CConstaterende datAsten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - Motivering - voorontwerp Hogeweg Ommel

Raadscommissie Ruimte 10 februari 2026, gemeente AstenBij agendapunt: Voorontwerp omgevingsplan Hogeweg te Ommel (opiniërend) met presentatie20.175 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Aanbevolen wordt om, na het meten van de grondwaterstanden, af te stemmen met gemeente en waterschap welke maatregelen de voorkeur hebben. Dit hangt onder andere af van de wens voor de inrichting van het groene terrein aan de noordwestzijde en de tuinen (potentie voor afkoppelen) en de mogelijkheid om water af te wentelen op de omgeving bij een hevige klimaatbui. Eis vanuit de gemeente is om de vloerpeilen van de woningen minimaal 0,3 m boven het straatpeil aan te leggen. Hierdoor ontstaat geen schade aan woningen bij een waterdiepte kleiner dan 0,3 m. Aanbevolen wordt om de toekomstige waterhuishouding, in samenhang met riolering en maaiveldverloop te modelleren conform de buien uit het GRP en uit te zoeken waar het water bij extreme buien naar toe stroomt. Op basis van de modelresultaten worden eventuele knelpunten duidelijk waarop het ontwerp aangepast kan worden. Om te voldoen aan de weging van het waterbelang dient dit advies formeel ter beoordeling te worden voorgelegd aan het waterschap Aa en Maas en aan de gemeente Asten. Met waterschap Aa en Maas dient ook afgestemd te worden hoe moet worden omgegaan met de persleiding die door het projectgebied loopt. De uitkomsten hiervan worden te zijner tijd verwerkt.

4.4.3 Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.4 Luchtkwaliteit 4.4.1 Wettelijk kader De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). De gemeente Asten is door het rijk aangewezen als een aandachtsgebied voor fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. De vergunningverlener beoordeelt een aanvraag op het effect op de luchtkwaliteit in de leefomgeving. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied.

Dit betekent dat een gemeente een initiatief soms moet toetsen aan de omgevingswaarden in een nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat dan om een locatie van een initiatief dat zelf buiten het aandachtsgebied ligt. Dit kan nodig zijn bij activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben. Denk aan extra verkeer of bedrijfsemissies. De vergunningverlener toetst aan de omgevingswaarden, tenzij de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze gaan over: beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden; ammoniakemissies van veehouderijen; geologische opslag van CO2. Soms heeft de gemeente in een eerdere fase (toelaten van bedrijven in het omgevingsplan) al getoetst of het

omgevingsplan voldoet aan de luchtkwaliteitsregels. Een dergelijke ‘voortoets’ is verplicht als het omgevingsplan in een aandachtsgebied ligt. Bij de daadwerkelijke aanvraag van een omgevingsvergunning moet het bevoegd gezag vervolgens beoordelen of deze aanvraag voldoet aan de luchtkwaliteitseisen. NB: In Asten gelden strengere regels voor luchtkwaliteit tav veehouderijen.

4.4.2 Onderzoek Door onderzoeksbureau Peutz is op 21 augustus 2025 onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd voor het planvoornemen Hogeweg te Ommel. Het onderzoek is bijgevoegd als bijlage 6. Er is onderzocht of het planvoornemen en de mogelijke uitbreiding Ommel-Oost invloed hebben op de luchtkwaliteit. Er is beoordeeld of de ontwikkeling valt onder het NIBM-criterium (niet in betekenende mate bijdrage aan luchtverontreiniging). Dit is niet het geval doordat het planvoornemen niet aan de voorwaarde van de 1500 woningen voldoet. Hierdoor is hier niet aan getoetst. Met behulp van het CIMLK kunnen de concentraties van luchtverontreinigende stoffen inzichtelijk gemaakt worden. In dit geval zijn de provinciale weg N279 en diverse veehouderijen aan te wijzen als relevante omgevingsbronnen. De onderzochte concentraties betreffen stikstofdioxide (NO₂) en fijnstof (PM₁₀ en PM₂,₅). Uit het onderzoek blijken de concentraties te voldoen aan de huidige én toekomstige Europese richtlijnen voor luchtkwaliteit. Daarbij is wel geconstateerd dat nabij een pluimveehouderij op circa 200 meter afstand de aangescherpte PM₁₀-norm lokaal wordt overschreden, maar dat dit niet van toepassing is op het plangebied zelf. Ook is de afstand tot de N279 beoordeeld.

Hoewel deze kleiner is dan de adviesafstand uit het Schone Lucht Akkoord (SLA), is dit geen probleem vanwege de beperkte verkeersintensiteit en omdat de gemeente Asten niet is aangesloten bij het SLA.

4.4.3 Conclusie Het beoogde planvoornemen Hogeweg voldoet aan het NIBM-criterium. De luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied voldoet aan de geldende én aangescherpte rijksomgevingswaarden voor zowel NO₂ als PM₁₀. Omdat daarmee ook PM₂,₅ onder de norm blijft, vormt dit geen afzonderlijk risico. Het aspect luchtkwaliteit vormt dus geen belemmering voor de aanvraag om een omgevingsplanwijziging. Er wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) en aan de vereiste van een goede fysieke leefomgeving.

4.5 Geluid 4.5.1 Wettelijk kader Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. Ook zijn direct werkende regels in de bruidsschat opgenomen. Dit zijn de regels voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit. N.B. In de bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden). In het bkl staan vergelijkbare regels. Bij een wijziging omgevingsplan waar geluidsregels relevant zijn, moeten deze in overeenstemming worden gebracht met het Bkl. De instructieregels uit afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge).

Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Het rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’.

4.5.2 Onderzoek Door Goudappel is een akoestisch onderzoek uitgevoerd: Het onderzoek is toegevoegd als bijlage 7. In het onderzoek, zijn zowel Rijkswegen, provinciale wegen als gemeentewegen onderzocht. In paragraaf 5.1.4.2a.4 van het Bkl zijn standaard- en grenswaarden voor geluidgevoelige panden en bronaanpassingen opgenomen. Toetsing vindt plaats per geluidbronsoort. In onderstaande tabel zijn de geldende waarden weergegeven.

Tabel 3. Standaard- en grenswaarden (bron Bkl) Bij het realiseren van nieuwe geluidsgevoelige functies zoals wonen, dient in beginsel voldaan te worden aan de standaardwaarde van 53 dB langs gemeentelijke wegen. Voor de Rijks- en provinciale wegen is sprake van een standaardwaarde van 50 dB. Onder voorwaarden is een maximale geluidsbelasting toegestaan van 70 dB ten gevolge van gemeentelijke wegen en 60 dB ten gevolge van de Rijks- en provinciale wegen. Wanneer sprake is van overschrijdingen van de standaardwaarde is een nadere afweging van geluidsreducerende maatregelen noodzakelijk. Indien geluidsreducerende maatregelen niet inpasbaar of doelmatig zijn, kan een geluidsbelasting hoger dan de standaardwaarde worden toegestaan. Bij een besluit over geluidwerende maatregelen gelden eisen aan de maximale binnenwaarde. Hiervoor is in het Besluit kwaliteit leefomgeving een grenswaarde voor geluid in gevoelige ruimten (maximale binnenwaarde) opgenomen. Voor bestaande woningen (waardoor de effecten nu inzichtelijk zijn gemaakt) geldt een maximale binnenwaarde van 36 dB. Voor nieuwe woningen langs gemeentelijke wegen dient voldaan te worden aan de maximale binnenwaarde van 33 dB volgens het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Het geluidsisolerend vermogen van de gevel dient voldoende groot te zijn om de geluidsbelasting op de gevel terug te brengen tot deze maximale binnenwaarde.

De gezamenlijke geluidsbelasting (alle geluidsbronsoorten gezamenlijk, niet gecorrigeerd naar hindermaat), is maatgevend voor het bepalen van het geluidsreducerend vermogen van de gevel. Bij een overschrijding van de standaardwaarde dient tevens de gecumuleerde geluidsbelasting te worden beoordeeld (alle geluidsbronsoorten gezamenlijk, gecorrigeerd naar hindermaat). Dit is vastgelegd in artikel 5.78p van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Rijksweg A67 Ten gevolge van de Rijksweg A67 is voor de nieuwe woningen een maximale geluidsbelasting berekend van 56 dB voor de maatgevende derde bouwlaag. Op de begane grond (eerste bouwlaag) is een maximale geluidsbelasting berekend van 53 dB. Daarmee wordt voor een groot deel van de nieuwe woningen niet voldaan aan de standaardwaarde van 50 dB. De geluidsbelastingen is in onderstaande afbeelding weergegeven van de begane grond. Zie het onderzoek ook voor de afbeeldingen van de eerste en tweede verdieping (tweede en derde bouwlaag).

Figuur 8. Geluidsbelasting Rijksweg A67 begane grond (bron Goudappel) Provinciale weg N279 Ten gevolge van de provinciale weg N279 is voor de nieuwe woningen een maximale geluidsbelasting berekend van 65 dB voor de maatgevende derde bouwlaag. Op de begane grond (eerste bouwlaag) is een maximale geluidsbelasting berekend van 64 dB. Daarmee wordt voor een groot deel van de nieuwe woningen niet voldaan aan de standaardwaarde van 50 dB. Ook is er sprake van een overschrijding van de grenswaarden van 60 dB op een deel van de eerstelijns bebouwing. Zonder geluidsreducerende maatregelen is het op deze locatie niet toegestaan om nieuwe geluidsgevoelige functies toe te staan op deze locatie. Daarnaast is ook niet voor alle woningen sprake van een geluidsluwe gevel of een geluidsluw geveldeel. De geluidsbelasting is in onderstaande afbeelding weergegeven van de begane grond (eerste bouwlaag). Zie het onderzoek ook voor de afbeeldingen van de eerste en tweede verdieping (tweede en derde bouwlaag).

Figuur 9. Geluidsbelasting Rijksweg N279 begane grond (bron Goudappel) Kloosterstraat Ten gevolge van de Kloosterstraat is een maximale geluidsbelasting berekend van 56 dB. De standaardwaarde van 53 dB wordt daarmee met 3 dB

overschreden. Daarbij is ervan uitgegaan dat ter hoogte van de bebouwing de maximum snelheid op de Kloosterstraat wordt teruggebracht naar 30 km/h en dat er elementenverharding aanwezig is. Nu is er buiten de kom nog asfaltverharding aanwezig. Asfaltverharding zorgt voor een lagere geluidsbelasting dan elementenverharding. Het is echter wel zo dat asfalt minder goed past bij de inrichting van een 30 km/h weg binnen de bebouwde kom waar een lage rijsnelheid gewenst is. De geluidsbelastingen zijn weergegeven in onderstaande afbeelding.

Figuur 10. Geluidsbelasting Kloosterstraat begane grond (bron Goudappel) Nieuwe wegen in het plangebied Voor de nieuwe wegen is onderzocht of er sprake is van overschrijdingen van de standaardwaarde. De nieuwe wegen hebben alleen een ontsluitende functie voor de nieuwe woningen. Voor geen van de nieuwe woningen is sprake van een geluidsbelasting die hoger is dan de standaardwaarde van 53 dB. Een impressie van de geluidsbelastingen is weergegeven in onderstaande afbeelding. De nieuwe wegen hebben verder ook allemaal een verkeersintensiteit die lager is dan 2.500 motorvoertuigen per etmaal.

Figuur 11. Geluidsbelasting t.g.v. de nieuwe wegen in het plangebied Indirecte planeffecten Het extra verkeer van- en naar het nieuwe plangebied zorgt voor een toename van het geluid langs de Kloosterstraat. De maximale verkeerstoename bedraagt 20% richting de noordzijde. Daarmee neemt de geluidsbelasting toe met maximaal 1 dB. Daarmee is geen sprake van een geluidstoename die groter is dan 1,5 dB. Daarmee is niet sprake van een waarneembare toename van de geluidsbelasting en is ook geen sprake van zogenaamde indirecte planeffecten. Geluidsreducerende maatregelen Ten behoeve van het reduceren van geluid is er nader op ingegaan welke maatregelen genomen kunnen worden voor de Rijksweg en de Provinciale weg. Op de Rijksweg A67 is in de geluidsberekeningen reeds uitgegaan van 1L ZOAB (asfalttype) en de aanwezige geluidsafscherming. Met behulp van 2L ZOAB of 2L ZOAB fijn kan de geluidsbelasting ten gevolge van de A67 verder worden gereduceerd. Ook het verhogen van de aanwezige geluidsafscherming langs de A67 kan zorgen voor een lagere geluidsbelasting. Het lijkt in voorliggende situatie echter niet waarschijnlijk dat specifiek voor deze nieuwe woningbouwlocatie maatregelen op de A67 worden toegepast.

Om voor de nieuwe woningen aan de standaardwaarde te voldoen ten gevolge van de Rijksweg A67 dient een geluidsafscherming rond het plangebied gerealiseerd te worden qua hoogte gelijk is aan het aantal geluidsgevoelige bouwlagen. Een dergelijke afscherming rond het plangebied is

vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet reëel te achten. Op de N279 is reeds akoestisch geoptimaliseerd SMA aanwezig. Dit type asfaltverharding wordt veel toegepast op het provinciale wegennet en zorgt voor een goede geluidsreductie in combinatie met een goede slijtvastheid. Met een dunne deklaag is eventueel nog een iets hogere geluidsreductie te bewerkstelligen. Dit gaat echter ten koste van de slijtvastheid waardoor de beheerskosten toenemen. In het onderzoek is uitgegaan van de huidige geluidsreducerende asfaltverharding. Om de geluidsbelasting ten gevolge van de N279 te reduceren is een maatregel op korte afstand van de N279 het meest effectief . Door de provincie is echter aangegeven dat op korte afstand van de weg geen geluidsafscherming gerealiseerd kan worden op grondgebied van de provincie NoordBrabant om ruimte te behouden voor een eventuele wegverbreding. Daarom is nader ingegaan op maatregelen aan de rand van het plangebied. In overleg met de gemeente is gezocht naar een maatregelenpakket dat vanuit stedenbouwkundig oogpunt inpasbaar is en waarmee geen sprake meer is van overschrijdingen van de grenswaarde.

Dit maatregelenpakket omvat: Uitvoeren van ‘niet -geluidsgevoelige’ gevels aan de noordwestzijde van het plangebied en voor de derde bouwlaag aan de noordoostzijde van het plangebied; Het realiseren aan een aaneengesloten afscherming tussen de woonblokken; Het realiseren van een geluidsscherm aan de noordzijde van het plangebied met een hoogte van 8,0 m naar de zuidzijde aflopend naar 6,0 m nabij de woonwagenstandplaatsen. Onderstaande figuur geeft een impressie van de geluidssituatie op de begane grond waarbij een deel van het plangebied wordt afgeschermd. Voor de impressies voor de eerste en tweede verdieping zie het onderzoeksrapport.

Figuur 12. Geluidsbelasting t.g.v. N279 met een geluidsscherm 8,0 m aan de noordwestzijde van het plangebied (resultaten representatief voor eerste bouwlaag) (geluidsscherm met blauw aangegeven) Met de beoogde reëel inpasbare maatregelen kan niet voor alle woningen voldaan worden aan de standaardwaarden. Wel kan voor alle woningen (voor de eerste en de tweede bouwlaag) voldaan worden aan de grenswaarde. Dit met uitzonder van de geveldelen aan de noordwestzijde van het plangebied die niet geluidsgevoelig worden uitgevoerd. Beoordeling gecumuleerd geluid In voorliggende situatie is sprake van een geluidssituatie waarbij het geluid van meerdere geluidsbronnen komt. Dit betreft de N279 aan de noordzijde en de Rijksweg A67 aan de zuidzijde. Op basis van het Besluit kwaliteit leefomgeving en het gemeentelijk geluidsbeleid dient ook de gecumuleerde geluidsbelasting te worden beoordeeld. In voorliggende situatie is alleen sprake van wegverkeersgeluid. De tabel in de afbeelding geeft kwalificatie aan het gecumuleerde geluid, zoals opgenomen in het gemeentelijk geluidsbeleid. De gezamenlijke geluidsbelasting is inzichtelijk gemaakt per waarneemhoogte. In onderstaande afbeelding is de geluidssituatie op de begane grond waarbij een deel van het plangebied wordt afgeschermd weergegeven. Voor de impressies voor de eerste en tweede verdieping zie het onderzoeksrapport.

Figuur 13. Gecumuleerde geluidsbelasting t.g.v. N279 en A67 met een geluidsscherm 8,0 m aan de noordwestzijde van het plangebied (resultaten representatief voor eerste bouwlaag) (geluidsscherm met blauw aangegeven) Het grootste deel van de woningen beschikt op de begane grond over een geveldeel waar sprake is van een geluidsbelasting van een geluidsbelasting van 50 dB of lager. Een dergelijke geluidsbelasting kan als ‘goed’ worden beoordeeld. Alle overige woningen hebben in ieder geval een geveldeel waar sprake is van een geluidsbelasting tot maximaal 55 dB waarbij de geluidsbelasting als ‘redelijk’ beoordeeld kan worden. Bij de nadere uitwerking worden mogelijk nog maatregelen getroffen om ook geluidsluwe buitenruimtes te creëren.

4.5.3 Conclusie Uit het onderzoek blijkt dat er sprake is van een te hoge geluidsbelasting vanuit alle omliggende wegen, Hierdoor moeten er maatregelen getroffen worden en een geluidsregeling opgenomen worden in het omgevingsplan.

4.6 Trillingen 4.6.1 Wettelijk kader Het onderdeel Trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 van de Bruidsschat en 5.87a van het Bkl.

4.6.2 Onderzoek Voor de planlocatie is geen specifiek onderzoek naar trillingen uitgevoerd. Dit is ook niet noodzakelijk, omdat er in de directe en wijde omgeving geen bronnen aanwezig zijn die trillingen veroorzaken, zoals spoorlijnen, intensief vaarverkeer of zware industriële activiteiten. De omgeving bestaat hoofdzakelijk uit agrarisch gebied en lokale infrastructuur met een beperkte verkeersintensiteit.

4.6.3 Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat op de planlocatie geen sprake zal zijn van trillingshinder. Het aspect trillingen vormt dan ook geen belemmering voor de ontwikkeling.

4.7 Bodem 4.7.1 Wettelijk kader Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving: Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerksvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2); Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22Bal); Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4 Maatwerkregels over het saneren van de bodem in het zinkassengebied De Kempen, (paragraaf 2.3.6a.5). Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik.

Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit.

4.7.2 Onderzoek Meerdere verkennend bodemonderzoeken, zijn op verschillende data uitgevoerd door Verhoeven Milieutechniek B.V. (VMT) en Archimil, voor het planvoornemen Hogeweg te Ommel. De onderzoeken betreffen: 1. Deelgebied 1 is door Verhoeven Milieutechniek B.V. diverse (bodem)onderzoeken uitgevoerd Kloosterstraat ong. (percelen M488 en M643) te Ommel Projectnummer: B23.9091 Versie 01 2. Deelgebied 2 is door Verhoeven Milieutechniek B.V. diverse (bodem)onderzoeken uitgevoerd achter Kloosterstraat 35 (agrarische percelen M486 en M959) te Ommel Projectnummer: B24.9277 Versie 01 3. Deelgebied 3 is door Archimil BV. Een verkennend Bodemonderzoek uitgevoerd op de Kloosterstraat ong. te Ommel rapport C222368.008/PHE De onderzoeken hebben tot doel de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (deels inclusief asbest) op de onderzoekslocatie vast te leggen en vast te stellen of er bezwaren bestaan tegen de voorgenomen onroerend goed transactie en/of herontwikkeling. De onderzoeken zijn bijgevoegd als bijlage 8 tot en met 10. Deelgebied 1 en 2 Door Verhoeven Milieutechniek B.V. (VMT) zijn bodemonderzoeken gedaan voor deelgebied 1 en 2 met als doel de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vast te leggen. Hiervoor is een historisch vooronderzoek uitgevoerd, een locatie onderzoek, gevolgd door een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 en een verkennend asbestonderzoek.

Dit onderzoek is in twee delen uitgevoerd. Het eerste onderzoek is uitgevoerd op de percelen M488 en M643 te Ommel 8 februari 2024 en het aanvullende onderzoek agrarische percelen M486 en M959 te Ommel 1 oktober 2024. Historisch bodemonderzoek Op basis van de resultaten van het historisch onderzoek kan worden geconcludeerd dat van de locatie geen actuele bodemkwaliteitsgegevens bekend zijn. Wel is van de locatie direct ten oosten een (verouderd) historisch onderzoek bekend, waarbij geen sprake is van potentiële ernstige verontreiniging als gevolg van lokale activiteiten. Locatie onderzoek Voor de onderzoekslocaties is de hypothese dat de bodemkwaliteit overeenkomt met die van een onverdachte locatie waar geen sprake is van bodemverontreiniging. Daarbij vormden de voormalige weg, de huidige landbouwweg en het schuurtje met asbestverdachte dakbedekking (PCB) aandachtspunten. Zowel zintuiglijk als analytisch zijn geen afwijkende waarnemingen gedaan die duiden op de aanwezigheid van ernstige verontreinigingen als gevolg van de (voormalige) wegen. Verkennend bodemonderzoek Op basis van de onderzoeksresultaten van het verkennend bodemonderzoek wordt de onverdachte hypothese bevestigd/ aangenomen, aangezien in zowel de bovengrond als in het grondwater maximaal licht verhoogde gehalten voor diverse zware metalen en/of naftaleen zijn aangetoond.

In de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten voor de onderzochte NEN-parameters aangetoond. De aangetoonde verhoogde gehalten betreffen overschrijdingen van de voormalige streefwaarden. Aangezien de (gestandaardiseerde) meetwaarden de indexwaarden van 0,5 niet overschrijden zijn ons inziens geen vervolgstappen noodzakelijk. Zowel zintuiglijk als analytisch zijn geen afwijkende waarnemingen gedaan die duiden op de aanwezigheid van ernstige verontreinigingen als gevolg van de (voormalige) wegen. Verkennend onderzoek naar asbest (druppelzone) Door middel van verder verkennend onderzoek naar asbest ter plaatse van de druppelzone van het schuurtje en ter plaatse van de huidige landbouwweg kan worden geconcludeerd dat dit niet heeft geleid tot een ernstige bodemverontreiniging. Voor de druppelzone van het schuurtje met asbestverdachte dakbedekking gold de hypothese van een verdachte locatie. Deze is verworpen, aangezien in de zintuiglijk schone contactlaag analytisch geen asbest is aangetoond . De locatie wordt daarmee niet als verontreinigd beschouwd. Over de contactzone kan echter nog geen definitieve uitspraak worden gedaan, omdat door obstakels op het maaiveld geen efficiënte maaiveldinspectie conform de richtlijnen kon worden uitgevoerd. Voor de huidige landbouwweg is de hypothese gesteld van een onverdachte locatie.

Deze hypothese is bevestigd: zowel zintuiglijk als analytisch is geen asbest aangetoond. Daarmee is geen sprake van een asbestverontreiniging ter plaatse van de weg. Wel blijft de kanttekening dat asbesthoudende (plaat)materialen in de toekomst niet volledig zijn uit te sluiten. Deelgebied 3 Door Archimil is in 2022 een bodemonderzoek uitgevoerd voor deelgebied 3 met als doel de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vast te leggen. Hiervoor is een vooronderzoek uitgevoerd, een locatie onderzoek, gevolgd door een Grondwateronderzoek en een verkennend asbestonderzoek. Historisch bodemonderzoek Op basis van de resultaten van het historisch onderzoek kan worden geconcludeerd de locatie vooralsnog als onverdacht worden beschouwd, waarbij in het grondwater diffuus verhoogde gehalten aan zware metalen kunnen worden aangetroffen. Er is gekeken naar huidig en voormalig gebruik van de locatie, milieuvergunningen, historische kaarten, eerder onderzoek en mogelijke verdachte activiteiten. Veldonderzoek Bij geen van de monsters is een verdachte en/ of afwijkende geur waargenomen. Zintuiglijk zijn ook geen bijmengingen met asbest aangetroffen in of op de bodem. Op basis van de zintuiglijke waarnemingen is er geen noodzaak tot aanpassing van de geplande onderzoeksopzet gebleken.

Grondwateronderzoek Ons inziens behoeven er, op basis van de onderzoeksresultaten, geen restricties gesteld te worden aan aan- of verkoop of aan toekomstige herontwikkeling van de onderzochte locatie.

4.7.3 Conclusie Middels de voorliggende (bodem)onderzoeken van Verhoeven Milieutec is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (deels inclusief asbest) op de onderzoekslocatie gelegen aan de Kloosterstraat ong. (percelen M486, M488, M643 en M959) te Ommel, in voldoende mate vastgelegd. De voormalige weg en de asbestverdachte druppelzone (contactlaag) hebben niet geleid tot een ernstige bodemverontreiniging. Aangezien geen ernstige verontreinigingen zijn aangetroffen, bestaan vanuit milieuhygiënisch oogpunt, geen bezwaren tegen de voorgenomen onroerend goed transactie en/of herontwikkeling. Aanvullend wordt geadviseerd om, na verwijdering van de momenteel aanwezige opgeslagen materialen, een maaiveldinspectie uit te voeren. Middels de voorliggende (bodem)onderzoek van Archimil blijkt dat zowel de boven- als ondergrond niet verontreinigd zijn met de onderzochte parameters. In het grondwater zijn plaatselijk licht tot matig verhoogde gehalten aan zware metalen (zink, cadmium en barium) vastgesteld. Deze verhogingen worden beschouwd als diffuus en leveren geen risico’s op voor de voorgenomen herontwikkeling. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt bestaan er daarom geen belemmeringen voor aankoop of herontwikkeling van de locatie. Het is echter raadzaam om geen freatisch grondwater te gebruiken voor consumptieve doeleinden, zoals het besproeien van gewassen en/of drenken van dieren.

Het aspect bodem levert geen belemmeringen op voor het planvoornemen

4.8 Bedrijven en milieuzonering en Geur 4.8.1 Wettelijk kader Er bestaan diverse sectoren waar geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb’s. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: Geur door het houden van landbouwhuisdieren en voor het berijden van paarden en pony’s in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS); Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 BS); Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 BS); Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 BS).

Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 ‘Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit’ van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels.

4.8.2 Onderzoek Door onderzoeksbureau Peutz is op 21 augustus 2025 een onderzoek uitgevoerd naar het milieuaspect geur van veehouderijen en de vleesverwerkingsindustrie. Daarbij is getoetst aan de richtafstanden uit de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering, specifiek voor de beoogde planvoornemen Hogeweg. Tevens is ook onderzocht of de nieuwe woningen geen extra beperkingen opleveren voor de omliggende veehouderijen, aangezien deze in hun bedrijfsvoering al worden begrensd door bestaande woningen. Het onderzoek is bijgevoegd als bijlage 11. Activiteiten en milieuzonering. In de omgeving van het plangebied zijn er een 2-tal bedrijven in de omgeving waar rekening mee gehouden moet worden. Zie hiervoor onderstaande tabel.

Tabel 4. Richtafstanden voor bedrijven met milieubelastende activiteiten op basis van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering Beide bedrijven liggen aan de noordzijde van de N279 en de kortste afstand tot het plangebied is circa 150 meter. Naast de bedrijven uit het onderzoek, zijn er ook andere bedrijven aanwezig en ten zuiden van het plangebied ligt een begraafplaats. De maatgevende richtafstand voor de bedrijvigheid betreft 50 meter, de maatgevende richtafstand voor een begraafplaats betreft 10 meter. Het plangebied ligt buiten deze richtafstanden en voldoet hiermee ook aan de VNG-brochure. Geconcludeerd wordt dat de beoogde ontwikkeling geen belemmering vormt voor de bedrijfsvoering van deze bedrijven. Voor het aspect activiteiten en milieuzonering wordt aldus voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Geur In de omgeving van het plangebied zijn verschillende veehouderijen gesitueerd. Om een goed beeld te krijgen van de mogelijk beperkende effecten van de beoogde ontwikkeling op de bedrijfsvoering van deze bedrijven dient beoordeeld te worden of de milieuruimte (in de vigerende vergunningen van deze bedrijven) niet wordt aangetast. In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de beschouwde bedrijven en in de bijbehorende afbeelding zijn de geurcontouren en vaste afstanden weergegeven.

Het bedrijf aan Ommelse Bos 2 is niet meegenomen in de afbeelding, dit bedrijf wordt reeds beperkt door bestaande woningen, nieuwe woningen zullen het bedrijf niet verder beperken.

Tabel 5. Beschouwde bedrijven met maatgevende norm geur of te hanteren minimale afstand

Figuur 14. Geurcontouren en vaste afstanden exclusief Ommelse Bos 2 Uit figuur 14 is op te maken dat het plangebied deels zonder belemmering gebruikt kan worden voor de beoogde ontwikkeling. Dit is ongeveer 4,5 ha van 6,1 ha van het totale plangebied. Voor Busserdijk 9 en 10 geldt dat de vaste afstand van 484 meter voor het houden van minder dan 500 landbouwhuisdieren over een groot deel van het plangebied loopt. Binnen deze afstand is geen sprake van een goede fysieke leefomgeving. In principe dient er dan aanvullend onderzoek plaats te vinden, maar de gemeente Asten is voornemens de geurverordening te wijzigen en daarbij nieuwe vaste afstanden op te nemen voor de categorieën tot 700 landbouwhuisdieren. Op basis van deze nieuwe normering zal de vaste afstand voor melkveehouderijen 150 meter bedragen. Het beoogde plangebied valt in zijn geheel buiten deze afstand, waardoor de melkveehouderij geen belemmering meer vormt voor het planvoornemen na het doorvoeren van de voorgenomen wijziging in de geurverordening. Het planvoornemen dient te voldoen aan het nieuwe beleid, daarom wordt een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels. Hierin is opgenomen dat de gronden niet eerder in gebruik genomen mogen worden voordat het nieuwe geurbeleid in werking is getreden. Tot slot loopt de 1 ouE/m³ geurcontour van Jan van Havenstraat 21 over het beoogde plangebied.

Deze contour ligt echter ook over een groot deel van de bestaande woonkern Ommel. Bij de beoogde nieuwe woningen zal de geurbelasting niet hoger zijn dan bij de bestaande woningen. De geurbelasting kan daarmee aanvaardbaar worden geacht. Ook de achtergrondbelasting, wijst uit dat de woonkern Ommel een hogere gecumuleerde geurbelasting kent dan het beoogde plangebied. Het is te rechtvaardigen dat er woningen worden gerealiseerd binnen de 1 ouE/m³ geurcontour van Jan van Havenstraat 21. Doordat voldaan wordt aan de voorwaarde van het omgevingsplan wordt ook voldaan aan een aanvaardbare gecumuleerde geurbelasting. Door strengere geurnormen te hanteren in de geurverordening is reeds rekening gehouden met de cumulatie van geur. Op basis van de bovenstaande conclusies kan gesteld worden dat voor het milieuaspect geur voldaan wordt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en de voorwaarde van een goede fysieke leefomgeving.

4.8.3 Conclusie Uit het onderzoek, het in voorbereiding zijnde aan te passen beleid en de voorwaardelijke verplichting wordt voor het milieuaspect geur voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en de voorwaarde van een goede fysieke leefomgeving. Ook het aspect bedrijven en milieuzonering levert geen belemmeringen op voor het planvoornemen.

4.9 Cultureel erfgoed, landschappelijke en stedenbouwkundige waarden 4.9.1 Wettelijk kader De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteiten en het verplaatsen van gebouwde monumenten. De archeologische waarden zijn doorvertaald in archeologische dubbelbestemmingen. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. De gemeente zal de komende tijd ook een cultuurhistorische waardenkaart opstellen.

4.9.2 Archeologie Door onderzoeksbureau Archol bv is tussen 25 en 27 maart 2024 en is tussen 6 mei en 12 mei 2025 een archeologisch proefsleuvenonderzoek (IVOp) uitgevoerd de locatie Hogeweg te Ommel (omvang ca. 6,37 ha). De onderzoeken zijn bijgevoegd als bijlage 12 en bijlage 13.

Onderzoek Het planvoornemen Hogeweg te Ommel ligt in het westen en zuiden op de flank van een dekzandrug en in het noordoosten in een lager gelegen zone

met dekzandwelvingen. Oorspronkelijk heeft zich in het verleden in de top van het dekzand een veldpodzol ontwikkeld. Veldpodzolen worden veel aangetroffen in de relatief wat lagere delen van het landschap, met relatief hoge grondwaterstanden. Van de veldpodzol resteert thans op veel plaatsen in het plangebied alleen nog maar een BC- of C- horizont. De bovenliggende A-, E-, en B-horizonten zijn in latere tijden opgenomen in een door verploeging ontstane akker. Deze oude akker, die vermoedelijk uit de middeleeuwen dateert met mogelijk een oorsprong in de ijzertijd of Romeinse tijd, is in het grootste deel van het plangebied nog redelijk tot goed intact gebleven. Vanaf de late middeleeuwen is door plaggenbemesting een maximaal 140 cm dik plaggendek tot ontwikkeling gekomen dat eveneens nog goed bewaard is. In het plaggendek, op ca. 0,9 m -mv, zijn karrensporen en een bermgreppel aangetroffen die waarschijnlijk samenhangen met een landweg die op de kadastrale minuut van 1811-1832 is afgebeeld. Op stratigrafische gronden lijken de resten van de landweg niet ouder dan Nieuwe tijd of heel misschien einde late middeleeuwen. Resten van een voorloper van de weg uit de volle middeleeuwen, de tijd voor de plaggenbemesting, zijn niet aangetroffen.

Figuur 15. Deelgebied en vindplaatsen (bron Archol) Het onderzoek voor deelgebied B heeft drie vindplaatsen opgeleverd: Vindplaats 1 betreft een nederzettingsterrein uit de Romeinse tijd, met mogelijk een oorsprong op het eind van de late ijzertijd. Vindplaats 2 is in het oosten van het plangebied gesitueerd en omvat mogelijk de resten van een gebouw uit de late prehistorie of Romeinse tijd. Vindplaats 3 ligt in het westen van het plangebied en bestaat mogelijk uit de resten van een erf uit de volle middeleeuwen. Alle vindplaatsen kennen een hoge fysieke kwaliteit. Op basis van een bovengemiddelde inhoudelijke kwaliteit (8 punten) zijn vindplaats 1 en 3 als behoudenswaardig gewaardeerd. Van vindplaats 2 kan de behoudenswaardigheid niet worden vastgesteld. Omdat niet uitgesloten is dat het om een geïsoleerd gelegen gebouw uit de late prehistorie of Romeinse tijd met een gemiddeld tot hoge inhoudelijke kwaliteit gaat, wordt voorlopig uitgegaan van een in potentie behoudenswaardige vindplaats. Voor alle drie de vindplaatsen wordt in situ1 behoud geadviseerd. Indien in situ behoud niet mogelijk is, dienen vindplaatsen 1 en 3 ex situ2 behouden te worden. Voor vindplaats 2 wordt in dat geval eerst een nadere waardering geadviseerd.

Tabel 6. Vindplaatsen deelgebied B (bron Archol) Daarna heeft onderzoeksbureau Archol meer proefsleuven gegraven om het hele plangebied te onderzoeken op archeologische resten. Vanuit dit onderzoek kan worden geconcludeerd dat de vastgestelde paleolandschappelijke en bodemkundige kenmerken van het plangebied Ommel-Noord in een goed geconserveerd, geaccidenteerd dekzandlandschap ligt. Het oosten van deelgebied A (A1) ligt op de flank van de dekzandrug, het westelijke deel (A2) ligt ter hoogte van een venachtige laagte. Deelgebied C in een zone met lager gelegen dekzandgronden. Tijdens het veldwerk in deelgebied A zijn vier vindplaatsen aangetroffen: De noordelijke randzone van een reeds bekende Romeinse nederzetting (vindplaats 1). Hoewel hier geen huisstructuur kon worden geïdentificeerd, wijst de hoge dichtheid aan paalsporen in werkput 15 op de aanwezigheid van minstens één huisplaats. De randzone van een historisch erf uit de late middeleeuwen en/of Nieuwe tijd met waterputten, kuilen en paalsporen. Waarschijnlijk is het erf omgreppeld (vindplaats 4), Vanwege de hoge verwachting op het aantreffen van waterputten en sporen van bijzondere activiteiten is de randzone van de veenlaagte als afzonderlijke vindplaats afgebakend (vindplaats 5). Twee clusters met paalsporen, gelegen ten noorden van de inheems-Romeinse nederzetting van vindplaats 1.

Mogelijk betreft het 1 In situ behoud betekent dat de vindplaats in de bodem fysiek beschermt wordt door het nemen van inrichtings-en beheermaatregelen die (verdere) aantasting van de vindplaats

voorkomen. 2 Ex situ behoud betekent het middels een opgraving documenteren van de archeologische informatie van een vindplaats.

geïsoleerd gelegen erven uit de ijzertijd of Romeinse tijd (vindplaats 6). Alle vindplaatsen kennen een hoge fysieke kwaliteit. Op basis van een bovengemiddelde inhoudelijke kwaliteit (8 of 9 punten) zijn de in deelgebied A gelegen (delen van) vindplaats 1 en 4-6 als behoudenswaardig gewaardeerd. In deelgebied C zijn uitsluitend sporen van agrarisch gebruik in de late middeleeuwen en Nieuwe tijd aangetroffen. Deze sporen zijn niet tot een vindplaats gerekend.

Tabel 7. Vindplaatsen deelgebied A (bron Archol)

Advies Op basis van de onderzoeksresultaten acht Archol voor deelgebied B vindplaats 1 behoudenswaardig, vindplaats 2 in potentie behoudenswaardig en vindplaats 3 niet behoudenswaardig. Voor vindplaatsen 1 en 2 wordt in situ behoud geadviseerd. Voor vindplaats 2 geldt dat bij het ontbreken van mogelijkheden voor in situ behoud eerst een nadere waardering moet plaatsvinden. Alleen wanneer deze nadere waardering uitwijst dat het daadwerkelijk om een behoudenswaardige vindplaats gaat, is een opgraving noodzakelijk; anders is geen aanvullend onderzoek vereist. In deelgebied A zijn (delen van) vindplaatsen 4, 5 en 6 als behoudenswaardig aangemerkt. Wanneer het behoud in situ niet mogelijk is, dienen de vindplaatsen middels een opgraving ex situ te worden veiliggesteld In deelgebied C zijn geen behoudenswaardige archeologische resten aangetroffen, waardoor dit gebied in principe kan worden vrijgegeven voor de voorgenomen ontwikkelingen, bij voorkeur nadat eventuele opgravingen in deelgebied A zijn uitgevoerd. Voor deelgebied A2, de venachtige laagte, zijn geen bodemingrepen voorzien. Wel wordt aangeraden om in dit gebied aanvullend onderzoek uit te voeren gericht op mogelijke deposities in of onder het veen, omdat dergelijke sporen niet kunnen worden uitgesloten. Hierbij kan gedacht worden aan non-destructief geofysisch onderzoek, onder meer naar mogelijke metalen deposities.

Tot slot geldt dat de zones buiten de behoudenswaardige of potentieel behoudenswaardige vindplaatsen kunnen worden vrijgegeven. Indien tijdens de werkzaamheden toch onverwachte archeologische resten worden aangetroffen, is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet melding bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap/RCE verplicht.

4.9.3 Culturele, landschappelijke en stedenbouwkundige waarden Het landschap van de gemeente Asten kenmerkt zich morfologisch als een licht golvend dekzandlandschap. Op de hogere dekzandruggen rond Asten, Heusden en Ommel heeft zich in de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd, door langdurige plaggenbemesting, een dik humeus akkerdek ontwikkeld. Op basis van de geologische ondergrond, de occupatiegeschiedenis en het huidige grondgebruik kunnen in het buitengebied van Asten verschillende landschappelijke eenheden worden onderscheiden, zoals bos- en natuurgebieden, oude bouwlanden, beekdalen, heide-ontginningen en de Groote Peel. Het plangebied ligt in de nabijheid van de oude bouwlanden. Deze oude bouwlanden liggen met name rond de kernen en worden gekenmerkt door een onregelmatige, blokvormige verkaveling en een bochtige wegenstructuur. De akkercomplexen bestaan uit relatief kleine open eenheden, onderling gescheiden door singels en wegen. Door de eeuwenlange ophoging met plaggen liggen de akkers vaak hoger en hebben zij soms een kenmerkende bolle ligging, de zogenoemde ‘bolle akker’. Daarnaast komen in dit gebied ook karakteristieke steilranden voor. Rondom het plangebied zijn enkele landschappelijke kenmerken nog herkenbaar.

Naast de aanwezigheid van een bolle akker ten zuidwesten van het plangebied lopen er historische structuren (Hogeweg, Kloosterstraat en het zandpad) langs het planvoornemen. Ten zuidoosten van het plangebied bevindt zich aan de Kloosterstraat een gemeentelijk monument, de voormalige noodkerk. In het stedenbouwkundig plan is rekening gehouden met de cultuurhistorische en landschappelijke waarden van de bolle akker, de historische structuur en het gemeentelijke monument. Door een groene dorpsrand is er een zachte overgang naar het landschap en is de cultuurhistorische route, het zandpad, aan de rand van het planvoornemen behouden. De nieuwe ruimtelijke structuur en beeldkwaliteit sluit aan op de huidige identiteit van Ommel. Zie hiervoor ook paragraaf 2.2.1 en 2.2.2 en 3.2.1.

4.9.4 Conclusie Het plan wordt cultuurhistorisch, landschappelijk en stedenbouwkundig goed ingepast. Uit het archeologisch onderzoek blijkt dat alle vindplaatsen een hoge fysieke kwaliteit hebben. Op basis van een bovengemiddelde inhoudelijke kwaliteit (8 punten) zijn vindplaats 1 en 3 als behoudenswaardig gewaardeerd. Van vindplaats 2 kan de behoudenswaardigheid niet worden vastgesteld. Omdat niet uitgesloten is dat het om een geïsoleerd gelegen gebouw uit de late prehistorie of de Romeinse tijd met een gemiddeld tot hoge inhoudelijke kwaliteit gaat, wordt voorlopig uitgegaan van een in potentie behoudenwaardige vindplaats. Voor alle drie de vindplaatsen wordt in situ behoud geadviseerd. Door het opnemen van de functie ‘Archeologie 2’ worden de vindplaatsen beschermd en kan in de verdere planvorming worden bepaald of ze in situ of ex situ worden behouden.

4.10 Ladder voor duurzame verstedelijking 4.10.1 Wettelijk kader De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Artikel 5.129g (zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand) 1. Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. 2. Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met: a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en b.

als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. 3. Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt tot het stedelijk gebied niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor: a. op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en b. nog geen toepassing is gegeven aan het tweede lid.

4.

Als een omgevingsplan voorziet in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft die beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.10.2 Onderzoek Met dit omgevingsplan worden 160 woningen mogelijk gemaakt. In de regel wordt een initiatief gezien als stedelijke ontwikkeling vanaf 12 woningen. Het planvoornemen Hogeweg te Ommel is dus een stedelijke ontwikkeling en ladderplichtig. Ten behoeve van het planvoornemen is een ladderonderbouwing opgesteld. De ladderonderbouwing is toegevoegd als Bijlage 3. Uit de ladderonderbouwing blijkt dat het plan voorziet in een gedifferentieerd woningaanbod, waarmee aantoonbaar wordt voorzien in voldoende woningen in verschillende prijscategorieën en woningtypes. Ook voorziet het plan in de gewenste toevoeging van een passend en toekomstig woningaanbod. Verder is het plan aansluitend op het (gemeentelijk) beleid en de vraag en wensen vanuit de markt. Daarnaast ligt het planvoornemen niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied. Bouwen buiten bestaand stads- en dorpsgebied is ook in de ladderonderbouwing onderbouwd. Het plan past binnen de ruimtelijke en landschappelijke kaders en levert geen belemmeringen op voor de omgeving. De algehele conclusie van deze ladderonderbouwing is dat voor het plan de ladder afdoende is onderbouwd ten aanzien van behoefte en locatie.

4.10.3 Conclusie Zowel vanuit het beleid als vanuit de ladderonderbouwing blijkt dat er behoefte is aan het realiseren van woningbouw en dat het plan passend is in de beleidskaders van rijksbeleid, provincie en gemeente. Doordat hier aan wordt voldaan is er voor het thema wonen, sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.11 Verkeer en parkeren 4.11.1 Wettelijk kader Primair is verkeersveiligheid geregeld in de weg- en verkeerswetgeving (o.a. Wegenverkeerswet). Deze regelgeving maakt geen deel uit van de Omgevingswet. Er dient getoetst te worden aan de richtlijnen ten aanzien van verkeer en parkeren in de nota parkeernormen en waar nodig de normen vanuit het CROW. De omgevingsvisie van de gemeente moet een visie op verkeer en vervoer op gemeentelijk niveau bevatten. De gemeente Asten heeft in haar visie aangegeven dat het gemeentelijk verkeers- en vervoersplan van kracht blijft. Het initiatief dient hieraan getoetst te worden. Bij nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving moet worden aangetoond dat voldoende parkeergelegenheid wordt aangelegd en behouden. De parkeernormen van de gemeente zijn opgenomen in de Nota parkeernormen 2025.

4.11.2 Onderzoek verkeer Door Goudappel heeft een onderzoek naar de verkeerseffecten en de verkeersafwikkeling uitgevoerd, het onderzoek is toegevoegd als bijlage 7. Uit het onderzoek blijkt de nieuwe woningen zorgen voor extra verkeer in de omgeving. Vanaf de nieuwe aansluiting op de Kloosterstraat is het verkeer toegenomen met 21 procent richting het noorden en 13 procent richting het zuiden. De grootste stijging doet zich voor in noordelijke richting, waarbij het merendeel van dit verkeer al snel afbuigt naar de Deurneseweg. Zie de onderstaande afbeelding voor de verkeerseffecten.

Figuur 16. Verkeerseffecten autonoom versus plansituatie (bron Goudappel) De kwaliteit van de verkeersafwikkeling is berekend voor de plansituatie voor het maatgevende kruispunt op de Kloosterstraat in Ommel. De aansluitingen op de Kloosterstraat worden vormgegeven middels een gelijkwaardig kruispunt. Voor de beoordeling van de verkeersafwikkeling op het kruispunt is uitgegaan van de gemiddelde verliestijd per richting. Deze beoordeling is gebaseerd op de verkeersstromen uit het verkeersmodel,

specifiek voor de maatgevende ochtend- en avondspits. Daarbij is gekeken naar de verliestijden per rijrichting om de doorstroming op het kruispunt goed in kaart te brengen. Het beoordelingskader is weergegeven in onderstaande tabel.

Tabel 8. Beoordelingskader verliestijden (bron Goudappel) De resultaten van de gemiddelde verliestijden in de ochtend- en avondspits voor dit kruispunt zijn samengevat in de volgende tabel. Het beoogde kruispunt op de Kloosterstraat kan het verkeersaanbod in 2040 (plansituatie) goed afwikkelen. De aanwezigheid van fietsers op de Kloosterstraat heeft geen invloed op de verliestijden. Fietsers op de doorgaande route op de Kloosterstraat hebben voorrang op de zijrichtingen.

Tabel 9. Resultaten verliestijden Hogeweg (bron Goudappel)

4.11.3 Onderzoek parkeren De parkeerbehoefte is berekend op basis van de Parkeernota Asten 2025 (bijlage 14). Per woningtype is in de parkeernota een parkeernorm bepaald. Daarnaast is in de nota opgenomen dat parkeerplaatsen op privéterrein niet volledig meetellen en is de toe te passen norm bepaald. In de tabel hieronder staat de parkeerbehoefte van de woningen en het aanbod in openbaar gebied en op privéterrein opgenomen.

Tabel 10. en Figuur 17. Parkeerbalans Hogeweg (bron Wissing b.v.) De parkeerbehoefte bedraagt 262 plaatsen. Binnen het plangebied worden in totaal 209 openbare parkeerplaatsen gerealiseerd en 57 op privéterrein. Daarmee bestaat er een overschot van 4 parkeerplaatsen in het plan Hogeweg.

4.11.4 Conclusie Verkeer en parkeren leveren geen beperkingen op voor de uitvoerbaarheid van het project.

4.12 Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen 4.12.1 Wettelijk kader Op grond van artikel 5.162 van het BKL wordt bij nieuwe ontwikkelingen met gevolgen voor de inrichting van de openbare buitenruimte rekening gehouden met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van die openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking. Voorliggend initiatief zal bij de nadere concrete uitwerking hiermee rekening houden. Te denken valt aan vorm en inrichting van voetpaden, trottoirs, oversteekplaatsen, parkeervoorzieningen, straatmeubilair (paaltjes, vuilnisbakken,…), halteplaatsen voor openbaar vervoer en de overbrugging van hoogteverschillen. Daarnaast zal goed moeten worden gekeken naar het plaatsen van reclames, uitstallingen en winkelwagentjes, allemaal potentiële ‘sta-in-de-wegs’ die niet alleen onpraktisch zijn, maar ook tot ongelukken kunnen leiden.

4.12.2 Onderzoek Het plan voor de inrichting van de openbare ruimte is in samenspraak met de afdelingen groen, water, verkeer en beheer van de gemeente opgesteld. In het plan is veel ruimte voor de voetganger. Door het gehele plan is een doorlopende padenstructuur opgenomen die zo min mogelijk autowegen kruisen. Waar dit wel nodig is, zal bij de inrichting een goed begaanbare (met verlaagde band) oversteek worden gerealiseerd. Door een deel van het plan autovrij te maken, is hier extra ruimte voor de voetganger. Alle voetpaden zijn minimaal 2 meter breed, zodat er ook voldoende vrije ruimte is op het voetpad als er een lantaarn, kliko of ander obstakel op het pad wordt gezet. Bij een voetpad aan twee kanten van de rijbaan, kan ervoor gekozen worden om één van de twee paden te versmallen tot 1,5 meter, ten goede van de groene ruimte. Voor het opstellen van kliko’s zijn verschillende plaatsen aangeduid in het stedenbouwkundig plan, zodat deze niet op doorgaande voetpaden worden gestald.

De gebieden die autovrij zijn, zijn wel toegankelijk voor calamiteiten door middel van verstevigd gras. Hiermee wordt de groene ruimte vergroot, maar de toegankelijkheid voor hulpdiensten gewaarborgd. De parkeerplaatsen worden in open verharding uitgevoerd, maar tussen en naast de parkeerplaatsen is wel een strook in dichte verharding om uitstappen goed mogelijk te maken. Er is geen nieuwe openbaar vervoershalte in het plan.

4.12.3 Conclusie Het plan houdt veel rekening met de bereikbaarheid van de voetganger en bevordert daarmee de toegankelijkheid van de openbare ruimte.

4.13 Duurzaamheid en gezondheid 4.13.1 Wettelijk kader Toetsing aan de aspecten duurzaamheid en gezondheid is sterk afhankelijk van het gemeentelijk beleid op deze thema’s. Het beoordelingskader kan dus per gemeente sterk verschillen. Wel bevat de bruidsschat een artikel betreffende energiebetreffende maatregelen (art. 22.52). Daarnaast kan het gemeentelijk beleid ten aanzien van duurzaamheid en/of gezondheid in het omgevingsplan zijn vastgelegd in de vorm van omgevingswaarden. Nagegaan moet worden of hieraan toepassing is gegeven. Indien dit het geval is, dient het initiatief getoetst te worden aan deze omgevingswaarden.

4.13.2 Onderzoek Duurzaamheid Duurzaamheid bestaat uit meerdere factoren, te denken valt aan: Energie: verminderen van het energieverbruik tot energieneutraal bouwen; Klimaatadaptatie: hittestress en wateroverlast voorkomen; Biodiversiteit: vergroten van biodiversiteit in de openbare ruimte en op privéterreinen stimuleren; Circulair bouwen: hergebruik van materialen (mogelijk maken) in de openbare ruimte en de woningen. In het beeldkwaliteitsplan is het volgende opgenomen: Bij het ontwerp en realisatie van de woningen is het de ambitie om de milieubelasting te minimaliseren door energiebesparing, duurzame energieopwekking en het beperken van bouwmaterialen en een bijdrage te leveren aan de klimaatadaptatie en biodiversiteit in de buurt. Binnen de gemeente Asten wordt gewerkt met de ‘Keuzelijst Natuurinclusief bouwen’. Voor Hogeweg dient een keuze gemaakt te worden uit de ingrepen in de lijst en dienen minimaal 5 punten behaald te worden per woning op het gebied van klimaatadaptatie en natuurinclusiviteit. Klimaatadaptatie door het toevoegen van groene gevels en daken wordt wateroverlast en hittestress beperkt. Ook draagt het bij aan de isolatie van de woningen en vergroten van de biodiversiteit; Natuurinclusief ontwerpen is een integraal onderdeel van de opgave.

Het toevoegen van nestkasten, vleermuiskasten, biodiverse gevelbeplanting zijn een aantal voorbeelden om de wijk zo natuurinclusief mogelijk te maken. Daarnaast kan een bijdrage geleverd worden door gebruik te maken van duurzame materialen, energie-efficiënt te ontwerpen en uiteraard gebruik te maken van duurzame energie (minimaal conform BENG-eisen): Duurzame materiaalgebruik in de woningen: hernieuwbare en circulaire materialen, minimaliseer materiaalverlies en vermijd giftige stoffen; Energie-efficiëntie door minder energie te gebruiken, kan door de keuze van bouwmethodes en materialen. Maar ook de oriëntatie van de woningen en gebruik te maken van passieve ontwerpmethodes. Duurzame energieopwekking door zonnepanelen op de woningen, maar eventueel ook boven parkeerplaatsen. Daarnaast zijn er landelijke en gemeentelijke eisen waar aan voldaan moet worden, zoals BENG. Door de robuuste groene structuur is er veel ruimte voor klimaatadaptatie en biodiversiteit in Hogeweg en wordt daarmee wateroverlast en hittestress voorkomen of in ieder geval verminderd. Ook de toepassing van open verharding en het beperken van de toegankelijkheid van de auto zorgt voor afname van verharding, wat bijdraagt aan klimaatadaptatie.

Gezondheid In voorgaande paragrafen met betrekking tot de aspecten bodemkwaliteit, luchtkwaliteit, geur en geluid is beoordeeld of er in het besluitgebied sprake is van een gezonde leefomgeving: Bodem: De bodemkwaliteit in het gebied volstaat voor het beoogde gebruik (wonen); Geluidhinder: worden er maatregelen getroffen voor Luchtkwaliteit: In het projectgebied wordt voldaan aan grenswaarden voor concentraties verontreinigende stoffen in de lucht, waardoor sprake is van een goede luchtkwaliteit; Geur: Gemeente Asten is voornemens de geurverordening te wijzigen en daarbij nieuwe vaste afstanden op te nemen voor de categorieën tot 700 landbouwhuisdieren. Op basis van deze nieuwe normering zal de vaste afstand voor melkveehouderijen 150 meter bedragen en is er geen sprake van geurhinder van het projectgebied. In het stedenbouwkundig plan is daarnaast veel ruimte voor groen, spelen en bewegen. Door het autovrij houden van een deel van het plan en de aansluiting op het Ommels Ommetje wordt wandelen gestimuleerd. Ook de fietsaansluiting richting de Hogeweg, dus geen toegang met de auto, bevordert wandelen en fietsen binnen het dorp. De aansluiting op de vrij liggende fietspaden/fietssuggestiestroken langs de Kloosterstraat faciliteert goed het fietsen richten Deurne en Asten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Asten&id=c04ec15c-edc9-4a4d-a3fa-bdf5f140042b