Bijlage 2 - Motivering BOPA Voorste Heusden 49
Tekst van het document
Motivering Voorste Heusden 49 Heusden
60
CRI240169.003/BGO
Een concreet wettelijk kader waarin wordt geduid waaraan een leefomgeving met positieve gezondheidseffecten minimaal aan dient te voldoen ontbreekt. Wel wordt gestimuleerd om de leefomgeving zo in te richten dat positieve gezondheidseffecten worden bevorderd. De GGD GHOR Nederland heeft in samenwerking met het RIVM kernwaarden opgesteld die de basis vormen voor de uitwerking en borging van het thema positieve gezondheid in het Omgevingsplan. De kernwaarden zijn onderverdeeld in drie categorieën, namelijk: woonomgeving, mobiliteit en gebouwen. De zes levensloopbestendige woningen liggen op loopafstand van het centrum van de kern Heusden. Door de nabijheid van voorzieningen nodigen de bewoners uit tot bewegen. De groene leefomgeving van de beoogde woningen draagt bij aan een positieve gezondheid. Met de sloop van de overtollige bijgebouwen en de realisatie van zes levensloopbestendige woningen wordt zo goed als mogelijk bijgedragen aan een duurzaam en klimaatadaptatieve inrichting van de locatie. De woningen voldoen aan de meest recente eisen op het gebied van woningbouw en worden gasloos gerealiseerd. Met de aanleg van de wadi wordt de locatie klimaatadaptatief ingericht. Er wordt zodoende voldaan aan de hemelwaterbergingsopgave. De beoogde ontwikkeling wordt duurzaam en klimaatbestendig gerealiseerd.
4.13.3 Conclusie Gelet op bovenstaande vormt het aspect duurzaamheid en gezondheid geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Motivering Voorste Heusden 49 Heusden
61
CRI240169.003/BGO
4.14
Natuur
4.14.1 Wettelijk kader 4.14.1.1 Inleiding De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgegaan in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. Stikstofdepositie is geregeld in artikel 22.20 van de Omgevingswet. De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de -nog te bepalen- datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde. 4.14.1.2 Gebiedsbescherming Natura 2000 Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In deze gebieden worden flora, fauna en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden zijn aangewezen in twee Europese richtlijnen: de Vogelrichtlijn (uit 1979) en de Habitatrichtlijn (uit 1992). Nederland kent een netwerk van 162 Natura 2000-gebieden. Negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen zowel direct als indirect van aard zijn. Directe effecten zijn bijvoorbeeld verstoringen door licht, geluid of trillingen.
Een belangrijk negatief indirect effect op Natura 2000-gebieden is een verhoogde stikstofdepositie. Een activiteit die niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar wel significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, wordt een ‘Natura 2000-activiteit' genoemd binnen de definities van de Omgevingswet. Een Natura 2000-activiteit dient te voldoen aan Rijksregels zoals de specifieke zorgplicht. Daarnaast dient het bevoegd gezag geïnformeerd te worden bij een eventueel ongewoon voorval. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk heeft als doel om natuurgebieden beter te verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het NNN bestaat over het algemeen uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones. In beginsel zijn de provincies verantwoordelijk voor de instandhouding en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland. Instructieregels met betrekking tot de bescherming van Natuurnetwerk Nederland zijn dan ook opgenomen in de omgevingsverordening van de provincie. Stikstof Een activiteit die voor stikstofdepositie zorgt, wordt aangemerkt als een vergunningplichtige Natura 2000-activiteit als significante effecten op een Natura 2000-gebied niet kunnen worden uitgesloten.
De beoordelingsregels kunnen er in dat geval toe strekken dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als geregistreerde stikstofdepositieruimte aan de Natura 2000-activiteit wordt toegedeeld (artikel 5.29, lid 3 Ow).
Motivering Voorste Heusden 49 Heusden
62
CRI240169.003/BGO
Houtopstanden Houtopstanden worden op basis van nationaal beleid beschermd door in het Bal opgenomen Rijksregels. In het Omgevingsplan wordt door de gemeenteraad een bebouwingscontour houtkap vastgesteld. Hierbinnen gelden de regels voor het vellen van houtopstanden niet die in het Bal staan. Deze regels worden gesteld met het oog op natuurbescherming, de instandhouding van het bosareaal in Nederland, of het beschermen van landschappelijke waarden. De kern van het beschermingsregime uit het Bal wordt gevormd door een meldingsplicht voor degene die voornemens is om buiten de bebouwingscontour een houtopstand te vellen, en een verplichting om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan op dezelfde grond te herbeplanten. Daarbij geldt als kwaliteitseis dat de herbeplanting geschiedt op ‘bosbouwkundig verantwoorde wijze’. De provincie kan daar bij omgevingsverordening maatwerkregels of maatwerkvoorschriften over vaststellen. 4.14.1.3 Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland.
Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. De Omgevingswet definieert een flora- en fauna-activiteit als volgt: een ‘activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten’. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of er soorten aanwezig zijn en indien aanwezig, welke soorten dat zijn. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten. 4.14.2 Toets 4.14.2.1 Gebiedsbescherming Natura 2000 Het dichtst nabij de besluitlocatie gelegen Natura 2000-gebied is de Groote Peel op ongeveer 4 hemelsbrede kilometers zuidelijk van het besluitgebied.
Op een iets grotere hemelsbrede afstand van respectievelijk 7 km westelijk en 7,8 km oostelijk liggen de Deurnsche Peel & Mariapeel en de Strabrechtse Heide & Beuven. De overige Natura 2000-gebieden liggen op grotere afstanden waarvan de Weerter- en Budelerbergen & Ringselven op 12 kilometer hemelsbreed zuidelijk van het besluitgebied het meest nabij is. De genoemde Natura 2000-gebieden bevatten kwetsbare en stikstofgevoelige natuur van vochtige graslanden, droge en natte heide, hoogveen en zwak gebufferde waters. De twee meest nabije Natura 2000-gebieden, de Deurnsche Peel & Mariapeel en Groote Peel, bevatten voor stikstofuitstoot de bijzondere gevoelige natuur van hoogveenrelicten. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de kaart met ligging van Natura 2000 gebieden tot de besluitlocatie.
Motivering Voorste Heusden 49 Heusden
63
CRI240169.003/BGO
Besluitlocatie
Figuur 32: Kaart met ligging van Natura 2000 gebieden ten opzichte van de besluitlocatie
Het besluitgebied en omliggende gebied maakt geen deel uit van Natura2000-gebied. Van een directe aantasting en afname van areaal aan beschermd natuurgebied is daarom geen sprake. Alle Natura 2000 gebieden liggen op voldoende ruime afstand waardoor geen negatieve invloeden verwacht worden van factoren met een externe werking die met een korte reikwijdte op afstand werken, als bodemtrillingen, geluids- en lichtbelasting. Natuurnetwerk Nederland De besluitlocatie en het omliggende gebied maakt geen onderdeel uit van de NNB -gebied. Van een directe aantasting en afname van areaal aan NNN-gebied is daarom geen sprake. De dichtstbijzijnde gebieden die vallen onder het Natuurnetwerk Brabant (NNB) liggen op voldoende afstand om negatieve effecten die de wezenlijke waarden en kenmerken van NNB-gebied ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling kunnen aantasten geheel uit te sluiten. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de kaart met de ligging van NNN en NNB-gebieden ten opzichte van de besluitlocatie.
Motivering Voorste Heusden 49 Heusden
64
CRI240169.003/BGO
Besluitlocatie
Figuur 33: Kaart met ligging van NNN en NNB-gebieden ten opzichte van de besluitlocatie
Vrijwel uitgesloten kan worden dat de reikwijdte van de voorgenomen ingrepen dusdanig is dat deze van enige verstorende invloed op NNB-gebied kunnen zijn. Hierbij kan aangemerkt worden dat de locatie ruimtelijk gunstig is gelegen om aan de huidige nationale druk tot woningbouw te voldoen. Het besluitgebied sluit aan op bestaande bebouwingsstructuren waardoor de landschappelijke belasting en de toename van de ruimtelijk dispersie van negatieve effecten in het buitengebied ten gevolge van de nieuwbouw gering is. Negatieve effecten op NNB-gebied en ecologische verbindingszones kunnen op basis van aard, ligging en reikwijdte van de projectontwikkeling uitgesloten worden. Aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken is niet aan de orde en daarmee geen noodzaak tot vervolgonderzoek. Stikstof Voor deze planontwikkeling is een stikstofnotitie opgesteld, om aan te tonen dat er geen toename is van stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden groter dan 0,00 mol/ha/jaar. Het rapport, opgesteld door NOX Advies, met datum 28 december 2024 behoort als bijlage bij deze motivering. De conclusies uit dit onderzoek zijn hierna opgenomen. Uit dit onderzoek blijkt dat de emissie die als gevolg van dit project vrijkomt leidt tot een depositieresultaat van 0,00 mol N/ha/jaar in de gecombineerde sloop-, bouw- en gebruiksfase. In bijlage 1 is de Aerius-berekening bijgevoegd.
Binnen 25 kilometer liggen enkele buitenlandse Natura 2000-gebieden. Om die reden zijn eigen rekenpunten gelegd in Aerius. Op de eigen rekenpunten wordt eveneens een resultaat van 0,00 mol N/ha/jaar berekend. Het project heeft daarmee eveneens geen relevante stikstofeffecten op buitenlandse Natura 2000-gebieden.
Motivering Voorste Heusden 49 Heusden
65
CRI240169.003/BGO
Houtopstanden De besluitlocatie ligt binnen de bebouwde kom en bebouwingscontour houtopstanden waardoor Wnb-houtopstanden niet van toepassing is. Afgaande op de ‘lijst van beschermwaardige bomen gemeente Asten 2019’ bevat het perceel met adres Voorste Heusden 49 één beschermde boom, een Hollandse linde (tilia x europaea) die als ;’monumentale boom’ aangemerkt wordt. De besluitlocatie ligt buiten de beschermingszone waar de Wet natuurbescherming §4 art 4 van toepassing is en waarvoor op basis van de Omgevingswet § 11.3.2 art. 11.126 (Bal) een meldplicht bij de provincie geldt. Op basis van uitsluitend de gemeentelijke regelgeving geldt alleen een kapverbod van de hiervoor genoemde monumentale Hollandse linde op het perceel met adres Voorste Heusden 49. Voor kap van deze boom dient een omgevingsvergunning voor het vellen van een boom of houtopstand aangevraagd te worden. Echter deze boom valt buiten de projectontwikkeling en blijft gehandhaafd. De gezondheid van de boom en veiligheid van de omwonende eisen wel enige ingrepen die buiten dit beoordelingskader vallen. Gemeentebeleid is in het algemeen op het punt van bomenkap nogal ondoorzichtig (er kunnen uitzonderingsregels zijn), daarom dient hier het advies om alvorens tot kap over te gaan van overige bomen en houtopstanden eerst contact op te nemen met de gemeente Asten.
4.14.2.2 Soortenbescherming De beoogde ontwikkeling voorziet in het slopen van een aantal bijgebouwen. Het slopen van een bijgebouw betreft een flora- en fauna-activiteit. Om aan te kunnen tonen dat met onderhavige ontwikkeling sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, is door Maassen Ecologisch Advies een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Dit onderzoek met datum 20 januari 2025 met projectnummer 2412-1 behoort als bijlage bij deze motivering. De resultaten van dit onderzoek zijn hieronder weergegeven. Vogels beschermd op grond van de Vogelrichtlijn art. 3.1 Wnb Omgevingswet artikel 11.37 (Bal) Lid 1a, b, c, en d (RVO-categorie 1,2,3,4: vogels met jaarrond beschermde vaste verblijfplekken) Binnen de besluitlocatie en de rest van het onderzoeksgebied kunnen op basis van het veldbezoek alleen strikt beschermde functionele nestelplekken van huismussen niet uitgesloten worden. Deze bevinden zich buiten de besluitlocatie waarop de projectontwikkeling plaats vindt, maar wel binnen de verstoringszone daarvan. Nader onderzoek op basis van het wettelijk geldende protocol is nodig om de huidige functionaliteit van deze nestelplekken vast te stellen en of er nadere mitigatie en voorzorgsmaatregelen noodzakelijk zijn om deze te garanderen.
Op basis van het veldbezoek worden verder geen negatieve effecten verwacht op jaarrond beschermde nesten, verblijfplaatsen en leefgebied van vogels die wettelijk als strikt beschermd worden aangemerkt. Lid 3 en lid1d optioneel (RVO-categorie 5 en overige vogels) Binnen het besluitgebied kunnen nestelplaatsen van algemene tuinvogels verwacht worden. Indien het broedseizoen in acht wordt genomen kan een overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van deze beschermingscategorieën uitgesloten worden. Indien onverwachts toch een broedgeval bij aanvang van de werkzaamheden of tijdens de uitvoering daarvan wordt vastgesteld, dient het broedseizoen ook in acht worden genomen.
Motivering Voorste Heusden 49 Heusden
66
CRI240169.003/BGO
Europees beschermde soorten op grond van de Habitatrichtlijn art. 3.2 Wnb Omgevingswet in artikel 11.47 (Bal) Lid 1a, b ,c, en d: Zoogdieren grondgebonden Aantasting van verblijfplekken van strikt beschermde grondgebonden zoogdiersoorten en het functioneel leefgebied voor de instandhouding van deze verblijfplekken, kan geheel uitgesloten worden. Lid 1 a, b, c en d: Vleermuizen Verblijfplekken van vleermuizen binnen het besluitgebied kunnen uitgesloten worden en daarmee geen directe fysieke aantasting van jaarrond beschermde verblijfsplaatsen van vleermuizen. Binnen het gehele onderzoeksgebied kunnen alleen zomerverblijfplekken onder de dakpannen van de woning niet geheel uitgesloten worden. Om verstoring van deze en andere mogelijke verblijfplekken in de directe omgeving te voorkomen kunnen afdoende maatregelen genomen om de functionaliteit te handhaven. Aantasting van essentieel foerageergebied en van structuren die van belang zijn als trek en foerageerroute kunnen op basis van de kleinschaligheid van de voorgenomen ontwikkeling uitgesloten worden. Lid 1 en 3: overige soortgroepen Uit de soortgroepen van ongewervelden, vissen, amfibieën, reptielen en vaatplanten waarvoor het zware beschermingsregiem van de habitatrichtlijn worden geen soorten binnen de besluitlocatie of de invloedsfeer daarvan verwacht, noch aantasting van hun beschermd habitatgebied.
Nationaal beschermde Andere soorten art. 3.3 Wnb Omgevingswet in art.11.54 (Bal) Lid 1a en b: Zoogdieren Negatieve effecten op jaarrond beschermde verblijfplekken van nationaal beschermde grondgebonden zoogdiersoorten waarvoor geen vrijstelling geldt worden als gevolg van de ingrepen niet verwacht. Uit de groep van beschermde zoogdieren waarvoor een vrijstelling geldt kunnen enkele algemene kleine bodem bewonende zoogdiersoorten waarvoor alleen de zorgplicht geldt verwacht worden. Lid 1 a, b, en c en art.11.6 (specifieke zorgplicht): overige soorten Uit de soortgroepen van vaatplanten, ongewervelden, vissen, amfibieën en reptielen waarvoor het middelzware nationale beschermingsregiem zonder vrijstelling geldt worden geen soorten verwacht. Voor een aantal algemene amfibieën waarvoor een vrijstelling geldt dient alleen de zorgplicht toegepast te worden 4.14.3 Conclusie Gelet op deze toets met bijbehorende onderzoeken vormt het aspect natuur geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Motivering Voorste Heusden 49 Heusden
67
CRI240169.003/BGO
4.15
Bedrijvigheid
4.15.1 Wettelijk kader Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten uit de handreiking Bedrijven en Milieuzonering. De hierin opgenomen (indicatieve) bedrijvenlijst uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. In deze lijst worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de functie en de uiterste grens van de gevel van een woning die volgens het omgevingsplan mogelijk is. Om te onderzoeken is of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn de bedrijven in de omgeving van de besluitlocatie geïnventariseerd en is uitgegaan van de huidige toegestane richtafstanden van deze bedrijven op basis van de nu toebedeelde milieucategorieën. Voor de beoordeling zijn twee typen omgevingen. Dit betreft een ‘rustige woonwijk/rustig buitengebied’ of een ‘gemengd gebied’. 4.15.2 Toets Gebiedstypering De richtafstanden van de VNG-publicatie gelden tot het gebiedstype 'rustige woonwijk'.
In bepaalde gevallen kan gemotiveerd worden dat er geen sprake is van een 'rustige woonwijk', maar een 'gemengd gebied'. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een lint in een dorpskern waar meerdere functies naast elkaar zitten. Of bij een gebied dat langs een drukke ontsluitingsweg ligt. Bij een 'gemengd gebied' kunnen de richtafstanden met 1 afstandsstap verkleind worden. Uitzondering hierop is de richtafstand voor externe veiligheid. Deze wordt niet verkleind. Navolgende figuur geeft de tabel weer met richtafstanden binnen een rustige woonwijk en gemengd gebied.
Tabel 6: Tabel met richtlijnafstand in een rustige woonwijk en een gemengd gebied
Binnen de besluitlocatie is door de ligging aan de gebiedsontsluitingsweg Voorste Heusden, en de aanwezigheid van bedrijfs- en centrum functie in de directe omgeving gekozen om aan te sluiten bij de gebiedstypering ‘gemengd gebied’.
Motivering Voorste Heusden 49 Heusden
68
CRI240169.003/BGO
Bedrijven Ten zuiden van de besluitlocatie is Berkvens Autobedrijf gelegen. Binnen gemengd gebied geldt voor deze bedrijvigheid een richtafstand van 10 meter voor gevaar en geluid. Met de beoogde ontwikkeling worden de woningen op een afstand groter dan 10 meter vanaf de bedrijfsactiviteiten van Berkvens Autobedrijf gerealiseerd. Er wordt aan de richtafstand voldaan. In de omgeving zijn verder nog centrum- en bedrijfsfuncties aanwezig. Binnen deze functies zijn bedrijfsactiviteiten van maximaal milieucategorie 2 toegestaan. Deze functies vormen door de afstand tot de besluitlocatie en alle tussenliggende woningen geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 4.15.3 Conclusie Gelet op bovenstaande vormt het aspect bedrijvigheid geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Motivering Voorste Heusden 49 Heusden
69
CRI240169.003/BGO
4.16
Toetsing m.e.r.-beoordeling
4.16.1 Wettelijk kader Overeenkomstig paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit dient te worden bepaald of een ontwikkeling mer-beoordelingsplichtig is. Dit kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Een milieueffectrapportage (MER) is een procedure die de milieueffecten van een plan of project in beeld brengt. Het doel van de MER is om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvoering over plannen, programma's en projecten die mogelijk duidelijke milieueffecten hebben. De verwachte effecten op het milieu en alternatieve oplossingen worden beschreven in een milieueffectrapport (MER). Daarnaast is participatie en kennisgeving een belangrijk onderdeel binnen de mer. Op deze manier vormt de mer een hulpmiddel voor de besluitvorming. Een Omgevingsplan valt onder een plan of programma waarvoor een milieueffectrapportage van toepassing is (Omgevingswet, Paragraaf 16.4.1, artikel 16.34). De Motivering van de beslissing (art.
11.11 lid 3 Omgevingsbesluit) bestaat uit: a) de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn; en b) als is beslist dat geen milieueffectrapport moet worden gemaakt: 1) de kenmerken en maatregelen, bedoeld in artikel 11.10, derde lid, als degene die voornemens is het project uit te voeren deze heeft voorgesteld; en 2) het moment waarop die maatregelen moeten zijn gerealiseerd. 4.16.2 Toets De ontwikkeling is dan ook niet aan te merken als project waarvoor een besluit van een mer(beoordelings)plicht geldt). Dit plan is wegens aard en omvang van het plan geen stedelijk ontwikkelingsproject in het kader van de m.e.r.-beoordeling. In het kader van de beoogde ontwikkeling is een mer-beoordeling dan ook niet aan de orde.
Motivering Voorste Heusden 49 Heusden
70
CRI240169.003/BGO
5
Uitvoerbaarheid
5.1
Algemeen In tegenstelling tot de Wet (en het Besluit) ruimtelijke ordening geldt onder de Omgevingswet dat een gemeenteraad bij het toekennen van functies aan locaties niet meer aannemelijk hoeft te maken dat die ontwikkeling (financieel) uitvoerbaar is. In haar omgevingsplan wordt door de gemeente aangegeven dat een functie op een bepaalde locatie kan komen, dat minder verstrekkend is. Enkel behoeft te worden gemotiveerd dat een ontwikkeling in beginsel mogelijk is (‘niet evident onuitvoerbaar’). Pas als zich een concreet initiatief aandient dat past binnen de in het Omgevingsplan toebedeelde functie, moet worden onderzocht hoe dat op een aanvaardbare wijze kan worden gerealiseerd.
5.2
Economische uitvoerbaarheid
5.2.1
Kostenverhaal Op grond van Omgevingswet (afdeling 13.6 Ow) zijn overheden verplicht om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen naar evenredigheid te verhalen op de initiatiefnemers die profijt hebben van de aan te leggen openbare voorzieningen. Indien sprake is van een ontwikkeling op eigendomsgronden van de overheid zelf, is het kostenverhaal verzekerd en zijn daartoe geen overeenkomst of kostenverhaalsregeling aan de orde. Is sprake van een ontwikkeling die niet op eigendomsgronden van de overheid is gelegen, is het uitgangspunt van de overheid om middels het sluiten van een anterieure overeenkomst het kostenverhaal te verzekeren. Dit is mogelijk op grond van artikel 13.13 Ow. Indien de onderhandelingen over deze overeenkomst succesvol zijn, kan overgegaan worden tot het afwijken van het Omgevingsplan en vinden betalingen plaats op grond van de gemaakte afspraken. De initiatiefnemer heeft een anterieure overeenkomst met de gemeente gesloten over het kostenverhaal van dit plan.
5.2.2
Nadeelcompensatie Nadeelcompensatie is de vergoeding van schade die de overheid veroorzaakt in de uitoefening van haar taak of bevoegdheid. In afdeling 15.1 van de Omgevingswet wordt een aantal besluiten of maatregelen aangewezen die als oorzaak van de schade kunnen optreden. Aangewezen zijn besluiten of maatregelen: - die rechtstreeks werkende rechten en verplichtingen voor burgers en bedrijven bevatten, of die rechtstreeks gevolgen hebben voor burgers en bedrijven door verandering van de fysieke leefomgeving; De belangrijkste schadeveroorzakende besluiten zijn: - het omgevingsplan, - een omgevingsvergunning,
Motivering Voorste Heusden 49 Heusden
71
CRI240169.003/BGO
-
een projectbesluit voor realisatie van een project van het Rijk, provincie of waterschap, en rechtsreeks werkende regels in een verordening van provincie of waterschap.
Alleen schade veroorzaakt door die besluiten of maatregelen komt voor vergoeding in aanmerking. De schade moet redelijkerwijs toe te rekenen zijn aan de schadeoorzaak. De schade moet: - het rechtstreekse gevolg zijn van het besluit of de maatregel. Bijvoorbeeld de bouw van een woning of aanleg van een weg, of - het gevolg zijn van de feitelijke uitvoering van de activiteit. Bijvoorbeeld een tijdelijke wegafsluiting. - De schade kan ook het gevolg zijn van een activiteit, die pas later zichtbaar wordt. Bijvoorbeeld schade door grondwateronttrekking kan zich jaren later openbaren. Bij de vraag of de schade moet worden vergoed, en zo ja hoeveel, speelt een aantal factoren een rol. Het moet gaan om schade die boven het normaal maatschappelijk risico (4%) uitsteekt. Bovendien moet de schade de aanvrager onevenredig treffen ten opzichte van anderen. De beoogde ontwikkeling voorziet binnen een bestaande binnenstedelijke woonfunctie in de realisatie van zes levensloopbestendige woningen. De inschatting is dat deze ontwikkeling niet leidt tot schade die groter is dan het normaal maatschappelijk risico.
Motivering Voorste Heusden 49 Heusden
72
CRI240169.003/BGO
5.3
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
5.3.1
Participatie Participatie bij planvormingsprocessen plaats laten vinden is een belangrijke ambitie die aan de procedureregels over participatie in de Omgevingswet ten grondslag ligt. De gemeente Asten acht participatie van groot belang voor een zorgvuldige voorbereiding van besluiten. In september 2023 is door de gemeente Asten het 'Beleidskader participatie' opgesteld. Dit beleidskader is bedoeld om eenduidig vast te leggen wat er van wie verwacht mag worden bij het organiseren van participatie. Er wordt onderscheid gemaakt tussen kleine, middelgrote of grote initiatieven: - Kleine initiatieven: initiatieven met een geringe (ruimtelijke en/of maatschappelijke) impact. Voorbeelden: Het realiseren van een tuinhuis, het plaatsen van een schutting of dakkapel, het oprichten van een carport of overkapping, de aanleg/verbreding van een oprit of de komst van een aan huis gebonden bedrijf. - Middelgrote initiatieven: initiatieven met een gemiddelde (ruimtelijke en/of maatschappelijke) impact. Voorbeelden: Het bouwen van een woning of klein/middelgroot bedrijf, het wijzigen van de bedrijfsbestemming in een andere functie (bijvoorbeeld naar wonen) of een functiewijziging op uw perceel. - Grote initiatieven: initiatieven met een grote (ruimtelijke en/of maatschappelijke) impact.
Voorbeelden: De bouw van meerdere woningen of appartementen, de bouw van groot bedrijf, een herbestemming van een perceel of gebouw, het realiseren van mogelijk overlast gevende functies zoals horeca of recreatieve ont- wikkelingen, plannen voor een bedrijf met mogelijke milieuhinder of plannen met mogelijke verkeer aantrekkende ontwikkelingen. De initiatiefnemer voegt een verslag van de participatie toe, inclusief de opmerkingen van de participanten hierop, bij de aanvraag omgevingsvergunning of bij het verzoek tot wijzigen van het omgevingsplan. In het verslag is ook aangegeven wat de uitkomsten van de participatie zijn en wat met de opmerkingen is gedaan. Er kan gebruik worden gemaakt van het voorbeeld dat in de handreiking omgevingsdialoog staat. Aan de hand van het verslag toetst de gemeente of de participatie zorgvuldig georganiseerd is. De daadwerkelijke belangenafweging wordt door de gemeente gedaan, bij het nemen van het besluit over de omgevingsvergunning of de wijziging van het omgevingsplan. Door initiatiefnemer is een omgevingsdialoog gevoerd met omwonenden van de besluitlocatie. De omgevingsdialoog heeft plaatsgevonden door individuele gesprekken met omwonenden en door een bijeenkomst in Hart van Heuze, gehouden op 9 april 2025. Alle omwonenden zijn voor deze bijeenkomst uitgenodigd.
Het verslag van deze dialoog is als bijlage bij deze ruimtelijke motivering gevoegd.
Bijlagen Motivering Voorste Heusden 49 Heusden
73