CConstaterende datAsten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Motivering BOPA

Gemeenteraad 30 juni 2026, gemeente AstenBij agendapunt: Adviesrecht BOPA, Bleekerweg 20-22 te Heusden (hamerstuk)21.726 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

23

AAA240221.001.012/MCO

b. aanwezige, overtollige bebouwing wordt gesloopt; en c. dit geen betrekking heeft op: a. een kantoor met baliefunctie; b. het toelaten van een nieuwe lawaaisport ; en c. een toename van de bestaande gebruiksoppervlakte voor mestbehandeling, mestvergisting en mestbewerking. Onderhavig project ziet op het herbestemmen van de intensieve veehouderij naar een interieurbouwbedrijf én agrarisch loonwerk en het handhaven van een mestsilo. Het interieurbouwbedrijf betreft een niet-agrarische activiteit die past binnen artikel 5.12. Ten behoeve van dit project wordt overtollige bebouwing gesloopt. Het glastuinbouwgebied heeft nu al een sterk geïndustrialiseerde uitstraling waarbij het ook nog een versnippering is van glastuinbouw met intensieve veehouderij. Deze hoek van Heusden leent zich voor “ambachtelijke” bedrijven die zorgen voor een nieuwe economie in het buitengebied, dit past bij de ontwikkelrichting van de gemeente. Op andere plekken in de straat en zijstraten vindt deze omschakeling ook plaats of heeft het plaats gevonden. We zien hier diverse bedrijven die zijn omgeschakeld van agrarisch bedrijf naar een ander soort bedrijf, bijvoorbeeld een MKB bedrijf, een opslaglocatie, een montagebedrijf en een lasbedrijf. Verder staan er nog enkele veehouderijen in de directe omgeving aan de vooravond van omschakeling naar andere functies.

In het verlengde hiervan is met de gemeente het interieurbouwbedrijf van 1000 m2 naar voren gekomen, iets waar anders terughoudender mee was omgegaan. Binnen de familie van het bedrijf was geen opvolger te vinden voor het varkensbedrijf, maar wel voor het op te richten interieurbouwbedrijf. Een en ander is uitvoerig besproken met de gemeente vóórdat het principebesluit is genomen. Zie tevens bijlage 11 waarin de omschakeling van diverse bedrijven in de omgeving zichtbaar is. Het nieuwe interieurbouwbedrijf voldoet aan lid 1 van dit artikel. Lid 2 Het omgevingsplan regelt: a. welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan; b. een bij de omgeving passende maximale omvang; c. dat de niet-agrarische activiteit, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied als bedoeld in Artikel 5.12; d. dat een ontwikkeling naar een functie met grote publieksaantrekkende werking is uitgesloten; e. dat opslag en stalling van voorwerpen of materialen plaatsvindt in gebouwen, behalve als de activiteit de opslag van zand, grond en grind betreft; en f. dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de toegelaten omvang, bedoeld onder a. In paragraaf 2.2.3 zijn de bedrijfsactiviteiten duidelijk omschreven. Ook is daar beschreven hoe de verschillende bedrijfsactiviteiten zich tot elkaar verhouden.

De activiteiten hebben een passende omvang binnen de omgeving en passen ook binnen artikel 5.12. De grootte van het interieurbedrijf is afgestemd met de gemeente, er zijn meerdere soortgelijke bedrijven van deze omvang in de nabije omgeving. Ook daar betreft het ambachtelijke bedrijven die passen binnen de ontwikkelrichting welke voor dit gebied voorzien is. Hierbij is geen sprake van een grote publieksaantrekkende werking. Ook

Ruimtelijke motivering Bleekerweg 20 Heusden Aelmans Agrarische Advisering

24

AAA240221.001.012/MCO

vindt opslag van materialen uitsluitend in gebouwen plaats. De verspreiding van de bedrijven, lees “gebouwen”, op het perceel is eveneens in paragraaf 2.2.3. beschreven. Er wordt rekening gehouden met het in de toekomst naar voren halen van de loods en de mestsilo (richting noordzijde), mocht dit op termijn mogelijk of wenselijk zijn vanwege veroudering of andere ontwikkelingen op de locatie. Hierbij komt dan weer een aanzienlijk stuk grond vrij, mogelijk t.b.v. de glastuinbouw aangezien het plan binnen een glastuinbouwconcentratiegebied ligt. Aan parkeren wordt goed voldaan. Er wordt voorzien in 11 parkeerplekken, voldoende volgens de geldende norm. Vorenstaande betekent dat deze ontwikkeling voldoet aan artikel 5.78.

3.2.3 Conclusie provinciaal beleid

Onderhavig project is in strijd met de Omgevingsverordening Noord-Brabant. Echter, gelet op hetgeen hiervoor overwogen bij dit artikel bestaan geen onoverkomelijke belemmeringen voor dit project. De gemeente acht het project voorspelbaar, gelet op de ligging en de hoeveelheid bebouwing die (definitief) verdwijnt. Het project is wel passend binnen de doelstellingen en beleid van de Provincie. Vorenstaande betekent dat er bestaan geen onoverkomelijke belemmeringen met betrekking tot voorliggend project.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1 Omgevingsvisie Asten

3.3.1.1 Wettelijk kader De Omgevingsvisie gemeente Asten is vastgesteld op 5 oktober 2021. De gemeente wil dat Asten ook in de toekomst een plek is waar het goed wonen, leven en verblijven is. De gemeente werkt samen met inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties verder aan de uitwerking van de ambities voor de fysieke leefomgeving. Het welbevinden van de inwoners staat in de Omgevingsvisie voorop. Daarom wordt in de visie nadrukkelijk de verbinding gezocht met het sociaal domein en het gezondheidsbeleid. De realisatie van de ambities uit de omgevingsvisie gebeurt via initiatieven van ondernemers, maatschappelijke organisaties en groepen inwoners. De gemeente Asten faciliteert de initiatieven die bijdragen aan het bereiken van de ambities. De gemeente is in de Omgevingsvisie Asten onderverdeeld in zes verschillende deelgebieden. Voor elk gebied geeft de gemeente aan welke waarde ze wil koesteren, wat ze wil ontwikkelen, hoe ze dat gaat bereiken en welk beleid, wetten en regels er gelden in het deelgebied. Het gaat om de volgende deelgebieden: - Agrarisch anders; - Boeren buurten; - Dynamische dorpen; - Groen genieten; - Peel en beekdalen; - Peel pionieren.

Ruimtelijke motivering Bleekerweg 20 Heusden Aelmans Agrarische Advisering

25

AAA240221.001.012/MCO

3.3.1.2 Beoordeling Het projectgebied is gelegen binnen het deelgebied ‘Agrarisch anders’. Hierbinnen geldt de ambitie tot een toonaangevende, innovatieve agrarische sector rond de kern van Heusden. Om dit te bereiken zet de gemeente de kennis uit Brainport en Greenport in en stimuleert zij de ontwikkeling van broedplaatsen van innovatieve voedselproductie. De gemeente biedt ruimte voor een duurzame en verantwoorde agrarisch sector. Ook is er ruimte voor innovatie of andere teelten, zoals de teelt van nieuwe eiwitten. Voor agrarische bedrijven die stoppen liggen er ook kansen voor niet-agrarische bedrijvigheid. De gemeente ziet kansen voor meervoudig ruimtegebruik, bijvoorbeeld door teelt in de open grond te combineren met zonne-energie. Daar initiatiefnemer deelneemt aan de LBV+ regeling is hier sprake van een stoppend agrarisch bedrijf. Dit betekent dat voor dit perceel niet uitsluitend kansen liggen op agrarische gebied. Onderhavig voornemen ziet op het herbestemmen van het perceel naar een interieurbouwbedrijf en een loonwerkbedrijf en het handhaven van één mestsilo. Dit betekent dat sprake is van een combinatie van een agrarisch hulpbedrijf en niet-agrarisch bedrijf. Deze ontwikkeling draagt bij aan de transformatie van het buitengebied en zorgt voor een duurzame, passende invulling van het perceel.

De ontwikkeling past hiermee binnen de kaders uit de Omgevingsvisie Asten. 3.3.2 Toekomstagenda Asten 2030

3.3.2.1 Wettelijk kader Om de ontwikkelingsrichting van de gemeente te bepalen heeft de gemeente Asten de Toekomstagenda Asten 2030 opgesteld. De gemeente heeft samen met de inwoners de belangrijkste opgaven voor 2030 op een rijtje gezet. De opgaven spelen op verschillende beleidsterreinen en bieden daarom samenhang aan het gemeentelijk beleid. De gemeente Asten zet in op de volgende vier opgaven: - Transformatie buitengebied; - Vitale kernen; - Centrumontwikkeling; - Klimaatbestendig en energieneutraal Asten. De agrarische sector is belangrijk voor Asten. De gemeente wil de sector verduurzamen, meer in balans brengen met natuur en landschap en de gezondheid van inwoners. Op sommige plekken leidt de concentratie van intensieve landbouw door de uitstoot van fijn stof en geuroverlast tot zorgen omtrent gezondheid. Tegelijkertijd moeten boeren goed kunnen blijven ondernemen. Bij de ontwikkeling van het buitengebied denkt de gemeente naast de landbouw ook aan andere economische sectoren, zoals recreatie en toerisme, zorg en energieproductie. De grote hoeveelheid vrijkomende agrarische gebouwen biedt kansen. In 2030 wil de gemeente een substantiële reductie van de uitstoot van emissies door de agrarische sector realiseren. Daarnaast wil de gemeente inzetten op technologische ontwikkelingen en innovatie om vorenstaande opgave te realiseren.

Ook wil de gemeente streven naar een maatschappelijk geaccepteerde en gewaardeerde agrofoodsector met toekomstperspectief.

Ruimtelijke motivering Bleekerweg 20 Heusden Aelmans Agrarische Advisering

26

AAA240221.001.012/MCO

3.3.2.2 Beoordeling De herbestemming naar een interieurbouwbedrijf en een loonwerkbedrijf en het handhaven van één mestsilo past binnen de ambities en doelstellingen zoals opgenomen in de toekomstagenda Asten 2030. Deze ontwikkeling zorgt voor hergebruik van vrijkomende agrarische bebouwing waarbij overtollige bebouwing gesloopt wordt. Een klein deel van de bebouwing wordt behouden en ook wordt een deel herbouwd ten behoeve van deze ontwikkeling. Hiermee wordt een nieuwe economische functie mogelijk gemaakt die passend is in de omgeving en het perceel toekomstperspectief geeft zonder afbreuk te doen aan agrarische ontwikkelingen in de omgeving. Hiermee past deze ontwikkeling binnen de Toekomstagenda Asten 2030. 3.3.3 Structuurvisie kwaliteitsverbetering van het landschap

3.3.3.1 Wettelijk kader De gemeente Asten is op grond van provinciaal beleid verplicht een bijdrage te vragen bij ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied. Om deze reden heeft de gemeente Asten op 13 maart 2015 de Structuurvisie kwaliteitsverbetering van het landschap vastgesteld. Een ontwikkeling in het buitengebied moet passen binnen het gemeentelijk vastgesteld en toekomstig beleid. Dit kunnen onder andere uitbreidingen van (agrarische) bedrijven, omschakelingen van bedrijven en recreatieve ontwikkelingen betreffen. De bijdragen aan kwaliteitsverbetering van het landschap moet passen in het Astense landschap. De landschappelijke structuur in de gemeente Asten kenmerkt zich door de ontginningen in het hoogveenlandschap van de Brabantse Peel. Het landschap valt op basis van de historie van de ontginningen in te delen in: • Essen & kampen; • Kleinschalige zandontginningen en; • Grootschalige ontginningen. Bestaande uit droge en natte grootschalige ontginningen. De meer natuurlijke landschappen zijn de: • Beekdalen en; • Bos en mozaïekgebieden. Deze landschapstypes vormen het uitgangspunt voor de kwaliteitsverbetering van het landschap.

3.3.3.2 Beoordeling Onderhavig project ziet op het herbestemmen van de intensieve veehouderij naar een interieurbouwbedrijf en een loonwerkbedrijf en het handhaven van één mestsilo. Voor het beoordelen van de impact van onderhavig project wordt gekeken naar de procedure zoals die in de structuurvisie is omschreven. De grootte van de ontwikkeling heeft een positief effect, omdat sprake is een ontwikkeling waarbij het bouwvolume wordt verkleind. Het project maakt deels gebruik van nieuwe en deels van bestaande bebouwing. De nieuwe invulling van het perceel leidt tot een verandering in de bebouwing. Ten behoeve van dit project wordt overtollige bebouwing gesloopt en de nieuwbouw beslaat slechts een klein deel van de te slopen bebouwing. Dit betekent dat er op het perceel stroken ontstaan, welke

Ruimtelijke motivering Bleekerweg 20 Heusden Aelmans Agrarische Advisering

27

AAA240221.001.012/MCO

deels een groene invulling krijgen. Vorenstaande betekent dat het effect van de bebouwing positief is. Het effect op de omgeving is positief, bepaalde effecten zullen (gedeeltelijk) afnemen door de deelname aan de LBV+ regeling terwijl door deze ontwikkeling andere effecten zullen ontstaan. Onder de streep zorgt deze combinatie ervoor dat de effecten positief zullen zijn. Ook zal deze ontwikkeling bijdragen aan maatschappelijke doelstelling, het waarborgen van een passende toekomstbestendige invulling van het perceel. Gelet op vorenstaande heeft onderhavig voornemen geen impact en is op grond van de structuurvisie geen tegenprestatie vereist. Het landschappelijk inpassingsplan uit paragraaf 2.2.4 vindt zijn oorsprong in de voorwaarden van de gemeente bij haar principebesluit. 3.3.4 Conclusie gemeentelijk beleid

Gelet op de vorenstaande uiteenzetting van het gemeentelijke beleid wordt geconcludeerd dat onderhavig project passend is binnen de doelstellingen en het beleid van de gemeente Asten.

Ruimtelijke motivering Bleekerweg 20 Heusden Aelmans Agrarische Advisering

28

AAA240221.001.012/MCO

4 Fysieke leefomgeving 4.1

Inleiding In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de verschillende relevante omgevingsaspecten.

4.2

Omgevingsveiligheid

4.2.1 Wettelijk kader

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Bkl. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. 4.2.1.1 Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (artikel 5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (artikel 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). 4.2.1.2 Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’.

Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (artikel 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z, d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (artikel 5.14 Bkl). Als een plan ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Bbl (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).

Ruimtelijke motivering Bleekerweg 20 Heusden Aelmans Agrarische Advisering

29

AAA240221.001.012/MCO

Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Naast deze regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: - Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: paragraaf 5.1.2.3 Bkl; - Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: paragraaf 5.1.2.4 Bkl; - Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (paragraaf 5.1.2.5 Bkl). 4.2.2 Beoordeling

Binnen een straal van 500 meter rondom het projectgebied zijn geen risicobronnen aanwezig. Ook zijn geen aandachtsgebieden aanwezig. De rand van de straal van 500 meter raakt de rand van het explosieaandachtsgebied behorende bij een propaantank aan de Bleekerweg 4. Aangezien hier de rand geraakt wordt, levert dit aandachtsgebied geen risico op. Daarbij speelt dat tussen dit aandachtsgebied en het projectgebied meerdere gebouwen gelegen zijn. Dit maakt dat een eventueel risico, hoe miniem ook, eerst door die gebouwen opgevangen zal worden voordat het projectgebied geraakt wordt.

Ruimtelijke motivering Bleekerweg 20 Heusden Aelmans Agrarische Advisering

30

AAA240221.001.012/MCO

Uitsnede Atlas leefomgeving – Register Externe Veiligheid met aanduiding projectgebied (rood omlijnd)

4.2.3 Conclusie omgevingsveiligheid

Gelet op vorenstaande wordt in het kader van omgevingsveiligheid voldaan aan de regels en is ter plekke sprake van een evenwichtige toedeling van functies in de fysieke leefomgeving.

4.3

Waterbelang

4.3.1 Wettelijk kader

4.3.1.1 Inleiding Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden regels van provincie en het waterschap betrokken. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels met betrekking tot het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn opgenomen voldoende. Met de

Ruimtelijke motivering Bleekerweg 20 Heusden Aelmans Agrarische Advisering

31

AAA240221.001.012/MCO

bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften kan de gemeente voor specifieke bedrijven zo nodige aanvullende eisen stellen die passen bij de bedrijfssituatie. De besluitlocatie is gelegen binnen het beheergebied van Waterschap Aa en Maas. 4.3.1.2 Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 In Nederland zijn er grote opgaven voor het waterdomein. Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering en moet blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en aan een klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte. Ook de zorg voor een goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht. Om aan te geven hoe om te gaan met de uitdagingen van water heeft de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 vastgesteld. Het programma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. De Rijksoverheid werkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater & waterverdeling, waterkwaliteit & natuur, scheepvaart, en de functies van de Rijkswateren. Dit plan wordt door de waterschappen op gebiedsniveau vormgegeven.

4.3.1.3 Principes Waterschap Aa en Maas Het Waterschap Aa en Maas hanteert navolgende principes bij ruimtelijke ontwikkelingen: • gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater; • doorlopen van de afwegingsstappen: ‘hergebruik-infiltratie-buffering-afvoer’; • hydrologisch neutraal bouwen; • water als kans; • meervoudig ruimtegebruik; • voorkomen van vervuiling; • wateroverlastvrij bestemmen; • waterschapsbelangen. 4.3.1.4 Waterbeheerprogramma 2022-2027 In het Waterbeheerplan is beschreven welke doelen door het waterschap worden nagestreefd in de periode 2022-2027 en hoe het waterschap deze doelstellingen gaat behalen. Het waterbeheerplan is gebaseerd op de volgende drie programma’s: 2. Waterveiligheid; 3. Klimaatbestendig en gezond watersysteem; 4. Afvalwaterketen. Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. In het programma ‘Afvalwaterketen’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol.

Ruimtelijke motivering Bleekerweg 20 Heusden Aelmans Agrarische Advisering

32

AAA240221.001.012/MCO

Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd. In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: • schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt; • de waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen; • de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is; • de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen. Om deze doelen te bereiken zijn de volgende uitgangspunten geformuleerd: • het maken van actieplannen met maatregelen gericht op een klimaatrobuust watersysteem; • het verkennen van de mogelijkheden om de hoeveelheid water die vanuit bebouwd gebied wordt afgevoerd op het regionale systeem te beperken; • inzetten op extra maatregelen: ontstenen, vergroenen, afkoppelen en groene daken; • meedenken met gemeenten bij beleid en regelgeving rondom meervoudig ruimtegebruik, afkoppelen, hemelwaterverordeningen en het opnemen van klimaatadaptatie in bestemmingsplannen; • handhaven van de stimuleringsregeling klimaatactief bebouwd gebied en deze koppelen waar mogelijk aan gemeentelijke regelingen; • de samenwerking met gemeenten, woningcorporaties, ontwikkelaars en de bouwsector breed opzoeken in het

bebouwde gebied; • Intensief samenwerken op de overgang tussen bebouwd gebied en landelijk gebied, ook rondom bedrijventerreinen. 4.3.1.5 Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2025 De gemeenteraad heeft op 8 december 2020 conform artikel 4.22 van de Wet Milieubeheer het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) gemeente Asten 2021-2025 vastgesteld. Met het GRP geeft de gemeente invulling aan een duurzame inzameling en verwerking van afvalwater, hemelwater en overtollig grondwater en een duurzaambeheer van het gemeentelijk rioolstelsel. Elke nieuwe ontwikkeling dient te worden getoetst aan het Gemeentelijk Rioleringsplan. Voor alle uitbreidingslocaties geldt dat de waterberging binnen het plan moet worden gerealiseerd. In het bestemmingsplan 'Asten Verzamelplan 2019 - 2' is vastgesteld dat alle regels vanuit het GRP van toepassing zijn op het hele grondgebied van de gemeente Asten. Het realiseren van waterberging wordt afgedwongen via het bestemmingsplan, van rechtswege het tijdelijk omgevingsplan. De gemeente Asten streeft naar robuuste watersystemen, waarbij het hemelwater bij voorkeur bovengronds wordt geïnfiltreerd in de bodem.

Indien sprake is van een uitbreiding van het verhard oppervlak groter is dan 90 m², dient ook bij verbouw en uitbreiding een waterbergingsvoorziening van 60 mm over de toename van het verhard oppervlak te worden aangebracht op eigen terrein, mits technisch haalbaar.

Ruimtelijke motivering Bleekerweg 20 Heusden Aelmans Agrarische Advisering

33

AAA240221.001.012/MCO

4.3.1.6 Norm wateroverlast buiten stedelijk gebied Ter plaatse van het projectgebied geldt op grond van de Omgevingsverordening Noord-Brabant een gemiddelde overstromingskans van 1:50 jaar als omgevingswaarde. Deze instructieregel is een inspanningsverplichting voor het waterschap waar zij rekening mee moet houden. 4.3.2 Beoordeling

4.3.2.1 Beschrijving watersysteem In de direct omgeving van de besluitlocatie zijn geen watergangen aanwezig, die worden beheerd door het waterschap. De besluitlocatie is niet gelegen in een attentie- of beschermd gebied in het kader van de waterhuishouding. Op circa 328 meter is de Voordeldonkse Broekloop gelegen. Deze beek is vernoemd naar het buurtschap Voordeldonk en is een zijrivier van de Aa. Op circa 190 meter is een sloot gelegen.

Uitsnede Legger Waterschap Aa en Maas met aanduiding projectgebied (rood omlijnd)

4.3.2.2 Afvalwater en hemelwater Op welke wijze wordt omgegaan met het afval- en hemelwater binnen onderhavig projectgebied wordt hierna uiteengezet. • Afvalwater Het afvalwater als gevolg van onderhavige planontwikkeling zal worden geloosd op de bestaande aansluiting aan de gemeentelijke riolering van de gemeente. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is het afvoeren van afvalwater via de gemeentelijke riolering vereist en daarmee tevens de beste optie.

Ruimtelijke motivering Bleekerweg 20 Heusden Aelmans Agrarische Advisering

34

AAA240221.001.012/MCO

• Hemelwater van onverhard en semi-verhard terrein Het hemelwater dat valt op de onverharde en semi-verharde terreindelen binnen het projectgebied zal, zo nodig na beperkte oppervlakkige afstroming, rechtstreeks infiltreren in de bodem. • Hemelwater (dak)verhardingen Het hemelwater dat valt op de nieuwe (dak)verharding zal worden opgevangen en oppervlakkig worden afgevoerd, hetzij via aanwezige paden hetzij via goten, naar een te realiseren hemelwatervoorziening. • Opvang schoon hemelwater Aan zuidzijde van het perceel is een grote betonnen kelder aanwezig (momenteel gelegen onder de bestande loods). De plaats van deze nieuwe hemelwatervoorziening is zichtbaar in het landschappelijk inpassingsplan (bijlage 3). In deze hemelwatervoorziening wordt alleen schoon hemelwater opgevangen, waaraan geen verontreinigende stoffen zijn toegevoegd. In de kelder is een pomp aanwezig welke ervoor zorgt dat het water gedoseerd wordt afgevoerd richting de groenvoorzieningen, deels wordt afgevoerd naar de nabij gelegen sloot. Uitloging bij infiltratie wordt voorkomen door alleen schoon hemelwater te infiltreren in de bodem. Door het gebruik van niet-uitlogende materialen in de bouw wordt verontreiniging van het hemelwater voorkomen. De leidingloop, de inhoud en de leegloop wordt verder uitgewerkt bij de definitieve aanvraag Omgevingsvergunning voor de nieuwe loods.

• Voorkomen van wateroverlast Door het correct vastleggen van het bouwpeil van de nieuwbouw wordt voorkomen dat water in de te realiseren nieuwbouw kan vloeien. Daarnaast kan ten aanzien van wateroverlast voor derden worden gesteld dat hiervan geen sprake zal zijn. Overvloedig hemelwater zal te allen tijde worden afgevoerd naar het eigen perceel dan wel de nabij gelegen sloot. 4.3.3 Conclusie water en watersystemen

Gelet op vorenstaande wordt in het kader van water en watersystemen voldaan aan de regels en is ter plekke sprake van een evenwichtige toedeling van functies in de fysieke leefomgeving.

4.4

Luchtkwaliteit

4.4.1 Wettelijk kader

De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). De gemeente Asten is door het Rijk aangewezen als een aandachtsgebied voor fijnstof (PM10). Soms wordt hier een Rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een Rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. De vergunningverlener beoordeelt een aanvraag op het effect op de luchtkwaliteit in de leefomgeving. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied.

Ruimtelijke motivering Bleekerweg 20 Heusden Aelmans Agrarische Advisering

35

AAA240221.001.012/MCO

Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Bal moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Dit betekent dat een gemeente een initiatief soms moet toetsen aan de omgevingswaarden in een nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat dan om een locatie van een initiatief dat zelf buiten het aandachtsgebied ligt. Dit kan nodig zijn bij activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben. Denk aan extra verkeer of bedrijfsemissies. De vergunningverlener toetst aan de omgevingswaarden, tenzij de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Bkl. Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten heeft het Rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl.

De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze gaan over: • beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de Rijksomgevingswaarden; • ammoniakemissies van veehouderijen; • geologische opslag van CO2. Soms heeft de gemeente in een eerdere fase (toelaten van bedrijven in het omgevingsplan) al getoetst of het omgevingsplan voldoet aan de luchtkwaliteitsregels. Een dergelijke ‘voortoets’ is verplicht als het omgevingsplan in een aandachtsgebied ligt. Bij de daadwerkelijke aanvraag van een omgevingsvergunning moet het bevoegd gezag vervolgens beoordelen of deze aanvraag voldoet aan de luchtkwaliteitseisen. NB: In Asten gelden strengere regels voor luchtkwaliteit ten aanzien van veehouderijen. 4.4.2 Beoordeling

4.4.2.1 Concentratie fijnstof Onderhavig project ziet op het herbestemmen van de intensieve veehouderij naar een interieurbouwbedrijf en een loonwerkbedrijf en het handhaven van één mestsilo. Er is geen sprake van een uitgezonderde locatie. De luchtkwaliteit dient daarmee te worden beoordeeld. Er gelden de volgende grenswaarden voor fijnstof: • de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 µg/m³. • de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM10 is 50 µg/m³. De concentratie fijnstof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde. • de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 µg/m³. Navolgende figuren betreffen uitsneden van de kaarten met de waarden voor fijnstof voor het projectgebied en de omgeving hiervan.

Ruimtelijke motivering Bleekerweg 20 Heusden Aelmans Agrarische Advisering

36

AAA240221.001.012/MCO

Uitsnede kaart met fijnstof PM10 (RIVM, 2025)

Uitsnede kaart met fijnstof PM2,5 (RIVM, 2023)

Ruimtelijke motivering Bleekerweg 20 Heusden Aelmans Agrarische Advisering

37

AAA240221.001.012/MCO

Binnen het projectgebied is sprake van een jaargemiddelde PM10 van circa 38 µg/m³. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt circa 9 µg/m³. Hiermee is geen sprake van overschrijding van de wettelijke waarden. De realisatie van dit project is in het kader van fijnstof geen bezwaar. 4.4.2.2 Concentratie stikstofdioxide De Europese richtlijn luchtkwaliteit geeft de volgende grenswaarde voor stikstofdioxide: • de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van NO2 is 40 µg/m³. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de kaart met de waarden voor stikstofdioxide voor het projectgebied en de omgeving hiervan.

Uitsnede kaart met stikstofdioxide NO2 (RIVM, 2025)

Binnen het projectgebied is sprake van jaargemiddelde concentratie NO2 van circa 11 µg/m³. Hiermee is geen sprake van overschrijding van de wettelijke waarde. De realisatie van dit project is in het kader van stikstofdioxide geen bezwaar. 4.4.2.3 NIBM Tenslotte is de mate van verhoogde concentraties van bepaalde stoffen in de lucht van belang. Artikel 5.53 en 5.54 (Bkl) legt vast wanneer een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de toename van concentraties van bepaalde stoffen in de lucht. Een project is NIBM wanneer het aannemelijk is dat het een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM 10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. Daarnaast zijn er een aantal categorieën bepaald voor standaardgevallen waarbij NIBM kan worden aangenomen. Deze standaardgevallen betreffen onder andere kantoren, woonwijken en het telen van

Ruimtelijke motivering Bleekerweg 20 Heusden Aelmans Agrarische Advisering

38

AAA240221.001.012/MCO

gewassen. Deze zijn terug te vinden in artikel 5.54 van het Bkl. De activiteiten vallen niet onder de standaard gevallen. NIBM-tool Gelet hierop is de NIBM-tool geraadpleegd waarmee de bijdrage van kleinere ruimtelijke plannen en verkeersplannen aan de luchtverontreiniging beoordeeld kunnen worden. Het plan zal niet leiden tot een dusdanig aantal toenemende verkeersbewegingen dat de grenswaarde van de luchtkwaliteit daarmee wordt overschreden. InfoMil heeft een NIBM-tool ontwikkeld waarmee een 'worst-case' berekening kan worden verricht voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit. Dit rekenmodel toont aan dat tot 1.918 extra voertuigen (weekdaggemiddelde) pas in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Hierbij wordt uitgegaan van 3% vrachtverkeer. Een dergelijke toename van de hoeveelheid verkeersbewegingen is als gevolg van onderhavig project geen sprake.

Tabel NIBM-tool

4.4.3 Conclusie kwaliteit van de buitenlucht

Gelet op vorenstaande wordt in het kader van buitenlucht voldaan aan de regels en is ter plekke sprake van een evenwichtige toedeling van functies in de fysieke leefomgeving.

4.5

Geluid door activiteiten

4.5.1 Wettelijk kader

Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en plekken. Ook

Ruimtelijke motivering Bleekerweg 20 Heusden Aelmans Agrarische Advisering

39

AAA240221.001.012/MCO

zijn direct werkende regels in de bruidsschat opgenomen. Dit zijn regels over het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit. N.B. In de bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden). In het bkl staan vergelijkbare regels. Bij bopa waar geluidsregels relevant zijn, moeten deze in overeenstemming worden gebracht met het Bkl. De instructieregels uit afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Het rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl).

In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. 4.5.2 Beoordeling

Onderhavig project ziet op het herbestemmen van de intensieve veehouderij naar een interieurbouwbedrijf en een loonwerkbedrijf en het handhaven van één mestsilo. Bij voorliggend project is in vergelijking met de bestaande situatie geen sprake van het realiseren van een nieuw geluidgevoelig gebouw of ligging in een geluidaandachtsgebied van (spoor)weg of industrie. In dat kader behoeft het aspect ‘geluid’ niet verder te worden beschouwd. Met betrekking tot het aspect geluid kan in de fysieke leefomgeving sprake zijn van geluidbelasting als gevolg van de (bedrijfs)activiteiten die plaatsvinden op onderhavige locatie. Ter bescherming tegen mogelijk nieuwe geluidgevoelige gebouwen op het naastgelegen perceel is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de gevolgen van het uitvoeren van de activiteiten op de fysieke leefomgeving. In paragraaf 4.15 wordt hierop nader ingegaan.

4.5.3 Conclusie wegen, spoorwegen en industrieterreinen

Gelet op vorenstaande wordt in het kader van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen voldaan aan de regels en is ter plekke sprake van een evenwichtige toedeling van functies in de fysieke leefomgeving.

4.6

Trillingen

4.6.1 Wettelijk kader

Het onderdeel Trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een

Ruimtelijke motivering Bleekerweg 20 Heusden Aelmans Agrarische Advisering

40

AAA240221.001.012/MCO

omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 van de Bruidsschat en 5.87a van het Bkl. 4.6.2 Beoordeling

Onderhavig project ziet op het herbestemmen van de intensieve veehouderij naar een interieurbouwbedrijf en een loonwerkbedrijf en opslag ten behoeve van loonwerk en het handhaven van één mestsilo. Er is hierbij in de gebruiksfase geen sprake van continue trillingen of herhaald voorkomende trillingen. 4.6.3 Conclusie Trillingen

Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor dit plan.

4.7

Bodem

4.7.1 Wettelijk kader

Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving: - regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerksvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2); - regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22Bal); - regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4) - maatwerkregels over het saneren van de bodem in het zinkassengebied De Kempen, (paragraaf 2.3.6a.5). Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik.

Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. 4.7.2 Toets

Voorliggend project ziet op de sloop van een groot gedeelte van de bebouwing en beperkte nieuwbouw in de vorm van een bedrijfsruimte en loods voor het interieurbouwbedrijf. Daarnaast wordt een transformatorhuisje en een ruimte voor gasmeter, omvormers voor zonnepanelen en een accu gebouwd. De gronden binnen het projectgebied zijn in het Omgevingsplan gemeente Asten bestemd voor een agrarisch bedrijf. De geplande nieuwbouw ten behoeve van het bedrijf vindt plaats in de vorm van één loods. Deze nieuwbouw is de enige die als een bodemgevoelig gebouw aangemerkt kan worden. De ondergrond

Ruimtelijke motivering Bleekerweg 20 Heusden Aelmans Agrarische Advisering

41

AAA240221.001.012/MCO

ter plaatse van de nieuwe loods is volledig ontdaan van de funderingen en van de verharde en onverharde ondergrond. Vervolgens is het uitgegraven gebied opgevuld met schone grond uit de omgeving. Er zijn twee partijen grond aangeleverd voor de aanvulling. De betreffende partijkeuringen zijn bijgevoegd als bijlage 9 en 10. Er worden op de locatie verder geen nieuwe bodemgevoelige gebouwen bijgebouwd. 4.7.3 Conclusie bodemkwaliteit

Gelet op vorenstaande wordt in het kader van bodemkwaliteit voldaan aan de regels en is ter plekke sprake van een evenwichtige toedeling van functies in de fysieke leefomgeving.

4.8

Geur

4.8.1 Wettelijk kader

Er bestaan diverse sectoren waar geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb’s. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: - geur door het houden van landbouwhuisdieren en voor het berijden van paarden en pony’s in een dierenverblijf (paragraaf 22.3.6.2 BS); - geur door het houden van fokteven van nertsen (paragraaf 22.3.6.3 BS); - geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (paragraaf 22.3.6.4 BS); - geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (paragraaf 22.3.6.5 BS). Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het Bal.

In afdeling 8.5 ‘Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit’ van het Bkl staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels. 4.8.2 Beoordeling

Als vuistregel voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder, als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. Tevens dient voldaan te worden aan de aan te houden vaste afstanden van bedrijven tot toe te voegen gevoelige functies.

Ruimtelijke motivering Bleekerweg 20 Heusden Aelmans Agrarische Advisering

42

AAA240221.001.012/MCO

De bestaande bedrijfswoning wordt gehandhaafd. De cumulatieve geurbelasting door sanering van het intensieve veehouderijbedrijf neemt fors af in de toekomstige situatie. Na beëindiging van de veehouderij maakt de woning niet langer onderdeel uit van een veehouderij; de woning, een geurgevoelig gebouw, houdt op dat moment op een functionele binding te hebben met een dierenverblijf in de directe omgeving. Voor de woning geldt dat wordt voldaan aan artikel 5.110 Bkl. Tussen de woning en de stallen van de naastgelegen veehouderij wordt 50 m in acht genomen. Tevens geldt dat op basis van artikel 5.109 lid 3 een hogere waarde kan worden toegestaan dan de grenswaarde (35 OU), bedoeld in het tweede lid als sprake is van een geurgevoelig gebouw dat heeft opgehouden een functionele binding te hebben met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan. De geurbelasting is lager dan 35 OU en is daarmee lager dan de grenswaarde. Om die reden wordt voor deze woning door de gemeente een hogere geurbelasting als aanvaardbaar beschouwd en in lijn met het Bkl.

Achtergrondbelasting en grenswaarde 35 Ou volgend uit Bkl

Voor een bedrijf geldt dat onder de Omgevingswet bedrijven niet meer standaard zijn beschermd in het kader van geur; het is aan de gemeente hier een standpunt te bepalen. Voor de bedrijfsgebouwen, die in samenhang met de sanering van een intensieve veehouderij ter plekke van het huidige agrarische bouwvlak van deze veehouderij worden gerealiseerd, geldt dat de gemeente Asten geen beleidsregels en/of separaat afwegingskader heeft voor de beoordeling van een aanvaardbaar woonen leefklimaat in het kader van geur.

Ruimtelijke motivering Bleekerweg 20 Heusden Aelmans Agrarische Advisering

43

AAA240221.001.012/MCO

Voorgrondbelastingcontouren (norm 5 Ou)

Bij de afweging geldt dat de naastgelegen intensieve veehouderij qua geur op slot zit op basis van de gemeentelijk geurnorm (max 5 OU) volgend uit de geurverordening; zie ook figuur met voorgrondbelasting contouren. Bij nieuwe ontwikkelingen en noodzakelijke vergunningaanvragen zal op termijn dan ook de geurbelasting in het gebied verder dalen. Door de ontwikkeling is sprake van een herontwikkeling naar andersoortige bedrijfsactiviteiten dan intensieve veehouderij-activiteiten. Daarmee is sprake van een afnamen van milieubelasting op de (directe) omgeving. Naast milieubelasting en geur als gevolg van het houden van dieren geldt dat de locatie van Bleekerheide bv specifiek is gelegen in een gebied met de aanduiding ‘overige zone – urgentiegebied’. De gemeente Asten heeft voor een dergelijk gebied vastgesteld dat daar boven een optimaal niveau fijnstof uitgestoten wordt. Omschakelingen van agrarische bedrijvigheid naar nietagrarische bedrijvigheid kan zorgen voor het terugdringen van die uitstoot. Het beëindigen van de intensieve varkenshouderij kan deel uitmaken van die omschakeling. Door deze beëindiging wordt een geurgevoelig object toegevoegd, namelijk de woning.

Echter conform artikel 5.110 Bkl geldt dat voor een geurgevoelig object dat (op of na 19 maart 2000) heeft opgehouden een functionele binding te hebben met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan de minimale afstanden van 100 meter binnen de bebouwingscontour geur en 50 meter buiten de bebouwingscontour. Dit artikel is de opvolger van artikel 3 Wgv waarin een vergelijkbare rechtsregel is opgenomen. Onderhavig voornemen is gelegen in het buitengebied waardoor de minimale afstand van 50 meter geldt. De woning met een voormalige functionele binding komt te liggen op circa 62 meter van het naastgelegen dierenverblijf aan de Bleekerweg 24. In de principemedewerking heeft de gemeente aangegeven de bedrijfsgebouwen als nietgeurgevoelig te beschouwing door de forse afname van de geurbelasting. Met de geurbelasting op dit

Ruimtelijke motivering Bleekerweg 20 Heusden Aelmans Agrarische Advisering

44

AAA240221.001.012/MCO

interieurbouwbedrijf zal desondanks rekening worden gehouden door de werkplekken zo veel mogelijk aan de westzijde van het perceel te positioneren. 4.8.3 Conclusie geur

Gelet op vorenstaande wordt in het kader van geur voldaan aan de regels en is ter plekke sprake van een evenwichtige toedeling van functies in de fysieke leefomgeving.

4.9

Cultureel erfgoed, landschappelijke en stedenbouwkundige waarden

4.9.1 Wettelijk kader

De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteiten en het verplaatsen van gebouwde monumenten. De archeologische waarden zijn doorvertaald in archeologische dubbelbestemmingen. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. 4.9.2 Beoordeling

4.9.2.1 Archeologie Op basis van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Asten 2016’, onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan gemeente Asten, is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ van toepassing op het projectgebied. Aan de oostzijde van het projectgebied geldt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ en aan de westzijde ‘Waarde – Archeologie 2’. Het zwaarste beschermingsniveau (zoals geborgd in de functieaanduidingen) moet in dit geval gehanteerd worden. Dit betekent dat het bouwverbod niet van toepassing is als het te verstoren gebied kleiner is dan 250 m² of minder diep reikt dan 40 centimeter onder het maaiveld. Ook is het bouwverbod niet van toepassing als een bouwwerk geen bodemverstorende activiteiten met zich meebrengt. Bij onderhavig project is geen sprake van het extra roeren van de bodem. Voorheen bevonden zich op de locatie van de nieuw te bouwen loods putten t.b.v. de varkenshouderij. Derhalve is archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. 4.9.2.2 Cultuurhistorie Het projectgebied gelegen binnen het omgevingsplan buitengebied kent geen aanduiding cultuurhistorie. De omgeving van het projectgebied wordt gekenmerkt als een vrij geïndustrialiseerd gebied waar meerdere grote tuinbouwbedrijven gelegen zijn en enkele agrarische bedrijven. In de directe omgeving bevinden zich geen gebouwen met cultuurhistorische waarde (zoals monumenten).

Wel is op de CHW van de provincie Brabant te zien dat de Bleekerweg een historische structuur is van

Ruimtelijke motivering Bleekerweg 20 Heusden Aelmans Agrarische Advisering

45

AAA240221.001.012/MCO

redelijk hoge waarde (Cultuurhistorische Waardenkaart herziening 2025, kaartlaag 4). Het onderhavige initiatief tast deze structuur echter niet aan. 4.9.3 Conclusie cultureel erfgoed, landschap en stedenbouw

Gelet op vorenstaande wordt in het kader van cultureel erfgoed, landschap en stedenbouw voldaan aan de regels en is ter plekke sprake van een evenwichtige toedeling van functies in de fysieke leefomgeving.

4.10 Ladder voor duurzame verstedelijking 4.10.1 Wettelijk kader

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Bkl regelt dat bij bopa voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Artikel 5.129g (zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand) 1. Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. 2. Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met: a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en b. als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. 3.

Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt tot het stedelijk gebied niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor: a. op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en b. nog geen toepassing is gegeven aan het tweede lid. 4. Als een omgevingsplan voorziet in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft die beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.10.2 Beoordeling

Dit project voorziet in de sloop van ruim 7000 m2 aan bebouwing en de bouw van ruim 1000 m2 aan bebouwing ter plaatse van de gesloopte bebouwing. Bij nieuwbouw en uitbreiding van bedrijven ligt de ondergrens in beginsel bij een bruto-vloeroppervlakte van 500 m2. Voor ontwikkelingen van een terrein ligt de ondergrens 'in beginsel' bij een ruimtebeslag van 500 m2. Vorenstaande heeft

Ruimtelijke motivering Bleekerweg 20 Heusden Aelmans Agrarische Advisering

46

AAA240221.001.012/MCO

betrekking op stedelijke ontwikkeling, deze ontwikkeling betreft echter geen nieuwe stedelijke ontwikkeling. Om te komen tot een nieuwe stedelijke ontwikkeling dient in onderlinge samenhang beoordeeld te worden in hoeverre een plan, in vergelijking met het voorgaande bestemmingplan, voorziet in een functiewijziging en welk planologische beslag op de ruimte het nieuwe plan mogelijk maakt in vergelijking met het voorgaande bestemmingsplan (uitspraken van 6 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:915 (Oldenzaal), en van 20 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1064 (Waalre)). Gelet op de omvang van de nieuwbouw, vergeleken met het totale oppervlakte aan bebouwing dat gesloopt wordt, is duidelijk dat hier geen sprake is van een nieuw ruimtebeslag. In dit geval is juist sprake van een (sterke) afname van het totale oppervlakte aan bebouwing waardoor het ruimtebeslag verkleind wordt. Hiermee is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking. 4.10.3 Conclusie Ladder voor duurzame verstedelijking

De toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking is voor de beoogde ontwikkeling niet aan de orde.

4.11 Wegen, verkeer en parkeren 4.11.1 Wettelijk kader

Primair is verkeersveiligheid geregeld in de weg- en verkeerswetgeving (onder andere Wegenverkeerswet). Deze regelgeving maakt geen deel uit van de Omgevingswet. Er dient getoetst te worden aan de richtlijnen ten aanzien van verkeer en parkeren in de nota parkeernormen en waar nodig de normen vanuit het CROW. De omgevingsvisie van de gemeente moet een visie op verkeer en vervoer op gemeentelijk niveau bevatten. De gemeente Asten heeft in haar visie aangegeven dat het gemeentelijk verkeers- en vervoersplan van kracht blijft. Het initiatief dient hieraan getoetst te worden. De parkeernormen van de gemeente zijn opgenomen in de Nota parkeernormen. 4.11.2 Toets

4.11.2.1 Verkeer Ten behoeve van de ontsluiting van het projectgebied zal gebruik worden gemaakt van de bestaande ontsluiting op de openbare weg. Voorts is primair sprake van vrij geïndustrialiseerd gebied waarop de huidige weg is ingericht. Dientengevolge is geen sprake van een ontwikkeling die leidt tot een dusdanige toename van het aantal verkeersbewegingen waardoor sprake zou kunnen zijn van problemen in de verkeersstroming, -afwikkeling en -veiligheid. De verkeersbewegingen in de nieuwe situatie zijn weergegeven in het bijgevoegde akoestisch rapport, bijlage 7. 4.11.2.2 Parkeren Op 28 juli 2016 heeft de gemeenteraad de Nota Parkeernormen 2016 vastgesteld. Voor onderhavige ontwikkeling kan de parkeernorm in drie delen opgedeeld worden. Ten eerste het parkeren ten behoeve van het loonwerkbedrijf, ten tweede de opslag ten behoeve van het interieurbouwbedrijf en ten derde de bedrijfsruimte ten behoeve van het interieurbouwbedrijf.

Ruimtelijke motivering Bleekerweg 20 Heusden Aelmans Agrarische Advisering

47

AAA240221.001.012/MCO

Met de verkeersdeskundige van de gemeente is afgestemd dat er alleen parkeerplaatsen nodig zijn voor de bedrijvigheid van de 1000 m2 interieurbouw. In dit geval wordt maatwerk toegepast en kan dit gezien worden als arbeidsextensief, dit resulteert in 1,1 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo met een totaal van 11 parkeerplaatsen. Het loonwerkbedrijf is zo kleinschalig dat er in principe geen extra parkeerplekken voor benodigd zijn. Daar in onderhavig geval sprake is van meerdere functies op het perceel kan door het loonwerkbedrijf wel beperkt van de aanwezige parkeerplaatsen gebruik worden gemaakt. In het landschappelijk inpassingsplan zijn de 11 benodigde parkeerplaatsen ingetekend. De parkeerplaatsen zijn voorzien aan de noordzijde van het perceel en midden op het terrein.

Uitsnede landschappelijk inpassingsplan

Gelet op vorenstaande is duidelijk dat ter plekke afdoende ruimte beschikbaar is om te voldoen aan de parkeerbehoefte. 4.11.3 Conclusie wegen, verkeer en parkeren

Gelet op vorenstaande wordt in het kader van wegen, verkeer en parkeren voldaan aan de regels en is ter plekke sprake van een evenwichtige toedeling van functies in de fysieke leefomgeving.

Ruimtelijke motivering Bleekerweg 20 Heusden Aelmans Agrarische Advisering

48

AAA240221.001.012/MCO

4.12 Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen 4.12.1 Wettelijk kader

Op grond van artikel 5.162 van het Bkl wordt bij nieuwe ontwikkelingen met gevolgen voor de inrichting van de openbare buitenruimte rekening gehouden met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van die openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking. Voorliggend initiatief zal bij de nadere concrete uitwerking hiermee rekening houden. Te denken valt aan vorm en inrichting van voetpaden, trottoirs, oversteekplaatsen, parkeervoorzieningen, straatmeubilair (paaltjes, vuilnisbakken,…), halteplaatsen voor openbaar vervoer en de overbrugging van hoogteverschillen. Daarnaast zal goed moeten worden gekeken naar het plaatsen van reclames, uitstallingen en winkelwagentjes, allemaal potentiële ‘sta-in-de-wegs’ die niet alleen onpraktisch zijn, maar ook tot ongelukken kunnen leiden. 4.12.2 Toets

De beoogde ontwikkeling heeft een geen gevolg voor de inrichting van de openbare buitenruimte. De ontsluiting op de openbare ruimte blijft gelijk. Bij onderhavige ontwikkeling vinden geen activiteiten plaats die van invloed zijn op de ontsluiting of de openbare ruimte. 4.12.3 Conclusie

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Asten&id=4fc51827-eb3c-4598-a317-26976fa52e42