CConstaterende datAsten
Koppel je AI →
Document · PDF

D-06 Bijlage 1 - Uitvoerings- en handhavingsstrategie VTH 2025-2028

Raadscommissie Samenleving en Bestuur 16 januari 2025, gemeente AstenBij agendapunt: Stukken van het college van b&w ter kennisneming27.780 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Jaarlijks stemmen wij met de ODZOB het werkprogramma voor het komende jaar af en periodiek evalueren wij de samenwerking. Voor het opstellen van het werkprogramma overleggen wij één of enkele malen met de accountmanager van de ODZOB. Wij ontvangen ieder kwartaal een overzicht van de voortgang van (de uitvoering van) het werkprogramma. Daar is 4 of 5 keer per jaar overleg over met de accountmanager van de ODZOB. In deze overleggen worden eventuele knelpunten, de onderlinge samenwerking en dergelijke ook besproken. Indien nodig of gewenst hebben wij uiteraard vaker overleg. Over individuele aanvragen en werkzaamheden is er naar behoefte ad hoc overleg tussen de betreffende uitvoerende ODZOB-medewerker(s) en de inhoudelijk betrokken medewerker(s) van de gemeente Asten. Wij hebben de ODZOB gemandateerd om milieutaken namens ons uit te voeren, informatie uit te wisselen en af te stemmen met andere met (strafrechtelijke) handhaving belaste organen. Bestuurlijke afstemming vinden wij belangrijk. In het kader van (inhoudelijke) afstemming wordt er actief informatie uitgewisseld tussen de ODZOB-medewerkers en gemeentelijke vakafdeling(en). 29

Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost (VRBZO) De VRBZO voert taken uit voor de regio Brabant-Zuidoost op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving. Het gaat hier om wettelijk verplichte taken en gemeentelijke taken, die collectief aan de VRBZO zijn opgedragen. Bij de collectieve taken gaat het om taken waarvan het voor de veiligheidsregio efficiënter is om deze regionaal op te pakken in plaats van in elke gemeente afzonderlijk. In het kader van vergunningverlening, toezicht en handhaving zijn de taken van de VRBZO onder andere: • advisering bij omgevingsvergunningen en/ of meldingen over brandveiligheidsaspecten; • advisering vergunningverlening evenementen en controle op brandveilig gebruik van deze tijdelijke inrichtingen; • controle brandveiligheid gebouwen melding brandveilig gebruik; • toezicht- en handhavingscontroles brandveiligheid. Jaarlijks stemmen wij met de VRBZO in twee overleggen het werkprogramma voor het komende jaar af en evalueren wij het voorgaande werkprogramma en de onderlinge samenwerking. Daarnaast overleggen wij gemiddeld 3 keer per jaar samen over eventuele knelpunten en de vordering van het werkprogramma. Daar waar het om lopende zaken gaat vindt, indien nodig, direct overleg plaats. Politie Op 1 januari 2013 is de organisatie van de Politie ingericht als Nationale Politie.

Dit houdt in dat er één landelijk korps is met tien regionale eenheden. De voormalige korpsen Brabant-Noord en Brabant Zuidoost vormen nu de regionale eenheid Oost-Brabant. Onder de regionale eenheid vallen weer diverse basisteams. De gemeente Asten valt onder het basisteam Peelland. De basisteams richten zich op de veelvoorkomende criminaliteit en zijn het eerste aanspreekpunt voorinwoners. Daarnaast worden de basisteams ingezet bij het afhandelen van noodhulp en niet- spoedeisende meldingen. Op veel gebieden werken wij nauw samen met de organen die belast zijn met de strafrechtelijke handhaving. Naast het afstemmen van het jaarlijkse (concept) uitvoeringsprogramma vragen wij bijvoorbeeld aan de politie om input bij het opstellen van bepaalde beleidsstukken of verordeningen. Maar er wordt o.a. ook wederzijdse informatie verstrekt over bepaalde zaken die ons gezamenlijk aangaan. Tevens verstrekken wij onze bestuurlijke besluiten aan de politie indien het gaat om voor de politie relevante onderwerpen. Denk aan o.a. het toepassen van het Damoclesbeleid of Bibob-beleid. Ook indien wij problemen verwachten bij toezicht controles, evenementen en dergelijke speelt de politie een ondersteunende rol door bijvoorbeeld aanwezig te zijn. Verder is er ieder kwartaal een zogenaamd driehoekoverleg én driehoekplusoverleg.

Hieraan nemen wij met de gemeenten basisteam, de politie basisteam en het OM deel. Bij het plusoverleg sluit daar de belastingdienst nog extra bij aan. Afbakening taken politie en boa’s Op 1 april 2014 informeerde de Minister van Veiligheid en Justitie de Tweede Kamer per brief over het toezicht in de openbare ruimte. In deze brief stelt de minister dat het toezicht in de openbare ruimte een gedeelde overheidstaak is van politie en de gemeenten. De minister stelt dat gemeenten zorgen voor ogen en oren op straat door het inzetten van boa’s. Deze kunnen ingrijpen wanneer de leefbaarheid wordt aangetast door overtredingen die overlast en kleine ergernissen veroorzaken. De politie vervult een belangrijke rol wanneer het gaat om het handhaven van de openbare orde en veiligheid. De omschrijving van de Domein I Openbare Ruimte Boa’s is hierop aangepast.

30

Van een boa wordt verwacht dat hij toezicht houdt in de openbare ruimte. Hij treedt op in situaties waarin geen sprake is van te verwachten gevaar. De politie is aan zet wanneer er sprake is van geweld, als geweld dreigt of waar sprake is van criminaliteit. Metropoolregio Eindhoven (MRE) MRE is het netwerk waar wij, de 21 regiogemeenten, samenwerken aan strategische grensoverschrijdende opgaven. Het doel is een excellente regio, een economisch sterke regio met een goed vestigings- en verblijfsklimaat voor inwoners, bedrijven, kenniswerkers en bezoekers. Maar we willen ook een evenwichtige regio zijn, met welvaart én welzijn. Deze gezamenlijke ambitie is waarom de 21 gemeenten samenwerken. Provincie Indirect hebben we te maken met de provincie waar zij de ruimtelijke kaders stelt. Bij een aantal bedrijven is de provincie bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning en het toezicht en handhaving hierop. Hier is sprake van een afstemming op het gebied van lokale regelgeving en beleid zoals bijvoorbeeld reclame- of omgevingsplan regels. De provincie houdt ook toezicht op de manier waarop Asten uitvoering geeft aan de VTH-taken. Het zogenaamde interbestuurlijk toezicht (IBT). Jaarlijks geeft het IBT haar oordeel over de VTH-beleidsdocumenten. Waterschappen Een waterschap is een regionaal overheidsorgaan dat bestuurlijk verantwoordelijk is voor de waterhuishouding in een gebied.

De waterschappen onderhouden en inspecteren dagelijks de dijken, zuiveren water en zorgen voor veilig, voldoende en schoon water. De hoogste prioriteit is om bij te dragen aan de veiligheid, gezondheid en het welzijn van de inwoners De gemeente Asten ligt in het werkgebied van Waterschap Aa en Maas. Afstemming U&HS De U&HS hebben wij vóór vaststelling afgestemd met andere betrokken bestuursorganen en partners die belast zijn met de uitvoering en/of (strafrechtelijke) handhaving. Zo hebben wij deze strategie -voor de voor hen relevante delen- aan de omgevingsdienst, veiligheidsregio en de organen die belast zijn met de strafrechtelijke handhaving (politie, OM) voorgelegd en met hen afgestemd.

31

8 Monitoring en evaluatie In de U&HS is opgenomen welke doelen we willen bereiken. Om de voortgang hiervan bij te houden, stellen wij een aantal vragen: behalen we onze doelstellingen? Houden we ons aan de prioriteiten? Doen we wat we hebben gepland? Hanteren we de juiste strategieën om onze doelen te verwezenlijken? Door antwoord te geven op bovenstaande vragen, monitoren we de voortgang waardoor we zicht houden op de gestelde doelen en prioriteiten. Daarnaast wordt er verantwoording afgelegd aan het college, de gemeenteraad, onze inwoners en de provincie als interbestuurlijk toezichthouder. De monitoring en evaluatie wordt ieder jaar vastgelegd in het VTH-evaluatieverslag. Het VTH evaluatieverslag wordt aan het college aangeboden en vastgesteld en ter kennisname aan de gemeenteraad voorgelegd. Daarnaast wordt het VTH-evaluatieverslag toegezonden aan de provincie Noord-Brabant vanwege hun rol als interbestuurlijk toezichthouder. Op het moment dat uit de evaluatie blijkt dat doelstellingen niet gehaald worden, worden er indien nodig verbeteringen voorgesteld waardoor de doelstellingen in het vervolg wel gehaald worden. Daarnaast worden eventuele signalen van tekortkomingen opgenomen in het evaluatieverslag van het desbetreffende jaar. Indien nodig wordt dit beleid door middel van een wijziging tussentijds aangepast.

Kwaliteitscriteria De U&HS is als het ware het kader voor de kwaliteit van de VTH-taken. Onderdeel van de kwaliteitscriteria is de kritieke massa en de deskundigheid van het personeel. Door jaarlijks de kwaliteitscriteria te evalueren in het evaluatieverslag creëer je een handvat om de minimale vereiste kwaliteit waaraan gemeentes moeten voldoen te waarborgen en indien nodig hierop actie te ondernemen. Vanaf 1 januari 2025 gelden de kwaliteitscriteria 3.0.

Bijlage 1 Handeling invullen risicomatrix Inleiding, doel en opbouw Deze kwalitatieve risicomethode (deels gebaseerd op het DBC-risicomodel1) wordt gebruikt om voor de gemeente Asten een integrale probleemgestuurde risicoanalyse uit te voeren, die uiteindelijk leidt tot een prioriteitstelling ten behoeve van het integraal programma uitvoering en handhaving. Strategie opstellen betekent keuzes maken: nooit zal er voldoende capaciteit zijn om alle taken uitputtend uit te voeren. Het stellen van prioriteiten heeft dus als doel het bepalen van die problemen/overtredingssoorten die in potentie risicovol zijn en waar derhalve het meeste toezicht op moet worden gehouden vanuit de overheid. Een (door het bestuur vastgestelde) risicoanalyse levert inzicht in de benodigde menskracht en middelen, gebaseerd op de risico’s, op de specifieke lokale situatie en de ambities van het bestuur. Doel is via één uniforme werkwijze de uitvoering en handhaving (onder uitvoering valt ook ‘vergunningverlening’) te benaderen. Ook de wetgeving streeft naar meer uniformering. Zo wordt steeds meer lokale wetgeving landelijk geüniformeerd. De Omgevingswet voorziet in één aanpak voor uitvoering en handhaving. Deze handleiding geeft uitleg over de werking en de resultaten van het gehanteerde probleemgestuurde, kwalitatieve risicomodel. Hierbij komen de volgende onderwerpen aan de orde: -

uitgangspunten van het risicomodel; vastleggen van definities risicoafweging; toepassen en invullen van de risicomatrix; voorbeeld ingevulde risicomatrix.

Uitgangspunten van het risicomodel Bij gebruik van het risicomodel moeten soms keuzes worden gemaakt over hoe om te gaan met een aantal zaken. Deze keuzes worden in onderstaande tabel vastgelegd.

UITGANGSPUNTEN INVULLEN INTEGRALE RISICOMODEL KEUZE TOELICHTING De risicomatrixen hebben betrekking op De risicomatrix heeft uitsluitend betrekking op de overtredingssoorten/problemen in de gemeente risicovolle overtredingen/problemen binnen het Asten. VTH-werkveld die de gemeente Asten uitvoert. Er wordt gewerkt met overtredingssoorten per domein, deze staan opgesomd in de eerste kolom.

Deze probleemonderwerpen hebben zowel betrekking op vergunningverleningstaken als toezicht- en handhavingstaken.

1 De afkorting staat voor ‘Damen BouwCentrum’, het bedrijf waar de ontwikkelaars van het model werkten bij het maken ervan.

Damen BouwCentrum is inmiddels overgenomen. Het model is ontwikkeld voor het Ministerie van Justitie en is voor iedereen vrij beschikbaar.

33

Er wordt op een beperkt aantal problemen/overtredingssoorten gescoord.

De lijst van problemen is niet limitatief en in samenspraak met de vakinhoudelijke experts van de gemeente Asten opgesteld.

Er wordt gescoord op een zestal beoordelingsaspecten, deze staan opgesomd in de eerste rij.

Alle zes beoordelingsaspecten zijn gelijkwaardig, er wordt geen weging aangebracht in de verschillende beoordelingsaspecten.

De overtredingssoorten zijn gescoord op alle beoordelingsaspecten.

Indien een overtreding zich voordoet en de gezondheid of veiligheid is in het geding, wordt door gemeente Asten hier direct op geacteerd. De naleefscore beperkt zich op “de kans dat het probleem zich voordoet” of “de kans op het niet naleven van….”.

Bij naleefgedrag wordt gescoord in hoeverre de regel (of regels) worden nageleefd. Als het naleefgedrag niet bekend is of er is een onvoldoende eenduidig beeld is, dan wordt het naleefgedrag op 3 (gemiddeld) gezet.

Het naleefgedrag is terughoudend ingevuld aangezien niet altijd (objectieve) informatie aanwezig is.

Vastleggen van definities risicoafweging Voor uitvoering van de juiste risicoafweging moet een aantal variabelen worden gedefinieerd. Het gaat daarbij met name om de beoordelingscriteria, de scores 1 tot en met 5 die het risico per criterium aangeven en de risicoscore die de ranking van een probleem/overtredingssoort weergeeft. De definities hiervan zijn hieronder gegeven, waarbij deels is aangesloten bij de algemene definities zoals deze ten behoeve van de gebruikelijke risicomodellen zijn ontwikkeld. De risicoafweging vindt plaats op basis van een zestal beoordelingsaspecten: • • • • • •

Veiligheid Duurzaamheid Gezondheid Leefbaarheid Financieel economisch Bestuurlijk imago

Veiligheid In hoeverre leidt een mogelijke calamiteit tot letsel. De te verwachten schade in de vorm van lichamelijk letsel als gevolg van een verstoring/calamiteit die volgt uit het niet of onvoldoende uitvoeren van een taak. Het gaat hier om direct lichamelijk letsel. Voorbeelden zijn: lichamelijk letsel (gewond raken), ademhalingsmoeilijkheden, vergiftiging, asbestbeschadiging, straling, rug/wervel beschadigingen ed. De score ziet er als volgt uit: 1. De verstoring/calamiteit leidt niet tot enig persoonlijk letsel. 2. Pijn of gering letsel bij één of meerdere personen. Denk hierbij aan één of meerdere lichtgewonden. 3. Zwaar letsel bij één of meerdere personen. Denk hierbij aan één of meerdere zwaargewonden. 34

4. Eén of meerdere dodelijke slachtoffers. Zodra de inschatting is dat de verstoring/calamiteit dodelijke slachtoffers tot gevolg kan hebben moet minimaal een 4 worden aangehouden. 5. Zwaar letsel bij meerdere personen en meerdere dodelijke slachtoffers over een groot gebied. Denk hierbij aan meerdere doden verspreid over een wijk of stad. Duurzaamheid In hoeverre tast het probleem het milieu/de natuur aan, welk effect heeft dit op de verstoring, verspilling van grondstoffen en energie alsmede de aantasting van de Groene Wetgeving. De score ziet er als volgt uit: 1. De verstoring/calamiteit leidt niet tot achteruitgang van het milieu/de natuur. 2. De te verwachten afbreuk is gering. Hierbij valt te denken aan beperkte milieuschade als gevolg van (geringe) illegale stort, lozing of emissie van stoffen die slechts tijdelijk schade veroorzaken. Veelal betreft het kleine milieuovertredingen door particulieren of kleine bedrijven. 3. Er is sprake van een duidelijke aantasting van het milieu/de natuur, doch deze is omkeerbaar en heeft geen effecten op de lange termijn. 4. De te verwachten milieuaantasting is evident en heeft permanente gevolgen. Hierbij valt te denken aan illegale lozing, stort of emissie van sterk vervuilende/giftige stoffen. 5. De te verwachten milieuaantasting is evident (onomkeerbaar) en heeft permanente gevolgen en leidt tot grote natuurrampen.

Hierbij valt te denken aan illegale lozing, stort of emissie van sterk vervuilende/giftige stoffen in een kwetsbare omgeving (bijvoorbeeld beschermd natuurgebied). Gezondheid In hoeverre leidt een mogelijke calamiteit tot een afname van de gezondheid van de mens. De te verwachten schade aan de gezondheid als gevolg van bijvoorbeeld een afname van de luchtkwaliteit, waterkwaliteit, etc. Voorbeelden zijn toename fijnstof of andere luchtvervuiling, afname waterkwaliteit, etc. die de gezondheid van mensen nadelig beïnvloedt. De score ziet er als volgt uit: 1. De verstoring/calamiteit leidt niet tot mogelijke gezondheidsproblemen. 2. Gezondheidsproblemen bij één of enkele personen (niet blijvend). Denk hierbij aan lokale vervuiling/overlast waardoor stank bestaat of die stress oplevert. 3. Algehele (niet blijvende) gezondheidsproblemen. Denk hierbij aan ernstige lucht, water of andere vervuiling waardoor long- of oogirritaties ontstaan. 4. Blijvende gezondheidsproblemen voor meerdere personen, bijvoorbeeld permanente aantasting van luchtwegen, blindheid, langdurige psychische problemen. 5. Zware gezondheidsproblemen met de dood als gevolg, bijvoorbeeld langdurige blootstelling aan radioactieve straling of asbest. Leefbaarheid In hoeverre leidt een mogelijke calamiteit tot afbreuk van het omgevingsmilieu.

De te verwachten afbreuk en schade aan de leefomgeving als gevolg van een verstoring/calamiteit die volgt uit het niet of 35

onvoldoende uitvoeren van een taak door de overheid. De score ziet er als volgt uit: 1. Er is geen sprake van een negatief effect op het maatschappelijk welbevinden of het effect is verwaarloosbaar klein. 2. De te verwachten afbreuk is minimaal/verwaarloosbaar. Hierbij valt te denken aan beperkte overlast in de vorm van stank, geluid of trillingen (zintuiglijke waarneming). De (beleving van) de veiligheid in de directe woonomgeving is niet in het geding. 3. De te verwachten afbreuk heeft gevolgen die niet ernstig en/of van korte duur zullen zijn. Hierbij valt te denken aan een geringe afname van (het gevoel van) veiligheid of een tijdelijke ernstige overlast of een permanente overlast in de vorm van stank, geluid of hinder die de kwaliteit van het leven beïnvloeden. 4. De te verwachten afbreuk heeft ernstige gevolgen die echter niet permanent zijn. Hierbij valt te denken aan een afname van (het gevoel van) veiligheid of een tijdelijke ernstige overlast in de vorm van stank, geluid of hinder die de kwaliteit van het leven sterk beïnvloeden. 5. De te verwachten afbreuk is evident en heeft permanente grote gevolgen. Hierbij valt te denken aan een sterke afname van (het gevoel van) veiligheid in de directe omgeving en/of ernstige overlast in de vorm van stank, geluid of hinder die de kwaliteit van het leven erg sterk beïnvloeden, blijvende gezondheidsklachten veroorzaken, etc.

Financieel economisch Wat is de financieel-economische schade voor de gemeente/provincie als gevolg van de calamiteit. Het gaat hier om schade die door de gemeente/provincie moet worden vergoed dan wel die ten laste komt van de gemeentelijke/provinciale economie. Voorbeelden zijn: Eventuele niet verzekerde kosten die door de gemeente/provincie worden gedragen (tijdelijke opvang, vergoedingen), verlies aan werkgelegenheid, economische achteruitgang, etc. De score ziet er als volgt uit: 1. Er is geen sprake van enige financieel - economische schade. 2. De directe financieel - economische schade is gering en blijft beperkt tot geringe directe kosten (maximaal 10.000,- euro) 3. De financieel - economische schade is aanzienlijk. Denk hierbij aan directe kosten tot maximaal 100.000,- euro en/of een geringe terugloop van economische bedrijvigheid. 4. De financieel - economische schade is hoog. Denk hierbij aan directe kosten tot 1 miljoen en/of terugloop van economische bedrijvigheid. 5. De financieel - economische schade is zeer hoog. Denk hierbij aan directe kosten van meer dan 1 miljoen en/of sterke terugloop van economische bedrijvigheid. Bestuurlijk imago Wat is de imagoschade van een eventuele calamiteit of het in stand houden van een illegale situatie.

De te verwachten afbreuk en/of schade aan het imago, beeld, geloofwaardigheid en vertrouwen van de inwoner in het bestuurlijk apparaat en haar besluitvorming als gevolg van een verstoring/calamiteit die volgt uit het 36

niet of onvoldoende uitvoeren van een taak. Voorbeelden: (al dan niet georganiseerde) protesten, mediacampagnes, open brieven e.d., met als gevolg gezichtsverlies, gevoel van zaakjes niet op orde, etc. De score ziet er als volgt uit: 1. Er is geen sprake van afbreuk aan het bestuurlijk imago. 2. De te verwachten afbreuk is minimaal. Denk hierbij aan enkele brieven aan het bestuur, ingezonden brieven in de krant en/of een enkele klacht. Het algemene vertrouwen in het bestuur wordt niet geschaad. Het idee dat het bestuur haar zaken niet op orde heeft, is niet aan de orde. 3. De te verwachten afbreuk heeft gevolgen die niet ernstig en/of van korte duur zijn. Denk hierbij aan een tijdelijke stroom klachten, georganiseerde buurtprotesten, enkele juridische procedures en een brede negatieve aandacht in de media. Algemeen ontstaat het beeld dat het bestuur niet alles op orde heeft. 4. De te verwachten afbreuk is evident en heeft grote permanente gevolgen. Denk hierbij aan voortdurende klachten over het onderwerp, brede maatschappelijke protesten en onrust, georganiseerde mediacampagnes, zware juridische procedures (nalatigheid, etc.) en algeheel gezichtsverlies van het bestuur. De positie van bestuurders is in het geding (moties van wantrouwen) en het bestuur wordt door de inwoners als incompetent beschouwd. 5.

De afbreuk van het bestuurlijk imago is dermate groot dat de positie van het bestuur als geheel per direct onhoudbaar is. Toepassen en invullen van de risicomatrix Voor de toekenning van de scores van 1 tot 5 is het volgende risicoscore overzicht uitgewerkt: Punten Betekenis 5 ZEER GROOT NEGATIEF EFFECT 4 GROOT NEGATIEF EFFECT 3 BEPERKT NEGATIEF EFFECT 2 KLEIN NEGATIEF EFFECT 1 ZEER KLEIN/GEEN NEGATIEF EFFECT De risico’s van de problemen/overtredingssoorten worden beoordeeld op een zestal beoordelingsaspecten. Per aspect wordt het eventuele negatieve effect uitgedrukt op een schaal van 1 (geen negatief effect) tot 5 (zeer sterk negatief effect). De eerdergenoemde zes beoordelingsaspecten worden gebruikt: o o o o o o

Veiligheid Duurzaamheid Gezondheid Leefbaarheid Financieel economisch Bestuurlijk imago

Daarnaast dient in eenzelfde risicomatrix de score ingevuld te worden voor het naleefgedrag. In het afwegingsmodel worden de risicoscores gecorrigeerd voor naleefgedrag. Dit risicomodel hanteert ook voor het naleefgedrag een 5-punts schaalverdeling: 37

Punten Betekenis 5 ZEER LAAG NALEEFNIVEAU: NIET NALEEFGEDRAG IS ZEER HOOG 4 LAAG NALEEFNIVEAU: NIET NALEEFGEDRAG IS HOOG 3 VOLDOENDE NALEEFNIVEAU: NALEEFGEDRAG IS GEMIDDELD 2 RUIM VOLDOENDE NALEEFNIVEAU: NALEEFGEDRAG IS HOOG 1 GOED NALEEFNIVEAU: NALEEFGEDRAG IS ZEER HOOG De naleefscore beperkt zich op “de kans dat het probleem zich voordoet” of “de kans op het niet naleven van….”. Als het naleefgedrag niet bekend is of er is een onvoldoende eenduidig beeld is, dan wordt het naleefgedrag op 3 (gemiddeld) gezet. Dit is conform één van de uitgangspunten opgenomen in de eerder vermelde uitgangspuntentabel van deze handleiding. Voorbeeld ingevulde risicomatrix Hieronder staat een voorbeeld risicoanalyse met betrekking op het domein APV en Fysieke Leefomgeving. Het is een fictief voorbeeld, deze problemen en de toegekende scores zijn niet direct van toepassing op de situatie bij de gemeente Asten.

Beschrijving van de problemen Domein APV en Fysieke leefomgeving (O.a. overtredingsoorten) Illegale afvaldumping Hondenpoep Parkeerexcessen Illegaal plaatsen reclameborden, terrasuitstalling

Naleving Veiligheid Duurzaam Gezond Leefbaar Kans dat het heid heid heid Probleem zich voordoet NALEEFNIVEAU

Financie Bestuurlijk el imago economi sch

4

2

2

3

4

4

3

2 4 3

1 3 3

1 1 1

2 2 1

3 3 3

1 2 3

2 1 1

Toelichting op ingevulde tabel Bovenstaande tabel is een gedeeltelijke uitwerking van de risicomatrix met betrekking tot domein APV en Fysieke leefomgeving. In de eerste kolom staat de uitgebreide omschrijving van de overtreding. In de tweede kolom volgt een beoordeling van het Naleefniveau (een goed naleefniveau kleurt groen met een onderliggende score van ‘1’, een zeer laag naleefniveau kleurt rood met een onderliggende score van ‘5’, zie voorbeeld het roodgekleurde vak). Vanaf kolom 3 (Veiligheid) tot en met 8 (Bestuurlijk imago) wordt het 38

Negatief effect op de zes beoordelingscriteria toegekend. Als voorbeeld de middelste rij “hondenpoep” heeft 3 keer gescoord op 1. Dat wil zeggen dat er ‘een (zeer) klein/geen negatief effect’ is op de drie beoordelingsaspecten en het naleefgedrag is hoog. Indien alle risicomatrix voor de betreffende taken zijn ingevuld volgt hieronder een voorbeeld hoe de totale risicoscore tot stand komt: Beschrijving van de problemen (O.a. overtredingen)

Illegale afvaldumping Hondenpoep Parkeerexcessen Illegaal plaatsen reclameborden, terrasuitstalling

Kans Kans dat het probleem zich voordoet (kans op het niet naleven van…) 4 2 4 3

Effect RISICO = Gemiddelde Kans x van de Effect thema’s

3,0

12

1,67 2 2

3,3 8 6

De resultaten van de risicoscores zijn gebaseerd op onderstaande schaalverdeling met betrekking tot de (minimale en maximale) totaaluitkomsten (is RISICO = Kans x Negatief Effect): ZEER HOOG RISICO HOOG RISICO GEMIDDELD RISICO LAAG RISICO

GELIJK AAN 10 EN GROTER DAN 10

> en = 10

GROTER DAN 7 EN KLEINER DAN 10

>7 en < 10

KLEINER OF GELIJK AAN 7 EN GROTER DAN 4

> 4 -7

KLEINER DAN OF GELIJK AAN 4

= 4 of <4

39

Bijlage 2 Uitkomsten risicoanalyse Domein

Problemen / Overtredingssoorten

Subtotaal effecten

Effecten

Veiligheid Duurzaamheid Gezondheid Leefbaarheid Financieel economisch Bestuurlijk imago

Schaal 1-5

Kans Risico Schaal Kans x 1-5 Effect

BOUWEN nieuwbouw/ver bouw Handelen zonder of in strijd met een omgevingsvergunning/melding activiteit bouw: gebouw met logiesfunctie b.v. (pre) mantelzorg horeca, B&B, pension, theater, bioscoop, museum, school, sporthal particuliere woningen (grondgebonden, bijvoorbeeld eengezinswoningen) maatschappelijke gebouwen (ziekenhuis, kinderdagverblijf, verpleegtehuizen) gemeenschapshuis, kerken, klein gebedsgebouw woongebouwen, appartementencomplex, flatgebouw en bovenwoning parkeergarage kleine bouwwerken (1-laags), vergunningsvrije bouwwerken, bouwwerken geen gebouw zijnde, dakkappelen, tuinhuisjes, schuur, carport, dakterras bestaande bouw In strijd met brandveiligheidseisen Besluit bouwwerken leefomgeving Achterstallig onderhoud (houtrot draagbalken, instortingsgevaar)

4 1 4 3 1

2

2,500

3

7,5

4 3 4 3 2

3

3,167

2

6,3

3 3 2 3 2

2

2,500

2

5,0

4 3 4 3 2

4

3,333

2

6,7

4 3 2 3 2

4

3,000

2

6,0

4 3 4 3 2 4 3 3 3 1

3 2

3,167 2,667

2 2

6,3 5,3

1 1 1 3 1

2

1,500

3

4,5

5 2 4 4 3

4

3,667

4

14,7

5 1 2 4 2

3

2,833

3

8,5

40

In strijd met constructieve eisen Besluit bouwwerken leefomgeving SLOPEN

ERFGOED

5 1 4 4 3

4

3,500

2

7,0

Handelen zonder of in strijd met: Sloopmelding (zonder asbest) en slopen met asbest <35 m2 2 3 3 3 3 Slopen zonder asbest en/of slopen met vergunning 2 3 1 3 3

4

3,000

3

9,0

4

2,667

2

5,3

2 4 1 3 2

4

2,667

3

8,0

4 4 2 4 2

4

3,333

2

6,7

3 3 3 2 3

2

2,667

1

2,7

4 3 4 5 4

4

4,000

3

12,0

4 2 4 3 3

4

3,333

3

10,0

1 3 2 4 3

3 2,667

3

8,0

1,667

3

5,0

Handelen zonder of in strijd met vergunning(voorschriften) wijzigen van een monument/aantasting uiterlijk aanzien/omkeerbare (herstelbaar) beschadiging cultuurhistorische waarden Instandhoudingsplicht / onomkeerbare (niet herstelbare) beschadiging van cultuurhistorische waarden

Omgevingsplana Strijdig gebruik zonder ctiviteit ruimtelijke effecten Strijdig gebruik met ruimtelijke effecten (o.a. toename verkeer, parkeerdruk): Illegale bewoning (o.a. kampeerterrein, vakantieparken) kamergewijze verhuur (o.a. huisvesting studenten en arbeidsmigranten) handelen zonder of in strijd met een omgevingsvergunning voor kappen van bomen (vellen van een houtopstand/illegale kap) handelen zonder of in strijd met omgevingsvergunning aanleg inen uitritten APV

parkeer excessen en fout parkeren (beperkt aantal plekken wegens laadpalen/blauwe zone/parkeren op de stoep/plantsoenen/parkeerverbo d woonerf) handelen zonder of in strijd met exploitatievergunning vakantieparken

1 2 2 2 1

2

3 1 2 4 2

3

2,500

4

10,0

4 1 4 4 3

4

3,333

3

10,0

41

handel en gebruik van (soft)drugs/middelen gebruik (o.a. alcoholgebruik in publieke ruimte) hondenpoep en loslopende honden achterlaten van voertuigen (fietsen, scooters en autowrakken) bijtincidenten handelen zonder of in strijd met exploitatievergunning horeca reclame uitingen afval (kliko buiten de tijd, plastic afval) verkoop op straat (losplaatsen en venten) terras uitstalling langer dan toestaan op of aan de weg plaatsen van een caravan, camper, aanhanger etc. standplaatsen/markten (overtreden standplaatsenbeleid/regels marktverordening)

3 1 3 3 3

2

2,500

4

10,0

1 2 2 4 1

3

2,167

4

8,7

2 2 1 3 3 3 1 3 4 2

2 3

2,167 2,667

4 3

8,7 8,0

3 1 4 3 2 1 2 1 2 2

2 2

2,500 1,667

3 4

7,5 6,7

1 2 2 3 2

1

1,833

3

5,5

1 2 1 3 1 2 1 2 2 1

2 2

1,667 1,667

3 3

5,0 5,0

2 1 1 3 1

1

1,500

3

4,5

1 1 1 2 1

2

1,333

2

2,7

4 2 3 4 4

5

3,667

4

14,7

3 2 4 4 3

3

3,167

4

12,7

4 2 3 3 3

4

3,167

4

12,7

4 4 4 4 4

3

3,833

3

11,5

3 3 3 4 2

2

2,833

4

11,3

2 1 2 3 1

3

2,000

4

8,0

3 1 3 4 2

2

2,500

3

7,5

Bijzondere onderwerpen en wetten Ondermijnende criminaliteit (o.a. fraude en witwassen) Overlast leefbaarheid (o.a. verwarde personen, overlastgevende of criminele jeugdgroepen) Handelen in strijd met de Wet goed verhuurderschap en/of de verhuurverordening verblijfsruimten Drugsafval (opruimen van drugsafval, toezicht op leegstaande panden, Damocles) Illegaal motorcrossen in buitengebied Lichte verkeersovertredingen (o.a. telefoongebruik, door rood rijden, verplichte rijrichting) Illegale prostitutie

42

Overtreding Wet basisregistratie personen Handelen in strijd met de Wet op de kansspelen Alcoholwet

Evenementen

Verkoop/weder verstrekking alcohol minderjarigen (leeftijdsgrenzen horeca alcoholpreventie) Overtreden vergunningsvoorwaarden (bv sluitingstijden) Handelen zonder of in strijd met een alcoholvergunning een horecagelegenheid exploiteren Handelen zonder of in strijd met: Evenementen met vergunning (bv kermis, carnaval en kerst) Evenementen met een melding

ZEER HOOG RISICO HOOG RISICO GEMIDDELD RISICO LAAG RISICO

2 1 2 3 1

3

2,000

2

4,0

2 1 2 3 1

3

2,000

2

4,0

3 1 4 3 3

4

3,000

4

12,0

2 1 3 3 3

3

2,500

3

7,5

3 1 4 4 3

3

3,000

2

6,0

3 2 3 4 3 3 2 2 3 2

4 2

3,167 2,333

2 2

6,3 4,7

GELIJK AAN 10 EN GROTER DAN 10 GROTER DAN 7 EN KLEINER DAN 10 KLEINER OF GELIJK AAN 7 EN GROTER DAN 4 KLEINER DAN OF GELIJK AAN 4

> en = 10 en < 10 > 4 -7 < en = 4

43

Bijlage 3A Communicatiestrategie In deze strategie gaan we in op de uitgangspunten voor communicatie en volgt een beschrijving van onze communicatie-aanpak, de verschillende communicatievormen en -instrumenten die we in kunnen zetten voor de uitvoering van de U&HS. Communicatie is namelijk een middel om naleving te bevorderen en handhaving te versterken. Uitgangspunten • • • •

We zijn in onze communicatie duidelijk in wat wel en niet kan of mag en bieden een concreet handelingsperspectief. We leggen niet alleen uit wat de regels zijn, maar vooral ook waarom we doen wat we doen. We doen wat we zeggen en zeggen wat we doen. We gaan uit van een reële inzet van handhavingscapaciteit.

Communicatie-aanpak Communicatie naar college & raad Het college en de raad informeren we op vaste momenten over de voortgang en ontwikkelingen die te maken hebben met VTH. Dit gebeurt allereerst door de vaststelling van de ‘Uitvoering- en Handhavingsstrategie’. Het college stelt jaarlijks in december/januari het ‘uitvoeringsprogramma’ vast en stuurt dit ter informatie via een raadsinformatiebrief aan de raad. Tussentijds worden majeure afwijkingen in de voortgang kenbaar gemaakt via de bestuurlijke rapportages. Op die manier leggen we eventuele voorstellen voor herprioritering aan het college voor. Elk jaar vóór 1 mei stelt het college het ‘evaluatieverslag’ vast en stuurt dit ter informatie via een raadsinformatiebrief aan de raad. VTH-zaken die bestuurlijk gevoelig zijn bespreken we door het jaar heen met de verantwoordelijk portefeuillehouder. Voor APV gerelateerde zaken staat maandelijks (en indien nodig eerder) een overleg ingepland. Interne communicatie We zorgen voor een betere verbinding met gemeentebrede programma’s, plannen en beleid. Dit doen we door diverse overleggen zoals projectmatig werken, intaketafel, omgevingsplan e.d. Daarnaast is deze strategie besproken met de RO-medewerkers, toezicht en handhaving en het team Vergunningen.

Externe communicatie Door op het gebied van de gemeentelijke vergunningstaken algemene informatie te verstrekken op de website van de gemeente en naar behoefte aanvullende informatie te verstrekken (bijvoorbeeld telefonisch, per mail, op afspraak of met een conceptaanvraag [voorbeoordeling] voorafgaand aan de vergunningverleningsfase), probeert de gemeente het naleefgedrag te stimuleren en aan haar inwoners een passende (digitale) dienstverlening te bieden. Bij vergunningverlening is de preventiestrategie voorts gericht op het zo compleet mogelijk indienen van aanvragen, meldingen en informatieverzoeken. Vergunningverlening legt de basis voor de verdere keten van toezicht en handhaving. Duidelijke regelgeving werkt preventief door in toezicht en handhaving. Zowel voor degene die de vergunning heeft aangevraagd 44

en gekregen (en die nu weet wat er van hem of haar wordt verwacht), als voor omwonenden die zich nu bewust zijn van de activiteiten waardoor klachten worden voorkomen. Ook kan het feit dat er een vergunning is verleend voor een bepaald bouwwerk een signaal vormen voor omwonenden dat zij ook een vergunning nodig hebben voor vergelijkbare initiatieven. Handhaving onderscheiden we in een preventief en een repressief traject. Preventieve handhaving geschiedt over het algemeen in de vorm van voorlichting (zoals publicaties), toezicht en controles (bedrijfsbezoeken en bezoeken aan bouwlocaties) en het bekijken van luchtfoto’s. Het toezicht en de controles vinden plaats zonder dat daartoe aanleiding is. Dit toezicht en deze controles vinden plaats conform programmatisch handhaven. Zodra als gevolg van toezicht activiteiten, al dan niet naar aanleiding van een klacht, handhavingsverzoek of eigen constatering, kan er handhavend worden opgetreden door het bevoegd gezag. In de regel wordt allereerst de overtreder ingelicht over het gewenste nalevingsgedrag en worden afspraken gemaakt over het beëindigen van de illegale situatie, het ongedaan maken van de gevolgen en het voorkomen van (nieuwe) overtredingen. De Omgevingswet zal naar verwachting leiden tot meer toezicht en handhaving achteraf in plaats van aan de voorkant.

Dit betekent dat we meer aan preventie moeten doen om achteraf handhaving te voorkomen. Dit gebeurt door de preventieve en voorlichtende rol van vergunningverleners, toezichthouders en boa’s, de inzet van buurtbemiddeling en communicatie instrumenten. Preventie is gericht op het vergroten van bewustwording bij inwoners en bedrijven. Communicatie naar inwoners, ondernemers en organisaties zetten we in met als doel om naleving van wet- en regelgeving binnen het VTH-domein te stimuleren. Vormen communicatie Communicatie vindt gericht plaats aan de hand van verschillende communicatievormen: Massacommunicatie: via websites en/of (lokale) media zo veel mogelijk mensen informeren over de regels en de handhaving ervan; • Doelgroepgerichte/gebiedsgerichte communicatie: een doelgroep of gebied informeren over de specifieke regels en handhaving die voor hun/dat gebied van toepassing zijn; • Individuele communicatie: persoonlijke voorlichting aan een inwoner of bedrijf over de regels en de handhaving ervan. Informatie over VTH verstrekken wij onder andere via de balie, onze website en lokale media. •

Communicatie instrumenten We hebben verschillende instrumenten die we kunnen inzetten om beter inzicht te krijgen in de doelgroep om tot effectieve communicatie aanpak te komen, waaronder: •

Vooroverleg

•

Conceptaanvraag

•

Principeverzoek 45

•

Intaketafel

•

Buurtbemiddeling en mediation

Vooroverleg Het vooroverleg bij een omgevingsvergunning onder de Omgevingswet is een belangrijke fase waarin initiatiefnemers en de gemeente samen informatie uitwisselen voordat de formele aanvraag wordt ingediend. Hier zijn de stappen: •

•

Vooroverleg aanvragen: De initiatiefnemer kan via de gemeentelijke website een vooroverleg online regelen (principeverzoek of conceptaanvraag). Dit is niet verplicht, maar is wel zinvol. Tijdens het vooroverleg wordt gekeken of alle benodigde informatie beschikbaar is voor een beslissing over het initiatief. Bespreken van het initiatief: Tijdens het vooroverleg bespreken de initiatiefnemer en de gemeente het plan. Dit kan bijvoorbeeld gaan over de haalbaarheid, randvoorwaarden, mogelijke knelpunten en benodigde vergunningen.

Voordelen van een vooroverleg ingeval van een principeverzoek en een conceptaanvraag: • •

Risicovermindering: Knelpunten en risico's worden vroegtijdig geïdentificeerd en kunnen worden aangepakt voordat de formele aanvraag wordt ingediend. Efficiëntie: Het proces verloopt vaak sneller omdat de formele aanvraag beter is afgestemd op de eisen en verwachtingen van de gemeente.

Kostenefficiëntie: Potentiële kostenbesparingen door het vermijden van late aanpassingen en afwijzingen. Het vooroverleg bestaat uit een conceptaanvraag of een principeverzoek. Deze worden hieronder toegelicht: Conceptaanvraag Een initiatiefnemer kan een conceptaanvraag indienen voor een voorlopige toetsing van de haalbaarheid van een initiatief. Een conceptaanvraag dient om een plan te laten toetsen op haalbaarheid. De gemeente Asten toetst een aantal onderdelen (in de onderstaande volgorde): 1. Vergunningsvrij of niet. 2. In overeenstemming met het omgevingsplan of niet. 3. Afwijken van het omgevingsplan voorstelbaar of niet. 4. Voldoet de aanvraag aan de bepalingen in het welstandsbeleid.

46

Op de website staat een aanvraagformulier dat hiervoor ingevuld dient te worden. Met een conceptaanvraag is er nog geen toestemming om het (bouw)plan uit te voeren. We geven de mogelijkheid aan de initiatiefnemer om het bouwplan persoonlijk toe te lichten aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. Als er een aanpassing van het omgevingsplan nodig is, dient, bij complexere gevallen, er een principeverzoek te worden aangevraagd. Bij een principeverzoek krijgt een initiatiefnemer een oordeel van het college van burgemeester en wethouders over de aanvraag. We doen ons best binnen 4 tot 6 weken antwoord te geven op de conceptaanvraag. Principeverzoek In een omgevingsplan beschrijft de gemeente hoe gronden en gebouwen gebruikt mogen worden. Wanneer iemand een perceel, gebouw of ruimte anders wil gebruiken dan is toegestaan volgens het omgevingsplan, kan er een principeverzoek worden ingediend. Via de website van de gemeente maken wij duidelijk hoe men een principeverzoek online kan indienen. In een principeverzoek dient de aanvrager het (bouw)plan te beschrijven en aangeven wat en waar de activiteiten gaan plaatsvinden. Wij beoordelen de haalbaarheid van het principeverzoek. We bekijken onder andere of het (bouw)plan past binnen het gemeentelijk en provinciaal beleid. Nadat het (bouw)plan is beoordeeld, neemt het college van burgemeester en wethouders een standpunt in.

Dit noemen we een principe-uitspraak. De aanvrager ontvangt een brief waarin we uitleggen waarom we wel of geen medewerking verlenen. Hierin benoemen we ook de belangrijkste voorwaarden. Intaketafel We maken in onze gemeente gebruik van de interne intaketafel. Het doel van de intaketafel is om te bepalen of een initiatief wenselijk. Als een initiatief wenselijk is dan wordt bepaald of deze kansrijk is. De behandelaar van de zaak maakt gebruik van een zogenaamde checklist. De basiswerkwijze voor de intaketafel is hieronder schematisch weergegeven.

47

Initiërende vraag/casus

•ROL: BEHANDELAAR VAN DE ZAAK •Initiatief, vraag, casus bij medewerker (casemanager, RO-beleidsmedewerker, projectleider OW, programmamanager, medewerker LHV etc). •Behandelaar van de zaak beslist: behandeling op intaketafel gewenst.

Registratie

•ROL: BEHANDELAAR VAN DE ZAAK •Behandelaar van de zaak vult onderdeel A van de checklist intaketafel in. •Dit wordt aangemaakt en opgeslagen in de zaak. Heb je deze niet: aparte zaak (vooroverleg) in PowerBrowser aanmaken.

Aanmelden

•ROL: BEHANDELAAR VAN DE ZAAK •Behandelaar van de zaak stuurt e-mail naar adminvergunningen@asten.nl. •Behandelaar van de zaak geeft aan wat gewenste datum intaketafel is en of hij/zij erbij aanwezig wil zijn (facultatief).

Agenda

•ROL: SECRETARIAAT INTAKETAFEL •Secretariaat intaketafel maakt de agenda. •Donderdag voorafgaand aan intaketafel: als bijlage bij het agendaverzoek (outlook) plaatsen.

Behandeling

Uitkomst

•LEDEN INTAKETAFEL •Tijdens intaketafel: stukken ter plekke openen op grote scherm. •Checklist intaketafel plenair bespreken. •Uitkomst wordt door secretariaat intaketafel in de checklist geplaatst, direct in PowerBrowser.

•ROL: LID INTAKETAFEL EN BEHANDELAAR VAN DE ZAAK •Leden van de intaketafel communiceren de uitkomst met de betreffende medewerker uit hun team (tenzij deze aanwezig was). •Behandelaar van de zaak is zelf verantwoordelijk voor follow-up en verdere registratie

Een goede participatie vormt een belangrijke voorbereiding op de formele aanvraag. Participatie voorafgaand aan de aanvraag dient door de initiatiefnemer zelf verzorgd te worden. De Omgevingswet vereist bij het indienen van de omgevingsvergunning dat er verantwoording wordt afgelegd over de vraag of en hoe participatie is toegepast. Het is lastig om goede participatie formeel af te dwingen, maar de 48

gemeente kan wel richtlijnen en verplichtingen opstellen voor bepaalde categorieën initiatieven. We hebben hiervoor een handreiking omgevingsdialoog opgesteld waarin een toelichting voor het organiseren, voeren en omschrijven van een omgevingsdialoog staan beschreven. De handreiking bevat de volgende stappen: 1. Definieer of sprake is van een klein, middelgroot of groot initiatief 2. Definieer de omgeving en belanghebbenden 3. Breng de omgeving tijdig op de hoogte van de omgevingsdialoog 4. Geef aan wat de vorm en het doel is van de omgevingsdialoog 5. Voer de omgevingsdialoog 6. Leg de uitkomsten van de omgevingsdialoog vast 7. Maak een eindverslag en voeg dit toe bij uw stukken voor de gemeente Onvoldoende voorbereiding bij de intaketafel, regionale omgevingstafel en participatie kunnen ertoe leiden dat de gemeente in de knoop komt bij de tijdige beslissing over de formele aanvraag of dat er bezwaarschriftenprocedures ontstaan. Onder de Omgevingswet kan bij een niet-tijdige beslissing een dwangsom en/of boetes opgelegd worden. Na de intaketafel, regionale omgevingstafel en participatie verrichten wij de voorbereiding die tot het formele traject leidt. Het formele traject leggen we uit in de vergunningenstrategie.

Buurtbemiddeling en mediation Bij bezwaren tegen vergunningen of afwijzing van handhavingsverzoeken wordt altijd eerst geprobeerd om via een tafelgesprek (mediation) tot een oplossing te komen. Als dit niet lukt of als men hier geen gebruik van maakt, wordt de zaak behandeld door de bezwaarschriftencommissie van de gemeente en/of door de rechter. Bij handhavingszaken zal tot aan het opleggen van een sanctiemaatregel geprobeerd worden via overleg een overtreding ongedaan te laten maken. Dit kan bij de constatering door de toezichthouder of gedurende het handhavingstraject plaatsvinden. Buurtbemiddeling kan bij het oplossen van burenruzies helpen. Het doel is om het gesprek tussen buurtbewoners op gang te brengen en hen te ondersteunen bij het maken van afspraken om toekomstige overlast te voorkomen. Betrokken partijen moeten wel bereid zijn om samen te werken. Politie en justitie blijven in beginsel buiten beeld bij buurtbemiddeling. Ervaringen in vergunningen, handhaving en toezicht laten zien dat mediation/buurtbemiddeling effectief is. Er zijn minder juridische procedures nodig en veel zaken worden op vreedzame wijze opgelost. Goede communicatie met de klant is minstens zo belangrijk als een tijdige beslissing, en voorkomt juist geschillen en conflicten. Het bespaart tijd, geld en administratieve lasten en leidt vaak tot win-win situaties

49

Bijlage 3B Vergunningenstrategie Voor veel activiteiten die plaatsvinden in de fysieke leefomgeving is toestemming nodig van het bevoegd gezag. Deze toestemming gaat in de regel gepaard met voorschriften waaraan moet worden voldaan: ‘de vergunning’. De vergunningenstrategie stelt ons in staat om: binnen de gestelde wettelijke termijnen een besluit te nemen op een aangevraagde vergunningplichtige activiteit, heldere, transparante en handhaafbare vergunningen op te stellen en deze binnen de gestelde wettelijke termijn te verlenen en tevens om binnen de termijnen te komen tot een besluit op een aanvraag of afhandeling van een melding. De reikwijdte van deze strategie is beperkt tot de in Asten meest voorkomende vergunningen (waaronder ook meldingen en ontheffingen en informatieplichten worden begrepen), te weten de omgevingsvergunning voor de: •

Activiteit met betrekking tot bouwwerken: het plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten van een bouwwerk. Hieronder vallen de bouwactiviteit voor het bouwtechnische deel en de omgevingsvergunning voor het ruimtelijk deel. Het (ruimtelijk) deel noemen we in de Omgevingswet een omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk (“bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk”).

•

Buitenplanse omgevingsplan activiteit (BOPA): wanneer men grond of een gebouw op een andere manier wil gebruiken dan in het omgevingsplan staat, kan het plan met deze afwijking toch worden uitgevoerd.

•

Slopen van een bouwwerk: Als er gesloopt wordt door particulieren en er wordt meer dan 10 m3 sloop afval vrij of er wordt asbest verwijderd, dan moet er een sloopmelding worden gedaan.

•

Activiteit vellen houtopstand of kappen van bomen: voor het kappen van bepaalde soorten bomen en of bomen in bepaalde gebieden is een omgevingsvergunning nodig. Zie de lijst beschermwaardige bomen.

•

Activiteit aanleggen: in een omgevingsplan kan een verbod worden ingesteld dat binnen een bepaald gebied bepaalde werken die geen gebouw zijn of bepaalde werkzaamheden uit te voeren zonder vergunning. In de voorwaarden van het omgevingsplan is dan echt gegeven wanneer een aanlegvergunning nodig is. Voorbeelden zijn het aanleggen van wegen of paden, het graven van sloten of het ophogen of afgraven van grond.

•

Activiteit Rijks of gemeentelijke monumenten: voor het aanpassen van een pand dat een Rijks, provinciaal of gemeentelijk monument is, is in omgevingsvergunning nodig.

Naast de omgevingsvergunningen op basis van de Omgevingswet gaat deze strategie ook over de wetten en (gemeentelijke) regelingen die van toepassing zijn op de beoordeling van de vergunningen in het kader van de APV en bijzondere wetten. •

Evenementen: Voor het organiseren van een evenement kunnen verschillende vergunningen en ontheffingen gelden, zoals een evenementenvergunning.

50

•

•

• • •

• •

Exploitatie: Voor de exploitatie van een horecabedrijf of slijterij is een Alcoholwetvergunning vereist. Deze vergunning stelt eisen aan de inrichting en de leidinggevenden. Het is belangrijk dat de leidinggevenden voldoen aan bepaalde criteria, zoals leeftijd, zedelijkheidseisen en kennis van sociale hygiëne. Alcoholwet: Ondernemers met een horecabedrijf en/of slijtersbedrijf, hebben een alcoholwetvergunning nodig. Supermarkten en cafetaria’s mogen zonder alcoholwetvergunning zwak alcoholhoudende drank verkopen als de drank niet ter plekke ingeschonken en opgedronken wordt. Als de aanvrager alcohol wil verkopen of schenken, moet een tapontheffing aangevraagd worden bij de gemeente. Dit geldt voor zwak-alcoholhoudende dranken (minder dan 15% alcohol). Mogelijk is er ook een evenementenvergunning nodig. Wet op de kansspelen: Voor het organiseren van kansspelen, zoals loterijen of casinospelen, zijn specifieke vergunningen vereist. Wet kinderopvang: De Wet kinderopvang regelt de kwaliteit en veiligheid van kinderopvang. Als de aanvrager een kinderopvangvoorziening wil exploiteren, is een vergunning nodig. Basisregistratie adressen en gebouwen en Basisregistratie personen: Dit heeft betrekking op de registratie van adressen en gebouwen. Hoewel dit geen vergunning is, is het belangrijk om correcte gegevens te hebben voor de (bedrijfs)locatie.

Dit geldt ook voor de Basisregistratie Personen. De vergunningverleners hebben toegang tot persoonsgegevens om te verifiëren wie de eigenaar of gebruiker van een bepaald project is. Dit helpt bij het waarborgen dat vergunningen correct worden toegekend en dat de juiste persoon verantwoordelijk wordt gehouden voor naleving van de regelgeving. Wet goed verhuurderschap: Deze wet heeft betrekking op verhuur van woningen en stelt eisen aan verhuurders. Het is belangrijk om op de hoogte te zijn van uw verplichtingen als verhuurder. Wet Bibob: De Wet Bibob (Bevordering Integriteitsbeoordelingen door het Openbaar Bestuur) wordt gebruikt om te beoordelen of een vergunning kan worden verleend op basis van integriteitsrisico’s.

Uitgangspunten Wij stellen ons proactief op en proberen vanuit een klantgerichte houding: •

de gewenste activiteit mogelijk te maken,

•

rekening te houden met de belangen van omwonenden;

•

voor welke activiteiten een andere toestemming geldt;

•

en te handelen namens algemene belangen die soms zelf geen ‘mond’ hebben (bijvoorbeeld veiligheid, gezondheid, duurzaamheid, cultuurhistorie, enz.).

Juridisch kader In de wet- en regelgeving is bepaald voor welke activiteiten inwoners en ondernemers: •

een vergunning moeten aanvragen om ze te mogen uitvoeren;

51

•

welke activiteiten gemeld moeten worden;

•

voor welke activiteiten een informatieplicht geldt;

•

en welke activiteiten vergunningsvrij zijn.

De Omgevingswet is de basis voor een groot deel van de vergunningen in het domein van de fysieke leefomgeving. De Algemene plaatselijke verordening (APV) is de basis voor de vergunningen en ontheffingen in de openbare ruimte. Deze geeft voorschriften op het gebied van de openbare orde en veiligheid in de breedste zin van het woord. Hierbij valt te denken aan: verkeerszaken, horecaaangelegenheden en bescherming van het milieu. De wettelijke regelgeving die het toetsingskader regelt voor de omgevingsvergunning is o.a. neergelegd in het omgevingsplan (van rechtswege), de Omgevingswet, het Omgevingsbesluit, de Wet kwaliteitsborging, het Besluit bouwwerken leefomgeving, de Wet Bibob en gemeentelijke verordeningen. Procedures en termijnen Nadat een initiatiefnemer de aanvraag heeft ingediend, geldt een termijn van 8 weken voor de inhoudelijke behandeling van de aanvraag. Dit betreft geen fatale termijn, maar een termijn van orde. Voor de gemeente bestaat de mogelijkheid om de procedure te verlengen met 6 (in totaal 8 + 6 werken= 14 weken). De activiteit met de zwaarste procedure bepaalt bij een meervoudige aanvraag welke procedure de gemeente dient toe te passen. In het geval van advies met instemming wordt de aanvraag met 4 weken verlengd. Op het moment dat een aanvraag niet compleet is, kunnen wij een verzoek om aanvulling doen.

Hierbij wordt de termijn van de behandeling op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) stilgelegd, totdat de aanvullingen volledig zijn ingediend. Na het doorlopen van de procedure of het verlopen van de termijn wordt er een besluit genomen op de ingediende aanvraag. Tegen een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb staan rechtsmiddelen open. De uitgebreide procedure In sommige gevallen kan in een uitgebreide procedure een termijn van 6 maanden van toepassing zijn, in plaats van de hiervoor gestelde 8 weken. Hier is sprake van in een van de drie hieronder aangegeven gevallen: 1. 2.

De gevallen uit artikel 10.24 van het Omgevingsbesluit (verder: Ob) waarvoor altijd een uitgebreide procedure van toepassing is. Het college van B&W kan een uitgebreide procedure van toepassing verklaren op het moment dat daar gegronde redenen voor zijn (artikel 16.65 lid 4 van de Omgevingswet). In dit artikel wordt toegelicht dat het bevoegd gezag dit kan bepalen als: a. b.

Het een activiteit betreft die aanzienlijke gevolgen heeft of kan hebben voor de fysieke leefomgeving; en waartegen naar verwachting verschillende belanghebbenden bedenkingen zullen hebben. In dat geval stelt het college, voorafgaand aan het nemen van het besluit, de aanvrager in de gelegenheid 52

om zienswijze daarover naar voren te brengen. Het college kan beleid opstellen waarin zij activiteiten benoemd waarvoor zij de uitgebreide procedure willen toepassen. 3.

De aanvrager kan zelf verzoeken om of instemmen met de uitgebreide procedure.

Verplichte participatie en adviesrecht van de raad Door middel van participatie kan inzicht in de belangen van omwonenden en belanghebbenden worden gegeven. Maar participatie betekent niet dat de omwonenden daadwerkelijk zeggenschap krijgen over het nieuwe initiatief. Het meepraten aan een initiatief betekent niet meebeslissen. In de meeste gevallen is participatie niet verplicht. De gemeenteraad heeft op 25 januari 2022 het besluit genomen: Adviesrecht gemeenteraad, verplichte participatie en delegatie onder de Omgevingswet. Op dezelfde gevallen waar het adviesrecht van toepassing is verklaard, is ook participatie verplicht. Toetsingskaders en werkwijze Omgevingswetvergunningen Hieronder volgt de werkwijze van de gemeente in het kader van de Omgevingswet met betrekking tot de omgevingsvergunningen en meldingen voor bouwen, afwijken omgevingsplan (hierna buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)), sloop en monumenten. Voor de meest voorkomende omgevingsaanvragen wordt inzichtelijk gemaakt wat het toetsingskader is en wat onze werkwijze is. Bouwen Toetsingskader In artikel 5.1 lid 2 onder a. van de Omgevingswet vinden we de activiteit bouwen. In dit lid 2 staat dat voor de bouwactiviteit een vergunning nodig is voor zover het gaat om een bij AMvB aangewezen geval. Dit houdt in dat een bouwactiviteit pas vergunningplichtig is als deze dus specifiek is genoemd in deze AMvB.

De AMvB waarnaar wordt verwezen, is het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). In paragraaf 2.3.2 van het Bbl staan de vergunningplichtige gevallen bouwactiviteit. Met de Omgevingswet is bouwen in een technisch en ruimtelijk deel gescheiden. Dat levert twee activiteiten op: de technische bouwactiviteit en de omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk. Deze scheiding noemen we 'de knip'.

53

Een initiatiefnemer die een bouwactiviteit wil verrichten dient bij eenvoudige bouwwerken (de zogenaamde gevolgklasse 1) voor het bouwtechnische deel een melding te doen bij de gemeente (de technische bouwactiviteit) en voor complexe bouwwerken dient men een omgevingsvergunning aan te vragen. Technische bouwactiviteit Het gaat hier over de toets van een aanvraag aan de regels voor de technische bouwkwaliteit uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Bijvoorbeeld de constructieve veiligheid van een bouwwerk. Door de knip zijn er meer technische bouwactiviteiten vergunningsvrij, omdat ruimtelijke randvoorwaarden niet langer een rol spelen. Als een vergunning nodig is voor een (technische) bouwactiviteit volgt toetsing aan de technische regels voor bouwactiviteiten in het Bbl (bijvoorbeeld voorschriften met betrekking tot de brandveiligheid, de daglichttoetreding en de energiezuinigheid van bouwwerken). De toets is te vergelijken met de toets die vroeger gedaan werd aan de eisen van het Bouwbesluit 2012. Voor de gevolgklasse 2 en 3 blijft de vergunningsplicht voor de technische bouwactiviteit bestaan en wordt de aanvraag getoetst aan het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Alle bouwwerken moeten aan de technische eisen in dit Besluit voldoen. Als er een technische toets nodig is voor een aanvraag dan wordt deze uitgevoerd door de ODZOB.

Voor meldingsplichtige (technische) bouwactiviteiten wordt de bouwtechnische toets aan het Bbl niet meer door gemeenten maar door een onafhankelijke kwaliteitsborger uitgevoerd. Landelijk is bepaald of voor een technische bouwactiviteit een vergunning of melding nodig is, dan wel of dit vergunningsvrij is.

54

De (ruimtelijke) toets van “bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk” aan het omgevingsplan noemen we een omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk. Voorbeelden zijn de bouwhoogte en het bebouwingspercentage. Maar ook regels over het uiterlijk van een bouwwerk (welstand) en de functietoedeling in het omgevingsplan. Wij kunnen in ons omgevingsplan bepalen of een vergunning nodig is voor een (ruimtelijke) omgevingsplanactiviteit. Zo kunnen wij bijvoorbeeld in ons omgevingsplan bepalen dat een bouwactiviteit vergunningsvrij is of van een meldings- of informatieplicht is voorzien. Onder het ruimtelijk deel vallen alle regels die eerder in het bestemmingsplan, de bouwverordening en/of de welstandsnota opgenomen waren en die allen over zijn gegaan naar het omgevingsplan. Werkwijze Door de knip zijn hieronder twee werkwijze omschreven; de bouwmelding en de vergunning activiteit bouw •

Werkwijze melding bouw: De melding bouwactiviteit is een nieuwe processtap voor de organisatie. Deze meldingen worden door de vergunningverleners beoordeeld. We registeren de melding, bevestigen de ontvangst, checken de gevolgklasse, het gekozen instrument en de kwaliteitsborger. Vervolgens maken we een beoordeling van het borgingsplan (inclusief risicobeoordeling) met eventueel afgesproken informatie- en stopmomenten. De vergunningverleners zoeken contact met de initiatiefnemer bij een onvolledige of niet-correcte melding om aan te geven wat er ontbreekt aan de melding.

•

Werkwijze vergunningverlening activiteit bouw: Als een vergunning nodig is voor een technische bouwactiviteit maken wij gebruik van het toetsingsprotocol. In dit toetsingsprotocol is voor het behandelen en beoordelen van aanvragen voor de activiteit bouw een bepaalde mate van diepgang in de bouwtechnische toets aan het Bbl aangebracht. Het is onmogelijk om vooraf aan te tonen dat een bouwwerk 100% zal gaan voldoen aan het Bbl. We vergunnen onze aanvragen, voor wat betreft de toets aan het Bbl, daarom risicogestuurd. Wij maken bij het toetsen aan het Bbl gebruik van de BRIS-applicatie. Voor de toetsing van aanvragen wordt gebruikt gemaakt van Bris, een webapplicatie die gebaseerd is op het Landelijk Toetsingsprotocol. Door het werken met digitale protocollen die automatisch worden bijgewerkt conform nieuwe wettelijke vereisten zijn de interne risico’s afgedekt. De toetsniveaus: De diepgang van de toets kan variëren van “geen toets” tot “volledig toetsen”: Niveau 1. Uitgangspuntentoets / snel toetsen. Getoetst wordt of alle stukken beschikbaar zijn om de uitgangspunten van de aanvraag te kunnen beoordelen. De toets beperkt zich tot de aangeleverde stukken (ontvankelijkheidtoets). Dit niveau is de minimale invulling. Niveau 1 wordt toegepast wanneer de kans en de gevolgen zeer gering zijn. Niveau 2. Visueel toetsen.

Getoetst wordt of de uitgangspunten op de aangeleverde stukken in de juiste vorm zijn. Per te toetsen aspect wordt nagegaan of de uitgangspunten juist zijn en of de uitkomsten plausibel zijn. Niveau 2 is het basisniveau. Niveau 3. Representatief toetsen. Per te toetsen aspect wordt nagegaan of de uitgangspunten juist zijn en of de uitkomsten plausibel zijn. Op basis van de visuele toets wordt bepaald welke aspecten 55

moeten worden nagerekend. Het bepalen van de belangrijkste berekeningen blijft een taak van de toetser. Niveau 4. Volledig toetsen. Getoetst wordt of de uitgangspunten van de aangeleverde stukken in de juiste vorm zijn en of van elk te toetsen aspect de uitgangspunten juist zijn. Van elk te toetsen aspect worden de uitkomsten gecontroleerd of nagerekend. Niveau 4 komt in de matrix alleen voor met betrekking tot het toepassen van zogenaamde ‘gelijkwaardige oplossingen’. Informatieplichten Voor bepaalde activiteiten is wettelijk bepaald dat een initiatiefnemer voordat deze gaat bouwen informatie moet geven, zoals stikstofmaatregelen of bouw- en sloopveiligheid. We registreren de ontvangen informatie en sturen een ontvangstbevestiging. Ook beoordelen we of de informatieplicht aan de wettelijke eisen voldoen. (Buitenplanse) Omgevingsplanactiviteit Toetsingskader Een aanvraag om omgevingsvergunning wordt getoetst aan het omgevingsplan. Een activiteit die voldoet aan de regels in het omgevingsplan, maar waar toch een vergunningplicht voor geldt, heet dan een binnenplanse omgevingsactiviteit. Er is sprake van buitenplanse omgevingsactiviteit als het plan in strijd is met het omgevingsplan.

Werkwijze Indien het gaat om een binnenplanse omgevingsplanactiviteit toetsen wij de aanvraag aan alle regels van het tijdelijk deel van het omgevingsplan en de verordeningen met een fysieke component, zoals de APV. Indien de aanvraag past binnen de regels geven we de vergunning voor de omgevingsplanactiviteit af. Bij een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (Bopa) toetsen wij deze aan de toepasselijke instructieregels in hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), de toepasselijke instructieregels in de provinciale verordening én beoordelen wij of de buitenplanse omgevingsplanactiviteit (Bopa) in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het begrip ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ volgt het begrip ‘een goede ruimtelijke ordening’ op. Binnen onze gemeente gebeurt deze evenwichtige toedeling van functies aan locaties via een beoordeling van een team bestaande uit verschillende disciplines dat wekelijks samenkomt. Alle ontwikkelingen die niet passend zijn worden in beginsel door dit team besproken en beoordeeld op haalbaarheid. We leveren hiermee maatwerk per geval. De plannen waar meerdere stakeholders betrokken zijn dan worden voorgelegd aan een “regionale omgevingstafel”. Hiervoor hebben we in de regio Zuidoost samenwerkingsen procesafspraken gemaakt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Asten&id=45d1b3c8-90e6-461a-85a1-350f35071670