RU22.05.09 G Bijlagen bij toelichting 11 tm 18.pdf
Tekst van het document
5.3
Geluid
Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient op basis van de Wet geluidhinder onderzocht te worden of sprake is van een acceptabel geluidsniveau, in het bijzonder in verband met verkeer en bedrijven. In de Wet geluidbeheer is bepaald dat ten aanzien van zogenaamde 'geluidsgevoelige objecten' wettelijke eisen gelden ten aanzien van de maximale belasting. Met het planvoornemen worden drie nieuwe geluidgevoelige objecten toegevoegd in de vorm van woningen. Alledrie de woningen dienen te worden getoetst op de vereisten uit de Wet geluidhinder. 5.3.1 Wegverkeerslawaai Omdat het plangebied in de geluidzone van de Meijelseweg ligt, is door Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V. een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. De rapportage bij dit onderzoek is toegevoegd als Bijlage 5 (rapportnr. M197489.012.006.001/GGO) bij deze ruimtelijke onderbouwing. In dit akoestisch onderzoek is de beoogde woning in dit bestemmingsplan gezamenlijk getoetst met de overige woningen, die in het kader van de gebiedsgerichte aanpak worden opgericht langs de Meijelseweg. De woningen die deel uitmaken van deellocatie Meijelseweg 66a, zijn in het onderzoek aangemerkt als woning 2 t/m 4 (g 02 t/m g 04).
34
Meijelseweg 66a, Heusden
Conclusies met betrekking tot de Wet geluidshinder Wet geluidhinder: Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB met 1 dB wordt overschreden voor de westelijke woning (woning 2) en de oostelijke woning (woning 4). Woning 3 staat wat dichter op de weg, waardoor de voorkeursgrenswaarde van 48 dB met 3 dB wordt overschreden. Het aanleggen van een geluidwal of geluidscherm of het toepassen van een stiller wegdek om de geluidbelasting terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde ontmoet overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke, civieltechnische, verkeerskundige en financiële aard. Om deze reden zal onderbouwd verzocht worden hogere waarde te verlenen conform artikel 110a, lid 5 van de Wet geluidhinder. Cumulatie: Ter bepaling van de gecumuleerde waarde dient de totale geluidbelasting (exclusief aftrek artikel 110g Wet geluidhinder) te worden berekend van alle zoneplichtige (spoor)wegen, industrie en luchtvaart met een geluidbelasting boven de voorkeursgrenswaarde. In het onderhavige geval is dit niet aan de orde. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de cumulatie bepaald inclusief alle gemodelleerde geluidbronnen. Ter bepaling van de milieukwaliteit in de omgeving is deze gecumuleerde waarde getoetst aan de 'methode Miedema'.
De maximale gecumuleerde waarde, welke wordt bepaald door de Meijelseweg, bedraagt 56 dB, waarmee gesteld kan worden dat er sprake is van de kwalificatie 'matig' en daarmee dient bezien te worden of maatregelen mogelijk zijn. Daar maatregelen aan de bron en overdrachtsmaatregelen op overwegende bezwaren stuiten, dient de oplossing gezocht te worden in geluidwerende maatregelen in de gevel en/of dak. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen is een binnenniveau van 33 dB gewaarborgd. Tevens beschikt het bouwplan over een geluidluwe gevel/buitenruimte. Daarmee is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Karakteristieke geluidwering van de gevel: Met betrekking tot de westelijke en oostelijke woning (woningen 2 en 4) geldt dat de cumulatieve geluidbelasting 1 dB hoger is dan 53 dB. Er dient formeel een nader onderzoek te worden uitgevoerd ter bepaling van de geluidwering van de gevel. Het is echter aannemelijk dat een gevel van een nieuwbouwwoning een grotere geluidwering heeft dan de minimale 20 dB uit het Bouwbesluit. Derhalve is een nader onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevel niet aan de orde. Bij toepassing van standaard bouwmaterialen is een binnenniveau van 33 dB en daarmee een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd.
Aangezien de cumulatieve geluidbelasting een stuk hoger is dan 53 dB voor de middelste woning (woning 3), dient er een nader onderzoek te worden uitgevoerd ter bepaling van de geluidwering van de gevel. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen (conform dat nader onderzoek) is een binnenniveau van 33 dB en daarmee een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd. Conclusie: Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat een hogere waarde-procedure nodig is om te kunnen voldoen aan de Wet geluidhinder. Deze hogere waarde-procedure loopt parallel aan de bestemmingsplanprocedure. In het kader van de omgevingsvergunning voor bouwen van de middelste woning,
Meijelseweg 66a, Heusden
35
dient een aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd naar de karakteristieke gevelwering van het bouwplan. Met het verlenen van deze hogere waarde, vormt het aspect wegverkeerslawaai geen belemmering voor het onderhavig plan. 5.3.2 Industrielawaai Aan de overzijde van de Meijelseweg ligt, op het adres Meijelseweg 39, een bestaande locatie voor een paardenkliniek, die net als de voorliggende ontwikkeling deel uitmaakt van het bestemmingsplan 'Verzamelplan gebiedsgerichte aanpak leegstand'. Op de locatie wordt met het voorliggend bestemmingsplan een hondenkennel en -pension mogelijk gemaakt. Er dient sprake te zijn van voldoende functiescheiding tussen de hondenkennel en de op te richten woningen. Vanuit ruimtelijk oogpunt vormt de locatie Meijelseweg 39 tezamen met de omliggende locaties (waaronder de Meijelseweg 66a) een bebouwingsconcentratie, waarbinnen wordt gestreefd naar een omgeving waar overwegend sprake is van wonen. Binnen de bebouwingsconcentratie staat de gemeente Asten bedrijvigheid toe, ondergeschikt aan de woonfunctie van het cluster en qua uitstraling passend binnen een 'rustige woonomgeving'. De gemeente Asten vindt vanuit deze overweging functies tot maximaal milieucategorie 2 ruimtelijk inpasbaar in het gebied.
Om aan te tonen dat de voorgenomen activiteiten van de hondenkennel en -pension kunnen worden beschouwd als zijde een activiteit met milieucategorie 2, is de geluiduitstraling van de voorgenomen activiteit buiten de inrichting onderzocht. In het kader van de 'Milieuzonering nieuwe stijl' van de VNG, kan worden gemotiveerd welke akoestische uitstraling gelijk staat aan milieucategorie 2. Voor een milieucategorie 2-acitiviteit in een rustige woonomgeving hoort een maximale akoestische uitstraling van 45 dB(A) op 30 m vanaf de terreingrens. Op basis van het uitgevoerde akoestisch onderzoek kan worden gesteld dat op 30 m wordt voldaan aan deze vereiste. De akoestische maatregelen die daarvoor nodig zijn, zijn tevens juridisch geborgd in het bestemmingsplan. Dit is nader gemotiveerd in de ruimtelijke onderbouwing voor de locatie Meijelseweg 39, die als bijlage bij de toelichting onderdeel uitmaakt van het voorliggend bestemmingsplan. Voor alle omliggende gevoelige objecten wordt voldaan aan de richtafstand van 30 m, waarmee wordt aangetoond dat sprake is van voldoende functiescheiding en een goed woon- en leefklimaat. De nieuwe woningen, die worden opgericht op de locatie Meijelseweg 66a, liggen op minstens 53 m van de gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - hondenkennel en -pension'.
Er is sprake van voldoende functiescheiding en een goed woon- en leefklimaat ter plekke van de nieuwe woningen in het kader van industrielawaai kan worden gegarandeerd. 5.3.3 Conclusie Met inachtneming van de noodzakelijke hogere waarde-procedure voor de nieuwe woningen, kan uit het voorgaande worden geconcludeerd dat het aspect geluid, voor zowel wegverkeerslawaai als industrielawaai, geen belemmering vormt voor het voorliggend plan.
5.4
Geur
De wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is op 1 januari 2007 in werking getreden. Met de Wet geurhinder en veehouderij geldt één toetsingskader voor vergunningplichtige veehouderij in de gehele gemeente. Voor niet vergunningverplichte veehouderijen en overige agrarische niet vergunningplichtige bedrijven is het Activiteitenbesluit het toetsingskader. De Wet geurhinder en veehouderij bevat normen en afstanden die bedrijven moeten aanhouden ten opzichte van geurgevoelige objecten. Daarnaast geeft de Wet geurhinder en veehouderij gemeenten de beleidsvrijheid om maatwerk te leveren dat is afgestemd op de ruimtelijke en milieuhygiënische feiten en omstandigheden in een concreet gebied en de gewenste (toekomstige) ruimtelijke inrichting. Ter plaatse van geurgevoelige
36
Meijelseweg 66a, Heusden
objecten dient sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat. Met dit plan wordt een geurgevoelig object in de vorm van een Ruimte-voor-Ruimtewoning gerealiseerd. De meest nabijgelegen veehouderij ligt op een afstand van ca. 110 m van het plangebied. Vanwege de aanwezigheid van een groot aantal veehouderijen in de omgeving van het plangebied is sprake van een cumulatie van geur. Er is een geuronderzoek uitgevoerd voor het gehele projectgebied van de gebiedsgerichte aanpak leegstand. Dit geuronderzoek is toegevoegd als bijlage bij de toelichting van het bestemmingsplan 'Verzamelplan gebiedsgerichte aanpak leegstand'. Geuronderzoek: Voor het aspect geur voldoet de achtergrondbelasting in de beoogde situatie ter plaatse van de Ruimte-voor-Ruimte woningen en de beoogde woonbestemmingen aan de streefwaarde voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat van de gemeente Asten. (...) Voor alle woningen geldt dat in de beoogde situatie alleen de vaste afstanden uit de Wgv en de gemeentelijke geurverordening van toepassing zijn en dat op ale locaties hieraan wordt voldaan. Er is geen sprake van een omgekeerde werking, aangezien alle locaties voldoen aan de wettelijke minimumafstand tussen de emissiepunten van dierenverblijven en buitenzijde van de woning en de (voormalige) bedrijfswoningen en RvR-woningen in de beoogde situatie geen ‘normobjecten’ zijn in de zin van de Wgv.
Ter plekke van de Meijelseweg 66a en de twee Ruimte-voor-Ruimtewoningen wordt een achtergrondbelasting tussen 15,4 en 15,8 ouE/m3 berekend. In de Gebiedsvisie Verordening geurhinder en veehouderij hanteert de gemeente Asten een achtergrondbelasting tot en met 20 ouE/m3 als aanvaardbaar. Daarmee is voor de planlocatie sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De voormalige bedrijfswoning bij de veehouderij en de Ruimte-voor-Ruimtewoningen vormen geen belemmering voor omliggende bedrijven, omdat de afstand tot de dichtstbijzijnde veehouderij respectievelijk 158, 177 en 193 m bedraagt (Kokmeeuwenweg 2). Er wordt geconcludeerd dat het aspect geur geen belemmering vormt voor onderhavig plan.
5.5
Externe veiligheid
Externe veiligheid heeft betrekking op het risico dat een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijke besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen" (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb). Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden.
De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in activiteiten waarmee sprake is van toevoeging van veiligheidsrisico's voor de omgeving. Het plan voorziet wel in het toevoegen van twee kwetsbare objecten. Daarnaast wordt bestaande (mogelijkheid tot het oprichten van een) bedrijfswoning omgezet van een beperkt kwetsbaar object in een kwetsbaar object. Het aantal personen dat verblijft binnen het plangebied neemt toe. Aangezien het bestemmingsplan het oprichten van een nieuw beperkt kwetsbaar object mogelijk maakt, dient te worden getoetst aan de geldende toetsingskaders (Bevi, Bevt en Bevb). Om de risicobronnen te inventariseren is de risicokaart beschouwd.
Meijelseweg 66a, Heusden
37
Uitsnede risicokaart met ligging van het plangebied Risicovolle inrichtingen (Bevi): Uit de risicokaart (www.risicokaart.nl) blijkt dat in het plangebied noch in de directe omgeving daarvan sprake is van een plaatsgebonden risicocontour 10-6 of een veiligheidsafstand tot een risicovolle inrichting. Verder geldt dat het plangebied buiten het invloedsgebied van Bevi-bedrijven ligt. Transport gevaarlijke stoffen (Bevt) en leidingen (Bevb): Uit de risicokaart blijkt dat het plangebied buiten het invloedsgebied van wegen, spoor en/of buisleidingen ligt. Het aspect externe veiligheid vormt derhalve geen belemmering voor de planontwikkeling.
5.6
Luchtkwaliteit
In het kader van een planologische procedure moet worden aangetoond dat voldaan wordt aan wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij moet het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling als ook de toetsing aan de Wet luchtkwaliteit in beeld worden gebracht. In hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna ook: Wmb), zijn de belangrijkste bepalingen inzake de luchtkwaliteit opgenomen. Dit hoofdstuk staat ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Het doel van titel 5.2 Wmb is om de mensen te beschermen tegen de negatieve gevolgen van luchtverontreiniging op hun gezondheid. In de wet- en regelgeving zijn de richtlijnen uit de Europese regelgeving opgenomen, waaraan voorgenomen ontwikkelingen dienen te voldoen. 5.6.1 Bijdrage van de ontwikkeling aan de luchtkwaliteit Indien een project aangeduid kan worden als Niet in betekende mate (NIBM) vormen de luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid van een bestuursorgaan ex artikel 5.16 Wm. In het besluit NIBM (niet in betekenende mate) wordt gesteld dat een project NIBM is wanneer het aannemelijk is dat het een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2).
Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. Het plan voorziet in de beëindiging van het agrarisch bedrijf gericht op de veehouderij. Als gevolg van het beëindigen van de varkenshouderij zal sprake zijn van een afname van 184 kg PM1 0/jaar. Daarbij betreft de voorgenomen ontwikkeling het planologisch mogelijk maken van drie woningen. De ontwikkeling is aan te merken als NIBM en hoeft daarom niet nader getoetst te worden aan de Wet milieubeheer.
38
Meijelseweg 66a, Heusden
5.6.2 De luchtkwaliteit ter plekke van de voorgenomen ontwikkeling Toetsingskader: Naast het feit dat de bijdrage van de ontwikkeling zelf aan de concentraties PM10 en NO2 , dient te worden beschouwd of ter plekke van de woning Veghelsedijk sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast mag de ontwikkeling niet leiden tot een belemmering van de omliggende veehouderijen. In de veehouderijsector is voornamelijk de emissie van fijn stof (PM10) bepalend voor de luchtkwaliteit op de omgeving. De wettelijke normen (Wet milieubeheer) voor PM10 zijn: Jaargemiddelde concentratie 40 µg/m3 Maximaal 35 overschrijdingsdagen van 50 µg/m3 De provincie hanteert in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant een jaargemiddelde concentratie van 31,2 µg/m3 als norm. Bij PM2,5 zijn de fijnstof deeltjes kleiner dan 2,5 micrometer. Fijnstof met een diameter kleiner dan 2,5 µm (PM2,5) is een deel van fijnstof met een diameter kleiner dan 10 µm (PM10). De concentratie PM2,5 kan nooit groter zijn dan de concentratie PM10. De Europese aanpak van PM2,5 richt zich op vermindering van concentraties in stedelijke gebieden. Bij veehouderijen is alleen de jaargemiddelde grenswaarde van 25 µg/m3 van belang. Als de luchtkwaliteit bij een veehouderij aan de PM10 normen voldoet, dan geldt dit ook voor de PM2,5 normen.
Daarbij ligt de achtergrondconcentratie voor PM2,5 in Nederland ruimschoots onder de grenswaarde (Bron: Handreiking fijn stof en veehouderijen 21 september 2015, Infomil). Naast de wettelijke normen heeft de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) gezondheidskundige advieswaarden voor fijnstof. Het gaat hier om waarden waarop beleid zich zou moeten richten (inspanningsplicht) om schadelijke gevolgen voor de volksgezondheid en/of het milieu te vermijden, te voorkomen of te verminderen. De geadviseerde streefwaarde stelt een jaargemiddelde van 20 µg/m3. Meijelseweg 66a: In het kader van dit bestemmingsplan is een onderzoek geur, fijnstof en endotoxinen uitgevoerd. Het onderzoek is toegevoegd als bijlage bij het verzamelplan, waar de voorliggende ontwikkeling deel van uitmaakt. De conclusies in het kader van fijnstof voor de locatie Meijelseweg 66a zijn onderstaand weergegeven: Het RIVM berekent jaarlijks de achtergrondbelasting vanuit fijnstof en publiceert deze in de Grootschalige Concentratiekaarten Nederland (GCN-kaart). Op deze kaarten is de bijdrage van bestaande veehouderijen meegenomen in de achtergrondconcentratie.
Deze kaarten volstaan daarmee als indicatie voor het woon- en leefklimaat fijnstof, met de noot dat de veehouderijen die met het voorliggend bestemmingsplan worden beëindigd wel zijn opgenomen op deze kaart en het uitvoeren van een beoordeling op basis van de GCN-kaart daarom een worst-case beoordeling is. Uit de Grootschalige Concentratiekaart Nederland (GCN-kaart) van het RIVM volgt dat de huidige achtergrondconcentratie in 2019 op de locatie Meijelseweg 66a 25-26 µg/m3 PM10 bedraagt (bron: Grootschalige Concentratiekaart Nederland). Er kan worden geconcludeerd dat de achtergrondconcentratie van fijnstof (PM1 0) ter plaatse van de Meijelseweg 33 onder de wettelijke grenswaarde van 40 µg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie blijft. De WHO-advieswaarde van 20 µg/m3 van jaargemiddelde concentratie wordt in de huidige situatie overschreden. In het uitgevoerde onderzoek is de cumulatieve fijnstofbelasting afkomstig van veehouderijen in de huidige, vergunde situatie en in de beoogde situatie doorgerekend. De achtergrondconcentratie fijnstof ter plaatse van de locatie Meijelseweg 66a neemt af ten gevolge van de beëindiging van drie veehouderijen in de directe omgeving. De beëindiging van deze veehouderijen zorgt voor het wegvallen van een cumulatieve bronbijdrage van ongeveer 7 µg/m3 .
Door deze afname door te rekenen in de achtergrondconcentratie van 2019 van 25 µg/m3 , kan aangenomen worden dat in de beoogde situatie op deze locaties de WHO-advieswaarde behaald wordt en dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Meijelseweg 66a, Heusden
39
5.6.3 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit ter plaatse voldoet voor het toekennen van een nieuwe woonfunctie. Daarmee vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor het voorliggend plan.
5.7
Gezondheid in relatie tot veehouderijen
De inrichting van de woonomgeving is van invloed op de gezondheid van de inwoners. Aspecten van volksgezondheid vormen bij de vaststelling van een bestemmingsplan een mee te wegen belang. In een bestemmingsplan kunnen maatregelen worden opgenomen vanwege gezondheidsrisico’s voor omwonenden van veehouderijen. Om de beoogde bestemmingsplanherziening mogelijk te maken dient te worden aangetoond dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat geen sprake is van aantasting van rechten van omliggende veehouderijen. In dit kader is op bestemmingsplanniveau onderzocht wat de belasting is van fijnstof en endotoxinen van de omliggende veehouderijen. Het onderzoek maakt als bijlage onderdeel uit van de toelichting van het bestemmingsplan 'Verzamelplan gebiedsgerichte aanpak leegstand'. De resultaten van het onderzoek en de afweging die daarbij gemaakt is, is terug te vinden in de toelichting van het verzamelplan. De voorgenomen herbestemming leidt niet tot een belemmering voor naastgelegen agrarische bedrijven. Daarnaast wordt geconcludeerd dat ter plaatse van de bestaande woning geen sprake is van onevenredige gezondheidsrisico's ten gevolge van fijnstof en endotoxinen. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en het aspect fijnstof en endotoxinen vormt geen belemmering voor de beoogde herbestemming en omgekeerd ook niet voor de veehouderijen in de omgeving.
40
Meijelseweg 66a, Heusden
Hoofdstuk 6 6.1
Omgevingsaspecten
Natuur
Voor de planologische procedure dient te worden vastgelegd dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de geldende natuurwetgeving. Om in beeld te brengen of de ontwikkeling in strijd is met natuurwetgeving en hoe eventuele strijdigheid met de wet voorkomen kan worden, zijn hieronder de beschermde gebieden en beschermde soorten beschouwd. 6.1.1 Beschermde gebieden Er dient aannemelijk te worden gemaakt dat het plan geen negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van Europees beschermde Natura2000-gebieden en het Natuurnetwerk Brabant (NNB). Natura 2000: De bescherming van Natura 2000-gebieden is geregeld in de Wet natuurbescherming, die de implementatie vormt van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De Natura 2000-gebieden vormen samen een Europees netwerk van natuurgebieden. Als ontwikkelingen (mogelijk) leiden tot aantasting van natuurwaarden binnen een Natura 2000-gebied, is een vergunning vereist op grond van de Wet natuurbescherming (zie artikel 2.7 en 2.8 van de Wet natuurbescherming). Op ca. 1,4 kilometer afstand vanaf de projectlocatie ligt het Natura 2000-gebied 'Groote Peel'. Negatieve effecten voor licht, geluid en trillingen ten gevolge de ontwikkeling, zijn gezien de ruime afstand, op deze Natura 2000-gebieden uit te sluiten.
Op dit moment is sprake van een varkenshouderij, die wordt beëindigd door deel te nemen aan de gebiedsgerichte aanpak leegstand. Het beëindigen van de varkenshouderij leidt tot een afname van de milieubelasting op omliggende Natura 2000-gebieden. Voor de nieuwe ontwikkeling, die met dit plan mogelijk wordt gemaakt, is beoordeeld of sprake is van effecten op omliggende Natura 2000-gebieden. Voor alle locaties die als deellocatie onderdeel zijn van het bestemmingsplan 'Verzamelplan gebiedsgerichte aanpak leegstand', is een gezamenlijk stikstofonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is bijgevoegd als bijlage bij de toelichting van het verzamelplan. Uit het onderzoek blijkt dat de ontwikkeling niet leidt tot een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Vervolgonderzoek is daarom niet noodzakelijk. Negatieve effecten ten gevolge van stikstof op de instandhoudingsdoelen van Natura2000-gebieden kunnen op basis van het voorgaande worden uitgesloten, waardoor een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming niet vereist is. Natuurnetwerk Brabant: De projectlocatie is niet gelegen binnen het Natuurnetwerk Brabant (ca. 50 m afstand). Door het realiseren van een woonlocatie in combinatie met de afstand, zullen de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Brabant niet worden aangetast. Negatieve effecten op het NNB worden uitgesloten.
6.1.2 Beschermde soorten Om in beeld te brengen of de ontwikkeling in strijd is met natuurwetgeving en hoe eventuele strijdigheid met de wet voorkomen kan worden, is door Staro Natuur en Buitengebied een quickscan flora en fauna uitgevoerd (rapportnr. P20-0434, d.d. 29 januari 2021). Hieronder zijn de conclusies van dit rapport weergegeven. Het rapport is tevens bijgevoegd als Bijlage 6 bij deze ruimtelijke onderbouwing. In het plangebied komen mogelijk verschillende soorten voor die zijn beschermd onder paragrafen 3.1, 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming. Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen plannen niet leiden tot
Meijelseweg 66a, Heusden
41
overtreding van de Wet natuurbescherming, mits: Struiken en bomen worden gesnoeid en gekapt buiten het broedseizoen van vogels. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot en met juli. Het verwijderen dient plaats te vinden buiten de overwinteringsperiode van amfibieën; van 1 maart tot 15 oktober. Dus de geschikte periode voor het verwijderen van de struiken en bomen is 1 augustus tot ongeveer 15 oktober en tussen 1 maart en 15 maart. Voorkomen wordt dat er door de werkzaamheden land- en overwinteringshabitat voor de rugstreeppad ontstaat. 6.1.3 Conclusie Het plan zal niet leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming, mits rekening wordt gehouden met bovenstaande aanbevelingen. Met inachtneming van de door de ecoloog opgestelde conclusies en aanbevelingen, kan worden gesteld dat sprake is van een uitvoerbaar planvoornemen. Uit het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het voornemen uitvoerbaar is binnen de kaders van de Wet natuurbescherming.
6.2
Archeologie
In Europees verband is als wettelijk toetsingskader het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin worden meegewogen in de besluitvorming. In de Erfgoedwet is vastgelegd dat Rijk, provincies en gemeenten in ruimtelijke plannen rekening houden met het aspect 'archeologie'. De wet beoogt het archeologische erfgoed in hoofdzaak in situ te beschermen. Om de bescherming op gemeentelijk niveau te borgen heeft de gemeente Asten in het geldend bestemmingsplan dubbelbestemmingen opgenomen. Ter plekke van de planlocatie is een dubbelbestemming opgenomen ter bescherming van eventuele archeologische resten in de bodem. Het betreft de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. Op basis van de dubbelbestemming geldt een onderzoeksplicht voor ingrepen groter dan 2.500 m2 en dieper dan 0,4 m. Het voornemen betreft de sloop van voormalige bedrijfsbebouwing, waar ter plaatse sprake is van een verstoring vanwege de aanwezigheid van mestkelders (ca. 1 m diep). Daarnaast is sprake van ongeroerde bodem waar drie woningen worden opgericht, met bijbehorende bijgebouwen en een voorziening voor waterberging.
Aangezien het bestemmingsplan mogelijkheden biedt voor het roeren van gronden boven de drempelwaarde voor archeologisch onderzoek, is door KSP Archeologie een verkennend archeologisch onderzoek uitgevoerd (rapportnr. 20881, versie 1.0, d.d. 1 maart 2021) . De resulataten van het archeologisch onderzoek zijn onderstaand weergegeven en toegevoegd als Bijlage 7 bij deze ruimtelijke onderbouwing. 6.2.1 Verkennend archeologischonderzoek Het doel van het archeologische bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. De gemeente Asten hanteert de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' aan de hand van een eerder vastgestelde archeologische verwachting. Op basis van het bureauonderzoek en het inventariserend veldwerk kan de verwachting eventueel worden bijgesteld. De bevindingen van KSP Archeologie luiden als volgt: Wat is de opbouw van de ondergrond en is het bodemprofiel intact? Uit het booronderzoek is gebleken dat mogelijk slechts een beperkte vorm van podzolisatie in het plangebied heeft plaatsgevonden en dat de podzolbodem veelal is opgenomen in de bouwvoor. Er is geen sprake van diepe bodemverstoringen op de kelders onder de stallen na.
42
Meijelseweg 66a, Heusden
Wat is de specifieke archeologische verwachting van het plangebied op basis van het bureauonderzoek en wordt deze door het veldonderzoek bevestigd? Op basis van het bureauonderzoek was een middelhoge archeologische verwachting voor het plangebied opgesteld voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum als voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw). Voor vindplaatsen vanaf de 13e eeuw tot en met de Nieuwe tijd is een lage verwachting opgesteld. Het booronderzoek heeft uitgewezen dat de dunne podzolbodem veelal is openomen in de bouwvoor en dat de verwachting voor vuursteenvindplaatsen daardoor naar laag kan worden bijgesteld. Er is geen sprake van een diepe bodemverstoring, waardoor de middelhoge archeologische verwachting voor nederzettingen uit de periode Neolithicum tot en met Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) behouden blijft. De resultaten van het booronderzoek geven geen aanleiding om de lage verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd bij te stellen.
In hoeverre wordt het (potentiële) archeologische niveau bedreigd door de voorgenomen ontwikkeling van het gebied? Het potentiële archeologische niveau is veelal niet diep verstoord en bevindt zich op een diepte vanaf 0,3 à 0,5 m beneden maaiveld op het weiland en 0,8 à 1,05 m beneden maaiveld rondom de stallen. Ter hoogte van de weide zal de bouw van de woningen en de eventuele aanleg van een wadi of andere hemelwateropvang de eventueel aanwezig archeologische resten bedreigen. Hier wordt geadviseerd om de huidige archeologische dubbelbestemming te behouden in het bestemmingsplan. Tijdens de bouw van de woningen zal hierdoor archeologisch vervolgonderzoek nodig zijn als de omvang van de ingrepen strijdig is met de archeologische dubbelbestemming. Rondom de stallen staan in de plannen geen ingrepen gepland. Hier adviseert KSP Archeologie om de huidige archeologisch dubbelbestemming (onderzoek bij ingrepen dieper dan 40 cm over een oppervlak groter dan 2500 m²) aan te passen. Als hier graafwerkzaamheden plaatsvinden die dieper reiken dan 0,5 m beneden maaiveld (buffer van 0,3 m ten opzichte van het archeologische niveau vanaf 0,8 m-mv) kunnen archeologische resten verloren gaan. Ter hoogte van de stallen is het potentiële archeologisch niveau echter wel diep verstoord, hier worden geen vindplaatsen meer verwacht.
De geplande sloop van de oostelijke stal zal hierdoor geen bedreiging vormen. De westelijke stal zou in de toekomst ook gesloopt kunnen worden. 6.2.2 Selectieadvies Op basis van de bevindingen heeft KSP Archeologie een selectieadvies opgesteld. In het selectieadvies wordt door de archeoloog geadviseerd aan de gemeente Asten op welke wijze de regeling in het vast te stellen bestemmingsplan kan worden toegespitst op de archeologische situatie ter plekke. Het selectieadvies luidt als volgt: Op basis van de intactheid van de bodem in het plangebied is een archeologische vindplaats in het plangebied niet uit te sluiten met uitzondering van de zone onder de bestaande stallen. KSP Archeologie adviseert om in het nieuwe bestemmingsplan een archeologische dubbelbestemming op te nemen met uitzondering voor de zone waar onderkelderde stallen voorkomen. Veelal kan de huidige archeologische dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 3' overgenomen worden. Rondom de stal kan de dubbelbestemming aangepast worden, zodat ingrepen dieper 50 cm i.p.v. ingrepen dieper dan 40 cm over een oppervlak groter dan 2500 m² onderzoeksplichtig zijn. Wanneer de geplande graafwerkzaamheden dieper reiken dan 40 cm (weide) of 50 cm (erf rondom de stallen) beneden maaiveld kunnen eventueel aanwezig archeologische resten verloren gaan en is vervolgonderzoek noodzakelijk bij ingrepen groter dan 2500 m².
KSP Archeologie adviseert bij graafwerkzaamheden van meer dan 2500 m² een vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek om vast te stellen of in het plangebied archeologische resten aanwezig zijn en zo ja, welke waardering hieraan gegeven kan worden. Voor dit proefsleuvenonderzoek is een Programma van Eisen (PvE) noodzakelijk dat is goedgekeurd door de bevoegde overheid. In dit PvE wordt de werkwijze en de randvoorwaarden van het proefsleuvenonderzoek
Meijelseweg 66a, Heusden
43
vastgelegd. Gezien de omvang van het plangebied lijkt de kans klein dat het potentiële archeologische niveau over 2500 m² of meer binnen het plangebied verstoord wordt door de bouw van drie woningen en een wadi of andere vorm van hemelwateropvang. De aanvraag van een omgevingsvergunning voor de bouw van de geplande woningen en de aanleg van een hemelwateropvang lijkt daarmee plaats te kunnen vinden zonder verder archeologisch onderzoek. 6.2.3 Conclusie Op basis van de bevindingen uit het archeologisch advies kan worden gesteld dat sprake is van een uitvoerbaar planvoornemen. De gemeente Asten heeft in het bestemmingsplan 'Verzamelplan gebiedsgerichte aanpak leegstand' een passende regeling opgenomen. Voor bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 2.500 m2 dient een onderzoek te worden uitgevoerd. Het aspect archeologie vormt hiermee geen belemmering voor het bestemmingsplan.
6.3
Cultuurhistorie
Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. In een bestemmingsplan dient op grond van het Bro artikel 3.1.6 een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, rekening is gehouden. Ook de facetten historische bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Op de planlocatie is geen sprake van cultuurhistorische elementen. Het plan leidt niet tot een wijziging in de (historische) kavelstructuur. Ook in de nabije omgeving zijn geen (Rijks)monumenten die aangetast worden door het planvoornemen. Het plan maakt deel uit van de gebiedsgerichte aanpak leegstand, waarbij sprake is van een vermindering van landschapsontsierende bebouwing en de (cultuurhistorische) laanstructuur wordt versterkt door op gebiedsniveau te investeren in het landschap. Gelet op vorenstaande geldt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt vooronderhavig plan.
6.4
Verkeer en parkeren
Voor het bepalen van de verkeersgeneratie en het bepalen van de parkeerbehoefte wordt gebruik gemaakt van de normen uit publicatie 381 van het CROW. Op basis van de Nota parkeernormen 2016, gemeente Asten, wordt gebruik gemaakt van de gemiddelde normen voor het buitengebied in een weinig stedelijk gebied. 6.4.1 Verkeer De verkeersgeneratie bij de realisatie van drie nieuwe woningen is beperkt. De woningen worden ontsloten door middel van een eigen inrit op de Meijelseweg. Het planvoornemen leidt niet tot negatieve effecten op de verkeersafwikkeling en de verkeersveiligheid.
44
Meijelseweg 66a, Heusden
6.4.2 Parkeren Bij woningen in het buitengebied wordt een relatief hoge parkeernorm gebruikt. Op basis van de Nota parkeernormen 2016 van de gemeente Asten is sprake van een parkeerbehoefte van 2,4 parkeerplaatsen per woning. Bij het realiseren van drie parkeerplaatsen wordt voldaan aan de parkeernorm. De daadwerkelijke parkeerbehoefte is met name afhankelijk van de levensstandaard van de toekomstige gebruikers. Aangezien het gaat om zeer ruime percelen, is op eigen terrein zonder meer voldoende ruimte om bij de woning voldoende parkeerplaatsen te realiseren om aan de normen te kunnen voldoen. Het perceel kan daarbij worden voorzien van meerdere parkeerplaatsen op eigen terrein om te kunnen voorzien in eigen parkeerbehoefte. De bewoners van de toekomstige woning kunnen naar eigen inzicht parkeerplaatsen inrichten, afhankelijk van de behoefte van de betreffende bewoner(s). Uitgaande van het realiseren van 100% van de parkeerbehoefte op eigen terrein, wordt voorzien in de parkeerbehoefte en voldoet het plan aan de Nota parkeernormen 2016, gemeente Asten. 6.4.3 Conclusie Uit het bovenstaande kan worden concluderend dat het aspect verkeer en parkeren geen belemmering oplevert voor het planvoornemen.
6.5
Leidingen
Door het plangebied lopen loopt een ondergrondse hoofdwaterleiding van Brabant Water. Deze waterleiding ligt circa 1,5 meter uit de perceelsgrens onder het agrarisch perceel. In de nieuwe situatie krijgt het perceel over de gehele lengte een woonbestemming. Onder het fietspad liggen leidingen voor dataverkeer (zie onderstaande afbeelding).
Uitsnede Klic-melding met waterleiding in blauw Bij het graven van de hemelwaterberging wordt rekening gehouden met de aanwezigheid van de leiding. De bouwvlakken voor het bouwen van de nieuwe woningen liggen op een grotere afstand van de openbare weg. Ter plekke van de leidingen wordt geen woonbestemming toegekend. De leiding vormt daarom geen belemmering voor de bouw van de woningen. Naast de ligging van de waterleiding zijn er geen andere (planologische) beschermingszones van leidingen en/of belangen van derden waar rekening mee gehouden dient te worden. Het aspect leidingen vormt geen belemmering voor het plan.
Meijelseweg 66a, Heusden
45
6.6
Water
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet in de toelichting van ruimtelijke plannen een waterparagraaf worden opgenomen. Hierin wordt beschreven hoe rekening is gehouden met de gevolgen van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding. De waterparagraaf geeft een beschrijving van de beleidsuitgangspunten, waterhuishoudkundige situatie en wateropgaven in het plangebied, (motivatie van) meest geschikte oplossingen en ruimtelijke consequenties daarvan. 6.6.1 Beleid Nationaal Waterplan: Het Nationaal Waterplan (Ministerie V&W, 2009) heeft de status van een structuurvisie en is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998. Het plan vervangt alle voorgaande Nota's Waterhuishouding. Omdat ook voor de volgende generaties Nederland als veilig en welvarend waterland veiliggesteld moet worden, moet nu een antwoord worden gevonden op ontwikkelingen op het gebied van klimaat, demografie, economie en een duurzaam waterbeheer. Een goede bescherming tegen overstromingen, het zoveel mogelijk voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit zijn basisvoorwaarden voor welvaart en welzijn. Water levert een positieve bijdrage aan de kwaliteit van de leefomgeving en behoud van biodiversiteit. Het doel is helder: Nederland, een veilige en leefbare delta, nu en in de toekomst.
Voor een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem is het dan ook van belang bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te houden met waterhuishoudkundige eisen op korte en lange termijn. Bij elke ruimtelijke ontwikkeling is de opstelling van een waterparagraaf verplicht gesteld. Rond het plangebied zijn vanuit het nationaal waterplan geen specifieke maatregelen met betrekking tot het aspect water gepland. Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021: Op regionaal niveau is de provincie verantwoordelijk voor het beleidsveld water. Op 18 december 2015 is het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (PMWP) vastgesteld. Het betreft een kaderstellende nota die op hoofdlijnen weergeeft wat de beleidsdoelen en voorgestelde aanpak zijn. Het PMWP staat voor samenwerken aan Brabant waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving. De hoofddoelen uit het beleid zijn: Gezonde fysieke omgeving: borging goede kwaliteit van grondwater en oppervlaktewater; Veilige fysieke omgeving: bescherming tegen wateroverlast van de grote rivieren en de beken; Streven naar een groene groei, combinatie van duurzame economische ontwikkeling met behoud of verbetering van de fysieke leefomgeving; voldoende water van goede kwaliteit voor natuur, landbouw, recreatie, drinkwater, industrie en de vrijetijdseconomie.
Waterschap Aa en Maas; Waterbeheerplan 2016-2021: Op 22 december 2015 heeft het waterschap Aa en Maas het waterbeheerplan 2016-2021 vastgesteld. In dit waterbeheerplan staan de doelstellingen die het waterschap nastreeft en wat het waterschap in de periode 2016-2021 gaat doen om deze doelen te halen. In het plan worden de volgende doelstellingen voor water uitgewerkt: veilig en bewoonbaar beheergebied; voldoende water en robuust watersysteem; schoon water; gezond en natuurlijk water Het plangebied ligt in de zone die in het Waterbeheerplan 2016-2021 is aangemerkt als beschermingsgebied. Dit gebied dient ter bescherming van de naastgelegen Natura2000-gebieden om verdroging tegen te gaan. Deze bescherming is opgenomen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant en het bestemmingsplan als zogenaamd 'Attentiegebied'. Bij de attentiegebieden gaat het om beschermingsgebieden van met een ruime afstand rond de zogenaamde "natte natuurparels", in dit geval de Groote Peel. De attentiegebieden vormen de
46
Meijelseweg 66a, Heusden
buffer tussen de natte natuurparels en hun omgeving. Binnen deze zones dienen hydrologische verschillen tussen natte natuurparels en omgeving opgevangen te worden. De attentiegebieden zijn in eerste instantie gericht op bescherming van de hydrologisch toestand binnen de natte natuurparels. Daarnaast kunnen in deze gebieden, waar nodig, compenserende maatregelen worden getroffen om uitstralingseffecten vanuit de natte natuurparels naar de omgeving te voorkomen. De cumulatieve effecten van de maatregelen in de attentiegebieden mogen niet leiden tot een significant negatief effect op het te beschermen doel. Hierbij wordt getoetst op minimaal een stand-still op de rand van de natte natuurparel. Dit houdt in dat in geen enkel geval grondwaterdaling op de rand van de natte natuurparel wordt toegestaan. Voor de attentiegebieden geldt dat nieuwe drainage niet kan worden toegestaan, tenzij aangetoond wordt dat de activiteit geen negatief hydrologisch effect op de natte natuurparel heeft. Keur Waterschap Aa en Maas: Op 26 februari 2015 heeft het waterschap de nieuwe Keur vastgesteld, die op 1 maart 2015 inwerking is getreden. Deze keur is in samenwerking tussen de waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel tot stand gekomen, waardoor nu sprake is van een uniforme Keur.
Het waterschap is verantwoordelijk voor het waterbeheer (waterkwaliteit en -kwantiteit) binnen het plangebied. Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de Keur van toepassing. In de Keur staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. Gemeentelijk Waterplan Asten: Het beleid van de gemeente sluit aan op het landelijke en provinciale beleid. Tot dit doel is mede het Gemeentelijk Waterplan Asten opgesteld. Het belangrijkste uitgangspunt is dat nieuwe ontwikkelingen geen belemmering mogen vormen voor het vasthouden, bergen en afvoeren van water in het deelstroomgebied. Daarnaast is het van belang dat bij inpassing wordt voorkomen dat afwenteling op andere delen van het deelstroomgebied plaatsvindt. Nieuwe rioolstelsels van enige omvang dienen als verbeterd gescheiden te worden uitgevoerd. Verder dient bij nieuwe ontwikkelingen hemelwater, afkomstig van 'schoon' afvoerend oppervlak, waar mogelijk, geïnfiltreerd te worden. Het belangrijkste uitgangspunt is dat in beginsel de particulier zelf verantwoordelijk is voor de inzameling en verwerking van het hemelwater. In de meeste gevallen zijn voldoende mogelijkheden voor particulieren om het hemelwater in de bodem te brengen.
Gemeentelijk Rioleringsplan2021-2025: De gemeenteraad heeft op 8 december 2020 conform artikel 4.22 van de Wet Milieubeheer het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) gemeente Asten 2021-2025 vastgesteld. Met het GRP geeft de gemeente invulling aan een duurzame inzameling en verwerking van afvalwater, hemelwater en overtollig grondwater en een duurzaambeheer van het gemeentelijk rioolstelsel. Elke nieuwe ontwikkeling dient te worden getoetst aan het Gemeentelijk Rioleringsplan. Voor alle uitbreidingslocaties geldt dat de waterberging binnen het plan moet worden gerealiseerd. In het bestemmingsplan 'Asten Verzamelplan 2019 - 2' is vastgesteld dat alle regels vanuit het GRP van toepassing zijn op het hele grondgebied van de gemeente Asten. Het realiseren van waterberging wordt afgedwongen via het bestemmingsplan. De gemeente Asten streeft naar robuuste watersystemen, waarbij het hemelwater bij voorkeur bovengronds wordt geïnfiltreerd in de bodem. Indien sprake is van een uitbreiding van het verhard oppervlak groter is dan 90 m², dient ook bij verbouw en uitbreiding een waterbergingsvoorziening van 60 mm over de toename van het verhard oppervlak te worden aangebracht op eigen terrein, mits technisch haalbaar. 6.6.2 Beschrijvingvan het watersysteem in de directe omgeving In de directe omgeving van het plangebied zijn geen watergangen aanwezig, die worden beheerd door het waterschap.
De meest nabijgelegen watergang ligt ten oosten van het plangebied op een afstand van ca. 100 meter. De agrarische percelen in de directe omgeving zijn langs de randen voorzien van greppels, die niet op de legger van het waterschap zijn opgenomen. De grondwaterstand in het gebied ligt relatief laag, waardoor het meeste hemelwater direct infiltreert in de bodem.
Meijelseweg 66a, Heusden
47
Ter plekke van de Meijelseweg 66a bestaat de bodem uit veldpodzolgronden (Hn21) en is sprake van grondwatertrap VII. De gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) ligt op ca. 120 cm onder het maaiveld en dat betekent dat hemelwater goed kan infiltreren in de bodem (bron: kaartbank.brabant.nl). De locatie ligt ca. 26,9 m boven N.A.P. (bron: ahn.arcgisonline.nl/ahnviewer).
Uitsnede legger oppervlaktewateren Waterschap Aa en Maas met ligging planlocatie 6.6.3 Beschrijvinghuidige en toekomstige situatie In de huidige situatie is sprake van een agrarisch bedrijf met in totaal: een bouwvlak van circa 10.340 m2 ; twee agrarische opstallen van circa 1.250 m2 . In de nieuwe situatie is sprake van een woonlocatie met: drie woonpercelen voor twee woningen van 1.000 m3 en één woning van 750 m3 met bijgebouwen. 6.6.4 Gevolgen van het plan voor de waterhuishouding Het plan voorziet in een planologische functiewijziging, waarin het agrarisch gebruik van het plangebied wordt beëindigd en drie woonbestemming worden toegekend. Er worden in de toekomstige situatie minder bebouwingsmogelijkheden toegekend, aangezien het plangebied momenteel hoofdzakelijk bestaat uit een agrarisch bouwvlak. Een gedeelte van het perceel wordt bestemd als 'Agrarisch' zonder bouwvlak, waardoor de mogelijkheden voor het aanbrengen van nieuwe verhardingen afneemt. Grondwater: De planlocatie ligt in het attentiegebied rondom de Groote Peel en heeft in het geldend bestemmingsplan 'Buitengebied Asten 2016' de gebiedsaanduiding 'overige zone - attentiegebied EHS'. Deze gebiedsaanduiding heeft als doel negatieve hydrologische effecten van eventuele toekomstige ingrepen te voorkomen.
Over het algemeen worden in de directe omgeving van het hydrologisch beschermd gebied 'Groote Peel' gestreefd naar vernatting van het gebied. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moet worden gemotiveerd dat geen verdroging plaatsvindt.Voor diverse bodemingrepen wordt daarom een omgevingsvergunning voor werken en/of werkzaamheden vereist. De volgende werken en werkzaamheden zijn omgevingsvergunningplichtig:
48
Meijelseweg 66a, Heusden
het verzetten van grond van meer dan 100 m3 of op een diepte van meer dan 30 cm onder maaiveld, een en ander voor zover geen vergunning vereist is in het kader van de Ontgrondingenwet; de aanleg van drainage of het verlagen van de drainagebasis; het verlagen van de waterstand door de aanleg van beregeningsinstallaties; het aanbrengen van niet-omkeerbare verhardingen en/of verharde oppervlakten van meer dan 100 m2 , anders dan een bouwwerk. Bij de werkzaamheden die worden verricht in het kader van de voorliggende ontwikkeling is geen omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden noodzakelijk en is bovendien geen sprake van een negatief effect op de grondwaterhuishouding. De afname van bebouwingsoppervlak leidt tot meer mogelijkheden voor infiltratie van het hemelwater en heeft daarmee een positief effect op de grondwaterhuishouding. De ligging in het attentiegebied leidt niet tot een belemmering voor het voorliggend voornemen. Oppervlaktewater: Er wordt geen bebouwing opgericht binnen de beschermingszone van een (primaire) watergang en er is geen oppervlaktewater aanwezig binnen het plangebied. Het plan heeft geen gevolgen voor het oppervlaktewater. Hemelwater: Er is met de ontwikkeling van Meijelseweg 66a geen sprake van een toename van verhard oppervlak. Door het wegbestemmen van het agrarisch bouwvlak neemt de mogelijkheid om oppervlakteverharding aan te brengen af.
Hierdoor zijn geen negatieve effecten ten aanzien van de waterhuishouding te verwachten. Het betreft een hydrologisch neutrale ontwikkeling, waarbij hemelwater binnen de planlocatie kan worden geïnfiltreerd. Er zijn vanuit de Keur geen compenserende maatregelen nodig voor het bergen van hemelwater. Wel dient het hemelwater op basis van het GRP te worden afgekoppeld en te worden verwerkt op eigen terrein. Daarvoor is sprake van een waterbergingsvereiste van 0,06 m3 per m2 verharding. Binnen de toe te kennen woonbestemmingen is hiervoor voldoende ruimte. Tussen de twee Ruimte-voor-Ruimtewoningen wordt in het kader van het GRP voor het infiltreren van het hemelwater een infiltratievoorziening gerealiseerd, die ruim voldoet aan de bergingsvereisten (zie Bijlage 1). De hemelwaterberging bij de woning Meijelseweg 66A wordt gerealiseerd in bestaande kelders onder de stal van 500 m2 , die in de toekomstige situatie wordt gebruikt als bijgebouw bij de woning. Om extra wateroverlast op de Meijelseweg te voorkomen wordt de bestaande zaksloot verlengd vóór het adres Meijelseweg 66a. Vuilwater: De planlocatie ligt buiten het stedelijk gebied. De gemeentelijke taak beperkt zich hier tot de zorg voor het inzamelen van huishoudelijk afvalwater.
De gemeente heeft besloten al het huishoudelijk afvalwater in het buitengebied in te zamelen en heeft daarvoor in het buitengebied drukriolering aangelegd. Het afvalwater wordt op doelmatige wijze afgevoerd via de riolering. Het water wordt opgevangen en via de bestaande rioolpersleiding afgevoerd. De nieuw te realiseren woningen kunnen gebruik maken van de bestaande rioolaansluiting. Daarnaast zullen conform het Gemeentelijk Rioleringsplan twee nieuwe aansluitingen op het riool worden gerealiseerd. 6.6.5 Digitale watertoets en conclusie Voor het voorliggend plan is een watertoets uitgevoerd. De watertoets is bedoeld om ruimtelijke plannen meer waterbestendig te maken, waarbij wateraspecten vroegtijdig en expliciet worden meegenomen in ruimtelijke plannen en bij locatiekeuzen. De watertoets voor dit plan heeft plaatsgevonden via de Digitale Watertoets (www.dewatertoets.nl). De rapportage is als Bijlage 8 opgenomen bij deze ruimtelijke onderbouwing. Vanwege de ligging van het plangebied in het attentiegebied van het NNB wordt geconcludeerd dat het waterschap moet worden betrokken bij de planvorming. Het voorontwerpbestemmingsplan wordt toegezonden aan het Waterschap Aa en Maas. Het waterschapsbelang is voldoende geborgd. Realisatie van het planvoornemen leidt niet tot negatieve effecten op de aspecten met betrekking tot de
Meijelseweg 66a, Heusden
49
waterhuishouding. Het aspect water vormt daarom geen belemmering voor het voorgenomen initiatief.
50
Meijelseweg 66a, Heusden
Hoofdstuk 7
Planologische afweging
Het voorliggend planvoornemen voorziet in het hergebruik van een (voormalige) veehouderijlocatie als woonlocatie en het toevoegen van twee Ruimte-voor-Ruimtewoningen. De planontwikkeling maakt als onderdeel uit van een gebiedsgerichte aanpak van de gemeente Asten om enerzijds leegstand te voorkomen en anderzijds het leefmilieu in het buitengebied te verbeteren. Daarbij worden nieuwe functies gezocht voor locaties in het buitengebied en worden onderling de gebruiksfuncties op elkaar afgestemd. Deze ruimtelijke onderbouwing vormt de afweging voor één van de deellocaties van de gebiedsgerichte aanpak leegstand. In deze ruimtelijke onderbouwing is de aanvaardbaarheid van één van de puzzelstukken van de gebiedsgerichte aanpak afgewogen aan de hand van de geldende beleidskaders van verschillende overheidslagen en de relevante milieu- en omgevingsaspecten. Daarbij dient in overweging te worden genomen, dat de locatie onderdeel uitmaakt van een gebiedsplan om een kwaliteitsslag te behalen in het buitengebied ten zuidoosten van de kern Heusden. Tegen de realisatie van het plan bestaat vanuit ruimtelijk en stedenbouwkundig oogpunt geen bezwaar, aangezien aan de volgende uitgangspunten c.q.
randvoorwaarden wordt voldaan: het plan vormt als deellocatie een van de puzzelstukken van het gebiedsplan om in het buitengebied ten zuidoosten van de kern Heusden leegstand tegen te gaan en het leefmilieu in het buitengebied te verbeteren; het voornemen is niet strijdig met het Rijks- en provinciaal beleid; het plan past binnen het gemeentelijke beleid; door de realisatie van het plan treden er geen conflicterende belangen op ten aanzien van bedrijven en woningen in de omgeving; de milieuaspecten milieuzonering, bodem, geluid, geur, externe veiligheid, luchtkwaliteit en gezondheid vormen geen beletsel voor de realisatie van het plan; de omgevingsaspecten, zoals natuur, archoelogische en cultuurhistorische waarden, verkeer en parkeren, leidingen en de waterhuishouding vormen geen beletsel voor de realisatie van het plan. Op grond van vorenstaande overwegingen kan worden geconcludeerd dat het voorgenomen plan niet bezwaarlijk is.
Meijelseweg 66a, Heusden
51
Bijlagen Bij Ruimtelijke Onderbouwing
Meijelseweg 66a, Heusden Gemeente Asten
BIJLAGEN BIJ RUIMTELIJKE ONDERBOUWING
Meijelseweg 66a, Heusden Gemeente Asten
Status:
ten behoeve van vaststelling
Datum:
17 mei 2022
Locatie Nijmegen St. Stevenskerkhof 2 6511 VZ Nijmegen
024 - 322 45 79 info@pouderoyentonnaer.nl www.pouderoyentonnaer.nl
Locatie Vught Parklaan 21 5261 LR Vught
Inhoudsopgave Bijlagen bij ruimtelijke onderbouwing
5
Bijlage 1
Landschapslan
6
Bijlage 2
Ruimte-voor-Ruimtetitels
10
Bijlage 3
Verkennend bodemonderzoek
12
Bijlage 4
Nader bodemonderzoek (PM)
80
Bijlage 5
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
82
Bijlage 6
Quickscan flora en fauna
118
Bijlage 7
Verkennend archeologisch onderzoek
145
Bijlage 8
Digitale watertoets
185
Meijelseweg 66a, Heusden
3
4
Meijelseweg 66a, Heusden
Bijlagen bij ruimtelijke onderbouwing
Meijelseweg 66a, Heusden
5
Bijlage 1
6
Landschapslan
Meijelseweg 66a, Heusden
den zich tlijn
jelse
weg
hou
lage gemengde haag 1 meter breed en 60-80 cm hoog dient als erfafscheiding zonder zichtbelemmering
eg anw pha Kem
Mei
uilw e
g
te b e
aanleggen zaksloot
Oor
Sier
inrit kavel
tuin
Woonkavel ca.1770m² Woonkavel ca. 10.060m²
Wadi Sier
tuin
Woonkavel ca. 1770m²
variabel in te vullen groene erfafscheiding (zie beplantingsplan)
Sier
paardenwei
tuin
toekomstige uitbreiding paardenwei
Kokmeeuwenweg
0
10
20
30
40
50m
N
122-046 Inrichtingsplan Meijelseweg 66a,66b,66c ; Heusden
Beplantingslijst Vak
Omvang
Lat. Naam
Ned Naam
Aantal
Haagbeplanting
v
Amelanchier lamarckii
Krentenboompje
v
Haagbeplanting
v
Acer campestre
Spaanse aak
v
Haagbeplanting
v
Corylus avellana
Hazelaar
v
Haagbeplanting
v
Ribes rubrum
Aalbes
v
Haagbeplanting
v
Viburnum opulus
Gelderse Roos
v
Haagbeplanting
v
Sambucus nigra
Gewone vlier
v
Haagbeplanting
v
Ilex aquifolium
Gewone hulst
v
Haagbeplanting
v
Lonicera xylosteum
Rode kamperfoelie
v
Haagbeplanting
v
Cornus sanguinea
Rode kornoelje
v
Haagbeplanting
v
Ligustrum vulgare
Wilde liguster
v
Haagbeplanting
v
Rosa tomentosa
Viltroos
v
Haagbeplanting
v
Euonymus europeus
Wilde kardinaalsmuts
v
Bomen
v
Betula pendula
Ruwe berk
v
Bomen
v
Bomen
v
Alnus glutinosa
Zwarte els
v
Bomen
v
Sorbus aucuparia
Wilde lijsterbes
v
Bomen
v
Salis viminalis
Katwilg
v
Quercus robus
Zomereik
2
0
A
Bomen C
30
40
Haagbeplanting
60
m1
Fagus sylvatica
Gewone beuk
540
Haagbeplanting
24
m1
Fagus sylvatica
Gewone beuk
216
D
20
v
B
10
A
50m
N
122-046 Beplantingsplan Meijelseweg 66a; Heusden
Beplantingslijst Vak
Omvang
Lat. Naam
Ned Naam
Aantal
Haagbeplanting
v
Amelanchier lamarckii
Krentenboompje
v
Haagbeplanting
v
Acer campestre
Spaanse aak
v
Haagbeplanting
v
Corylus avellana
Hazelaar
v
Haagbeplanting
v
Ribes rubrum
Aalbes
v
Haagbeplanting
v
Viburnum opulus
Gelderse Roos
v
Haagbeplanting
v
Sambucus nigra
Gewone vlier
v
Haagbeplanting
v
Ilex aquifolium
Gewone hulst
v
Haagbeplanting
v
Lonicera xylosteum
Rode kamperfoelie
v
Haagbeplanting
v
Cornus sanguinea
Rode kornoelje
v
Haagbeplanting
v
Ligustrum vulgare
Wilde liguster
v
Haagbeplanting
v
Rosa tomentosa
Viltroos
v
Haagbeplanting
v
Euonymus europeus
Wilde kardinaalsmuts
v
Bomen
v
Betula pendula
Ruwe berk
v
Bomen
v
Bomen
v
Alnus glutinosa
Zwarte els
v
Bomen
v
Sorbus aucuparia
Wilde lijsterbes
v
Bomen
v
Viburnum opulus
Gelderse roos
v
Haagbeplanting
90
m1
Fagus sylvatica
Gewone beuk
810
Haagbeplanting
50
m1
Fagus sylvatica
Gewone beuk
450
A
A v
D
0
10
C
20
30
40
50m
N
122-046 Beplantingsplan Meijelseweg 66b,66c; Heusden
Bijlage 2
10
Ruimte-voor-Ruimtetitels
Meijelseweg 66a, Heusden
Datum :
23 maart 2021
Locatie : Locatie Meijelseweg gemeente Asten (kadastraal bekend als Asten sectie D nummer 3648 en 3647)
Certificaat Bouwtitel Titelnummer
Percentage
Ingebrachte bouwtitel
20170336
100%
1
20170337
100%
1
Totaal ingebrachte bouwtitel
2 bouwtitels
Dit certificaat is verleend door de Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte II CV op grond van de Verordening Ruimte van de Provincie Noord-Brabant. Ruimte voor Ruimte II CV ontwikkelt bouwkavels in het kader van de zogeheten Ruimte voor Ruimte regeling van het Rijk. Dit certificaat geeft aan dat is voldaan aan de voorwaarden voor verkrijging van een Ruimte voor Ruimte bouwtitel. Het bouwrecht voor bovengenoemde locatie wordt verkregen na planologische goedkeuring door provincie en gemeente
Directie Ruimte voor Ruimte II CV, Voor deze Ruimte voor Ruimte Beheer BV
Dhr. W. van de Kerkhof, Algemeen Directeur
Ruimte voor Ruimte II CV - Postbus 79 - 5201 AB - ‘s-Hertogenbosch Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte is een 100% deelneming van de Provincie Noord-Brabant.
Bijlage 3
12
Verkennend bodemonderzoek
Meijelseweg 66a, Heusden