CConstaterende datAsten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Motivering BOPA Voorste Heusden 49

Gemeenteraad 27 januari 2026, gemeente AstenBij agendapunt: Adviesrecht BOPA, het realiseren van 6 woningen op het perceel Voorste Heusden 49 te Heusden (hamerstuk)20.465 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Motivering Voorste Heusden 49 Heusden

31

CRI240169.003/BGO

4.3.1.5 Uitgangspunten weging van het waterbelang waterschap Aa en Maas Het Waterschap Aa en Maas hanteert navolgende principes bij ruimtelijke ontwikkelingen: - gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater; - doorlopen van de afwegingsstappen: ‘hergebruik-infiltratie-buffering-afvoer’; - hydrologisch neutraal bouwen; - water als kans; - meervoudig ruimtegebruik; - voorkomen van vervuiling; - wateroverlastvrij bestemmen; - waterschapsbelangen. 4.3.1.6 Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2025 De gemeenteraad heeft op 8 december 2020 conform artikel 4.22 van de Wet Milieubeheer het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) gemeente Asten 2021-2025 vastgesteld. Met het GRP geeft de gemeente invulling aan een duurzame inzameling en verwerking van afvalwater, hemelwater en overtollig grondwater en een duurzaam beheer van het gemeentelijk rioolstelsel. Elke nieuwe ontwikkeling dient te worden getoetst aan het Gemeentelijk Rioleringsplan. Voor alle uitbreidingslocaties geldt dat de waterberging binnen het plan moet worden gerealiseerd. In het bestemmingsplan 'Asten Verzamelplan 2019 - 2' is vastgesteld dat alle regels vanuit het GRP van toepassing zijn op het hele grondgebied van de gemeente Asten. Het realiseren van waterberging wordt afgedwongen via het bestemmingsplan, van rechtswege het tijdelijk omgevingsplan.

De gemeente Asten streeft naar robuuste watersystemen, waarbij het hemelwater bij voorkeur bovengronds wordt geïnfiltreerd in de bodem. Indien sprake is van een uitbreiding van het verhard oppervlak groter is dan 90 m², dient ook bij verbouw en uitbreiding een waterbergingsvoorziening van 60 mm over de toename van het verhard oppervlak te worden aangebracht op eigen terrein, mits technisch haalbaar. 4.3.2

Toets

4.3.2.1 Beschrijving watersysteem In de direct omgeving van de besluitlocatie zijn geen watergangen aanwezig, die worden beheerd door het waterschap. In de direct omgeving zijn geen sloten aanwezig. De besluitlocatie is niet gelegen in een attentie- of beschermd gebied in het kader van de waterhuishouding. Binnen de besluitlocatie bestaat de bodem uit hoge zwarte enkeerdgronden (zEZ21). Omdat de locatie binnen bestaand stedelijk gebied ligt, zijn sommige gegevens van de locatie niet beschikbaar. De volgende gegevens zijn afkomstig van nabijgelegen gronden ten noordoosten van de besluitlocatie. Er is sprake van grondwatertrap VII. De Gemiddeld Hoogste Grondwatertrap ligt op circa 100 cm onder het maaiveld. Navolgende figuur geeft een uitsnede van de leggerkaart, waarop de ligging van het besluitgebied in een rode belijning is aangeduid.

Motivering Voorste Heusden 49 Heusden

32

CRI240169.003/BGO

Figuur 18: Uitsnede Legger Waterschap Aa en Maas met globale ligging besluitlocatie rood omlijnd

4.3.2.2 Beschrijving huidige en toekomstige situatie De besluitlocatie heeft een grootte van circa 3.610 m2. Er zijn heden drie gebouwen van in totaal 150 m2 aanwezig op locatie. Ter plaatse van de moestuintjes zijn tevens enkele bouwwerken/ overkappingen aanwezig met een geschat oppervlakte van in totaal 50 m2. De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van zes levensloopbestendige woningen met bijbehorende verhardingen. Tevens wordt een nieuwe inrit op de Voorste Heusden gerealiseerd. De oostzijde van de besluitlocatie wordt ingericht als wadi. De ontwikkeling voorziet in een verhardingstoename. 4.3.2.3 Hemelwaterinfiltratievoorziening Er wordt geen bebouwing opgericht binnen een beschermingszone van een (primaire watergang en er is geen oppervlaktewater aanwezig binnen de besluitlocatie). Er is met de beoogde ontwikkeling sprake van een toename van het verhard oppervlak. Hemelwater dient te worden afgekoppeld en verwerkt op eigen terrein. Daarvoor is sprake van een waterbergingsvereiste van 0,06 m3 per m2 verharding. Navolgende figuur geeft de omvang van de verharding en watering weer.

Motivering Voorste Heusden 49 Heusden

33

CRI240169.003/BGO

Tabel 1: Omvang verharding en hemelwaterinfiltratie

Deze waterberging wordt gerealiseerd in een wadi binnen de besluitlocatie. De uitwerking van de wadi maakt onderdeel uit van de tekeningen bij de bouwaanvraag. Geborgd wordt dat voldoende hemelwaterinfiltratie aanwezig is voor de berging van het verhard oppervlak voor de zes woningen met bijbehorende erfverharding binnen dit plan. De besluitlocatie ligt binnen stedelijk gebied. De beoogde woningen worden aangesloten op de bestaande riolering. Het afvalwater wordt op doelmatige wijze afgevoerd via de riolering. 4.3.3

Conclusie Gelet op de toets in deze paragraaf vormt het aspect water geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Motivering Voorste Heusden 49 Heusden

34

CRI240169.003/BGO

4.4

Luchtkwaliteit

4.4.1

Wettelijk kader De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). De gemeente Asten is door het Rijk aangewezen als een aandachtsgebied voor fijnstof (PM10). Soms wordt hier een Rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een Rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. De vergunningverlener beoordeelt een aanvraag op het effect op de luchtkwaliteit in de leefomgeving. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Bal moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied.

Dit betekent dat een gemeente een initiatief soms moet toetsen aan de omgevingswaarden in een nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat dan om een locatie van een initiatief dat zelf buiten het aandachtsgebied ligt. Dit kan nodig zijn bij activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben. Denk aan extra verkeer of bedrijfsemissies. De vergunningverlener toetst aan de omgevingswaarden, tenzij de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Bkl. Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten heeft het Rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze gaan over: - beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de Rijksomgevingswaarden; - ammoniakemissies van veehouderijen; - geologische opslag van CO2. Soms heeft de gemeente in een eerdere fase (toelaten van bedrijven in het omgevingsplan) al getoetst of het omgevingsplan voldoet aan de luchtkwaliteitsregels. Een dergelijke ‘voortoets’ is verplicht als het omgevingsplan in een aandachtsgebied ligt.

Bij de daadwerkelijke aanvraag van een omgevingsvergunning moet het bevoegd gezag vervolgens beoordelen of deze aanvraag voldoet aan de luchtkwaliteitseisen. NB: In Asten gelden strengere regels voor luchtkwaliteit ten aanzien van veehouderijen.

4.4.2

Toets Binnen de besluitlocatie is sprake van de realisatie van zes levensloopbestendige woningen. Er is geen sprake van een uitgezonderde locatie. De luchtkwaliteit dient daarmee te worden beoordeeld. Er gelden de volgende grenswaarden voor fijnstof: - de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 µg/m³.

Motivering Voorste Heusden 49 Heusden

35

CRI240169.003/BGO

-

de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM10 is 50 µg/m³. De concentratie fijnstof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde. de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 µg/m³.

Navolgende figuren betreffen uitsneden van de kaarten met de waarden voor fijnstof voor de besluitlocatie en de omgeving hiervan.

Figuur 19: Uitsnede kaart met fijnstof PM10 (RIVM, 2024)

Figuur 20: Uitsnede kaart met fijnstof PM2,5 (RIVM, 2022)

Binnen de besluitlocatie is sprake van jaargemiddelde concentratie PM10 van 16 µg/m³. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt 9 µg/m³. Hiermee is geen sprake van overschrijding van de wettelijke waarden. De realisatie van dit plan is in het kader van fijnstof geen bezwaar. De Europese richtlijn luchtkwaliteit geeft de volgende grenswaarde voor stikstofdioxide: - de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van NO2 is 40 µg/m³.

Motivering Voorste Heusden 49 Heusden

36

CRI240169.003/BGO

Navolgende figuur betreft een uitsnede van de kaart met de waarden voor stikstofdioxide voor de besluitlocatie en de omgeving hiervan.

Figuur 21: Uitsnede kaart met stikstofdioxide NO2 (RIVM, 2022)

Binnen de besluitlocatie is sprake van jaargemiddelde concentratie NO2 van 26 µg/m³. Hiermee is geen sprake van overschrijding van de wettelijke waarde. De realisatie van dit plan is in het kader van stikstofdioxide geen bezwaar. De drempelwaarde voor een toets aan Niet In Betekenende Mate Bijdragen (NIBM) aan de luchtkwaliteit bedraagt een omvang van 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg. De ontwikkeling bestaat uit de realisatie van zes levensloopbestendige woningen. Derhalve kan worden gesteld dat dit plan onder het begrip ‘niet in betekende mate’ valt en in het kader van de uitstoot van schadelijke stoffen geen bezwaar is. 4.4.3

Conclusie Gelet op de toets in deze paragraaf vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor dit plan.

Motivering Voorste Heusden 49 Heusden

37

CRI240169.003/BGO

4.5

Geluid

4.5.1

Wettelijk kader Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. Ook zijn direct werkende regels in de bruidsschat opgenomen. Dit zijn de regels voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit. In de bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden). In het bkl staan vergelijkbare regels. Bij bopa waar geluidsregels relevant zijn, moeten deze in overeenstemming worden gebracht met het Bkl. De instructieregels uit afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving.

Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Het rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’.

4.5.2

Toets De ontwikkeling voorziet in de realisatie van zes woningen aan een nieuw te realiseren ontsluitingsweg. Een woning betreft een geluidgevoelig gebouw. De woningen worden in de nabijheid van gebiedsontsluitingsweg Voorste Heusden gerealiseerd. Om aan te tonen dat ter plekke van de zes beoogde geluidgevoelige gebouwen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, is door Aelmans een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Dit onderzoek met datum 7 februari 2025 en rapportnummer ROM240169.001.002/JME is bijgevoegd in de bijlagen. De resultaten van het onderzoek zijn hieronder samengevat. Uit de toets naar de gevelbelasting blijkt dat de standaardwaarde op geen enkele gevel wordt overschreden. De grenswaarde wordt niet overschreden. Maatregelen om het geluid te reduceren tot de standaardwaarde stuiten op bezwaren van diversen aard. Navolgende figuur geeft een tabel met de geluidbelasting weer.

Motivering Voorste Heusden 49 Heusden

38

CRI240169.003/BGO

Tabel 2: Conclusie gevelbelasting

Navolgende tabel geeft de resultaten op de gevels weer.

Tabel 3: Resultaten op de gevels ten gevolge van gemeentewegen

Omdat het gezamenlijk geluid hoger is dan 53 dB dient er een nader onderzoek te worden uitgevoerd ter bepaling van de geluidwering van de gevel. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen (conform dat nader onderzoek) is een binnenniveau van 33 dB en daarmee een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd. Navolgende figuur geeft een beeld van de conclusies karakteristieke geluidwering van de gevel.

Tabel 4: Conclusies karakteristieke geluidwering van de gevel

4.5.3

Conclusie Uit onderzoek blijkt dat dit plan aanvaardbaar is in het kader van geluid.

Motivering Voorste Heusden 49 Heusden

39

CRI240169.003/BGO

4.6

Trillingen

4.6.1

Wettelijk kader Het onderdeel Trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 van de Bruidsschat en 5.87a van het Bkl.

4.6.2

Onderzoek De beoogde ontwikkeling voorziet in de sloop van drie bijgebouwen en de realisatie van zes levensloopbestendige woningen. Er is hierbij in de gebruiksfase geen sprake van continue trillingen of herhaald voorkomende trillingen.

4.6.3

Conclusie Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor dit plan.

Motivering Voorste Heusden 49 Heusden

40

CRI240169.003/BGO

4.7

Bodem

4.7.1

Wettelijk kader Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving: - regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerksvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2); - regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22Bal); - regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4) - maatwerkregels over het saneren van de bodem in het zinkassengebied De Kempen, (paragraaf 2.3.6a.5). Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik.

Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodemen grondwaterkwaliteit.

4.7.2

Toets De gronden binnen de besluitlocatie zijn op basis van het omgevingsplan gemeente Asten bestemd met een woonfunctie. Voor toevoegen van zes woningen is door SILT een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek met datum 29 januari 2025 en projectnummer 2402782 behoort als bijlage bij deze motivering. De conclusies uit dit onderzoek zijn hierna opgenomen. Conclusies Algemeen De bodem op de locatie bestaat tot de verkende diepte van 3,0 m-mv overwegend uit matig tot zeer fijn, matig siltig zand. Met name de bovengrond is humushoudend. In de uitkomende grond zijn geen waarnemingen gedaan die duiden op de mogelijke aanwezigheid van verontreinigende stoffen in de bodem. Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden is geen aanvullende informatie naar voren gekomen welke tot een aanpassing van de boorstrategie heeft geleid. Grond In het zintuiglijk niet verontreinigde grondmengmonster MM01 (bovengrond) zijn analytisch verhoogde gehaltes aan cadmium en PAK aangetoond. In het zintuiglijk niet verontreinigde grondmengmonster MM02 (bovengrond) is analytisch een verhoogd gehalte aan cadmium aangetoond. In het zintuiglijk niet verontreinigde grondmengmonster MM03 (bovengrond) zijn analytisch verhoogde gehaltes aan cadmium en kwik aangetoond. De gehaltes overschrijden de interventiewaarde niet. De kwaliteitsklasse van de bovengrond betreft maximaal Industrie.

Motivering Voorste Heusden 49 Heusden

41

CRI240169.003/BGO

In het zintuiglijk niet verontreinigde grondmengmonster MM04 (ondergrond) zijn analytisch geen verhoogde gehaltes aangetoond. Allen liggen onder de interventiewaarde. De kwaliteitsklasse van de ondergrond betreft Landbouw/Natuur. Grondwater In het grondwater uit peilbuis PB01 zijn analytisch licht verhoogde concentraties aan barium, kwik, nikkel en zink aangetoond. Deze concentraties overschrijden de streefwaarden doch niet de interventiewaarden. Tevens is in dit grondwatermonster analytisch een sterk verhoogde concentratie aan koper aangetoond, welke de interventiewaarde overschrijdt. In het grondwater uit peilbuis PB01 van de herbemonstering is analytisch een sterk verhoogde concentratie aan koper aangetoond, welke de interventiewaarde overschrijdt. Het eerder aangetoonde resultaat wordt hierbij bevestigd. Formeel gezien is de bodem op de locatie niet geheel vrij van bodemverontreiniging en is een nader bodemonderzoek noodzakelijk naar het voorkomen van met name koper in het grondwater. Dit wordt echter niet zinvol geacht en wel om de navolgende redenen: - in de vaste bodem wordt geen verhoogd gehalte aan koper aangetoond.

Er zal derhalve geen sprake zijn van een bron op de locatie die in verband kan worden gebracht met de aangetoonde verontreiniging; - het filter van de peilbuis is direct geplaatst onder de bodemlaag, waarin van nature metalen in verhoogde mate worden aangetroffen, als gevolg van natuurlijke uitloging. Er is een risicobeoordeling uitgevoerd middels de Risicotoolbox Bodem van het RIVM. Uitgangspunt is hierbij wonen met tuin. Hierbij zijn de hoogst gemeten waarden ingevoerd. Uit de beoordeling middels de Risicotoolbox Bodem (stap1) blijkt het volgende: - de signaleringsparameter grondwater wordt overschreden; - bij drinkwater publiek zijn er mogelijk onaanvaardbare risico’s aanwezig; - voor wat betreft ecologie zijn er mogelijk onaanvaardbare risico’s aanwezig; - voor wat betreft dynamische situatie zijn er mogelijk onaanvaardbare risico’s aanwezig; - voor het overige zijn er geen risico’s aanwezig. Asbest in grond In het kader van dit onderzoek is geen specifiek onderzoek (conform NEN5707) verricht naar het voorkomen van asbest in de grond en op het maaiveld. Wel heeft een indicatieve inspectie van het terrein plaatsgevonden. In de vrijkomende grond en op het maaiveld zijn geen asbestverdachte materialen en/of bijmengingen aangetroffen. Het voorliggende onderzoek doet echter geen bindende uitspraak over de aan- of afwezigheid van asbest in de bodem binnen de onderzoekslocatie.

Toetsing hypothese De hypothese ‘heterogeen diffuus verdacht’ kan op basis van de resultaten, een sterk verhoogde concentratie in het grondwater, worden aanvaard. Nader bodemonderzoek Op basis van voornoemde samenvatting en conclusies is nader bodemonderzoek vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien niet aan de orde.

Motivering Voorste Heusden 49 Heusden

42

CRI240169.003/BGO

Resumé en aanbevelingen Middels het bodemonderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater vastgelegd. Op basis van de bevindingen uit het bodemonderzoek zijn er vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen c.q. beperkingen voor de voorgenomen ontwikkeling op deze locatie. Wanneer men grond van de locatie wil afvoeren dient men rekening te houden met afzetkosten. Een acceptant van de grond kan een aanvullend onderzoek eisen (lees partijkeuring). 4.7.3

Conclusie Gelet op uit uitgevoerde bodemonderzoek vormt het aspect bodem geen belemmering voor dit plan.

Motivering Voorste Heusden 49 Heusden

43

CRI240169.003/BGO

4.8

Geur

4.8.1

Wettelijk kader Er bestaan diverse sectoren waar geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb’s. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: - geur door het houden van landbouwhuisdieren en voor het berijden van paarden en pony’s in een dierenverblijf (paragraaf 22.3.6.2 BS); - geur door het houden van fokteven van nertsen (paragraaf 22.3.6.3 BS); - geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (paragraaf 22.3.6.4 BS); - geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (paragraaf 22.3.6.5 BS). Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het Bal.

In afdeling 8.5 ‘Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit’ van het Bkl staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels.

4.8.2

Toets Toetsgrond Als vuistregel voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder, als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. Tevens dient voldaan te worden aan de aan te houden vaste afstanden van bedrijven tot toe te voegen gevoelige functies. Voorgrondbelasting De besluitlocatie is gelegen in het stedelijk gebied van Heusden. In de kern Heusden zijn geen veehouderijen aanwezig. In het kader van hinder van geur is de achtergrondbelasting leidend. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de kaart met de ligging van veehouderijen ten opzichte van de besluitlocatie.

Motivering Voorste Heusden 49 Heusden

44

CRI240169.003/BGO

Besluitlocatie

Figuur 22: Kaart met ligging van veehouderijlocaties ten opzichte van de besluitlocatie

Achtergrondbelasting De geurbelasting ten gevolge van meerdere intensieve veehouderijen in de omgeving vormt de achtergrondbelasting. Navolgende figuur betreft een kaart met de uitkomst van de berekening van de achtergrondbelasting innen het besluitgebied.

Figuur 23: Kaart met achtergrondbelasting waarop de besluitlocatie in paars is aangeduid

Binnen de besluitlocatie is sprake van een achtergrondbelasting van 9,4 ouE/m3. Hiermee is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Motivering Voorste Heusden 49 Heusden

45

CRI240169.003/BGO

Belangen veehouderijen Tussen omliggende veehouderijen en de beoogde woningen binnen de besluitlocatie zijn reeds bestaande woningen aanwezig. Omliggende veehouderijen worden niet in hun bedrijfsvoering beperkt. 4.8.3

Conclusie Gelet op bovenstaande vormt het aspect geur geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Motivering Voorste Heusden 49 Heusden

46

CRI240169.003/BGO

4.9

Cultureel erfgoed en landschappelijke waarden

4.9.1

Wettelijk kader De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteiten en het verplaatsen van gebouwde monumenten. De archeologische waarden zijn doorvertaald in archeologische dubbelbestemmingen. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.

4.9.2

Toets

4.9.2.1 Archeologie Op basis van het bestemmingsplan ‘Heusden’, onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan gemeente Asten, is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ van toepassing op de besluitlocatie. Aan de voorzijde van de besluitlocatie geldt de functieaanduiding ‘specifieke vorm van waarde-archeologie categorie 5’ en aan de achterzijde geldt de functieaanduiding ‘specifieke vorm van waarde-archeologie categorie 3/4’. Navolgende figuur geeft een uitsnede van de kaart met de archeologische verwachtingswaarden binnen de besluitlocatie. De besluitlocatie is hierop in een rode belijning opgenomen.

Figuur 24: Kaart met archeologische waarden en verwachtingswaarden binnen de besluitlocatie (met een rode belijning aangeduid)

Het zwaarste beschermingsniveau (zoals geborgd in de functieaanduidingen) moet in dit geval gehanteerd worden. Met dit plan is sprake van bodemingrepen van meer dan 250 m² én dieper dan

Motivering Voorste Heusden 49 Heusden

47

CRI240169.003/BGO

40 cm onder het maaiveld. Derhalve is archeologisch onderzoek uitgevoerd om aan te tonen dat de archeologische waarde van het terrein in voldoende mate is vastgesteld. Dit onderzoek, uitgevoerd door KSP Archeologie met datum 22 augustus 2025 en rapportnummer 2542-7490 behoort als bijlage bij deze motivering. De resultaten zijn hierna samengevat opgenomen. Conclusie Op de gemeentelijke archeologische waarden- en verwachtingenkaart is aan het besluitgebied een middelhoge archeologische verwachting toegekend en ligt de westrand van het besluitgebied net binnen de zone van een archeologische waardevol dorpskern. Naar aanleiding van de resultaten van het bureauonderzoek is deze verwachting nader gespecificeerd per periode/bijgesteld. Op basis van de landschappelijke ligging binnen een zone met dekzandwelvingen en de archeologische onderzoeksmeldingen uit de omgeving is aan het besluitgebied een middelhoge verwachting toegekend voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum als voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw). Voor de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd (tot in de 19e eeuw) is op basis van de historische ontwikkeling een lage verwachting aan het besluitgebied toegekend.

Voor de periode vanaf de 19e eeuw geldt een hoge verwachting voor het westelijke uiteinde, die in onze ogen weinig toevoegt aan de bestaande archeologische kennis van het gebied op grond van het historisch kaartmateriaal. Vervolgens is deze verwachting getoetst door middel van een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase. Uit het booronderzoek is gebleken dat de verwachte zwarte enkeergrond met daaronder eventueel nog resten van de oorspronkelijke podzolbodem niet aanwezig was. De bodem bestaat uit een Ap-horizont met daaronder een verploegd/vergraven horizont die rust op het dekzand van de C-horizont. Op grond van de hoogteligging van het terrein, laag gelegen, de ondiepe grondwaterstand, de verploegde/vergraven laag die het oorspronkelijke maaiveld vormde en het daarna opgebracht humeuze dek, wordt geconcludeerd dat het terrein is afgegraven ten behoeve van de zandwinning. Hoeveel zand er precies is afgegraven blijft onduidelijk, maar geschat wordt dat er minimaal 50 tot maximaal 100 cm is afgegraven. Dit betekent dat het grootste deel van het potentiële archeologische niveau is afgegraven en dat het eventuele restant ervan, voor zover dit nog aanwezig is, kan worden aangetroffen tussen 40-80 cm -mv.

Aangezien de oorspronkelijke bodem is verdwenen en het gehele besluitgebied is afgegraven wordt de kans klein geacht dat binnen het besluitgebied een nog resten van archeologische vindplaatsen aanwezig zijn. Daarom wordt de middelhoge verwachting voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum als voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) naar laag bijgesteld. Voor de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd (tot in de 19e eeuw) blijft de lage verwachting gehandhaafd en de hoge verwachting voor de periode vanaf de 19e eeuw wordt bijgesteld naar laag.. Een waardestelling conform protocol 4003, VS06 is niet van toepassing, omdat het onderzoek geen waarderend karakter heeft. Beantwoording van de onderzoeksvragen Wat is de opbouw van de ondergrond en is het bodemprofiel intact? De onverstoorde natuurlijke ondergrond bestaat uit zwak siltig zeer fijn zand en bevat vaak een lichte bijmenging met wat grovere zandkorrels en is aangetroffen vanaf 40-80 cm -mv. Het zand is geïnterpreteerd als dekzand

Motivering Voorste Heusden 49 Heusden

48

CRI240169.003/BGO

behorend tot het Laagpakket van Wierden van de Formatie van Boxtel. De lichte bijmenging met grovere zandkorrels duidt mogelijk op verspoeling van het dekzand of inwaaiing van grovere materiaal afkomstig van fluvioperiglaciale afzettingen. Het dekzand is, met uitzondering van boring 4, afgedekt door een verploegde/vergraven laag zand met een dikte van 30-50 cm bestaande uit de bouwvoor en de natuurlijke zandondergrond. Deze is weer afgedekt door een 30-45 cm dikke humeuze zandige bouwvoor. In boring 4 is het dekzand direct afgedekt door de bouwvoor.. De bodem bestond uit een 30-50 cm dikke humeuze zandige bouwvoor (Ap-horizont) met daaronder een mengsel van een verploegde/vergraven laag zand met een dikte van 30-50 cm bestaande uit de bouwvoor (Ap-horizont) en de natuurlijke zandondergrond (C-horizont). In boring 4 lag de Aphorizont, scherp begrensd, direct op de zandige C-horizont. Er is geen zwarte enkeerdgrond aangetroffen en ook geen resten van de oorspronkelijke podzolbodem.

Wat is de specifieke archeologische verwachting van het besluitgebied op basis van het bureauonderzoek en wordt deze door het veldonderzoek bevestigd? Op basis van het bureauonderzoek is vanwege de landschappelijke ligging van het besluitgebied binnen een zone met dekzandwelvingen en de archeologische onderzoeksmeldingen een middelhoge verwachting toegekend voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum als voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw). Voor de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd (tot in de 19e eeuw) is op basis van de historische ontwikkeling een lage verwachting aan het besluitgebied toegekend. Voor de periode vanaf de 19e eeuw geldt een hoge verwachting voor het westelijke uiteinde. Het booronderzoek heeft uitgewezen dat de verwachte zwarte enkeergrond met daaronder eventueel nog resten van de oorspronkelijke podzolbodem niet aanwezig was. De bodem bestaat uit een Aphorizont met daaronder een verploegd/vergraven horizont die rust op het dekzand van de C-horizont. Op grond van de hoogteligging van het terrein, laag gelegen, de ondiepe grondwaterstand, de verploegde/vergraven laag die het oorspronkelijke maaiveld vormde en het daarna opgebracht humeuze dek, wordt geconcludeerd dat het terrein is afgegraven ten behoeve van de zandwinning.

Hoeveel zand er precies is afgegraven blijft onduidelijk, maar geschat wordt dat er minimaal 50 tot maximaal 100 cm is afgegraven. In het licht van dit kader is het de vraag wat in dit geval nog de betekenis is van een potentieel archeologische niveau dan kan deze aangetroffen vanaf 40 cm -mv in boring 4 tot 80 cm -mv in boring 6. Aangezien de oorspronkelijke bodem is verdwenen en het besluitgebied is afgegraven wordt de kans klein geacht dat binnen het besluitgebied een nog resten van een archeologische vindplaats aanwezig zijn. Daarom is de middelhoge verwachting voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum als voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) naar laag bijgesteld. Voor de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd (tot in de 19e eeuw) blijft de lage verwachting gehandhaafd en de hoge verwachting voor de periode vanaf de 19e eeuw is bijgesteld naar laag. Is een (deels) intact potentieel niveau aanwezig en zo ja, op welke diepte en wordt deze bedreigd door de voorgenomen bodemingrepen? Hoeveel zand er precies is afgegraven blijft onduidelijk, maar geschat wordt dat er minimaal 50 tot maximaal 100 cm is afgegraven.

Dit betekent dat het grootste deel van het potentiële archeologische niveau is afgegraven en dat het eventuele restant ervan, voor zover dit nog aanwezig is, kan worden aangetroffen tussen 40-80 cm -mv. Daardoor is de kans klein dat er nog archeologische resten

Motivering Voorste Heusden 49 Heusden

49

CRI240169.003/BGO

aanwezig zijn. In onze ogen vormen de voorgenomen graafwerkzaamheden geen bedreiging voor het archeologische bodemarchief. Selectieadvies Op grond van de aangetroffen bodemverstoringen, geen enkeerdgrond en ook geen podzolbodem aanwezig, doordat het gehele besluitgebied minimaal 50 tot maximaal 100 cm is afgegraven en daarmee lage archeologische verwachting heeft, adviseert KSP Archeologie om de archeologische dubbelbestemming te laten vervallen en geen archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren. Bovenstaand advies vormt een zogenaamd selectieadvies. Dit selectieadvies betekent nog niet dat reeds bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. De resultaten van dit onderzoek zullen namelijk eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Asten), die vervolgens een selectiebesluit neemt. Het uitgevoerde onderzoek is op zorgvuldige wijze verricht volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden. Het onderzoek is erop gericht om de kans op het aantreffen dan wel vernietigen van archeologische waarden bij bouwwerkzaamheden in het besluitgebied te verkleinen. Aangezien het onderzoek is uitgevoerd door middel van een steekproef kan echter, op basis van de onderzoeksresultaten, de aan- of afwezigheid van eventuele archeologische waarden niet met zekerheid gegarandeerd worden.

Indien bij graafwerkzaamheden archeologische waarden worden aangetroffen, dienen deze conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10, gemeld te worden. 4.9.2.2 Cultuurhistorie Omgeving De besluitlocatie is gelegen in de kern van Heusden. Heusden is ontstaan uit de vier gehuchten ‘Voorste Heusden’, ‘Middelste Heusden’, de ‘Achterste Heusden’ en ‘Behelp’. Deze gehuchten lagen langs een oude zandbaan dwars door de Peel naar Nederweert. De aanwezigheid van de kasteelruïne in het buitengebied wijst erop dat Heusden een zeer oud gehucht moet zijn geweest. Navolgende figuur geeft een beeld van de ligging van de besluitlocatie binnen de omgeving in de periode rond circa 1900. De besluitlocatie was destijds al bebouwd aan de weg. Besluitlocatie

Figuur 25: Uitsnede historische atlas met de ligging van de besluitlocatie aangeduid, circa 1900

Motivering Voorste Heusden 49 Heusden

50

CRI240169.003/BGO

Als kerkdorp is Heusden ontstaan in 1921 toen de Heusdense kerk werd gebouwd. De voornaamste wegen waren de Voorste Heusden en de Antoniusstraat, de wegen van Asten naar Nederweert. De tracés van de Voorste Heusden, Polderweg, Patrijsstraat, Antoniusstraat, Heistraat, „t-Hoekske, de Bosweg, Waardjesweg, Heikamperweg, Slobeendweg, Behelp en Korhoenweg zijn nog duidelijk herkenbaar in het landschap. Vanuit het hart, het Vorstermansplein, is de kern in ringen gegroeid. De bebouwing aan de Vlinkert, Pastoor Arnoldstraat stamt uit de zestiger en begin zeventiger jaren. Even later is de bebouwing aan de Heistraat gerealiseerd. Navolgende figuren betreffen uitsneden uit de historische atlas uit circa 1975 waarop de besluitlocatie is aangeduid Besluitlocatie

Figuur 26: Uitsnede historische atlas met de ligging van de besluitlocatie aangeduid, circa 1975

Na 1970 is de bebouwing in Heusden flink uitgebreid en is het dorp uitgegroeid tot een dorp met de kern rond het Vorstermansplein. Rondom Heusden zijn grootschalige glastuinbouwbedrijven gelegen. Navolgende figuur betreft een topografische kaart van Heusden in de huidige situatie. Besluitlocatie

Figuur 27: Topografische kaart met ligging van de besluitlocatie in de kern Heusden

De kom Heusden is gelegen aan de Voorste Heusden en Meijelseweg. In noordelijke richting sluit de Voorste Heusden aan op de kern Asten. In zuidelijke richting is Heusden gelegen aan de verbindingsweg tussen Someren(-Eind) en Neerkant. Uiteindelijk komen alle wegen uit op de verkeersvierhoek. De weg Voorste Heusden betreft een cultuurhistorisch waardevol element. Deze weg is aangeduid als een cultuurhistorische redelijk hoog lijnelement. In de directe omgeving van de besluitlocatie zijn geen andere cultuurhistorisch waardevolle objecten of elementen gelegen. De

Motivering Voorste Heusden 49 Heusden

51

CRI240169.003/BGO

voormalige school aan Vorstermansplein 10-12 is aangewezen als Rijksmonument. De kerk en de pastorie aan Vorstermansplein 14 en 16 zijn aangewezen als gemeentelijk monument. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de cultuurhistorische waardenkaart, waarop de ligging van de besluitlocatie is aangeduid.

Besluitlocatie

Figuur 28: Kaart met beeld van cultuurhistorische waarden in de omgeving van de besluitlocatie

Met deze ontwikkeling wordt een inrit aan deze weg gerealiseerd. Er vindt geen afbreuk aan de cultuurhistorische waarden van de weg plaats. De besluitlocatie is niet voorzien nabij een te beschermen boom binnen de kern Heusden. De Voorste Heusden is wel gelegen aan de hoofdstructuur. De groenhoofdstructuur wordt gevormd door groen met een wijkoverschrijdende functie. Zowel groen dat nu beeldbepalend is, als groen dat dit in de toekomst kan worden, behoort tot deze categorie. Deze structuur bestaat uit een netwerk van groen in lijnvormige elementen, grote clusters of op bijzondere plekken, veelal in eigendom van de gemeente. De structuur is belangrijk voor het totaalbeeld van de gemeente, ofwel belangrijk op dorpsniveau. Navolgende figuur geeft een uitsnede van de kaart uit het Groenstructuurplan, waarop de ligging van de besluitlocatie is aangeduid. Besluitlocatie

Figuur 29: Kaart met beeld van cultuurhistorische waarden in de omgeving van de besluitlocatie

Motivering Voorste Heusden 49 Heusden

52

CRI240169.003/BGO

Navolgende figuur geeft een beeld van het straatbeeld, de hoofdstructuur.

Besluitlocatie

Figuur 30: Luchtfoto obliek met straatbeeld hoofdstructuur, opname datum 4 april 2025

Besluitlocatie De voorzijde van de besluitlocatie heeft de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie’. De voor 'Waarde - Cultuurhistorie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede bestemd voor het behoud van ter plaatse bestaande cultuurhistorisch en oudheidkundige waardevolle elementen (karakteristieke panden) en patronen (beplantingspatronen, verkavelingen, wegenpatronen, het stedenbouwkundig beeld). Aan de Voorste Heusden aansluitend aan het besluitgebied liggen enkele karakteristieke gebouwen. Deze zijn in het bestemmingsplan opgenomen met een bouwaanduiding ‘karakteristiek’. Dit staat bij nr. 49-53 en 55. Dit plan heeft geen invloed op deze waarden. Er vinden geen werkzaamheden aan deze panden plaats. Met herinrichting van het besluitgebied wordt voor wat betreft beeldkwaliteit voor de woning aan de Voorste Heusden aangesloten bij de bebouwing aan Voorste Heusden. Met deze ontwikkeling worden de drie aanwezige stallen/bergingen op locatie gesloopt. Deze bebouwing is niet cultuurhistorisch waardevol. De ontwikkeling voorziet in de realisatie van zes woningen. De woning die wordt gerealiseerd aan het lint Voorste Heusden sluit voor wat betreft aard en schaal aan bij de verschijningsvorm van de woningen in de omgeving. Dit plan leidt niet tot aantasting van cultuurhistorische waarden binnen de besluitlocatie of de omgeving hiervan. 4.9.3

Conclusie Dit plan tast geen cultuurhistorische of landschappelijke waarden aan.

Motivering Voorste Heusden 49 Heusden

53

CRI240169.003/BGO

4.10

Ladder voor duurzame verstedelijking

4.10.1 Wettelijk kader De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Bkl regelt dat bij bopa voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Artikel 5.129g (zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand) 1. Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. 2. Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met: a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en b. als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. 3.

Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt tot het stedelijk gebied niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor: a. op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en b. nog geen toepassing is gegeven aan het tweede lid. 4. Als een omgevingsplan voorziet in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft die beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.10.2 Toets Dit plan voorziet in de realisatie van zes levensloopbestendige woningen binnen bestaand stedelijk gebied. Hiermee is op basis van jurisprudentie geen sprake van een stedelijke ontwikkeling in het kader van de ladder voor duurzame stedelijke ontwikkeling. 4.10.3 Conclusie De toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking is voor de beoogde ontwikkeling niet aan de orde.

Motivering Voorste Heusden 49 Heusden

54

CRI240169.003/BGO

4.11

Verkeer en parkeren

4.11.1 Wettelijk kader Primair is verkeersveiligheid geregeld in de weg- en verkeerswetgeving (onder andere Wegenverkeerswet). Deze regelgeving maakt geen deel uit van de Omgevingswet. Er dient getoetst te worden aan de richtlijnen ten aanzien van verkeer en parkeren in de nota parkeernormen en waar nodig de normen vanuit het CROW. De omgevingsvisie van de gemeente moet een visie op verkeer en vervoer op gemeentelijk niveau bevatten. De gemeente Asten heeft in haar visie aangegeven dat het gemeentelijk verkeers- en vervoersplan van kracht blijft. Het initiatief dient hieraan getoetst te worden. De parkeernormen van de gemeente zijn opgenomen in de Nota parkeernormen. 4.11.2 Toets 4.11.2.1 Verkeer Voor de beoogde ontwikkeling wordt een nieuwe inrit aan de Voorste Heusden gerealiseerd. De nieuwe woningen worden hierop ontsloten. De Voorste Heusden betreft ter plekke van de besluitlocatie een 30 km/h gezoneerde weg. De nieuwe inrit komt op een overzichtelijke plek te liggen waardoor de verkeersveiligheid is geborgd. De Voorste Heusden is een doorgaande ontsluitingsweg van en naar Heusden. Het verkeer dat de besluitlocatie verlaat, gaat direct op in het heersende verkeersbeeld. 4.11.2.2 Parkeren Op 28 juli 2016 heeft de gemeenteraad de Nota Parkeernormen 2016 vastgesteld.

Voor onderhavige ontwikkeling geldt een parkeernorm van 2,3 parkeerplaatsen per woning, waarvan 0,3 moeten worden gerealiseerd voor bezoekersparkeren. Dit resulteert in een parkeernorm van (4 x 2,3 = ) 9,2 parkeerplaatsen voor de vrijstaande woningen en (2 x 2,1 =) 4,2 parkeerplaatsen voor de aaneen gebouwde woningen), is 13,4 afgerond 14 parkeerplaatsen. Bij de woning is sprake van een dubbele oprit zonder garage, hiermee is sprake van 1,7 berekende parkeerplaatsen per woning. Hiermee is sprake van 6 x 1,7 parkeerplaatsen = 10,2 parkeerplaatsen. Daarnaast is sprake van 4 parkeerplaatsen binnen openbaar gebied. Binnen de besluitlocatie is hiermee sprake van 14,2 parkeerplaatsen. Er wordt voldaan aan de parkeernormen voor parkeren op eigen terrein inclusief bezoekersparkeren. 4.11.3 Conclusie Gelet op bovenstaande vormt het aspect verkeer geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Dit plan past binnen de regels voor verkeer en parkeren.

Motivering Voorste Heusden 49 Heusden

55

CRI240169.003/BGO

4.12

Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen

4.12.1 Wettelijk kader Op grond van artikel 5.162 van het Bkl wordt bij nieuwe ontwikkelingen met gevolgen voor de inrichting van de openbare buitenruimte rekening gehouden met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van die openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking. Voorliggend initiatief zal bij de nadere concrete uitwerking hiermee rekening houden. Te denken valt aan vorm en inrichting van voetpaden, trottoirs, oversteekplaatsen, parkeervoorzieningen, straatmeubilair (paaltjes, vuilnisbakken,…), halteplaatsen voor openbaar vervoer en de overbrugging van hoogteverschillen. Daarnaast zal goed moeten worden gekeken naar het plaatsen van reclames, uitstallingen en winkelwagentjes, allemaal potentiële ‘sta-in-de-wegs’ die niet alleen onpraktisch zijn, maar ook tot ongelukken kunnen leiden.

4.12.2 Toets De beoogde ontwikkeling heeft een beperkt gevolg op de inrichting van de openbare buitenruimte. Er wordt een nieuwe inrit aan de Voorste Heusden gerealiseerd. Bij de inrichting van de besluitlocatie worden geen potentiële sta-in-de-wegs mogelijk gemaakt. De toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen wordt bevorderd door realisatie van hemelwaterinfiltratie met een groene inpassing aan de achterzijde van de besluitlocatie. Er is een langzaamverkeersroute ter bevordering van het maken van een ommetje. 4.12.3 Conclusie Gelet op bovenstaande vormt het aspect bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Motivering Voorste Heusden 49 Heusden

56

CRI240169.003/BGO

4.13

Duurzaamheid en gezondheid

4.13.1 Wettelijk kader Toetsing aan de aspecten duurzaamheid en gezondheid is sterk afhankelijk van het gemeentelijk beleid op deze thema’s. Het beoordelingskader kan dus per gemeente sterk verschillen. Wel bevat de bruidsschat een artikel betreffende energiebetreffende maatregelen (art. 22.52). Daarnaast kan het gemeentelijk beleid ten aanzien van duurzaamheid en/of gezondheid in het omgevingsplan zijn vastgelegd in de vorm van omgevingswaarden. Nagegaan moet worden of hieraan toepassing is gegeven. Indien dit het geval is, dient het initiatief getoetst te worden aan deze omgevingswaarden. 4.13.2 Toets 4.13.2.1 Endotoxinen De intensieve veehouderijen dragen bij aan de emissies van fijnstof (PM10) in Nederland. Dit geëmitteerde fijnstof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit maken. Er zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld.

In april 2018 is tevens de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ uitgebracht. Hierbij wordt een advieswaarde van 30 EU/m³ aangehouden als advieswaarde voor de maximale blootstelling aan endotoxine. Bij deze advieswaarde kan ervan uitgegaan worden dat de gezondheid van omwonenden van veehouderijen wordt beschermd tegen een overmaat aan endotoxine. Het uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. In de direct omgeving van de besluitlocatie zijn geen veehouderijen gelegen. Aangenomen kan worden dat gezien de afstand tot omliggende geitenhouderij aan de advieswaarde van 30 EU/m3 wordt voldaan. 4.13.2.2 Geitenhouderijen Uit onderzoek blijkt dat mensen die wonen in de nabijheid van een geitenhouderij, meer dan gemiddeld kans hebben op een longontsteking. Totdat er meer duidelijkheid is over de oorzaak van longontstekingen in relatie tot geitenhouderijen en een integrale aanpak voorhanden is, adviseert de GGD het voorzorgsbeginsel toe te passen en terughoudend te zijn met de uitbreiding of nieuwvestiging van geitenhouderijen in de buurt van gevoelige functies. Andersom geldt ook dat geadviseerd wordt om terughoudend te zijn met het plaatsen van gevoelige functies in de buurt van bestaande geitenhouderijen.

Dat betekent dat gemeenten wordt geadviseerd om in hun besluitvorming de risico’s op longontsteking mee te wegen. Op basis van onderzoeksresultaten is het risico op longontsteking groter naarmate de afstand tot een geitenbedrijf kleiner is. De GGD-richtlijn hanteert daarom een richtafstand van 2 kilometer tussen geitenhouderijen en gevoelige functies. Uit de VGO-onderzoeken volgt dat in de nabijheid van een geitenhouderij (afstand variërend van 1,5 km tot 2 km) sprake is van een verhoogd risico op longontsteking, dat groter wordt naarmate de afstand tot de geitenhouderij kleiner wordt. Waarom iemand longontsteking krijgt is van veel

Motivering Voorste Heusden 49 Heusden

57

CRI240169.003/BGO

factoren afhankelijk en er is nog te weinig bekend over de rol van geitenhouderijen om uitspraken te kunnen doen over wat de nabijheid van geitenhouderij bij woningen precies betekent. Er zijn voor longontsteking een aantal medische oorzaken en risicofactoren bekend die los staan van de nabijheid van geitenhouderijen. Het onderzoek VGO III geeft risicofactoren voor de afstand in stappen van 500 meter. Zichtbaar is dat er buiten de afstand van 500 meter een sterke daling van het risico optreedt die afvlakt op grotere afstand van een geitenhouderij. Dit is ook weergeven in navolgende tabel. Dit betekent dat na 500 meter van een geitenhouderij al aanzienlijk minder extra risico bestaat dan daarbinnen. Het is niet dat er na 2 km geen risico meer bestaat, maar dit is de grootste onderzochte afstand. Windrichting is geen factor in het risico.

Tabel 5: Gemiddelde regressie van de odds ratio in relatie tot afstand tot een geitenhouderij (bron: VGO III)

Voorgaande tabel gaat over het gemiddeld risico op een longontsteking ten opzichte van een bepaalde afstand tot een omliggende geitenhouderij. Een gemiddelde regressie odds ratio van 1.50 betekent 50% meer risico op longontsteking, 1.0 betekent geen extra risico op een longontsteking. In de direct omgeving van de besluitlocatie zijn geen geitenhouderijen aanwezig. Binnen de gemeente Asten zijn slechts twee geitenhouderijen aanwezig. De geitenhouderij aan Polderweg 53 is op een afstand van 700 meter ten noordoosten van de besluitlocatie gelegen. De geitenhouderij aan Meijelseweg 47 is op circa 2,4 kilometer ten zuidoosten van de besluitlocatie gelegen. De besluitlocatie ligt binnen de kern van Heusden. Bij een afstand van 1.000 meter tot aan een geitenhouderij geldt een gemiddelde regressie odds ratio van 1.23%. Dit is aanzienlijk minder dan de gemiddelde regressie odds ratio van 1.50 bij een afstand van 500 meter tot een geitenhouderij. Voor een afstand groter dan 500 meter ten opzichte van een geitenhouderij geldt dat de gemiddelde regressie odds ratio afzwakt. Het is niet mogelijk één veilige afstand tot deze geitenhouderij aan te geven. De Gezondheidsraad geeft aan dat hiervoor geen wetenschappelijke onderbouwing is.

Zodra de onderzoeken duidelijkheid geven over de oorzaak van de extra gezondheidsrisico's bij geitenhouderijen kunnen specifieke maatregelen worden ingezet om het risico voor omwonenden te doen verminderen. Q-koorts is een infectieziekte die kan worden overgedragen van dieren op mensen. Q-koorts wordt veroorzaakt door de Coxiella burnetii, verder aangeduid als Q-koorts bacterie. Besmetting ontstaat meestal door inademen van lucht waar de bacterie in zit. Q-koorts is in principe niet overdraagbaar van mens op mens. Op dit moment is het onwaarschijnlijk dat een omwonende Q-koorts vanuit een geitenbedrijf oploopt. Alle geiten op bedrijven met meer dan 50 dieren worden verplicht gevaccineerd tegen Q-koorts en er mogen geen ongevaccineerde dieren worden aangevoerd. Om de aanwezigheid van de Q-koorts bacterie op een bedrijf te monitoren wordt de tankmelk door de

Motivering Voorste Heusden 49 Heusden

58

CRI240169.003/BGO

Gezondheidsdienst voor Dieren gecontroleerd. Sinds juli 2016 is de Q-koorts bacterie op geen enkel bedrijf in de melk aangetroffen. De Q-koorts bacterie is nog wel in het milieu aanwezig. Herkauwers zijn de belangrijkste gastheren van de Q-koorts bacterie, maar ook andere diersoorten kunnen besmet raken en de bacterie verspreiden. Daardoor kunnen incidentele besmettingen nog wel voorkomen. Dit gegeven staat echter los van geitenhouderijen. Een infectie kan op geitenhouderijen alleen nog uit de omgeving komen en zal in dat geval slechts een of enkele gevaccineerde geiten betreffen. Daarom is het onwaarschijnlijk dat een omwonende vandaag de dag Q-koorts krijgt vanuit een geitenbedrijf. Het is ook onwaarschijnlijk dat omwonenden door opslag of afvoer van geitenmest worden besmet. Mest uit geitenstallen moet of direct in een afgedekte vrachtwagen naar een erkend composteerbedrijf worden afgevoerd of minstens 30 dagen afgedekt worden opgeslagen. Afdekken zorgt voor een composteringsproces waardoor de temperatuur van de mest zo ver stijgt dat Qkoorts bacteriën die eventueel in de mest zouden zitten het niet overleven. Besmetting met Q-koorts vanuit een geitenbedrijf is door verplicht vaccineren en andere wettelijke verplichtingen binnen de geitenhouderij onwaarschijnlijk geworden. Geconcludeerd wordt dat het aspect Q-koorts geen (verhoogd) gezondheidsrisico vormt.

Het gemeentebestuur dient de aanvaardbaarheid te beoordelen en een belangenafweging te maken. Door zes extra woningen toe te staan op circa 700 meter van een geitenhouderij neemt het aantal blootgestelden en daarmee het risico op longontstekingen minimaal toe. Verder zijn er geen andere verhoogde gezondheidsrisico's door geitenhouderijen. Gelet op de ligging en omvang van de besluitlocatie is de verhoging van het risico op longontsteking door de toename van het aantal mensen dat blootgesteld ten gevolge van het woningbouwplan heel klein. Zeker in verhouding met de reeds bestaande woningen tussen de geitenhouderij en de beoogde woningen. Er is gezien de ligging van de besluitlocatie en de bestaande woningen ten opzichte van geitenhouderijen dan ook geen sprake van een omgekeerde werking. 4.13.2.3 Gewasbeschermingsmiddelen In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bij het mogelijk maken van een nieuwe gevoelige functie in de nabijheid van agrarische functies aandacht gevraagd voor spuitzones in verband met risico’s voor de volksgezondheid vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift. Met de term drift wordt de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel bedoeld die bij het spuiten buiten het agrarisch perceel op de grond terecht kan komen en/of op hoogte door de lucht passeert.

Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen, kan drift risico’s voor de gezondheid inhouden. De besluitlocatie ligt binnen bestaand stedelijk gebied. Er zijn geen agrarische gronden op een afstand van kleiner dan 50 meter tot de besluitlocatie gelegen. Gewasbeschermingsmiddelen vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Motivering Voorste Heusden 49 Heusden

59

CRI240169.003/BGO

4.13.2.4 Hoogspanningsverbindingen Hoogspanningsverbindingen kunnen van negatieve invloed zijn op de gezondheid van de omgeving, maar dragen tegelijkertijd ook bij aan de Nederlandse infrastructuur en zijn van essentieel belang voor het functioneren van het energienetwerk. Hoogspanningsverbindingen leveren dus zowel een positieve als negatieve bijdrage aan de fysieke leefomgeving. Een negatieve invloed op de gezondheid van de omgeving, kan worden veroorzaakt door magneetvelden en geluid van de hoogspanningsverbindingen. Voor ‘magneetvelden’ geldt op basis van advies van het Rijk dat zoveel als redelijkerwijs mogelijk is vermeden dient te worden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen tot 15 jaar langdurig verblijven in een gebied rond bovengrondse hoogspanningsverbindingen, waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla. Ten aanzien van ‘geluid’ geldt dat rekening moet worden gehouden met geluid in de vorm van windfluiten en knetterend geluid door elektrische ontladingen (coronageluid) veroorzaakt door hoogspanningsverbindingen. In de directe omgeving van de besluitlocatie zijn geen hoogspanningsverbindingen gelegen. Dit is te zien in navolgende figuur. Negatieve effecten ten gevolge van hoogspanningsverbindingen zijn uit te sluiten. Besluitlocatie

Figuur 31: Uitsnede RIVM netkaart met ligging besluitlocatie lichtblauw omlijnd

4.13.2.5 Positieve gezondheid Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met het belang van het bevorderen van de gezondheid. Gezondheidsbevordering wordt veelal geassocieerd met het verminderen van de druk van de leefomgeving op de gezondheid, bijvoorbeeld door geluid en luchtverontreiniging te beperken. Bij positieve gezondheid staat een brede kijk op gezondheid centraal: een fysieke leefomgeving die uitnodigt tot gezond gedrag en mensen stimuleert tot meer bewegen, gezonder eten en elkaar ontmoeten, wordt als een leefomgeving met positieve gezondheidseffecten beschouwd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Asten&id=3aadbad4-7c9a-4988-b3c1-cf2ab5a1cc37