CConstaterende datAsten
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 2 - Motivering BOPA Burg. Wijnenstraat te Asten 21-05-2026

Gemeenteraad 2 juni 2026, gemeente AstenBij agendapunt: Adviesrecht BOPA, het bouwen van een appartementencomplex op de locatie Burgemeester Wijnstraat 38-42 (bespreekstuk)18.116 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Uit de gesprekken kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een passende parcelering van de ontwikkeling en de panden duidelijk op de grond staan. Daarnaast wordt er afgeweken van de bouwhoogte zoals omschreven in het programma beeldkwaliteit. Echter sluit het plan wel aan bij de naastgelegen panden en voldoet grotendeels aan de in het programma beeldkwaliteit voorgeschreven straat-gevel verhouding. De bovenste verdieping is vormgegeven met een setback (links) dan wel een kap (rechts) en sluiten aan bij de kapvorm van de naastgelegen panden. De kappen krijgen een helling van maximaal 70 graden. Bij een setback is dit ook het uitgangspunt. De ontwikkelaar heeft de eerdere opmerkingen verwerkt in de planvorming door een doorlopende metselwerk penant toe te voegen. Tevens is voor het linker bouwdeel meegenomen dat het plaatmateriaal zal worden verlijmd op de achter constructie. De naden tussen de platen onderling zullen in werkelijkheid nauwelijks zichtbaar zijn. De gemetselde cilinder bij de toegang naar de entree is vereenvoudigd in vormgeving en aangepast in kleurstelling en materialisering zoals door het kwaliteitsteam is opgemerkt. Na aanpassing van de bovenstaande punten heeft het projectvoornemen goedkeuring van de Supervisiecommissie gekregen.

Motivering Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit Burgemeester Wijnenstraat te Asten

25

Figuur 3.4 Bebouwingstypologie ‘Lint’ (bron: Beeldkwaliteitsplan Asten Centrum) 3.5.7 Welstandsbeleid gemeente Asten 2015 Het welstandsbeleid van de gemeente is opgesteld vanuit de overtuiging dat de welstandscommissie het belang van een aantrekkelijke gebouwde omgeving dient te behartigen. De gevels van gebouwen en andere bouwwerken vormen samen de dagelijkse leefomgeving van de inwoners. Dat betekent dat de verschijningsvorm van een bouwwerk geen zaak is van de eigenaar van het bouwwerk alleen. Een aantrekkelijke, goed verzorgde omgeving verhoogt bovendien de waarde van het onroerend goed en versterkt het vestigingsklimaat. Het doel van het welstandstoezicht is om, in alle openheid, een bijdrage te leveren aan die dagelijkse leefomgeving, de schoonheid en de aantrekkelijkheid van onze gemeente. Toets Op basis van de regels van het omgevingsplan die betrekking hebben op de omgevingskwaliteit en de daarmee verbonden beleidsregels in de gemeentelijke nota, heeft de commissie advies gegeven. Het plan bevindt zich in het deelgebied Historische linten Asten, Heusden en Ommel (1B) en is beoordeeld op basis van de criteria die horen bij dit welstandsgebied en het daarvoor vastgestelde welstandsniveau 1. Daarnaast is de locatie gelegen in het gebied waarvoor het beeldkwaliteitsplan centrum Asten is opgesteld.

De commissie kan zich vinden in het plan en onderschrijft de beoordeling door het Kwaliteitsteam Centrum Asten. De dakhelling van het rechterpand is aangepast naar 70 graden zodat deze voldoet aan de criteria uit het programma beeldkwaliteit centrum Asten. In het kader van goede omgevingskwaliteit adviseert de commissie op grond van het bovenstaande om akkoord te gaan.

Motivering Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit Burgemeester Wijnenstraat te Asten

26

Hoofdstuk 4

Fysieke leefomgeving

4.1

Inleiding

4.2

Omgevingsveiligheid

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de verschillende relevante omgevingsaspecten.

4.2.1 Wettelijk kader Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’.

Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).

Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning.

Motivering Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit Burgemeester Wijnenstraat te Asten

27

Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: • Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl; • Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl; • Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl); 4.2.2 Onderzoek Het projectgebied ligt niet binnen invloedsgebieden van risicobronnen, zie figuur 4.1. Ten oosten van de projectgebied ligt een LPG tankstation. Het projectgebied is buiten het aandachtsgebied van dit tankstation gelegen. Overige risicovolle bronnen zoals transportroutes en buisleidingen zijn in de nabije omgeving niet aanwezig.

Figuur 4.1 Uitsnede kaart Externe veiligheid (bron: Atlas Leefomgeving) 4.2.3 Conclusie Met inachtneming van de in deze paragraaf genoemde punten vormt het aspect omgevingsveiligheid geen belemmering voor de beoogde omgevingsplanactiviteit.

Motivering Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit Burgemeester Wijnenstraat te Asten

28

4.3

Activiteiten en milieuzonering

4.3.1 Wettelijk kader Milieuzonering zorgt voor ruimte voor milieuhinderlijke (bedrijfs)activiteiten met behoud van bescherming van de woon- en leefomgeving. Door middel van milieuzonering kan een kader worden vastgelegd voor de toelating van deze activiteiten ten opzichte van gebieden waar wordt gewoond en waar andere milieugevoelige activiteiten aanwezig zijn. Ook biedt deze zonering duidelijkheid waar bij de projectie van nieuwe milieugevoelige activiteiten rekening mee moet worden gehouden. Naast wonen zijn dat onder meer scholen, kinderdagverblijven en ziekenhuizen. Het ruimtelijk spoor ging onder de Wet ruimtelijke ordening uit van vaste richtafstanden op basis van de VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering (uit 2009). Die richtafstanden gelden vanaf een bepaalde activiteit tot rustig woongebied en gemengd gebied. Hierbij wordt rustig woongebied meer beschermd dan gemengd gebied. De nieuwe Handreiking Activiteiten en Milieuzonering uit 2024 werkt niet meer met zones gekoppeld aan milieucategorieën en een lijst van activiteiten met afstanden per activiteit. In plaats daarvan wordt gewerkt met zones met milieuwaarden die de gebruiksruimte per activiteit begrenzen, zónder een lijst van activiteiten. 4.3.2 Onderzoek De nieuwe woonfunctie is geen milieubelastende activiteit als bedoeld in de Omgevingswet.

In de directe omgeving van de projectgebied bevinden zich geen plaatsgebonden activiteiten die een beperking zijn op de beoogde ontwikkeling. Het projectgebied bevindt zich in een centrum gebied. Conform het geldende omgevingsplan zijn rondom het projectgebied uitsluitende bedrijven in categorie 1 toegestaan. Voor de naastgelegen winkels, zoals de opticien, sportwinkel en cadeauwinkel geldt in een gemengd gebied een richting afstand van 0 meter. Het is niet te verwachten dat deze activiteiten hinder zullen veroorzaken ten hoogte van het projectgebied. De winkels vormen derhalve geen belemmering voor de bouw van woningen binnen het projectgebied. 4.3.3 Conclusie Het aspect activiteiten en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde omgevingsplanactiviteit.

4.4

Waterbelang

4.4.1 Wettelijk kader Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden regels van provincie en het waterschap betrokken. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels met betrekking tot het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn opgenomen voldoende. Met de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften kan de gemeente voor specifieke

Motivering Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit Burgemeester Wijnenstraat te Asten

29

bedrijven zo nodige aanvullende eisen stellen die passen bij de bedrijfssituatie. *Verplichte omgevingswaarden • •

•

rijk: omgevingswaarden voor (1) waterkwaliteit, (2) zwemwaterkwaliteit, (3) veiligheid van primaire waterkeringen en 4) de veiligheid van andere dan primaire waterkeringen, voor zover die in het beheer zijn bij het rijk (2.15 Ow) Provincie: omgevingswaarden voor de veiligheid van 1) bij de omgevingsverordening aangewezen andere dan primaire waterkeringen die niet bij het rijk in beheer zijn en 2) de gemiddelde overstromingskans per jaar van bij de omgevingsverordening aangewezen gebieden met oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop (niet bij het rijk in beheer zijnde) regionale wateren moeten zijn berekend (2.13 Ow). Gemeente: gemeenten kunnen ook zelf besluiten om omgevingswaarden vast te stellen. Indien hiervan sprake is dient een BOPA ook aan deze omgevingswaarde getoetst te worden.

4.4.2 Onderzoek Er is door AERES Milieu een rapport opgesteld. Dit rapport is als bijlage 1 opgenomen bij deze BOPA. Hierna wordt ingegaan op de relevante onderdelen. Huidige situatie Gebied specifieke eigenschappen m.b.t. water De projectlocatie ligt niet in een grondwaterberschermings-, grondwaterwin-, attentiegebied of boringsvrijezone. Verder is in de directe omgeving van het projectgebied geen oppervlaktewater aanwezig. Verharding In de huidige situatie is het projectgebied gedeeltelijk verhard. Bij nieuwbouw is er vanuit de gemeente en het waterschap Aa en Maas een verplichting om bij nieuwe ontwikkelingen watercompensatie aan te leggen. Hierbij geldt een waterbergingsopgave van 60 mm per vierkante meter. Afvalwater Het projectgebied is aangesloten op het rondom aanwezige gemeentelijk rioolstelstel. Onder het zuidelijk gelegen Burgemeester Wijnenstraat liggen twee strengen infiltratieriool en een gemengd rioolstelsel. Bij nieuwbouw dient op eigen terrein minimaal een gescheiden rioolstelsel aangelegd te worden. Toekomstige situatie Verharding Het projectgebied aan de Burgemeester Wijnenstraat is in de huidige situatie gedeeltelijk verhard. Na realisatie van voorliggend projectvoornemen zal het toekomstig verhard oppervlak 1.137 m2 bedragen. Hierbij geldt een waterbergingsopgave van 60 mm per vierkante meter.

Dit komt neer op compensatie van (1.137 x 0,06 =) 68,22 m3, zie figuur 4.2. In het rapport van AERES Milieu van 18 november 2025 is uitgegaan van een verhardingstoename van 1.006 m2. Bij de nadere technische uitwerking van het bouwplan bleek dat het ging om een verhardingstoename van 1.137 m2. In voorliggende BOPA is daarom een verhardingspercentage van 1.137 m2 aangehouden. Deze waterbergingsopgave kan worden opgelost door middel van het plaatsen van een groendak, halfverharde parkeerplaatsen en/of een ondergrondse hemelwatervoorziening. De keuze voor een voorziening is nader uitgewerkt in het definitieve bouwplan. De waterbergingsopgave van 68,22 m2 wordt opgelost door middel van een ondergrondse waterbergingsvoorziening. De ondergrondse waterbergingskratten worden onder het toekomstig parkeerterrein en de rijbaan verwerkt. Hier is voldoende ruimte beschikbaar om de benodigde kratten met een bergend vermogen van 68,22 m2 in te passen, zie figuur 4.2.

Motivering Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit Burgemeester Wijnenstraat te Asten

30

Figuur 4.2 waterbergingsvoorzieningen (bron: beusen architecten) Vanuit het oogpunt klimaatbestendig ontwikkelen dient vanuit het geldend gemeentelijk beleid een ontwikkeling minimaal waterpositief plaats te vinden. Door de verhardingsafname in stedelijk gebied met bijkomend groen, de aanleg van een gescheiden stelsel op eigen terrein en het voldoen aan de overige aandachtspunten en randvoorwaarden, zie bijlage 1, vindt de ontwikkeling hydrologisch positief plaats en is geen verhoogd risico op wateroverlast te verwachten. Riolering en hemelwater Bij nieuwbouw dient op eigen terrein minimaal een gescheiden rioolstelsel aangelegd te worden. Het projectvoornemen zal de toekomstige vuilwaterhoeveelheid naar verwachting circa 0,6 m3/u bedragen. De lichte toename vanuit het projectvoornemen kan naar verwachting zonder aanpassingen door het bestaand stelsel worden verwerkt. 4.4.3 Conclusie De aspecten water en watersystemen vormen geen belemmering voor de beoogde omgevingsplanactiviteit.

4.5

Luchtkwaliteit

4.5.1 Wettelijk kader De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). De gemeente Asten is door het rijk aangewezen als een aandachtsgebied voor fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. De vergunningverlener

Motivering Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit Burgemeester Wijnenstraat te Asten

31

beoordeelt een aanvraag op het effect op de luchtkwaliteit in de leefomgeving. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Dit betekent dat een gemeente een initiatief soms moet toetsen aan de omgevingswaarden in een nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat dan om een locatie van een initiatief dat zelf buiten het aandachtsgebied ligt. Dit kan nodig zijn bij activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben. Denk aan extra verkeer of bedrijfsemissies. De vergunningverlener toetst aan de omgevingswaarden, tenzij de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties.

De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze gaan over: • beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden; • ammoniakemissies van veehouderijen; • geologische opslag van CO2. Soms heeft de gemeente in een eerdere fase (toelaten van bedrijven in het omgevingsplan) al getoetst of het omgevingsplan voldoet aan de luchtkwaliteitsregels. Een dergelijke ‘voortoets’ is verplicht als het omgevingsplan in een aandachtsgebied ligt. Bij de daadwerkelijke aanvraag van een omgevingsvergunning moet het bevoegd gezag vervolgens beoordelen of deze aanvraag voldoet aan de luchtkwaliteitseisen. NB: In Asten gelden strengere regels voor luchtkwaliteit t.a.v. veehouderijen. 4.5.2 Onderzoek In artikel 5.54 van het Bkl is opgenomen dat bij een project waarin maximaal 1.500 woningen worden toegevoegd, de genoemde maximale waarde van 1,2 niet zal worden overschreden.

Aangezien binnen het projectgebied slechts 26 woningen worden toegevoegd, wordt ruimschoots voldaan aan de gestelde eisen, zie figuur 4.2. De overige omgevingswaarden, zoals genoemd in afdeling 2.2.1 van het Bkl vormen geen belemmering voor het beoogde initiatief.

Motivering Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit Burgemeester Wijnenstraat te Asten

32

Figuur 4.2 NIBM-tool (bron: IPLO) 4.5.3 Conclusie Het aspect kwaliteit van de buitenlucht vormt geen belemmering voor de beoogde omgevingsplanactiviteit.

4.6

Geluid

4.6.1 Wettelijk kader Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. Ook zijn direct werkende regels in de bruidsschat opgenomen. Dit zijn de regels voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit. In de bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden). In het bkl staan vergelijkbare regels. Bij een bopa waar geluidsregels relevant zijn, moeten deze in overeenstemming worden gebracht met het Bkl. De instructieregels uit afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving.

Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Het rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’.

Motivering Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit Burgemeester Wijnenstraat te Asten

33

4.6.2 Onderzoek Er is door K+ Adviesgroep een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woningen. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage 2 opgenomen. Gemeentewegen Uit het onderzoek blijkt dat de berekende geluidbelasting vanwege gemeentewegen maximaal 60 dB is en overschrijdt daarmee de standaardwaarde van 53 dB. De grenswaarde van 70 dB wordt niet overschreden. Het treffen van bron- en overdrachtsmaatregelen is niet doelmatig. Voor de woningen dient het akoestisch klimaat in de woning (het zogenaamde binnenniveau) te worden gegarandeerd. Gecumuleerd Bij een overschrijding van de standaardwaarde dient de gecumuleerde geluidbelasting op het geluidgevoelig gebouw te worden beoordeeld. In voorliggend project is er maar één geluidbronsoort, namelijk de gemeentewegen. De cumulatieve geluidbelasting is hierdoor gelijk aan de berekende waarde van de gemeentewegen. De maximale gecumuleerde geluidbelasting is 60 dB. Om een beoordeling van het gecumuleerd geluid te kunnen wordt gebruik gemaakt van de beoordeling geluidkwaliteit gecumuleerd geluid. Binnen deze methode wordt de optredende geluidbelasting ingedeeld in verschillende classificaties. Ter plaatse van de achtergevel is sprake van de kwalificatie Goed. Voor de zijgevels kan worden uitgegaan van de kwalificatie Redelijk.

De hoogste geluidbelasting treedt op de voorgevel op waarvoor een kwalificatie Matig geldt. Gezamenlijk geluid Het gezamenlijk geluid is maximaal 60 dB. Conform het Besluit bouwwerken leefomgeving worden in deze situatie eisen gesteld aan de minimale gevelgeluidwering. Wanneer de standaardwaarde wordt overschreden, moet voor de nieuwe woningen worden aangetoond welke geluidwerende maatregelen aan de gevel noodzakelijk zijn om te kunnen voldoen aan het gestelde in artikel 4.103 van het Bbl. De minimaal vereiste geluidwering is het verschil tussen het gezamenlijk geluid en 33 dB. Het gezamenlijke geluid bedraagt ten hoogste 60 dB. De vereiste karakteristieke geluidwering bedraagt daarmee maximaal (60 – 33 =) 27 dB. Geluidbeleid gemeente Asten De appartementen met de gevel direct aan de Burgemeester Wijnenstraat beschikken niet over een geluidluwe gevel. Ze ondervinden allemaal een geluidbelasting hoger dan de standaardwaarde. De geluidbelasting varieert op de voorgevel tussen 60 en 58 dB. De woningen beschikken niet over een eigen buitenruimte. Gezien de beperkte omvang van het appartement is dat ook niet verplicht. Wel beschikken zij over een gemeenschappelijke buitenruimte aan de achterzijde. Daar is de geluidbelasting beneden de standaardwaarde.

Bij de meeste appartementen met de gevel aan de Burgemeester Wijnenstraat is bij de keuken, grenzend aan de corridor, een raam voorzien dat te openen is. Zo kan geluidluw worden gespuid. Bij het linker hoekappartement op de derde verdieping is in de zijgevel een Storaxrooster voorzien, uitgevoerd met een minimale demping van 1 dB, waarmee men aan deze zijde geluidluw kan spuien via het betreffende rooster. Met deze voorzieningen zijn alle appartementen voorzien van een geluidluwe gevel inclusief spuivoorziening. Onderzoek geluidwering

Motivering Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit Burgemeester Wijnenstraat te Asten

34

Er is door K+ Adviesgroep een onderzoek naar de geluidwerende gevelmaatregelen uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage 3 opgenomen. Uit het rapport blijkt dat het mogelijk is om te voorzien in de benodigde geluidwering om te komen tot een goed woonklimaat. 4.6.3 Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde omgevingsplanactiviteit als het akoestisch klimaat in de woning wordt gegarandeerd.

4.7

Bodem

4.7.1 Wettelijk kader Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving: • Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerksvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2); • Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22Bal); • Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4 Maatwerkregels over het saneren van de bodem in het zinkassengebied De Kempen, (paragraaf 2.3.6a.5). Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik.

Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. 4.7.2 Onderzoek Er is door AERES Milieu een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. De rapportage hiervan is als bijlage 4 opgenomen. Uit het verkennend bodemonderzoek blijkt dat de er in de boven- en ondergrond geen overschrijding is van de interventiewaarde. In de beide grondmengmonsters van de bovengrond (MM1 en MM2, dieptetraject 0,0 -0,5 m -mv.) zijn licht verhoogde concentraties aan zware metalen aangetroffen (< 0,5 x Interventiewaarde). Deze bovengrond voldoet indicatief aan bodemkwaliteitsklasse ‘industrie’. In het grondmengmonster van de ondergrond (MM3) zijn geen verhoogde concentraties aangetoond. Indicatief voldoet deze grond aan bodemkwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur. Het freatisch grondwater is licht verontreinigd met zink. Op het maaiveld en in de vrijkomende grond zijn visueel geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Er zijn geen aanwijzingen gevonden die aanleiding geven aan asbestverontreiniging te verwachten. Op basis van het verkennend bodemonderzoek bodem kan worden gesteld dat er milieuhygiënisch geen belemmeringen bestaan voor de voorgenomen bouwactiviteit binnen het projectgebied. De resultaten van dit onderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek.

Motivering Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit Burgemeester Wijnenstraat te Asten

35

Indien er bij werkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt, zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit in combinatie met de bodemvoorschriften bij milieubelastende activiteiten uit het Bal en het omgevingsplan van toepassing. 4.7.3 Conclusie De aspecten bodem en grondwater vormen geen belemmering voor de beoogde omgevingsplanactiviteit.

4.8

Geur

4.8.1 Wettelijk kader Er bestaan diverse sectoren waar geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb’s. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: • Geur door het houden van landbouwhuisdieren en voor het berijden van paarden en pony’s in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS); • Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 BS); • Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 BS); • Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 BS). Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal).

In afdeling 8.5 ‘Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit’ van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels. 4.8.2 Onderzoek De dichtstbijzijnde veehouderij met rundvee ligt op circa 0,7 km afstand. De achtergrond geurbelastingkaart toont een zeer goede kwaliteit van de buitenlucht. Omdat het projectgebied op meer dan 0,7 km afstand ligt van de dichtstbijzijnde veehouderij en er een zeer goede kwaliteit van de buitenlucht is, levert het project geen belemmeringen voor de veehouderijen op en is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat verzekerd. Nader onderzoek is daarom niet nodig.

Motivering Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit Burgemeester Wijnenstraat te Asten

36

Figuur 4.7 Uitsnede kaart achtergrond geurbelasting, projectgebied rood omlijnd (bron: atlas.odzob.nl)

4.8.3 Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de beoogde omgevingsplanactiviteit.

4.9 Cultuurhistorie en archeologie 4.9.1 Wettelijk kader De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteiten en het verplaatsen van gebouwde monumenten. De archeologische waarden zijn doorvertaald in archeologische dubbelbestemmingen. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. De gemeente zal de komende tijd ook een cultuurhistorische waardenkaart opstellen. 4.9.2 Onderzoek Cultuurhistorie Binnen het projectgebied komen geen monumenten voor. Ook is het projectgebied geen onderdeel van een stads- of dorpsgezicht, cultuurlandschappen of ander cultureel erfgoed.

De beoogde ontwikkeling heeft geen invloed op bestaande structuren.

Motivering Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit Burgemeester Wijnenstraat te Asten

37

Voor het bepalen van de cultuurhistorische waarde in de omgeving is gekeken naar de gegevens die staan in de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant (zie onder Cultuurhistorische waarden, kaartlaag IV), gegevens uit het omgevingsplan (beeldbepalende panden) en erfgoedlijst van gemeente en rijk. Uit deze kaarten kan worden afgelezen dat; De Burg Wijnenstraat een historische structuur is; Tegenover het projectgebied enkele gemeentelijke monumenten en beeldbepalende panden staan. Burg. Wijnenstraat De historische structuur van de Burgemeester Wijnenstraat in Asten is nauw verbonden met het voormalige Molenstraat en de benoeming van de straat naar burgemeester Willem Wijnen. De straat heeft een gevarieerd straatbeeld, met 19e-eeuwse monumenten, een winkelhuis uit 1921 (voorheen Molenstraat 9) en andere panden die het straatbeeld bepalen. Het projectvoornemen sluit aan bij de eigenschappen van het gebiedstype ‘Lint’, zoals benoemd in het beeldkwaliteitsplan Asten Centrum. Bij het beeldkwaliteitsplan Asten Centrum is een Supevisiecommissie opgetuigd. De ontwikkelaar is daarbij twee maal aangeschoven en de uitgewerkte plannen hebben de goedkeuring van de Supervisiecommissie gekregen. Gemeentelijke monumenten/beeldbepalende panden Aan de overzijde van het projectgebied zijn verschillende woningen aanwezig die aangewezen zijn als gemeentelijke monumenten (Burg.

Wijnenstraat 25, 27, 29 en 31). De woningen zijn gelegen aan de overzijde van het projectgebied. De cultuurhistorische waarden van deze monumenten worden niet aangetast met de realisatie van 26 appartementen. Archeologie Het paraplubestemmingsplan ‘Asten Archeologie 2012’ voorziet in een gemeente-dekkende regeling voor archeologisch beleid. Het projectgebied is gelegen binnen 'Waarde Archeologie 2' en ‘Waarde – Archeologie 3’. Deze gronden zijn mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige archeologische waarden. Vanwege de archeologische verwachting is een archeologisch bureau- en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd door AERES Milieu. Dit onderzoek is als bijlage 5 opgenomen bij deze BOPA. De belangrijkste bevindingen zijn hierna opgenomen. Verkennend veldonderzoek Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat de bodemopbouw in een groot deel van het projectgebied bestaat uit een restant van een podzolprofiel (BC-horizont). Hierdoor bestaat nog de kans dat archeologische resten in de ondergrond kunnen worden aangetroffen. De in het vooronderzoek opgestelde archeologische verwachting (middelhoog voor (laat)paleolithicum –mesolithicum) wordt bijgesteld naar laag omwille van het ontbreken van een E- en B-horizont.

De middelhoge verwachting voor de periode neolithicum - nieuwe tijd blijft gehandhaafd. De graafwerkzaamheden bij de voorgenomen ontwikkeling kunnen een negatieve impact hebben op het verwachte aanwezige archeologische niveau. Op basis van de bodemkundige gesteldheid kunnen deze vanaf 65 centimeter onder maaiveld aanwezig zijn. Op basis hiervan wordt een vervolgonderzoek geadviseerd in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. Proefsleuvenonderzoek

Motivering Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit Burgemeester Wijnenstraat te Asten

38

Voordat de bouw start zal het proefsleuvenonderzoek plaatsvinden en zal met bevoegd gezag afgestemd worden of er verdere maatregelen nodig zijn. Dit wordt als voorschrift bij de omgevingsvergunning opgenomen. Conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 blijft er te allen tijde een meldingsplicht bestaan. Eventuele archeologische resten die bij werkzaamheden worden aangetroffen, moeten worden gemeld bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. 4.9.3 Conclusie De aspecten cultureel erfgoed, landschap en stedenbouw vormen geen belemmering voor de beoogde omgevingsplanactiviteit.

4.10 Ladder voor duurzame verstedelijking 4.10.1 Wettelijk kader De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij bopa voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Artikel 5.129g (zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand) 1. Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. 2. Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met: a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en b.

als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. 3. Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt tot het stedelijk gebied niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor: a. op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en b. nog geen toepassing is gegeven aan het tweede lid. 4. Als een omgevingsplan voorziet in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft die beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.10.2 Onderzoek De beoogde ontwikkeling voorziet in de bouw van 26 woningen waarmee er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder. Kwantitatief Op 9 maart 2023 is de regionale woondeal ondertekend. In de provincie Noord-Brabant ligt een gezamenlijke opgave om 130.600 woningen te bouwen.

De regio Zuidoost-Brabant zet

Motivering Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit Burgemeester Wijnenstraat te Asten

39

zich in voor de bouw van 45.135 woningen in de periode tot en met 2030. In de periode 2022 tot 2024 zijn 340 woningen gerealiseerd in de gemeente Asten. De resterende woningbouwopgave vanuit de woondeal voor de gemeente Asten is 610 woningen (netto) in de periode 2025-2030. Om deze woningbouwopgave te realiseren, is het noodzakelijk om te beschikken over voldoende harde plancapaciteit. ‘Harde’ woningbouwplannen betreffen plannen waarvan het bestemmingsplan vastgesteld of onherroepelijk is. Om aan te sluiten bij de grote behoefte aan betaalbare woningen is het streven om twee derde van de nieuwe woningen betaalbaar te laten zijn: op landelijk, provinciaal en regionaal niveau. Regionaal is de afspraak om bij nieuwe projecten (gemiddeld) minimaal 30% sociale huur te behalen. Het minimum van 30% sociale huur en twee derde betaalbaar in de nieuwbouwopgave geldt voor elke gemeente. De nieuwe appartementen zullen voldoen aan de minimumeis van 30% sociale huur. Gezien de druk op de woningmarkt en de afspraken in regionaal verband kan worden geconcludeerd dat er voldoende kwantitatieve behoefte bestaat aan de beoogde woningbouwontwikkeling. Kwalitatief Met het voorliggende plan worden 8 sociale huur appartementen en 18 appartementen in de middenhuur gerealiseerd.

Hiermee wordt voldaan aan de prioriteiten die zijn gesteld in het gemeentelijke woonbeleid, waaronder het bouwen van extra woningen waarmee ook starters weer toegang krijgen tot de woningmarkt. In het Programma Wonen 2024-2030 zijn verschillende doelen opgesteld • Werken aan vitale en toekomstbestendige kernen: Asten, Heusden en Ommel zijn aantrekkelijke dorpen om in te wonen, met voldoende woningaanbod voor eigen inwoners én voor mensen van buitenaf die hier graag komen wonen. Door te werken aan aantrekkelijk en toekomstbestendig aanbod houdt de gemeente de voorzieningen op peil en wordt de kracht van de gemeenschap behouden. • Bouwen met ambitie: Binnen de gemeente moeten voldoende woningen gebouwd worden om tegemoet te komen aan de woningbehoefte van de lokale inwoners én om nieuwe inwoners naar Asten, Heusden en Ommel te trekken. Daarbij heeft de gemeente oog voor de eigenheid van de dorpen, waarmee gewerkt wordt aan vitale kernen. Binnen gemeente Asten worden tot en met 2026 500 nieuwbouwwoningen gerealiseerd. In de periode erna komen daar nog eens zeker 500 woningen bij. • Prettig oud worden in de dorpen: Mensen kunnen prettig ouder worden in Asten, Heusen en Ommel. Zij kunnen een fijne oudere dag beleven in een passende woning met sociale contacten, in verbinding met de omgeving.

• Eerlijke kansen op de woningmarkt: Iedereen moet een huis kunnen vinden dat bij ze past in de dorpen. Jong en oud. De gemeente streeft naar eerlijke kansen op de woningmarkt in Asten, Heusden en Ommel. Voor de vitaliteit van dorpen is extra aandacht voor de woonkansen van jongeren en voor doorstroming. De woningen geven een invulling aan de doelen uit het Programma Wonen 2024-2030. Aangezien er 26 betaalbare woningen worden gebouwd, wordt met het voorliggende plan voldaan aan de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte. 4.10.3 Conclusie De omgevingsplanactiviteit voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

Motivering Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit Burgemeester Wijnenstraat te Asten

40

4.11 Verkeer en parkeren 4.11.1 Wettelijk kader Primair is verkeersveiligheid geregeld in de weg- en verkeerswetgeving (o.a. Wegenverkeerswet). Deze regelgeving maakt geen deel uit van de Omgevingswet. Er dient getoetst te worden aan de richtlijnen ten aanzien van verkeer en parkeren in de nota parkeernormen en waar nodig de normen vanuit het CROW. De omgevingsvisie van de gemeente moet een visie op verkeer en vervoer op gemeentelijk niveau bevatten. De gemeente Asten heeft in haar visie aangegeven dat het gemeentelijk verkeers- en vervoersplan van kracht blijft. Het initiatief dient hieraan getoetst te worden. De parkeernormen van de gemeente zijn opgenomen in de Nota parkeernormen. Geactualiseerde mobiliteitsvisie 2025 De Mobiliteitsvisie 2025 van de gemeente Asten is een update van het gemeentelijk verkeers- en vervoersplan (GVVP) dat in 2016 werd vastgesteld. In dit document wordt aandacht besteed aan verkeersveiligheid, leefbaarheid en bereikbaarheid, waarbij duurzaamheid hoog in het vaandel staat. Het beschreven STOMP-principe (Stappen, Trappen, Openbaar vervoer, Mobiliteitsdiensten en Privéauto) staat centraal in de aanpak en stimuleert actieve vervoerswijzen zoals wandelen en fietsen. Belangrijke modules zijn opgenomen, zoals die voor voetgangers, fiets, openbaar vervoer en verkeersveiligheid.

Het document benadrukt ook de noodzaak van regionale samenwerking om infrastructuurprojecten en mobiliteitstransities effectiever aan te pakken. Essays moeten bijdragen aan een veilige, duurzame en inclusieve samenleving waarin iedereen toegang heeft tot mobiliteit. Op het onderdeel parkeren is er behoefte aan een actualisatie van het beleid en de parkeernormen. Het nieuwe beleid moet aansluiten op de meest actuele CROW-richtlijnen en er moet meer ruimte zijn voor maatwerk om ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk te maken. De ontwikkeling heeft gevolgen voor het aantal verkeersbewegingen op de omliggende wegen. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect hiervan is. Daarnaast dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto’s, fietsen en/of scooters. Het project mag geen onaanvaardbare gevolgen hebben. 4.11.2 Onderzoek De ontwikkeling heeft gevolgen voor het aantal verkeersbewegingen op de omliggende wegen. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect hiervan is. Op 5 mei 2026 is door Exante onderzoek uitgevoerd naar de verkeersgeneratie en parkeerbehoefte. Dit onderzoek is als bijlage 6 opgenomen. Daarnaast dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto’s, fietsen en/of scooters.

Het plan mag geen onaanvaardbare gevolgen hebben. Verkeer Door de ontwikkeling rijdt er in de toekomst meer verkeer. De Nota Parkeernormen 2026 van de gemeente Asten geeft geen specifieke cijfers voor verkeersgeneratie. In dit geval gaan we uit van de meest recente kencijfers, CROW-publicatie 744. In deze kencijfers wordt rekening gehouden met de stedelijkheidsgraad en ligging van het project in de gemeente. Qua systematiek wordt aangesloten bij de Nota Parkeernormen 2026 en wordt het gemiddelde van de bandbreedte van de verkeersgeneratie genomen. Voor het projectgebied zijn de normen voor de stedelijkheidsgraad ‘matig stedelijk’ van toepassing in de zone ‘Centrum’. Het project bestaat uit 8 sociale huurappartementen en 18 appartementen in de middenhuur. In totaal genereren de woningen 96 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Per Motivering Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit Burgemeester Wijnenstraat te Asten

41

woning betekent dit een verkeersaantrekkende werking van 3,7 motorvoertuigen per etmaal. In de huidige situatie bestaat het gebied uit drie vrijstaande woningen. De verkeersgeneratie van deze woningen samen is 24 motorvoertuig bewegingen per etmaal. Om het verkeersaandeel van de ontwikkeling te bepalen is de volgende berekening nodig. De toekomstige verkeersgeneratie = de nieuwe verkeersgeneratie minus de huidige verkeersgeneratie. Dit betekent dat de ontwikkeling een toekomstige verkeersgeneratie 96 – 24 = 72 verkeersbewegingen kent. Deze toename wordt naar verwachting voor 55% in noordelijke richting en voor 45% in zuidelijke richting afgewikkeld. Gelet op de bestaande verkeersintensiteiten op de omliggende wegen, is deze toename verwaarloosbaar. De capaciteit van het wegennet biedt voldoende ruimte om deze extra verkeersbelasting op te vangen. Er is geen sprake van knelpunten of overschrijding van normen voor verkeersafwikkeling, verkeersveiligheid of leefbaarheid. Parkeren De gemeente Asten toetst nieuwe initiatieven aan de concept ‘Nota Parkeernormen 2026’ van de gemeente Asten. Voorliggend project maakt 8 appartementen mogelijk in de categorie sociale huur appartement < 75 m2 . En 18 appartementen in de middenhuur. Het projectgebied ligt in de zone ‘Centrum’ in een ‘matig stedelijk gebied’. De herontwikkeling voorziet in 20 parkeerplaatsen op eigen terrein.

Daarvan liggen 17 parkeervakken achter de woningen op eigen terrein. Aanvullend zijn 3 langsparkeervakken ingetekend aan de voorzijde van de ontwikkeling. Deze 3 parkeervakken liggen in de openbare ruimte. Voor de huurappartementen in de sociale huur sector geldt een parkeernorm van 0,4, inclusief bezoekers parkeren. Dit komt neer op een parkeerbehoefte van (0,4 x 8 =) 3,2 parkeerplaats Voor de huurappartementen in de middenhuur geldt een parkeernorm van 0,7, inclusief bezoekers parkeren. Dit komt neer op een parkeerbehoefte van (0,7 x 18 =) 12,6 parkeerplaats. Tezamen zijn dit 15,8 parkeerplaatsen, afgerond 16 parkeerplaatsen voor de appartementen. Binnen het projectgebied worden aan de noordzijde 17 parkeerplaatsen gerealiseerd op eigen terrein. Aan de Burgemeester Wijnenstraat worden 3 parkeerplaatsen toegevoegd. Door de realisatie van in totaal 20 parkeerplaatsen wordt voorzien in de parkeerbehoefte voor bewoners en bezoekers van 16 parkeerplaatsen. De ontwikkeling voldoet aan de Nota Parkeernormen 2026 van de gemeente Asten. Op basis van de berekende parkeervraag zijn in totaal 16 parkeerplaatsen vereist (zonder dubbelgebruik). De ontwikkeling zorgt voor 20 extra parkeerplaatsen verdeeld op eigen terrein en in de openbare ruimte. Hiermee voldoet de ontwikkeling ruimschoots aan de parkeervraag.

4.11.3 Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de beoogde omgevingsplanactiviteit.

4.12

Bescherming van de gezondheid

4.12.1 Wettelijk kader Het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit is een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen.

Motivering Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit Burgemeester Wijnenstraat te Asten

42

Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, kwaliteit van de buitenlucht en bodem. Deze aspecten zijn in de voorgaande paragrafen gemotiveerd. Daarnaast kunnen ook de volgende aspecten van invloed zijn op een gezonde leefomgeving: nabijheid van veehouderijen, boom- en fruitteelt, hoogspanningsverbindingen en trillinghinder. Het aspect trillingen is niet aan de orde omdat het projectgebied niet binnen het invloedsgebied van spoorlijnen ligt. 4.12.2 Onderzoek De aspecten geluid, geur, kwaliteit van de buitenlucht en bodem zijn in de voorgaande paragrafen gemotiveerd. Daarnaast wordt met de realisatie van woningbouw de kwaliteit van de leefomgeving niet nadelig beïnvloed. Op de locatie kunnen na herontwikkeling geen milieubelastende activiteiten worden uitgevoerd. Veehouderijen Bij het beoordelen van de effecten van veehouderijen op de volksgezondheid wordt onderscheid gemaakt in endotoxinen en geitenhouderijen. Endotoxinen Endotoxinen zijn bouwstenen van bepaalde bacteriën die een toxisch effect op de mens kunnen hebben en tot gezondheidsklachten kunnen leiden.

Endotoxinen komen vaak voor in fijnstof van intensieve veehouderijen. De Gezondheidsraad hanteert een advieswaarde van 30 endotoxine-eenheden per kubieke meter (EU/m³) voor de maximale blootstelling aan endotoxinen in de buitenlucht over een langere periode. Voor de beoordeling kan de "Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0" worden gebruikt. Daarin zijn afstandsgrafieken opgenomen voor de relevante diersoorten vleeskuikens, legkippen en vleesvarkens gerelateerd aan de fijnstofemissie. In algemene zin kan worden gesteld dat het effect van endotoxinen tot maximaal 600 meter van veehouderijen reikt. Er bevinden zich geen intensieve veehouderijen binnen een straal van 600 meter vanaf het projectgebied. Geitenhouderijen In een straal van 2 km rondom geitenhouderijen bestaat een verhoogde kans op longontsteking. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van geitenhouderijen moet worden beoordeeld of er een effect is op de gezondheid. Er bevinden zich geen geitenhouderijen binnen een straal van 2 km vanaf het projectgebied. Spuitzones en hoogspanningsverbindingen In de nabije omgeving van het projectgebied zijn geen spuitzones en hoogspanningsverbindingen aanwezig. 4.12.3 Conclusie Het aspect gezondheid vormt geen belemmering voor de beoogde omgevingsplanactiviteit.

4.13 Natuur 4.13.1 Wettelijk kader Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten

Motivering Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit Burgemeester Wijnenstraat te Asten

43

(waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren.

Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: - er soorten aanwezig zijn; en - welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. 4.13.2 Onderzoek Door M&A Omgeving BV is een ecologische quickscan uitgevoerd. De rapportage van deze quickscan is opgenomen als bijlage 7. Daarbij is door NOx advies een memo stikstof opgesteld. De rapportage van deze memo is opgenomen als bijlage 8. De belangrijkste bevindingen zijn hierna opgenomen. Gebiedsbescherming Het Natura 2000-gebied ‘Stabrechtse Heide en Beuven’, gelegen op circa 8,5 km van het projectgebied, is het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied.

Motivering Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit Burgemeester Wijnenstraat te Asten

44

Op circa 0,7 km van het projectgebied bevindt zich het dichtstbijzijnde onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Gelet op de afstand en de aard van de werkzaamheden worden geen nadelige effecten verwacht op het NNN. Met behulp van het rekenprogramma Aerius Calculator is de stikstofdepositiebijdrage vanwege de bouw- en gebruiksfase berekend ter plaatse van nabijgelegen gevoelige habitattypen in de voor het project relevante Natura 2000-gebieden. De voor stikstofdepositie mogelijk relevante bronnen ten gevolge van gebruik in de toekomstige situatie betreffen de verkeersbewegingen van bewoners en bezoekers en de stikstofemissies ten gevolge van stookinstallaties. Gedurende zullen de aanlegfase emissies plaatsvinden door mobiele werktuigen en bouwverkeer. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat de stikstofdepositie niet meer dan 0,00 mol N/ha/jaar bedraagt. Soortenbescherming Op basis van de ecologische quickscan kan het volgende worden geconcludeerd: Vleermuizen Binnen het projectgebied zijn geen verblijfplaatsen voor vleermuizen aangetroffen. De gebouwen zijn hermetisch gesloten voor vleermuizen. Binnen de bebouwing zijn eveneens geen verblijfplaatsen aangetroffen. In het projectgebied zijn geen geschikte bomen aanwezig waar boombewonende vleermuizen een verblijfplaats kunnen hebben.

Met de voorgenomen ontwikkeling is het niet uit te sluiten dat er vaste verblijfplaatsen voor vleermuizen aanwezig zijn van de te slopen bebouwing binnen het projectgebied. Daarbij kunnen tijdens de sloopwerkzaamheden aanwezige vleermuizen verstoord worden. Broedvogels Tijdens het veldonderzoek zijn geen verblijfplaatsen en nesten van jaarrond beschermde soorten aangetroffen. De bebouwing is goed afgesloten waardoor broedvogels niet naar binnen kunnen. Het projectgebied is onderzocht op eventuele nesten en verblijfplaatsen. Deze zijn niet aangetroffen. Overige soorten Voor de overige soorten geldt dat er geen negatieve effecten worden verwacht. Wat betreft algemene broedvogels kunnen overtredingen voorkomen worden door bij het bouwrijp maken van de locatie rekening te houden met het broedseizoen (globaal maart t/m half augustus). Verder blijft de algemene zorgplicht ten allen tijden van kracht. 4.13.3 Conclusie Significant negatieve effecten op beschermde gebieden kunnen op basis van de uitgevoerde berekeningen worden uitgesloten. Een vergunningplicht Natura 2000 activiteit is niet aan de orde. De aspecten soorten- als gebiedsbescherming vormen geen belemmering voor de beoogde omgevingsplanactiviteit.

4.14

Bezonning

4.14.1 Wettelijk kader Naast geluid, lucht, veiligheid en groen wordt de kwaliteit van de leef- en woonomgeving nog door een aantal andere ruimtelijke aspecten bepaald zoals bezonning. Bij een Motivering Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit Burgemeester Wijnenstraat te Asten

45

bezonningsstudie wordt de bestaande (maximaal toegestane planologische situatie) vergeleken met de nieuwe situatie (maximaal toegestane planologische situatie). Er wordt dan nagegaan of de bebouwing effect heeft op de bezonning van de bestaande bouw en of er bij de nieuwbouw sprake is van voldoende zon om te kunnen spreken van een aanvaardbare fysieke leefomgeving. Om te bepalen of er voldoende zon in een gebouw/woning aanwezig is wordt de ‘lichte’ TNO-norm wordt vaak als richtlijn gehanteerd. Er zijn in Nederland geen wettelijke eisen gesteld aan de hoeveelheid zon dat op of in een gebouw minimaal dient toe te treden. Voor woningen is daarom door TNO een richtlijn opgesteld. Sommige gemeenten hebben in aanvulling op deze TNO-richtlijn een eigen richtlijn opgesteld, in Asten is dit niet het geval. De TNO-norm ‘Licht’ is in Nederland de meest gangbare bezonningsnorm. Voor de TNO-norm geldt de woonkamer als de maatgevende ruimte. De minimale eis van 2 mogelijke bezonningsuren geldt voor de ruimte als geheel, bezonning kan dus mogelijk zijn via meerdere raamopeningen, zowel aan de voor- als achterzijde van een woning. De gemeente Asten hanteert geen specifieke bezonningsnorm, voor de volledigheid wordt daarom vaak getoetst op de TNO-norm. 4.14.2 Onderzoek Voor de plansituatie is in het kader van de omgevingsdialoog een bezonningsstudie uitgevoerd door Beusen architecten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Asten&id=a42b8ebf-b85e-4c1b-8b3f-adbb3fc60a44