Bijlage 2 - Motivering BOPA Roerdompweg 11, samengevoegd
Tekst van het document
44
Bijlagen bij de ruimtelijke motivatie BOPA Bijlage 1: Bijlage 2: Bijlage 3: Bijlage 4:
LIP Roerdompweg 11 V2 Omgevingsdialoog Quickscan flora & fauna Verbeelding Roerdompweg 11
45
Inpassingsplan Roerdompweg 11, Heusden
Beheerrichtlijnen Bomen Bomen kunnen het beste tussen half november en eind april worden geplant voor dat de sapstroom op gang komt. Het plantgat dient 1,5 tot 2 maal zo breed te zijn dan de kluit maar niet dieper. Zorg ervoor dat de bodem en randen van het plantgat los is en voer zo nodig grondverbetering uit bij het vullen van het plantgat. Geef gedurende twee jaar de boom ruim voldoende water. Bij de aanplant van bomen wordt aangeraden het plaatsen van boompalen en banden sterk aangeraden om jonge bomen recht te houden. Bovendien zorgen boompalen er voor dat wortels niet bewegen en zich beter kunnen ontwikkelen. De boombanden dienen jaarlijks te worden gecontroleerd en eventueel ruimer worden gezet om insnoeren te voorkomen. Slechte boompalen indien nodig vervangen. Na 5 groeiseizoenen kunnen de boompaal en band worden verwijderd. Bij een bomenrij is het van belang dat de boom voldoende opgekroond wordt om de ruimte te creëren voor onderliggende infrastructuur of andere beplanting. Het wordt aangeraden om eens in de vijf jaar snoeiwerkzaamheden te verrichten om dit te bewerkstelligen. Naast dit onderhoud is begeleidingssnoei bij overhangende takken of gevaarlijke/hinderlijke situaties noodzakelijk. Hagen De planten kunnen het beste tussen half november en eind april worden geplant voor dat de sapstroom op gang komt. Voer zo nodig grondverbetering uit bij de plantgaten.
Geef gedurende twee jaar de planten ruim voldoende water. Om een dichte haag te krijgen verdient het aanbeveling om direct na het planten zowel de boven- als zijkant te snoeien. Dit stimuleert de vertakking waardoor een volle haag ontstaat.
geplant voor dat de sapstroom op gang komt. Voer zo nodig grondverbetering uit bij de plantgaten. Geef gedurende twee jaar de planten ruim voldoende water. Een singel dient één keer per jaar in het vroege voorjaar bijgesnoeid te worden maar er kan ook gekozen worden voor een minder frequent onderhoud, bijvoorbeeld één keer per 2 tot 3 jaar, waardoor er robuuster groen ontstaat. Jaarrond is begeleidingssnoei toegestaan in het geval van overhangende takken of gevaarlijke/hinderlijke situaties. De boomvormers volstaan onder dezelfde beheerrichtlijnen. Moment van onderhoud Het kappen en/of snoeien van bomen en struiken tijdens het broedseizoen, is in strijd met hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zodra er daadwerkelijk een vogel broedt in de betreffende boom of struik. Dit broedseizoen loopt over het algemeen van maart tot augustus, maar ook buiten deze periode kunnen snoeien kapwerkzaamheden in strijd zijn met hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Bijvoorbeeld wanneer er een jaarrond beschermd nest aanwezig is of een vogel broedt buiten het broedseizoen. Belangrijk is dan ook om altijd voorafgaand aan de werkzaamheden te controleren of eerdergenoemde situaties niet aan de orde zijn.
Laat de haag elk jaar iets hoger worden tot de gewenst hoogte is bereikt. De eerste jaren na aanplant kan het beste tweemaal per jaar worden geknipt, waarvan de eerste keer vóór de langste dag (de haag heeft dan de kans om nog nieuwe loten te vormen) en de tweede keer rond 1 oktober. Na enkele jaren heeft het de voorkeur om slechts één keer per jaar de haag in het vroege voorjaar te snoeien. Jaarlijkse snoei garandeert het behoud van de vorm van de haag en stimuleert verdichting. Snoeiwerkzaamheden dienen vermeden te worden tijdens felle zon en nachtvorst om schade aan de haag te voorkomen. Groensingel Om een goede singel ontwikkelen worden de heesters en boomvormers in groepen van 3 tot 5 veren aangeplant. Deze groepen worden willekeurig door elkaar geplant om een natuurlijke uitstraling te krijgen. De boomvormers worden niet in de buitenste plantrijen aangeplant. De planten kunnen het beste tussen half november en eind april worden
Landschappelijke inpassing, Roerdompweg 11, Heusden
VERSLAG OMGEVINGSDIALOOG Over welk initiatief is een omgevingsdialoog georganiseerd? Omschakeling van melkrundveehouderij naar paardenhouderij op de locatie Roerdomweg 11 te Heusden. Vindt u dat er sprake is van een middelgroot of een groot initiatief (mate van ruimtelijke en/of maatschappelijke impact op de omgeving)? Een middelgroot initiatief. Met welk doel heeft u de omgevingsdialoog georganiseerd (informeren, raadplegen, adviseren, meeontwerpen)? Informeren van direct omwonenden. Wanneer en op welke manier (hoe, waar) heeft de omgevingsdialoog plaatsgevonden? De omgevingsdialoog is uitgevoerd op 25 maart d.m.v. het langsgaan bij de buren en uitleg geven over voorgenomen ontwikkeling m.b.v. een schets met de beoogde situatie. Welke adressen zijn er op de hoogte gebracht? Motiveer waarom juist zij zijn uitgenodigd. Wij verzoeken u om géén namen van personen te noemen. Geef aan op welke wijze u heeft gezorgd voor toegankelijke informatie voor deze personen (moeilijk bereikbare doelgroep, minder digitaal- of taalvaardigen). Roerdompweg nr. 8 en nr. 9, dit zijn directe buren. Andere locaties liggen op ruime afstand van de locatie. Welke adressen waren daadwerkelijk bij de omgevingsdialoog aanwezig? Wij verzoeken u om géén namen van personen te noemen. Roerdompweg nr. 8 en nr. 9.
Wat waren de reacties, vragen en aandachtspunten en wat hebt u hiermee gedaan? Prima, geen opmerkingen. Zijn uw plannen door de gevoerde omgevingsdialoog aangepast? Als u het plan naar aanleiding van de dialoog bijstelt, geef dan duidelijk aan wat de wijzigingen zijn ten opzichte van het oorspronkelijke plan. Als u ervoor kiest om het plan niet bij te stellen, geef dan duidelijk de redenen aan waarom u dat niet wilt doen. Het gaat namelijk niet alleen om het ophalen van geluiden uit de omgeving, maar ook om het laten zien wat daarmee gedaan is. Nee, er zijn geen aanpassingen doorgevoerd. Hebt u dit verslag eerst in concept aan de personen die bij de omgevingsdialoog aanwezig voorgelegd en hen gevraagd hierop te reageren? Als er reacties zijn binnengekomen, neemt u deze dan ook op in het definitieve verslag. Dit verslag is niet meer voorgelegd aan de personen. Zie bijlagen over de omgang met betreffende getekende formulieren.
QUICKSCAN SOORTENBESCHERMING ROERDOMPWEG 11 TE ASTEN-HEUSDEN
Colofon Quickscan soortenbescherming Projectnummer: E.00006713 Versie: 1 Datum: 10 juli 2025 Opdrachtnemer Agrifirm NWE BV Bedrijfsontwikkeling Exlan Waalkade 33 5347 KR Oss Locatie Roerdompweg 11 Asten-Heusden Contactpersoon AvZ T: 088 – 488 2929 F: 088 – 488 2102 Email: exlanadvies@agrifirm.com Uitvoerders AvZ MB Collegiale check KvL
ALLE RECHTEN VOORBEHOUDEN. NIETS UIT DEZE UITGAVE MAG WORDEN VERVEELVOUDIGD DOOR MIDDEL VAN DRUK, FOTOKOPIE, MICROFILM, GELUIDSBAND, ELEKTRONISCH OF OP WELKE ANDERE WIJZE DAN OOK, EN EVENMIN IN EEN GEAUTOMATISEERD GEGEVENSBESTAND WORDEN OPGESLAGEN, ZONDER VOORAFGAANDE SCHRIFTELIJKE TOESTEMMING VAN AGRIFIRM EXLAN.
2 Quickscan Soortenbescherming – Roerdompweg 11 Asten-Heusden
Inhoudsopgave Quickscan soortenbescherming INLEIDING
4
HOOFDSTUK 1 TOETSINGSKADER
6
HOOFDSTUK 2 ONDERZOEKSRESULTATEN
10
HOOFDSTUK 3 CONCLUSIE
29
LITERATUUR
30
WAARNEMINGEN EFFECTEN INDICATOR SOORTEN PLAN PROJECTLOCATIE RAPPORT BESCHERMDE SOORTENINDICATOR (BESI)
31 34 37 38
3 Quickscan Soortenbescherming – Roerdompweg 11 Asten-Heusden
6
10
29
Inleiding Planbeschrijving Aanleiding Het plangebied is gelegen aan de Roerdompweg 11 te Asten-Heusden. De plannen omvatten het deels slopen van vier bedrijfsgebouwen. De rundveehouderij wordt beëindigd. De paardenhouderij blijft wel bestaan. In dit kader wordt door het bevoegde gezag een toets aan de soortenbescherming noodzakelijk geacht. Bij de uitvoering van de voorgenomen ingrepen moet rekening worden gehouden met het huidige voorkomen van de, op grond van de Omgevingswet, beschermde soorten. Als de voorgenomen ingreep leidt tot het overtreden van verbodsbepalingen betreffende beschermde soorten, is er een Omgevingswetvergunning voor de activiteit flora en fauna benodigd. De voorliggende quickscan bevat een inventarisatie van de huidige aanwezigheid van beschermde soorten planten en dieren in en om het plangebied. Tevens worden de te verwachten effecten van de ingreep in het plangebied beoordeeld. Plangebied Het plangebied ligt in de plaats Asten-Heusden in de gemeente Asten. Het plangebied bevindt zich buiten de verkeerskundige en stedenbouwkundige bebouwde kom van Asten-Heusden.
Afbeelding 1: luchtfoto plangebied (bron: streetsmart.cyclomedia.com/streetsmart, geraadpleegd op 25/06/2025)
4 Quickscan Soortenbescherming – Roerdompweg 11 Asten-Heusden
Afbeelding 2: luchtfoto detail plangebied (bron: streetsmart.cyclomedia.com/streetsmart, geraadpleegd op 25/06/2025)
Onderzoeksmethode Om een goede indicatie van de natuurwaarden binnen het plangebied te krijgen, wordt het onderzoek in verschillende stappen uitgevoerd. Op basis van bronnenonderzoek is nagegaan of er wettelijk beschermde planten- of diersoorten in het gebied voor kunnen komen waaraan extra aandacht geschonken dient te worden tijdens het terreinbezoek. Na het bronnenonderzoek is een verkennend terreinbezoek gebracht aan het plangebied. Hierbij is beoordeeld voor welke soorten het gebied daadwerkelijk een geschikte habitat biedt en welke soorten er voor kunnen komen. Vervolgens zijn de mogelijke effecten op de verwachte beschermde soorten beschreven. Op basis van de doorlopen procedures zijn conclusies getrokken met betrekking tot de eventuele negatieve effecten en/of obstakels inzake de Omgevingswet. Op vrijdag 6 juni 2025 is de locatie tussen 12:00 en 13:00 uur ter plaatse geïnventariseerd, om te onderzoeken of het plangebied een zodanig belangrijke status heeft dat een aanvullend veldonderzoek noodzakelijk is. Op het moment van inventarisatie was het 18 graden Celsius en wisselvallig met zon en wolken. Op basis van terreinkenmerken is beoordeeld of het terrein geschikt is voor de, in de regio voorkomende, beschermde soorten.
Doelstelling Om een indicatie te krijgen van de effecten die de sloopwerkzaamheden hebben op de natuurwaarden binnen het plangebied, dienen de volgende vragen te worden beantwoord: 1. Welke wettelijk beschermde soorten komen in het plangebied voor? Welke status hebben deze soorten? 2. Welke invloed heeft de geplande ingreep in het betreffende gebied op de beschermde soorten en komt daarmee de staat van instandhouding in gevaar? 3. Hoe dient omgegaan te worden met eventuele negatieve effecten van het plan op wettelijk beschermde planten- en diersoorten, en welke vervolgstappen zijn nodig?
5 Quickscan Soortenbescherming – Roerdompweg 11 Asten-Heusden
Hoofdstuk 1
1 Toetsingskader Omgevingswet De bescherming van natuur is in Nederland vastgelegd in nationale wetgeving. De nationale wetgeving is een Nederlandse implementatie van de belangrijkste Europese wetgevingselementen. Per 1 januari 2017 zijn de Flora- en Faunawet, de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998 vervangen door de Wet natuurbescherming. En per 1 januari 2024 zijn deze allen opgenomen in de Omgevingswet. De uitvoering van deze nieuwe wet is grotendeels in handen Gedeputeerde Staten van de provincies.
1.1
Gebiedsbescherming De Omgevingswet noemt bekende maar ook enkele nieuwe soorten natuurgebieden die bescherming behoeven: de Natura 2000-gebieden, het Natuurnetwerk Nederland (NNN), bijzondere provinciale natuurgebieden en landschappen, bijzondere nationale natuurgebieden en de nationale parken. Bij ontwikkelingen met name in het buitengebied moet rekening worden gehouden met het al dan niet van toepassing zijn van de beschermingsregimes van deze natuurgebieden. Ieder gebied kent een eigen beschermingsregime dat afzonderlijk gewogen dient te worden in relatie tot plannen, projecten en andere handelingen met mogelijk nadelige effecten voor de beschermde natuurwaarden. Natura 2000-gebieden De bekendste natuurgebieden zijn de Natura 2000-gebieden, zij kennen tevens het meest strikte beschermingsregime. De basis voor Natura 2000 zijn de Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. In Nederland zijn 164 gebieden als Natura 2000-gebied aangewezen. Daarnaast kent Nederland ook ‘bijzonder nationaal natuurgebied’. Voor ieder gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen bepaald die betrekking kunnen hebben op de bescherming van specifieke flora en fauna alsook leefgebieden van soorten. Alle projecten en handelingen binnen of buiten de gebiedsgrenzen mogen geen verstorend of verslechterend effect hebben op de instandhoudingsdoelstellingen.
Voor de voorgenomen ontwikkeling is hier, voor zover van toepassing, separaat aan getoetst. In deze rapportage wordt hier verder niet op ingegaan. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. De provincies zijn belast met de taak een dergelijk netwerk tot stand te laten te komen en in stand te laten. De uitvoering hiervan is hoofdzakelijk gestuurd vanuit de ruimtelijke ordening (provinciale verordeningen). Binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt een “ja-mits”- benadering. Overige gebieden Naast de bovengenoemde gebieden kunnen gebieden aangewezen worden als ‘bijzondere provinciale natuurgebieden’, ‘bijzondere provinciale landschappen’ of ‘nationaal park’. De bescherming van deze gebieden vindt net als bij het NNN plaats via het ruimtelijk spoor. Daarnaast kan een gebied aangewezen worden als ‘bijzonder nationaal gebied’, een soort voorloper van de aanwijzing als Natura 2000-gebied. De bescherming van deze gebieden stemt dan ook overeen met de bescherming van Natura 2000-gebieden.
6 Quickscan Soortenbescherming – Roerdompweg 11 Asten-Heusden
1.2
Soortenbescherming De Omgevingswet verbiedt het om zonder omgevingsvergunning voor de activiteit flora en fauna, activiteiten te verrichten. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) wordt het beschermingsregime geregeld van alle van nature in Nederland in het wild voorkomende dieren en planten. Er wordt onderscheid gemaakt tussen drie soorten beschermingsregimes: 1) Beschermingsregime soorten vogelrichtlijn (paragraaf 11.2.2) 2) Beschermingsregime soorten habitatrichtlijn (paragraaf 11.2.3) 3) Beschermingsregime ander soorten (paragraaf 11.2.4) Daarnaast zijn er vrijgestelde soorten en jaarrond beschermde vogelnesten. Vogelrichtlijn Onder de soorten van de Vogelrichtlijn vallen alle van nature in Nederland in het wild levende vogels. Het is verboden om: Opzettelijk vogels te doden of te vangen; Opzettelijk vogelnesten, -rustplaatsen en – eieren te vernielen of te beschadigen of vogelnesten weg te nemen; Eieren van vogels te rapen en deze onder zich te hebben; Opzettelijk vogels te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Habitatrichtlijn Onder de soorten van de Habitatrichtlijn vallen soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I (planten) en II (diersoorten) van het Verdrag van Bern en Bijlage I van het Verdrag van Bonn.
In de Bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. Wat betreft deze soorten is het verboden om: Opzettelijk dieren te doden of te vangen; Opzettelijk dieren te verstoren; Opzettelijk eieren van dieren te vernielen of te rapen; Voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen; Opzettelijk planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied te plukken, te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Ook is het verboden deze soorten te verkopen, te vervoeren voor verkoop, te verhandelen, te ruilen of te koop of te ruil aan te bieden, tenzij het gaat om gefokte of gekweekte dieren of planten. Andere soorten Onder het beschermingsregime andere soorten vallen soorten waarvan er geen Europese verplichting tot bescherming is. Dit zijn soorten die vanuit nationaal belang extra bescherming behoeven. Het beschermingsniveau van deze soorten kan per provincie verschillen. Het is verboden om: 1) Opzettelijk dieren te doden of te vangen; 2) Vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren te beschadigen of te vernielen; 3) Opzettelijk (vaat)planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied te plukken te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten.
7 Quickscan Soortenbescherming – Roerdompweg 11 Asten-Heusden
Vrijgestelde soorten De verboden zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden. Ook vallen de zwarte rat, bruine rat, huismuis, de mol en sommige exoten niet onder beschermingsregime van de Omgevingswet en mogen opzettelijk gedood en gevangen worden. Indien deze soorten aanwezig zijn, is een alternatievenafweging noodzakelijk en dient onnodig lijden ten alle tijden voorkomen worden. Daarnaast geldt, zoals hierboven reeds aangegeven, dat provincies de bevoegdheid hebben vrijstelling te verlenen voor bepaalde soorten. Jaarrond beschermde vogelnesten De opgestelde lijst met jaarrond beschermde nesten voor vogels is een beleidsdocument dat voortvloeit uit artikel 11.42 van het Bal en is opgenomen in de provinciale omgevingsverordening. De nesten zijn ingedeeld in categorieën (1 t/m 5) waarvan de categorie 1 t/m 4 jaarrond beschermd zijn. Nesten in categorie 5 zijn enkel beschermd bij afwezigheid van voldoende alternatieven. 1) Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats 2) Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop.
De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. 3) Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. 4) Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen. 5) Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Specifieke zorgplicht De specifieke zorgplicht is geregeld in artikel 11.27 van het Bal.
Hieronder vallen de volgende soorten: Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van de soorten die genoemd zijn in bijlage I van de Vogelrichtlijn en Alle geregeld in Nederland voorkomende trekvogels als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de vogelrichtlijn; Alle van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van de soorten die zijn opgenomen in de bijlagen II, IV en V van de habitatrichtlijn; Alle dieren of planten van soorten die genoemd zijn in bijlage IX of in de rode lijsten De rode lijst is een lijst met van nature in Nederland voorkomende dieren en planten die met uitroeiing bedreigd worden of die speciaal gevaar lopen. Deze lijst wordt periodiek vastgesteld door de Minister van Natuur en Stikstof. De meest recente lijst dateert van 2 oktober 2024. Wanneer een soort zeldzaam is, of een negatieve trend laat zien, kan deze op de rode lijst gezet worden. De rode lijst heeft geen juridische status. Wel geldt voor de soorten op deze lijst dus de specifieke zorgplicht. De specifieke zorgplicht houdt in dat nadelige gevolgen voor de genoemde dieren en planten zo veel mogelijk moet worden voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt. Voor deze soorten moet, voorafgaand aan het verrichten van activiteiten, worden vastgesteld of deze soorten op de locatie aanwezig zijn en of de voorgenomen activiteiten nadelig zijn voor deze soorten.
Er moeten preventieve maatregelen worden getroffen om eventuele nadelige gevolgen te voorkomen.
8 Quickscan Soortenbescherming – Roerdompweg 11 Asten-Heusden
1.3
Houtopstanden Afdeling 11.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) gaat over het vellen van houtopstanden en het herplanten van grond na het vellen van houtopstanden. Een houtopstand is een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend. Buiten de bescherming vallen: Houtopstanden binnen de ‘bebouwingscontour houtkap’. Dit bebouwingscontour dient door de gemeenteraad vastgesteld te zijn in het omgevingsplan; houtopstanden op erven of in tuinen; bomen en struiken die specifiek voor het oogsten van fruit, noten of vruchten zijn geteeld; houtopstanden die windschermen om boomgaarden vormen naaldbomen die duidelijk bedoeld zijn als kerstbomen én niet ouder zijn dan 20 jaar; kweekgoed; populieren of wilgen van: o wegbeplantingen o beplantingen langs waterwegen, of o eenrijige beplantingen langs landbouwgronden het dunnen van een houtopstand om de groei van de overblijvende houtopstand te bevorderen. Bijvoorbeeld als onderdeel van het reguliere onderhoud van de houtopstand; beplantingen die bestaan uit populieren, wilgen, essen of elzen en duidelijk bedoeld zijn voor de productie van houtige biomassa onder de volgende voorwaarden: o Het oogsten vindt minstens 1 keer per 10 jaar plaats. o De beplantingen bestaan uit minstens 10.000 stoven per ha per beplantingseenheid.
o Een beplantingseenheid moet bestaan uit aaneengesloten beplanting zonder doorsnijding door meer dan 2 m brede onbeplante stroken. o De beplantingen zijn aangelegd na 1 januari 2013. houtopstanden met een oppervlakte van minder dan 10 are. Het gaat hier om de oppervlakte van de totale houtopstand dus niet alleen van het te vellen deel; houtopstanden die bestaan uit een rijbeplanting van maximaal 20 bomen (gerekend over het totaal aantal rijen). Het gaat hier om het aantal bomen in rijbeplanting van de totale houtopstand dus niet alleen het aantal te vellen bomen. Naast de Omgevingswet kan ook een gemeente beperkingen opleggen ten aanzien van het kappen van bomen. Er is dan een omgevingsvergunning nodig voor het kappen van bomen op grond van de Algemeen Plaatselijke Verordening (APV). Tenslotte kan ook in een provinciale verordening een kapverbod opgelegd worden. Indien hier sprake van is, moet er bij de provincie een ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Voor de voorgenomen ontwikkeling is hier, voor zover van toepassing, separaat aan getoetst. In deze rapportage wordt hier verder niet op ingegaan.
9 Quickscan Soortenbescherming – Roerdompweg 11 Asten-Heusden
Hoofdstuk 2
2 Onderzoeksresultaten 2.1
Bronnenonderzoek Gegevens van websites als www.waarneming.nl en de verspreidingsatlas van NDFF zijn geraadpleegd voor achtergrondinformatie. Een groot aantal amateurs en professionals publiceert op deze bekende websites zijn natuurwaarnemingen, die worden gecontroleerd door een validatiecommissie. Zodoende zijn de waarnemingen uit deze bronnen redelijk betrouwbaar, maar moeilijk te verifiëren. De waarnemingen geven eventueel wel een indicatie van soorten waar tijdens het veldonderzoek extra aandacht aan besteed dient te worden. Natuurnetwerk Nederland Het natuurbeheerplan is een beleidskader om het Europese, rijks- en provinciale natuur- en landschapsbeleid te realiseren. Het gaat hier om bestaande natuurgebieden, gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt, landbouwgebieden worden ingericht en beheerd volgens agrarisch natuurbeheer en de Natura 2000-gebieden. Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland en buiten andere natuurgebieden zoals Natura 2000. Het meest dichtbijgelegen Natura 2000-gebied is het Natura 2000-gebied “Groote peel”. Het habitat- en vogelrichtlijnengebied is gelegen op een afstand van 1,8 kilometer ten zuiden van de projectlocatie. Op circa 3,6 kilometer ten oosten ligt het habitaten vogelrichtlijnen gebied de “Deurnsche Peel & Mariapeel”.
De stikstofuitstoot van het bedrijf zal afnemen waardoor er geen negatieve effecten op het Natura 2000-gebied zullen ontstaan als gevolg van deze ontwikkeling. Een AERIUS-berekening zal hier uitsluitsel over geven. Hierop gaat deze quickscan niet verder in.
Afbeelding
3:
ligging
Natuurnetwerk
Nederland
en
(bron: atlasleefomgeving.nl/kaarten, geraadpleegd op 25/06/2025)
10
Quickscan Soortenbescherming – Roerdompweg 11 Asten-Heusden
Natura
2000
Het meest dichtbijgelegen natuurnetwerkgebied is gelegen op een afstand van circa 650 meter ten oosten van de projectlocatie. Het betreft een bosgebied van verschillende bomen zoals eik en berk. Het Natuur Netwerk Brabant hangt samen met het Natuur Netwerk in de andere delen van Nederland en met het Europese net van natuurgebieden, bekend onder de naam Natura 2000. Het NNB bestaat uit: bestaande natuur- en bosgebieden; gerealiseerde nieuwe natuur. Dit zijn gronden die met subsidie uit het Natuurbeheerplan zijn gerealiseerd als nieuwe natuur en waar de landbouwfunctie of een andere niet-natuurbestemming is verdwenen; nog niet gerealiseerde nieuwe natuur. Dit zijn meestal agrarische gronden die in het Natuurbeheerplan zijn aangewezen als nieuwe natuur, maar waar de gewenste natuurfunctie nog niet is gerealiseerd. De oude functie of bestemming is nog aanwezig; ecologische verbindingszones. Het provinciale beleid is erop gericht om het netwerk in 2027 gereed te hebben.
Dit wordt in het algemeen bereikt door: het concreet aanwijzen van de gebieden die tot het NNB behoren en het vastleggen van de natuurdoelen (bepalen); voor zover nodig functiewijziging van landbouwgrond en ander niet-natuurgebruik naar natuurgebied door aankoop of particulier natuurbeheer (deelname); inrichten van deze gebieden zodat de natuurkwaliteit (omschreven in natuurdoelen) ontwikkeld kan worden (inrichting); realiseren van de natuurkwaliteit door een duurzaam beheer en eventueel aanvullend omgevingsbeleid (uitvoering). Brabant kiest er voor om samen met de zogenaamde 'Manifestpartners' het hele NNB in Brabant realiseren. De provincie nodigt particuliere eigenaren en ondernemers uit om delen van het NNB te ontwikkelen. Natuur en landschap wordt meer vanuit de regio en dichter bij de samenleving gerealiseerd. De provincie biedt daarbij de ruimte om economische ontwikkeling te koppelen aan investeringen in natuur. Op basis van het rijksbeleid geldt de verplichting om de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB in stand te houden en te beschermen (paragraaf 7.3.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving). Niet alleen het behouden, herstellen en beschermen van bestaande waarden in het natuurnetwerk is belangrijk: er moet ook ruimte zijn voor ontwikkelingen. Juist daarmee ontstaan ook kansen voor de realisering en versterking van het natuurnetwerk.
Hiervoor zijn de door Rijk en provincies opgestelde "Spelregels EHS beleidskader voor compensatiebeginsel, EHS-saldobenadering en herbegrenzen EHS" (20 augustus 2007) van belang. Deze spelregels zijn in de verordening nader uitgewerkt. Binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt een “ja, mits”- benadering. Het project is niet gelegen binnen het Natuurnetwerk Nederland. Ook is het verstoren van de natuurwaarden van de omliggende natuurnetwerkgebieden is gezien de afstand uitgesloten.
2.2
Veldonderzoek Op verschillende punten in het plangebied zijn waarnemingen verricht. Tijdens het veldbezoek is het gebied beoordeeld op de aanwezigheid van beschermde soorten en de habitatgeschiktheid voor beschermde soorten. Er is extra aandacht besteed aan de mogelijke aanwezigheid van vleermuizen en vogelnesten. De ecologische factoren in de omgeving zijn met behulp van een digitale fotocamera vastgelegd. Om de flora en fauna te kunnen determineren, is gebruik gemaakt van eigen kennis en literatuur.
11
Quickscan Soortenbescherming – Roerdompweg 11 Asten-Heusden
12
Afbeelding 4: Woning, hier broeden huismussen
Quickscan Soortenbescherming – Roerdompweg 11 Asten-Heusden
13
Afbeelding 5: straatbeeld overzijde zit agrarisch bedrijf ook met huismussen
Quickscan Soortenbescherming – Roerdompweg 11 Asten-Heusden
14
Afbeelding 6: Reeds gestripte melkstal
Afbeelding 7: Binnenzijde te slopen stal
Quickscan Soortenbescherming – Roerdompweg 11 Asten-Heusden
15
Afbeelding 8: Binnenzijde omgebouwde varkensstal naar rundveestal
Afbeelding 9: Voorzijde voormalige varkensstal
Quickscan Soortenbescherming – Roerdompweg 11 Asten-Heusden
16
Afbeelding 10: Links te slopen rundveestal en rechts omgebouwde varkensstal
Afbeelding 11: Buitenzijde te slopen rundveestal
Quickscan Soortenbescherming – Roerdompweg 11 Asten-Heusden
17
Afbeelding 12: Linksaanbouw melkveestal en rechts sleufsilo beiden te slopen
Afbeelding 13: Binnenzijde te slopen aanbouw melkveestal
Quickscan Soortenbescherming – Roerdompweg 11 Asten-Heusden
18
Afbeelding 14: Te behouden schuur met in de nok huismus nesten
Quickscan Soortenbescherming – Roerdompweg 11 Asten-Heusden
19
Afbeelding 15: Binnenzijde te behouden schuur
Quickscan Soortenbescherming – Roerdompweg 11 Asten-Heusden
20
Afbeelding 16: Struweel bosje blijft behouden, rechts te behouden schuur
Afbeelding 17: Vooraanzicht te behouden schuur
Quickscan Soortenbescherming – Roerdompweg 11 Asten-Heusden
21
Afbeelding 18: Paardenstal blijft ook behouden
Afbeelding 19: Te slopen rundveestal, paardenstal blijft behouden aan de achterzijde
Quickscan Soortenbescherming – Roerdompweg 11 Asten-Heusden
22
Afbeelding 20: Voorgevel binnenzijde Rundveestal
Afbeelding 21: Platdak blijft behouden, gevel rundveestal wordt gesloopt
Quickscan Soortenbescherming – Roerdompweg 11 Asten-Heusden
Afbeelding 22: Woonhuis
Flora algemeen Bij de planlocatie zijn geen bijzondere beplantingen aangetroffen. Er is tevens gelet op de aanwezigheid van (beschermde) muurvegetatie. De erfbeplanting bestaande uit verschillende hagen en de siertuin blijven behouden. Met de beoogde werkzaamheden worden geen opgaande beplanting gekapt. Grondgebonden zoogdieren Specifiek wordt bekeken of binnen de betreffende inrichting verwacht kan worden of er streng beschermde zoogdieren; steenmarter, bunzing, hermelijn, wezel, eekhoorn, bever en das kunnen worden aangetroffen. Steenmarter De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor de steenmarter. Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes en dergelijke, als verblijfplaats. Een steenmarter heeft binnen zijn territorium verscheidene verblijfplaatsen. Daarnaast laten steenmarters enorm veel sporen achter. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen, zoals uitwerpselen of prooiresten aangetroffen die duiden op het gebruik van de onderzoekslocatie als vaste rust- of verblijfplaats door deze soort. Kleine marterachtigen De onderzoekslocatie biedt geen geschikte verblijflocaties voor de hermelijn, wezel en bunzing. De soorten maken gebruik van oude holen van onder andere mollen en muizen, maar ook houtwallen, steenhopen en ruimtes onder boomwortels. Desbetreffende soorten hebben binnen hun territorium verscheidene verblijfplaatsen.
Tijdens het veldbezoek zijn er geen marters of sporen van marters aangetroffen op de onderzoekslocatie. Echter, dit betekent niet dat het gebied niet potentieel in gebruik is door de hermelijn, wezel en/of bunzing als migratieroute. Gezien de onderzoekslocatie kleiner is dan één hectare kan gesteld worden dat deze geen essentieel onderdeel uitmaakt van het leefgebied van een van genoemde soorten (Bouwens 2017). Daarbij vinden er geen werkzaamheden plaats aan een houtwal of groenstructuur. Hierdoor is het beschadigen van een verblijfplaats van kleine marterachtigen uitgesloten.
23
Quickscan Soortenbescherming – Roerdompweg 11 Asten-Heusden
Eekhoorn De onderzoekslocatie is vanwege de afwezigheid van voldoende bomen niet geschikt als habitat voor de eekhoorn. Er staan te weinig bomen rondom de projectlocatie. Eekhoorns leven doorgaans in oude, dichte bossen met een grote verscheidenheid aan soorten waarin zij hun voedsel kunnen vinden. De oude bomen bieden holtes voor het bouwen van een nest. Tevens worden er met de werkzaamheden geen bomen verwijderd. Een negatief effect als gevolg van de werkzaamheden is uitgesloten. Bever Er komen bevers voor in de omgeving. Echter is er voor de bever is op de onderzoekslocatie geen geschikt habitat aanwezig. De bever leeft in het water of de waterkant. Rondom de projectlocatie is geen water aanwezig. Verstoring van vaste rust- en verblijfplaatsen van de bever kunnen worden uitgesloten. Das Dassen komen wel voor in het gebied rondom de projectlocatie. Zij maken hun burchten in de grens tussen bos(jes) en weilanden. Bij voorkeur in een talud, verstopt in de dekking. De houtwal rond het bedrijf is gecontroleerd op sporen die duiden op de aanwezigheid van dassen. Daarbij is gelet op graafsporen, burchten, latrines en wissels. Deze zijn niet waargenomen. Daarbij vinden de sloopwerkzaamheden plaats op een bedrijf waar veel menselijke activiteiten aanwezig zijn. de sloopwerkzaamheden vinden in de dagperiode plaats. Dassen zijn nachtactief.
Het verstoren van een vaste rust- en verblijfplaats is daarmee uit te sluiten. Tijdens het veldbezoek zijn op de onderzoekslocatie en de directe omgeving geen loop- of eetsporen, latrines en/of wissels aangetroffen die duiden op de aanwezigheid en/of het gebruik van de onderzoekslocatie door de das. Deze zijn niet waargenomen. Daarmee is uit te sluiten dat de projectlocatie onderdeel uitmaakt van een essentieel foerageergebied van de das. Verstoring ten aanzien van de das als gevolg van de voorgenomen ingreep is niet aan de orde. Het voorkomen van overige grondgebonden zoogdieren waarvoor geen vrijstelling geldt, is tijdens het veldbezoek niet vastgesteld. Vleermuizen Het plangebied is zeer nauwkeurig beoordeeld op de mogelijke waarde voor vleermuizen. Hierbij is gelet op de geschiktheid van de aanwezige bebouwing als verblijfplaats voor deze dieren: aanwezigheid van spouwgaten en andere openingen in muren en daken, vetstrepen, uitwerpselen en prooiresten bij gevelopeningen. Verblijfsruimte voor vleermuizen hebben specifieke voorwaarden zoals een stabiele temperatuur en het tochtvrij zijn. Bij vleermuizen worden vier verblijfplaatsen onderscheiden; winterverblijven, zomerverblijven, kraamverblijven en paarverblijven.
Aan de winterverblijven worden de hoogste eisen gesteld, daarna de kraamverblijven, dan de zomerverblijven en tenslotte de paarverblijven, waarbij de vleermuizen een zeer korte tijd op een bepaalde locatie kunnen verblijven. De dakconstructie van de stallen bestaan uit daken met ongeïsoleerde golfplaten welke niet stabiel blijven qua temperatuur en gedurende de dag aan enorme temperatuurschommelingen onderhevig zijn. De dakconstructie is hierdoor geen geschikte verblijfsplaats voor vleermuizen. Aan de onderzijde van de daken is gecontroleerd op sporen die de aanwezigheid van vleermuizen aantonen. Daarbij is gelet op individuen, uitwerpselen en prooiresten zoals vlindervleugels. Deze zijn niet waargenomen. De gevels van de stallen bestaan uit een metselwerk gevel met spouwmuur. Er zitten geen open stootvoegen of andere openingen in de gevels die toegang geven tot de spouw. Ook ramen en deuren sluiten nauw aan op het metselwerk. De golfplaten zijn bevestigd op een houten plank die tegen de gevel is bevestigd, daardoor kunnen vleermuizen niet onder de golfplaten komen. 24
Quickscan Soortenbescherming – Roerdompweg 11 Asten-Heusden
Er zijn in en om de stallen geen sporen (vetstrepen, uitwerpselen, prooiresten) aangetroffen. Naast de onderzoekslocatie bevindt zich het woonhuis. Eventuele verblijfsplaatsen hierin ondervinden door de afstand tot de slooplocatie en de aard van de ingreep geen hinder. Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op de aanwezige habitat, gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen. In de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig in de vorm van bomenrijen en bosranden. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen zoals houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfsplaatsen en foerageergebieden. Doordat de houtwal rond het bedrijf aanwezig blijft, wordt geen vliegroute aangetast. Vogels Tijdens het bezoek is met name gelet op de aanwezigheid van nesten en rustplaatsen voor vogels. Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn.
Binnen het agrarische (buiten)gebied kunnen dit zijn: boomvalk, buizerd, havik, sperwer, wespendief, huismus, steenuil, kerkuil, boerenzwaluw, huiszwaluw, bosuil, ransuil en torenvalk. Boomvalk De boomvalk is een soort die geen eigen nest maakt, maar broedt in gebruikte kraaien- en/of eksternesten in verschillende typen bos(randen) of in solitaire bomen, populierensingels, of op erven. De soort komt vooral voor in open en halfopen landschappen zoals boerenland en dorpen, alsook in buitenwijken van steden. De bomen op- en nabij de projectlocatie zijn gecontroleerd op dergelijke nesten, deze zijn niet aangetroffen. Evenmin worden er met de beoogde werkzaamheden bomen verwijderd. Negatieve effecten op de boomvalk als gevolg van de werkzaamheden zijn derhalve niet aan de orde. Buizerd en havik De buizerd en havik broeden op grote nesten van ongeveer een meter in doorsnede en 60 centimeter diep. Dergelijke nesten zijn tijdens het veldbezoek niet waargenomen. Een broedgeval van de buizerd en havik is daarom uit te sluiten. Eveneens worden er met de beoogde werkzaamheden geen bomen gekapt, zodat het wegnemen van een jaarrond beschermd nest kan worden uitgesloten. Wespendief en sperwer De wespendief is doorgaans gebonden aan grotere bosgebieden van zowel loof- als naaldbomen. Bij voorkeur is er afwisseling binnen het bosgebied aanwezig in de vorm van open plekken.
De sperwer broedt bij voorkeur meer verborgen in naaldbomen. Beide situaties zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Gezien de ligging van de onderzoekslocatie binnen agrarisch gebied en de afwezigheid van voldoende dekking is een nestplaats van de sperwer of wespendief niet te verwachten. Eveneens zijn er tijdens het veldbezoek geen nesten aangetroffen. Een broedgeval van zowel de wespendief als de sperwer zijn uitgesloten.
25
Quickscan Soortenbescherming – Roerdompweg 11 Asten-Heusden
Steenuil en kerkuil De kerkuil en steenuil hebben een voorkeur voor cultuurlandschappen met allerlei landschapselementen die voor afwisseling zorgen. Beide soorten broeden in gebouwen en gebruiken ook graag speciale nestkasten. Daarnaast worden door de steenuil ook wel boomholten gebruikt, mits er zich grote holten in bevinden. De gebouwen zijn in zijn geheel gecontroleerd op de aanwezigheid van steen- en kerkuilen en is vooral gelet op de aanwezigheid van sporen; braakballen, veren en uitwerpselen. Daarnaast hangen er geen uilenkasten op het bedrijf. Er zijn geen (sporen van) steen- en kerkuilen waargenomen. Er is geen sprake van een afname van belangrijk foerageergebied. Huismus Ook voor de huismus, die veel te vinden is in agrarisch gebied en vooral gebonden aan gebouwen is, is het nest jaarrond beschermd. Het habitat van een huismus moet bestaan uit een combinatie van: plekken voor nestgelegenheid jaarrond beschikbaar zijn van voedsel (voor volwassen en jongen) dekking (stekelige struiken, groenblijvende struiken en klimplanten, coniferen, klimop) plekken voor stofbaden drinkwater Ontbreekt een van de onderdelen of liggen ze te ver van elkaar verwijderd, dan is de habitat niet geschikt. De paardenstal is niet geschikt omdat er ongeïsoleerde golfplaten op het dak liggen.
Dit materiaal is niet geschikt voor het bouwen van een nest, doordat het snel van temperatuur verandert in de zomer en winter. In de rundveestallen wordt geen vee meer gehouden. Door de afwezigheid van voer is het geen interessante plek meer voor huismussen. Er zijn wel huismussen gehoord bij de boerderij van de buren, waar nog rundvee gehouden wordt daarnaast broeden er huismussen in de te behouden schuur en het woonhuis. Er zijn geen nesten van huismussen gevonden in de te slopenbebouwing. Boerenzwaluw en huiszwaluw Zowel de boerenzwaluw als de huiszwaluw zijn te vinden rond boerenerven. Beide soorten maken een moddernest. Echter bouwt de boerenzwaluw zijn nest bij voorkeur in een schuur terwijl een huiszwaluw zijn nest aan de buitenkant van een gebouw maakt en helemaal dicht metselt. Ook zijn beide soorten heel sociaal. Huiszwaluwen broeden vaak in kolonies van grote aantallen nesten. Boerenzwaluwen zoeken hun soortgenoten ook op, maar wonen met enkele paren bij elkaar. De boerenzwaluw is erg gebonden aan de aanwezigheid van vee. Er komen vliegen en insecten op het vee af, waardoor er een goede voedselbron aanwezig is in de nabijheid van het nest. Er wordt op de locatie geen vee meer gehouden enkel paarden. Daarnaast zijn er geen nesten van boerenzwaluw waargenomen in de te slopen bebouwing. Een huiszwaluw bouwt zijn nest vaak onder witte overstekken.
De te slopen stallen zijn niet voorzien van een overstek. Daarnaast vallen deze nesten erg op. Er zijn geen zwaluwnesten aangetroffen tijdens het veldonderzoek. Bosuil en ransuil De bosuil is de meest voorkomende uilensoort in Europa. Maar omdat hij vooral ’s nachts leeft, wordt hij niet altijd opgemerkt. Ze leven in veel verschillende biotopen: loof- en naaldbossen, stadsparken en groene woonwijken. Dat komt omdat ze flexibel in prooikeuze zijn. De bosuil broedt overwegend in boomholtes van (oude) bomen. Er moet het hele jaar voldoende voedsel beschikbaar en bereikbaar zijn. Daarnaast zijn voldoende roest- en broedplaatsen belangrijk. Ook de ransuil komt in veel verschillende leefgebieden voor en broedt in bomen. Echter gebruikt een ransuil vaak geen holtes, maar oude kraaien- of eksternesten. Omdat een ransuil in open velden/plekken en langs wegbermen jaagt, komen ze niet veel voor in dicht beboste gebieden. Er worden met de voorgenomen werkzaamheden geen bomen gekapt. Het beschadigen van nesten is dus uitgesloten. Aangezien het nieuwe bebouwde oppervlak vele malen kleiner is dan in de huidige situatie, zal het jaaggebied in areaal toenemen. Daarnaast blijft de houtwal 26
Quickscan Soortenbescherming – Roerdompweg 11 Asten-Heusden
rond het bedrijf in tact. Een negatief effect van het plan op de bosuil en ransuil is dus uit te sluiten. Torenvalk Een torenvalk bouwt zelf geen nest. Ze gebruiken oude kraaiennesten of speciale torenvalkkasten. Een torenvalk jaagt in open of halfopen landschappen. In een landschap met veel (kort) grasland, heide, hoogvenen, duinen en akkers is voor hen het voedsel goed te vinden. Al biddend in de lucht jaagt hij op prooien op de grond. Op het menu staan vooral woelmuizen maar ook zangvogels en kuikens van weidevogels. Er worden met de voorgenomen werkzaamheden geen bomen gekapt. Het beschadigen van nesten is dus uitgesloten. Ook staat er geen torenvalk kast in de directe nabijheid van de projectlocatie. Daarmee is het verstoren van een nestlocatie uitgesloten. Aangezien het nieuwe bebouwde oppervlak vele malen kleiner is dan in de huidige situatie, zal het jaaggebied in areaal toenemen. Een negatief effect van het plan op de torenvalk is dus uit te sluiten. Overige broedvogels De beplanting op de onderzoekslocatie kan nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals de merel en winterkoning. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Er zijn geen nesten van overige broedvogels aangetroffen in de te slopen bebouwing. Er zijn vogels gezien en gehoord, namelijk:
Tabel 1: overzicht waargenomen vogels
Soort Witte kwikstaart Holenduif Koolmees Vink Merel Boerenzwaluw (overvliegend)
Reptielen, amfibieën en vissen Er zijn tijdens het terreinbezoek geen reptielen, amfibieën en/of vissen waargenomen. Voor de in Nederland voorkomende reptielsoorten zoals de hazelworm, de levendbarende hagedis en ringslang biedt de onderzoekslocatie geen geschikt habitat. Deze soorten worden vrijwel alleen aangetroffen in specifieke natuurgebieden. Dit geldt ook voor de specifieke beschermende amfibieënsoorten die veel eisen stellen aan zijn habitat; alpenwatersalamander, heikikker, vinpootsalamander, poelkikker en rugstreeppad. Deze zijn allen uit te sluiten omdat de betreffende locatie geen goed habitat biedt voor deze soorten door het ontbreken van voldoende oppervlaktewater. De onderzoekslocatie vormt wel een geschikt habitat voor algemene amfibieënsoorten als de bruine kikker en de gewone pad. Op de onderzoekslocatie kunnen deze soorten beschutting vinden tussen de begroeiing en onder takken- of stenenhopen. Voor algemene amfibieënsoorten geldt in het kader van de Omgevingswet een vrijstelling, zodat een ontheffing bij verstoring niet noodzakelijk is. Het is echter wel zaak om aandacht te schenken aan de zorgplicht. Vissen Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater op de onderzoekslocatie kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten.
27
Quickscan Soortenbescherming – Roerdompweg 11 Asten-Heusden
Overige Van de overige soortgroepen, zoals dagvlinders, insecten en libellen, kan worden aangenomen dat deze soorten gedurende het jaar in het plangebied aanwezig kunnen zijn of dit gebied in de migratieroute hebben liggen. Afhankelijk van het seizoen zijn mogelijk algemene soorten te vinden op/of binnen de planlocatie. Specifieke beschermende soorten zijn voornamelijk afhankelijk van specifieke terreinkenmerken met specifieke biotopen. Binnen het plangebied is een dergelijk biotoop niet aanwezig. Specifieke zorgplicht Er worden geen negatieve effecten verwacht voor de soorten die vallen onder de specifieke zorgplicht (voor zover niet in voorgaande paragrafen benoemd). Het voorkomen van deze soorten is op of in de directe omgeving van de projectlocatie niet vastgesteld en/of er is geen geschikt habitat op de onderzoekslocatie Het kan incidenteel gebeuren deze soorten ondanks de uitgevoerde quickscan, toch voorkomen op de projectlocatie en tijdens de activiteiten hinder ondervinden van de werkzaamheden. In dat geval kunnen negatieve gevolgen voorkomen worden door te voldoen aan de algemene zorgplicht of het inschakelen van een ecologisch deskundige.
2.3
Effecten van de ingreep De effecten op beschermde soorten zijn onderzocht op basis van het voornemen binnen het plangebied. Flora algemeen Er is geen bijzondere flora aangetroffen binnen het plangebied, negatieve effecten zijn uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Verstoring van algemene zoogdieren vindt mogelijk plaats. De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als de egel, konijn en diverse muissoorten. De verblijfsplaatsen van deze soorten worden door de voorgenomen ingreep echter niet aangetast. Verblijfplaatsen van beschermde zoogdiersoorten zijn ter plaatse niet aangetroffen. Vleermuizen Er zijn geen sporen van vleermuizen aangetroffen waaruit blijkt dat de gebouwen als verblijfplaats worden gebruikt. Nader onderzoek in het kader van de soortenbescherming is niet noodzakelijk. Vogels Door de voorgenomen ingreep worden geen vogels en jaarrond beschermde nesten aangetast. Reptielen, amfibieën en vissen Er zijn geen reptielen, amfibieën en/of vissen instandhoudingsdoelstellingen komen niet in het gedrang.
waargenomen.
De
Overige Omdat er geen geschikt biotoop is waargenomen voor overige beschermde soorten, zijn negatieve effecten uitgesloten. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.
28
Quickscan Soortenbescherming – Roerdompweg 11 Asten-Heusden
Hoofdstuk 3
3 Conclusie en aanbevelingen Het natuuronderzoek is gebaseerd op inventarisatiegegevens van derden, literatuuronderzoek en een verkennend veldbezoek aan het plangebied. Het beeld dat uit het onderzoek naar voren is gekomen vormt voldoende basis om gefundeerd uitspraken te doen over de gevolgen van de voorgenomen werkzaamheden voor beschermde soorten en gebieden.
3.1
Conclusie Voor de bepaling van de effecten en voor de beantwoording van de vraag of men in strijd komt met de Omgevingswet, wordt de relatie gelegd tussen het initiatief met deze wet door waar mogelijk antwoord te geven op de volgende vragen: 1. Welke wettelijk beschermde soorten komen in het plangebied voor? Welke status hebben deze soorten? 2. Welke invloed heeft de geplande ingreep in het betreffende gebied op de beschermde soorten en de staat van instandhouding? 3. Hoe dient omgegaan te worden met eventuele negatieve effecten van het plan op wettelijk beschermde planten- en diersoorten, en welke vervolgstappen zijn nodig? Het voornemen zoals opgenomen in de inleiding en de daarbij behorende werkzaamheden, zal naar verwachting geen negatief effect hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Binnen het plangebied zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed. Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dieren/of plantsoorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit het plangebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop. Voor aanvang van de werkzaamheden dient derhalve geen aanvullend onderzoek plaats te vinden.
Een Omgevingswetvergunning voor de activiteit flora en fauna is niet nodig. De werkzaamheden kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige algemene soorten. Een algehele vrijstelling op basis van de Omgevingsverordening voor ruimtelijke ontwikkelingen is hierop van toepassing. De zorgplicht blijft onverminderd van toepassing. Wat kort gezegd inhoudt dat al het mogelijke gedaan moet worden om het doden van dieren te voorkomen en eventueel aanwezige individuen te laten vluchten als zij verstoord worden.
3.2
Aanbeveling Alle sloopwerkzaamheden dienen bij voorkeur verricht te worden buiten het broedseizoen. Er bestaat geen wettelijk vastgestelde periode voor het broedseizoen. De aanwezigheid van een broedgeval is hierin leidend. Indicatieve datumgrenzen is de periode van 15 maart tot 15 juli. Hiermee wordt het verstoren van een nest zo veel mogelijk voorkomen.
29
Quickscan Soortenbescherming – Roerdompweg 11 Asten-Heusden
Literatuur
Broekhuizen, S., Hoekstra, B., Laar, van, V., Smeenk, C. & Thissen, J.B.M., 1992 Atlas van de Nederlandse zoogdieren. Stichting uitgeverij van de KNNV, Utrecht. Europese Gemeenschappen, Richtlijn no 92/409 inzake het behoud van de vogelstand. Brussel, 1979. Europese Gemeenschappen, Richtlijn no 92/43 inzake instandhouding van de natuurlijke habitat en de wilde flora en fauna. Brussel, 1992. Provinciale Omgevingsverordening Hollander, H., & Geest, van der, P., 1994. Rode-Lijst van bedreigde zoogdieren in Nederland. Red data book of threatened mammals in the Netherlands. Vereniging voor Zoogkunde en Zoogdierbescherming, Utrecht. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Ministerie van Volkshuisvesting. Ruimtelijke Ordening en milieu, 2004. Nota Ruimte. De Nederlandse libellen, Nederlandse Fauna, deel 4 Nationaal historisch museum, KNNV uitgeverij (2002) Vereniging voor Zoogdierkunde en Zoogdierbescherming (VZZ) Vleermuizen en planologie, Zoogdiervereniging (2010) Omgevingswet
www.waarneming.nl www.synbiosys.alterra.nl www.atlasleefomgeving.nl www.ravon.nl www.sovon.nl www.google.nl www.floron.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.natura2000.nl www.ecologica.eu
30
Quickscan Soortenbescherming – Roerdompweg 11 Asten-Heusden
Bijlage 1 Waarnemingen
31
Quickscan Soortenbescherming – Roerdompweg 11 Asten-Heusden
32
Quickscan Soortenbescherming – Roerdompweg 11 Asten-Heusden
33
Quickscan Soortenbescherming – Roerdompweg 11 Asten-Heusden
Bijlage
2 Effecten indicator soorten
34
Quickscan Soortenbescherming – Roerdompweg 11 Asten-Heusden
35
Quickscan Soortenbescherming – Roerdompweg 11 Asten-Heusden
36
Quickscan Soortenbescherming – Roerdompweg 11 Asten-Heusden
Bijlage
3 Plan projectlocatie
In geel omlijnd te slopen bebouwing. Blauwe vlakken binnen de gele lijnen blijven behouden.
37
Quickscan Soortenbescherming – Roerdompweg 11 Asten-Heusden
Bijlage
4 Rapport
Beschermde
SoortenIndicator
(BeSI)
38
Quickscan Soortenbescherming – Roerdompweg 11 Asten-Heusden
Aanvraagdatum : 25-06-2025 Rapportnummer : 254811 Rapport Beschermde SoortenIndicator (BeSI) Op 25-06-2025 heeft u de Beschermde SoortenIndicator (BeSI) geraadpleegd. Dit rapport geeft u inzicht in mogelijk nadelige effecten van uw werkzaamheid op beschermde plant- en diersoorten op de door u aangegeven locatie.
Werkzaamheid De werkzaamheid die u heeft aangegeven uit te willen voeren is: Bouwwerk of deel van een bouwwerk slopen, of asbest verwijderen
Locatie De locatie waar u deze werkzaamheid uit wil voeren, heeft u als volgt aangegeven:
Locatie : 185,095.95 /377,261.09
Oppervlakte : 6173
m2
De beschermde plant- en diersoorten die mogelijk nadelige effecten ondervinden van de uit te voeren werkzaamheid op de door u aangegeven locatie worden hieronder beschreven, inclusief een advies over hoe u met de soort rekening kunt houden. Bij iedere soort wordt vermeld of het een 1) vogel, 2) een zoogdier, 3) een andere diersoort dan vogel of zoogdier of 4) een plant is. Het BeSI-rapport heeft een signalerende functie. Informatie over de mogelijke vergunningsplicht van uw werkzaamheid krijgt u door de Vergunningcheck te doen. Dit rapport kunt u daarbij gebruiken om de vragen over natuur te beantwoorden. In de bijlage van het rapport worden de genoemde soorten uitgesplitst naar beschermingsregels. 1
Aanvraagdatum : 25-06-2025 Rapportnummer : 254811 Rapport Beschermde SoortenIndicator (BeSI)
Antwoorden op vragen uit de Vergunningcheck Welke beschermde dieren en/of planten kunnen aanwezig zijn op de locatie van uw werkzaamheid? Vogels
Ja
Zoogdieren
Ja
Andere diersoorten dan vogels of zoogdieren
Ja
Planten
Nee
Zie de volgende pagina's voor meer informatie over de leefgebieden van deze wettelijk beschermde dieren en planten en een advies over hoe u met deze soorten rekening kunt houden.
Vogels Kunnen er op de locatie van uw werkzaamheid vogels aanwezig zijn waarvan het nest het hele jaar beschermd is?
Ja
Kunnen er op de locatie van uw werkzaamheid vogels aanwezig zijn waarvan het nest alleen tijdens het broedseizoen beschermd is?
Ja
Lees altijd de adviezen van de mogelijk aanwezige vogelsoorten. Sommige provincies hebben voor bepaalde soorten uitzonderingen.
Zoogdieren Kies alle zoogdieren die aanwezig kunnen zijn op de locatie van uw werkzaamheid. Vleermuizen
Ja
Eekhoorns
Nee
Steenmarters
Nee
Andere marterachtige dan steenmarters
Nee
Andere zoogdieren
Ja
2
Aanvraagdatum : 25-06-2025 Rapportnummer : 254811 Rapport Beschermde SoortenIndicator (BeSI)
Soorten en adviezen Vogels Boerenzwaluw Beschrijving leefgebied: De boerenzwaluw leeft op het boerenland, vaak in de buurt van water en vangt zijn voedsel in de lucht. Het voedsel bestaat uit enorme hoeveelheden kleine vliegende insecten. De boerenzwaluw broedt o.a. in boerenschuren, in loodsen en onder bruggen. Advies voor deze soort: Werk buiten het broedseizoen; de periode waarin het nest wordt gebouwd of waarin eieren en/of jongen aanwezig zijn. Voor de boerenzwaluw is dat van begin april (soms eind maart) tot half september (soms eind september). In Flevoland, Limburg en Overijssel zijn nesten jaarrond beschermd. In andere provincies ook, tenzij in de omgeving voldoende geschikte plekken zijn om een nieuw nest te bouwen. Om dat vast te stellen is vaak vooraf extra onderzoek nodig. Kijk voor de regels over jaarrond beschermde nesten in de Omgevingsverordening van de provincie. Huismus Beschrijving leefgebied: De huismus komt meestal voor in de buurt van mensen en leeft dan vooral in struiken, het liefst met stekels die het hele jaar groen blijven, loofbomen en klimplanten. De huismus broedt in gebouwen, bijvoorbeeld onder dakpannen, en soms in klimop. Advies voor deze soort: Werk buiten het broedseizoen; de periode waarin het nest wordt gebouwd of waarin eieren en/of jongen aanwezig zijn. Voor de huismus is dat van maart tot half augustus (soms tot eind september).
De huismus is zeer honkvast en is het hele jaar rondom het nest aanwezig. Daarom zijn de nesten jaarrond beschermd. Haal nesten nooit weg. Houd daarnaast bij werkzaamheden rekening met het behoud van het leefgebied van de huismus. Bijvoorbeeld door struiken of klimplanten rondom de nesten te laten staan. Raadpleeg voor meer informatie het kennisdocument over deze soort op de website van BIJ12. Kauw Beschrijving leefgebied: De kauw leeft vooral in een bebouwde omgeving. Ook in de kauw te vinden op akkers en kleinschalige weides en in kleinere bossen. Kauwen broeden vooral in gebouwen (schoorstenen), maar ook in holle bomen en zelfs in konijnenholen. Advies voor deze soort: Werk buiten het broedseizoen; de periode waarin het nest wordt gebouwd of waarin eieren en/of jongen aanwezig zijn. Voor de kauw is dat van half maart tot begin juli. Dan zijn nesten beschermd. 3
Aanvraagdatum : 25-06-2025 Rapportnummer : 254811 Rapport Beschermde SoortenIndicator (BeSI)
Spreeuw Beschrijving leefgebied: De spreeuw leeft in allerlei gebieden, meestal in de buurt van bebouwing en graslanden, soms in bossen en dan vooral aan de (bos)randen. De spreeuw broedt onder andere in holtes van bomen, in schoorstenen van gebouwen en in nestkasten. Advies voor deze soort: Werk buiten het broedseizoen; de periode waarin het nest wordt gebouwd of waarin eieren en/of jongen aanwezig zijn. Voor de spreeuw is dat van half maart tot begin juli (soms tweede helft juli). Nesten zijn jaarrond beschermd, tenzij in de omgeving voldoende geschikte plekken zijn om een nieuw nest te bouwen. Om dat vast te stellen is vaak vooraf extra onderzoek nodig. Kijk voor de regels over jaarrond beschermde nesten in de Omgevingsverordening van de provincie. In Limburg geldt een uitzondering, daar zijn nesten alleen in het broedseizoen beschermd. Steenuil Beschrijving leefgebied: De steenuil komt vooral voor op erven van (voormalige) boerderijen en broedt daar meestal onder het dak of in een schuurtje. Sommige steenuilen broeden in de holten van knotwilgen. Advies voor deze soort: Werk buiten het broedseizoen; de periode waarin het nest wordt gebouwd of waarin eieren en/of jongen aanwezig zijn. Voor de steenuil is dat van april (soms eind maart) tot eind augustus. De steenuil gebruikt zijn nest het hele jaar ook als rustplek. Daarom zijn de nesten jaarrond beschermd.
Haal nesten van de steenuil nooit weg. Raadpleeg voor meer informatie het kennisdocument over deze soort op de website van BIJ12.
Zoogdieren Boombewonende vleermuizen Beschrijving leefgebied: Boombewonende vleermuizen leven in bossen, bosranden, lanen en parken. Ze verblijven daar in boomholtes, in scheuren in bomen en ruimten achter bast. Voorbeelden zijn de rosse vleermuis en de watervleermuis. Advies voor deze soort: De holtes en spleten waar boombewonende vleermuizen in leven zijn beschermd. Laat daarom in het leefgebied van boombewonende vleermuizen bomen staan. Hetzelfde geldt voor bossen, bosranden, lanen en parken omdat ze dienen als vliegroute en jachtterrein. Voorkom daarnaast het verlichten van de bomen en het leefgebied. Raadpleeg voor meer informatie over de rosse vleermuis en de watervleermuis de kennisdocumenten op de website van BIJ12.
4
Aanvraagdatum : 25-06-2025 Rapportnummer : 254811 Rapport Beschermde SoortenIndicator (BeSI)
Das Beschrijving leefgebied: De das leeft in akker- en weidelandschappen. Dassen komen o.a. voor in open terreinen, cultuurlandschappen en rivierdalen met bosjes, heggen en houtwallen. Dassen zijn in de avond actief en gebruiken vaak vaste paden (wissels). Advies voor deze soort: Vermijd werkzaamheden in de kwetsbare periode. Dit is voor de das de voortplantingsperiode. Deze begint bij de zwangerschap in december en eindigt begin juli als de jongen zelfstandig zijn. Voorkom blokkering van dassenwissels, met name rondom wegen, omdat daarmee het risico op verkeersslachtoffers toeneemt. De das gebruikt zijn/haar burchten en vluchtpijpen het hele jaar. Dit zijn de plekken waar de das rust en zich voortplant. Zorg daarom voor rust rond en behoud van de burchten en de vluchtpijpen. Raadpleeg voor meer informatie het kennisdocument over deze soort op de website van BIJ12. Gebouwbewonende vleermuizen Beschrijving leefgebied: Gebouwbewonende vleermuizen leven in alle typen landschappen. Deze vleermuizen verblijven in gebouwen, onder andere achter betimmering en daklijsten, in spouwmuren, of onder dakpannen. Advies voor deze soort: Spleten en openingen in gebouwen waarin vleermuizen leven, zijn beschermd. Voorkom het verlichten van gevels waarin vliegopeningen zitten en het dichtmaken van invliegopeningen en holle ruimtes in muren en daken.