CConstaterende datAsten
Koppel je AI →
Document · PDF

GR22.11.04C 1 Ruimtelijke onderbouwing Hindert 2.pdf

Gemeenteraad 8 november 2022, gemeente AstenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan 'Asten Verzamelplan 2022-1'22.685 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Artikel 11.6 stelt regels voor niet-agrarische ruimtelijke ontwikkelingen; een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel of agrarisch gebied, niet zijnde van een landbouwontwikkelingsgebied of een vestigingsgebied glastuinbouw, kan voorzien in een VAB-vestiging of een uitbreiding van een niet-agrarische ruimtelijke ontwikkeling (onder andere) mits de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een bestemmingsvlak met een omvang van meer dan 5.000 m2. In afwijking van deze voorwaarde kan een bestemmingsplan dat is gelegen in een agrarisch gebied, met inbegrip van een landbouwontwikkelingsgebied of een vestigingsgebied glastuinbouw, voorzien in een VAB-vestiging van een agrarisch-technisch hulpbedrijf, een agrarisch verwant bedrijf of een bedrijf dat geheel of in overwegende mate gericht is op het opwekken van duurzame energie door middel van biomassavergisting mits de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een bestemmingsvlak met een omvang van meer dan 1,5 hectare. Een paardenhouderij op onderhavige VAB-locatie betreft een agrarisch verwant bedrijf waarvan de vestiging op een bouwvlak van 1,5 ha derhalve is toegestaan.

Geconcludeerd kan derhalve worden dat de ontwikkeling niet strijdig is met de vigerende

| bestemmingsplan Asten Hindert 2 2012 | status: vastgesteld |

Pagina | 1 5

Verordening Ruimte 2012.

Ontwerp Verordening Ruimte 2014 Op 2 juli 2013 hebben Gedeputeerde Staten de ontwerp-Verordening Ruimte 2014 vastgesteld. Ten op zichte van de Verordening ruimte 2012 omvat de ontwerp-verordening diverse wijzigingen. Deze hebben in onder andere betrekking op het landbouwbeleid, met name op het beleid voor veehouderijen en de transitie naar zorgvuldige veehouderij en het beleid rond mestverwerking. Artikel 7.12 stelt regels voor agrarisch-technische hulpbedrijven en agrarisch verwante bedrijven. Een bestemmingsplan dat is gelegen in gemengd landelijk gebied kan voorzien in een VAB-vestiging van een agrarisch-technisch hulpbedrijf of een agrarisch verwant bedrijf mits de omvang van het bestemmingsvlak van de beoogde ontwikkeling ten hoogste 1,5 hectare bedraagt. In de Toelichting op artikel 7.12 van de ontwerpverordening is vermeld dat paardenhouderijen niet expliciet worden genoemd als agrarisch verwant bedrijf. Voor zover een paardenhouderij niet overwegend gericht is op het fokken van dieren, zegt de Toelichting, en om die reden dus niet als een agrarisch bedrijf wordt aangemerkt, valt deze onder de begripsomschrijving van 'agrarisch verwant bedrijf'.

De begripsomschrijving luidt: "bedrijf dat geheel of in overwegende mate gericht is op het verlenen van diensten aan particulieren of niet-agrarische bedrijven waarbij gebruik gemaakt wordt van het telen van gewassen, het houden van dieren of het toepassen van andere land-, bos- of natuurbouwkundige methoden, met uitzondering van mestbewerking, -verwerking en vergisting;"

Onderhavige paardenhouderij is aan te merken als een agrarisch verwant bedrijf. De bebouwing is gelegen op een bouwvlak van 1,5 ha en komt in de plaats van een intensief agrarisch bedrijf. Geconcludeerd kan derhalve worden dat onderhavig bestemmingsplan niet in strijd is met het ontwerp van de Verordening Ruimte 2014.

3.2.3

Voorbereidingsbesluit zorgvuldige veehouderij

Provinciale Staten hebben op 20 september 2013 een voorbereidingsbesluit vastgesteld, waarin is vastgelegd dat het vanuit de doelen van de transitie naar een zorgvuldige veehouderij 2020 van belang is om per maatregelen te treffen waardoor alleen nog ontwikkelruimte wordt geboden aan veehouderijen die een betekenisvolle stap zetten richting een zorgvuldige veehouderij, waarbij wordt verklaard dat een wijziging van de Verordening ruimte wordt voorbereid.

| bestemmingsplan Asten Hindert 2 2012 | status: vastgesteld |

Pagina | 1 6

3.2.4

Beleidsregel ruimte-voor-ruimte 2006

De Beleidsregel Ruimte voor Ruimte heeft tot doel de ruimtelijke kwaliteit te verbeteren door, in afwijking van de programmering voor de woningbouw of in afwijking van de regel dat geen burgerwoningen mogen worden toegevoegd aan het buitengebied, de bouw van woningen op passende locaties toe te staan in ruil voor de sloop van agrarische bedrijfsgebouwen die in gebruik zijn of waren voor de intensieve veehouderij. Aangetoond moet worden dat milieuwinst plaatsvindt. De beleidsregel Ruimte voor Ruimte is verankerd in de Verordening ruimte (artikel 11). In deze paragraaf wordt de voorgestane herontwikkeling getoetst aan de beleidsregel Ruimte voor Ruimte. De beleidsregel Ruimte voor Ruimte wordt hier per punt besproken en toegepast op onderhavig initiatief: 1. De bouw van woningen is toegestaan als sloop plaatsvindt van agrarische bedrijfsgebouwen met een gezamenlijke oppervlakte van tenminste 1.000 m². Ten behoeve van de realisatie van de Ruimte voor Ruimte woningen zullen in het plangebied in totaal meer dan 2.345 m² aan bedrijfsgebouwen, die in gebruik zijn voor de intensieve veehouderij worden gesloopt. Het omzetten van de bestaande agrarische bedrijfswoning in een burgerwoning is geen ontwikkeling die gepaard dient te gaan met een bijdrage aan de kwaliteitsverbetering van het landschap.

Van de sloop zal 1000 m2 worden ingezet voor de realisatie van de nieuwe agrarische bedrijfswoning en 1000 m2 voor de realisatie van één nieuwe ruimte voor ruimtewoning op de hoek Hindert-Laarbroek. De tweede nieuwe ruimte voor ruimte(burger)woning zal eerst worden gerealiseerd indien elders in de gemeente 1000 m2 aan stallen kunnen worden gesloopt en waarvoor de rechten worden ingetrokken. Derhalve zal voor laatstgenoemde woning een wijzigingsbevoegdheid worden opgenomen in onderhavig bestemmingsplan. In totaal zulen derhalve 2 nieuwe woningen worden gerealiseerd en één bestaande bedrijfswoning de woonbestemming krijgen.

| bestemmingsplan Asten Hindert 2 2012 | status: vastgesteld |

Pagina | 1 7

Luchtfoto huidige bebouwing Hindert 2 2. De bouw van de woningen mag uitsluitend binnen de bebouwde kom plaatsvinden dan wel binnen een kernrandzone of een bebouwingscluster en dient bovendien zoveel mogelijk aan te sluiten op de bestaande bebouwing. Tevens kan een locatie worden benut die in het kader van een structuurvisie door Gedeputeerde Staten als geschikt voor woningbouw is aanvaard. Het plangebied is gelegen in het bebouwingsconcentratie Laarbroek. De realisatie van betreffende woningen wordt optimaal ingepast in het straatbeeld ter plaatse wat bestaat uit langgevelboerderijen en landelijke, ruime vrijstaande woningen. 3. De bouw van de woning dient te passen binnen de ruimtelijke structuur van de gemeente.

Figuur: uitsnede uit plankaart 2, vigerende bestemmingsplan Het plangebied is in het vigerende bestemmingsplan op plankaart 2 aangeduid als gelegen in een bebouwingsconcentratie. Dit is herhaald in de visie Verbrede aanpak Ruimte voor Ruimte en in de Toekomstvisie van de gemeente Asten. De bouw van de woningen is passend binnen de ruimtelijke structuur van de gemeente. De nieuwe woningen passen binnen het ritme van de bestaande bebouwing binnen de bebouwingsconcentratie. 4. De bouw van woningen in de groene hoofdstructuur is niet toegestaan. Het plangebied is niet in de groene hoofdstructuur gelegen. 5. Cultuurhistorische, landschappelijke en ecologische waarden moeten behouden dan wel versterkt worden. De milieuhygiënische en waterhuishoudkundige situatie ter plaatse moet zoveel mogelijk verbeterd worden. De stallen die gesloopt worden vertegenwoordigen geen cultuurhistorische waarden. Door de betreffende sloop ontstaat ter plaatse een landschappelijke meerwaarde. De voorgenomen sanering van de bestaande intensieve veehouderij en de realisatie van de Ruimte voor Ruimte woningen en een paardenhouderij hebben een positieve invloed op de milieukwaliteit in het gebied. De sloop van de stallen zal afname van de stikstofdepositie tot gevolg hebben en heeft derhalve een grote positieve invloed op de ecologische/natuurwaarden in de omgeving.

Voor het waterhuishoudkundig aspect zal worden aangesloten bij de eisen van het waterschap. De nieuwe open hemelwaterinfiltratie zal worden opgenomen in de totale gebiedseigen landschappelijke inpassing zoals deze is opgesteld en in paragraaf 4.11 nader aan de orde zal komen. 6. Voor zover het gaat om de extra beleidsruimte die beschikbaar is gesteld in het kader van de reconstructie zandgronden (Pact van Brakkenstein, maart 2000) worden de extra te realiseren

| bestemmingsplan Asten Hindert 2 2012 | status: vastgesteld |

Pagina | 1 8

woningen buiten het gemeentelijk woningbouwprogramma gelaten. De extra woningen komt niet ten laste van het gemeentelijke contingent maar hangen samen met de sloop van tenminste 1.000 m² stallen per contingent en de intrekking van milieurechten, waartoe initiatiefnemer bouwtitels heeft gekocht bij de ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte. 7. De agrarische ontwikkelingsmogelijkheden van bedrijven in de nabijheid van de woningen worden niet beknot. Bij de opstelling van het plan is rekening gehouden met de geurcontouren van het resterende agrarische bedrijf in de bebouwingsconcentratie. Middels toepassing van artikel 14 uit de Wet geurhinder en veehouderij worden geen landbouwbedrijven beknot in hun ontwikkelingsmogelijkheden en kan de intensieve veehouderij binnen het plangebied toch herontwikkeld worden naar woningbouw. 8. Een goede landschappelijke en architectonische inpassing van de woning in de omgeving dient gewaarborgd te zijn door middel van een beeldkwaliteitsplan dan wel een vergelijkbaar instrument. De nieuw op te richten woningen en paardenhouderij zullen qua beeldkwaliteit ingepast worden in de omgeving. De woningen zullen worden opgericht in een landelijke stijl, aansluitend bij de woningen in de directe omgeving. In de planregels zijn regels opgenomen die ervoor zorgen dat de woningen binnen het straatbeeld in de bebouwingsconcentratie passen.

Tevens wordt de bebouwing landschappelijk ingepast. Hiertoe is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld, dat in paragraaf 4.11 aan de orde komt. 9. De te slopen bedrijfsgebouwen mogen geen bijzondere cultuurhistorische waarde hebben. De stallen die gesloopt worden vertegenwoordigen geen cultuurhistorische waarden. Door betreffende sloop ontstaat ter plaatse een landschappelijke meerwaarde. Betreffende bedrijfsgebouwen zijn niet aangewezen als gemeentelijk- of rijksmonument. 10. Zekergesteld moet zijn dat de realisering van de woningen plaatsvindt in samenhang met de sloop van agrarische bedrijfsgebouwen en met de inlevering van milieurechten van de agrarische activiteit ter plaatse. Per woning dient te worden aangetoond dat tenminste 1.000 m² agrarische bedrijfsgebouwen zijn gesloopt en milieuwinst op de desbetreffende locatie is bereikt. Het bestemmingsplan wordt pas door de gemeenteraad vastgesteld nadat is aangetoond dat de bedrijfsgebouwen daadwerkelijk gesloopt zijn. Hiertoe dienen vòòr vaststelling van het bestemmingsplan bewijsstukken aan het plan te worden toegevoegd 11. Zekergesteld moet zijn dat op de plaats van de te slopen bedrijfsgebouwen geen nieuwe bedrijfsgebouwen kunnen worden opgericht en dat de voormalige agrarische bedrijfslocatie een passende andere bestemming wordt toegekend.

Van het eerste vereiste kan worden afgeweken in het belang van de reconstructie zandgronden. De herontwikkeling in het plangebied vindt plaats middels een bestemmingsplan. Het nieuwe bestemmingsplan (onderhavig plan) zal niet meer voorzien in een agrarisch bouwvlak ten behoeve ven een intensieve veehouderij, doch in een bouwvlak voor de omschakeling naar een paardenhouderij. Deze omschakeling, waarbij het agrarisch bouwvlak in eerste instantie (juridisch) verkleind wordt, waarna het agrarisch bouwvlak voor de paardenhouderij weer zal worden vergoot, dient bij te dragen aan de kwaliteitsverbetering van het landschap. 12. Planologische medewerking wordt niet verleend als in redelijkheid langs andere wijze tot

| bestemmingsplan Asten Hindert 2 2012 | status: vastgesteld |

Pagina | 1 9

sanering van de bedrijfsgebouwen kan worden gekomen. In ruil voor de sanering van een (of meerdere) intensief veehouderijbedrijf wordt de mogelijkheid geboden de woningen te realiseren en een grondgebonden paardenhouderij. In casu wordt derhalve voldaan aan de beleidsregel ruimte-voor-ruimte.

3.2.5

Kwaliteitsverbetering van het landschap

Om invulling te geven aan artikel 2.2 van de Verordening Ruimte 2012 ('Een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied, bevat een verantwoording van de wijze waarop financieel, juridisch en feitelijk is verzekerd dat de realisering van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied waarop de ontwikkeling haar werking heeft.') wordt bij deze ontwikkeling maatwerk geleverd door ter plaatse een bijdrage te leveren aan de kwaliteitsverbetering van het landschap. Deze bijdrage is nodig voor de oprichting van de paardenhouderij. Omdat de sanering van het bestaande intensieve veehouderijbedrijf al is benut voor het verkrijgen van één ruimte-voor-ruimte titel voor de nieuwe agrarische bedrijfswoning en één voor de nieuwe burgerwoning, dient een tegenprestatie geleverd te worden voor alle nieuwe voorzieningen van de paardenhouderij. Van belang is hierbij het onderscheid tussen de oppervlakte aan bebouwing en overige voorzieningen (rijbak, graspiste). De tegenprestatie wordt geleverd door het landschappelijk inpassingsplan.

Door Ir Guido W.F.M. Paumen, Tuin- & landschapsarchitect, is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld voor de Hindert 2 te Asten, welk plan integraal als bijlage bij de planstukken is gevoegd. Het beplantingsplan omvat de aanplant van beukenhagen, lindes, essen, bomenrijen bestaande uit eik en berk, een boomgaard. Aan de veldkant zal een 3 meter brede strook worden vrijgehouden voor de aanleg van het wandelpad. De ondergrond zal ten behoeve van dit pad worden gestabiliseerd en geëgaliseerd. De bermen zullen worden ingezaaid met een akkerrandenmengsel. Bij de ingangen zullen draaipoortjes en infoborden worden geplaatst. De weide waarin de fruitbomen zijn geprojecteerd zal worden ingezaaid met een passend mengsel voor de ontwikkeling van bloemrijk grasland op de overgang van drogere naar vochtigere gronden. De weide zal 1x per jaar na 1 juli worden gemaaid. Nadat de weide is gemaaid, kan een extensieve begrazing worden toegestaan. De poel is van betekenis voor de opvang en infiltratie van hemelwateren kan incidenteel uitstromen over de weide. Op onderstaande schets is de groene inpassing van het bouwvlak te zien:

| bestemmingsplan Asten Hindert 2 2012 | status: vastgesteld |

Pagina | 2 0

De uitvoering en instandhouding van deze landschappelijke inpassing wordt enerzijds gewaarborgd door het opnemen van een regel ten aanzien van 'Toegestaan gebruik': "Gebruik van het perceel conform de bestemmingsomschrijving is toegestaan mits voldaan wordt aan de voorwaarde dat het landschappelijk inpassingsplan dat als bijlage onderdeel uitmaakt van dit bestemmingsplan voorzover betrekking hebbend op de bestemming Agrarisch, geheel is uitgevoerd voordat de paardenhouderij in gebruik wordt genomen". Anderzijds wordt middels een anterieure overeenkomst tussen gemeente en initiatiefnemer op privaatrechtelijke wijze zeker gesteld dat de landschappelijke inpassing wordt uitgevoerd en in stand gehouden.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Toekomstvisie De Avance

De toekomstvisie De Avance is op 22 februari 2006 vastgesteld. De structuurvisie bevat een algehele ruimtelijke visie op de ontwikkeling van de gemeente Asten in de periode tot 2030. In de toekomstvisie is een beeld gegeven van de huidige structuur van de gemeente en de wensen voor ontwikkeling in de toekomst. De ligging van de gemeente Asten tegen de stedelijke regio Eindhoven-Helmond zorgt voor een aanzienlijke ruimtedruk. Naast de ruimtedruk voor wonen en werken neemt binnen de gemeente ook de recreatieve druk toe. De ruimtelijke visie van de gemeente Asten is gebaseerd op een Duurzaam Ruimtelijke Structuurbeeld. Dit lange termijn beeld is vertaald in een ruimtelijk ontwikkelingsmodel voor de middellange termijn. Op de structuurkaart is het plangebied aangeduid als gelegen in het half gesloten agrarisch landschap, in een bebouwingslint- of cluster.

| bestemmingsplan Asten Hindert 2 2012 | status: vastgesteld |

Pagina | 2 1

Figuur: uitsnede uit structuurkaart. De ontwikkeling van nieuwe landgoederen en buitenplaatsen, maar ook Ruimte-voor-Ruimtewoningen kunnen, volgens de toekomstvisie, een bijdrage leveren aan de versterking van het landschapsbeeld van het half gesloten landschap. Centraal in de koers ten aanzien van wonen staat de verdere ontwikkeling van de verstedelijking binnen de gemeente via inbreiding, intensivering, herstructurering en uitbreiding. Een strategische inzet van inbreidingslocaties is daarbij van belang om te komen tot voldoende woningbouwdifferentiatie en financiële haalbaarheid. Alle toekomstige ontwikkelingen binnen deze koers worden afgestemd op het Streekplan en het Regionaal Structuur Plan (RSP) en de Regionale Woon Visie (RWV). Voor het wonen staat de realisering van het eigen woningbouwprogramma centraal. Iedere kern moet, indien redelijkerwijs mogelijk, tenminste ruimte krijgen om te bouwen voor de eigen bevolkingsgroei. Het veiligstellen van het bestaande voorzieningenniveau is daarbij een punt van zorg, maar niet leidend. Pas als het bestaansrecht van de basisvoorzieningen in het geding komt, wordt additionele woningbouw (bijvoorbeeld ten koste van bouwen in de andere kernen) overwogen.

Het realiseren van een kern waar de inwoners als het ware hun hele levensloop kunnen blijven wonen en daarmee een 'wooncarrière' kunnen maken, vergt niet alleen voldoende aantal woningen per kern, maar vooral ook een op de toekomstige vraag toegesneden aanbod van woningtypen en ondersteunende diensten. Hoe dit aanbod eruit ziet, hangt af van demografische en markttechnische ontwikkelingen. Voorkomen moet worden dat er gebouwd wordt wat er al staat, terwijl de bevolking naar leeftijd- en huishoudensamenstelling verandert. Confrontatie van de toekomstige vraag met het bestaande aanbod geeft het antwoord op de vraag welk woningbouwprogramma noodzakelijk is om een levensloopbestendige kern te worden c.q. te blijven en welke uitdagingen er liggen met betrekking tot het aanbieden van ondersteunende voorzieningen. De toekomstvisie kan hierop slechts op hoofdlijnen antwoord geven. Uitwerking op kernniveau in de vorm van dorpenplannen is gewenst. Het woningbouwprogramma bevat een mix aan woningen. Zowel wat betreft omvang en prijsklasse, als naar woningtype. Een belangrijke rol in dit programma is weggelegd in de uitgifte van vrije bouwkavels. Gezien de vraag vanuit de bevolking valt niet anders te concluderen dat er grote behoefte is, zowel vanuit starters als doorstromers, aan het zelf bouwen van een woning.

Onderhavig project past, binnen dit bebouwingslint, goed in deze toekomstvisie door het realiseren van een nieuwe, vrije kavels.

| bestemmingsplan Asten Hindert 2 2012 | status: vastgesteld |

Pagina | 2 2

Verder stelt de Toekomstvisie als opgave dat de economische structuur van het buitengebied verstevigd dient te worden door toeristisch recreatieve (neven)-activiteiten (herstructurering agrarische gebouwen), het daartoe benutten van de mogelijkheden van de A67 (aantrekken passerende (buitenlandse) toeristen) en de verbreding van het toeristisch-recreatieve aanbod. Een paardenhouderij, omsloten door een wandel-/recreatiegebied voldoet aan deze recreatieve visie op het buitengebied doch staat, door de vaste milieuafstanden, de omliggende woningbouw niet in de weg. Gelet op de sanering van de intensieve veehouderij worden belemmeringen ten aanzien van woningbouw opgeheven en wordt ruimte gemaakt om recreatie in het gebied te versterken. De omgeving zal landschappelijk worden ingepast waarbij de relatie wordt gelegd met het historisch groen op deze locatie. De aanleg van een wandelpad rondom het plangebied, alsmede een openbare boomgaard met kleinvee zal de attractieve waarde van het gebied ten goede komen. Hierbij wordt tevens een relatie gelegd met de bestaande paardenhouderij aan de Reeweg. Dit past geheel in de doelstelling van de toekomstvisie. Hierin is namelijk het volgende gesteld: "Routes en basisvoorzieningen kunnen nog worden verbeterd. Er is een wereld te winnen met het beter op elkaar afstemmen van de verschillende routes die de regio doorkruisen.

Vooral het aan elkaar koppelen van toeristisch-recreatieve attracties (arrangementen) en de ontwikkeling van knooppunten (poorten) biedt mogelijkheden in het vergroten van de bestedingen per toerist." 3.3.2

Woonvisie 2010-2019

In augustus 2009 heeft de gemeente Asten het woonbeleid vastgelegd in een nieuwe gemeentelijke Woonvisie. De Woonvisie biedt belangrijke handvatten om richting te geven aan de ontwikkeling van de gemeente. De gemeente heeft de ambitie in de komende jaren de positie als aantrekkelijke woongemeente voor alle doelgroepen te behouden en waar mogelijk te versterken. Met de Woonvisie heeft de gemeente een goede basis om concrete woonprojecten op te pakken. Het geeft een kwantitatieve en kwalitatieve inkleuring aan de woningbouwontwikkeling van de gemeente. Het aanbieden van gevarieerde woonmilieus en woonvormen moet de inwoners meer mogelijkheden bieden om naar eigen wens te wonen. Daarvoor wil de gemeente ruimte bieden voor wensen en initiatieven van inwoners. Onderhavig Ruimte voor Ruimte initiatief is een voorbeeld van een particulier gedifferentieerd initiatief. In het kader van de ‘Ruimte-voor-Ruimte-regeling’ heeft de gemeente Asten vanaf 2010 nog circa 15 woningen te realiseren. Deze woningen vervullen voor een belangrijk deel ook een rol in de regionale of zelfs bovenregionale markt. Daarnaast wil de gemeente anticiperen op mogelijk vergelijkbare regelingen in de toekomst en houdt daarom rekening met in totaliteit 30 extra woningen. De ontwikkeling van een Ruimte voor Ruimte woning is passend binnen de Woonvisie. 3.3.3

Structuurvisie Bebouwingsconcentratie

De Structuurvisie Bebouwingsconcentratie, vastgesteld op 14 december 2010, van de gemeente Asten heeft tot doel om kwaliteitsverbetering te bereiken in het buitengebied. In de gemeente Asten is het buitengebied van grote betekenis. Mede door de ontwikkelingen in de landbouw staat het buitengebied voor grote veranderingen. Voor de gemeente is er alle reden om zuinig te zijn op dit gebied en ze heeft als doelstelling het streven naar ruimtelijke kwaliteitsverbetering. De structuurvisie Bebouwingsconcentratie vormt een belangrijk instrument voor het bereiken van deze doelstelling. De bebouwingcluster de Laarbroek ligt aan de westzijde van de kern Asten en bestaat uit de Laarbroek en de Hindert.

| bestemmingsplan Asten Hindert 2 2012 | status: vastgesteld |

Pagina | 2 3

Ten aanzien van wonen in het buitengebied is het volgende bepaald: In de “Bebouwingsconcentraties” zijn ruimere mogelijkheden: behoudens de expliciet benoemde waardevolle open ruimtes of doorzichten kan binnen de begrenzing van deze concentraties op alle percelen worden gebouwd, mits wordt voldaan aan de algemene randvoorwaarden en mits dit stedenbouwkundig verantwoord is. Mogelijkheden zijn er voor zowel regulier zelfstandig wonen als woongroepen en verzorgd wonen.

Figuur: Kaart Laarbroek, behorende bij Structuurvisie Buitengebied in Ontwikkeling

Vanuit stedebouwkundig oogpunt is ruimte voor drie nieuwe woningen. Dit betreft 2 nieuwe burgerwoningen en een nieuwe bedrijfswoning bij de paardenhouderij. De omschakeling van de intensieve veehouderij naar een paardenhouderij is daarnaast ook passend binnen het beleid. Hierbij zijn de volgende doelstellingen betrokken: • Completeren van groenstructuren en landschappelijke elementen;

| bestemmingsplan Asten Hindert 2 2012 | status: vastgesteld |

Pagina | 2 4

• Het beter landschappelijk inpassen van de verschillende bouwblokken; • Behoud relatie met landschap en open ruimtes; • Behoud waardevolle bebouwing; • Terugbrengen bebouwingsoppervlakte van de stallen Onderhavig plan heeft dan ook betrekking op een extra te realiseren woning na sloop van de stallen (ten minste 1000 m2 sloop voor nieuw te realiseren woning), het omzetten van de agrarische bedrijfswoning in een burgerwoning en de realisatie van een grondgebonden paardenhouderij met bedrijfswoning, waarbij de stallen worden gesloopt. De omgeving zal landschappelijk worden ingepast waarbij de relatie wordt gelegd met het historisch groen op deze locatie. De aanleg van een wandelpad rondom het plangebied, alsmede een openbare boomgaard met kleinvee zal de attractieve waarde van het gebied ten goede komen. Hierbij wordt tevens een relatie gelegd met de bestaande manege aan de Reeweg. Hiermee wordt voldaan aan de doelstellingen van de structuurvisie.

3.3.4

Bestemmingsplan Buitengebied Asten 2008

Voor het plangebied is het bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Asten het vigerende bestemmingsplan. Door de gemeente Asten is het bestemmingsplan Buitengebied vastgesteld op 7 juni 2009. Het bestemmingsplan is op 10 oktober 2009 in werking getreden. In het bestemmingsplan heeft de locatie Hindert 2 de aanduiding agrarisch ten behoeve van een intensieve veehouderij gekregen. Op onderstaande figuur is een uitsnede van de plankaart weergegeven:

De voor “agrarisch ” aangewezen gronden zijn bestemd voor: • de uitoefening van het agrarisch bedrijf; • nevenactiviteiten; • waterhuishoudkundige doeleinden;

| bestemmingsplan Asten Hindert 2 2012 | status: vastgesteld |

Pagina | 2 5

• extensief recreatief medegebruik; • doeleinden van openbaar nut. Tevens is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarbij het onder voorwaarden mogelijk wordt gemaakt de agrarische bestemming te wijzigen in een woonbestemming, zodat de niet agrarische bewoning van de voormalige agrarische bedrijfswoning wordt toegestaan. Burgemeester en wethouders zijn verder bevoegd deze bestemming op onderdelen wijzigen teneinde omschakeling toe te staan van een agrarische bedrijfsvorm, niet zijnde een paardenhouderij, naar een paardenhouderij, door middel van het aanduiden van het desbetreffende agrarische bouwblok met de aanduiding “paardenhouderij” (ph), mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. de omvang van het bouwblok mag niet meer bedragen dan 1,5 ha; b. paardenbakken mogen uitsluitend binnen het bouwblok worden opgericht; c. de bebouwingsregeling voor paardenhouderij, als opgenomen in 3.3, is overeenkomstig van toepassing; d. er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing; daartoe dient een erfbeplantingsplan te worden overlegd; e. er dient op eigen terrein te worden voorzien in de parkeerbehoefte; f. bebouwing die niet noodzakelijk is voor de nieuwe bestemming (overtollige bebouwing) dient te worden gesloopt, tenzij het cultuurhistorisch waardevolle bebouwing is; g.

de wijziging mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de van de in 3.1 en 3.2 omschreven doeleinden.

In de tweede herziening van het bestemmingsplan Buitengebied Asten 2008, vastgesteld op 1 februari 2011 is de volgende aangepaste wijzigingsbevoegdheid toegevoegd aan de bestemming "agrarisch": 'Burgemeester en wethouders kunnen deze bestemming op onderdelen wijzigen teneinde (gedeeltelijke) omschakeling toe te staan van een agrarische bedrijfsvorm, niet zijnde een paardenhouderij, naar een paardenhouderij(tak), door middel van het aanduiden van het desbetreffende agrarische bouwblok met de aanduiding “paardenhouderij” (PH), mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: '

Omdat het in casu enerzijds het omzetten van de agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning betreft en anderzijds het toevoegen van twee nieuw te realiseren woningen ingevolge de Regeling Ruimte voor Ruimte waarbij tevens een paardenhouderij met bedrijfswoning wordt gerealiseerd, is ervoor gekozen dit planologisch te regelen in een geheel nieuw bestemmingsplan voor deze locatie, waarbij de voorwaarden voor omschakelijng naar een paardenhouderij op overeenkomstige wijze van toepassing zijn verklaard, ondanks het feit dat er geen sprake is van een agrarisch bedrijf, doch van een agrarisch verwant bedrijf. Uit onderhavige plantoelichting zal genoegzaam naar voren komen dat voldaan wordt aan alle voornoemde voorwaarden.

| bestemmingsplan Asten Hindert 2 2012 | status: vastgesteld |

Pagina | 2 6

Hoofdstuk 4 Milieu-planologische aspecten 4.1

Bodem- en grondwaterkwaliteit

In het kader van het onderhavige plan wordt binnen het plangebied nieuwe bodemgevoelige functies toegelaten in de vorm van 3 nieuwe woningen en een paardenhouderij. Voordat door middel van dit bestemmingsplan deze nieuwe functies mogelijk worden gemaakt zal er inzicht moeten zijn of de bodem- en grondwaterkwaliteit een dergelijke bebouwing en gebruik ook mogelijk maken. Öko-care BV heeft op 16 september 2011 een rapportage (rapportnummer RS0038A.DOC ) overlegd naar de bodem- en grondwaterkwaliteit binnen het projectgebied . Het vooronderzoek is hierbij verricht conform de NEN 5725 en het verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5740. De conclusies uit het bodemrapport luiden als volgt: "Op grond van de analyseresultaten van een van de verzamelde bovengrondmengmonsters en de grondwatermonsters, wordt de hypothese 'niet-verdachte locatie' verworpen. Er mag echter worden aangenomen, dat er geen sprake is van een verontreinigingssituatie op de onderzoekslocatie. Op basis van deze aanname kan worden geconcludeerd, dat er geen belemmeringen van milieukundige aard bestaan voor de voorgenomen wijziging van de bestemming en de nieuwbouw op de onderzoekslocatie. Bij eventuele afvoer van uitkomende grond dient rekening gehouden te worden met het Besluit Bodemkwaliteit.

Hergebruik van de grond buiten de onderzoekslocatie is afhankelijk van de kwaliteit van de partij ontgraven grond en de gemeente waar deze wordt toegepast. Voor de verwerking van partijen grond (> 50 m3) als bodem of een grootschalige bodemtoepassing buiten de onderzoekslocatie geldt een meldingsplicht van minimaal 5 dagen voor toepassing bij het bevoegd gezag. Bij hergebruik als bodem worden de partij grond getoetst aan de kwaliteit en de functie van de ontvangende bodem. ”

Op 21 december 2012 is door Archimil een verkennend bodemonderzoek ten behoeve van de agrarische bedrijfswoning en de paardenhouderij. Uit het onderzoek volgt dat achter de stallen plaatselijk een halfverharding ligt waarin een verhoogd gehalte PAK's is aangetroffen. Verder zijn in de gropnd geen verontreinigingen aangetroffen. Op de klinkerverharding achter de stal staan enkele gebroken asbestplaten. Het grondwater was in eerste instantie matig verontreinigd met minerale olie en licht verontreinigd met xylenen. Bi herbemonstering nzijn deze verontreinigingen niet meer aangetroffen. Geconcludeerd wordt dat er op basis van deze onderzoeksresultaten geen restricties gesteld hoeven te worden aan de voorgenomen herontwikkeling van het terrein.

Ten aanzien van eventueel bij bouwwerkzaamheden vrijkomende grond geldt, dat indien de grond elders zal worden gebruikt, deze te allen tijde onderzocht dient te worden conform de regels van het Besluit bodemkwaliteit om zo de definitieve hergebruikmogelijkheden vast te

| bestemmingsplan Asten Hindert 2 2012 | status: vastgesteld |

Pagina | 2 7

stellen. Wanneer de grond vrijkomt binnen een locatie en in een later stadium onbewerkt weer binnen hetzelfde perceel wordt hergebruikt, geldt geen aanvullende onderzoeksinspanning. Voor de volledige inhoud van beide onderzoeken, wordt verwezen naar de rapportages die onderdeel uitmaken van de planstukken.

4.2

Geluidhinder

De Wet geluidhinder (Wgh) is van toepassing op woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen (onder meer onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere gezondheidszorggebouwen) en geluidsgevoelige terreinen (onder meer woonwagenstandplaatsen). Uit art. 74 Wgh vloeit voort dat in principe alle wegen voorzien zijn van een geluidzone, met uitzondering van wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied of wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/uur geldt. De zonebreedte is afhankelijk van het gebied (stedelijk of buitenstedelijk) en het aantal rijstroken. Binnen de zones moet een akoestisch onderzoek worden verricht. De voorkeursgrenswaarde voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en terreinen bedraagt in die zone op de buitengevel 48 dB (art. 82 Wgh). Het plangebied ligt ingeklemd tussen de wegen Laarbroek en Hindert. Door 'db/a consultants' is d.d. 5 september 2011 een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit akoestische onderzoek met rapportnummer AR 9998/1 behoort als bijlage bij onderhavige bestemmingsplantoelichting. Uit dit akoestisch onderzoek blijkt het volgende: Initiatiefnemer wil op de hoek van de Hindert / Laarbroek te Asten 3 nieuwe vrijstaande woningen bouwen. Hiertoe worden, in het kader van de “ruimte voor ruimte regeling”, de pluimveestallen aan de Hindert 2 gesloopt. In de directe omgeving staan geen agrarische bedrijven.

Wel komen de nieuwe woningen binnen de geluidszones van de Laarbroek, de Reeweg en de Hindert waardoor de geluidsbelasting van de woningen aan de grenswaarden van de Wet geluidhinder moeten voldoen. Uit de gemaakte berekening blijkt dat de geluidsbelasting van de zijgevel van woning 2 en van de voorgevel van woning 3 hoger is dan de 48 dB voorkeursgrenswaarde. Het maximaal toelaatbare geluidniveau van 53 dB wordt echter niet overschreden. Het terugbrengen van de geluidsbelasting van de woningen door het plaatsen van een geluidsscherm of geluidwal tussen de weg en de woningen is om redenen van landschappelijke en financiële aard in de onderhavige situatie niet gewenst. De achtergevels van de woningen zijn als geluidluw aan te merken omdat de geluidsbelasting ervan beneden de 48 dB blijft. Gelet op het bovenvermelde wordt geadviseerd Burgemeester en Wethouders van Asten ontheffing te vragen voor het toelaten van de geluidsbelasting Lden= 49 dB van woning 2 en Lden= 52 dB van woning 3. Na het verkrijgen van ontheffing tot de genoemde hogere waarden zal met een gevelberekening nog worden aangetoond dat de externe scheidingsconstructie van de nieuwe woningen een voldoende geluidwering biedt. Doordat er geen sprake is van meer dan vier vrachtwagenbewegingen tussen 19:00 uur en 7:00 uur en er geen muziekgeluid ten gehore wordt gebracht is een akoestisch rapport niet noodzakelijk.

Het bevoegd gezag kan echter alsnog een akoestisch onderzoek eisen als uit de

| bestemmingsplan Asten Hindert 2 2012 | status: vastgesteld |

Pagina | 2 8

melding in het kader van het Activiteitenbesluit blijkt dat de kans op geluidhinder zeer reëel is. In dat geval dient het bevoegd gezag aannemelijk te maken dat de waarden voor het gemiddelde geluidsniveau en/of het maximale geluidsniveau worden overschreden. Het is echter niet de verwachting dat de langtijdgemiddelde en het maximale geluidsniveau op de gevel van het gevoelige object wordt overschreden, gezien de geringe activiteiten.

4.3

Verkeer en parkeren

Beide nieuwe ruimte voor ruimtewoningen worden ontsloten op het Laarbroek en de nieuwe paardenhouderij met bedrijfswoning wordt ontsloten op de Hindert, evenals het huidige agrarische bedrijf dat de ontsluiting via de Hindert heeft. De verkeersintensiteit zal door de sanering van de intensieve veehouderij en omschakeling naar de paardenhouderij nagenoeg gelijk blijven. De ontsluiting van de nieuwe woningen op het Laarbroek en de paardenhouderij aan de Hindert is derhalve passend op de bestaande infrastructuur.

Voor de parkeerbehoefte is getoetst aan de Nota Parkeernormen Gemeente Asten zoals vastgesteld op 20 december 2011. Per woning dient ruimte gevonden te worden voor het parkeren van 2,1 voertuigen op eigen terrein, exclusief garage; voor de paardenhouderij geldt de norm van 0,4 parkeerplaatsen per paardenbox. In casu betreft de paardenhouderij maximaal 50 paarden, verdeeld over 24 grote boxen. Berekend per paardenbox komt het benodigde aantal parkeerplaatsen uit op 10 stuks. Voor de 10 logiesruimten zijn volgens de CROWrichtlijnen 4,4 - 4,6 parkeerplaatsen noodzakelijk in het buitengebied. Op percelen met een omvang als onderhavigen, is dit totale aantal parkeerplaatsen op eigen terrein zeer goed realiseerbaar. Bij de paardenhouderij met logiesruimten kunnen deze plaatsen gevonden worden aan de linker zijde van de inrit naar het bedrijf.

4.4

Luchtkwaliteit

4.4.1

Wetgeving

Tot 15 november 2007 was in Nederland het Besluit luchtkwaliteit (BLK 2005) van kracht. Het BLK 2005 bood overheden de mogelijkheid om projecten doorgang te laten vinden in gebieden waar de grenswaarden worden overschreden, op voorwaarde dat de luchtkwaliteit door het project per saldo niet slechter wordt. Het BLK 2005 eiste dat een verslechtering gecompenseerd moest worden door voldoende maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Dit noemen we projectsaldering. In de opvolger van het BLK 2005, de Wijziging van de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5.2 van de Wet milieubeheer; “Wet Luchtkwaliteit”), wordt de programma-aanpak geïntroduceerd. Alle projecten binnen een programmagebied kunnen hierdoor doorgang vinden mits de Nederlandse overheden voldoende maatregelen nemen om overal in het gebied aan de grenswaarden te voldoen. De programma-aanpak is gekoppeld aan inwerkingtreding van de nieuwe Europese richtlijn voor luchtkwaliteit. De programma-aanpak uit de Wet krijgt vorm in gebieden waar de luchtkwaliteit de Europese normen overschrijdt (overschrijdingsgebieden). Gezamenlijk wordt gewerkt door

| bestemmingsplan Asten Hindert 2 2012 | status: vastgesteld |

Pagina | 2 9

gemeenten, WGR+-regio's, provincies en Rijk, aan dit Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. In dit 5-jarige programma inventariseren alle overheden alle grote ruimtelijke ontwikkelingen en brengen ze alle uitvoerbare en kosteneffectieve maatregelen in kaart om de luchtkwaliteit te verbeteren. Het resultaat hiervan is een positieve balans van enerzijds projecten die de luchtkwaliteit verslechteren en anderzijds een groot pakket maatregelen die ervoor zorgen dat overal aan de normen voor luchtkwaliteit wordt voldaan. Het Rijk coördineert de ontwikkeling van het NSL. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden en heeft een looptijd tot 1 augustus 2014. De Wet Luchtkwaliteit wordt verder uitgewerkt in nadere regelgeving zoals een Algemene Maatregel van Bestuur (Besluit “ Niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)”) en Ministeriële Regelingen (Regeling “Niet in betekende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)”). Op 16 januari 2009 is verder het Besluit “gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)” in werking getreden. Dit besluit is gericht op het voorkomen van de bouw van zogenoemde 'gevoelige bestemmingen', zoals kinderdagverblijven en scholen, binnen een bepaalde afstand van (snel)wegen in gebieden die (nog) niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen.

Zo wil het Rijk de gezondheid van kwetsbare bevolkingsgroepen beschermen tegen een relatief verhoogd gezondheidsrisico. 4.4.2

Kleine en grote projecten

De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en grote' projecten. Kleine projecten dragen niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in het Besluit “Niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)”. Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten - die jaarlijks meer dan 3 procent van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van PM10 en NO2 bijdragen- een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. 4.4.3

Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)

Dit is een Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 31 oktober 2007, nr. DJZ2007004707, houdende regels omtrent de aanwijzing van categorieën van gevallen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, onder c, van de Wet milieubeheer (Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)). Het gaat hierbij om de volgende categorieën: a. inrichtingen b. infrastructuur c. kantoorlocaties d. woningbouwlocaties Voor woningbouw geldt dat woningbouwprojecten van netto niet meer dan 1500 woningen (in geval van één ontsluitingsweg) niet in betekende mate bedragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit (art. 4 lid 1 Besluit NIBM jo. art. 4 lid 2, bijlage 3B.2 Regeling NIBM). Het onderhavige plan valt met de bouw van drie nieuwe woningen (waarvan één bedrijfswoning) ruimschoots onder de norm van 1500 woningen.

| bestemmingsplan Asten Hindert 2 2012 | status: vastgesteld |

Pagina | 3 0

Voor wat betreft de paardenhouderij geldt het volgende. Voor kleinere ruimtelijke en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit, doch niet vallen onder bovengenoemde vier categorieën, heeft het toenmalige Ministerie van VROM in samenwerking met InfoMil een specifieke rekentool ontwikkeld. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt (NIBM) aan de concentratie van een stof in de buitenlucht. Het doel van deze tool is: - Eenvoudig en snel bepalen of een plan in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof in de buitenlucht; - Het beperken van de onderzoekslast bij kleinere projecten; - Het vaststellen van grenzen voor het aantal extra voertuigbewegingen dat niet zal leiden tot een concentratietoename die groter is dan de grens voor niet in betekenende mate. Voor de paarden zijn geen fijnstofnormen opgenomen, om toch inzicht te geven in de fijnstofemissie wordt in onderstaande tabellen gerekend met overig rundvee ouder dan 2 jaar (RAV-code A7). Hieruit blijkt echter dat de fijnstof emissie ten opzichte van de huidige situatie sterk wordt teruggedrongen.

Voor het berekenen van de fijnstofuitstoot als gevolg van extra verkeer, wordt ten behoeve van de ontwikkeling aan de Hindert 2 gerekend met een toename van maximaal 5 voertuigbewegingen per dag, waarvan het aandeel vrachtverkeer circa 2 procent betreft.

| bestemmingsplan Asten Hindert 2 2012 | status: vastgesteld |

Pagina | 3 1

Het totale plan is derhalve te kleinschalig om significante bedrijfsmatige emissies te verwachten en daardoor te kleinschalig om in betekende mate bij te dragen aan een verandering/verslechtering van de luchtkwaliteit. Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling.

4.5

Milieuzonering

Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt milieuzonering gehanteerd. Hieronder wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige gebieden zoals woongebieden. Om milieuzonering hanteerbaar te maken wordt gebruik gemaakt van de Staat van bedrijfsactiviteiten zoals die is opgenomen in de VNG brochure 'Bedrijven en milieuzonering', van maart 2009. 4.5.1

Bedrijven en Milieuzonering; Staat van bedrijfsactiviteiten

De indeling van de bedrijven c.q. bedrijfsactiviteiten is vastgelegd een Staat van bedrijfsactiviteiten die is opgenomen in de VNG brochure 'Bedrijven en milieuzonering', van maart 2009. In deze Staat worden bedrijfsactiviteiten ingedeeld in een zestal categorieën met toenemende potentiële milieuemissies. Op grond van deze Staat kan een beleidsmatige selectie worden gemaakt van de op het plangebied toe te laten bedrijfsactiviteiten. De bedrijven zijn op basis van de Standaard Bedrijfs Indeling (SBI-codes) in deze Staat gerangschikt. Per bedrijfsactiviteit is voor elk ruimtelijk relevante milieucomponent (geur, stof, geluid en gevaar) een richtafstand aangegeven die in beginsel moet worden aangehouden tussen een bedrijf en milieugevoelige objecten (woningen) om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden. Bij het bepalen van deze richtafstanden zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: het betreft 'gemiddelde' moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen; de richtafstanden hebben betrekking op de omgevingstype 'rustige woonwijk' , 'rustig

| bestemmingsplan Asten Hindert 2 2012 | status: vastgesteld |

Pagina | 3 2

buitengebied' of vergelijkbare omgevingstypen; de richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten. De grootste afstand van de milieucomponenten vormt de indicatie voor de aan te houden afstand van de bedrijfsactiviteit tot een milieugevoelig object. Elk bedrijf c.q. bedrijfsactiviteit wordt in een bepaalde milieucategorie ingedeeld. De milieucategorie is direct afgeleid van de grootste afstand: categorie 1: grootste afstand 10 meter; categorie 2: grootste afstand 30 meter; categorie 3.1: grootste afstand 50 meter; categorie 3.2: grootste afstand 100 meter; categorie 4.1: grootste afstand 200 meter; categorie 4.2: grootste afstand 300 meter; categorie 5.1: grootste afstand 500 meter; categorie 5.2: grootste afstand 700 meter; categorie 5.3: grootste afstand 1.000 meter; categorie 6: grootste afstand 1.500 meter. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kortere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype 'gemengd gebied', dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kent. In zo'n geval is het ruimtelijk aanvaardbaar dat de richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd. 4.5.2

Invloed milieuhinder op het plangebied

Het plangebied ligt in de directe nabijheid van de volgende (agrarische) bedrijven: Adres

soort bedrijf

richtafstand

feitelijke afstand

Hindert 11

intensieve veehouderij (IV)

200 m

ca. 160 m

Hindert (2)

paardenhouderij

50 m

aangrenzend

Laarbroek 2/2a

intensieve veehouderij (IV)

200 m

ca. 500 m

Laarbroek (naast 14)

intensieve veehouderij (IV)

200 m

ca. 100 m

Laarbroek 4

dierenpension

100 m

420 m

Laarbroek 7

biggenhouderij (IV)

200 m

ca. 175 m

Laarbroek 10a-14

taxibedrijf en autoverhuur

30 m

135 m

Reeweg 6

restaurant

10 m

240 m

Reeweg 10

de Bloemenstee (tevens IV)

200 m

ca. 160 m

Keskesweg 20

paardenpension en trainingshal

50 m

330 m

Op onderstaande figuur is de ligging van deze bedrijven weergegeven:

| bestemmingsplan Asten Hindert 2 2012 | status: vastgesteld |

Pagina | 3 3

Uitgaande van een rustige woonwijk/rustig buitengebied dienen bovengenoemde afstanden aangehouden te worden als richtafstand tussen een de inrichtingen en de beoogde nieuwe woningen. Nu er echter sprake is van een menging van functies (agrarische bedrijven, burgerwoningen, opslagdoeleinden, dierenpensions, restaurant en aan huis verbonden bedrijvigheid) is er geen sprake van een rustige woonwijk/rustig buitengebied, doch van meer dynamiek. Hierdoor kan één afstandsstap terug worden genomen. Dit betekent dat als richtafstand maximaal 100 meter aangehouden kan worden tussen de nieuwe woningen en de intensieve veehouderijen. De afstand van de nieuwe woningen en de emissiepunten van de intensieve veehouderijen in de omgeving is in alle gevallen (in geval van Laarbroek (naast 14) nèt) meer dan 100 meter. Andersom zijn er in dit cluster zoveel burgerwoningen dat deze nieuw te realiseren woningen de bestaande bedrijven in de omgeving niet als eerste belemmeren in de uitbreidingsmogelijkheden. Andere woningen van derden bevinden zich in alle gevallen dichter bij de bedrijven dan de nieuwe woning. Verder zal door het saneren van de intensieve veehouderij aan de Hindert een voor omwonenden beter woon- en leefklimaat ontstaan; de bestaande geurcirkel verdwijnt geheel.

Hiervoor in de plaats komt een paardenhouderij, waarbij vaste afstanden gelden van 50 meter tot burgerwoningen van derden. Deze afstand wordt overal gehaald, met uitzondering van de bestaande agrarische bedrijfswoning aan de Hindert 2 die omgezet wordt naar een burgerwoning. Echter, de vraag of deze woning onaanvaardbare hinder zal ondervinden van de paardenhouderij dient negatief te worden beantwoord. Uit de paragrafen 4.2, 4.4 en 4.6 van deze plantoelichting blijkt dat er noch geurhinder, noch geluidsoverlast of overlast door fijnstof te verwachten is. Overige vormen van overlast liggen niet in de rede. Milieuzonering staat derhalve niet aan de ontwikkeling in de weg. Overigens zal voor de paardenhouderij een melding in het kader van het activiteitenbesluit worden ingediend.

| bestemmingsplan Asten Hindert 2 2012 | status: vastgesteld |

Pagina | 3 4

4.6

Geurhinder

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient primair als toetsingskader voor vergunningaanvragen voor veehouderijen ten aanzien van geuraspecten, maar deze wet heeft ook consequenties voor planologische besluiten die voorzien in de realisatie van geurgevoelige objecten nabij veehouderijen. Die uitstraling van de geurregelgeving naar de ruimtelijke ordening wordt wel aangeduid met de term ‘omgekeerde werking’. De reden voor die uitstraling is duidelijk: een geurnorm beoogd mensen te beschermen tegen overmatige geurhinder. Omgekeerd moet een bevoegd gezag dan ook niet toestaan dat mensen zichzelf blootstellen aan die overmatige hinder, bijvoorbeeld door zich in de directe nabijheid van de veehouderij te vestigen. Voor het beoordelen van het woon- en leefklimaat ter plaatse van het woningbouwproject is het nodig om de huidige en te verwachte geurhinder te evalueren. Deze evaluatie betreft zowel de voorgrondbelasting als de achtergrondbelasting. Initiatiefnemer heeft ROBA Advies de opdracht verstrekt dit te onderzoeken en daarvoor de geurcontouren van omliggende veehouderijen op kaart te zetten en een beoordeling te maken van het leefklimaat. Het onderzoek betreft de doorwerking van de Wet geurhinder en veehouderij in de ruimtelijke ordening c.q. de omgekeerde werking.

Voor het beoordelen van het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied is het nodig om de verwachte geurhinder te evalueren. De verwachte geurhinder wordt bepaald door het berekenen van zowel de voorgrondbelasting als de achtergrondbelasting. Ten behoeve van ruimte voor ruimte woning geldt echter een afwijkend toetsingskader in de Wet geurhinder en veehouderij waardoor niet getoetst hoeft te worden op de voorgrondbelasting. Voor deze woningen geldt een minimum afstand tussen het emissiepunt van een dierenverblijf en de gevel van een geurgevoelig object. Binnen de bebouwde kom betreft deze minimumafstand 100 meter, buiten de bebouwde kom betreft dit 50 meter. Ook ten behoeve van de belangen van de veehouderijen is er sprake van het hierboven beschreven afwijkende toetsingskader. De nieuw te realiseren ruimte voor ruimte woning is gelegen in het buitengebied van de gemeente Asten, zodoende dient een minimale afstand van 50 meter ten opzichte van de dichts bij gelegen veehouderij in acht genomen te worden. In het activiteitenbesluit gelden dezelfde minimumafstanden als in de Wet geurhinder en veehouderij zoals deze is opgenomen in het genoemde geuronderzoek.

Uit het geuronderzoek kunnen de volgende conclusies getrokken worden: 1. De achtergrondbelasting op de Ruimte voor Ruimte woningen betreft maximaal 13,99 ouE/m3. De achtergrondbelasting geeft daarmee een redelijk goed leefklimaat en blijft daarmee onder de streefwaarde van 20 ouE/m3. Daarmee wordt voldaan aan de gestelde waarden voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 2. Doordat de eigenaar van de paardenhouderij het risico neemt voor de eventuele verminderende ontwikkelingsmogelijkheden van de paardenhouderij en er verder geen veehouderijen met hun bouwblok gelegen zijn binnen 50 meter van de Ruimte voor Ruimte woningen worden de omliggende veehouderijen niet in hun ontwikkeling geschaad. De belangen van omliggende veehouderijen worden bij ontwikkeling van de ruimte voor ruimte woningen niet geschaad. Verder is sprake van een redelijk goed leefklimaat rondom de woningen. Het ontwikkelen van de ruimte voor ruimte woningen aan de Hindert kan op grond

| bestemmingsplan Asten Hindert 2 2012 | status: vastgesteld |

Pagina | 3 5

van het aspect geurhinder dan ook worden toegestaan.

Het integrale onderzoek naar geurhinder is als bijlage bij deze plantoelichting gevoegd.

4.7

Externe veiligheid

4.7.1

Risicovolle inrichtingen (Bevi)

De veiligheid rond bedrijven wordt gereguleerd in de vigerende milieuvergunning (of een geldende Algemene Maatregel van Bestuur) en het Besluit externe veiligheid inrichtingen van 21 oktober 2004 (Bevi). In het Bevi worden specifieke regels opgenomen voor specifieke risicovoIle inrichtingen. Het gaat hierbij onder meer om inrichtingen in het kader van het Besluit risico's zware ongevallen 1999, LPG-tankstations, inrichtingen waar gevaarlijke (afval)stoffen of bestrijdingsmiddelen in emballage van meer dan 10.000 kg worden opgeslagen, inrichtingen met een koel-of vriesinstallatie met meer dan 400 kg ammoniak. In het Bevi heeft iedere risicovolle inrichting een veiligheidszone gekregen. Dit heet de plaatsgebonden risicocontour (PR-contour). Binnen deze contour mogen nieuwe kwetsbare objecten (zoals woningen, scholen, ziekenhuizen, grootschalige kantoren, hotels, winkelcentra, campings) of beperkt kwetsbare objecten (zoals verspreid liggende woningen, bedrijfswoningen dan wel bedrijfsgebouwen van derden, kleinere kantoren, hotels en winkels, sporthallen, zwembaden) niet of niet zonder meer worden opgericht. Het Bevi gaat uit van een PR-contour 10-6/jr.

Het kan gaan om inrichtingen waarbij door middel van een vaste afstand wordt voldaan aan deze contour (zogenaamde “categoriale inrichtingen”) en inrichtingen waarbij deze contour individueel moet worden berekend (Quantitative Risk Assement (QRA)). Dit is geregeld in Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Bij het nemen van een planologische besluit (zoals de vaststelling van een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan) moet het bevoegd gezag deze contour in acht nemen voor kwetsbare objecten. Hierbij geldt de PR-contour 10-6/jr. als grenswaarde. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de contour als richtwaarde, d.w.z. in principe moet PR 10-6/jr. aangehouden worden, maar er mag gemotiveerd van worden afgeweken. Indien een kwetsbaar object wordt gerealiseerd binnen de PR-contour 10-6/jr. is dat alleen acceptabel indien aan de planologische maatregel of de omgevingsvergunning zodanige voorwaarden worden verbonden dat binnen 3 jaar de PR-contour 10-6/jr. gehaald wordt. Tot die tijd geldt dan de PR-contour 10-5/jr. als grenswaarde. Naast het plaatsgebonden risico kent het Bevi ook het groepsgebonden risico (GR). Het groepsgebonden risico geeft aan wat de kans is op een ongeval met ten minste 10, 100 of 1000 dodelijke slachtoffers in de omgeving van de beschouwde bron.

Het aantal personen dat in de omgeving van de bron verblijft bepaalt daardoor mede de hoogte van het groepsrisico. Voor het GR geldt geen harde juridische norm (zoals de PR-contour 10-6/jr. wel is) maar een zogenaamde oriënterende waarde. Het berekende groepsrisico wordt weergegeven in een curve, waarbij de kans op een ongeval wordt uitgezet tegen het aantal mensen dat daarbij omkomt. In dezelfde grafiek wordt de oriënterende waarde uitgezet. Als die wordt overschreden door een ruimtelijke ontwikkeling moet dat worden verantwoord. Hiermee wordt in beeld gebracht of en in welke

| bestemmingsplan Asten Hindert 2 2012 | status: vastgesteld |

Pagina | 3 6

mate het bevoegd gezag het GR wel of niet aanvaardbaar vindt, al dan niet na het nemen van maatregelen. De nieuwe woningen (alsmede de voormalige agrarische bedrijfswoning) zijn te kwalificeren als (beperkt) kwetsbaar object. Volgens de Risicokaart van de provincie Noord-Brabant (zie onderstaande figuur) liggen in de directe omgeving van het projectgebied geen risicovolle inrichtingen. Het project ligt niet binnen het invloedsgebied voor GR dan wel een binnen een PR-contour 10-6/jr. van enige risicovolle inrichting.

4.7.2

Vervoer gevaarlijke stoffen

Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor of binnenwateren is geregeld in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (WVGS) en de daarop gebaseerde Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Op basis van deze circulaire kunnen langs wegen, spoorwegen en vaarwegen PR- contouren 10-6/jr. en het GR bepaald worden. De juridische binding van deze contouren voor bestaande en nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten is grotendeels gelijk aan het Bevi. Dat geldt ook voor de rol van het GR. Het rijk heeft in begin 2003 nieuwe risicoatlassen uitgebracht voor het transport van gevaarlijke

| bestemmingsplan Asten Hindert 2 2012 | status: vastgesteld |

Pagina | 3 7

stoffen over rijkswegen, spoorwegen, vaarwegen en buisleidingen. De atlassen geven gerelateerd aan het aantal/de hoeveelheid vervoerde gevaarlijke stoffen, inzicht in (bijna) knelpunten ten aanzien van in voorbereiding zijnde risiconormering. In en in de directe nabijheid van het plangebied is vervoer van gevaarlijke stoffen toegestaan. Voor zover het gaat om het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn met name de rijks-, provinciale- en spoorwegen van belang. In de omgeving van het plangebied is dit de A67 (op een afstand van circa 515 meter). Voor de A67 bedraagt de PR-contour 10 -6/jr. 0 meter. Dit houdt in dat voor dit aspect geen knelpunt aanwezig is. Ook de oriënterende waarde van het groepsrisico wordt niet overschreden. 4.7.3

Besluit externe veiligheid buisleidingen

Een buisleiding die wordt gebruikt voor transport van gevaarlijke stoffen, vormt een risico voor de veiligheid. Als de leiding gaat lekken, kunnen de gevaarlijke stoffen vrijkomen en ontstaat er een kans op explosie, vergiftiging van mensen of dieren of verontreiniging van het milieu. In het Besluit externe veiligheid buisleidingen zoals dit per 1 januari 2011 geldt, staan veiligheidseisen voor de exploitant en de gemeente. Exploitanten hebben een zorgplicht en moeten ervoor zorgen dat hun buisleidingen veilig zijn. Gemeenten moeten buisleidingen in hun bestemmingsplannen opnemen en bij nieuwbouw zorgen voor genoeg afstand tot de buisleidingen. De dichtstbijgelegen buisleiding (Nederlandse Gasunie NV) ligt op een afstand van 1800 meter van het plangebied. Bijbehorende PR-contour 10-6/jr. bedraagt 0 meter, en vormt derhalve geen belemmering voor het project.

4.8

Water

4.8.1

Algemeen

In het kader van de watertoets, dient ieder ruimtelijk relevant plan een beschrijving van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding te bevatten, een zogenaamde waterparagraaf. Het opnemen van een dergelijke beschrijving is wettelijk verplicht. Bij de watertoets gaat het om het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Ten aanzien van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert het waterschap een aantal beleidsuitgangspunten met betrekking tot het duurzaam omgaan van water. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient de initiatiefnemer hier vervulling aan te geven. Nieuwe ontwikkelingen dienen te voldoen aan het principe van hydrologisch neutraal bouwen. De Hydrologische situatie moet minimaal gelijk blijven aan de uitgangssituatie. Het plangebied is gelegen binnen het beheersgebied van Waterschap Aa en Maas. Het waterschap hanteert de volgende principes als uitgangspunt bij de watertoets.

Wateroverlastvrij bestemmen Bij de locatiekeuze voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met de overlastproblematiek en de norm uit het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW). Het plangebied bevindt zich op een relatief droge locatie waarbij de kans op inundatie niet groter is of gelijk aan eens per 100 jaar (zie onderstaande waterkansenkaart Aa en Maas 2011).

| bestemmingsplan Asten Hindert 2 2012 | status: vastgesteld |

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Asten&id=56e6cc40-ef28-46e8-8faa-4d8c1939ccde