Bijlage 3 - Motivering - voorontwerp Hogeweg Ommel
Tekst van het document
Binnen de groenstructuur is zoals toegelicht in 2.2.5 veel ruimte voor spelen in aansluiting op de wandelroutes. Dit zorgt voor een toegankelijke speelroute voor de nieuwe inwoners en de huidige inwoners van Ommel. Endotoxinen en/of geitenhouderijen Sinds 2017 geldt in Brabant een tijdelijk verbod op geitenhouderijen, het zogenaamde 'geitenmoratorium'. Op 13 mei 2025 heeft de provincie NoordBrabant een brief aan de gemeente verzonden getiteld 'Geitenhouderijen in relatie tot gezond woon- en leefklimaat in Brabant'. De provincie verwijst hierin naar onderzoek van de RIVM naar de relatie tussen geitenhouderijen en een verhoogd risico op longontsteking. De provincie wacht op advies van de Gezondheidsraad en de reactie van het Rijk daarop, voordat zij een besluit neemt over eventueel te nemen stappen. Tot die tijd blijft de tijdelijke stop op nieuwe geitenstallen van kracht. In de brief wijst de provincie op mogelijke gezondheidsrisico's bij de ontwikkeling van nieuwe woningbouwlocaties in de nabijheid van geitenhouderijen, in relatie tot de urgente vraag naar woningen. De provincie vraagt om gezondheid mee af te wegen bij de integrale beoordeling van woningbouwlocaties en bij het maken van een locatieafweging het aspect gezondheid expliciet mee te nemen.
Zowel agrarische bedrijven met endotoxinecontouren als geitenhouderijen zijn op voldoende afstand gelegen tot het plangebied. Dit aspect vormt daarom geen belemmering voor het planvoornemen. Hoogspanning Het plangebied ligt op voldoende afstand van hoogspanningsverbindingen. Het aspect hoogspanning vormt daarom geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Gebruik van gewasbeschermingsmiddelen Op dit moment bestaat er nog geen wetgeving die spuitzones regelt. Om deze reden is vanuit de rechtspraak de norm van 50 meter afstand ontstaan. “In het algemeen wordt een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische activiteiten waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, niet onredelijk geacht.” Dit blijkt uit vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) (zie bijvoorbeeld ABRvS 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2044, rechtsoverweging 19.4 en ABRvS 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:807, rechtsoverweging 6.1). In het kader van de beoogde ontwikkeling is het feitelijke gebruik van de omliggende gronden geïnventariseerd. Geconcludeerd wordt dat er planologisch gezien spuitzones aanwezig zijn, maar dat op dit moment (en de afgelopen jaren) in de feitelijke situatie geen sprake is van het gebruik van bestrijdingsmiddelen op de omliggende percelen.
Hierdoor kan geconcludeerd worden dat de ontwikkeling geen belemmering ondervindt van gewasbeschermingsmiddelen. In het kader van de volledigheid wordt alsnog een onderzoek naar spuitzones uitgevoerd. Hoewel op basis van de beschikbare informatie geen directe belemmeringen werden verwacht, is besloten dit onderzoek toch uit te voeren om alle mogelijke effecten van agrarische activiteiten op het woon- en leefklimaat zorgvuldig in beeld te brengen. De uitkomsten van dit onderzoek worden betrokken bij de verdere planvorming en dienen ter onderbouwing van een zorgvuldig afgewogen besluit. (bijlage 15)
4.13.3 Conclusie Er is in het project rekening gehouden met de aspecten duurzaamheid en gezondheid.
4.14 Natuur 4.14.1 Wettelijk kader De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgegaan in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. Stikstofdepositie is geregeld in artikel 22.20 van de Omgevingswet. De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de -nog te bepalen- datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde.
4.14.2 Onderzoek Flora en Fauna Door Aelmans Milieu Oss B.V zijn voor het planvoornemen twee quickscans Flora en Fauna uitgevoerd. De rapporten zijn bijgesloten als bijlage 16 en 17. Op basis van de quickscans die zijn uitgevoerd ter plaatse van het planvoornemen kan worden uitgesloten dat de voorgenomen planwijziging en nieuwbouw een negatieve invloed heeft op beschermde soorten vanuit de Omgevingswet. Ondanks dat geschikt voortplantingswater en habitat in de huidige situatie ontbreekt op de locatie wordt voor de rugstreeppad wel geadviseerd om tijdelijke plassen en poelen te voorkomen tijdens de geplande werkzaamheden. Dit om te voorkomen dat deze soort in deze tijdelijke plassen eieren kan afzetten. Uit de onderzoeken blijkt dat de alle aangrenzende bomen en struiken behouden blijven. Tijdens het broedseizoen bevatten deze bomen en struiken geen jaarrond beschermde nesten. In de aangrenzende bomen zijn gaten of holen aanwezig, waardoor deze geschikt kunnen zijn als verblijfplaats voor vleermuizen. De bomen maken tevens deel uit van een lijnvormig landschapselement. Omdat de bomenrij behouden blijft, zal de geplande ingreep hierop geen effect hebben. Mits de te realiseren woningen niet dicht langs deze bomen worden gebouwd en er tijdens en na de voorgenomen werkzaamheden geen kunstmatig licht op de bomen gericht wordt.
Er geldt een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren en planten en ook gebieden. Volgens de zorgplicht dienen er, in redelijkheid, zo veel mogelijk maatregelen genomen te worden om onnodig doden, verwonden of schade aan dieren, planten en gebieden te voorkomen. Dit geldt in de praktijk voornamelijk voor de minder streng beschermde soorten, waarbij onnodig doden, verwonden of beschadigen vermeden dient te worden. Door tijdens de ontwerpfase van de woningen “natuurinclusief” bouwen te integreren kunnen de te realiseren woningen meer natuurwaarde bieden (conform de ‘Keuzelijst Natuurinclusief bouwen’). Denk hierbij aan bijvoorbeeld ingebouwde nestkasten voor vleermuizen of huismussen en gierzwaluwen. Ook bij de inrichting van de openbare ruimte wordt hierop ingespeeld door het aanplanten van inheemse bomen en struiken. Daarnaast wordt geadviseerd om een ecologisch werkprotocol aan te houden. Door bijvoorbeeld één werkrichting vast te leggen kunnen dieren wegvluchten van de werkzaamheden naar een realistisch vluchtgebied.
4.14.3 Onderzoek Stikstof Stantec heeft het stikstofonderzoek uitgevoerd voor het planvoornemen. Het rapport is bijgesloten als bijlage 18. De verschilberekeningen van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen binnen de nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn uitgevoerd met de AERIUS Calculator 2025.0.1 (release-datum 7 oktober 2025). De calculator rekent op basis van de meest recente versie van het Operationele Prioritaire Stoffen model (OPS) van het RIVM. Uit de berekeningen blijkt dat voor de rekenjaren 1 t/m 5 voor de periode 2027 t/m 2031 er geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar zijn. De berekeningen hebben betrekking op zowel de bouw- als gebruiksfase van het planvoornemen. Hieruit wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden. Negatieve effecten op stikstofgevoelige habitat- en leefgebieden zijn uit te sluiten. De natuurlijke kenmerken van de stikstofgevoelige gebieden blijven onaangetast. De bouwfase en de toekomstige gebruiksfase van Uitbreiding Ommel worden hiermee uitgezonderd van de vergunningplicht.
4.14.4 Conclusie Op basis van de resultaten van de uitgevoerde quickscan kan worden uitgesloten dat de beoogde activiteiten een negatieve invloed zullen hebben op beschermde soorten. Er wordt geadviseerd om waar mogelijk de natuurwaarde van het plangebied te vergroten en tijdens de uitvoeringsfase dieren in staat stellen om zich tijdig terug te trekken uit het werkgebied.
4.15 Ontplofbare oorlogsresten 4.15.1 Onderzoek Door Saricon is een Nota van Toelichting opgesteld voor het plangebied Hogeweg te Ommel, deze is toegevoegd als bijlage 19. Deze nota heeft als doel inzicht te geven in het risico op het aantreffen van mogelijk ontplofbare oorlogsresten (OO). Voor het ontwikkelingsgebied is een vooronderzoek OO beschikbaar, opgesteld door REASeuro in 2019 (bijlage 20). Uit dit rapport blijkt dat Ommel in de herfst van 1944 betrokken was bij gevechtshandelingen. Dit heeft geresulteerd in de aanwijzing van verdachte gebieden (gebieden waar mogelijk OO aangetroffen kunnen worden) op de gemeentelijke risicokaart. Op basis van eerder uitgevoerd onderzoek kan worden gesteld dat het zeer waarschijnlijk is dat binnen het gehele onderzoeksgebied ontplofbare oorlogsresten zijn achtergebleven, tot een diepte van maximaal 2 meter onder het maaiveld.
4.15.2 Nader onderzoek Naar aanleiding van de Nota van Toelichting zijn er detectiewerkzaamheden uitgevoerd om te bepalen of er ontplofbare oorlogsresten aanwezig zijn. Dit onderzoek is toegevoegd als bijlage 21. De detectiewerkzaamheden namen 3 werkdagen in beslag waarbij uiteindelijk bijna 100% van de gebieden ingemeten konden worden. Slechts zeer kleine delen (ca. 337m2) konden niet ingemeten worden. Dit bleek ca. 0,5% van het onderzoeksgebied te zijn. De gemeten data was van goede kwaliteit en kon beoordeeld worden door de Senior Deskundige-OOO. Uit deze interpretatie bleek dat: ca. 18,5% van de ingemeten gebieden (11.464m2) te verstoord was om vrij te geven of om hier individuele objecten in aan te merken. Ca. 81% van de ingemeten gebieden (50.161m2) konden aangemerkt worden als gebieden met significante verstoringen. In totaal bevinden zich in deze gebieden 515 significante objecten met de karakteristieken van de mogelijk aan te treffen ontplofbare oorlogsresten, waarbij geweergranaten (30mm) als kleinste ontplofbare oorlogsresten zijn bekeken. Naar Klein Kaliber Munitie (KKM) wordt niet gezocht, dit is te klein om waar te nemen tijdens detectiewerkzaamheden. Van de 515 objecten zijn 425 objecten zogenaamde handpunten (handmatig benaderbaar), tot een diepte van maximaal 0,50m minus maaiveld.
De overige 90 objecten zijn kraanpunten (machinaal benaderbaar), welke dieper liggen dan 0,5m minus maaiveld.
Figuur 18. Detectietekening Ontplofbare Oorlogsresten Hogeweg Ommel (bron Van den Herik) Om de verstoorde gebieden vrij te geven, dienen deze nader onderzocht te geworden door middel van laagsgewijs detectie in combinatie met benaderwerkzaamheden. Laagsgewijs zullen de gebieden onderzocht dienen te worden tot deze vrijgegeven kunnen worden op de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten, waarbij geweergranaten (30mm) als kleinst meetbare ontplofbare oorlogsresten worden beschouwd.
4.15.3 Conclusie Er zijn in potentie ontplofbare oorlogsresten aanwezig, door nader onderzoek van laagsgewijs detectie en benader werkzaamheden (onderzoek) wordt geïnventariseerd of deze dan ook daadwerkelijk aanwezig zijn.
4.16 Mer-beoordeling 4.16.1 Wettelijk kader De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplanwijziging en een voorkeursbeslissing.
4.16.2 Onderzoek Voor het planvoornemen is de plan-mer-beoordeling opgesteld, zie Bijlage 22. De uitkomst van de mer-beoordeling is dat er vooralsnog geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en de locatie van het project die kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Omdat hier sprake is van een mer-beoordeling van een plan, is het niet noodzakelijk om een separate mer-beoordelingsbeslissing te nemen.
4.16.3 Conclusie De mer levert geen belemmering op voor het planvoornemen.
Hoofdstuk 5 Hoofdstuk Uitvoerbaarheid 5.1 Economische uitvoerbaarheid 5.1.1 Financieel economische haalbaarheid Omdat de wijziging van het Omgevingsplan bouwactiviteiten mogelijk maakt als bedoeld in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit, is de gemeente conform artikel 13.11 van de Omgevingswet verplicht de kosten die hiermee samenhangen te verhalen op initiatiefnemers, voor zover deze kosten toerekenbaar zijn aan het kostenverhaalsgebied en de kosten proportioneel zijn in verhouding tot het profijt dat het kostenverhaalsgebied van deze kosten heeft. Omdat de gemeente Asten de locatie in eigendom heeft, vindt kostenverhaal plaats via de uitgifte van bouwrijpe kavels aan een te contracterende partij. Alle kosten en opbrengsten worden verantwoord in een grondexploitatie. Er worden door het jaar heen verschillende instrumenten ingezet om de grondexploitatie te beheersen en te kunnen anticiperen op veranderingen die binnen en buiten de invloedssfeer liggen van de gemeente. (CHECK GEMEENTE).
5.1.2 Nadeelcompensatie Op grond van afdeling 15.1 van de Omgevingswet en het bijbehorende Nadeelcompensatiebesluit kan een belanghebbende die onevenredige schade lijdt als gevolg van dit rechtmatig overheidshandelen een verzoek om nadeelcompensatie indienen. Schade van tijdelijk en beperkt karakter, behorend tot het normaal maatschappelijk risico, komt niet voor vergoeding in aanmerking. Een verzoek om nadeelcompensatie kan worden ingediend na het ontstaan van de schade. Het bevoegd gezag beoordeelt de aanvraag conform de wettelijke procedure. Hierbij kan onafhankelijke deskundigheid worden ingeschakeld. Eventuele vergoeding vindt plaats op basis van het daadwerkelijk geleden en aantoonbare nadeel. Belanghebbenden kunnen via het digitale loket of schriftelijk een verzoek om nadeelcompensatie indienen bij het bevoegd gezag. Nadere informatie over de procedure en voorwaarden is beschikbaar op de website van het bevoegd gezag. (CHECK GEMEENTE)
5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.2.1 Participatie Dat er in Ommel gebouwd gaat worden is voor veel omwonenden al langer bekend en wordt juist omarmt. In juni 2023 is er een eerste informatieavond georganiseerd in het kader van het Masterplan Ommel. Tijdens deze bijeenkomst konden bewoners hun input geven over de behoeften van het dorp en reageren op de eerste schetsontwerpen met bijpassende referentiebeelden. Op 25 juni 2025 is een tweede participatieavond gehouden om nieuwe en bestaande bewoners te informeren over de voortgang van dit planvoornemen. Tijdens deze avond zijn verschillende thema’s besproken, waaronder stedenbouw, verkeer, groen en spelen, woningtypen en architectuur. Na een korte informatieve presentatie konden aanwezigen vragen stellen, hun mening geven en input leveren over deze onderwerpen. De ontvangen reacties zijn verwerkt in een verslag, dat als bijlage 23 is toegevoegd. Hierin is ook opgenomen wat er met de reacties is gedaan in het ontwerp en in deze omgevingsplanwijziging.
5.2.2 Omgevingstafel In het kader van de voorbereiding van de planwijziging zijn de relevante wettelijke ketenpartners geïnventariseerd en geconsulteerd. Het betreft hierbij de veiligheidsregio Brabant Zuidoost, de ODZOB en de provincie Noord-Brabant. Het waterschap Aa en Maas zal ook geconsulteerd worden nu de weging waterbelang in deze toelichting is opgenomen. De consultatie is uitgevoerd om tijdig inzicht te krijgen in eventuele aandachtspunten, randvoorwaarden en belangen die vanuit de verschillende beleidsvelden relevant zijn voor de voorgenomen planwijziging. De ontvangen reacties en adviezen zijn betrokken bij de verdere uitwerking en motivering van het plan. Waar nodig hebben deze geleid tot aanscherping of verduidelijking van de onderbouwing. Met het verwerken van de opmerkingen van de ketenpartners is geborgd dat de planwijziging zorgvuldig is voorbereid en in overeenstemming is met de geldende wet- en regelgeving en beleidskaders.
5.2.3 Zienswijzen Hier wordt besproken welke zienswijzen zijn binnengekomen. Het ontwerp omgevingsplan heeft 6 weken ter inzage gelegen, waar eenieder de kans heeft gekregen om te reageren.