Bijlage 2 - Motivering BOPA Bleekerweg 4
Tekst van het document
Bleekerweg 4 Heusden
31
Ad lid 1b) Met onderhavige ontwikkeling wordt een intensieve veehouderij (pluimveehouderij) beëindigd. Gezien de ligging nabij het Natura 2000-gebied ‘de Groote Peel’ en tevens de omliggende woonfuncties in de omgeving en het op relatief korte afstand gelegen van de kom van Heusden, is een intensieve veehouderij op deze locatie niet langer wenselijk. De beëindiging van het agrarisch bedrijf draagt bij aan een aanzienlijke vermindering van emissie van stikstof, ammoniak en fijnstof, wat het woon- en leefklimaat ter plaatse aanzienlijk verbeterd. Door het wegvallen van de grote pluimveestallen en grote delen van de erfverharding is sprake van een grote mate van ontstening. Hiermee wordt een positieve bijdrage geleverd aan landschappelijke- en natuurwaarden. Dit wordt versterkt doordat het perceel landschappelijk wordt ingepast. De grote hoeveelheid aan beplanting draagt positief bij aan de biodiversiteit. Ook treden er geen veranderingen op ten aanzien van de opvang van het hemelwater ten opzichte van de huidige situatie. Buiten het feit dat in de nieuwe situatie het verhard oppervlak flink is afgenomen ten opzichte van de huidige situatie wat de waterhuishouding ter plaatse ten goede komt. Verder zal het aantal verkeersbewegingen in de nieuwe situatie afnemen, wat tevens het woon- en leefklimaat ter plaatse ten goede komt.
Tot slot wordt in hoofdstuk 5 aangetoond dat de ontwikkeling niet zal leiden tot aantasting van eventueel aanwezige waarden in het gebied en worden omliggende (agrarische) bedrijven door de komst van het agrarisch verwant bedrijf niet belemmerd in hun ontwikkelingsmogelijkheden. Ad lid 1 c) Met de sloop van de agrarische bebouwing op het perceel in combinatie met de landschappelijk inpassing van het perceel wordt een aanzienlijke kwaliteitsverbetering van het landschap c.q. verbetering van de omgevingskwaliteit gegenereerd. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar paragraaf 4.4.3. Ad lid 1 d) Er is geen sprake van overtollige bebouwing. 4.2.3
Kwaliteitsverbetering van het landschap In artikel 3.9 kwaliteitsverbetering landschap van de Omgevingsverordening is het volgende gesteld. Vanuit het bereiken van een goede omgevingskwaliteit geldt in Brabant sinds 2014 de regeling Kwaliteitsverbetering landschap. Een tijdelijk deel omgevingsplan dat een ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk gebied voorziet daartoe in een regeling. Om gemeenten te ondersteunen bij de uitvoering van deze regeling is in 2011 een handreiking Kwaliteitsverbetering van het landschap opgesteld. Vrijwel alle gemeenten in Brabant hebben de regeling verder uitgewerkt in beleid en regionaal afspraken gemaakt over de toepassing. Op diverse plaatsen in de verordening zijn verbijzonderingen van de kwaliteitsverbetering landschap opgenomen. De verplichtingen die daaruit voortvloeien, maken deel uit van de kwaliteitsverbetering landschap als bedoeld in dit artikel, zoals bijvoorbeeld verplichtingen tot sloop van bebouwing, het saneren van windturbines of de vastgelegde minimale verplichting voor een landschappelijke inpassing bij veehouderijen en mestbewerking. Soms is nadrukkelijk
Bleekerweg 4 Heusden
32
bepaald dat dit artikel niet van toepassing is omdat de regeling zelf al voorziet in kwaliteitsverbetering, zoals de ontwikkeling van ruimte voor ruimte woningen en landgoederen. Er is derhalve geen sprake van een stapeling van regelingen. In de toelichting geeft de gemeente aan dat de inzet van de kwaliteitsverbetering past binnen het beleid voor een gebied of de omgeving. Dit kan bijvoorbeeld door aan te geven dat de maatregelen passen bij het aanwezige landschapstype of door te verwijzen naar een landschapsplan of gemeentelijke structuurvisie waarin landschapsdoelen zijn opgenomen. De verordening biedt dus de mogelijkheid dat de kwaliteitsverbetering niet op dezelfde plek plaatsvindt als de ontwikkeling. Het is aan de gemeente om hiervoor beleid te ontwikkelen. In geval de kwaliteitsverbetering elders wordt uitgevoerd, geldt ter plaatse van de ontwikkeling uiteraard wel een goede landschappelijke inpassing. Om alle onduidelijkheid over het begrip landschap weg te nemen is duidelijk aangegeven dat het begrip landschap niet alleen betrekking heeft op groenontwikkeling maar ook betrekking heeft op de sloop of uiterlijke verschijningsvorm van bebouwing. Veel gemeenten hebben in het kader van het regionaal overleg afspraken gemaakt met de provincie over de toepassing van de kwaliteitsverbetering landschap.
Voor die gemeenten geldt dat zij in de toelichting van het tijdelijk deel omgevingsplan naar deze afspraken kunnen verwijzen. Overigens is het daarbij nog steeds nodig dat conform de gemaakte afspraken de kwaliteitsverbetering bij concrete ontwikkelingen in het tijdelijk deel omgevingsplan geborgd wordt. In geval daarbij een landschapsfonds is ingesteld, geldt dat er over de besteding van dat fonds periodiek verslag wordt gedaan in het regionaal overleg. In paragraaf 4.4.3 wordt nader ingegaan op het beleid van de gemeente Asten ten aanzien van de kwaliteitsverbetering van het landschap. Het perceel wordt landschappelijk ingepast door de aanplant van struweel, een boomgaard en beukenhagen. Hiermee wordt een positieve bijdrage geleverd aan de kwaliteitsverbetering van het landschap. 4.2.4.
Conclusie Voldaan wordt aan de gestelde regels in de Omgevingsverordening. Zo is er sprake van de toevoeging van een nieuwe economische functie in een multifunctioneel platteland. Ook is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik door bestaande bebouwing te hergebruiken. Met de voorziene landschappelijke inpassing wordt tevens voldaan aan de voorwaarden voor kwaliteitsverbetering. Daarmee is de beoogde ontwikkeling mogelijk en passend binnen het beleid van de provincie.
4.3
REGIONAAL BELEID
4.3.1
Regionaal streefbeeld van ons landelijk gebied Op 6 februari 2020 is het ‘Regionaal streefbeeld van ons landelijk gebied’ door de Metropoolregio Eindhoven opgesteld. De Metropoolregio Eindhoven is een samenwerking tussen 21 regiogemeenten, waar de gemeente Asten onderdeel van uitmaakt. Dit streefbeeld beschrijft de ambities met richtinggevende uitspraken over de gewenste ontwikkeling van het landelijk gebied. Het beschrijft het perspectief voor ons als (samenwerkende) gemeenten. De opgaven worden vertaald in acties in het jaarlijkse Werkprogramma Metropoolregio Eindhoven. Waar relevant vertalen
Bleekerweg 4 Heusden
33
gemeenten dit streefbeeld door naar acties en beleidskeuzes in sub-regionaal en/of in lokaal verband, bijvoorbeeld bij het opstellen van het gemeentelijke omgevingsplan. Daarnaast vormt dit streefbeeld het handelingsperspectief en de agenda voor afstemming en samenwerking met medeoverheden (provincie, waterschappen, rijk) en maatschappelijke partners (bedrijfsleven en kennisinstellingen). Het gaat nadrukkelijk niet alleen om de transitie van de agrarische sector of om het buitengebied in onze regio, maar ook om de fysieke en functionele verbinding van het landelijk gebied met de steden en dorpskernen. Dit vraagt om een integrale benadering. Dit streefbeeld gaat in op de versterking van de economische structuur in het landelijk gebied, op de ruimtelijke en ecologische kwaliteit en het wederzijds verbinden van landelijk en stedelijk gebied. Nadrukkelijk wordt hierbij ook gekeken naar de kansen en uitdagingen van maatschappelijke opgaven zoals energietransitie en klimaatadaptatie. Dit streefbeeld is in samenspraak met de onder andere de thema’s wonen, ruimtelijke ordening, economie, mobiliteit, energietransitie opgesteld. Het landelijk gebied draagt bij aan de versterking van het concurrerend vestigingsklimaat van en de leefbaarheid in de regio als totaal (Brainport) en is op zichzelf leefbaar, toekomstbestendig en economisch vitaal.
De volgende richtinggevende uitspraken komen in dit streefbeeld naar voren: 1. We versterken landschap, natuur en de verbinding tussen stad en platteland en creëren ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie. 2. We streven naar een ruimtegebruik van onze regio dat in balans is met de natuurlijke systemen. 3. We zoeken samen met de landbouwsector en andere stakeholders naar mogelijkheden om in het landelijk gebied meer maatschappelijke en economische meerwaarde te genereren. Door bijvoorbeeld een bijdrage te leveren aan een gezonde bodem, maatschappelijke aspecten (vitaliteit en leefbaarheid), biodiversiteit, duurzame energieopwekking, klimaatadaptatie en landschappelijke kwaliteit. Initiatief Voor onderhavige ontwikkeling is met name de derde richtinggevende uitspraak van toepassing. Een transitie biedt kansen. In het landelijk gebied worden de mogelijkheden voor economische activiteiten verruimd. De focus ligt hierbij vooral op de sectoren kringlooplandbouw en landbouwinnovaties, energie, zorg, startups in de maak-industrie en leisure. Een sterke economische structuur draagt bij aan vitale kernen en een vitaal buitengebied.
Bleekerweg 4 Heusden
34
4.4
GEMEENTELIJK BELEID
4.4.1
Omgevingsvisie Asten De gemeenteraad van de gemeente Asten heeft in oktober 2021 de ‘Omgevingsvisie Asten’ vastgesteld. De omgevingsvisie richt zich op het gehele grondgebied van de gemeente en geeft een heldere vertaling van het gewenste gebieds- en opgavegericht werken. De Toekomstagenda Asten 2030 is een belangrijke basis voor deze visie. In de visie staan de hoofdlijnen van het beleid van de gemeente Asten rond de fysieke leefomgeving. Deze bestaande beleidsnota’s, -visies en -plannen, alsmede toekomstige wijzigingen van dit beleid, blijven behouden naast de omgevingsvisie en vormen een nadere uitwerking van en een toelichting op de hoofdlijnen uit de omgevingsvisie. Gestreefd wordt naar een vereenvoudiging van dit beleid door helderheid te scheppen over de essenties van beleid en het aantal beleidsnota’s terug te dringen. Ook moet de gemeente bij de afweging van initiatieven naast haar eigen beleid vaak rekening houden met beleid van andere overheden en ketenpartners, zoals de omgevingsvisie van Brabant en het Waterbeheerplan Aa en Maas 20222027. Met inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties wordt de komende jaren verder gewerkt aan kwaliteit en levendigheid van het centrum van Asten, de vitaliteit van Heusden en Ommel en een toekomstbestendige lokale economie. Ook de agrarische sector is en blijft belangrijk voor Asten.
De concentratie van intensieve landbouw leidt echter tot de uitstoot van teveel fijnstof en tot geuroverlast, wat de gezondheid voor de eigen inwoners en voor natuur en milieu in gevaar brengt. Tegelijkertijd is het van belang dat de boeren kunnen blijven ondernemen. Dit heeft ertoe geleid dat de sector voor de opgave staat om te verduurzamen, meer in balans te brengen met natuur en landschap en de gezondheid van inwoners van de dorpen. In nauwe samenwerking tussen de gemeente met de landbouwsector en inwoners wordt verder gewerkt aan een gezonde bodem, verbetering van de wateren luchtkwaliteit en een grotere biodiversiteit. Ook de opwekking van duurzame energie en het vasthouden van water zijn belangrijke opgaven. Planlocatie De planlocatie is gelegen binnen het deelgebied ‘Agrarisch anders’. Zie onderstaande figuur.
Bleekerweg 4 Heusden
35
Figuur 7 Ligging binnen Omgevingsvisie
In dit gebied wil de gemeente de agrarische sector koesteren en ontwikkelen. De ambitie van de gemeente is de ontwikkeling van een toonaangevende, innovatieve agrarische sector rond de kern Heusden. Om deze ambitie waar te maken wordt kennis uit Brainport en Greenport ingezet en wordt de ontwikkeling van broedplaatsen van innovatieve voedselproductie gestimuleerd. Er wordt ruimte geboden voor een duurzame en verantwoorde agrarische sector, zodat er in 2030 sprake is van minder geur, fijnstof, stikstof, ammoniak, ziektekiemen en uitspoeling van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen. Binnen deze kaders krijgen sterke bedrijven de ruimte om te blijven ondernemen. Tevens is er ruimte voor innovatie of andere teelten, zoals de teelt van nieuwe eiwitten. Voor agrarische bedrijven die stoppen liggen er ook kansen voor niet-agrarische bedrijvigheid. De gemeente ziet kansen voor meervoudig ruimtegebruik, bijvoorbeeld door teelt in de open grond te combineren met zonne-energie. Dit gebied is gezien het sterk agrarische karakter niet geschikt voor woningbouw en verblijfsrecreatie. Dit is tevens terug te zien in de infrastructuur. Getracht wordt om door middel van routering en goede infrastructuur de agrarische verkeersstromen en de verkeersstromen met kwetsbare verkeersdeelnemers te spreiden.
Daarnaast levert de gemeente gezamenlijk een bijdrage aan de energietransitie en klimaatadaptatie en wil zij in 2030 klimaatbestendig zijn, meer groen binnen de gemeente bewerkstelligen, een betere wateropvang, minder hittestress en de biodiversiteit verhogen. Ook streeft de gemeente naar het zo snel mogelijk energieneutraal zijn door zoveel mogelijk zelf energie op te wekken. Verder wil de gemeente de komende jaren initiatieven die ten goede komen aan welzijn en welvaart van de eigen inwoners en ondernemers waar nodig faciliteren. Uiteindelijk met het gezamenlijk belang om binnen de gemeente Asten een fijn woon-, leef- en verblijfsklimaat te blijven garanderen.
Bleekerweg 4 Heusden
36
Op basis van voorgaande streeft de gemeente Asten concreet de volgende doelstellingen na: Transformatie buitengebied Ruimte bieden aan een toekomstbestendige en emissiearme landbouw en glastuinbouw, waarin moderne technologische innovaties een belangrijke rol kunnen spelen. Het terugdringen van emissies en het verbeteren van de luchtkwaliteit (geur, jn stof, etc.). Het doel is dat maximaal 12% van de inwoners in de kernen en maximaal 20% van de inwoners in het buitengebied door geur wordt gehinderd. Het versterken van duurzaam bodemgebruik en de ontwikkeling van biodiversiteit. Vitale kernen Behoud van de werkgelegenheid en versterken van toekomstbestendige sectoren die ondervertegenwoordigd zijn, zoals dienstverlening, onderzoek en advies. Ontwikkelen van een gezonde en activerende leefomgeving, met veilige en aantrekkelijke plaatsen om te bewegen en elkaar te ontmoeten. Het verbeteren van de bereikbaarheid en verkeersveiligheid. Ontwikkeling infrastructuur, capaciteit wegen en verkeersveiligheid. Versterken van de groenstructuren rondom Heusden. Adequate huisvesting van arbeidsmigranten conform het gemeentelijk beleid zoals vastgelegd in de Beleidsnotitie Arbeidsmigranten. Klimaatbestendig en energieneutraal Asten Opwekken van hernieuwbare energie en alternatieve warmtebronnen voor het aanwezige warmtenet.
Vergroten van de klimaatbestendigheid, waaronder het voorkomen van wateroverlast en het tegengaan van hittestress. Onderzoeken van alternatieve warmtebronnen voor het aanwezige warmtenet. Initiatief De locatie is binnen de visiekaart gelegen binnen het deelgebied ‘Agrarisch anders’. Binnen dit gebied liggen kansen voor agrarische bedrijven die stoppen voor het mogelijk maken van niet-agrarische bedrijvigheid. De gemeente ziet hierin kansen voor meervoudig ruimtegebruik. Binnen het programma Transitie Buitengebied in de Toekomstagenda Asten 2030 is het faciliteren van nieuwe economische activiteiten een van de speerpunten. De locatie betreft de beëindiging van een intensieve veehouderij (pluimveehouderij). Deze functie is gezien de ligging nabij het Natura-2000 gebied ‘de Groote Peel’ en de omliggende woonfuncties in de omgeving niet wenselijk op deze locatie. Het omschakelen van de intensieve veehouderij naar een agrarisch verwant bedrijf (agrarisch loonwerk) is passend binnen het speerpunt zoals genoemd in de Toekomstagenda Asten 2030 en de Omgevingsvisie Asten. De sloop van de agrarische bedrijfsbebouwing op het perceel en de beëindiging van de dragen in grote mate positief bij aan de omgevingskwaliteit in de omgeving. Het agrarisch verwant bedrijf is daarnaast ruimtelijk en functioneel passend in deze omgeving.
Er is geen sprake van nieuwbouw, de resterende bestaande bebouwing op het perceel blijft behouden. Daarnaast sluit de ontwikkeling ook goed aan op de genoemde ambities. De ontwikkeling draagt bij aan verbetering van de landschappelijke- en natuurwaarden door
Bleekerweg 4 Heusden
37
grote mate van ontstening, afname van ammoniak- en stikstofemissies, behoud van de aanwezige beplanting en verdere inpassing van de locatie. De vele beplanting draagt positief bij aan de biodiversiteit. Ook vinden er geen wijzigingen plaats ten aanzien van de opvang en afvoeren van het hemelwater ten opzichte van de huidige situatie. Verder zal in de nieuwe situatie het aantal verkeersbewegingen afnemen, aangezien de pluimveehouderij zal komen te vervallen en het aantal verkeersbewegingen afkomstig van het agrarisch verwant bedrijf zeer gering zijn. Dit komt het woon- en leefklimaat in de omgeving ten goede. 4.4.2
Toekomstagenda Asten 2030 De gemeenteraad van Asten heeft op 27 juni 2017 de Toekomstagenda 2030 opgesteld. In de toekomstagenda is de ontwikkelingsrichting van de gemeente Asten bepaald, waarin in samenwerking met inwoners van de gemeente de belangrijkste opgaven voor 2030 in kaart zijn gebracht. Gestreefd wordt naar uitvoering van de volgende vier opgaven: Transformatie buitengebied Vitale kernen Centrumontwikkeling Klimaatbestendig en energieneutraal Asten Voor onderhavig initiatief is de opgave ‘Transformatie buitengebied’ van belang. In het buitengebied van de gemeente Asten staat de agrarische sector centraal. De gemeente staat voor een grote uitdaging om de agrarische sector te verduurzamen, meer in balans te brengen met natuur en landschap en de gezondheid van inwoners. Voor de transformatie van het buitengebied zijn verschillende concrete projecten op de uitvoeringsagenda gezet. Een van deze projecten is de gebiedsgerichte aanpak leegstand. Leegstand van voormalige agrarische bebouwing in het buitengebied dient zoveel mogelijk voorkomen te worden om verrommeling van het landschap te voorkomen. Dit wordt bewerkstelligd op onderhavige planlocatie, waarbij sprake is van de omvorming van een intensieve veehouderij naar een agrarisch verwant bedrijf. Hierdoor verkrijgt de resterende bestaande bebouwing een nieuwe functie en kan deze behouden blijven.
Bleekerweg 4 Heusden
38
4.4.3
Structuurvisie ‘Kwaliteitsverbetering van het landschap’ gemeente Asten De gemeente Asten heeft haar eigen beleid vastgesteld, de Structuurvisie kwaliteitsverbetering van het landschap. De structuurvisie is gericht op verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied en geldt voor ontwikkelingen in het buitengebied, welke niet rechtstreeks mogelijk gemaakt worden binnen de regels van het vigerende bestemmingsplan. Uitgangspunt is dat ruimtelijke ontwikkelingen dienen te passen in het bestaand of toekomstig beleid van de gemeente Asten. Om te bepalen wat de kwaliteitsbijdrage voor ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied moet bedragen dient navolgend stappenplan doorlopen te worden: Initiatief
Figuur 8 Beleid ‘Kwaliteitsverbetering van het landschap’ gemeente Asten, stappenplan
Onderhavige ruimtelijke ontwikkeling betreft het vestigen van een agrarisch verwant bedrijf in de vorm van een agrarisch loonwerkbedrijf op een voormalige agrarische bedrijfslocatie. Door de beëindiging van het agrarisch bedrijf (intensieve veehouderij) worden de agrarische bedrijfsopstallen waar dieren in verblijven gesloopt en wordt de erfverharding rondom deze bebouwing grotendeels verwijderd. Hiermee is sprake van een forse afname van bebouwing en erfverharding, totaal met 4.920 m2. Door de herontwikkeling wordt de resterende bestaande bebouwing en erfverharding volledig hergebruikt ten behoeve van het agrarisch verwant bedrijf en de bedrijfswoning. De resterende bebouwing is totaal 400 m2 dus slechts een zeer beperkte omvang in verhouding tot hetgeen gesloopt. Het initiatief heeft een positief effect op de omgeving, doordat het wegvallen van de intensieve veehouderij tot gevolg heeft dat de milieusituatie ter plaatse aanzienlijk verbeterd door de forse reductie van fijnstof, ammoniak en geur. Verder wordt door de herontwikkeling leegstand van voormalige agrarische bebouwing tegengegaan, waarmee tevens verrommeling van het landschap kan worden tegengegaan.
Bleekerweg 4 Heusden
39
Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat het initiatief in het kader van kwaliteitsverbetering een zeer geringe impact heeft (stap 2). Om deze reden kan een tegenprestatie in het kader van kwaliteitsverbetering uitblijven. Wel gaat het initiatief gepaard met een zorgvuldige landschappelijke inpassing. Voor de landschappelijke inpassing wordt verwezen naar voorgaande paragraaf 2.2.
Bleekerweg 4 Heusden
40
5 5.1
UITVOERINGSASPECTEN
BODEM Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen.
De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving:
Bleekerweg 4 Heusden
41
Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2); Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22Bal); Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4) Maatwerkregels over het saneren van de bodem in het zinkassengebied De Kempen, (paragraaf 2.3.6a.5). Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Initiatief In het kader van een Evenwichtige Toedeling van Functies Aan Locaties (ETFAL) dient aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de nieuwe functie en hoe eventuele bodemverontreiniging kan worden voorkomen. De mate waarin beoordeling van de bodemkwaliteit aan de orde is, is met name afhankelijk van aard en omvang van de functiewijzing. Beoordeling van het aspect bodemkwaliteit kan achterwege blijven in een aantal situaties. Bij het wijzigen van de bestemming van een al bebouwd perceel, waarbij de nieuwe gebruiksvormen een voor de beoordeling van het aspect bodemkwaliteit vergelijkbaar gebruik kennen, is beoordeling van het aspect bodemkwaliteit niet aan de orde.
Dit is in onderhavige situatie het geval. Op de locatie wordt geen nieuwe gevoelige functie gerealiseerd en is geen sprake van langdurig verblijf. Het agrarisch loonwerkbedrijf wordt als eenmanszaak uitgevoerd. Dit betekent dat de werkzaamheden veelal op locatie bij derden worden uitgevoerd. Op de locatie vindt in de bestaande bebouwing slechts opslag van machines en werktuigen plaats. Daarnaast zullen geen bodembedreigende activiteiten plaatsvinden. Verder is de locatie niet gelegen in een bodem- of grondwaterbeschermingsgebied. Er is dus geen sprake van beïnvloeding van dergelijke gebieden door de vestiging van het agrarisch verwant bedrijf. Het betreft geen waterpotentiegebied of waterbergingsgebied. Echter dient er, omdat er sprake is van een functiewijziging, ter beoordeling of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties een voorafgaand bodemonderzoek (conform NEN 5725) aangeleverd te worden. Deze is uitgevoerd door bodeminzicht, rapport B3573 Bleekerweg 4 te Heusden, en opgenomen in de bijlagen. Het advies uit het onderzoek luidt: De bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie vormt ons inziens geen belemmering voor de beoogde functiewijziging. Geadviseerd wordt het vooronderzoek voor te leggen aan bevoegd gezag. De eventueel bij werkzaamheden vrijkomende grond is op of buiten het onderzoeksterrein herbruikbaar.
Indien vrijkomende grond van de locatie afgevoerd dient te worden, dient men rekening te houden met de regels van het vigerende Besluit Bodemkwaliteit, het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het tijdelijk deel van een Gemeentelijk Omgevingsplan.
Bleekerweg 4 Heusden
42
Conclusie Met betrekking tot het aspect bodemverontreiniging zijn er geen bezwaren voor het toekomstige gebruik van de locatie. Er zullen geen nieuwe activiteiten gaan plaatsvinden die een potentieel bodemrisico met zich meebrengen. Uit het in het kader van de voorgenomen wijziging van het omgevingsplan (BOPA) uitgevoerde bodemonderzoek volgt geen belemmering voor de beoogde functiewijziging.
5.2
BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING Om te bepalen welke bedrijfsactiviteiten uit oogpunt van milieuhinder kunnen worden toegestaan, kan gebruik worden gemaakt van de systematiek van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009). In de VNG-brochure is een bedrijvenlijst opgenomen, die informatie geeft over de milieukenmerken van verschillende typen bedrijven. In de lijst is op basis van een aantal factoren (waaronder geluid, geur en gevaar) een indicatie gegeven van de afstand tussen bedrijven en hindergevoelige functies waarmee gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening kunnen houden. Het doel van milieuzonering is tweeledig: 1. door het toepassen van milieuzonering wordt hinder ter plaatse van woningen of andere gevoelige objecten al in het ruimtelijk spoor voorkomen; 2. door het toepassen van milieuzonering wordt aan bedrijven voldoende zekerheid geboden dat zij hun activiteiten duurzaam en binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Op basis van de indicatieve afstanden zijn de bedrijven op de bedrijvenlijst in de VNG-handreiking ingedeeld in milieucategorieën die variëren van categorie 1 (indicatieve afstand van 10 meter) tot categorie 6 (indicatieve afstand van 1.500 meter). Als aan de indicatieve afstand kan worden voldaan, is een activiteit qua milieuhinder inpasbaar.
Enerzijds is dan ter plaatse van omliggende milieugevoelige objecten (waaronder woningen) sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, anderzijds heeft het bedrijf voldoende zekerheid dat de bedrijfsactiviteiten binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen worden uitgeoefend. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. De richtafstanden in de VNG-publicatie kunnen in ‘gemengd gebied’, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap verlaagd worden. Het kan in dergelijke gebieden gaan om bestaande gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen. Ook kernrandzones in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid wordt hieronder verstaan. Initiatief De omgeving van de planlocatie kan door de ligging in een bebouwingslint in het buitengebied, met in de omgeving zowel (agrarische)bedrijfs- en woonfuncties, aangemerkt worden als een ‘gemengd gebied’, meer dan als ‘rustig buitengebied’ of ‘rustige woonwijk’.
Bleekerweg 4 Heusden
43
De VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering” geeft aan dat voor een agrarisch verwant (agrarisch loonwerkbedrijf met een b.o. van <500 m2) een grootste afstand aangehouden moet worden van 30 meter. Dit voor het aspect geluid en geur. Het betreft echter een relatief kleinschalig bedrijf, een eenmanszaak. Ook stoot het bedrijf geen geur uit. Het aspect geluid betreft de maatgevende factor voor de beoogde bedrijfsactiviteiten. Mede gelet op de ligging in een gemengd gebied kan de aan te houden afstand met één stap worden verlaagd, en kan een richtafstand van 10 meter tot omliggende gevoelige functies aangehouden worden. De dichtstbijzijnde gevoelige objecten betreffen de naastgelegen (bedrijfs)woning aan de Bleekerweg 2a, de woning aan de Bleekerweg 4a en de tegenover gelegen woning aan de Bleekerweg 3a. De afstand van de (bedrijfs)woning aan Bleekerweg 2a tot de grens van het bestemmingsvlak van onderhavig agrarisch verwant bedrijf bedraagt 10 meter. Hiermee wordt aan de richtafstand voldaan. Daarbij behoort genoemde (bedrijfs)woning toe aan een agrarisch verwant bedrijf overeenkomstig onderhavige locatie, waarbij door het oppervlak zelfs sprake is van een hogere bedrijfscategorie dan op onderhavige locatie. De afstand van de woning aan de Bleekerweg 4a tot de grens van het bestemmingsvlak van onderhavig agrarisch verwant bedrijf bedraagt 45 meter.
Hiermee wordt aan de richtafstand voldaan. De afstand van de woning aan de Bleekerweg 3a tot de perceelsgrens van het agrarisch verwant bedrijf bedraagt 75 meter. Hiermee wordt ruimschoots aan de gestelde richtafstand voldaan. Op de aspecten geur, stof, geluid en gevaar worden daarmee geen belemmeringen verwacht. Voldaan wordt aan de richtafstanden. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar paragraaf 5.5. ‘Geluid’ en paragraaf 5.4 ‘Geur’. Door het beëindigen van een intensieve veehouderij met pluimvee met een richtafstand van 200 meter voor geur, is juist sprake van een verbeterde situatie wat betreft het woon- en leefklimaat. Verder zullen, door de vestiging van een agrarisch verwant bedrijf, omliggende (agrarische) bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt, daar dit geen nieuwe gevoelige functie betreft. Er gelden vanuit het aspect milieuzonering geen belemmeringen voor het voorliggende plan.
5.3
LUCHT Het beleid en de regelgeving over luchtkwaliteit heeft tot doel om mensen te beschermen tegen de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging. Ze bevatten luchtkwaliteitsnormen voor verschillende stoffen. Ruimtelijke plannen of projecten die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, zoals omgevingsplannen, dienen getoetst te worden aan de Omgevingswet. De wet bevat grenswaarden voor de stoffen zoals zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijn stof, lood, benzeen in de buitenlucht. In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM5) voor toetsing of sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
Bleekerweg 4 Heusden
44
NIBM projecten De wet maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten zijn projecten die de luchtkwaliteit ‘niet in betekende mate’ (NIBM) verslechteren. Deze projecten hoeven niet meer beoordeeld te worden op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Er is geen belemmering als een klein project niet of nauwelijks bij draagt aan luchtverontreiniging, óók niet in overschrijdingsgebieden (gebieden met te veel luchtvervuiling). Het gaat dan over woningen, kantoren, combinatie hiervan, telen van gewassen, het aanleggen van een spoorwegemplacement. Het Bkl geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBM-project is. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een rekenmodel. Dit is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 1500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg, of minder dan 3000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Voor veehouderijen wordt gebruik gemaakt van een vuistregel om te bepalen of er sprake is van NIBM situatie. Deze gaat uit van afstanden tot stallen, dieraantallen en bijbehorende emissiefactoren voor stof. Initiatief De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op de beeindiging van een pluimveehouderij en de vestiging van een agrarisch verwant bedrijf/agrarisch loonwerkbedrijf dat als eenmanszaak wordt uitgeoefend.
Naast het feit dat geen sprake mag zijn van een onevenredige toename van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van wijzigingen in de inrichting dient ook het aantal verkeersbewegingen meegenomen te worden. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 5.12) zal met de voorgenomen ontwikkeling het aantal verkeersbewegingen van en naar de locatie afnemen. Het thema 'luchtkwaliteit' leidt niet tot belemmeringen.
5.4
GEUR De regels met betrekking geur staan in paragraaf 5.1.4.6 van het Bkl. Deze regels zijn, tezamen met het tijdelijk deel van het omgevingsplan en de regels van de bruidsschat, het toetsings- en beoordelingskader voor geur bij omgevingsplanactiviteiten en wijzigingen van het omgevingsplan. Geur door activiteiten Het nationale industriële geurbeleid is vastgelegd in de Nederlandse emissierichtlijn (NeR). De brief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu van 30 juni 2005 stelt het rijksbeleid in grote lijnen vast. Het algemene uitgangspunt is het voorkomen van (nieuwe) hinder. Dit uitgangspunt vormt samen met het toepassen van de Beste Beschikbare Techniek (BBT) de kern van het geurbeleid. Uitgangspunten van het rijksbeleid zijn: als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig;
Bleekerweg 4 Heusden
45
als er wel hinder is, worden maatregelen getroffen op basis van het Beste Beschikbare Techniek-principe; de gemeente stelt vast welke mate van hinder acceptabel is. Geur door het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf Het gaat uitdrukkelijk om agrarische geur van landbouwhuisdieren uit dierstallen. De bruidsschat maakt onderscheid tussen geurnormen voor intensieve en extensieve veehouderijen. De geurbelasting van intensieve veehouderijen wordt berekend en uitgedrukt in de vorm van een geurcontour. De geurbelasting van extensieve veehouderijen wordt uitgedrukt in vaste afstanden. Initiatief Op de locatie is sprake van de beëindiging van een intensieve veehouderij (pluimvee). Hiervoor in de plaats wordt de vestiging van een agrarisch verwant bedrijf/agrarisch loonwerkbedrijf mogelijk gemaakt. Vooropgesteld dient te worden dat sprake is van een verbeterde geursituatie ten opzichte van de huidige situatie door de forse reductie van emissie van geur als gevolg van de beëindiging van de pluimveehouderij. Belangen veehouderijen derden Een agrarisch verwant bedrijf is geen geurgevoelig object. De in de directe omgeving van het plangebied gelegen (agrarische) bedrijven, zullen niet belemmerd worden in hun ontwikkelingsmogelijkheden. Deze bedrijven liggen bovendien op voldoende afstand van de locatie.
Voor de bedrijfswoning geldt als geurgevoelig object met functionele binding of geen functionele binding meer op of na 19 maart 2000 tot een locatie voor het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor een vaste afstand van 50 meter in buitengebied tot andere veehouderijen. Binnen deze afstand tot de bedrijfswoning zijn geen veehouderijen van derden gelegen. Goed woon- en leefklimaat De bedrijfsgebouwen behorende tot het agrarisch loonwerkbedrijf zijn geurgevoelig, wanneer sprake is van langdurig verblijf (meer dan twee uur). De werkzaamheden van het agrarisch verwant bedrijf worden veelal op locatie bij derden uitgevoerd. Daarmee is er geen sprake van geurgevoelige bedrijfsgebouwen ter plaatse. Ook zijn deze bedrijfsgebouwen op een afstand van meer dan 50 meter tot andere veehouderijen gelegen. De VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering” geeft aan dat voor een agrarisch verwant bedrijf/agrarisch loonwerkbedrijf met een b.o. van <500 m 2 een afstand voor geur moet worden aangehouden van 30 meter. Als uiteengezet in paragraaf 5.2 kan gelet op de ligging in een gemengd gebied een richtafstand van 10 meter tot omliggende gevoelige functies aangehouden worden voor geur. Daarbij is er feitelijk geen sprake van de uitstoot van geur bij onderhavig bedrijf.
Bleekerweg 4 Heusden
46
De dichtstbijzijnde gevoelige objecten betreffen de naastgelegen (bedrijfs)woning aan de Bleekerweg 2a, de woning aan de Bleekerweg 4a en de tegenover gelegen woning aan de Bleekerweg 3a. De afstand van de (bedrijfs)woning aan Bleekerweg 2a tot de grens van het bestemmingsvlak van onderhavig agrarisch verwant bedrijf bedraagt 10 meter. Hiermee wordt aan de richtafstand voldaan. Daarbij behoort genoemde (bedrijfs)woning toe aan een agrarisch verwant bedrijf overeenkomstig onderhavige locatie, waarbij door het oppervlak zelfs sprake is van een hogere bedrijfscategorie dan op onderhavige locatie. De afstand van de woning aan de Bleekerweg 4a tot de grens van het bestemmingsvlak van onderhavig agrarisch verwant bedrijf bedraagt 45 meter. Hiermee wordt aan de richtafstand voldaan. De afstand van de woning aan de Bleekerweg 3a tot de perceelsgrens van het agrarisch verwant bedrijf bedraagt 75 meter. Hiermee wordt ruimschoots aan de gestelde richtafstand voldaan. Daar voldaan wordt aan de richtafstand voor geur is een goed woon- en leefklimaat in de omgeving gegarandeerd. Bovendien is door het wegvallen van de intensieve veehouderij op deze locatie sprake van een verbeterde geursituatie door de forse reductie van stikstof- en ammoniakemissies. Ook is de richtafstand korter geworden ten opzichte van de huidige situatie.
Voor een agrarisch verwant bedrijf geldt een aan te houden richtafstand van 30 meter voor geur en voor een pluimveehouderij geldt een aan te houden richtafstand van 200 meter respectievelijk 10 meter en 100 meter in ene gemengd gebied. Hiermee is aangetoond dan enkel sprake is van een afname van de geuroverlast aan gevoelige objecten in de omgeving. Het aspect geur vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. Ter plaatse is sprake van een verbeterd woon- en leefklimaat.
5.5
GELUID Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en specifieke activiteiten (windturbines etc.). In de Omgevingswet vormt geluid vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen zijn regels via het Aanvullingsspoor geluid geïntegreerd in de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen
Bleekerweg 4 Heusden
47
of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn: −
het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties;
−
het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen;
−
het bevorderen van bronmaatregelen;
−
het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels:
−
het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels.
Geluidproductieplafonds Een geluidsproductieplafond geeft de maximale toegestane productie weer op een vast fictief punt, het referentiepunt, op korte afstand van de geluidsbron. Daarnaast voorziet afdeling 3.5 Bkl in het wettelijk kader omtrent de beheersing van het geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen. In Bijlage XXII Bkl zijn activiteiten aangewezen die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken. De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Geluidsgevoelige gebouwen Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van bronnen afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen bij geluidsgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel.
Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In een omgevingsplan is in de bruidsschat het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden).
Bleekerweg 4 Heusden
48
Initiatief Indien sprake is van het oprichten van een geluidshinder veroorzakende inrichting dan dient te worden aangetoond dat deze geen onevenredige geluidshinder zal veroorzaken op gevoelige objecten in de omgeving. Hierbij wordt ook een eventuele toename van het aantal verkeersbewegingen bij ontwikkelingen van een inrichting meegenomen. De VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering” geeft aan dat voor een agrarisch verwant bedrijf/agrarisch loonwerkbedrijf met een b.o. van <500 m 2 een afstand voor geluid moet worden aangehouden van 30 meter. Als uiteengezet in paragraaf 5.2 kan gelet op de ligging in een gemengd gebied een richtafstand van 10 meter tot omliggende gevoelige functies aangehouden worden voor geluid. De dichtstbijzijnde gevoelige objecten betreffen de naastgelegen (bedrijfs)woning aan de Bleekerweg 2a, de woning aan de Bleekerweg 4a en de tegenover gelegen woning aan de Bleekerweg 3a. De afstand van de (bedrijfs)woning aan Bleekerweg 2a tot de grens van het bestemmingsvlak van onderhavig agrarisch verwant bedrijf bedraagt 10 meter. Hiermee wordt aan de richtafstand voldaan. Daarbij behoort genoemde (bedrijfs)woning toe aan een agrarisch verwant bedrijf overeenkomstig onderhavige locatie, waarbij door het oppervlak zelfs sprake is van een hogere bedrijfscategorie dan op onderhavige locatie.
De afstand van de woning aan de Bleekerweg 4a tot de grens van het bestemmingsvlak van onderhavig agrarisch verwant bedrijf bedraagt 45 meter. Hiermee wordt aan de richtafstand voldaan. De afstand van de woning aan de Bleekerweg 3a tot de perceelsgrens van het agrarisch verwant bedrijf bedraagt 75 meter. Hiermee wordt ruimschoots aan de gestelde richtafstand voldaan. Bovendien is door het wegvallen van de intensieve veehouderij welke gepaard gaat met een fors aantal verkeersbewegingen, waaronder vrachtverkeer, op deze locatie sprake is van een verbeterde geluidssituatie. In de beoogde situatie blijven de werkzaamheden ten behoeve van het eenmans loonwerkbedrijf beperkt tot enkele bewegingen in de vorm van het weggaan en terugkomen van de tractor/loader, daar de werkzaamheden op locatie bij derden plaatsvinden. Ook is de richtafstand korter geworden ten opzichte van de huidige situatie. Voor het agrarisch verwant bedrijf geldt een aan te houden richtafstand van 10 meter voor geluid en voor de pluimveehouderij geldt een aan te houden richtafstand van 30 meter voor geluid in gemengd gebied. Hiermee zal geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geluidsoverlast aan gevoelige objecten in de omgeving. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. Ter plaatse is sprake van een verbeterd woon- en leefklimaat.
Bleekerweg 4 Heusden
49
5.6
VEILIGHEID Omgevingsveiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s kunnen hun weerslag hebben op de omgeving. Het wettelijke kader voor omgevingsveiligheid bestaat onder meer uit instructieregels in afdeling 5.1.2 Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving (Bal). De risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art.
5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied wordt vastgelegd in het Register Externe Veiligheid. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De gemeenten moeten in die gebieden rekening houden met het risico van brand, explosie of gifwolken en bepalen in hun omgevingsplan de benodigde beschermende maatregelen binnen zo’n aandachtsgebied. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. De gemeente kan in een aandachtsgebied een deelgebied aanwijzen als voorschriftengebied.
Dit betekent dat in een deelgebied in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied kan worden aangewezen als er met het plan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw
Bleekerweg 4 Heusden
50
aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal): Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl). Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl) Initiatief Inventarisatie risicobronnen De externe veiligheidsrisico's voor het plangebied zijn met behulp van de nationale risicokaart geïnventariseerd (zie navolgende figuur).
Bleekerweg 4 Heusden
51
Figuur 9 Uitsnede risicokaart
Uit de figuur blijkt, dat in de omgeving van het plangebied (rood omcirkeld) geen risicobronnen aanwezig zíjn, welke een risicocontour over het plangebied hebben liggen. Binnen het plangebied is naast de oprit aan de westzijde van het plangebied een opslagtank propaan aanwezig. Deze opslagplaats is aangemerkt in voorgaande figuur. Omliggende gevoelige (woon)functies bevinden zich buiten deze plaatsgebonden risicocontour. Binne het plangebied worden geen nieuwe gevoelige functies gerealiseerd. Buisleidingen In de omgeving van het plangebied zijn geen buisleidingen gelegen. Er is geen sprake van belemmeringen vanwege de aanwezigheid van buisleidingen. Vervoer van gevaarlijke stoffen Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over het Basisnet gelden regels voor de veiligheid in de omgeving. De regels over de inrichting van de ruimte langs het Basisnet staan in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en de Omgevingsregeling. Voor de wegen, spoorwegen en binnenwateren die bij ministeriële regeling zijn aangewezen voor het brandaandachtsgebied, geldt en afstand van 30 meter, voor explosieaandachtsgebied geldt een afstand van 200 meter en voor gifwolkaandachtsgebied 300 meter. Het plangebied is niet binnen genoemde afstanden tot de aandachtsgebieden gelegen. Ook wordt geen nieuwe gevoelige functie gerealiseerd.
Bleekerweg 4 Heusden
52
Conclusie De planlocatíe ligt niet binnen de aandachtsgebieden voor transportroutes. Daarnaast is de locatie niet in de risicocontour voor risicovolle inrichtingen gelegen. Ook wordt geen nieuwe gevoelige functie gerealiseerd. Er zijn derhalve geen belemmeringen ten aanzien van het aspect externe veiligheid voor het plan.
5.7
TRILLINGEN Onder de Omgevingswet is het onderdeel ‘trillingen’ geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat in het omgevingsplan van de gemeente Bergen. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit (Opa). Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat in het omgevingsplan van de gemeente Bergen. Initiatief Bij onderhavige ontwikkeling is sprake van de vestiging van een agrarisch verwant bedrijf. In de nabije omgeving zijn geen bedrijven of andere activiteiten aanwezig welke in grote mate trillingen veroorzaken. Hiermee vormt het onderdeel ‘trillingen’ geen belemmering voor onderhavig initiatief.
5.8
WATER De gemeente Asten weegt het belang van het water- en bodemsysteem in ruimtelijke afwegingen. Dat is belangrijk om het gebied minder kwetsbaar te maken voor klimaatverandering, en voor een gezonde en veilige leefomgeving voor inwoners van de gemeente Asten. De Omgevingswet stelt in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) dat bij het vaststellen van een omgevingsplan het waterbelang moet worden gewogen. Bij de totstandkoming van het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. De opvattingen van de waterbeheerder moeten daarbij worden betrokken. Bij het wegen van het waterbelang wordt de waterbeheerder benaderd voor een proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten die worden meegewogen zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. Het wegen van het waterbelang heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. Beleid van gemeente, provincie en rijk is van toepassing bij het wegen van het waterbelang. Toetsing van de waterparagraaf gebeurt op kwaliteit en kwantiteit. De verwerking van hemelwater, afvalwater en planologische ‘waterbestemmingen’ komen aan bod.
Beleid Waterschap Aa en Maas Waterbeheerplan 2022-2027 Waterschap Aa en Maas Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft
Bleekerweg 4 Heusden
53
in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: 1. 2.
3.
Waterveiligheid; Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). Schoon Water; In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol.
Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd. In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt; de waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen; de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is; de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen. Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; de waterschapsverordening, communicatie en stimuleringsmiddelen. Waterschapsverordening/Onderhoudsverordening water en waterkeringen Waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het waterbeheer in haar beheersgebied. Het gaat om het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer, de waterkeringszorg, waterzuivering, grondwaterbeheer en waterbodembeheer. De regels zijn vastgelegd in de waterschapsverordening in de vorm van algemene gebods- en verbodsbepalingen en locatiespecifieke regels over beschermingszones van waterstaatswerken.
Sinds 1 maart 2015 hanteert waterschap Aa en Maas onderstaande (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn opgenomen in ‘Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m2 en 10.000 m2 kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm. De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn: Gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater; Voorkomen van vervuiling van water;
Bleekerweg 4 Heusden
54
Schoon hemelwater kan volgens de voorkeursvolgorde worden verwerkt: 1. Hergebruik 2. Infiltratie/bergen 3. Afvoer Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang, zowel in als buiten het projectgebied. Ook mogen geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruik functies. Dit betekent dat: 1. De afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie; 2. De grondwateraanvulling in het projectgebied gelijk blijft of toeneemt; 3. Grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties; 4. De (grond)waterstanden in het projectgebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het projectgebied; 5. Het projectgebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het projectgebied. In de legger van Waterschap Aa en Maas zijn onder andere de aanwezigheid van Aen B- watergangen weergegeven. Zie navolgende figuur. Figuur 1 Uitsnede legger
Uit de legger blijkt dat er geen A- of B- watergangen in de directe nabijheid van de planlocatie zijn gelegen. Wel is ten noordoosten van de planlocatie langs de weg een eigen sloot gelegen. De planlocatie is niet gelegen binnen een grondwaterbeschermingsgebied, waterwingebied, boringsvrije zone of attentiezone waterhuishouding. In de huidige situatie is geen sprake van wateroverlast.
Bleekerweg 4 Heusden
55
Gemeentelijk beleid Door de gevolgen van klimaatveranderingen wordt de gemeente Asten kwetsbaarder voor verdroging, extreme hitte en extreme neerslag. In 2020 is het Gemeentelijk Rioleringsplan Asten (GRP) 2021-2025 vastgesteld, waarin staat dat de gemeente Asten de gezondheidszorg voorop zet, door zorg te dragen voor de riolering, welke bijdraagt aan een gezonde en veilige leefomgeving. Ook wordt gekoerst naar een duurzame, klimaatbestendige, professionele en participerende waterketen en naar een klimaatbestendig, schoon, geordend en beleefbaar watersysteem. Om wateroverlast door extreme neerslag te voorkomen en verdroging tegen te gaan is het van belang dat zowel op particulier terrein als in openbaar gebied voldoende waterberging wordt gerealiseerd. Planlocatie Maaiveld en bodemgegevens De locatie ligt op een maaiveldniveau van circa (gemiddeld) 27,40 m + NAP (AHN4). De bodem kan worden geclassificeerd als Laarpodzolgronden, leemarm en zwak lemig fijn zand. Beschrijving plan Met de ontwikkeling is sprake van de beëindiging van een agrarisch bedrijf (pluimveehouderij). Hiervoor in de plaats wordt de resterende bestaande bebouwing gebruikt voor het agrarisch verwant bedrijf, te weten: de technische ruimte/kantoor/kantine, loods en veldschuur. Er vindt dan ook geen nieuwbouw plaats.
Door de sloop van de drie grote pluimveestallen inclusief overkapping voor de mestcontainers met een totale oppervlakte van 4.920 m2 en de erfverharding rondom de stallen neemt het verhard oppervlak in de nieuwe situatie fors af. Hemelwater en klimaat adaptieve maatregelen De gemeente streeft bij nieuwbouw en herstructurering naar het volledig afkoppelen van hemelwater en zo veel mogelijk verwerken binnen het plangebied. Met de ontwikkeling wordt een klein deel van de bestaande bebouwing op het perceel hergebruikt, waardoor geen sprake is van nieuwbouw. Het hemelwater dat valt op de resterende bestaande bebouwing zal zoals in de huidige situatie worden afgevoerd op de eigen sloot langs de weg aan de noordoostzijde van het plangebied en/of langzaam afstromen en infiltreren in de omliggende gronden. Hiermee wordt tegemoet gekomen aan het uitgangspunt dat het vuilwater gescheiden wordt van het schoon hemelwater en wordt dus hydrologisch neutraal ontwikkeld (HNO). Verder worden klimaatadaptieve maatregelen binnen het plangebied getroffen, doordat sprake is van een aanzienlijke afname in verhard oppervlak en de aanplant van nieuwe beplanting. De bestaand een nieuwe beplanting zorgt voor meer schaduwwerking op de omliggende gronden en de verdamping van water uit de planten zorgt voor verkoeling. Dit helpt hittestress te voorkomen.