waren van een andere veehouderij. 1.3.2 Achtergrondbelasting De normen op grond van de Wgv gelden voor de geurbelasting van een individuele veehouderij.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Asten&id=55e4a73c-469d-406e-942d-6894f0c40e0d