Bijlage 2 - Motivering BOPA Roerdompweg 11, samengevoegd
Tekst van het document
Het plan draagt bij aan de gewenste ontwikkeling van het buitengebied, waarbij de economische functie beter in balans komt met de overige functies zoals natuur, leefomgeving en landschappelijke beleving. 3.4.3.
Structuurvisie kwaliteitsverbetering van het landschap
De gemeenteraad van Asten heeft op 13 maart 2015 besloten de structuurvisie Kwaliteitsverbetering van het landschap Gemeente Asten vast te stellen. De structuurvisie bevat de hoofdlijnen van het gemeentelijke ruimtelijk beleid en geeft richting aan de ruimtelijke, economische en maatschappelijke ontwikkeling van de gemeente. De Structuurvisie kwaliteitsverbetering van het landschap is in 2022 opgenomen in de Omgevingsvisie. De structuurvisie heeft voor het buitengebied als doel om de kwaliteit van het landelijke gebied te beschermen en te verbeteren, rekening houdend met de veranderende functie. Verbetering van de kwaliteit leidt tot duurzame landbouw, versterkte natuur, verbetering van recreatieve mogelijkheden, verlaging van de milieubelasting, verbetering van de infrastructuur, het woon- en werkklimaat en de economische structuur. 22
Het plan voorziet in omschakeling van melkrundveehouderij maar paardenhouderij., wat zorgt voor een afname in ammoniak en fijnstof belasting op het milieu. De oppervlakte aan bebouwing neemt af waarbij tevens het bouwvlak wordt verkleind. Het project draagt bij aan het duurzaam gebruik van ruimte door hergebruik van bestaande bedrijfsgebouwen. Dit zorgt ervoor dat het economische perspectief van het bedrijf gezond blijft zodat de noodzakelijke en nuttige investeringen op het gebied van milieu en omgeving ook op de lange termijn uitgevoerd kunnen en blijven worden. Conclusie Structuurvisie kwaliteitsverbetering van het landschap Het plan draagt bij aan een kwaliteitsverbetering van het landschap. Er is tevens een landschappelijk inpassingsplan opgesteld, zie bijlage 1.
23
4.
Fysieke leefomgeving
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op verschillende relevante omgevingsaspecten.
4.1.
Milieuzonering
4.1.1.
Wettelijk kader
Een 'milieubelastende activiteit' is een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken. Lozingsactiviteiten op oppervlaktewater of een zuiveringsinstallatie of wateronttrekking vallen niet onder de definitie van een 'milieubelastende activiteit'. De rijksregels voor milieubelastende activiteiten staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), hoofdstuk 3. Voor activiteiten die niet in hoofdstuk 3 van het Bal zijn aangewezen, kan een gemeente regels opnemen in het Omgevingsplan. In Hoofdstuk 22.3 van de bruidsschat omgevingsplan van de gemeente Nederweert worden regels opgenomen met betrekking tot milieubelastende activiteiten in relatie tot geluid en geur. De algemene zorgplicht (artikel 1.7) en het algemene verbod (artikel 1.7a) uit de Omgevingswet zijn altijd van toepassing. In de nieuwe systematiek wordt de toelating van activiteiten niet meer gekoppeld aan een bij de regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten met milieucategorieën. De omgevingswet biedt meer mogelijkheden om maatwerk te bieden en een lokale afweging te maken, per locatie en per activiteit. Hierbij wordt getoetst aan milieuwaarden in het omgevingsplan. De VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' past daarmee niet meer binnen de integrale toepassing van de Omgevingswet. De uitgave is vervangen door de nieuwe VNGhandreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’.
Door het gebruikmaken van milieuwaarden in plaats van richtafstanden wordt veel doelmatiger met de beschikbare ruimte omgegaan. Niet met een vaste richtafstand voor iedere activiteit, ongeacht of die activiteit die afstand wel nodig heeft, maar een concrete waarde per activiteit met daarbij een zo reëel mogelijk ruimtebeslag. Bij milieuzonering gaat het om de milieuthema’s die afstand gerelateerd zijn en niet op een ander wijze zijn gereguleerd. Afstand gerelateerd wil zeggen dat de milieubelasting afneemt bij grotere afstand, zoals bij geluid en geur. De VNG heeft een zogenaamd serviceproduct gepubliceerd, als hulpmiddel naast de VNG-uitgave. Het bestaat uit een toelichting (Servicedocument) met in de bijlage een tabel (Bijlage I, tabel-richtafstanden). De tabel dient als indicatie, en is niet bedoeld om te worden opgenomen in het omgevingsplan of een beleidsregel bij het omgevingsplan of andere regelgeving. Met dit hulpmiddel kan beter worden ingeschat of een activiteit voor wat betreft de benodigde gebruiksruimte voor geluid en geur in een bepaald gebied inpasbaar is. Bedrijven kunnen hinder opleveren voor gevoelige functies, zoals woningen. Daarom is het belangrijk om voldoende afstand aan te houden. Wat voldoende afstand is, is afhankelijk van de aard van de bedrijvigheid.
Milieuzonering zorgt ervoor dat bij de bouw van nieuwe woningen voldoende afstand in acht wordt genomen tot milieubelastende activiteiten. Zo worden hinder en gevaar voorkomen en kunnen bedrijven zich binnen aanvaardbare voorwaarden in een gebied vestigen en activiteiten (blijven) uitoefenen. De richtafstanden hangen samen met de gebiedskenmerken. De VNG hanteert twee omgevingstypen, namelijk: een rustige woonwijk en een gemengd gebied. In een rustige woonwijk wordt functiescheiding nagestreefd. Tussen milieuhinder gevoelige functies en bedrijven dient de minimaal aan te houden 'richtafstand' in acht te worden genomen.
24
In geval van een gemengd gebied, waar sprake is van functiemenging, kan een verkleinde richtafstand worden gehanteerd voor het milieuaspect ‘geluid’. In tegenstelling tot rustige woongebieden worden in dergelijke levendige gebieden milieubelastende activiteiten op kortere afstand van milieuhinder gevoelige functies acceptabel geacht. De richtafstand mag in deze gebieden met één afstandsstap worden verkleind (10 meter behorende bij zone 1 wordt 0 meter, 30 meter van zone 2 wordt 10 meter van zone 1, etc.). Geluid De geluidruimte in een zone wordt vastgelegd met geluidwaarden per activiteit op een vaste afstand van de grens van de locatie waar de activiteit wordt verricht. In onderstaande tabel staan de richtafstanden per zone uit de VNG-brochure weergegeven. Zone Rustige woonwijk Gemengd gebied FM 10 0 1 30 10 2 50 30 3 100 50 4 200 100 IT 300 200 Tabel 4.1.1.1: richtafstanden geluid milieuzonering (FM = geschikt voor functiemenging, IT = industrieterrein) Geur Voor geur is in deze regeling het onderscheid tussen een rustige woonwijk en gemengd gebied van ondergeschikt belang geacht: in beide gebieden dient geurhinder te worden voorkomen of tot een aanvaardbaar niveau te worden beperkt. Voor de afstand tot de woonomgeving van zones 2 en 3 wordt daarom geen onderscheid gemaakt tussen een rustige woonwijk en gemengd gebied.
In onderstaande tabel staan de richtafstanden per zone uit de VNG-brochure weergegeven. Zone Rustige woonwijk Gemengd gebied FM 10 0 1 30 30 2 50 50 3 100 100 3 200 200 IT 300 300 Tabel 4.1.1.2: richtafstanden geur milieuzonering (FM = geschikt voor functiemenging, IT = industrieterrein) Aan de hand van de richtafstanden is beoordeeld of de bedrijvigheid in en rondom de projectlocatie belemmeringen oplevert voor de milieugevoelige functies. De geluid- en geurruimte (milieuwaarden) zijn nog niet opgenomen in het omgevingsplan en zijn in deze situatie buiten beschouwing gelaten. De aspecten ‘geluid’ en ‘geur’ worden verder uitgewerkt in paragraaf 4.5 en 4.9. 4.1.2.
Onderzoek
Het planvoornemen betreft de vigerende bestemming ‘Agrarisch -Agrarisch bedrijf’ met functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - melkrundveehouderij’ te wijzigen naar een locatie met de functieaanduiding ‘Paardenhouderij’ ten behoeve van de oprichting van een paardenhouderij waarbij het bouwvlak wordt verkleindpla. Het projectgebied ligt in het buitengebied van Asten. In de directe omgeving van het projectgebied vindt een mengeling van functies plaats tussen agrarische bedrijfsfuncties en woonfuncties. Ten zuiden van de locatie, ligt de dichtstbijzijnde woonbestemming. Volgens de staalkaart ‘buitengebied’ van de VNG valt agrarisch buitengebied onder de categorie ‘gemengd gebied’.
25
Binnen gemengd gebied met wonen worden geen zones met gebruiksruimte voor geluid en geur vastgesteld. De waarden en regels in het omgevingsplan die zijn gericht op het beschermen van gevoelige gebouwen zijn tevens de regels die de gebruiksruimte voor de (bedrijfs)activiteiten begrenzen. Er zijn op dit moment nog geen waarden en regels in het omgevingsplan van de gemeente Asten opgenomen. Aan de hand van de richtafstanden is beoordeeld of de bedrijvigheid in en rondom de projectlocatie belemmeringen oplevert voor de milieugevoelige functies. Een paardenhouderij (SBI-code 0145) wordt op grond van de VNG-lijst aangewezen als voor milieu aangemerkt als geluid ‘1’ en geur ‘2’. De richtafstand voor het milieuaspect ‘geluid’ tot omgevingstype ‘gemengd gebied’ bedraagt 10 meter. De richtafstand voor het milieuaspect ‘geur’ tot omgevingstype ‘gemengd gebied’ bedraagt 50 meter. Gelet op de handreiking van de VNG geldt er een minimale richtafstand van 50 m. vanuit het eigen bedrijf naar de omgeving en omliggende (gevoelige) functies. Er worden geen richtafstanden overschreden tot aan de bron. Toets omliggende (agrarische)bedrijven Het projectgebied bevindt zich in een gebied met een mengeling van functies tussen agrarische bedrijfsfuncties en woonfuncties. Voor omliggende (agrarische) bedrijven zijn nabijgelegen woonbestemmingen de belemmerende factor.
Met het verdwijnen van de melkrundveehouderij en het oprichten van een paardenhouderij neemt de milieubelasting af. De bedrijfswoning blijft een bedrijfswoning. Omliggende (agrarische) bedrijven en woonfuncties ondervinden geen nadelige effecten door voorgenomen ontwikkeling. 4.1.3.
Conclusie
Gezien het bovenstaande vormt het aspect ‘milieuzonering’ geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.2.
Externe veiligheid
4.2.1.
Wettelijk kader
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’.
Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht.
26
Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. 4.2.2.
Onderzoek
Op grond van de risicokaart is een inventarisatie gemaakt van de risicobronnen in en om het projectgebied.
projectgebied
Figuur 4.6.1: Uitsnede risicokaart (bron: www.atlasleefomgeving.nl/kaarten)
Uit de risicokaart blijkt dat onderhavig projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van enige risicobron op grond waarvan een nadere motivering van de externe veiligheidsrisico’s wordt vereist. Tevens blijkt uit voorgaande figuur dat er geen veiligheidscontouren aanwezig zijn met betrekking tot basisnet spoorvervoer, watervervoer en wegvervoer. Aanvullend hierop zal, als gevolg van het planvoornemen, het aantal aanwezige individuen ter plaatse niet toenemen. Er is daarmee geen sprake van een relevante wijziging voor het groepsrisico. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er als gevolg van het planvoornemen geen (extra) risico’s ontstaan met betrekking tot externe veiligheid.
27
4.2.3.
Conclusie
Gezien het bovenstaande vormt het aspect ‘externe veiligheid’ geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.3.
Water
4.3.1.
Wettelijk kader
Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden regels van provincie en het waterschap betrokken. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels met betrekking tot het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn opgenomen voldoende. Met de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften kan de gemeente voor specifieke bedrijven zo nodige aanvullende eisen stellen die passen bij de bedrijfssituatie.
Verplichte omgevingswaarden: • rijk: omgevingswaarden voor 1) waterkwaliteit, 2) zwemwaterkwaliteit, 3) veiligheid van primaire waterkeringen en 4) de veiligheid van andere dan primaire waterkeringen, voor zover die in het beheer zijn bij het rijk (2.15 Ow) • Provincie: omgevingswaarden voor de veiligheid van 1) bij de omgevingsverordening aangewezen andere dan primaire waterkeringen die niet bij het rijk in beheer zijn en 2) de gemiddelde overstromingskans per jaar van bij de omgevingsverordening aangewezen gebieden met oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop (niet bij het rijk in beheer zijnde) regionale wateren moeten zijn berekend (2.13 Ow). • Gemeente: gemeenten kunnen ook zelf besluiten om omgevingswaarden vast te stellen. Indien hiervan sprake is dient een BOPA ook aan deze omgevingswaarde getoetst te worden. Nieuwe plannen dienen te voldoen aan het principe van Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen, waarbij de hydrologische situatie minimaal gelijk moet blijven aan de oorspronkelijke situatie. Dit betekent dat bij een toename van verharding van meer dan 500 m2 voldoende compenserende maatregelen genomen moeten worden, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding niet zwaarder wordt belast dan voorheen. Hiermee wordt het functioneren van het watersysteem als geheel gediend (grondwater en oppervlaktewater). 4.3.2.
Onderzoek
Volgens de kaart van de waterschapsverordening ligt de locatie buiten een beschermd gebied, attentiegebied en wijstgebied. Er is sprake van een hydrologisch neutraal plan. De oppervlakte aan verharding neemt immers af. De ontwikkeling heeft geen gevolgen voor het watersysteem. Afvalwater Het afvalwater zal, vergelijkbaar met de huidige situatie ter plaatse, gescheiden (van het hemelwater) worden afgekoppeld naar het gemeenteriool. Aan deze situatie verandert met de omschakeling naar paardenhouderij niets. 28
Gemeentelijk rioleringsplan Het gemeentelijk rioleringsplan is vooral een toetsingskader bij nieuwe, gewijzigde of uitgebreide bouwplannen. Op de locatie wordt bebouwing gesloopt, er vindt geen uitbreiding van bebouwing plaats. Er zijn geen extra verplichtingen vanuit het GRP voor riolering of wateropvang. 4.3.3.
Conclusie
Gezien het bovenstaande vormt het aspect ‘water’ geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.4.
Luchtkwaliteit
4.4.1.
Wettelijk kader
De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO 2) of fijnstof (PM10). De gemeente Asten is door het rijk aangewezen als een aandachtsgebied voor fijnstof (PM 10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. De vergunningverlener beoordeelt een aanvraag op het effect op de luchtkwaliteit in de leefomgeving. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied.
Dit betekent dat een gemeente een initiatief soms moet toetsen aan de omgevingswaarden in een nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat dan om een locatie van een initiatief dat zelf buiten het aandachtsgebied ligt. Dit kan nodig zijn bij activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben. Denk aan extra verkeer of bedrijfsemissies. De vergunningverlener toetst aan de omgevingswaarden, tenzij de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze gaan over: • beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden; • ammoniakemissies van veehouderijen; • geologische opslag van CO2. Soms heeft de gemeente in een eerdere fase (toelaten van bedrijven in het omgevingsplan) al getoetst of het omgevingsplan voldoet aan de luchtkwaliteitsregels. Een dergelijke ‘voortoets’ is verplicht als het omgevingsplan in een aandachtsgebied ligt.
Bij de daadwerkelijke aanvraag van een omgevingsvergunning moet het bevoegd gezag vervolgens beoordelen of deze aanvraag voldoet aan de luchtkwaliteitseisen. Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO ² en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Dit volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
29
Om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft, dient gemotiveerd te worden dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze standaardgevallen NIBM vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen in kassen en gebouwen. Dit moet dan wel onder een bepaalde omvang blijven. In artikel 5.54 Bkl is aangegeven dat de omvang voor gebouwen met een woonfunctie en nevengebruikfuncties daarvan, met één ontsluitingsweg: ten hoogste 1500 woningen of twee ontsluitingswegen: ten hoogste 3000 woningen mag bedragen. Voor het telen van gewassen in kassen of gebouwen wordt een maximale oppervlakte van 2 ha. aangemerkt als NIBM-grens. 4.4.2.
Onderzoek
Het planvoornemen betreft het omschakelen van een rundveehouderij naar een paardenhouderij. Dit valt niet binnen een gespecificeerde categorie zoals benoemd onder de NIBM-grens. De vergunde fijnstofemissie is 15.392 g/jaar. Bij omschakeling naar paardenhouderij wordt de emissie van fijnstof volledig weggenomen. Een ander aspect van het plan dat van invloed kan zijn op de luchtkwaliteit, is een eventuele toename van voertuigbewegingen. Er vindt een afname plaats in het aantal transportbewegingen ten opzichte van de vergunde situatie. Met name zware transportbewegingen nemen af van gemiddeld 14 keer per maand naar 0 keer per maand. Lichte transportbewegingen nemen af van gemiddeld 20 keer per maand naar gemiddeld 2 keer per maand. 4.4.3.
Conclusie
Gezien het bovenstaande vormt het aspect ‘luchtkwaliteit’ geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.5.
Geluid
4.5.1.
Wettelijk kader
Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. Ook zijn direct werkende regels in het tijdelijk omgevingsplan opgenomen. Dit zijn de regels voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit. In het tijdelijk deel van het omgevingsplan is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden). In het Bkl staan vergelijkbare regels. Bij BOPA waar geluidsregels relevant zijn, moeten deze in overeenstemming worden gebracht met het Bkl. De instructieregels uit afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge).
Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Het rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid.
30
4.5.2.
Onderzoek
In de bruidsschat wordt het toepassingsbereik voor een agrarisch bedrijf omschreven als “een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen”, in plaats van “een inrichting waar uitsluitend of in hoofdzaak agrarische activiteiten dan wel activiteiten die daarmee verband houden worden verricht” zoals omschreven in het Activiteitenbesluit. Hiermee is geen inhoudelijke wijziging beoogd. De regels in het tijdelijk deel van het omgevingsplan hebben betrekking op aanwezige en tijdelijke geluidgevoelige gebouwen bij een agrarisch bedrijf (artikel 1.1 en 22.55 bruidsschat omgevingsplan). Een bedrijfswoning die bij het agrarische bedrijf hoort, wordt niet beschermd tegen het eigen geluid van het agrarische bedrijf. Dat staat vermeld in artikel 22.58 van de bruidsschat in het omgevingsplan. Woningen krijgen wel bescherming tegen geluid van het agrarische bedrijf. De dichtstbijzijnde woning ligt op een afstand van ca. 240 m. De dichtstbijzijnde bedrijfswoning ligt op een afstand van ca. 25 meter vanaf de bouwvlakgrens van de locatie aan Roerdompweg 11. Gelet op de handreiking van de VNG geldt er een minimale richtafstand van 10 m. vanuit het eigen bedrijf naar de omgeving en omliggende (gevoelige) functies. Er worden geen richtafstanden overschreden.
Tevens voldoet de bedrijfswoning aan Roerdompweg 11 aan de richtafstand ten opzichte van de meest nabij gelegen stallen (de bron). De geluidbelasting zal afnemen. Eveneens vindt een afname plaats in het aantal transportbewegingen zwaar transport doordat deze voornamelijk gekoppeld zijn aan de rundveehouderij. Het planvoornemen maakt geen nieuw geluidgevoelig object mogelijk. Een akoestisch onderzoek is derhalve niet nodig. 4.5.3.
Conclusie
Gezien het bovenstaande vormt het aspect ‘geluid’ geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.6.
Trillingen
4.6.1.
Wettelijk kader
Het onderdeel Trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 van de Bruidsschat en 5.87a van het Bkl. 4.6.2.
Onderzoek
Er zijn in de (directe) omgeving van het projectgebied geen bronnen aanwezig die mogelijk trillinghinder kunnen veroorzaken, zoals spoorlijnen. Er wordt verondersteld dat trillingen op deze locatie geen problemen opleveren. 4.6.3.
Conclusie
Gelet op de afwezigheid van trilling veroorzakende bronnen in de omgeving van het initiatief kan worden geconcludeerd dat het aspect 'trillingen' geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
31
4.7.
Kabels en leidingen
4.7.1.
Wettelijk kader
Er kunnen planologisch relevante kabels en/of leidingen in het projectgebied liggen. Ze kunnen ook in de omgeving voorkomen. Voorbeelden zijn hoofdnutsvoorzieningen. Voorbeelden zijn hoofdnutsvoorzieningen. Dit kunnen leidingen voor het transport van giftige, brandbare en/of ontplofbare stoffen zijn. Daarnaast zijn aardgasleidingen, hoogspanningsleidingen en afvalwaterleidingen ook voorbeelden. De locaties van deze leidingen worden aangegeven in het omgevingsplan als ze voorkomen in het gebied. 4.7.2.
Onderzoek
projectgebied
Figuur 4.7.2.11: Uitsnede Netkaart https://webkaart.hoogspanningsnet.com)
met
aanduiding
projectgebied
(bron:
In de nabije omgeving van het projectgebied liggen geen kabels en leidingen. Het aspect kabels en leidingen vormt derhalve geen belemmering voor het planvoornemen. 4.7.3. Conclusie Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘kabels en leidingen’ geen belemmering voor het planvoornemen.
4.8.
Bodem
4.8.1.
Wettelijk kader
Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen.
32
Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving: • Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerksvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2); • Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22Bal); • Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4) 4.8.2.
Onderzoek
Er wordt geen bodemgevoelig gebouw gerealiseerd. In het verleden zijn geen bodembedreigende activiteiten verricht. Voor zover bekend is het projectgebied niet verdacht van een ernstig geval van bodemverontreiniging. Voor de ruimtelijke procedure is geen aanvullend bodemonderzoek nodig. Tevens vinden geen activiteiten plaats welke effect hebben op de bodemverontreiniging. 4.8.3. Conclusie Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘bodem’ geen belemmering voor het planvoornemen.
4.9.
Geur
4.9.1.
Wettelijk kader
Er bestaan diverse sectoren waar geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb’s. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: • Geur door het houden van landbouwhuisdieren en voor het berijden van paarden en pony’s in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 Bruidsshat); • Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 Bruidsschat); • Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 Bruidsschat); • Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 Bruidsschat). Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal).
In afdeling 8.5 ‘Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit’ van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen.
33
4.9.2.
Onderzoek
Bij voorliggend project is geen sprake van het mogelijk maken van het verrichten van geuractiviteiten in de buurt van gevoelige gebouwen. Tevens is geen sprake van het toelaten van een geurgevoelig gebouw. De woning blijft een bedrijfswoning en is daarmee geen geurgevoelig gebouw. Er is geen onevenredige geurhinder te verwachten richting derden; mestopslag is beperkt en wordt op een verantwoorde afstand geplaatst. Met beëindiging van de melkrundveehouderij en oprichting van de paardenhouderij neemt de geurbelasting af. 4.9.3. Conclusie Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘geur’ geen belemmering voor het planvoornemen.
4.10.
Archeologie en cultuurhistorie
4.10.1.
Wettelijk kader
De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteiten en het verplaatsen van gebouwde monumenten. De archeologische waarden zijn doorvertaald in archeologische dubbelbestemmingen. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. Onder erfgoed vallen cultureel erfgoed en werelderfgoed. Cultureel erfgoed bestaat uit Rijksmonumenten, gemeentelijke en provinciale monumenten en archeologische monumenten. De bescherming van erfgoed wordt geregeld in het Besluit activiteiten leefomgeving, de omgevingsverordening en het omgevingsplan.
Gemeente moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Dit volgt uit artikel 5.130 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Deze instructie geldt nadrukkelijk ook voor bekende en aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Aantoonbaar betekent dat de verwachting gebaseerd is op relevante bodemkundige, archeologische of historische informatie. Om hieraan gevolg te kunnen geven, maakt de gemeente een inventarisatie en analyse van het binnen de gemeente aanwezige en te verwachten cultureel erfgoed. Voor het te behouden cultureel erfgoed moet de gemeente een toereikend beschermingsregime instellen. Bij cultureel erfgoed kan het gaan om: • Monumenten zoals (bouw)werken • Tuinen en parken • Bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten • Stads- en dorpsgezichten en (delen van) cultuurlandschappen • Historische routes Niet alle cultuurhistorische waarden zijn beschermd in het (huidige) omgevingsplan. Monumenten zijn (nog) niet opgenomen. Beeldbepalende panden en landschapselementen zijn wel opgenomen en op deze wijze beschermd.
34
4.10.2.
Onderzoek
Archeologisch erfgoed De gemeente Asten heeft het archeologiebeleid opgenomen in het bestemmingsplan, door op de betreffende gronden de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ op te nemen, teneinde de archeologische waarden te beschermen. Op de locatie Roerdompweg 11 te Heusden is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ opgenomen. Indien de bodemingreep dieper is dan 0,40 meter onder het maaiveld en de omvang groter dan 2.500 m2 is, dan dient een archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Er kan ontheffing verleend worden mits uit gemeentelijk archeologisch beleid blijkt dat geen archeologisch onderzoek nodig is. In het voornemen is sprake van activiteiten welke invloed kunnen hebben op het archeologische verwachting van het gebied. Door sloop van gebouwen en verwijderen van funderingen vinden er op de locatie bodemingrepen plaats. Echter blijft de oppervlakte hiervan onder 2.500 m2. Een archeologisch onderzoek is niet nodig. Cultuurhistorisch erfgoed Binnen het projectgebied liggen geen Rijks- of gemeentelijke monumenten. Ook is er geen sprake van een beschermd stads- en dorpsgezicht. Het dichtstbijzijnde gemeentelijk monument ligt aan de Smientweg, de boerderij genaamd de Maria-Helenahoeve, gelegen aan Smientweg 1. Gezien de afstand tussen het monument en de projectlocatie heeft het initiatief geen invloed hierop.
In de omgeving zijn naast het gemeentelijk monument geen andere beeldbepalende panden aanwezig. Verder aanwezige waarden is het wegenpatroon. De Roerdompweg en de Vlosbergweg zijn wegen die in de CHW van de provincie Noord-Brabant zijn aangewezen met een redelijke hoge waarden. Zie onderstaande figuur ter verduidelijking.
Figuur 4.10.2: Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart Noord-Brabant herziening 2024
Met het initiatief verandert er echter niets aan het wegenpatroon. Het planvoornemen heeft geen invloed hierop. 35
4.10.3. Conclusie Gezien het bovenstaande vormt het aspect ‘archeologisch en cultuurhistorisch erfgoed’ geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.11.
Verkeer en parkeren
4.11.1.
Wettelijk kader
Primair is verkeersveiligheid geregeld in de weg- en verkeerswetgeving (o.a. Wegenverkeerswet). Deze regelgeving maakt geen deel uit van de Omgevingswet. Er dient getoetst te worden aan de richtlijnen ten aanzien van verkeer en parkeren in de nota parkeernormen en waar nodig de normen vanuit het CROW. De omgevingsvisie van de gemeente moet een visie op verkeer en vervoer op gemeentelijk niveau bevatten. De gemeente Asten heeft in haar visie aangegeven dat het gemeentelijk verkeers- en vervoersplan van kracht blijft. Het initiatief dient hieraan getoetst te worden. De parkeernormen van de gemeente zijn opgenomen in de Nota parkeernormen. 4.11.2.
Onderzoek
Het verkeer dat zich op de Roerdompweg bevindt, bestaat hoofdzakelijk uit bestemmingsverkeer naar de omliggende agrarische bedrijven en woningen. Het plan omvat het staken van de rundveehouderij. Dit heeft een waarneembare afname van het aantal transporten en daarmee een daling van de verkeersintensiteit tot gevolg. De uitrit zal niet veranderd worden. Het plan heeft geen nadelige consequenties voor de verkeersveiligheid. Tevens beschikt het projectgebied over voldoende ruimte voor parkeren en parkeergelegenheden. Verkeer De gemeente Asten beschikt over een ‘Gemeentelijk Verkeers- en vervoersplan GWP’. Dit beleidsdocument bevat richtlijnen en ambities voor het verkeer en vervoer binnen de gemeente. Het plan streeft naar een doelmatig, veilig en duurzaam functionerend verkeers- en vervoerssysteem, waarbij de balans gezocht wordt tussen de individuele burger en de samenleving als geheel. Dit beleid wordt in 2025 geactualiseerd. Het verkeer dat zich op de Roerdompweg bevindt, bestaat hoofdzakelijk uit bestemmingsverkeer naar de omliggende agrarische bedrijven en woningen. Het planvoornemen omvat het staken van de rundveehouderij en het oprichten van een paardenhouderij. Dit heeft een waarneembare afname van het aantal transporten en daarmee een daling van de verkeersintensiteit tot gevolg.
Melkrundveehouderijen kennen doorgaans meer aanen afvoerbewegingen van melktransport, voeraanvoer, landbouwverkeer, en verkeersbewegingen door dierenartsen en veehandelaren. Een paardenhouderijen ten behoeve van het houden van 10 paarden heeft geen zwaar transport. Bij een paardenhouderij vindt meer personen- en trailerverkeer plaats. Door vermindering van zwaar verkeer vindt een verbetering van de leefbaarheid plaats. Tevens komt dit de verkeersveiligheid ten goede door minder intensief gebruik van wegen door zwaar verkeer. Het plan heeft geen nadelige consequenties voor de verkeersveiligheid. Parkeerbeleid gemeente Asten De gemeente Asten beschikt over een eigen ‘Nota Parkeernormen 2016’. Het parkeerbeleid vormt het toetsingskader voor beoordeling van parkeervraagstukken bij ruimtelijke ontwikkelingen en functiewijzigingen waarbij gebruik wordt gemaakt van de CROW-normen. Op grond van deze nota wordt voor een arbeidsextensief bedrijf, een parkeernorm van 1,1 parkeerplaats in het buitengebied aangehouden, per 100 m 2 bvo. De oppervlakte aan bebouwing in de beoogde situatie, bedraagt 416 m2. Dit komt neer op (416/100 x 1,1) 5 parkeerplaatsen. Het projectgebied beschikt over voldoende erfverharding om te kunnen parkeren. 4.11.3. Conclusie Gezien het bovenstaande vormt het aspect ‘verkeer en parkeren’ geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 36
4.12.
Gezondheid
4.12.1.
Wettelijk kader
De fysieke leefomgeving kan gevolgen hebben voor de gezondheid van mensen, in positieve of negatieve zin. Zo kan een groene en beweegvriendelijke omgeving goed zijn voor de gezondheid. Aan de andere kant kunnen bijvoorbeeld een matige luchtkwaliteit of een lawaaiige omgeving ongezond zijn. In artikel 1.3 van de Omgevingswet staan de maatschappelijke doelen van de wet. Een van die doelen is een gezonde fysieke leefomgeving. Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners als prettig, nodigt uit tot gezond gedrag en beidt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden. In de brede belangenafweging weegt het bevoegd gezag het belang van de gezondheidsbescherming samen met andere belangen af. Het bevoegd gezag moet motiveren hoe het de verschillende belangen heeft gewogen en wat dit betekent in het omgevingsplan. 4.12.2.
Onderzoek
Het houden van landbouwhuisdieren kan effect hebben op de volksgezondheid in de omgeving van de veehouderij. Fijnstof uit stallen bestaat uit fijne en grovere fracties en bevat allerlei biologische agentia, waaronder endotoxinen. Daarnaast vormt geur een indirect risico voor de volksgezondheid. Ook geluidhinder en extern veiligheid zijn aspecten die effect kunnen hebben op de volksgezondheid. Met het voorgenomen plan vindt er een afname van ammoniakemissie en daalt de fijnstofemissie tot ‘nul’. Dit zorgt dus voor een afname aan gezondheidsrisico’s ten opzichte van de reeds aanwezige activiteiten. Ten aanzien van geur, geluid en externe veiligheid blijkt uit deze motivatie dat wordt voldaan aan gestelde voorwaarden. Voor het plan is eveneens een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Hierin is aangegeven waar er binnen het projectgebied ruimte komt voor groen. Ten opzichte van de huidige situatie komt er meer kwalitatief groen binnen het projectgebied. 4.12.3.
Conclusie
Gezien het bovenstaande vormt het aspect ‘gezondheid’ geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.13.
Duurzaamheid
4.13.1.
Wettelijk kader
Duurzame stedenbouw verbreedt de aandacht naar meer aspecten dan alleen de verkaveling en ontsluiting. Duurzaamheid gaat ook om een zuinig ruimtegebruik, milieuvriendelijkheid, veilig verkeer en vervoer en natuur en rekening houden met het waterhuishoudingsysteem, omgevingsinvloeden, landschapsstructuren en landschapselementen. Dit betekent dat in de praktijk gelet moet worden op het materiaalgebruik, de vormgeving, gebruik van alternatieve energiebronnen, compact bouwen, intensief ruimtegebruik en flexibel bouwen (levensloopbestendig). Duurzaam bouwen heeft een volwaardige plaats in het ontwerp, het bouwen en beheren van de bebouwing. Tijdens de bouw kan door zuinig om te gaan met bouwmaterialen worden voorkomen dat er onnodig afval ontstaat. 4.13.2.
Onderzoek
Als onderdeel van het plan wordt in het kader van de landschappelijke inpassing groen aangeplant op de locatie. Dit groen draagt bij aan een versterking van de groen- en landschapsstructuren in de omgeving. Daarnaast worden bestaande gebouwen hergebruikt in het voornemen zodat er geen sprake is van nieuwbouw. 37
4.13.3.
Conclusie
Gezien het bovenstaande vormt het aspect ‘duurzaamheid’ geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.14.
Natuur
4.14.1.
Wettelijk kader
De Wet natuurbescherming (Wnb) gaat op in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. In de motivatie van een BOPA moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling voor ecologische waarden in beeld worden gebracht, zodat aannemelijk kan worden gemaakt dat de ontwikkeling voldoet aan de wet- en regelgeving op het gebied van natuur. 4.14.2.
Onderzoek
Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Gebiedsbescherming heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijnen) in Nederland. Projecten of andere handelingen en plannen die negatieve effecten op deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel zonder vergunning niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen zoals een omgevingsplan of aanpassingsplan is niet toegestaan, wanneer het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (zoals ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking. Getoetst dient te worden op relevantie en effect van een 20-tal storingsfactoren, te weten stikstofdepositie en 19 overige effecten (zoals door geluid, licht, etc.). Het projectgebied ligt niet binnen de grenzen of in de directe nabijheid van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft ‘Groote Peel’ op een afstand van ca. 1,7 kilometer ten zuiden van het projectgebied. Doordat het projectgebied buiten de begrenzing van Natura 2000-gebieden ligt, kunnen directe negatieve effecten, zoals oppervlakteverlies, op voorhand uitgesloten worden. Verstorende effecten door bijvoorbeeld licht of geluid tijdens de werkzaamheden zijn ook uitgesloten, vanwege de ruimte afstand en tussenliggende infrastructuur.
Significante negatieve effecten door stikstofdepositie zijn in principe nooit op voorhand uit te sluiten vanwege de overbelaste situatie in Nederland. Echter, in dit geval betreft het beëindiging van een melkrundveehouderij, waarna een paardenhouderij wordt geëxploiteerd. Dit heeft tot gevolg dat er een substantiële afname van stikstofemissie plaatsvindt door het beëindigen van de melkrundveehouderij. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Een andere vorm van gebiedsbescherming is het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het NNN is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland, dat voldoende robuust is voor een duurzame verbetering van de omstandigheden voor de wilde flora en fauna en voor natuurlijke leefgemeenschappen. De begrenzing en ruimtelijke bescherming van de provinciale NNN is voor Noord-Brabant uitgewerkt in de Omgevingsverordening Noord-Brabant. Binnen het natuurnetwerk streeft de provincie naar behoud en beheer van de reeds aanwezige natuur, en de ontwikkeling van nieuwe natuur.
38
De dichtstbijzijnde grens met een NNN-gebied is gelegen op een afstand van ca. 690 meter ten oosten van het projectgebied. Gelet op de aard en de omvang van de voorgenomen ontwikkeling van de voorgenomen ontwikkeling kan worden geconcludeerd dat dit niet leidt tot aantasting c.q. doorkruising van het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming Binnen het projectgebied is een ecologisch onderzoek uitgevoerd binnen de kaders van de Wet natuurbescherming. Uit de onderzoeksresultaten kan worden geconcludeerd dat binnen het projectgebied geen (verblijfplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen zijn, die door de werkzaamheden worden beïnvloed. Naar verwachting zal het planvoornemen en de daarbij behorende werkzaamheden geen negatief effect hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dier- en/of plantsoorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit het projectgebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop. Voor aanvang van de werkzaamheden dient derhalve geen aanvullend onderzoek plaats te vinden. Een Omgevingswetvergunning voor de activiteit flora en fauna is niet nodig.
De werkzaamheden kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige algemene soorten. Een algehele vrijstelling op basis van de Omgevingsverordening voor ruimtelijke ontwikkelingen is hierop van toepassing. De zorgplicht blijft onverminderd van toepassing. Wat kort gezegd inhoudt dat al het mogelijke gedaan moet worden om het doden van dieren te voorkomen en eventueel aanwezige individuen te laten vluchten als zij verstoord worden. Aanvullend onderzoek danwel een ontheffing met betrekking tot aantasting van beschermde soorten is niet nodig. Toets Quickscan Het rapport van dit onderzoek is toegevoegd als bijlage 3 bij deze motivatie. 4.14.3.
Conclusie
Gelet op vorenstaande wordt in het kader van ‘natuurbescherming’ voldaan aan de regels en is ter plekke sprake van een evenwichtige toedeling van functies in de fysieke leefomgeving.
4.15.
Milieueffectrapportage
4.15.1.
Wettelijk kader
De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije MER-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één MER-beoordelingsprocedure. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn. 4.15.2.
Onderzoek
In bijlage V van het Omgevingsbesluit worden projecten en de daarvoor benodigde besluiten aangewezen waarvoor een mer-(beoordelings)plicht geldt. De bouw van een nieuwe werktuigenloods binnen een bestaan agrarisch bedrijf komt niet voor in deze opsomming. Een dergelijke mer-procedure is derhalve niet aan de orde. 39
In de overige paragrafen in dit hoofdstuk worden evenwel de relevante milieuaspecten beschreven en gemotiveerd en wordt aangetoond dat er geen onevenredige negatieve effecten te verwachten zijn. 4.15.3.
Conclusie
Gezien het bovenstaande vormt het aspect ‘milieueffectrapportage’ geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
40
5.
Conclusie evenwichtige toedeling van functies aan locaties
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, lid 2 Bkl). Naast de regel dat omgevingsvergunningen slechts kunnen worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, gelden de beoordelingsregels in artikel 8.0b tot en met 8.0 e van het Bkl (zie ook beleidskader Rijk en provincie’, hoofdstuk 3). De vraag bij de vergunningverlening is of het initiatief – de gevraagd activiteit – leidt tot een situatie, waarbij er sprake is van een evenwichtige toedeling (van functies aan locaties). Anders gezegd: is er – na een zorgvuldige belangenafweging - met het toestaan van de activiteit nog steeds of weer sprake van een evenwichtige toedeling? Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagd activiteit) nader onderzocht en afgewogen (zie de hoofdstukken 3 en 4). In dit hoofdstuk wordt een algehele conclusie getrokken waarin gemotiveerd wordt dat gezien de nut/noodzaak gelet op het beleidskader en de effecten op de fysieke leefomgeving er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hierin moet de afweging van alle betrokken belangen tot uitdrukking komen.
De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats op eigen gronden. De ontwikkeling heeft geen negatieve milieugevolgen en zal niet voor overlast zorgen voor omliggende bedrijven, woningen en aangrenzende percelen. De conclusie luidt dan ook dat de ontwikkeling aanvaardbaar is na overweging van al het bovenstaande. De BOPA moet uiteindelijk opgenomen worden in het omgevingsplan. Hiervoor dienen functies aan de locatie te worden toegekend. Voor onderhavig planvoornemen wordt aangesloten bij de functies ‘Agrarisch – Agrarische bedrijf’ en ‘Agrarisch met waarden’. Activiteiten en regels gekoppeld aan de functies dienen te worden opgenomen. In bijlage 4 is de verdeling van de functies opgenomen.
41
6.
Financieel-economische uitvoerbaarheid
6.1.
Economische uitvoerbaarheid
De bepaling over de uitvoerbaarheid uit het Besluit ruimtelijke ordening is onder de Omgevingswet vervallen. De gemeente hoeft niet meer aannemelijk te maken dat een toegedeelde functie er ook zal komen. De gemeente geeft in haar omgevingsplan aan dat een functie op een zekere locatie ‘kan’ komen. Dat is minder verstrekkend. Enkel behoeft te worden gemotiveerd dat een ontwikkeling in beginsel mogelijk is. Pas als zich een concreet initiatief aandient, dat past binnen de in het Omgevingsplan toegedeelde functie, moet worden onderzocht 'hoe' dat op een aanvaardbare wijze gerealiseerd kan worden. De gemeente moet wel onderzoeken of ontwikkeling op de betrokken locatie in beginsel mogelijk is. In deze motivatie is onderbouwd dat een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt en dat de toegekende functies op een aanvaardbare wijze gerealiseerd kan worden. 6.1.1.
Kostenverhaalsplicht
De kosten voor het te realiseren initiatief zijn geheel voor rekening van initiatiefnemer. Initiatiefnemer, die eigenaar is van de betreffende gronden fungeert als financiële drager van het onderhavige project en heeft voor de uitvoering de benodigde financiële middelen gereserveerd. De gemeente beperkt zich tot het verlenen van planologische medewerking aan de uitvoering van het plan. Voor het overige zijn er geen gemeentelijke financiën met het project gemoeid. Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet is de gemeente verplicht tot kostenverhaal, indien sprake is van één of meerdere aangewezen bouwactiviteiten alsook bij gebruiksactiviteiten die mogelijk worden op grond van een nieuw toegedeeld functie aan de locatie. Het gaat om zogenaamde kostenverhaalsplichtige activiteiten zoals genoemd in artikel 8.13 Omgevingsbesluit. Opgemerkt dient te worden dat bij de inwerkintreding van de Omgevingswet nog geen specifieke activiteiten vanwege gebruikswijzigingen zijn aangewezen. Het planvoornemen betreft een kostenverhaalplichtige activiteit, kosten worden verhaald middels leges en er wordt een anterieure overeenkomst afgesloten voor nadeelcompensatie & bijzondere voorwaarden. 6.1.2.
Nadeelcompensatie
Hoofdstuk 15 Omgevingswet behandeld ‘schade’. Afdeling 15.1 gaat over “nadeelcompensatie” (voorheen planschadevergoeding). Op grond van artikel 15.1, eerste lid van de Omgevingswet, wordt door een bestuursorgaan nadeelcompensatie toegekend aan degene die als gevolg van bijvoorbeeld een planontwikkeling schade lijdt. Titel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht is alleen van toepassing op de toekenning van schade als bedoeld in artikel 4:126, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Op grond van artikel 4.126 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het bestuursorgaan de mogelijkheid om met een aanvrager (initiatiefnemer) van een project een overeenkomst te sluiten. De strekking van een dergelijke overeenkomst is dat de door derden geleden schade geheel (of gedeeltelijk) voor rekening komt van de aanvrager. Ten behoeve van voorliggend project wordt een anterieure overeenkomst gesloten tussen de gemeente en initiatiefnemer waarin hij het risico van het ontstaan van schade aanvaard.
42
6.2.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2.1.
Advies en instemming
Hoofdstuk 16 Omgevingswet behandeld ‘procedures Omgevingswet’. Afdeling 16.2 gaat over “coördinatie en betrokkenheid andere bestuursorganen”. De gemeenteraad Op grond van artikel 16.15a onder b Omgevingswet wordt in ieder geval als adviseur aangewezen de gemeenteraad als het gaat om: 1. een aanvraag om een omgevingsvergunning voor in door de gemeenteraad aangewezen gevallen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit; 2. een verzoek om een beslissing over instemming voor in door de gemeenteraad aangewezen gevallen over een voorgenomen beslissing als bedoeld onder 1, als die beslissing op grond van artikel 16.16 instemming van het college van burgemeester en wethouders behoeft. Adviesrecht gemeenteraad, verplichte paricipatie en delegatie onder de Omgevingswet De gemeente Asten heeft het Adviesrecht gemeenteraad, verplichte participatie en delegatie onder de Omgevingswet op 22 februari 2022 vastgesteld. Adviesrecht gemeenteraad bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten Een aanvraag omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit dient in de volgende gevallen ter advisering aan de gemeenteraad te worden voorgelegd: Bijlage 1 artikel 5 Agrarisch: 5.1 Het opslaan, bewerken en verwerken van mest, niet zijnde mest van het eigen bedrijf. 5.2 Het vergroten van een agrarisch bouwperceel, met uitzondering van gevallen die onderdeel uitmaken van het delegatiebesluit.
5.3 Het omschakelen naar een andere agrarische bedrijfsvorm, met uitzondering van gevallen die onderdeel uitmaken van het delegatiebesluit. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd tot het wijzigen van het omgevingsplan indien de wijzigingen betrekking hebben op gevallen waarvoor in het tijdelijk deel van het omgevinsplan een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen. Met dit planvoornemen wordt geen gebruik gemaakt van een wijzigingsbevoegdheid. Conclusie adviesrecht gemeenteraad Voorliggend project voorziet in een geval waarvoor bindend advies van de gemeenteraad vereist is. Besluit advies en instemming bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten Provincie Noord-Brabant Gemeenten kunnen voor ontwikkelingen die niet in het omgevingsplan passen een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) verlenen. Op grond van artikel 16.15d Omgevingswet kunnen Gedeputeerde Staten gevallen aanwijzen als dat vanuit de belangen van de provincie nodig is. Als er gevallen zijn aangewezen, staat in artikel 4.25 van het Omgevingsbesluit dat gemeenten in zo’n geval advies en instemming moeten vragen bij Gedeputeerde Staten. Gedeputeerde Staten hebben bij besluit van 7 november 2023 (Provinciaal blad 2023-13585) gevallen aangewezen op grond van de wet. Hierbij hebben zij besloten in alle gevallen af te zien van instemmingsrecht.
Gedeputeerde Staten vinden het verder belangrijk dat de provincie zoveel mogelijk al in de voorfase betrokken wordt bij ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving (voorkantsamenwerking). Daarom is er geen advies nodig als de vergunning voor de BOPA wordt verleend conform de gemaakte afspraken uit het vooroverleg.
43
7.
Procedure
7.1.
Zienswijzen
De aanvraag om de omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsactiviteit heeft onder andere betrekking op het toestaan van een gebruik in afwijking van het geldend omgevingsplan. Op de onderhavige aanvraag is conform artikel 16.62 Omgevingswet de reguliere procedure van titel 4.1 Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De beslistermijn is acht weken. In sommige gevallen kan het college echter wel bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten de uitgebreide procedure op basis van afdeling 3.4 van de Awb van toepassing verklaren.
7.2.
Bezwaar/beroep
De mogelijkheid van bezwaar komt alleen in de reguliere procedure voor. Het bezwaar dient ingediend te worden bij het bevoegd gezag dat het besluit heeft genomen. Wanneer iemand het niet eens is met het besluit op dat bezwaar, kan hij of zij nog in beroep gaan. In de uitgebreide procedure is bezwaar niet nodig. Daar bestaat de mogelijkheid om zienswijzen tegen het ontwerpbesluit in te dienen. In een beroepsprocedure geeft de rechter een oordeel over een besluit van het bevoegd gezag. In beginsel zal de rechtbank zich hierover buigen. Daarna kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. In bijlage 2 artikel 2 van de Algemene wet bestuursrecht staan besluiten opgenomen waarbij en geen beroepsmogelijk is. Belanghebbenden kunnen eventueel ook een voorlopige voorziening vragen tegen de omgevingsvergunning.