CConstaterende datAsten
Koppel je AI →
Document · PDF

GR22.11.04C 1 Ruimtelijke onderbouwing Hindert 2.pdf

Gemeenteraad 8 november 2022, gemeente AstenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan 'Asten Verzamelplan 2022-1'22.685 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Pagina | 3 8

Uitsnede uit: Waterkansenkaart Aa en Maas 2011

Waterschapsbelangen Er zijn 'waterschapsbelangen' met een ruimtelijke component. Dit betreft het volgende: e. Ruimteclaims voor waterberging f. Ruimteclaims voor de aanleg van natte ecologische verbindingszones en beekherstel g. Aanwezigheid en ligging watersysteem h. Aanwezigheid en ligging waterkeringen i. Aanwezigheid en ligging van infrastructuur en ruimteclaims tbv de afvalwaterketen in beheer van het waterschap. De locatie voor de nieuwe ruimtelijke ontwikkeling bevindt zich niet binnen of langs gronden met een ruimteclaim voor waterberging, natte ecologische verbindingszones en beekherstel. Daarnaast grenst de locatie niet aan waterkeringen of watersystemen welke zijn beschermd vanuit de keur of de afvalwaterketen. (zie bovenstaande waterkansenkaart Aa en Maas 2011). Gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater Het streven is het afvoeren van het vuile water via de riolering en het binnen het plangebied verwerken van het schone hemelwater. Er wordt geen nieuw gemengd rioolstelsel aangelegd. Doorlopen van de afwegingsstappen: 'hergebruik - infiltratie - buffering - afvoer' Onderdeel van de watertoets is het omgaan met het schone hemelwater. De afwegingsstappen dienen te zijn: hergebruik - infiltratie - buffering - afvoer. Deze afwegingsstappen zijn afgeleid

| bestemmingsplan Asten Hindert 2 2012 | status: vastgesteld |

Pagina | 3 9

van de trits vasthouden-bergen-afvoeren. Vanwege het relatief kleinschalige initiatief zal in het plangebied geen sprake zijn van hergebruik van hemelwater. Het hemelwater zal worden opgevangen en geïnfiltreerd in de bodem. Hydrologisch neutraal bouwen Bij nieuwe ontwikkelingen dient de hydrologische situatie minimaal gelijk te blijven aan de uitgangssituatie. Hierbij mag de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG) niet verlaagd worden. In het plangebied zal hydrologisch neutraal worden gebouwd. Meervoudig Ruimtegebruik en water als kans Water wordt door stedenbouwkundigen bij inrichtingsvraagstukken vaak benaderd als een probleem ("er moet ook ruimte voor water gecreëerd worden, en m² zijn erg duur"). Dat is jammer, want water kan ook een meerwaarde geven aan het plan, bijvoorbeeld door gebruik te maken van de belevingswaarde van water. Bij de inrichting van een gebied kan het verlies van het aantal m² beperkt worden door een ruimte voor twee of meer doeleinden te gebruiken. Het verlies van het aantal m² als gevolg van de toegenomen ruimtevraag vanuit water kan zo worden beperkt. Onderhavig project betreft een relatief kleinschalig initiatief.

Er wordt ruimte voor wateropvang gevonden op binnen het plangebied op zodanige wijze dat de bovengrondse infiltratievoorziening onderdeel zal gaan uitmaken van de landschappelijke inpassing, waardoor het gehele project een grotere attractieve waarde krijgt. Voorkomen van vervuiling Bij de inrichting, het bouwen en het beheer van gebieden wordt het milieu belast. Het waterschap streeft ernaar om verontreiniging zoveel mogelijk te voorkomen. Dit aspect wordt dan ook meegenomen in de watertoets. 4.8.2

Waterparagraaf

Verhard oppervlak Het bestaand verhard oppervlakte betreft 3219 m2. In de onderstaande tabel is een onderverdeling weergegeven waaruit deze totale oppervlakte aan verhard oppervlakte bestaat. stal 1

585 m2

stal 2

1394 m2

loods

475 m2

bedrijfswoning

165 m2

erfverharding

600 m2

Totaal

3219 m2

Tabel: Verhard oppervlakte (bestaand)

Het verhard oppervlakte in de nieuw te realiseren situatie betreft 7893 m2. Echter dient de paardenrijbak als half verharding opgenomen te worden. Hierdoor komt het totaal verhard oppervlakte aan 6591 m2. stal 1 (loods)

475 m2

stal 2 (pension)

720 m2

stal 3 (draaimolen)

176 m2

| bestemmingsplan Asten Hindert 2 2012 | status: vastgesteld |

Pagina | 4 0

stal 4 (draaimolen)

176 m2

loods

475 m2

woning 1

165 m2

woning 2

153 m2

woning 3

153 m2

erf verharding paardenhouderij

2497 m2

erf verharding woning

300 m2

all weather bodem (halfverharding)

2603 m2

Totaal

7893 m2

Tabel: Verhard oppervlakte (nieuw)

Gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater Het huishoudelijk afvalwater zal op de bestaande drukriolering worden geloosd. Het schoon hemelwater wordt afgekoppeld en wordt lokaal geïnfiltreerd in de bodem. Hydrologisch neutraal bouwen De toekomstige bewoners van de woningen zullen binnen de daarvoor gegeven randvoorwaarden een omgevingsvergunning bij de gemeente aanvragen. Bij de bouw van de woningen dient gebruik te worden gemaakt van de niet-uitlogende materialen in verband met de kwaliteit van het te infiltreren hemelwater. Zaken als riolering en hemelwaterafvoer dienen tijdens de omgevingsvergunning fase bekend te zijn. Dit dient de bouwer/architect dan ook aan te geven in de omgevingsvergunning aanvraag. Conclusie Om te beoordelen wat de capaciteit moet worden van de bovengrondse infiltratievoorziening, is gebruik gemaakt van de HNO-tool. Hieruit blijkt dat de te bergen en/of infiltreren hoeveelheid hemelwater bij een bui van T=10+10% 161 m3 bedraagt. Het van daken en verhardingen vrijkomende hemelwater kan worden opgevangen in een poel; deze is voorzien in het van oorsprong laagste deel, aan de oostkant van het plangebied. Op onderstaande schets is de locatie van deze poel aangeduid.

| bestemmingsplan Asten Hindert 2 2012 | status: vastgesteld |

Pagina | 4 1

De HNO-tool is integraal als bijlage bij de planstukken gevoegd.

4.9

Archeologie en cultuurhistorie

In 1992 is het Verdrag van Valetta door de Europese Unie waaronder Nederland ondertekend. Dit verdrag verplicht de Europese overheden tot het beschermen van archeologisch erfgoed. Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat archeologische waarden in situ bewaard moeten blijven. Dat wil zeggen, dat er naar gestreefd moet worden om de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld bij realisatie van bouwplannen, dan moeten de waarden worden opgegraven en ex situ worden bewaard. De gemeente Asten heeft in het kader van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg en de Wet ruimtelijke ordening een eigen gemeentelijk archeologie beleid geformuleerd. In de gemeentelijke ‘Nota Archeologie beleid Asten wordende beleidsuitgangspunten beschreven. De ‘Nota Archeologie beleid Asten vormt samen met kaart ‘Archeologiebeleid’ de basis voor het gemeentelijk archeologie beleid. Onderstaand is een uitsnede van de kaart ‘Archeologiebeleid’ weergegeven waarop het plangebied is aangeduid.

| bestemmingsplan Asten Hindert 2 2012 | status: vastgesteld |

Pagina | 4 2

De beleidskaart geeft voor het plangebied een hoge indicatieve archeologische verwachtingswaarde. Er geldt een onderzoeksplicht bij een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm en een verstoringsoppervlak van meer dan 250 m². Derhalve is een verkennend archeologisch onderzoek noodzakelijk om te bezien of er bij herontwikkeling van de locatie archeologische waarden in het geding komen.

Dit archeologisch onderzoek is uitgevoerd door Econsultancy BV. Het bureauonderzoek toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. Daarom is er aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Op basis van de waargenomen bodemverstoringen en de aanwezigheid van bebouwing op een deel van de nieuwbouwlocatie, kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer in situ worden verwacht. De gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is weergegeven tijdens het bureauonderzoek, is door het booronderzoek naar laag bijgesteld voor alle perioden. Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy in haar rapport van 14 november 2012 (dat integraal als bijlage bij de planstukken is gevoegd) om het plangebied vrij te geven. Bovenstaand advies vormt een selectieadvies. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door het bevoegd gezag (gemeente Asten), die vervolgens een selectiebesluit neemt.

Het integrale archeologische onderzoek is als bijlage bij de planstukken gevoegd.

4.10 Flora en fauna Flora- en faunawet In april 2002 is de Flora- en faunawet (Ff-wet) in werking getreden. In deze wet zijn de onderdelen uit de Europese Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn die de bescherming van soorten betreft geïmplementeerd. Op basis van de Ff-wet moet bij alle geplande ruimtelijke ingrepen

| bestemmingsplan Asten Hindert 2 2012 | status: vastgesteld |

Pagina | 4 3

nagegaan worden of er schade wordt toegebracht aan beschermde dier- en plantensoorten. In de artikelen 8 t/m 12 van de Ff-wet is vastgelegd welke handelingen ten aanzien van beschermde soorten verboden zijn. Bij ontwikkelingen waarbij een schadelijk effect optreedt voor beschermde soorten is een ontheffing nodig op grond van artikel 75 Ff-wet. Bij de ontheffingverlening geldt voor bepaalde soorten een lichte toets en voor andere soorten een uitgebreide toets. De beschermde soorten kunnen worden verdeeld in: strengbeschermde soorten overige beschermde soorten algemeen beschermde soorten Strengbeschermde soorten Het betreft hier Rode lijst-soorten (bijlage IV Habitatrichtlijn), alle vogelsoorten in Nederland (behalve exoten) en inheemse plant-en diersoorten die genoemd zijn in bijlage 1 van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten/tabel 3 van de Regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten Flora- en faunawet. Aantasting van strengbeschermde soorten is alleen mogelijk na ontheffing ex art. 75 Ff-wet. Hiervoor geldt de zogenaamde uitgebreide toets.

Dat wil zeggen dat ontheffing alleen wordt verleend als: er geen alternatief is voor de geplande activiteit er sprake is van een in of bij de wet genoemd belang activiteit niet leidt tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding van de soort Overige beschermde soorten Het betreft hier de soorten die genoemd zijn in tabel 2 van de Regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten Flora- en faunawet. Aantasting van deze soorten is alleen mogelijk na ontheffing, doch hier geldt slechts een lichte toets. Ontheffing is mogelijk indien de activiteit niet leidt tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding van de soort . Algemeen beschermde soorten Het betreft hier de soorten die genoemd zijn in tabel 1 van de Regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten Flora- en faunawet. Als een initiatiefnemer activiteiten onderneemt die zijn te kwalificeren als bestendig beheer en onderhoud, bestendig gebruik of een ruimtelijke ontwikkeling, geldt een algemene vrijstelling voor de soorten uit tabel 1. Wel blijft te allen tijde de algemene zorgplicht uit art. 2 Ff-wet op de initiatiefnemer rusten. Voor andere activiteiten dan hierboven genoemd, blijft wel ontheffing noodzakelijk. Hiervoor geldt de lichte toets.

Vanwege de voorgenomen bouw van de Ruimte voor ruimte woningen en paardenhouderij aan de Hindert 2 zijn er mogelijk negatieve effecten op beschermde planten- en/ of diersoorten. Om hiervan een beeld te krijgen is een quick scan uitgevoerd. Doel van de quick scan is de (mogelijke) aanwezigheid van beschermde soorten flora en fauna vast te stellen en op grond hiervan in te schatten of de geplande maatregelen invloed hebben op de beschermde soorten uit de Flora- en faunawet. In het kader van het verkennend onderzoek naar beschermde flora- en faunasoorten ter plaatse is de databank van het Natuurloket geraadpleegd. Het Natuurloket is een onafhankelijke informatiemakelaar, die voor geheel Nederland per vierkante kilometer gegevens over beschermde soorten toegankelijk maakt. Deze gegevens zijn afkomstig uit de databanken van gespecialiseerde organisaties, verenigd in de Vereniging Onderzoek Flora en Fauna. Door Öko-care is een ecologische quick scan uitgevoerd in het kader van de flora en faunawet. Het onderzoek is als bijlage toegevoegd met kenmerk RF0038A van 2 september 2011.

| bestemmingsplan Asten Hindert 2 2012 | status: vastgesteld |

Pagina | 4 4

Naar aanleiding van voornoemd onderzoek kan worden geconcludeerd dat de realisatie van de woningen en paardenhouderij geen effect heeft op het voortbestaan van de aanwezige beschermde planten, dieren, leefgebieden en levensgemeenschappen in en om het gebied. Redenen hiervoor zijn de grote afstand tot vogel- en habitatrichtlijngebieden en het ontbreken van beschermde plant- en diersoorten in de huidige situatie ter plaatse. Bovendien worden op de locaties intensieve functies gesaneerd en worden hiervoor in de plaats minder intensieve functies gerealiseerd. De locatie is momenteel geheel aangewezen als agrarisch bouwblok en de oppervlakte aan bebouwing neemt per saldo af. De bebouwing die ter plaatse aanwezig is, is goed onderhouden en biedt geen habitatmogelijkheden voor diersoorten. In dat kader zijn er dan ook geen beperkingen inzake het oprichten van de woning. Derhalve is ter plaatse geen ontheffing of nader onderzoek noodzakelijk. Door de directe relatie tussen de bouw van de woning en de sanering van de huidige aanwezige intensieve veehouderij in de bebouwingsconcentratie zal ter plaatse tevens een grote milieuwinst ontstaan. Betreffende milieuwinst komt met name ten goede van de omgeving van het plangebied en zal algehele zin een meerwaarde opleveren voor de aanwezige en (potentiële) flora en fauna in het gebied.

Op 21 december 2012 is door Archimil een aanvullende quickscan Flora en Fauna uitgevoerd ter plaatse van de Hindert 2 te Asten. Er zijn op deze locatie geen beschermde soorten waargenomen die een belemmering vormen voor de voorgenomen bestemmingsplanwijziging. De locatie is ongeschikt als verblijfplaats of foerageergebied voor dieren. De coniferenhaag biedt mogelijk een broedplaats voor vogels. Alle broedende inheemse vogels en hun nesten zijn wettelijk beschermd. De Flora- en faunawet regelt onder meer de bescherming van vogels in het broedseizoen: het verstoren van broedende vogels en jongen, of het vernielen van nesten en eieren is verboden. De coniferen dienen derhalve buiten het broedseizoen gekapt te worden. De broedperiode is grogweg van 15 maart t/m 15 juli. Echter sommige soorten beginnen al in februari hun nesten te bouwen en sommige soorten broeden nog in augustus. Op basis van de quickscan is een aanvullend of nader onderzoek naar de aanwezige flora en fauna niet noodzakelijk. Voor de geplande activiteiten is evenmin een ontheffingsaanvraag in het kader van de Flora- en faunawet noodzakelijk. Het integrale aanvullende ecologisch onderzoek is als bijlage aan de planstukken toegevoegd.

4.11 Natuur en landschap Natuur De Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn (Richtlijn 79/409/EEG en de Richtlijn 92/43/EEG) hebben tot doel om de in het wild vogels, de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna in de gehele Europese Unie in stand te houden. Elke lidstaat is verplicht om speciale beschermingszones vast te stellen. Deze gebieden vormen samen één Europees netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Er kan onderscheid gemaakt worden tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. De soortenbescherming is in Nederland opgenomen in de Flora- en Faunawet. Met de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nb-wet) is beoogd de gebiedsbescherming van de Habitat- en Vogelrichtlijn te implementeren. Op 21 april 2005 is deze gepubliceerd in het Staatsblad (Stb. 2005, 195). Deze wet is op 1 oktober 2005 in werking getreden (Stb. 2005, 473). De beoordeling van eventuele gevolgen voor Vogelrichtlijn- en Habitatgebieden, die tevens zijn

| bestemmingsplan Asten Hindert 2 2012 | status: vastgesteld |

Pagina | 4 5

aangewezen als Natuurbeschermingswetgebied, dient te gebeuren in het kader van de Nb-wet. Uit de uitspraak van de Afdeling van de Raad van State van 14 maart 2007, ABRvS 200606229/1 (Oirschot) volgt dat voor zover een (deel van) een Habitatrichtlijngebied onderdeel uitmaakt van het Vogelrichtlijngebied de beoordeling (voor dat deel) moet plaatsvinden in het kader van de Nb-wet. Dit betekent dat bij de vergunningverlening op grond van de Wet milieubeheer niet gekeken wordt naar de eventuele nadelige gevolgen voor een Vogelrichtlijngebied. Die beoordeling dient te gebeuren in het kader van de Nb-wet. Op 1 februari 2009 is een wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 in werking getreden. Via deze wijziging van de Natuurbeschermingswet wordt onder andere een nieuwe definitie gegeven voor een Natura-2000 gebied. Via deze wijziging komen ook Habitatrichtlijngebieden onder het regime van de Natuurbeschermingswet te vallen. Bij de omschakeling van een veehouderij moet bij mogelijke gevolgen voor Natura 2000 vooral gedacht worden aan vermesting of verzuring door depositie van ammoniak, verdroging door onttrekking van grondwater, verontreiniging van grond- of oppervlaktewater of verstoring door geluid. Voor veehouderijen op grotere afstand van een beschermd gebied is de depositie van ammoniak het enige mogelijk relevante effect.

In de omgeving van de inrichting zijn diverse Natura 2000 gebieden gelegen, te weten de Strabrechtse Heide en Beuven, de Groote Peel, de Deurnsche en Mariapeel, de Weerter en Budelerbergen en Ringselven en het Leenderbos, Groote Heide en de Plateaux, alsmede het beschermde natuurmonument de Dommelbeemden. Uit de berekeningen met het rekenprogramma Aagro-Stacks (zie bijlage) blijkt dat de ammoniakemissie en depositie op de in de omgeving gelegen Natura 2000-gebieden en het beschermde natuurmonument in de nieuwe situatie vele malen kleiner is dan op basis van de nu vergunde situatie. Op basis van de vergunde situatie heeft de pluimveehouderij een emissie van 3.448,20 kg NH3 per jaar. In de aangevraagde situatie bedraagt deze emissie slechts 240 kg NH3 per jaar. Dit is een enorme verbetering voor de depositie op de Natura 2000-gebieden. Landschap In het landschapontwikkelingsplan is de locatie gelegen binnen een gebied dat is getypeerd als kleinschalige zandontginning. De kenmerken/ambities van dit landschapstype dienen als uitgangspunt voor het opgestelde inpassingsplan te gelden. De nieuwe woningen en paardenhouderij zullen landschappelijk worden ingepast in het landelijke gebied. Door Ir Guido W.F.M.

Paumen, Tuin- & landschapsarchitect, is, rekening houdend met het landschapsontwikkelingsplan, een landschappelijk inpassingsplan opgesteld voor de Hindert 2 te Asten, welk plan integraal als bijlage bij de planstukken is gevoegd. Het beplantingsplan omvat de aanplant van beukenhagen, lindes, essen, bomenrijen bestaande uit eik en berk, een boomgaard. Aan de veldkant zal een 3 meter brede strook worden vrijgehouden voor de aanleg van het wandelpad. De ondergrond zal ten behoeve van dit pad worden gestabiliseerd en geëgaliseerd. De bermen zullen worden ingezaaid met een akkerrandenmengsel. Bij de ingangen zullen draaipoortjes en infoborden worden geplaatst. De weide waarin de fruitbomen zijn geprojecteerd zal worden ingezaaid met een passend mengsel voor de ontwikkeling van bloemrijk grasland op de overgang van drogere naar vochtigere gronden. De weide zal 1x per jaar na 1 juli worden gemaaid. Nadat de weide is gemaaid, kan een extensieve begrazing worden toegestaan. De poel is van betekenis voor de opvang en infiltratie van hemelwateren kan incidenteel uitstromen over de weide. | bestemmingsplan Asten Hindert 2 2012 | status: vastgesteld |

Pagina | 4 6

Op onderstaande schets is de groene inpassing van het bouwvlak te zien:

4.12 Kabels, leidingen en straalpaden 4.12.1 Inleiding Ruimtelijk relevante leidingen en straalpaden worden op de plankaart en in de planvoorschriften geregeld. Leidingen met ongevaarlijke stoffen zoals hoofdwatertransportleidingen, afvalwatertransport-/rioolpersleidingen zijn in beginsel niet opgenomen in het bestemmingsplan, tenzij door de leidingbeheerder de noodzaak voor opname is aangetoond. Een vereiste voor opname in het bestemmingsplan is dat de opgave van de ligging van de leidingen op digitale wijze dient te geschieden. Dit in verband met het bepalen van de exacte ligging.

| bestemmingsplan Asten Hindert 2 2012 | status: vastgesteld |

Pagina | 4 7

4.12.2 Gas-, olie-, brandstof- of watertransportleidingen en hoogspanningskabels Bij brief van 3 oktober 2005 van het ministerie van VROM aan de Gasunie geeft het ministerie het volgende aan: "Ten aanzien van de risiconormering voor buisleidingen gelden de uitgangspunten van het externe veiligheidsbeleid. Deze uitgangspunten liggen onder meer vast in het Vierde Nationaal Milieubeleidsplan en voorzien in het bieden van een basisveiligheidsniveau door het stellen van een grenswaarde aan het plaatsgebonden risico en een verantwoordingsplicht voor het groepsrisico. Het beleid gaat daarbij uit van het op termijn opheffen van het onderscheid tussen bestaande en nieuwe situaties, maar houdt daarbij wel rekening met de haalbaarheid, uitvoerbaarheid en betaalbaarheid van maatregelen. Deze beleidslijn is voor inrichtingen inmiddels wettelijk vastgelegd." In de circulaire "Zonering langs hogedruk aardgastransportleidingen" van het ministerie van VROM, vastgesteld op 26 november 1984, is de zonering langs hogedruk transportleidingen aangegeven met als doel zowel voor de leidingeigenaar als de ruimtelijk ordenaar de risicoruimte vast te stellen. In onderhavig plangebied komen geen gastransportleidingen voor die onder het bereik van genoemde circulaire vallen.

Er liggen verder geen andere hoofdleidingen voor olie, brandstof of water en geen hoogspanningsleidingen in of nabij het plangebied die een planologisch-juridische beschermingszone hebben. 4.12.3 Obstakelbeheer- en radarverstoringsgebied Radarverstoringsgebied Over het plangebied is een zogenaamd radarverstoringsgebied gelegen. Dit gebied dient om het ongestoord functioneren van radar- en communicatieapparatuur op het militaire luchtvaartterrein Volkel te waarborgen. Het radarverstoringsgebied betreft een cirkel met een straal van 15 Nautische mijl (27,8 km) gemeten vanaf de positie van de radar. Binnen dit gebied dient voor ieder obstakel hoger dan 65 m boven NAP tov de positie van de rader berekend te worden of verstoring van de radar optreedt. Nu het plangebied op 23 meter boven NAP ligt en de regels bebouwing met een hoogte van 40 meter of meer niet mogelijk maken, zal dit bestemmingsplan niet tot gevolg hebben dat communicatieapparatuur verstoord wordt. Laagvlieggebied Het plangebied ligt tevens binnen het laagvlieggebied De Peel. De regeling voor laagvliegroutes en – gebieden is vastgelegd in de “regeling VFR-nachtvluchten en minimum vlieghoogten voor militaire luchtvaartuigen”.

Krachtens deze regeling is het piloten van propellorvliegtuigen en helikopters toegestaan om binnen de begrenzingen van deze laagvlieggebieden en –routes op een minimumhoogte van 30 meter boven hindernissen te vliegen, dan wel lager dan 30 meter, indien de opdracht dit vereist. In het kader van de vliegveiligheid beoogt het Ministerie van Defensie het oprichten van obstakels als windturbines of (telecommunicatie)masten in de laagvliegroutes en laagvlieggebieden zoveel mogelijk tegen te gaan. Aangezien er binnen dit bestemmingsplan geen hoge bouwmogelijkheden worden geboden in het laagvlieggebied zijn hier verder geen beperkingen voor opgenomen. Het radarverstoringsgebied noch het laagvlieggebied zijn dan ook op de plankaart of in de regels opgenomen.

| bestemmingsplan Asten Hindert 2 2012 | status: vastgesteld |

Pagina | 4 8

Hoofdstuk 5 Ruimtelijke ontwikkeling 5.1

Ruimtelijke ontwikkeling

In dit hoofdstuk wordt het ruimtelijke project beschreven. Er wordt ingegaan op de bouwkundige maatvoering, stedenbouwkundige aspecten, architectonische kwaliteit, kwaliteit van de openbare ruimte, verkeersaspecten, duurzaam bouwen, brandveiligheid, groen en water. 5.1.1

Visie en inspiratie

Initiatiefnemer is voornemens zijn intensieve veehouderij te beëindigen en de locatie om te zetten in een woongebied voor de realisatie van twee grondgebonden woningen in het kader van de regeling Ruimte voor Ruimte, het omzetten van de (voormalige) agrarische bedrijfswoning in ruimte voor ruimte woning en een grondgebonden paardenhouderij met bedrijfswoning. Het plangebied is gelegen ten noordwesten van de kern Asten. Vanwege de ligging van de intensieve veehouderij in het zoekgebied voor verstedelijking is een verdere ontwikkeling naar grootschaligere duurzame agrarische bedrijvigheid ter plaatse niet gewenst. 5.1.2

Projectbeschrijving

Vanwege de ligging van het plangebied in de bebouwingsconcentratie waarin de agrarische bedrijvigheid terrein verliest ten gunste van de burgerbewoning en de ligging van de locatie in een extensiveringsgebied, is een verdere ontwikkeling naar grootschaligere duurzame agrarische locatie voor intensieve veehouderij ter plaatse niet gewenst. De herontwikkeling van het plangebied ziet op ontwikkeling van twee nieuwe woningen in het kader van de regeling Ruimte voor Ruimte in samenhang met de sanering van de intensieve veehouderij aan de Hindert 2. Verder zal de bestaande agrarische bedrijfswoning worden omgezet naar een burgerwoning en zal een paardenhouderij met bedrijfswoning worden gerealiseerd. Op de locatie de Hindert 2 zijn thans stallen en een loods aanwezig behorende bij de pluimveehouderij welke beëindigd zal worden. Binnen deze inrichting zijn ook 4 paarden aanwezig welke behouden zullen blijven. Het beoogde aantal paarden binnen de paardenhouderij bedraagt 50 stuks. De woningen die de initiatiefnemer beoogt te ontwikkelingen na de sanering van de intensieve veehouderij worden geprojecteerd aan de Laarbroek. Door de bestaande boomstructuur lang de Laarbroek te behouden, wordt de oorspronkelijke ruimtelijke structuur van het bebouwingscluster niet aangetast maar juist versterkt.

Op onderstaande figuur is de situering weergegeven van de nieuw te realiseren woningen, voormalige bedrijfswoning en paardenhouderij.

| bestemmingsplan Asten Hindert 2 2012 | status: vastgesteld |

Pagina | 4 9

Onderstaand is een uitsnede van de paardenhouderij weergegeven:

| bestemmingsplan Asten Hindert 2 2012 | status: vastgesteld |

Pagina | 5 0

Ruimte 1 betreft de machineberging/stallingsruimte, in ruimte 2 bevinden zich de paardenboxen, 3 en 4 zijn de stap- en longeerruimten. Daarnaast zijn er 2 buitenrijbakken; één met een grasbak en één voorzien van een 'allweather bodem'. De oostelijke buitenrijbak zal in de toekomst overdekt gaan worden, zodat er sprake is van een binnenbak. De toekomstige situering van de nieuwe agrarische bedrijfswoning is op het moment van het ter inzage gaan van dit bestemmingsplan, nog niet bekend. De bedrijfswoning zal echter binnen de mogelijkheden van de planregels gerealiseerd dienen te worden. In het plangebied zullen verder twee ruimte voor ruimte woningen worden opgericht. Tevens wordt de bestemming van de (voormalige) agrarische bedrijfswoning gewijzigd in een ruimte voor ruimte woning. Voor het omzetten van de voormalige agrarische bedrijfswoning in een burgerwoning en de realisatie van ruimte voor ruimtewoning nummer 1 (W1) zal het principe van ruimte voor ruimte worden ingezet, zodat hiertoe ten minste 2000 m2 aan agrarische bedrijfsbebouwing zal dienen te worden gesloopt. Voor ruimte voor ruimtewoning nummer 2 (W2) zal een wijzigingsbevoegdheid worden opgenomen in onderhavig bestemmingsplan.

De voorwaarde om tot wijziging naar de bestemming 'Wonen' over te kunnen gaan, is dat elders binnen de gemeente Asten te minste 1000 m2 aan agrarische bebouwing zal worden gesloopt en bijbehorende milieurechten worden ingetrokken ten behoeve van de realisatie van deze ene nieuwe woning, een en ander conforme de Regeling Ruimte voor Ruimte.

| bestemmingsplan Asten Hindert 2 2012 | status: vastgesteld |

Pagina | 5 1

5.1.3

Overige projectonderdelen

Onderdelen van het onderhavige project waarop het onderhavige plan ook betrekking heeft betreffen het bouwrijp maken van het plangebied, de aanleg van tuinen, erven en andere verhardingen, parkeerplaatsen , waterinfiltratie- en waterbergende voorzieningen, de ten behoeve van het project noodzakelijke kabels en leidingen, groen- en speelvoorzieningen.

5.2

Stedenbouwkundig ontwerp, architectuur en beeldkwaliteit

De architectuur voor de woningen en de paardenhouderij moet refereren aan de plaatselijke en regionale architectuurkenmerken en gebouwen typologieën. Tevens is er de ambitie om verder te willen gaan dan de regionale en historische verwijzingen. De hoofdvolumes dienen uit te gaan van hoofdvolumes die qua massa aansluiten bij de regionale bebouwing (langgevelboerderijen), maar in de detaillering en materialisatie een eigentijdse vormgeving kunnen krijgen. De bebouwing in de omgeving van het plangebied is ruim van opzet en gebouwd in landelijk stijl, gelegen in het groen. Langs de linten van het Laarbroek komen veel vrijstaande woningen voor, vaak betreft het boerderijwoningen. De boerderijpanden zijn gesitueerd in verschillende lengterichtingen en rooilijnen in het lint. De nieuw op te richten woningen dien te passen binnen deze bouwstijl. Dit wordt getoetst bij de Welstandcommissie bij de aanvraag om een omgevingsvergunning.

| bestemmingsplan Asten Hindert 2 2012 | status: vastgesteld |

Pagina | 5 2

Hoofdstuk 6 Juridische vormgeving 6.1

Algemeen

Het bestemmingsplan heeft als doel het planologisch-juridisch kader te geven voor de ontwikkeling van het beschreven plan. De nadere juridische invulling is gedetailleerd geregeld. Dit bestemmingsplan bestaat uit de volgende onderdelen: •

plantoelichting

•

planregels;

•

verbeelding.

Bij het opstellen van het onderhavige bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Waar dat noodzakelijk was , is afgeweken van de standaard en is het plan specifiek toegesneden op de feitelijke situatie in het onderhavige plangebied. De plansystematiek voldoet aan de volgende RO- standaarden : •

Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP) ;

•

PraktijkRichtlijn BestemmingsPlannen (PRBP) ;

•

Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten (STRI)

6.2

Planmethodiek

Er is, volgens de Wro, gekozen voor een analoge en digitale verbeelding van het plan. Aan de bestemmingen zijn bouw- en gebruiksregels gekoppeld die direct inzichtelijk maken welke ontwikkelingen zijn toegestaan. Verbeelding en regels bieden een directe bouwtitel voor bebouwing en gebruik.

6.3

Verbeelding

In de analoge en digitale verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis ingevolge het voorliggende plan, indien en voor zover deze in de regels daaraan wordt gegeven. Als een aanduiding juridisch gezien geen enkele betekenis heeft, is deze niet opgenomen in de verbeelding. Ten behoeve van de leesbaarheid is het plan wel op een topografische ondergrond gelegd. De bestemmingen en de aanduidingen zijn ingedeeld in de hoofdgroepen volgens de SVBP en zijn bij de verbeelding opgenomen in een renvooi. Opgemerkt wordt nog dat de analoge en digitale verbeelding qua verschijning van elkaar verschillen, immers de wijze van raadplegen is ook verschillend. Inhoudelijk zijn geen verschillen te vinden.

6.4

Planregels

De planregels zijn ondergebracht in inleidende regels, in bestemmingsregels, in algemene regels en in overgangs- en slotregels. De Inleidende regels (hoofdstuk 1) bestaan uit begrippen en de wijze van meten, teneinde te voorkomen dat discussie ontstaat over de interpretatie van de regels. In de Begrippen (artikel 1) | bestemmingsplan Asten Hindert 2 2012 | status: vastgesteld |

Pagina | 5 3

wordt een omschrijving gegeven van de in de regels gehanteerde begrippen. Als gebruikte begrippen niet in deze lijst voorkomen, dan geldt de uitleg/interpretatie conform het dagelijks taalgebruik. In het artikel over de "Wijze van meten" (artikel 2) worden de te gebruiken meetmethodes vastgelegd. Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingen. In het bestemmingsplan zijn de bestemming ‘Wonen’, 'Agrarisch' en 'Bedrijf - Agrarisch verwant' opgenomen. De inhoud van de Ruimte voor Ruimte woningen zal maximaal 1.000 m³ bedragen. Bij de woningen is maximaal 80 m2 aan bijgebouwen toegestaan. Daarbij gelden voor het bouwen van hoofd(woon)-gebouwen onder andere de volgende bepalingen: -De afstand tot de zijdelingse perceelsgrens mag voor een vrijstaand hoofdgebouw aan beide zijden niet minder dan 3 meter bedragen. -De goothoogte van een hoofdgebouw mag niet meer dan 3,5 meter bedragen. -De nokhoogte van een hoofdgebouw mag niet meer dan 8 meter bedragen. De bestemming 'Agrarisch' kent tevens een wijzigingsbevoegdheid naar de bestemming 'Wonen', onder de belangrijkste voorwaarde dat ten behoeve van de toekenning van deze woonbestemming elders in de gemeente Asten ten minste 1000 m2 aan agrarische bebouwing wordt gesloopt, conform de regeling ruimte voor ruimte. Binnen de bestemming 'Bedrijf Agrarisch verwant' mag een paardenhouderij geëxploiteerd worden.

In de Algemene regels (hoofdstuk 3) zijn opgenomen de Anti-dubbeltelbepaling, de algemene bouwregels, de algemene afwijkingsregels, de algemene wijzigingsregels, de algemene procedureregels voor wijzigingen, ontheffingen en nadere eisen en de overige regels. In de Overgangs- en slotregels (hoofdstuk 4) zijn het overgangsrecht en de slotregel opgenomen.

| bestemmingsplan Asten Hindert 2 2012 | status: vastgesteld |

Pagina | 5 4

Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid, kostenverhaal en planschade De realisatie van het project geschiedt voor rekening van de initiatiefnemer. De gemeentelijke financiën zijn hierbij niet in het geding. Verder zijn de gronden eigendom van de initiatiefnemer. Deze gronden zijn niet belast met beperkt zakelijke rechten van derden. Kostenverhaal zal geregeld worden in een tussen de gemeente Asten en de initiatiefnemer af te sluiten anterieure exploitatieovereenkomst. Door de vaststelling van deze anterieure exploitatieovereenkomst is het verhaal van de gemeentelijke kosten van de grondexploitatie over de in dit plan begrepen gronden afdoende verzekerd. Hierdoor behoeft een exploitatieplan door de gemeenteraad niet vastgesteld te worden (artikel 6.12 leden 1 en 2, onder a Wro). In deze overeenkomst zal tevens een bepaling worden opgenomen ten aanzien van de uitvoering van de landschappelijke inpassing. Tenslotte wordt in deze overeenkomst ook een planschadeverhaalsbeding zoals bedoeld in art. 6.4a Wro opgenomen. Hiermee wordt gewaarborgd dat eventueel te vergoeden planschade niet voor rekening van de gemeente Asten komt maar voor rekening van de initiatiefnemer.

Artikel 6.2 Wro bepaalt dat bij toekenning van een tegemoetkoming in planschade een forfaitaire drempel van tenminste 2% van de waarde van de getroffen onroerende zaken voor risico en rekening van de benadeelde te dient blijven. De afstand van de mogelijk benadeelde tot het projectgebied in aanmerking genomen, alsmede de waarde van de onroerende zaken vlak voor de planologische wijziging en de positieve gevolgen van de ontwikkeling waarbij zoals blijkt uit de paragraaf omtrent milieuzonering geen bedrijven in hun belangen worden geschaad, wordt de kans op te honoreren verzoeken om planschade uiterst minimaal ingeschat.

| bestemmingsplan Asten Hindert 2 2012 | status: vastgesteld |

Pagina | 5 5

Hoofdstuk 8 Procedure en maatschappelijke uitvoerbaarheid Elk nieuw bestemmingsplan ontstaat uit een initiatief. De totstandkoming begint met de beslissing dat een bestemmingsplan zal worden opgesteld. Conform artikel 3.1.1. Bro worden de provincie Noord-Brabant, de VROM-inspectie, de wegbeheerder en Waterschap Aa en Maas in het kader van dit bestemmingsplan betrokken in het vooroverleg. De vooroverlegreacties zijn als bijlage bij de planstukken gevoegd. De opmerkingen van de provincie hebben geleid tot beperkte tekstuele aanpassingen in de plantoelichting.

Artikel 3.8 Wro regelt de procedure van het bestemmingsplan. Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. Hierbij zijn een aantal aanvullingen: 1. kennisgeving, zoals bedoeld in artikel 3:12 Awb, dient tevens te worden gepubliceerd in de Staatscourant en langs elektronische weg te worden verzonden; 2. het ontwerpbestemmingsplan dient te worden verstuurd aan het Rijk, provincie, waterschappen en aan de besturen van bij het plan een belang hebbende gemeenten; 3. kennisgeving aan de eigenaren van percelen welke de bestemming in de naaste toekomst zal worden verwezenlijkt; 4. door een ieder kunnen zienswijzen naar voren worden gebracht; 5. de gemeenteraad dient binnen 12 weken, na de ter inzage termijn beslissen omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan.

Het ontwerpbestemminsgplan heeft met ingang van 17 mei 2013 voor een ieder ter inzage gelegen. De provincie Noord-Brabant heeft op 10 juni 2013 (ontvangen 13 juni 2013) een schriftelijke zienswijze ingediend, welke als bijlage 15 aan de planstukken is toegevoegd. Dor Nota van Zienswijzen is toegevoegd als bijlage 16 en de bewijsstukken voor deelname aan de ruimte-voor-ruimteregeling als bijlage 17.

Binnen twee weken wordt het besluit tot vaststelling bekend gemaakt. Indien door de Gedeputeerde Staten (GS) of de inspecteur een zienswijze is ingediend en deze niet volledig is overgenomen, dan vindt bekendmaking plaats binnen zes weken na vaststelling. Dit geldt tevens indien de gemeenteraad wijzigingen aanbrengt in het ontwerp. In deze gevallen zend het college na vaststelling onverwijld een afschrift van het raadsbesluit aan de GS en/of de inspecteur. Indien het Rijk of de provincie gebruik wil maken van haar aanwijzingsbevoegdheid gaat deze termijn niet op. Het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan wordt dan, met uitsluiting van het onderdeel waarop het aanwijzingsbesluit ziet, samen met het aanwijzingsbesluit bekend gemaakt. Het besluit treedt in werking 1 dag na afloop van de beroepstermijn.

| bestemmingsplan Asten Hindert 2 2012 | status: vastgesteld |

Pagina | 5 6

| bestemmingsplan Asten Hindert 2 2012 | status: vastgesteld |

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Asten&id=56e6cc40-ef28-46e8-8faa-4d8c1939ccde