RU21.03.07BB VTH kader.docx
Tekst van het document
In 2021 zal deze beleidsnotitie daarom ingetrokken worden. De openbare ruimte Vanuit de overheid worden steeds meer toezichtstaken die nu door de politie worden uitgevoerd, overgedragen aan de gemeenten. Hierbij kan worden gedacht aan taken op het gebied van verkeer (fietsen zonder licht, door rood licht rijden e.d.). Volgens de toekomstvisie van de VNG moeten deze taken door de gemeentelijke boa’s worden uitgevoerd. Gelet op deze verschuiving, maar ook als gevolg van de prioritering dit jaar (zie hoofdstuk 5), is in 2021 extra inzet van een BOA benodigd. Er is 0,5 fte exta beschikbaar gesteld. Intrekkingsbeleid Wanneer een toestemming om een activiteit uit te voeren niet gerealiseerd wordt, biedt de WABO de mogelijkheid om deze toestemming in te trekken. In 2021 wordt onderzocht of we hiervoor beleidsregels moeten opstellen. Hierbij wordt uitdrukkelijk gekeken naar de eventuele veranderingen die kunnen optreden door de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Voor de stoppers, saneerders en andere intrekkingen van omgevingsvergunningen starten we per februari 2021 met de Werkgroep stoppers en saneerders. De werkgroep komt maandelijks bijeen om de lijst met stoppers, saneerders en andere intrekkingen en de ontwikkelingen in de lijst maandelijks integraal af te stemmen.
Afgezien van het afstemmingsoverleg en de voorbereidingstijd is de werkgroep bedoeld om de reguliere werkzaamheden die verspreid liggen bij verschillende medewerkers intern en bij de Omgevingsdienst, op elkaar af te stemmen.
4. Uitgangspunten voor het beleidskader VTH Hiervoor werden de beleidsmatige en wettelijke uitgangspunten beschreven voor vergunningverlening, toezicht en handhaving. Hieronder gaan wij nader in op de voorwaarden op basis waarvan wij deze diensten verlenen. 4.1 Professionele en servicegerichte dienstverlening De gemeente Asten heeft in haar bedrijfsplan Asten 2.0 haar missie, visie en succesbepalende factoren bepaald. De missie van de gemeente Asten luidt: “We leveren publieke dienstverlening aan de Astense samenleving. Gezamenlijk bouwen we aan een prettige woon-, werk- en leefomgeving”. In onze missie wordt duidelijk wie we zijn, wat we doen en wat we willen bereiken. Vanuit bovenstaande missie hebben we onze visie bepaald. Onze visie geeft aan wat we willen zijn; waar we naartoe werken. Onze visie luidt: “Vanuit eigen kracht, dichtbij de burger. We zijn klantgericht, omgevingsbewust en (re)ageren flexibel op veranderingen in de maatschappij.” 19
Om onze visie te realiseren hebben we een aantal succesfactoren bepaald. Hieronder worden deze kort besproken en wordt daarbij gelijk aangegeven wat dat voor VTH betekent. A. Ken je inwoner, ken je collega Om een inwoner te kunnen helpen, moet je weten wat zijn vraag is, wat er nodig is om zijn vraag te beantwoorden. Op het moment dat je weet wat de vraag is en bijvoorbeeld welke activiteiten daarbij horen, weten we ook wie (welke collega) er nodig is om adequaat de vraag van de burger te beantwoorden. B. Professionaliteit Om de VTH-taken goed te kunnen uitvoeren voldoen we aan de kwaliteitscriteria. We kunnen hierdoor goed de (aan-) vragen van de burger beantwoorden. We stellen prioriteiten en dat stelt ons ook in staat om programmatisch te werken. Maar we zijn niet alleen ingericht op de dagelijkse vragen. We zijn ook voorbereid op incidenten, ongelukken of andere onverwachte zaken die kunnen plaatsvinden. Voor de uitvoering van onze VTH-taken werken we samen met onze partners, zoals de Omgevingsdienst Zuidoost Brabant (ODZOB) en de Veiligheidsregio Brabant Zuidoost. Hiermee voldoen we daar waar we de kennis niet zelf hebben aan de kwaliteitscriteria. C. Tijd Om goed onze VTH-taken uit te kunnen voeren hebben we tijd nodig. We nemen de tijd om burgers van een goed antwoord te voorzien. Maar intern hebben we ook de tijd nodig, zoals tijd om te leren en tijd om te netwerken.
Alleen door ook tijd te maken voor persoonlijke ontwikkeling blijven we in staat om effectief en op efficiënte wijze op de dagelijkse en incidentele opgaven te kunnen reageren. D. Asten is in control; procesmatig, juridisch, financieel, risicobeheersing, in netwerken. De maatschappij is in verandering. Dit vraagt om flexibiliteit in onze organisatie om in te kunnen spelen op de veranderende wensen en behoeften van de burger. Dit betekent dat het voldoen aan de kwaliteitscriteria niet voldoende is. Alleen als medewerkers ook een brede blik hebben, tijd krijgen om te zich voor te bereiden op nieuwe ontwikkelingen kunnen zij in control zijn. Dit is niet alleen wat de maatschappij vraagt maar ook wat de Omgevingswet van ze verlangt. (zie ook § 3.2.1) 4.2 Klanttevredenheid en klachtenregistratie De gemeente Asten monitort de klanttevredenheid. We maken hierbij gebruik van de Net Promotor Score (NPS). Het klanttevredenheidsonderzoek wordt onder andere gebruikt voor het ‘product omgevingsvergunning’. Kort na de afronding van de dienstverlening wordt de ervaring van de klant gepeild. Dit doen we door middel van vier korte vragen. Hiermee krijgen we een direct beeld van de tevredenheid van de klant. Zijn er aanvullende vragen dan wordt de klant door het NPS-team nagebeld. Met de NPS-methode is er een continu proces van dienst verlenen, ervaring onderzoeken, verbeteren en toetsen.
Het systeem resulteerde al in waardevolle tips om onder andere delen van het proces te verbeteren of communicatie te verduidelijken. 4.2.1 Milieuklachten In Asten en in de regio Zuidoost-Brabant verzorgt de ODZOB de afhandeling van milieuklachten. Klachten milieumeldingen kunnen worden gemeld bij de Milieuklachtencentrale van de ODZOB. De centrale moet 24-uur per dag bereikbaar zijn. Deze wordt uitgevoerd door de drie Brabantse omgevingsdiensten. De consignatiedienst van de ODZOB beoordeelt bij klachten en meldingen of er directe inzet nodig is (zowel binnen als buiten kantoortijden) en onderneemt ook actie indien nodig. De consignatiedienst houdt de klager of melder op de hoogte. De ODZOB controleert of het bedrijf zich aan de voorschriften houdt en legt indien nodig sancties op. 4.2.2. Klachten openbare ruimte In 2016 startte de gemeente met de Buiten Beter applicatie voor de smartphone. De Buiten Beter-app maakt het mogelijk dat burgers snel problemen in de openbare ruimte melden. Met behulp van een smartphone kan dit direct ter plaatse. De melding gebeurt digitaal. De melding komt hiermee direct bij de persoon terecht die aan de slag gaat met de afhandeling en tevens voor een terugkoppeling zorgt.
20
4.3 Toekomstvisie Asten2030 De gemeenteraad heeft op 27 juni 2017 de Toekomstagenda Gemeente Asten: Asten2030 vastgesteld. Deze toekomstvisie is opgesteld in samenspraak met betrokken Astenaren. In de Toekomstagenda zijn onze maatschappelijke opgaven benoemd. Bij de opgaven betrekken wij onze inwoners en werken we regionaal samen. De Toekomstagenda Asten2030 vormt dus het fundament van onze besluitvorming, beleidsvorming en de uitvoering. De opgaven en beleidsdoelstellingen uit de Toekomstagenda worden verder uitgewerkt in de nieuwe Omgevingsvisie en het op te stellen Omgevingsplan. Ook het beleidskader VTH dient daarom in lijn te zijn met de Toekomstagenda. Het voorliggende beleidskader is daarom opgesteld in lijn met de Toekomstagenda. Ook de prioritering van taken dient in lijn te zijn met de Toekomstagenda. Na het uitvoeren van onze wettelijke taken en de hoog geprioriteerde taken doen we de dingen die bijdragen aan de realisering van bovengenoemde kernopgaven. Hieronder bespreken we de vier maatschappelijke opgaven met daarbij wat dit bijvoorbeeld betekent voor de VTH-taken. De Toekomstagenda dient als kompas voor de besluitvorming. Transformatie buitengebied We streven hier naar een maatschappelijke geaccepteerde en gewaardeerde agrofoodsector met toekomstperspectief.
Hierbij gaat het om verduurzaming van de agrarische sector, het in balans brengen met de natuur en landschap, en welzijn van mens en dier in een mooi en leefbaar buitengebied. Daarnaast moeten agrariërs goed kunnen blijven ondernemen en zijn recreatie en toerisme, zorg en energieproductie van belang. Belangrijk is om in 2030 een substantiële reductie van de uitstoot van emissies door de agrarische sector te realiseren. Naleving van wet- en regeling is hierin van groot belang, tegen ongewenste ontwikkelingen zal moeten worden opgetreden. In het geval van nieuwe ontwikkelingen zal controle moeten plaats vinden op voorwaardelijk verplichtingen (sloop, landschappelijke inpassingen) Hiertoe worden diverse initiatieven ondersteund. Daarnaast is er de komende jaren sprake van veel vrijkomende agrarische bebouwing, de zogenoemde VAB’s. Voor deze locaties zal de bestemming moeten worden aangepast. Voor de VTH-taken betekent dit onder meer dat wij goed de ‘vinger aan de pols’ houden bij agrarische bedrijven. Wij houden actief toezicht en denken in het kader van de leefbaarheid van het buitengebied ook mee over het realiseren van nieuwe functies in het buitengebied.
De werkgroep stoppers, saneerders die per februari 2021 van start gaat, moet bijdragen aan het overal beeld van de gemeente om de ontwikkelingen in he buitengebied op de voet te kunnen volgen en waar mogelijk aan bestuurlijke besluitvorming bijdraagt om de bestuurlijke visie op he buitengebied vorm te geven. Vitale kernen Asten wil de gezondheid, de deelname aan het economisch en maatschappelijk verkeer, de woonomgeving en de omgevingskwaliteit van de inwoners behouden. Asten wil dit bereiken door te anticiperen op de lokale woonbehoeften. Belangrijk hierbij is het ondersteunen van woonconcepten, waarbij mensen zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen en tevens dient de gemeente aantrekkelijk te zijn voor het vestigen van nieuwe inwoners. Daarnaast dragen adequate voorzieningen, saamhorigheid en een evenwichtige bevolkingssamenstelling bij aan de vitaliteit van de kernen. Voor de VTH-taken betekent dit onder meer dat we toezicht houden op de ongewenste ontwikkelingen die de leefbaarheid van de kernen aantasten. Centrumontwikkeling Asten wil uitnodigende, levendige dorpscentra met ruimte voor ontmoeting in een gemoedelijke sfeer. Het centrum dient uitnodigend te zijn, waarbij beleving en genieten centraal staan. Kleinschalige diensten en ambachtelijk werk, passende woningen en voorzieningen zijn hierbij een belangrijke troef.
In 2030 heeft het centrum van Asten de lokale verzorgende functie voor winkelen behouden en is er een positieve balans op het gebied van restaurant-, café- en cultuurbezoek.
21
Voor de VTH-taken betekent dit onder meer dat evenementen in het centrum mogelijk zijn, maar er ook op toezien dat hier geen overlast ontstaat. We houden ook toezicht op het verstrekken van alcohol aan de jeugd. Klimaatbestendig en energieneutraal Asten Asten dient in staat te zijn om klimaatverandering op te vangen en wil minder verstening en meer groen in 2030. Hiertoe onderschrijven we de doelstellingen van duurzame ontwikkeling en het Brabants Energie Akkoord. In 2030 zijn we klimaatbestendig! Voor de VTH-taken betekent dit onder meer dat we streng zijn bij de toetsing van bouwaanvragen inzake de EPC-normen. In ruimtelijke ontwikkelingen moet een verantwoorde balans zijn tussen verstedelijking en de aanwezigheid van groen. Het komende jaar zal er een doorvertaling van de Toekomstagenda Asten2030 plaatsvinden naar concrete doelen voor het taakvlak ‘Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving’. Deze zullen worden opgenomen in het volgend jaar (2022) op te stellen Beleidskader Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving. Deze zullen dan door vertaald worden in concrete acties in het Uitvoeringsprogramma 2022. 4.4 Coalitieakkoord De Toekomstvisie Asten 2030 geeft de visie van de ontwikkeling van de gemeente tot 2030. Het coalitieakkoord geeft daar nadere invulling aan.
Uit het coalitieakkoord volgt dat we blijven koersen op de handhaving van de veiligheid en het tegen gaan van ondermijning en overlast. Daarnaast wordt van de Astenaren meer eigen verantwoordelijkheid verwacht. De kernen dienen leefbaar te blijven en in balans te zijn met het buitengebied. Hiervoor dienen we ook te kijken naar VAB’s (vrijkomende agrarische bebouwing) en stoppende agrariërs. Verder dient recreatie, toerisme en andere kleine bedrijvigheid te worden gestimuleerd. 4.5 Burgerinitiatief en eigen verantwoordelijkheid De Toekomstagenda Asten2030 is opgesteld in samenspraak met onze burgers. De kernopgaven zijn dan ook breed gedragen onder de Astense bevolking. Realisatie van de kernopgaven is daarmee niet een taak van de gemeente maar een taak die samen met de gemeenschap moet worden volbracht. We omarmen daarom burgerinitiatieven die direct, dan wel indirect, bijdragen aan het verwezenlijken van onze kernopgaven. De gemeente zal hier in hoofdzaak faciliterend in optreden. Indien nodig zal de gemeente sturend zijn. Hiervoor hebben wij kaders vastgesteld in het programma Vitale Democratie. Het gaat daarbij om de verandering in rollen en houding en gedrag die voor onze organisatie zijn vastgelegd, een en ander passend in de geest van de Omgevingswet. Ook in het omgevingsrecht zien wij een verschuiving naar de eigen verantwoordelijkheid.
Deze is al ingezet bij de inwerkingtreding van de Wabo, maar zal nog verder zijn uitwerking krijgen op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt. Tot op heden is de verwachting dat dit in 2021 het geval zal zijn. Vooruitlopend op de Omgevingswet leggen wij al steeds meer de verantwoordelijkheid neer waar hij hoort, te weten: bij onze burgers en ondernemers. Bij het ontwikkelen van nieuw beleid maar ook de uitvoering daarvan zijn wij kritisch op de regels, zodat onnodige barrières tijdig kunnen worden gespot en voorkomen. Bij het inwerkingtreden van de Omgevingswet zullen burgers en ondernemers nog nadrukkelijker dan nu te maken krijgen met de zorgplicht. Het werken vanuit een eigen verantwoordelijkheid brengt ook een risico met zich mee. Niet iedereen kan die verantwoordelijkheid aan. Toezicht speelt hierin dan ook een grote rol. Daar waar geconstateerd wordt dat de eigen verantwoordelijkheid leidt tot ongewenste situaties zal streng handhavend worden opgetreden. De Landelijke Handhavingsstrategie is hierbij leidend. 4.6 “Facili-Leren” In paragraaf 4.5 gaven wij aan dat wij initiatieven van burgers omarmen en dat wij sturen op eigen verantwoordelijkheid. Dit betekent dat wij als gemeente hierin onze sturende rol
22
los moeten laten en steeds meer een faciliterende rol moeten aannemen. Dit is een leerproces. Het bouwproces is jarenlang een proces geweest waarbij de gemeente een vergunningaanvraag controleerde en al dan niet een vergunning verleende. Met de Wabo en volgend jaar onder de Omgevingswet zal nog meer gevraagd worden om een faciliterende en/of adviserende rol aan te nemen. Binnen de gemeente zijn en zullen diverse trajecten worden gestart om deze veranderende rol te realiseren. We moeten leren faciliteren. Dat leerproces geldt niet alleen intern maar extern. Die aanvrager, burger of ondernemer, dient het loket van de gemeente te herkennen en te erkennen meer als informatiepunt. Tijdig advies inwinnen bij de gemeente voorkomt immers frustratie, handhaving en eventuele juridische procedures achteraf. De gemeente kan dus wel sturen op tijdige advisering en preventie maar dan moet dit ook door die burger erkend worden. Communicatie hierover zal in aanloop naar de Omgevingswet veelvuldig plaatsvinden. In het kader van de Omgevingswet worden processen van vooroverleg, verkennen initiatief en participatie geoptimaliseerd. Door het proces aan de voorzijde goed te organiseren, kunnen we handhaving aan de achterzijde in veel gevallen voorkomen. De komende jaren zullen trainingen en cursussen gegeven worden. Daarnaast dient er meer integraal gewerkt (zie ook paragraaf 4.6) te worden.
Ook hier zal scholing van belang zijn. Het integraal werken vergt ook leren van elkaars werkgebieden zodat een goede kruisbestuiving kan plaatsvinden. 4.7 Integraal De VTH taken zijn bij uitstek taken die vallen binnen het fysieke domein van een gemeente. Echter zien wij steeds meer dat het belangrijk is om ontwikkelingen integraal te beoordelen. We leggen steeds meer de koppeling tussen het fysiek en het sociaal domein. Een voorbeeld hiervan is de mantelzorg. Hoewel onder voorwaarden vergunningsvrij mantelzorgvoorzieningen kunnen worden gerealiseerd, komen we in het toezicht gevallen tegen waar getwijfeld wordt aan de noodzakelijkheid van de mantelzorgvoorzieningen. Een samenwerking met de WMO is hier dan onontbeerlijk. Maar ook in gevallen van burenruzies, uithuisplaatsingen/woningontruimingen en/ of illegale permanente bewoning wordt er samengewerkt met het sociaal domein. Aan de andere kant maken we ook extern onze afspraken met onze partners, zoals bijvoorbeeld de Omgevingsdienst Zuid-Oost Brabant. Daarnaast maken we ook afspraken met de politie over integrale acties (bijvoorbeeld handhaving vakantieparken) en samenwerking bij incidenten zoals bij de eerdergenoemde woningontruimingen. In het kader van de Noodwet COVID-19 van 1 december 2020 zijn wij voor de uitvoering van onze toezichtstaken afhankelijk van de Veiligheidsregio.
De burgemeester van Eindhoven is eindverantwoordelijk voor de hele regio Brabant Zuid-Oost. Hierdoor vindt veel afstemming plaats met onze regionale gemeenten. 4.8 Zichtbaar op straat Een kreet die vooral geroepen wordt over de politie. Is er voldoende ‘blauw’ zichtbaar op straat? De aanwezigheid van blauw zorgt onder andere voor een preventieve werking. Ook de gemeente wenst zichtbaar op straat te zijn. Bij initiatieven komen we graag naar de mensen toe om op locatie de gewenste ontwikkelingen te bespreken. Maar ook zonder specifieke initiatieven willen we aanspreekbaar zijn op straat. Hiervoor hebben we een Bijzondere Opsporingsambtenaar (BOA) aangesteld. In 2021 wordt deze formatie uitgebreid. Hij fungeert als onze ogen en oren op straat. Net als bij de politie gaat van zijn aanwezigheid op straat een preventieve werking uit. Maar daar waar de leefbaarheid wordt aangetast heeft hij ook de mogelijkheid om op te treden. Juist in dat middengebied, op het snijvlak van leefbaarheid en veiligheid, beogen we een zo effectief mogelijke samenwerking met de politie. Dit vereist dat er operationele samenwerking en informatieuitwisseling plaats vindt tussen beiden.
5 Risicoanalyse en prioriteiten Artikel 7.2 Bor stelt een probleemanalyse verplicht. Artikel 10.3 Mor schrijft daarbij voor dat de analyse inzicht moet geven in de gevolgen voor de fysieke leefomgeving bij 23
overtreding van voorschriften en in de kansen dat deze overtredingen zullen plaatsvinden. De analyse leidt tot een gekwantificeerd risico op basis waarvan verantwoorde keuzes gemaakt kunnen worden in de prioritering. De uitkomsten van de probleemanalyse worden gewogen aan de hand van de vier maatschappelijke opgaven uit de Toekomstagenda Asten2030. 5.1 Risicoanalyse VTH Om een goede afweging te kunnen maken tussen alle gemeentelijke VTH-taken is gebruik gemaakt van een risicomatrix. De risicomatrix is een praktisch instrument om prioriteiten te stellen en een hulpmiddel voor het maken van keuzes. Als basis diende de model matrix van het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV). Het model gaat uit van de volgende formule: Risico = (negatief (effect) x (de kans dat dit effect voorkomt). Het model houdt in dat van alle activiteiten (overtredingen) de kans wordt bepaald dat er iets gebeurt en wordt afgezet tegen de ernst van de gevolgen daarvan (het effect). Voor elke activiteit/overtreding kan per categorie een score tussen 0 en 5 gegeven worden waarbij 0 staat voor ‘geen effect’ en 5 voor ‘groot negatief effect’. De risicoanalyse resulteert in een lijst, waarin de omvang van het risico van de verschillende activiteiten inzichtelijk zijn gemaakt. Negatief effect Er zijn zes categorieën gedefinieerd om het effect van een activiteit/overtreding te bepalen: 1.
Fysieke veiligheid In welke mate draagt het voldoen aan de voorschriften bij aan de fysieke veiligheid/zijn de voorschriften bedoeld om de fysieke veiligheid te beschermen? 2. Kwaliteit sociale leefomgeving: In welke mate draagt het voldoen aan de voorschriften bij aan de kwaliteit van de sociale leefomgeving/zijn de voorschriften bedoeld om de sociale leefomgeving te beschermen? 3. Financieel-economisch: Hoe groot is de financieel-economische schade voor de gemeenschap/de gemeente als groepen mensen de voorschriften overtreden? 4. Natuur: In welke mate draagt het voldoen aan de voorschriften bij aan het natuur- en stadschoon/zijn de voorschriften bedoeld om het natuur- en stadsschoon te beschermen? 5. Volksgezondheid In welke mate draagt het voldoen aan de voorschriften bij aan de volksgezondheid/zijn de voorschriften bedoeld de volksgezondheid te beschermen? 6. Imago: Hoe groot is de politiek-bestuurlijke afbreuk als de voorschriften niet worden nageleefd? Kans De kans dat regels worden overtreden hangt af van drie factoren: 1. 2.
Bekendheid met de regels Nut van de regels
24
3.
Bewustheid van het overtreden
Ook deze factoren krijgen een score van 0 (zeer goed bekend/zeer veel nut/ nauwelijks bewust overtreden) tot en met 5 (niet bekend/geen nut/altijd bewust overtreden). Analyse De analyse geeft inzicht in de risico’s van activiteiten voor een specifieke situatie. Hierbij is het goed te vermelden dat niet alle reguliere activiteiten in de analyse zijn opgenomen. Door de vakspecialisten is voorafgaand aan de analyse een selectie gemaakt van de activiteiten. Dit is zowel een retrospectieve analyse geweest en er is gekeken naar de prioriteiten voor de komende jaren. Deze voorselectie van activiteiten is opgenomen in de risicomatrix en hierbij is een onderverdeling gemaakt in vier categorieën. Deze categorieën corresponderen met de categorieën uit de Kadernota Integraal Veiligheidsbeleid gemeente Asten 2019-2022. De categorieën zijn: 1. Woon- en Leefomgeving 2. Bedrijvigheid/Milieu 3. Jeugd en horeca 4. Fysieke kwaliteiten (brandveiligheid en gezondheid) 5. Integriteit en Veiligheid Op basis van de matrix zijn door de vakspecialisten en het bestuur de prioriteiten bepaald ten aanzien van de activiteiten (overtredingen) in het VTH-domein. Hierbij hebben zij niet alleen rekening gehouden met de huidige wet- en regelgeving maar ook gekeken naar ontwikkelingen die nog verwacht worden in de nabije toekomst. In de volgende paragraaf treft u de uitkomsten van de analyse aan.
5.2 Prioriteitstelling In de vorige paragraaf is het model voor het uitvoeren van een risicoanalyse gepresenteerd. Hieronder treft u per thema een beknopte beschrijving aan van het thema en de voornaamste prioriteiten. 5.2.1 Woon- en leefomgeving In dit thema staat de leefbaarheid van de wijk, de buurt en de straat centraal. Uit de risicomatrix komen de volgende drie prioriteiten naar voren: Milieuovertredingen en overlast buiten een inrichting Slopen met asbest en slopen met vergunning Lichte overtredingen APV De prioriteiten binnen dit thema richten zich dus op het voorkomen van en het optreden tegen overtredingen die schadelijk zijn voor het milieu en de leefomgeving (APV) maar welke niet door bedrijven worden verricht. Daarnaast heeft het verwijderen van asbest, het slopen van grote werken en het toezicht daarop prioriteit. 5.2.2 Bedrijvigheid/Milieu In dit thema staat het werken en ondernemen in de gemeente Asten centraal. De prioritering binnen dit thema is regionaal bepaald. De samenwerkingspartners hebben voor de beleidsvorming een milieurisicoanalyse gemaakt. De manier waarop de uitvoering en handhaving van milieutaken tot stand moet komen is afhankelijk van het milieurisico.
De branches waar het milieurisico het hoogst is, zijn: Industrie: afval(water)beheer; Industrie: chemische industrie; grootschalige opslag gevaarlijke stoffen, Bevi, Brzo; Agrarische sector; veehouderij (IPPC); Industrie; transport- en distributiebedrijven; Agrarische sector, veehouderij (niet IPPC); Bijeenkomstfunctie; horeca – cafés en discotheken (hard), maar ook buurthuizen; Industrie; energie en waterbedrijven; Industrie; mengvoederindustrie; Industrie; rubber- en kunststofbedrijven; Industrie; voedingsmiddelenindustrie. De volledige risicoanalyse is te vinden in bijlage 2. Risicogericht werken 25
In het regionale beleid wordt vastgelegd welke doelen de regio (ODZOB-verband) zichzelf stelt en welke activiteiten daartoe uitgevoerd zullen worden. Bij de uitvoering en handhaving van milieutaken wordt gebruik gemaakt van de risicoanalyse. De implementatie van het risicogericht werken wordt in twee regionale beleidstukken verwoord en volgt in uitvoeringsprogramma’s. Deze worden periodiek geëvalueerd. Uitgaande van het risico kan bij vergunningverlening gekeken worden naar bijvoorbeeld de uitgebreidheid van toetsen of de frequentie van het actualiseren van voorschriften. Bij toezicht & handhaving kan afhankelijk van het risico bijvoorbeeld afgewogen worden hoe vaak een inrichting bezocht wordt. De risicoanalyse en het risicogericht werken is de basis bij zowel vergunningverlening als toezicht & handhaving. Dit wordt in de paragrafen 6.1 en 6.4 nader toegelicht. Gemeentelijke ambitie Lokaal kan (op onderdelen) een hoger niveau van vergunningverlening en toezicht & handhaving gewenst zijn. In de uitvoering van milieutaken wordt daarom altijd rekening gehouden met het lokale beleid. De milieu-ambities van de gemeente Asten staan verwoord in paragrafen 6.1 en 6.4. 5.2.3 Jeugd en horeca De toekomst van de gemeente ligt in de handen van de jeugd. Zij moeten in een goede en veilige omgeving kunnen opgroeien.
Hierbij is ook de koppeling gemaakt met het horecabezoek van jongeren en alcoholpreventie. Uit de risicomatrix komende de volgende prioriteiten naar voren: Leeftijdsgrenzen horeca – alcoholpreventie Evenementen met vergunning In navolging van de landelijke campagne ‘Nix 18’ heeft ook alcoholpreventie in de gemeente Asten prioriteit. Daarnaast is het belangrijk om toezicht te houden en te handhaven tijdens de grotere evenementen (met vergunning). 5.2.4 Fysieke kwaliteiten In het fysieke domein zijn de fysieke kwaliteiten van de verschillende activiteiten cruciaal. Voor diverse activiteiten is toetsing op constructieve veiligheid, brandveiligheid en volksgezondheid. Binnen dit thema zijn diverse onderwerpen met een hogere prioriteit. De voornaamste drie betreffen: Kamergewijze verhuur en huisvesting van arbeidsmigranten Kampeerterreinen/vakantieparken Gebouwen met een dagverblijffunctie > 50 personen De gemeente Asten ziet een toename in het aantal arbeidsmigranten die zich vestigen in onze gemeente. Dit moet veilig gebeuren. Vanuit dit oogpunt moet er bij de vergunningverlening maar ook in het toezicht en handhaving goed gekeken worden naar de veiligheidsaspecten rondom constructie, volksgezondheid en brandveiligheid.
In navolging van de landelijke trend om misstanden op vakantieparken/campings aan te pakken wordt ook in Asten verdere invulling gegeven aan deze aanpak. In 2020 starten we met dit project. Verder ligt de prioriteit in 2020 op gebouwen waarin aan meer dan 50 personen dagverblijf wordt verschaft. In deze categorie vallen onder andere horeca, scholen, gemeenschapshuis. 5.2.5 Integriteit en veiligheid Dit thema sluit direct aan bij de Kadernota Integraal Veiligheidsbeleid 2019-2022 gemeente Asten. Onder dit thema vallen activiteiten die meer fundamenteel onze rechtsorde en veiligheid bedreigen. Aan de volgende drie onderwerpen werd de hoogste prioriteit gegeven: Drugs en drugsafval Overlast leefbaarheid Ondermijnende criminaliteit Het bestrijden van drugs en drugsafval heeft een hoge prioriteit. Ook overlast die de leefbaarheid van de kernen aantast kent een hoge prioriteit. Hierbij moet gedacht worden aan verwarde personen op straat en hangjongeren. Deze verslechteren het gevoel van veiligheid. Ondermijnende criminaliteit kan op verschillende vlakken zijn. Voor toezicht en handhaving ligt deze vooral op het gebruik van objecten/panden voor andere doeleinden
26
dan bestemd en op personen die misbruik maken van de voorzieningen binnen de gemeente. Hierboven zijn per thema de grootste prioriteiten gepresenteerd. De rode draad in het VTH-beleid is dat de inschatting van de risico’s voor de leefomgeving doorslaggevend is voor de prioriteiten die we stellen bij het stimuleren of afdwingen van het naleefgedrag. Let op: hierbij maken we ook keuzes. Deze keuzes worden gevormd door verschillende factoren. Als eerste is de Toekomstagenda Asten2030 bepalend. Hierin zijn onze kernopgaven opgenomen. Zoals eerder valt te lezen, kiezen wij ook voor een bepaalde mate van eigen verantwoordelijkheid van de burgers. Het naleefgedrag is hierbij medebepalend voor de mate waarin verantwoordelijkheid wordt gegeven. Als laatste merken wij op dat, mede gelet op de wettelijke taken, ook keuzes gemaakt moeten worden. Er zal immers nooit voldoende capaciteit zijn om alle taken uitputtend uit te voeren. Hieronder gaan wij in op de prioriteitstelling per taakveld. 5.3 Vergunningverlening Vergunningverlening is een vraag gestuurd proces. Dit wil zeggen dat de gemeente afhankelijk is van de aanvraag die wordt ingediend. In de risicoanalyse zijn verschillende activiteiten opgenomen die voornamelijk van toepassing zijn op het verlenen van vergunningen.
Belangrijk hierbij is de uitgebreidheid van toetsing van de aanvraag in relatie tot het mogelijke risico dat ontstaat bij een laag naleefgedrag van de regels. De analyse geeft dus een inzicht in waar de risico’s zich voordoen en geeft op deze wijze een handvat voor het maken van keuzes in zowel de toetsing als toezicht en handhaving. Uitgangspunt is daarbij dat risico’s beheersbaar en controleerbaar horen te zijn. Daarom stellen we niveaus vast en de aspecten waarop we vergunningsaanvragen toetsen. Een nadere uitwerking hiervan treft u aan in hoofdstuk 6. Om het proces van vergunningverlening te verbeteren starten we per februari 2021 met de werkgroep complexe aanvragen. Complexe aanvragen betreffen aanvragen die in verband staan met andere lopende procedures zoals handhavingsprocedures maar het kan ook gaan om aanvragen voor nieuwe innovatieve stalsystemen. Om de voortgang en voortvarendheid van het vergunningverlening te borgen komt de werkgroep complexe aanvragen maandelijks bij elkaar om het verloop van de lijst complexe aanvragen integraal te bespreken. Afgezien van de tijd voor het afstemmingsoverleg en de voorbereidingstijd gaat het om afstemming van de reguliere werkzaamheden van interne betrokken medewerkers alsmede betrokken medewerkers van de Omgevingsdienst.
5.4 Toezicht en handhaving Zoals al eerder aangegeven hoeft niet voor iedere activiteit een vergunning verleend te worden. Onder de Omgevingswet komen meer vergunningvrije mogelijkheden, of
gaat veel van vergunningplicht naar melding. Dit stelsel is nog in beweging. Wij moeten hierin dan ook nog keuzes maken. Het is van belang dat dit goed gecommuniceerd en afgestemd wordt (zowel intern als extern). In de analyse zijn daarom ook activiteiten opgenomen waarvoor geen vergunning hoeft te worden verleend, maar waar wel prioriteit aan toegekend is. De prioritering in het milieudomein ten aanzien van toezicht en handhaving heeft regionaal plaatsgevonden. Hierover zijn afspraken gemaakt met de Omgevingsdienst Zuid-Oost Brabant. 5.5 Prioriteitsteling vs. Toekomstagenda Asten2030 De gemeente Asten heeft in samenspraak met haar inwoners de Toekomstagenda Asten2030 opgesteld. De Toekomstagenda geeft weer wat Asten in 2030 bereikt wil hebben. Hiervoor zijn vier maatschappelijke opgaven benoemd, te weten: Transformatie Buitengebied Vitale Kernen Centrumontwikkeling Klimaatbestendig en energieneutraal Asten Voor elk van deze maatschappelijke opgaven is een programma. De programmamanager van de betreffende maatschappelijke opgave initieert, ontwikkelt en monitort projecten die bijdragen aan de verwezenlijking van onze Toekomstagenda.
27
De werkzaamheden en activiteiten die uitgevoerd worden binnen het fysiek domein zijn allemaal in meer of mindere mate van invloed op het realiseren van onze maatschappelijke opgaven. Om de juiste dingen te doen ter verwezenlijking van de vier genoemde maatschappelijke opgaven zijn de activiteiten inclusief de bijbehorende prioritering afgezet tegen de vier maatschappelijke opgaven. Er is bepaald of het uitvoeren van een activiteit bijdraagt aan de verwezenlijking van een of meer van de maatschappelijke opgaven. Hierbij is tevens bepaald of de activiteit dan bijdraagt qua vergunningverlening, qua toezicht en handhaving of voor vergunningverlening, toezicht en handhaving. Voorbeeld 1 Uit de risicomatrix is gebleken dat drugs en drugsafval de hoogste prioriteit (prioriteit 1) hebben. Drugs en drugsafval is voor alle vier de maatschappelijke opgaven relevant. We willen immers geen drugslaboratoria in bijvoorbeeld leegstaande gebouwen in het buitengebied. Voor vitale kernen is het zaak dat we geen drugs in onze kernen hebben en drugs mag ook niet de aanjager zijn voor een goede centrumontwikkeling. Daarnaast levert drugs en drugsafval een gevaar voor het milieu en de volksgezondheid op. Dus ook voor een klimaatbestendig en energieneutraal Asten is het zaak dat we ingrijpen op drugs.
Voorbeeld 2 Gebouwen met een beperkte nachtverblijfsfunctie (minder dan 10 personen), zoals bed & breakfasts, pensions en zorgwoningen, zijn activiteiten waarvoor een vergunning wordt verleend en waar toezicht op gehouden kan worden. Deze worden voornamelijk getoetst op constructieve en brandveiligheid bij vergunningverlening. In het toezicht vergen deze geen extra capaciteit. Een controle van de gestelde veiligheidsvoorschriften bij oplevering is vaak voldoende. Als we deze activiteit spiegelen aan de vier maatschappelijke opgaven dan levert deze activiteit een bijdrage aan de opgaven: vitale kernen en centrumontwikkeling. We willen kernen waarin het aangenaam is om te wonen. Het realiseren van bijvoorbeeld zorgwoningen vergroot de leefbaarheid en de toekomstbestendigheid van de kernen. Het zorgen voor Bed & Breakfasts levert daarbij ook nog eens een voedingsbodem voor centrumontwikkelingen. Het realiseren van gebouwen met een beperkte nachtverblijfsfunctie levert niet direct een bijdrage aan de andere twee opgaven. In dit voorbeeld betekent dit dus dat het realiseren van een gebouw met beperkte nachtverblijfsfunctie welke bijdraagt aan het realiseren van de twee genoemde maatschappelijke opgaven voor wat betreft vergunningverlening prioriteit (en dus capaciteit) krijgt.
In bijlage 4 treft u een overzicht van alle geprioriteerde activiteiten in relatie tot de Toekomstagenda Asten2030 aan. Hiermee is de basis gelegd voor het Uitvoeringsprogramma. Zoals eerder opgemerkt vormen de wettelijke taken en de hoogste prioriteiten uit de risicomatrix onze eerste taken. De overige activiteiten zullen beoordeeld worden aan de hand van de Toekomstagenda Asten2030. NB: het komende jaar zal verder gewerkt worden aan een concrete doorvertaling van de Toekomstagenda Asten2030 naar doelen voor het beleidskader VTH 2021.
6. Strategieën Om de bestuurlijke visie van Asten te realiseren worden de toetsings- en handhavingsinstrumenten ingezet. De instrumenten kunnen op verschillende wijzen worden ingezet. Deze mogelijkheden zijn vertaald in strategieën. Uitgangspunt is dat burgers en bedrijven op de hoogte zijn van de geldende regels. Eerst wordt de vergunningenstrategie beschreven alvorens de toezichts- en handhavingsstrategieën uiteen worden gezet. 6.1 Vergunningenstrategie Het is de verantwoordelijkheid van de aanvrager om een goede, complete aanvraag in te dienen. Dit is het systeem van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Op basis van die aanvraag wordt een omgevingsvergunning verleend. Indien een aanvrager niet alle voor het project relevante activiteiten aanvraagt zal hij bijvoorbeeld altijd gewezen worden op de ontbrekende delen van de aanvraag. De gemeente Asten wenst niet alleen te fungeren als toetser maar juist ook als adviseur van de aanvrager. Hierbij is nog steeds de aanvrager primair verantwoordelijk. Dit strookt met ons concept van facili-leren. 28
Eerder bespraken wij de succesfactoren om onze visie te realiseren. Onder A stelden wij dat wij onze burger en onze collega dienden te kennen. De vraag van de burger is soms ingewikkeld. Voor het realiseren van een project kunnen immers diverse activiteiten nodig zijn. En niet alles past binnen bestaande regels. Soms moeten aanvragen, zoals bij verzoeken tot afwijking van het bestemmingsplan, ook beoordeeld worden op de ruimtelijke aanvaardbaarheid. Of een aanvraag nu eenvoudig, enkelvoudig, moeilijk of meervoudig is, elke vraag verlangt een adequaat en snel antwoord. De gemeente werkt daarom met casemanagers, zodat burgers dat antwoord van één persoon krijgen. Deze casemanagers zorgen intern dat zij de noodzakelijke antwoorden krijgen en hiervoor moeten zij hun collega’s kennen. Iedere aanvraag heeft zijn eigen antwoord, maar ook zijn eigen wettelijke procedure. Deze staan in de wet vermeld en zullen wij hier niet verder behandelen. Wel relevant is hoe de aanvragen intern getoetst worden. Naast de eerder genoemde toetsingskaders (3.1.2) zoals het bestemmingsplan, welstand en omgevingsveiligheid moeten aanvragen veelal ook getoetst worden aan het Bouwbesluit. Met de Omgevingswet komen er andere wettelijke kaders, zoals BBL en het BAL. De wijzigingen die deze met zich meebrengen worden geïnventariseerd.
In de praktijk is het onmogelijk en niet gebruikelijk om bouwplannen volledig te toetsen aan alle voorschriften van het Bouwbesluit. Tegelijkertijd roept dat de vraag op hoe de toetspraktijk dan wel op een inzichtelijke en verantwoorde manier geregeld kan worden. Tegen die achtergrond heeft de vereniging BWT Nederland een aantal jaren geleden het initiatief genomen tot een project, waaraan een aantal gemeenten heeft deelgenomen. Dit project droeg de naam Collectieve Kwaliteits-normering Bouwvergunningen (CKB). Doel van dat project was om een toetsingsprotocol te ontwikkelen, dat voorziet in de behoefte aan een praktisch hanteerbare toetsingsnorm. Uit het project is een verzameling toetsingsnormen voortgekomen, die gelden als het minimale toetsniveau. Het project spoort gemeenten aan om zich minimaal te conformeren aan dit toetsniveau. De normen, die het CKB heeft vastgesteld, zijn vertaald in een matrix, die gebaseerd is op de gebruiksfuncties en thema’s van het Bouwbesluit. Per categorie wordt een toetsniveau aangegeven. Deze matrix is aangepast aan het Bouwbesluit 2012. De nieuwe matrix (LTB 2012) kent afdelingen met afzonderlijke categorieën, waaraan een standaard toetsniveau is toegekend. De matrix fungeert als samenvatting van gemeentelijk toetsbeleid en als praktische hulpmiddel bij de uitvoering van de bouwplantoetsing.
De laatste versie is gepubliceerd op 23 november 2018. De Inspectie Leefomgeving en Transport, die toeziet op de bouwkwaliteit en de wijze waarop gemeenten die bewaken, heeft ingestemd met de CKB-normen. De betekenis daarvan is, dat de inspectie deze normen ziet als een aanvaardbaar niveau van bouwplantoetsing. Toetsingsniveaus Aanvragen worden getoetst op verschillende niveaus. Het niveau van toetsing is afhankelijk van het risico, de complexheid, de historie en de prioriteit. We werken met vier toetsingsniveaus. Niveau 1: Uitgangspuntentoets Bevatten de stukken voldoende informatie over de uitgangspunten? Gecontroleerd wordt of de globale uitgangspunten op de stukken die zijn aangeleverd om het desbetreffende aspect te kunnen toetsen, in voldoende mate en in samenhang zijn weergegeven. Niveau 2: visueel toetsen Kloppen de uitgangspunten en lijken de uitkomsten aannemelijk? Gecontroleerd wordt of de uitgangspunten op de stukken die zijn aangeleverd om het betreffende aspect te kunnen toetsen in de juiste vorm zijn, waarbij van ieder te toetsen aspect wordt nagegaan of de uitgangspunten juist zijn en of de uitkomsten aannemelijk zijn. Niveau 3: representatief toetsen
29
Controle van de maatgevende onderdelen. Gecontroleerd wordt of de uitgangspunten op de aangeleverde stukken om het betreffende aspect te kunnen toetsen in de juiste vorm zijn ingediend. Van ieder te toetsen aspect wordt nagegaan of de uitgangspunten juist zijn en of de uitkomsten aannemelijk zijn. De maatgevende berekeningen worden gecontroleerd, dan wel nagerekend. Niveau 4: volledig toetsen Alles wordt in samenhang gecontroleerd. Gecontroleerd wordt of de uitgangspunten op de stukken, aangeleverd om het betreffende aspect te kunnen toetsen, in de juiste vorm zijn. Van ieder te toetsen aspect wordt nagegaan of de uitgangspunten juist zijn en worden de uitkomsten gecontroleerd/nagerekend. De gemeente Asten wenst de landelijke toetsmatrix zoals hierboven verwoord door te vertalen in een Astense toetsmatrix. Uitgangspunt hierbij zijn de uitkomsten van de risicomatrix zoals verwoord in paragraaf 5.1. Regionaal uitvoeringsbeleid vergunningverlening milieu Het RUV is een onderdeel van het Regionaal Operationeel Kader. De implementatie is in 2019/2020 gestart maar kost meer tijd dan de ODZOB had verwacht. We wachten nog op het implementatieplan voor 2021. Het RUV beschrijft de strategieën die door de ODZOB gehanteerd worden bij de uitvoering van milieutaken bij vergunningverlening voor gemeenten.
Het RUV vormt de basis voor het nog op te stellen regionale uitvoeringsprogramma voor vergunningverlening. De uitgangspunten van dit kader zijn vooralsnog: Vergunningverlening is geen doel op zich, maar een middel om resultaten te bereiken in de bescherming van de fysieke leefomgeving in termen van veiligheid, duurzaamheid en gezondheid. De zorg voor milieu en veiligheid is primair een verantwoordelijkheid van bedrijven en instellingen. Dit impliceert ook het tijdig melden of aanvragen van activiteiten en rekening houden met omgevingsbelangen. Straks geldt des te meer de specifieke zorgplicht onder de Omgevingswet; Vergunningverlening wordt uniform uitgevoerd met gelijk speelveld voor bedrijven en maatwerk voor bedrijfsspecifieke processen of omgeving. Vergunningen zijn helder, duidelijk en maar op één manier uitlegbaar; Vergunningverlening en actualisatie van vergunningen worden zoveel mogelijk risicogericht (en informatie gestuurd) uitgevoerd. De uitgangspunten sluiten logischerwijs aan bij ROK. Ook aan het RUV ligt de risicoanalyse voor milieu ten grondslag. Uitvoeringsprogramma Met het RUV wordt een basis gelegd voor het nog op te stellen regionale uitvoeringsprogramma. In het programma volgt een vertaling van het RUV gericht op de uitvoering van vergunningverlening, mogelijk (net als bij toezicht en handhaving) ook branchegericht.
Evaluatie Ook het RUV wordt gemonitord en waar nodig aangepast. Het uitvoeringsprogramma wordt (waarschijnlijk) jaarlijks geëvalueerd en waar nodig bijgestuurd. 6.2 Samenwerken bij de vergunningverlening De casemanager beoordeelt de ingediende aanvraag. Vanuit zijn expertise weet hij wie hij binnen zijn netwerk bij de aanvraag moet betrekken. Dit kan intern zijn, maar dat kan ook een externe partner zijn. Bijvoorbeeld kan hij zijn ‘collega’ van de ODZOB of de VRBZO vragen om advies. In het kader van de Omgevingswet wordt het werkproces geoptimaliseerd. Niet alleen intern, maar ook extern samen met de ketenpartners. Dit leidt uiteindelijk tot nieuwe werkafspraken en een aangepaste PDC. Deze afspraken vormen straks de basis voor ons gedigitaliseerde werkproces (in de nieuwe VTH-applicatie PowerBrowser), zodat sneller en soepeler kan worden samengewerkt en de kortere procedures zoals gelden onder de Omgevingswet behaald kunnen worden. Daarnaast zijn er gemeentelijke VTH-taken als basistaak overgeheveld naar de ODZOB/VRBZO en een deel als verzoektaak. Omdat alle VTH-taken door of namens het 30
college worden uitgevoerd is samenwerking essentieel. Bij bestuurlijke gevoelige zaken is afstemming met het college/portefeuillehouder noodzakelijk. Aanvragen met betrekking tot brandveiligheid worden als verzoektaak getoetst door de Veiligheidsregio. Daarnaast raadplegen wij bij aanvragen met betrekking tot bouwen en/of monumenten de welstandscommissie, respectievelijk de monumentencommissie. Om het proces van vergunningverlening te verbeteren starten we per februari 2021 met de werkgroep complexe aanvragen. Complexe aanvragen betreffen aanvragen die in verband staan met andere lopende procedures zoals handhavingsprocedures maar het kan ook gaan om aanvragen voor nieuwe innovatieve stalsystemen. De werkgroep complexe aanvragen bewaakt de integraliteit van complexe dossiers en zorgt voor afstemming van de werkzaamheden van betrokken medewerkers bij de gemeente alsook bij de Omgevingsdienst. Tevens zorgt de werkgroep voor tijdige bestuurlijke afstemming. Afgezien van de tijd voor het maandelijkse overleg en voorbereidingstijd gaat het om afstemming van reguliere werkzaamheden. Daar waar nodig kan de werkgroep aanvullende benodigde expertise inschakelen om de voortgang van het vergunningverleningsproces te borgen. 6.3 Handhavingsstrategieën Toezichtstrategie Toezicht kan zich richten op een specifieke doelgroep waar extra aandacht voor is vereist.
Controles worden uitgevoerd op basis van de prioritering, op grond van (regionale) projecten en klachten en meldingen. Door het uitvoeren van controles kunnen overtredingen worden voorkomen. Daarnaast kunnen gebreken tijdig worden gesignaleerd, zodat deze eenvoudig hersteld kunnen worden en kunnen burgers en ondernemers tijdig op hun zorgplicht gewezen worden. De volgende randvoorwaarden zijn van toepassing: 1. Maatwerk leveren per doelgroep. 2. Verantwoordelijkheid ligt bij de bedrijven, instellingen en particulieren. 3. Als uitgangspunt van de handhaving geldt een strikte eenduidige lijn in het optreden tegen overtredingen. Op het moment dat een overtreding wordt geconstateerd, wordt niet gediscussieerd over de inhoud van de norm. 4. Doel is naleving van de regels, niet handhaving op zichzelf. 5. De gemeente heeft een voorbeeldfunctie. Sanctiestrategie Met de vaststelling van dit beleidsplan stelt het college van burgemeester en wethouders eveneens de Landelijke Handhavingsstrategie (LHS) vast. De LHS is een sanctiestrategie die bepaalt hoe en wanneer wordt opgetreden bij overtredingen van de wetgeving. De LHS wordt door de gemeente Asten voor alle toezicht- en handhavingstaken met betrekking tot de omgevingstaken vastgesteld. Handhavingsinspanning Zoals reeds aangegeven is er een prioritering ten aanzien van de VTH-taken gemaakt.
Aan de hand van deze prioritering kan per VTH-taak een strategie worden opgesteld, die de basis vormt voor het jaarlijks vast te stellen uitvoeringsprogramma. Hierdoor kan er een bepaalde handhavingsinspanning toegeschreven worden aan een handhavingsactiviteit. In het uitvoeringsprogramma worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: 1. Actief handhaven Bij actief handhaven wordt systematisch, gestructureerd en volgens een vaste controlefrequentie toezicht gehouden. Er wordt met een scherp oog op toegezien dat geen overtredingen kunnen plaatsvinden. Er wordt dus proactief gehandhaafd om mogelijke overtredingen tegen te gaan. De VTH onderdelen met de hoge prioriteiten zullen in principe actief worden gehandhaafd. 2. Thematisch handhaven Bij thematisch handhaven wordt thematisch, projectmatig en steekproefsgewijs gecontroleerd op de naleving van wet- en regelgeving. Een voorbeeld van thematisch handhaven is het proactief handhaven bij evenementen om overtredingen te voorkomen. Een voorbeeld van projectmatig handhaven is het ITV en VAB project. Bij het thematisch
31
of projectmatig handhaven worden afzonderlijke uitgangspunten/prioriteiten vastgelegd. Deze zullen onderdeel uitmaken van het op te stellen uitvoeringsprogramma. De VTHtaken met de prioriteit middel zullen in principe thematisch worden gehandhaafd. 3. Passief handhaven Bij passief handhaven wordt alleen gehandhaafd op basis van klachten of meldingen over overtredingen. De VTH-taken met de prioriteiten laag zullen in principe passief worden gehandhaafd. 4. Preventieve handhaving Op basis van klachtmeldingen, systeemanalyse en ontwikkelingen spelen we in om overtredingen te voorkomen. Dit kan door communicatie, maar ook door in gesprek te gaan met burgers en bedrijven. Afzien van handhaving Wanneer een overtreding wordt geconstateerd wordt eerst bepaald of er moet worden gehandhaafd. Wanneer er zicht op legalisatie is kan worden afgezien van handhaving. Zicht op legalisatie volstaat wanneer er binnen overzienbare termijn gelegaliseerd kan worden. Het is onvoldoende dat legalisatie van de overtreding mogelijk is. Daarnaast kan afgezien worden van handhaving wanneer dit leidt tot een ongewenste situatie, het achterliggende belang beter gediend is met gedogen of wanneer er sprake is van een zwaarwegend belang dat gedogen rechtvaardigt. Het college neemt dan een gedoogbeschikking. Zie hiervoor gedoogstrategie.
Keuze strafrecht en/of bestuursrecht Wanneer de overtreding niet gelegaliseerd kan worden of wordt gedoogd, wordt bepaald wanneer en op welke wijze wordt gehandhaafd. Bij professionele handhaving moet sprake zijn van “een op elkaar afgestemd bestuursrechtelijk en strafrechtelijk optreden tegen overtreding van gestelde normen”. Dit is ook opgenomen in de LHS. Wanneer strafrecht van toepassing is wordt in het geval van milieuovertredingen het Regionaal Milieu Team (RMT) van de politie op de hoogte gebracht van de overtreding. Bij overige overtredingen doet het gemeentebestuur aangifte bij de lokale basiseenheid. Zij zorgen voor afstemming met het openbaar ministerie. Een belangrijke verandering in de Omgevingswet ten opzichte van het geldende omgevingsrecht is, dat de bestuurlijke boete (veel) vaker kan worden toegepast. In de praktijk zal dat vooral gebeuren op het gebied van bouwen, monumentenzorg, natuurbescherming (vooral administratieve ‘CITES-feiten’) en milieu (emissiehandel en Brzo). Vooral voor gemeenten zal dat meer mogelijkheden geven.
Concreet gaat het straks om: milieuregels Seveso-richtlijn (artikel 18.11 OW – nieuw) regels over bouwen, slopen, gebruik en in stand houden van bouwwerken (artikel 18.12 Ow – nu alleen 92a Woningwet) erfgoedregels (artikel 18.13 OW – nieuw) beperkingengebied luchthaven (artikel 18.14 OW) beperkingengebied spoor (artikel 18.15 OW) regels handel dieren, planten, hout of producten daarvan (artikel 18.15a OW) De boetes die genoemd worden in de Omgevingswet zijn niet mis. De hoogste boetes voor Seveso-overtredingen zijn van de zesde categorie (€ 820.000) Gedoogstrategie Uitgangspunt bij het opstellen van wetten en regels is dat deze regels worden nageleefd. Wanneer het bestuur afziet van handhaving, wordt er gesproken van gedogen. Daarnaast kan het bestuur ook voordat er een overtreding plaatsvindt verklaren dat er niet gehandhaafd wordt. In beide gevallen wordt gesproken van actief gedogen. Omdat regelgeving en beleid niet in alle omstandigheden kan voorzien, kan gedogen soms nodig zijn. Echter, alleen in uitzonderingsgevallen is gedogen aanvaardbaar. In 2021 bekijken we ook wat de conclusie van de staatsraad-advocaat generaal Widdershoven (16 januari 2019) voor de Astense praktijk betekent. Naast actief gedogen, bestaat ook passief gedogen. Van passief gedogen is sprake wanneer bewust niet wordt gehandhaafd.
Tevens kan er sprake zijn van passief gedogen indien een opgelegde last onder dwangsom/bestuursdwang de begunstigingstermijn 32
dusdanig ruim is gesteld dat deze niet in verhouding staat tot de opgelegde last. Passief gedogen is niet wenselijk. Actief gedogen is slechts aanvaardbaar in uitzonderingssituaties, mits deze zijn beperkt in omvang en/of tijd. Daarnaast vindt gedogen plaats na een zorgvuldige belangenafweging en wordt deze aan controle onderworpen. Gedogen mag er niet voor zorgen dat er sprake is van extra hinder en/of overlast die voor de omgeving onevenredig groot wordt. Daarnaast is gedogen niet mogelijk wanneer de gedoogsituatie leidt tot een onomkeerbare situatie die niet-wenselijk is. Ten slotte mag recidiverend of bewust calculerend gedrag niet beloond worden door middel van gedogen. De afweging of gedogen mogelijk is, is afhankelijk of het een overgangssituatie is (dus op korte termijn legaliseerbaar/vergunbaar) of een overmachtssituatie (zodanig uitzonderlijke omstandigheden en risico beheersbaar dat tijdelijk tegen een overtreding niet wordt opgetreden (max 6 maanden). In overige situaties ligt het niet voor de hand om over te gaan tot gedogen van een overtreding. Communicatiestrategie Communicatie rond handhaving moet duidelijk zijn en eenduidig plaatsvinden. De communicatie rond handhaving draagt bij aan het vertrouwen van de burger in de overheid. Het optreden van de overheid bevestigt immers dat de gemeente haar burgers aan de spelregels houdt.
Daarnaast gaat van de communicatie over handhaving een preventieve werking uit. Concreet betekent dit dat beleidswijzigingen en handhavingsresultaten actief bekend worden gemaakt. Aanwending van rechtsmiddelen tegen sanctiemaatregelen De Algemene wet bestuursrecht kent aan een overtreder de mogelijkheid toe om het sanctiebesluit te laten heroverwegen (bezwaar) of te laten toetsen (beroep en hoger beroep). Bij het instellen van een bezwaar, beroep of hoger beroep verlengen wij in beginsel de begunstigingstermijn tot zes weken na de beslissing op bezwaar of de uitspraak in (hoger) beroep. Het verlengen van de begunstigingstermijn wordt niet gedaan in spoedeisende situaties, zoals bij directe aantasting van de openbare orde of direct gevaar voor de veiligheid van personen (volksgezondheid, brandveiligheid, constructieve veiligheid). 6.4. Regionaal operationeel kader (ROK) milieutoezicht Het algemeen bestuur van de ODZOB heeft op 22 november 2018 het Regionaal Operationeel Kader (ROK) milieutoezicht vastgesteld. Het ROK beschrijft de strategieën die door de ODZOB gehanteerd worden bij toezicht en handhaving van milieutaken voor gemeenten. Het ROK vormt de basis voor het nog op te stellen regionale uitvoeringsprogramma voor toezicht en handhaving.
De uitgangspunten van dit kader zijn: Naleving van de wet- en regelgeving is primair de eigen verantwoordelijkheid van bedrijven en instellingen, de Omgevingswet legt deze zorgplicht nadrukkelijker vast. Toezicht en handhaving zijn geen doelen op zich, maar middelen om doelstellingen te bereiken. Uiteindelijk gaat het er bij de uitvoering van wettelijk taken om wat het resultaat daarvan is in de fysieke leefomgeving; Toezicht wordt zoveel mogelijke risicogericht en informatiegestuurd uitgevoerd. Dit betekent dat de beschikbare capaciteit daar wordt ingezet waar de risico’s voor de omgeving het grootst zijn als gevolg van slechte naleving. Daarbij wordt gebruik gemaakt van (een mix aan) verschillende instrumenten; Handhaving geschiedt op een open, eenduidige en voortvarende wijze, waarbij beoogd wordt middels een afgestemde, passende interventie een blijvende gedragsverandering bij een overtreder te realiseren. Het ROK geeft tevens de ontwikkeling aan waar de ODZOB de komende jaren voor wat betreft toezicht en handhaving voor staat. De belangrijkste onderdelen zijn in dat opzicht: een verdere implementatie en verfijning van de methodiek van informatiegestuurde toezicht en handhaving (informatie-uitwisseling partners, naleving- en
33
doelgroepenanalyses), het formuleren van outcomegerichte doelen, het rapporteren daarover (welk probleem wordt er opgelost in de omgeving?) en het beter verwerken van omgevingsfactoren en naleefgedrag bij het bepalen van de toezicht- en handhavingsfrequentie/-inspanning. In de volgende figuur is een voorbeeld aangegeven van de aanpak onder het ROK.
Activiteiten met een hoog risico worden conform het ROK onderworpen aan periodiek toezicht afgestemd op de risico’s, het naleefgedrag en de (veiligheids)cultuur van elk bedrijf. Het uitgangspunt is minimaal 3-jaarlijks preventief toezicht waarbij naast de vergunningsituatie altijd de onderdelen worden doorgelicht die een duidelijke relatie hebben met de thema’s duurzaamheid, veiligheid en gezondheid. De overige (relevante) milieuthema’s komen minimaal eens in de 6 jaar aan bod. Het toezicht heeft, zeker voor de inrichtingen die vallen onder IPPC en Bevi, kenmerken van maatwerk per bedrijf. Daar waar wettelijke verplichtingen zijn opgenomen ten aanzien van het houden van toezicht op bedrijven, zien wij erop toe dat de ODZOB deze bedrijven ook daadwerkelijk controleert conform deze wettelijk verplichtingen. Inrichtingen met een gemiddeld en laag risico worden meer thematisch en incidentgestuurd aangepakt. Bij een gemiddeld risico wordt nagestreefd dat minimaal een keer per 6 jaar preventief toezicht plaatsvindt, gericht op de regionale opgaven op het gebied van duurzaamheid, veiligheid en gezondheid. Bij inrichtingen met een laag risico vindt geen preventief toezicht plaats. Bij deze inrichtingen worden een keer per 10 jaar gescreend door bijvoorbeeld een herijking van het inrichtingenbestand of een herziening of wijziging van het bestemmingsplan.
34
Met het ROK als basis wordt nagestreefd dat milieutoezicht en -handhaving: slimmer en innovatiever is: er wordt rekening gehouden met beschikbare (digitale) middelen; efficiënter is: er worden regionaal methoden ontwikkeld worden die nodig zijn bij toezicht (niet meer individueel nodig); effectiever is: er wordt ingezet op preventie (‘voorkomen is beter dan genezen’); doelgerichter is: het toezicht is probleemgericht en gaat uit van specifieke kenmerken en naleefgedrag van de betreffende sector; en eerlijker is: toezicht en handhaving is regionaal gelijk. Uitvoeringsprogramma Met het ROK is een basis gelegd voor het nog op te stellen regionale uitvoeringsprogramma. In het programma volgt een vertaling van het ROK gericht op de uitvoering van toezicht en handhaving, waarschijnlijk branchegericht. Werkgroepen namens de regio pakken dit aan. Asten zorgt in ieder geval voor betrokkenheid bij de werkgroep rondom de veehouderijbranche. Evaluatie Over het ROK wordt uiterlijk binnen 2 jaar na aanvang verantwoording afgelegd aan het bestuur. De ODZOB zorgt voor waarborging frequenties en kengetallen. Dit wordt periodiek gemonitord. Indien nodig wordt het ROK aangepast. Het uitvoeringsprogramma wordt (waarschijnlijk) jaarlijks geëvalueerd en waar nodig bijgestuurd.
Bij de evaluatie van het ROK in 2020 heeft de Omgevingsdienst vastgesteld dat de nieuwe werkwijze voor het Uitvoeringsprogramma in een groeimodel moet worden opgenomen en niet in één jaar kan worden vertaald in een gewijzigd uitvoeringsmodel. Binnen de gestelde financiële kaders moet de Omgevingsdienst de vertaling naar het ROK model voor het Uitvoeringsprogramma ontwikkelen. 6.5 Aanpak ondermijning Al verschillende jaren is dit thema opgenomen. Dat blijft de komende jaren ook zo; landelijk, provinciaal, regionaal en lokaal. In het huidige coalitieakkoord is het zelfs als een van de speerpunten opgenomen. De Peelgemeenten trekken hierin samen op met veiligheidspartners als politie, Openbaar Ministerie en Belastingdienst. Hiertoe is, onder andere, het Peelland InterventieTeam opgericht (zie paragraaf 5.4). De aanpak is een breed ingezette en ambitieuze beweging. Van de gemeenten wordt, op basis van hun taken en bevoegdheden, een inhoudelijke en regie-voerende bijdrage in de samenwerking verwacht. Niet meedoen is geen optie meer. Daarmee wordt een gemeente, en de opgezette keten, kwetsbaar. Gemeenten, ook Asten, zijn zich meer bewust geworden van de nieuwe rol en taak die zij hebben. Deze bewustwording geldt zowel bestuurlijk als ambtelijk. Dit brengt (nieuw) werk met zich mee.
Het is zaak om de komende beleidsperiode de kwalitatieve en kwantitatieve gemeentelijke inbreng die in de aanpak nodig is op peil te houden. De focus bij de aanpak van ondermijnende criminaliteit ligt op hennepteelt, synthetische drugs, mensenhandel en het buitengebied. Dit sluit aan bij de prioriteiten zoals deze voortvloeien uit de risicomatrix. 6.6 Toezicht en handhaving kinderopvang Het college van burgemeester en wethouders is verantwoordelijk voor toezicht en handhaving van de Wet kinderopvang (Wko) ten aanzien van kindercentra, peuterspeelzalen, gastouderbureaus en voorzieningen voor gastouderopvang. Hierbij wordt het afwegingsmodel handhaving kinderopvang en peuterspeelzalen 2012 van de VNG als uitgangspunt genomen voor de nalevingsstrategie. Omdat in de Wet Kinderopvang een afwijkende toezicht- en sanctiestrategie is opgenomen, wordt deze strategie hier apart beschreven. De gemeente hanteert het afwegingsmodel bij het uitvoeren van de handhavingsacties die nodig zijn als een houder van een kindercentrum, een gastouderbureau, voorziening voor gastouderopvang of een peuterspeelzaal niet voldoet aan één of meer kwaliteitseisen van de Wet kinderopvang en Beleidsregels kwaliteit.