CConstaterende datAsten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Toelichting bestemmingsplan ‘Ommel Kluizendries-Kluisstraat 2022’

Gemeenteraad 30 juni 2026, gemeente AstenBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘Ommel Kluizendries-Kluisstraat 2022’ (bespreekstuk)27.139 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Lichthinder De sportvelden zijn voorzien van verlichting. Verlichting kan mogelijk leiden tot lichthinder voor de te realiseren woningen. Er zijn twee regelingen die, naast de regels uit het bestemmingsplan, betrekking hebben op de sportverlichting en de lichthinder die er door kan ontstaan: het Activiteitenbesluit Milieubeheer en de Richtlijn Lichthinder van de NSVV.

Activiteitenbesluit Milieubeheer In het Activiteitenbesluit zijn geen normen met betrekking tot lichthinder opgenomen. Wel wordt verwezen naar de onderstaande richtlijnen van de NSVV. Wel zijn in artikel 3.148 van het Activiteitenbesluit de tijden opgenomen waarop sportverlichting uitgeschakeld dient te zijn: tussen 23.00 en 07.00 uur direct na beëindiging van de sport- en/of onderhoudsactiviteiten uit te worden geschakeld. Door deze regels uit het Activiteitenbesluit zal geen lichthinder ten gevolge van veldverlichting in de nachtperiode optreden, aangezien de verlichting dan uitgeschakeld dient te zijn. Voor andere aspecten zoals bijvoorbeeld hinderlijke lichtinstraling in woon- of slaapvertrekken kan de gemeente op grond van de zorgplicht optreden. De zorgplicht is uitgewerkt in afdeling 2.1 van het Activiteitenbesluit. Artikel 2.1 lid 2 sub h maakt daar onderdeel van uit en stelt dat lichthinder voorkomen moet worden, dan wel beperkt moet worden tot een aanvaardbaar niveau voor zover geheel voorkomen niet mogelijk is. Het is in het kader van deze zorgplicht mogelijk dat het gemeentebestuur maatwerkvoorschriften opneemt. Er is geen melding in het kader van het Activiteitenbesluit bekend voor onderhavige sportcomplex, waardoor ook geen sprake is van aan de orde zijnde maatwerkvoorschriften die van belang zijn.

Richtlijn NSVV Hoewel er geen echte normen zijn voor lichthinder kunnen de 'Algemene Richtlijnen betreffende lichthinder' van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSVV) als uitgangspunt worden gehanteerd wanneer verlichting ter discussie staat. In de Nota van Toelichting bij het Activiteitenbesluit (Stb. 2007, 415, blz. 181) staat dat de richtlijn van de NSVV als uitgangspunt kan worden gehanteerd bij de beantwoording van de vraag of er lichthinder optreedt. In diverse uitspraken van de Raad van State wordt bevestigd dat een dergelijk uitgangspunt prima is voor het verkrijgen van de benodigde grip op het fenomeen lichthinder. De richtlijn beschrijft grenswaarden voor onder meer sportverlichting ter plaatse van woningen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen een viertal omgevingszones. In onderstaande tabel zijn de relevante grenswaarden voor de verschillende omgevingszones. Het plangebied van de voorgenomen ontwikkeling valt onder de omgevingszone E3.

bestemmingsplan Ommel Kluizendries-Kluisstraat 2022

55

Hierbij geldt dat de verticale verlichtingssterkte een maat is voor de hoeveelheid licht dat in het verticale vlak valt (lees: een raam van een woning), uitgedrukt in lux. De lichtsterkte is een maat voor de hoeveelheid licht die in een bepaalde richting door een armatuur wordt uitgestraald, oftewel de intensiteit van het licht die wordt waargenomen, uitgedrukt in candela. Er geldt voor beide parameters dat getoetst wordt aan de normstelling bij lichtgevoelige bestemmingen zoals woningen.

Conclusie De afstand van de geprojecteerde woningen tot de lichtmasten op veld 2 bedraagt circa 20 m. Gezien de groene afscheiding van het gebied, de te respecteren tijden dat de lichtmasten uitgeschakeld moeten zijn op basis van het Activiteitenbesluit milieubeheer en de verlichtingsrichting van de armaturen, wordt verwacht dat er geen lichthinder zal op treden ter plaatse van de nieuw te projecteren woningen.

Toekomstig Hondenoefenterrein K.C. de Peel Ten zuidwesten van het plangebied van de voorgenomen ontwikkeling is aan de Beekstraat 30 te Ommel het voornemen om het hondenoefenterrein van K.C. de Peel ter plaatse te vestigen. Deze vestiging is in een eerder stadium al juridisch- planologisch mogelijk gemaakt. De activiteiten van K.C. de Peel komen in grote lijnen overeen met die van hondendressuurterreinen (SBI2008 94991). Conform de tabel is het milieuaspect geluid maatgevend voor de milieubelasting van een hondendressuurterrein. Hiervoor geldt een richtafstand van 50 m tot een rustige woonwijk en 30 m tot gemengd gebied. De afstand van het hondenoefenterrein tot de meest nabij gelegen woning in het plangebied bedraagt circa 160 m. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstanden. Indien de richtafstand voor het aspect geluid niet wordt overschreden, kan verdere toetsing van het aspect geluid in beginsel achterwege blijven en kan worden aangetoond dat ter plaatse van de voorgenomen ontwikkeling sprake is van een goed woon- en leefmilieu. In het kader van de vestiging van K.C. te Peel op het terrein aan de Beekstraat 30 is in 2019 in het kader van de noodzakelijke juridisch- planologische procedure een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd (rapport akoestisch onderzoek industrielawaai K.C. de Peel 20181282/C01/TO, 24 oktober 2019).

Het onderzoek toont aan de voor alle geluidgevoelige bestemmingen op het tegenover gelegen verblijfsrecreatieterrein voldaan kan worden aan de grenswaarden. De getoetste geluidgevoelige objecten liggen op kleinere afstand van het hondenoefenterrein dan het plangebied waar woningen ontwikkeld worden. Derhalve kan geconcludeerd worden dat de aanwezigheid van K.C. de Peel geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

56

bestemmingsplan Ommel Kluizendries-Kluisstraat 2022

Vakantiepark Prinsenmeer Ten westen van het plangebied is aan de Beekstraat 31 het vakantiepark Prinsenmeer gevestigd. Op het vakantiepark zijn naast de kampeervoorzieningen, meerdere recreatieve voorzieningen aanwezig. In onderstaande tabel zijn de aanwezige activiteiten weergegeven met de bijbehorende richtafstanden op basis van de VNG-uitgave. Omdat sprake is van gemengd gebied, zijn de richtafstanden in onderstaande tabel met 1 afstandsstap verkleind.

SBI -1993 SBI- 2008 Nr

552

553, 552

926

931

926

931

9272.1

92009

926

931

omschrijving

afstanden in meters geur stof geluid 0

30

1

kampeerterreinen, 10 vakantiecentra e.d. (met keuken) zwembad overdekt 0

gevaar Gr. Cat afstand 10 30 3.1

0

30

0

30

3.1

B

bowlingcentra

0

0

10

0

10

2

amusementshal

0

0

10

0

10

2

zwembad niet overdekt

10

0

100

0

100

4.1

2

Op basis van de VNG- uitgave geldt voor kampeerterreinen en vakantiecentra een richtafstand van 30 m in gemengd gebied. Geluid is hierbij het maatgevende aspect. De afstand van de uiterste bestemmingsplangrens van het vakantiepark tot het plangebied bedraagt minimaal 40 m. Indien rekening wordt gehouden met de aanwezige geluidwal en groenstrook bedraagt de afstand tot het plangebied meer dan 50 m. De centrale voorzieningen bevinden zich daarnaast op meer dan 50 m afstand van het plangebied. Er wordt derhalve aan de richtafstanden voldaan.

De aanwezige waterplas op het recreatieterrein wordt gebruikt als zwem- en recreatieplas. Deze activiteit kan worden aangemerkt als niet overdekt zwembad. De richtafstand van deze activiteit tot gevoelige bestemmingen bedraagt op basis van de VNG- uitgave 100 m. Geluid is ook hierbij het maatgevende aspect. De afstand van de zwemplas tot het plangebied bedraagt meer dan 200 m. Hiermee wordt aan de richtafstanden voldaan. Op basis van het vorenstaande kan derhalve geconcludeerd worden dat de aanwezigheid van vakantiepark Prinsenmeer geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.5.3 Conclusie bedrijven en milieuzonering Met betrekking tot de nabijgelegen sportvelden wordt geconcludeerd dat voor de voorgenomen ontwikkeling sprake is van een goed woon- en leefklimaat, indien uit akoestisch oogpunt een geluidscherm van 2,85 m gerealiseerd wordt ter hoogte van de geprojecteerde wadi tussen de geprojecteerde woningen en de sportvelden. Het realiseren van het geluidscherm in geborgd in de regels en op de verbeelding van het bestemmingsplan. Daarnaast kan geconcludeerd worden dat de toekomstige vestiging van het hondenoefenterrein aan de Beekstraat 30 te Ommel en het nabijgelegen vakantiepark Prinsenmeer geen belemmering vormen voor de

bestemmingsplan Ommel Kluizendries-Kluisstraat 2022

57

voorgenomen ontwikkeling van 30 woningen. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt derhalve geen belemmering voor dit planvoornemen.

4.6

Geur

4.6.1 Algemeen Beleid en normstelling Bij het verlenen van vergunningen voor veehouderijen en bij het opstellen van bestemmingsplannen of andere besluiten op het gebied van de ruimtelijke ordening moet rekening worden gehouden met de geurbelasting uit stallen van veehouderijen.

Wet geurhinder en veehouderij De op 1 januari 2007 in werking getreden Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt voor de vergunningverlening van veehouderijen het beoordelingskader. Deze wet geeft aan hoe bij een aanvraag voor een milieuvergunning de geuremissies uit stallen van veehouderijen en de geurbelasting op geurgevoelige objecten moet worden meegenomen. De normen van de Wet geurhinder en veehouderij gelden in beginsel alleen voor de beoordeling van een aanvraag omgevingsvergunning, als een veehouderij zich wil vestigen of als een veehouderij wil uitbreiden. Het gaat dan dus over de relatie tussen een bestaand geurgevoelig object en een ontwikkeling van de veehouderij. Dit heet ook wel de 'directe werking' of 'directe norm'.

Toets geur uit stallen van veehouderij in een bestemmingsplan Voor de Wgv in werking trad, gold deze norm ook in de omgekeerde situatie: als een bestaande veehouderij werd geconfronteerd met een nieuwe woonwijk of een nieuw bedrijventerrein. In het kader van de 'omgekeerde werking' werden dan dezelfde afstandsnormen toegepast als in de directe werking. Met de inwerkingtreding van de Wgv trad een geheel nieuwe systematiek van normering in werking. In verband daarmee rees de vraag of de normen van de Wgv op dezelfde manier als bij de vroegere stankwetgeving zouden werken in de “omgekeerde werking”. Intussen zijn enkele uitspraken gedaan door de hoogste rechter (de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State), die hierin duidelijkheid scheppen. Onder meer uit de uitspraak in de zaak Laarbeek (Afdeling bestuursrechtspraak van 7 oktober 2009) blijkt dat de normen van de Wgv niet in de omgekeerde werking van toepassing zijn. De directe norm geldt wel in het kader van de verlening van een omgevingsvergunning aan een veehouderij maar niet bij de ontwikkeling van bijvoorbeeld een nieuwe woonwijk of bedrijventerrein.

Ook uit andere uitspraken is intussen gebleken dat het mogelijk is om binnen de belemmerende contouren te bouwen, mits aan twee voorwaarden wordt voldaan: De nieuwe ontwikkelingen mogen geen extra belemmeringen opleveren voor de ontwikkeling van veehouderijen in de omgeving. Hierna de toets op de omgekeerde werking genoemd De gemeenteraad dient in haar ruimtelijke besluit voor de betrokken ontwikkeling een uitspraak te doen c.q. onderbouwing op te nemen over de geurbelasting: is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gelet op de beoogde bestemmingswijziging? Dit is hierna de toets op het woon- en leefklimaat genoemd. Voorgrondbelasting en achtergrondbelasting De geurhinder wordt bepaald op basis van de achtergrondbelasting en de voorgrondbelasting. Met de voorgrondbelasting, ook wel individuele belasting genoemd, wordt de geurbelasting op een geurgevoelig object bedoeld van 1 veehouderij. De achtergrondbelasting, ook wel de cumulatieve belasting genoemd, wordt

58

bestemmingsplan Ommel Kluizendries-Kluisstraat 2022

veroorzaakt door alle veehouderijen samen die rondom een geurgevoelig object zijn gelegen. De achtergrondbelasting wordt vooral in gebieden met veel veehouderijen vaak gebruikt als maat om de effecten van geurhinder uit stallen van veehouderijen op het woon- en leefmilieu te kunnen beoordelen.

Geurgevoelig object (Wet geurhinder en veehouderij) Onder een 'geurgevoelig object' wordt onder de Wgv verstaan een gebouw, bestemd voor en volgens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of verblijf en die daarvoor permanent of regelmatig wordt gebruikt. Een gebouw dat in strijd met het bestemmingsplan als woning of verblijf wordt gebruikt, heeft geen wettelijke bescherming tegen geurhinder.

Geldende geurnormen en vaste afstanden voor een individuele veehouderij De geurnomen in het kader van de Wgv en de eventuele gemeentelijke geurnormen richten zich op de maximale geurbelasting van een individuele veehouderij op een gevoelig object, zoals een nabij gelegen woning. Dit wordt ook wel de voorgrondbelasting genoemd. In de Wet geurhinder en veehouderij is de systematiek vastgelegd hoe de geurhinder uit stallen van veehouderijen beoordeeld moet worden. Voor diercategorieën, waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld (zoals voor varkens en pluimvee), wordt de toetsingswaarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. De geurbelasting wordt uitgedrukt in aantallen Europese odeur units in een volume-eenheid lucht (ou/m³: odeur units per kubieke meter lucht). Eerst wordt de geuremissie berekend door het aantal dieren te vermenigvuldigen met de betreffende geuremissiefactor. Vervolgens wordt de geuremissie vanuit de gezamenlijke dierenverblijven - samen met andere variabelen zoals de afstand tot de dichtstbij gelegen geurgevoelig objecten - ingevoerd in een (wettelijk voorgeschreven) model waarmee de verspreiding van de geur in de omgeving wordt berekend. De uitkomst hiervan is de geurbelasting op basis van de vergunde dierplaatsen op voor geurhinder gevoelige objecten.

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) biedt de mogelijkheid voor gemeenten om binnen een bepaalde bandbreedte eigen gemeentelijke geurnormen vast te stellen. Een gemeente kan deze eigen normen via een gemeentelijke geurverordening vastleggen. De relevante geurnorm (ook wel voorgrondnorm genoemd) in de geldende geurverordening van Asten (13 maart 2021) voor het bestemmingsplan zijn: De norm van 1 Ou voor de woonkern van Ommel De norm van 10 Ou voor het buitengebied rondom de kern Ommel

4.6.2 Beoordeling Voor het vast te stellen bestemmingsplan is het van belang te onderbouwen dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatste van de beoogde ontwikkeling (toets op een goede ruimtelijke ordening o.b.v. van de kans op hinder vanwege geur uit stallen van de omliggende veehouderijen) en dat de rechten van de omliggende veehouders voldoende gerespecteerd worden (de zogenaamde toets om de omgekeerde werking). Toets woon- en leefklimaat ontwikkeling Het is aan een gemeente om een afweging te maken over de geaccepteerde geurhinder. Bij de beoordeling van de vraag of er bij de realisatie van een nieuw voor geurhinder gevoelig object sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, is een afweging met betrekking tot de hoogte van de geurbelasting (en de daarmee samenhangende kans op hinder) in relatie tot de aard van het gebruik van belang. Ook de te verwachten ontwikkeling van de geurbelasting dient hierbij betrokken te worden. In het algemeen geldt dat een gemeente(raad) de nodige beleidsvrijheid heeft bij die afweging, mits die voldoende onderbouwd is.

bestemmingsplan Ommel Kluizendries-Kluisstraat 2022

59

Op basis van gegevens van een methodiek zoals die is opgenomen in de toelichting bij de Wgv, is in onderstaande tabel de achtergrondbelasting vertaald in een % kans op geurhinder en is hieraan een waardering van het woon- en leefklimaat gekoppeld (goed, redelijk goed, matig, tamelijk slecht, slecht, zeer slecht en extreem slecht). In het onderzoek dat is uitgevoerd ten behoeve van de besluitvorming over de gemeentelijke geurverordening van Asten in 2016 (gebiedsvisie t.b.v. de geurverordening, 5 juli 2016) is de volgende tabel opgenomen ten aanzien van de achtergrondbelasting in relatie tot woon- en leefklimaat voor woonkernen en het buitengebied. Deze geurgebiedsvisie is een onderzoeksrapport ter onderbouwing van de gemeentelijke geurnormen in de geurverordening, en ziet toe op vergunningverlening aan veehouderijen. In deze geurgebiedsvisie heeft in het kader van de aanvaardbaarheid van geur geen belangenafweging plaatsgevonden ten aanzien van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen met geurgevoelige objecten. De hinderpercentages in navolgende tabel zijn streefwaarden voor een aanvaardbare geurbelasting, met als bedoeling om deze streefwaarden op termijn te bewerkstelligen via de gemeentelijke voorgrondnormen voor vergunningenverlening aan veehouderijen.

Deze tabel wordt door de gemeente als leidraad bij de beoordeling aangehouden, maar de gemeenteraad moet bij iedere ruimtelijke procedure die een nieuw geurgevoelig object mogelijk maakt opnieuw een afweging van de aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat maken. De gemeenteraad heeft beleidsvrijheid om de verschillende belangen tegen elkaar af te wegen.

Tabel: Overzicht met gehanteerde gebiedsindeling, streefwaarden met geurklassen en geurhinderniveaus met kwaliteit van het woon- en leefklimaat (Gebiedsvisie Verordening geurhinder en veehouderij, gemeente Asten, 5 juli 2016) In de geurgebiedsvisie is voor woonkernen een hinderpercentage van maximaal 12% als aanvaardbaar aangemerkt. Dit komt overeen met een achtergrondbelasting van maximaal 10 OU en sluit aan bij de streefwaarde van 12% die in de Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant staat opgenomen voor het toetsen van de cumulatieve geurhinder bij de uitbreiding van een (intensieve) veehouderij. Over voorgrondbelasting in relatie tot woon- en leefklimaat staat niets uitgewerkt in deze geurgebiedsvisie.

60

bestemmingsplan Ommel Kluizendries-Kluisstraat 2022

Omgevingsverordening Noord-Brabant Bij ruimtelijke procedures gelden eisen ten aanzien van de cumulatieve geurbelasting (achtergrondbelasting). Deze zijn opgenomen in de provinciale Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV) en hebben tot doel de maximale cumulatieve geurbelasting ten gevolge van veehouderijen te beperken tot deze normen. Op basis van rechtstreeks werkende regels voor veehouderijen is een toename van de bestaande bebouwing voor de uitoefening van een veehouderij alleen toegestaan indien is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20%. Bij toepassing van de Handreiking bij de Wgv, bijlage 6 en 7, Infomil 1 mei 2007, resulteert in de volgende streefwaarden: • Een maximale achtergrondgeurbelasting op de bebouwde kom van 12% komt overeen met een achtergrondbelasting van 10 OUE/m3. • Een maximale achtergrondgeurbelasting buiten de bebouwde kom van 20% komt overeen met een achtergrondbelasting van 20 OUE/m3. Indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages dienen maatregelen te worden getroffen door de veehouderij die wil ontwikkelen, die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert.

De wijze waarop deze 'proportionele afname' bepaald moet worden staat beschreven in de notitie “Afname overbelasting” van 24 april 2014 van de Provincie Noord-Brabant.

Ten zuiden van het plangebied van de beoogde ontwikkeling is een tweetal varkenshouderijen gelegen met vergunde geuremissies: Ommelsbroek 12 (revisievergunning van 2007 en meldingen Activiteitenbesluit van 2008, 2009 en 2010) en Ommelsbroek 8 (revisievergunning van 2011). In onderstaande kaarten is de berekende achtergrondbelasting en voorgrondbelasting weergegeven. Kaarten en rekenbestanden zijn opgenomen in Bijlage 6 bij de toelichting.

bestemmingsplan Ommel Kluizendries-Kluisstraat 2022

61

Figuur 21: Indicatieve achtergrondbelasting in de vergunde situatie (juni 2024) De indicatieve achtergrondbelasting ter plaatse van de voorgenomen ontwikkeling is lager is dan 10 Ou. Uitgaande van de indeling zoals die is gehanteerd is de geurgebiedsvisie uit 2016, v.w.b. de beoordeling van woonkernen, is de achtergrondbelasting ten aanzien van geurhinder in het oostelijk deel van het plangebied 'aanvaardbaar' (binnen de range 6-10 Ou) en in het westelijk deel van het plangebied 'optimaal' (binnen de range 3-6 Ou). De achtergrondbelasting is aanvaardbaar en vormt geen belemmering voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.

62

bestemmingsplan Ommel Kluizendries-Kluisstraat 2022

Figuur 22: Indicatieve voorgrondbelasting Ommelsbroek 12 in de vergunde situatie (juni 2024) De vergunde voorgrondbelasting van Ommelsbroek 12 ter plaatse van de voorgenomen ontwikkeling bedraagt 7,5 tot 5,1 OU. Omdat de voorgrondbelasting van deze veehouderij meer dan de helft van de achtergrondbelasting bedraagt (= vuistregel) is de voorgrondbelasting van Ommelsbroek 12 bepalend voor de (mogelijke) geurhinder die ervaren wordt. Op basis van Bijlage 6 en 7 van de Handreiking Wet geurhinder en veehouderij komt een voorgrondbelasting van 5 OU overeen met 12%. Een hogere voorgrondbelasting van 6 OU tot 7,5 OU resulteert in 14% tot 16,5% hinder. Op basis van voorgaande tabel uit de geurgebiedsvisie als leidraad is wat betreft de voorgrondbelasting van Ommelsbroek 12 sprake van een 'onaanvaardbaar' leefklimaat. De gemeenteraad moet de aanvaardbaarheid van de geursituatie afwegen en kan hierbij concrete voorziene ontwikkelingen betrekken.

Voorziene ontwikkeling geurbelasting Ommelsbroek 12 De huidige vergunde situatie van varkenshouderij Ommelsbroek 12 voldoet nog niet geheel aan de provinciale staleisen in de Omgevingsverordening Noord-Brabant (minimaal 85% ammoniakreductie ). De stallen die het betreft moeten in de periode 2024-2028 aangepast zijn. Veehouderij Ommelsbroek 12 heeft een vergunningaanvraag in procedure, waarmee iedere stal voldoet aan de provinciale staleisen. Deze aanvraag resulteert ook in een afname van de geurbelasting ter plaatse van het plangebied. In samenspraak met de gemeente zijn er afspraken gemaakt tussen initiatiefnemer en betreffende veehouder over verdergaande geur-reducerende maatregelen met als doel de geurbelasting te laten dalen tot maximaal 5 OU ter plaatse van de voorgenomen nieuwe woningen. Deze afspraken zijn vastgelegd in een privaatrechtelijke overeenkomst. De voorgrondbelasting ter plaatse van de voorgenomen woningen wordt na vergunningverlening en aanpassing van de veehouderij 5 OU en lager. In Bijlage 6 is de geurberekening van de aangevraagde situatie bijgevoegd. (Indien de aangevraagde vergunning niet verleend en onherroepelijk zou worden, dan zal de veehouder op termijn de stallen die niet voldoen aan de stal-eis van minimaal 85% ammoniakreductie buiten gebruik moeten stellen, wat ook tot de benodigde geurreductie ter plaatse van het plangebied zal leiden).

Rekening houdend met

bestemmingsplan Ommel Kluizendries-Kluisstraat 2022

63

deze voorziene ontwikkeling kan geconcludeerd worden dat in de periode 2024-2028 voldaan zal worden aan de streefwaarde van 12% hinder en is op termijn een aanvaardbaar leefklimaat gegarandeerd.

Toets op de omgekeerde werking Vaste jurisprudentie bij ruimtelijke besluiten is dat door de nieuwe bestemmingen er geen sprake mag zijn van een aantasting van de bestaande rechten van de omliggende veehouderijen. In beginsel dient bij het bepalen van de rechten het agrarische bouwblok als uitgangspunt voor het meten van de geurbelasting contouren te worden genomen. Dit omdat veehouderijen rechten hebben om hun emissiepunten te verschuiven binnen het vastgestelde bouwblok (de zogenaamde 'vergunde rechten'). Het kan echter ook zo zijn dat het bedrijf zijn bouwblok niet in zijn geheel kan benutten voor de vestiging of verplaatsing van emissiepunten, bijvoorbeeld door de aanwezigheid van al bestaande geurgevoelige objecten. Uit de jurisprudentie blijkt dat men dan mag uitgaan van de grens van de bebouwing, een te benutten deel van het bouwblok of een bestaand emissiepunt.

Uitgaande van de vergunde rechten van een veehouderij, de geurnorm(en), het agrarisch bouwblok en de ligging van de stallen en al bestaande voor geurhinder gevoelige objecten, kan bepaald worden of de realisatie van een nieuw voor geurhinder gevoelig object leidt tot een aantasting van de rechten: ligt de nieuwe bestemming binnen de geurcontour en zijn er geen andere bestaande geurgevoelige objecten die op kortere afstand liggen? In onderstaande kaart is de voorgrondbelasting van de veehouderij gelegen aan Ommelsbroek 12 weergegeven. Hieruit blijkt dat de geurbelasting ter plaatste van de voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van het norm 10 Ou-gebied lager is dan de geldende geurnorm. Het gedeelte van de voorgenomen ontwikkeling dat samenvalt met het norm 1 Ou-gebied heeft een hogere geurbelasting dan 1 Ou. Het plan ziet feitelijk toe op uitbreiding van de woonkern Ommel. De geurnormering in de geurverordening van de gemeente Asten is op dit moment leidend voor de omgekeerde werking, echter de gemeente moet na in werking treden van de Omgevingswet in het toekomstige Omgevingsplan bebouwingscontouren gaan aanwijzen. Het is waarschijnlijk dat het plangebied ook als woonkern wordt aangewezen en dat in de nabije toekomst de geurnorm van 1 OU voor het hele plangebied zal gaan gelden.

Omdat er op kortere afstand van de veehouderij aan het Ommelsbroek 12 al bestaande geurgevoelige objecten binnen de woonkern Ommel met geurnorm 1 OU zijn gelegen (dus op kortere afstand dan de voorgenomen ontwikkeling), leidt de voorgenomen ontwikkeling niet tot een extra belemmering voor de veehouderij aan Ommelsbroek 12. De rechten van die veehouderij worden met de voorgenomen ontwikkeling dus niet aangetast. Ook met betrekking tot de veehouderij gelegen aan de Ommelsbroek 8 kan deze conclusie worden getrokken. Op korte afstand van deze veehouderij zijn geurhinder gevoelige objecten gelegen, waarvoor de geurnorm 1 OU geldt en waar de geurbelasting van deze veehouderij hoger is. Ook voor de veehouderij gelegen aan de Ommelsbroek 8 geldt dat de voorgenomen ontwikkeling niet leidt tot een aantasting van de rechten, omdat op kortere afstand gelegen voor geur gevoelige objecten al sterker bepalend zijn.

Betekenis voor de voorgenomen ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot een aantasting van de rechten van veehouderijen in de omgeving. Het plangebied ligt weliswaar binnen de individuele geurcontouren van de varkenshouderijen Ommelsbroek 12 en 8, maar op kortere afstand van beide veehouderijen zijn al bestaande geurgevoelige objecten met geurnorm 1 OU aanwezig, welke bepalend zijn voor de ontwikkelingsmogelijkheden van deze veehouderijen. Ruimtelijke ontwikkelingen binnen geurcontouren zijn mogelijk, mits sprake is van een aanvaardbaar woonen leefklimaat. Uit de achtergrondbelasting geur volgt dat uitgaande van de beoordeling voor een woonkern binnen het plangebied sprake is van een aanvaardbaar tot optimaal woon- en leefklimaat (maximaal 12%

64

bestemmingsplan Ommel Kluizendries-Kluisstraat 2022

hinder). Uitgaande van de vergunde voorgrondbelasting van Ommelsbroek 12 is ter plaatse van het plangebied sprake van 14% tot 16,5% hinder, hetgeen volgens de leidraad van de gemeente onaanvaardbaar is. De gemeenteraad moet daarom de aanvaardbaarheid van de geursituatie in het plangebied afwegen en hierbij de concrete, voorziene ontwikkelingen betrekken. De huidige vergunde situatie van varkenshouderij Ommelsbroek 12 voldoet nog niet geheel aan de provinciale staleis van 85% ammoniakreductie. Deze veehouderij heeft een vergunningaanvraag in procedure om te voldoen aan de provinciale eisen. In afstemming met de gemeente hebben veehouder en initiatiefnemer van dit woningbouwplan afspraken vastgelegd in een privaatrechtelijke overeenkomst over het toepassen van verdergaande geur-reducerende maatregelen, op basis waarvan de geurbelasting in de aangevraagde situatie daalt tot maximaal 5 OU (maximaal 12% hinder) ter plaatse van de voorgenomen nieuwe woningen. Hiermee is op termijn (periode 2024-2028) sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Bijkomend voordeel is dat hierdoor de geurbelasting op de bestaande woningen in Ommel ook verdergaand verlaagd wordt.

4.6.3 Gezondheid - geitenhouderijen Het gezondheidskundig advies is om uit voorzorg geen nieuwe woningen te bouwen binnen 2 km rond geitenhouderijen (risicoafstand varieert in de onderzoeken tussen de 1,5 en 2 km), om gezondheidsrisico's voor toekomstige bewoners te voorkomen. Het bestemmingsplan maakt woningbouw mogelijk op minimaal meer dan 2 kilometer afstand van een geitenhouderij. Tegelijk met het VGO-rapport is in juli 2016 het rapport 'Emissies van endotoxinen uit de veehouderij (fase 3a)' bekend gemaakt. Dit rapport beschrijft het resultaat van metingen aan de emissies van endotoxinen uit de veehouderij. Endotoxinen zijn deeltjes van de celwand van (dode) gramnegatieve bacteriën. Endotoxinen vormen een onderdeel van het fijn stof dat afkomstig is uit veehouderijen. Vooruitlopend op de ontwikkeling van een landelijk toetsingskader heeft het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid de 'Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0' (Toetsingskader endotoxinen) opgesteld. Uitgangspunt van het toetsingskader is de advieswaarde van de Gezondheidsraad van 30 EU/m3 voor endotoxinen. In het toetsingskader zijn afstanden bepaald die een te hoge blootstelling aan endotoxinen zullen voorkomen.

Voor vleeskuikens, legkippen en vleesvarkens zijn afstandsgrafieken opgesteld, aan de hand waarvan op basis van de fijnstofemissie in kilogrammen per jaar kan worden bepaald welke afstand tot gevoelige objecten moet worden aangehouden. Naast de individuele contouren per bedrijf moet ook de cumulatie met andere bedrijven in de omgeving betrokken worden in de beoordeling. In het toetsingskader is niet voorzien in een berekeningswijze voor cumulatie, zodat uitgegaan moet worden van een kwalitatieve beoordeling. Om toch een beeld te geven van de cumulatieve endotoxinen-blootstelling zijn de afstandsgrafieken voor een 30 EU/m3 belasting, d.w.z. de bij de grafieken behorende vergelijkingen, wiskundig vertaald naar formules. Met deze formules kan de belasting op een object door emissie van een veehouderij berekend worden. Dit geeft een indicatie van waar de advieswaarde van 30 EU/m3 mogelijk overschreden wordt. In onderstaande kaart is aangegeven tot waar de 30 EU/m3 contour ligt.

bestemmingsplan Ommel Kluizendries-Kluisstraat 2022

65

Figuur 23: Indicatieve endotoxine risicocontouren vergunde situatie Uit de kaart wordt duidelijk dat het plangebied gelegen is buiten de contouren van intensieve veehouderijen en dat dus de endotoxinewaarde <30 EU/m3 is. Het aspect vormt daarmee geen belemmering voor het planvoornemen.

4.7

Externe veiligheid

4.7.1 Algemeen In de landelijke regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; transport van gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water. Het uitgangspunt van wet- en regelgeving en beleid ten aanzien van externe veiligheid is scheiding van kwetsbare functies en risicobronnen, waarmee men het volgende wil bereiken: bescherming van personen die zich bevinden in de nabijheid van een risicobron tegen de kans op overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen of ten gevolge van een ongeval met een vliegtuig op of nabij een luchthaven; bescherming van de samenleving tegen het ontwrichtende effect van een dergelijk ongeval met een groot aantal slachtoffers.

66

bestemmingsplan Ommel Kluizendries-Kluisstraat 2022

Voor de eerste doelstelling is het begrip plaatsgebonden risico (PR) van belang. De norm voor het plaatsgebonden risico is 10-6, die als een contour om een risicovolle inrichting en aan weerszijden langs een transportroute of buisleiding ligt. Binnen die contour zijn ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen milieubeheer (BEVI) geen nieuwe kwetsbare objecten toegestaan. Voor beperkt kwetsbare objecten als bedoeld in het BEVI geldt die norm als richtwaarde. Een soortgelijke normstelling en systematiek geldt voor transport van gevaarlijke stoffen over wegen, spoorwegen en binnenwateren en via buisleidingen. Bij de realisatie van de tweede doelstelling staat het begrip groepsrisico (GR) centraal. Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar wel een oriënterende waarde, die als ijkpunt geldt bij het zoeken naar maatschappelijk aanvaardbare grenzen.

Op grond van artikel 13 BEVI dient het bevoegd gezag bij nieuwe ruimtelijke plannen die nieuwe (kwetsbare) objecten mogelijk maken een verantwoording van het groepsrisico uit te voeren. Een soortgelijke regeling geldt voor transport van gevaarlijke stoffen over wegen, spoorwegen en binnenwateren en via buisleidingen op basis van respectievelijk het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (BEVB). 4.7.2 Beoordeling Om te kunnen beoordelen of het plangebied in de buurt is gelegen van risicovolle inrichtingen danwel andere gevaarlijke activiteiten of transportroutes, is de risicokaart geraadpleegd.

Risicokaart en ligging plangebied In de directe nabijheid zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen. De meest dichtbijzijnde inrichtingen liggen op meer dan 1km van het plangebied. In de nabijheid van het plangebied zijn eveneens geen buisleidingen gelegen. Over de ten zuiden gelegen A67 is vervoer van gevaarlijke stoffen mogelijk. Het plangebied ligt echter buiten de risicocontour van dergelijke transportroutes. Voor de ligging en de aard van het planvoornemen is het standaardadvies van de veiligheidsregio Brabant Zuidoost van toepassing. Dit advies luidt als volgt:

bestemmingsplan Ommel Kluizendries-Kluisstraat 2022

67

Communiceer actief met de omwonenden in het plangebied over de risico’s van de gevaarlijke stoffen. Geef daarbij aan wat omwonenden moeten doen bij een incident, namelijk vluchten van de risicobron af. Dit bevordert de zelfredzaamheid van omwonenden. Dit advies geldt ook voor bedrijfshulpverleningsorganisaties. Pas de beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening van VRBZO toe. Wanneer een beoogde oplossing aan de beleidsregels voldoet, kunt u ervan uitgaan dat een goede bereikbaarheid voor de hulpdiensten en een adequate bluswatervoorziening gerealiseerd wordt De punten uit het standaardadvies zullen in de verder planuitvoering worden meegenomen en uitgevoerd. Gesteld kan worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor het planvoornemen.

4.8

Waterhuishouding

4.8.1 Algemeen Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2016-2021. In Nederland liggen grote opgaven voor het waterdomein: Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering, we moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en aan een klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte. Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht. Om aan te geven hoe we omgaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelt de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027. Het programma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. De Rijksoverheid werkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Het NWP beschrijft de nationale beleidsen beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater & waterverdeling, waterkwaliteit & natuur, scheepvaart, en de functies van de rijkswateren. De Waterwet regelt de leggerplicht voor alle waterstaatswerken. Om goed te functioneren moeten waterstaatswerken voldoen aan de norm uit de legger. De eerste Legger rijkswaterstaatswerken is vastgesteld in 2012. In oktober 2014 is de Legger geactualiseerd.

De Legger bestaat uit een formeel besluit en digitale geografische datasystemen. Beheerders, vergunningverleners en toezichthouders zijn de vaste gebruikers van deze Legger, maar de Legger is voor iedereen toegankelijk. In Asten geldt de legger voor de Zuid-Willemsvaart. Op regionaal niveau is de provincie verantwoordelijk voor het beleidsveld water. Vigerend is het Regionaal Water en Bodem Programma 2022-2027. Het PMWP is een kaderstellende nota die op hoofdlijnen weergeeft wat de beleidsdoelen en voorgestelde aanpak zijn. De doelen van het PMWP zijn: Voldoende water voor mens, plant en dier Schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht) Bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s Verduurzaming van onze grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening. In het Waterbeheerplan 2022-2027 staan de doelen van waterschap Aa en Maas beschreven en hoe zij die doelstellingen gaan halen. De doelen en maatregelen waar het waterschap voor staat en gaat, zijn onderverdeeld in vier programma’s: Veilig en bewoonbaar beheergebied: bij dit programma gaat het er om het beheergebied zo goed mogelijk te beschermen tegen overstromingen van de Maas en het regionale watersysteem. Goede dijken om overstromingen vanuit de Maas te voorkomen.

Voldoende ruimte voor water om overlast uit het regionale systeem te beperken en een goede calamiteitenorganisatie om als er toch problemen dreigen te ontstaan, zo adequaat mogelijk te kunnen handelen;

68

bestemmingsplan Ommel Kluizendries-Kluisstraat 2022

Voldoende water en robuust watersysteem: dit programma gaat over het zorgen voor een adequate en duurzame watervoorziening in het beheergebied van het waterschap voor de diverse gebruiksfuncties in hun onderlinge samenhang. Dit doet het waterschap door het optimale peil en debiet na te streven in beken, kanalen, sloten én in de ondergrond (voorraadbeheer). Droogteperioden hebben daardoor nu en in de toekomst een zo kort en klein mogelijke impact; Gezond en natuurlijk water: dit programma gaat in op alle activiteiten van het waterschap die bijdragen aan het bereiken van de doelstellingen op het gebied van gezond en natuurlijk water. Ingegaan wordt op hoe toegewerkt wordt naar een watersysteem met een goede waterkwaliteit, dat ecologisch goed functioneert en waar de inwoners en bezoekers van het beheergebied van kunnen genieten; Schoon water: dit programma gaat over de doelen en activiteiten met betrekking tot de afvalwaterketen met daarbinnen een centrale plek voor het zuiveren van afvalwater. Het programma vertoont een grote samenhang met het programma gezond en natuurlijk water. Immers, transporteren en zuiveren van afvalwater is een belangrijke activiteit om tot een gezond en natuurlijk watersysteem te komen. Op 25 oktober 2024 is de Waterschapsverordening waterschap Aa en Maas 2024 in werking getreden.

De Waterschapsverordening van Aa en Maas bevat regels voor het beschermen en beheren van het regionale watersysteem. Voor werkzaamheden in of nabij watergangen, oevers of waterkeringen geldt in beginsel een vergunningplicht, tenzij in de verordening een vrijstelling is opgenomen. Dit geldt onder meer voor het aanleggen of verwijderen van kunstwerken, het uitvoeren van grondroerende werkzaamheden, en het lozen van hemel- of afvalwater op oppervlaktewater. Rond waterstaatswerken zijn beschermingszones en profielen van vrije ruimte vastgesteld. Binnen deze zones gelden aanvullende eisen: werkzaamheden mogen de stabiliteit van watergangen, de waterafvoer en het onderhoud niet belemmeren. Veel werkzaamheden zijn alleen toegestaan als ze eenvoudig verwijderbaar zijn en geen schade toebrengen aan het watersysteem. De ligging van deze zones is vastgelegd in de leggerkaarten van het waterschap. Voor lozingen op oppervlaktewater gelden specifieke voorschriften. Zo moet bij aanleg van nieuwe infrastructuur buiten de bebouwde kom een melding worden gedaan bij het waterschap, en moet het afstromend hemelwater bij voorkeur worden geïnfiltreerd of gezuiverd afgevoerd. Huishoudelijk afvalwater dient te voldoen aan geldende kwaliteitsnormen.

Daarnaast zijn in de verordening bepalingen opgenomen over onderhoudsverplichtingen (zoals vastgelegd in de legger) en de financiële bijdragen aan het waterschap via watersysteemheffingen. Deze bijdragen zijn afhankelijk van het gebruik en de aard van het perceel.

Het beleid van de gemeente Asten sluit aan op het landelijke-, provinciale- en waterschapsbeleid en is weergegeven in het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) 2021-2025. Via dit GRP geeft de gemeente invulling aan de zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater. Afvalwater: voor de afvalwaterzorgplicht streeft de gemeente naar een duurzame en doelmatige inzameling en transport van afvalwater. Bij vervanging en herontwikkeling wil de gemeente overgaan tot ontvlechting van hemelwater en afvalwater. Hemelwater voor de hemelwaterzorgplicht streeft de gemeente Asten naar een duurzame toekomst en het anticiperen op klimaatverandering. Particulieren zijn in principe zelf verantwoordelijk voor de inzameling en verwerking van hemelwater vanaf hun eigen perceel. Bij nieuwbouw en bij herbouw dient een waterbergingsvoorziening gerealiseerd te worden met een inhoud van 60mm/m2 verhard oppervlak. Bij grootschalige ontwikkelingen gaat de voorkeur uit naar de realisatie van collectieve voorzieningen. Dit maakt het makkelijker om robuuste voorzieningen aan te leggen en verhoogd de handhaafbaarheid. Grondwater: de gemeente Asten geeft gehoor aan de grondwaterzorgplicht door binnen de grenzen van doelmatigheid en financiële en technische haalbaarheid maatregelen te treffen om structurele grondwateroverlast te voorkomen of te beperken.

bestemmingsplan Ommel Kluizendries-Kluisstraat 2022

69

4.8.2 Beoordeling De toekomstige waterhuishoudkundige situatie en de consequenties daarvan voor de bergingsopgave is inzichtelijk gemaakt en bijgevoegd in Bijlage 7 Hierin wordt ten aanzien van het planvoornemen het volgt geconcludeerd: Hieruit kan geconcludeerd worden dat er genoeg berging wordt gecreëerd: 605 m³ ten opzichte van de benodigde 468 m³. In de nadere planuitwerking kunnen de afmetingen van de wadi’s geoptimaliseerd worden en kan het overschot wat nu gerealiseerd wordt verschillen ten opzichte van deze notitie. Het overschot bedraagt nu ca. 137 m³ aan berging. Daarnaast dient er voor een losstaande kavel op perceelniveau invulling gegeven te worden aan de watercompensatie. De invulling van deze watercompensatie is nog niet vormgegeven en wordt in een later stadium nader bepaald. De benodigde compensatie voor deze kavel is vastgesteld op ca. 20 m³. De waterhuishoudkundige voorzieningen zijn verankerd in de bestemmingsregels van het voorliggend bestemmingsplan. Daarmee is er geen belemmering te verwachten ten aanzien van het aspect water.

4.9

Archeologie

4.9.1 Algemeen De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven. Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard. Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van het voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden. 4.9.2 Beoordeling De gronden zijn op basis van de dubbelbestemming Waarde Archeologie in zowel het bestemmingsplan Buitengebied Asten als in het bestemmingsplan Ommel komgebied mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden. Bij bouwwerken met een oppervlakte groter dan 250 m2 en dieper dan 40 cm dient een archeologisch rapport overlegd te worden. Op basis hiervan heeft KSP Archeologie een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, verkennende fase (IVO-Overig); booronderzoek) uitgevoerd (21080, augustus 2021).

De rapportage is opgenomen in Bijlage 8. Het doel van het archeologische bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Op basis van de landschappelijke ligging op de overgang van een zone met dekzandwelvingen naar een vlakte met ten dele verspoelde dekzanden en de archeologische onderzoeksmeldingen uit de omgeving is aan het plangebied een middelhoge verwachting toegekend voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum als voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw). Aan het noordwestelijke deel van het plangebied is een hoge verwachting toegekend voor vindplaatsen uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot in de Nieuwe tijd en aan het overgrote deel van het plangebied is een lage verwachting toegekend voor deze periode. Deze verwachting is getoetst door middel van een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase. Uit het

70

bestemmingsplan Ommel Kluizendries-Kluisstraat 2022

booronderzoek is gebleken dat het plangebied onderdeel heeft uitgemaakt van een ten dele verspoelde dekzandvlakte en niet van een zone met dekzandwelvingen, waardoor het een ongunstige woonlocatie was. Ook bleek dat er geen enkeerdgronden en podzolgronden aanwezig zijn geweest, maar dat er sprake moet zijn geweest van een veenpakket op dekzand. Het veen is afgegraven en later heeft men de grond opgehoogd om het als landbouwgrond geschikt te maken. Daarnaast zijn er geen archeologische indicatoren aangetroffen van de schuur in het noordwestelijke deel van het plangebied, wat mogelijk toe te schrijven is aan het feit dat de schuur grotendeels uit hout zal zijn gebouwd waar vrijwel niets van bewaard blijft. Op basis hiervan is de middelhoge verwachting voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum als voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) naar laag bijgesteld. De resultaten van het booronderzoek geven aanleiding om de hoge verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd voor het noordwestelijke deel van het plangebied bij te stellen naar laag en de lage verwachting voor het overgrote deel van het plangebied te handhaven. Op grond hiervan adviseert KSP Archeologie geen archeologisch vervolgonderzoek.

Derhalve wordt geconcludeerd dat het aspect archeologie geen belemmering vormt voor het planvoornemen.

4.10

Cultuurhistorie

4.10.1 Algemeen Vanwege artikel 3.6.1, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting van een ruimtelijk plan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Gemeenten zullen een inventarisatie moeten (laten) maken van alle cultuurhistorische waarden in het plangebied, dus niet alleen van de archeologische waarden. Daarnaast moeten ze aangeven welke conclusies ze daaraan verbinden en op welke wijze ze deze waarden borgen in het kader van het planvoornemen. 4.10.2 Beoordeling In het plangebied zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig. Het aspect cultuurhistorie vormt derhalve geen belemmering van het planvoornemen.

4.11

Natuurbescherming

4.11.1 Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming vormt in Nederland het wettelijke kader voor zowel de gebiedsbescherming als de soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming gaat het om aangewezen natuurgebieden en bij soortenbescherming gaat het om de bescherming van vogels en andere diersoorten en planten. De Wet natuurbescherming vormt in Nederland het wettelijke kader voor de bescherming van Natura2000-gebieden. De wet bepaalt dat projecten en andere handelingen die de kwaliteit van natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura2000-gebied kunnen verslechteren of die een significant verstorend effect kunnen hebben op soorten waarvoor het gebied is aangewezen, niet mogen plaatsvinden zonder vergunning. Verder moet rekening worden gehouden met het beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De regels met betrekking tot het NNN zijn opgenomen in de provinciale verordening. Ten aanzien van ontwikkelingen binnen het NNN geldt het 'nee, tenzij-principe'.

bestemmingsplan Ommel Kluizendries-Kluisstraat 2022

71

Beoordeling effecten Uit de kaart Natuurbeheerplan op de website van de provincie Noord- Brabant blijkt dat het plangebied geen deel uitmaakt van het NNB-rijksdeel en het NNB-provinciaaldeel. Het dichtstbijzijnde gebied dat deel uitmaakt van het NNB-rijksdeel ligt op circa 1,5 kilometer ten oosten van het plangebied. Het dichtstbijzijnde gebied dat deel uitmaakt van het NNB provinciaal deel ligt op circa 55 meter ten westen van het plangebied. Gezien de afstand tussen het plangebied en het NNB is het uit te sluiten dat de voorgenomen plannen een (significant) negatief effect hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied ligt op circa 7 kilometer afstand ten westen van het plangebied. Het betreft het Natura 2000 gebied Stabrechtse Heide & Beuven. Gezien de afstand tussen het plangebied en omliggende Natura 2000 gebieden in relatie met de aard en omvang van het planvoornemen heeft het planvoornemen gelet op de instandhoudingsdoelstellingen geen direct effect op Natura 2000 gebieden. Er is geen sprake van verstoring door licht, trilling, optische verstoring of verstoring door mechanische effecten.

Gezien de invulling van het plangebied op basis van het planvoornemen, de afstand van het plangebied ten opzichte van de omliggende Natura 2000-gebieden en de uitspraak van de Raad van State, met betrekking tot het voormalige PAS-beoordelingskader, dient er een stikstofberekening uitgevoerd te worden. In dit kader is door Pouderoyen Tonnaer een stikstofnotitie met berekeningen opgesteld welke is opgenomen als Bijlage 9. In de stikstofnotitie is onderzocht of er ten gevolge van het aspect stikstof sprake is van significant nadelige effecten voor Natura 2000-gebieden. Op voorhand kunnen negatieve effecten ten gevolge van stikstof voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden worden uitgesloten. Een passende beoordeling is niet vereist. In deze berekening is geen gebruik gemaakt van intern salderen. Ook is het project doorgerekend als het gaat over de aanscherping van de RvS inzake wat in de voortoets mag/moet worden betrokken. Ten aanzien van stikstof is er geen aanleiding een Wnb-vergunning aan te vragen of een verklaring van geen bedenkingen aan te vragen. 4.11.2 Soortenbescherming De bescherming van plant- en diersoorten is geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). Om kwetsbare soorten te beschermen, bevat de Wnb enkele verbodsbepalingen, zoals het verbod op het doden of verontrusten van dieren, en het beschadigen van voortplantings- of rustplaatsen.

Dit houdt concreet in, dat voor bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen zoals het verwijderen van bebouwing en beplanting en het bouwen dient te worden vastgesteld of daarin, of in de directe nabijheid beschermde soorten aanwezig zijn. Om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep, is door Staro een quickscan flora en fauna uitgevoerd (rapport P20210206, juli 2021). Aangezien de ruimtelijke situatie in de omgeving vanaf het moment van uitvoering van de quickscan tot op heden niet noemenswaardig is veranderd, kan worden gesteld dat het onderhavige quickscan nogsteeds representatief is voor de huidige situatie. Het rapport is bijgevoegd als Bijlage 12. De conclusies van de rapportage zijn in onderstaande tabel opgenomen.

Soort (groep)

Bescherming

Vogels

paragraaf 3.1 Wnb (nest niet jaarrond beschermd)

72

Functie plangebied nestgelegenheid

Mogelijk effect

Ontheffing nodig Maatregelen

ja

nee, mits maatregelen worden uitgevoerd

bestemmingsplan Ommel Kluizendries-Kluisstraat 2022

snoeien en kappen wanneer geen broedvogel aanwezig is en buiten broedseizoen

Vogels

paragraaf 3.1. Wnb (nest niet jaarrond beschermd) paragraaf 3.1. Wnb (nest jaarrond beschermd) paragraaf 3.2. Wnb

foerageergebied

nee

-

-

foerageergebied

nee

-

-

land- en overwinteringshabitat

ja

nee, mits maatregelen worden uitgevoerd

Vleermuizen

paragraaf 3.2. Wnb

verblijfplaatsen en vliegroute

ja

mogelijk

Vleermuizen

paragraaf 3.2. Wnb

foerageergebied en vliegroute

ja

nee, mits maatregelen worden uitgevoerd

Bruine kikker en gewone pad

paragraaf 3.3. Wnb

land- en overwinteringshabitat

ja

nee, algehele vrijstelling

Algemene sprits-, paragraaf 3.3. woel- en ware Wnb muizen en egels

verblijfplaatsen

ja

nee, algehele vrijstelling

Das, haas, konijn paragraaf 3.3. en vos Wnb

(onderdeel van) leefgebied

nee

-

ontstaan van geschikt habitat bij werkzaamheden voorkomen nader onderzoek uitvoeren naar aanwezigheid van verblijfplaatsen in bomen en het gebouw. Bij kap van bomenrijen onderzoek naar het gebruik als vliegroute extra verlichting 's nachts uitzetten of lichtstralen afschermen en naar beneden richten tijdens werkzaamheden bij verwijderen van struweel en materialen in een richting werken en werken buiten overwinteringsperiode bij verwijderen van vegetatie en materialen in een richting werken en werken buiten overwinteringsperiode van egel -

Vogels

Rugstreeppad

bestemmingsplan Ommel Kluizendries-Kluisstraat 2022

73

Steenmarter, paragraaf 3.3. bunzing en wezel Wnb

Eekhoorn

paragraaf 3.3.Wnb

(onderdeel van) j a leefgebied, migratieroute en foerageergebied (onderdeel van) ja leefgebied

mogelijk

bij kap houtwal nader onderzoek uit laten voeren

mogelijk

werken volgens gedragscode en met ecoloog

De bestaande bomen en houtwallen in het plangebied zullen grotendeels behouden blijven. Slechts enkele bomen dienen te worden gekapt en op een enkele plaats zal de houtwal verwijderd worden voor de uitvoering van de plannen. Omdat de locatie van de te verwijderen bomen en houtwal momenteel nog niet volledig vastligt, zal nader onderzoek uitgevoerd worden naar vleermuizen en kleine marterachtigen. Het onderzoek naar vleermuizen dient te worden uitgevoerd tussen 15 mei en 30 september. Het onderzoek naar kleine marterachtigen dient te worden uitgevoerd tussen maart en augustus. Indien blijkt dat verblijfplaatsen voor vleermuizen aanwezig zijn, of kleine marterachtigen binnen het plangebied aanwezig zijn, dient vooraf aan de werkzaamheden een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd bij de provincie Noord- Brabant. Naar aanleiding van het Flora en Fauna onderzoek is er door Staro vervolgonderzoek gedaan, zie hiervoor Bijlage 13. Aangezien de ruimtelijke situatie in de omgeving vanaf het moment van uitvoering van dit onderzoek tot op heden niet noemenswaardig is veranderd, kan worden gesteld dat ook dit onderzoek nogsteeds representatief is voor de huidige situatie.

Hierin is het volgende geconcludeerd: Op basis van het soortgericht onderzoek naar de aan- of afwezigheid van vleermuizen, kleine marterachtigen, eekhoorn en buizerd en mogelijke negatieve effecten door uitvoering van voorgenomen plannen op deze soorten, kan het volgende worden geconcludeerd: De centraal gelegen houtwal in het plangebied is onderdeel van een vliegroute voor gewone dwergvleermuis en laatvlieger. De houtwal blijft grotendeels behouden, op de realisatie van een opening voor het aanleggen van een weg na. Door het opvolgen van de benoemde eisen waarbij de houtwal behouden blijft als vliegroute met een hop-over worden negatieve effecten op vleermuizen voorkomen en daarmee zijn de voorgenomen plannen niet ontheffingsplichtig en wordt overtreding met de Wet natuurbescherming voorkomen. Indien de eisen niet nageleefd kunnen worden, dient alsnog een ontheffing op de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. Onderdeel van de ontheffing is een activiteitenplan, waarin mitigerende of compenserende maatregelen beschreven worden; de centraal gelegen houtwal in het plangebied is onderdeel van het leefgebied van steenmarter en vormt een deel van een migratieroute, de takkenhoop in de houtwal is vermoedelijk een rustplek. Ondanks de voorgenomen plannen kan de houtwal blijven functioneren als leefgebied en migratieroute.

Wanneer de takkenhoop wordt behouden, blijft de rustplek aanwezig. De verstoring die optreedt als gevolg van werkzaamheden heeft geen negatieve effecten op steenmarter tot gevolg. Een ontheffing van de Wet natuurbescherming is zodoende niet nodig. Met het nemen van mitigerende maatregelen wordt verstoring zoveel mogelijk beperkt en wordt het leefgebied verbeterd; tijdens het veldbezoek zijn geen waarnemingen gedaan van eekhoorns of eekhoornsporen. De aanwezigheid van eekhoorn(nesten) is uitgesloten. Overtreding van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde ten aanzien van eekhoorn. tijdens de veldbezoeken is geen activiteit van buizerd of andere roofvogels in en rondom het grote nest waargenomen. Het nest is tevens niet verder uitgebouwd. De aanwezigheid van een actief jaarrond beschermd nest van buizerd is uitgesloten. Overtreding van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde ten aanzien van buizerd of een andere vogel met een jaarrond beschermd nest; gedurende de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden is de naleving van de algemene zorgplicht ten alle tijden verplicht. Aanwezige dieren moeten de mogelijkheid krijgen te vluchten. Kappen van bomen en struiken wordt uitgevoerd buiten het broedseizoen van vogels.

74

bestemmingsplan Ommel Kluizendries-Kluisstraat 2022

In het planvoornemen wordt rekening gehouden met de hierboven beschreven maatregelen. Deze zijn geborgd in het landschapsplan, dat middels een voorwaardelijke verplichting is geborgd in de regels. Tevens is voor het beoogde planvoornemen een Boom Effect Analyse (BEA) uitgevoerd (zie Bijlage 11 Boom Effect Analyse). Hierin staan onder andere advies en randvoorwaarden voor het werken binnen de kwetsbare zone van de te handhaven bomen (kroonprojectie + 1,5m). Deze adviezen en randvoorwaarden zijn navolgend opgenomen: Voor aanvang van de werkzaamheden dient de aannemer een werkplan op te stellen, met daarin de goedgekeurde uitwerking van de randvoorwaarden; Op basis van het werkplan kunnen aanvullende boom beschermde maatregelen benodigd zijn, deze dienen te worden uitgewerkt in een boombeschermingsplan. De verdichting dient op verschillende intervallen te worden gemonitord, het interval dient op basis van de werkplanning te worden vastgesteld en dient te worden vastgelegd in het boombeschermingsplan. Bij verwijdering van wortels dienen deze recht afgesnoeid te worden, ter bevordering van het herstel. Bij uitzondering is het toegestaan om wortels Ø>4cm te verwijderen, dit dient te allen tijde te worden uitgevoerd onder toezicht van een boomtechnisch toezichthouder.

Het heeft altijd de voorkeur om wortels Ø>4cm te behouden; Verwijdering van stabiliteitswortels is niet toegestaan; Benodigde snoei van (laaghangende) takken dient uitgevoerd te worden door en naar inzicht van een gediplomeerde boomverzorger (ETW’er) en beperkt zich tot takken Ø<5cm of gesteltakken niet dikker dan ½ van de stamdiameter op snoeihoogte; Graven rondom de bomen dient uitgevoerd te worden met klein, licht materieel. Hierbij dient van de boom afgegraven te worden; Bij machinaal graven binnen de kroonprojectie dient handmatig voorgestoken te worden met een spade; Bij machinaal werken binnen de kroonprojectie dient te allen tijde schade aan de kroon voorkomen te worden; Verplaatsing van groot materieel (c.q. graafmachines) bij bomen dient uitgevoerd te worden met de giek omlaag. Bij de realisatie van de beoogde woningen zal rekening gehouden worden met deze adviezen en randvoorwaarden. Ook zal op de bestemmingsplanverbeelding, ter hoogte van bomen 13 t/m 18, de aanduiding 'overige zone - behoudenswaardige boom' worden toegevoegd. Binnen deze aanduiding zal het bouwen van gebouwen of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet toe worden gestaan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Asten&id=8eba46cd-8b41-44ef-9232-a93a83ccf229