CConstaterende datAsten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Motivering BOPA

Gemeenteraad 30 juni 2026, gemeente AstenBij agendapunt: Adviesrecht BOPA, Bleekerweg 20-22 te Heusden (hamerstuk)21.726 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Gelet op bovenstaande vormt het aspect bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.13 Duurzaamheid en gezondheid 4.13.1 Wettelijk kader

Toetsing aan de aspecten duurzaamheid en gezondheid is sterk afhankelijk van het gemeentelijk beleid op deze thema’s. Het beoordelingskader kan dus per gemeente sterk verschillen. Wel bevat de bruidsschat een artikel betreffende energiebetreffende maatregelen (art. 22.52). Daarnaast kan het gemeentelijk beleid ten aanzien van duurzaamheid en/of gezondheid in het omgevingsplan zijn vastgelegd in de vorm van omgevingswaarden. Nagegaan moet worden of hieraan toepassing is gegeven. Indien dit het geval is, dient het initiatief getoetst te worden aan deze omgevingswaarden. 4.13.2 Beoordeling

4.13.2.1 Endotoxinen De intensieve veehouderijen dragen bij aan de emissies van fijnstof (PM10) in Nederland. Dit geëmitteerde fijnstof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit maken. Er zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. In april 2018 is tevens de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ uitgebracht. Hierbij wordt een advieswaarde van 30 EU/m³ aangehouden als advieswaarde voor de maximale blootstelling aan endotoxine. Bij deze advieswaarde kan ervan uitgegaan worden dat de gezondheid

Ruimtelijke motivering Bleekerweg 20 Heusden Aelmans Agrarische Advisering

49

AAA240221.001.012/MCO

van omwonenden van veehouderijen wordt beschermd tegen een overmaat aan endotoxine. Het uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. In de omgeving van het projectgebied zijn meerdere veehouderijen gelegen (zie onderstaande figuur). De meest nabijgelegen veehouderijen betreffen een leghennenbedrijf en een varkenshouderij. Onderhavig projectgebied is in de huidige situatie nog een varkenshouderij, maar door deelname aan de LBV+ regeling komt deze varkenshouderij te vervallen. Hierdoor zal de hoeveelheid endotoxinen in de omgeving afnemen. Daarnaast dienen de omliggende bedrijven reeds aan de advieswaarde te voldoen. Hierdoor kan aangenomen worden dat aan de advieswaarde van 30 EU/m³ wordt voldaan.

Kaart ‘Veehouderijen Kernregistratie Dierenverblijven (KRD) met aanduiding projectgebied

4.13.2.2 Geitenhouderijen Uit onderzoek blijkt dat mensen die wonen in de nabijheid van een geitenhouderij, meer dan gemiddeld kans hebben op een longontsteking. Totdat er meer duidelijkheid is over de oorzaak van longontstekingen in relatie tot geitenhouderijen en een integrale aanpak voorhanden is, adviseert de GGD het voorzorgsbeginsel toe te passen en terughoudend te zijn met de uitbreiding of nieuwvestiging van geitenhouderijen in de buurt van gevoelige functies. Andersom geldt ook dat geadviseerd wordt om terughoudend te zijn met het plaatsen van gevoelige functies in de buurt van bestaande geitenhouderijen. Dat betekent dat gemeenten wordt geadviseerd om in hun besluitvorming de risico’s op longontsteking mee te wegen. Op basis van onderzoeksresultaten is het risico op longontsteking groter naarmate de afstand tot een geitenbedrijf kleiner is. De GGD-richtlijn hanteert daarom een richtafstand van 2 kilometer tussen geitenhouderijen en gevoelige functies.

Ruimtelijke motivering Bleekerweg 20 Heusden Aelmans Agrarische Advisering

50

AAA240221.001.012/MCO

Uit de VGO-onderzoeken volgt dat in de nabijheid van een geitenhouderij (afstand variërend van 1,5 km tot 2 km) sprake is van een verhoogd risico op longontsteking, dat groter wordt naarmate de afstand tot de geitenhouderij kleiner wordt. Waarom iemand longontsteking krijgt is van veel factoren afhankelijk en er is nog te weinig bekend over de rol van geitenhouderijen om uitspraken te kunnen doen over wat de nabijheid van geitenhouderij bij woningen precies betekent. Er zijn voor longontsteking een aantal medische oorzaken en risicofactoren bekend die los staan van de nabijheid van geitenhouderijen. Het onderzoek VGO III geeft risicofactoren voor de afstand in stappen van 500 meter. Zichtbaar is dat er buiten de afstand van 500 meter een sterke daling van het risico optreedt die afvlakt op grotere afstand van een geitenhouderij. Dit is ook weergeven in navolgende tabel. Dit betekent dat na 500 meter van een geitenhouderij al aanzienlijk minder extra risico bestaat dan daarbinnen. Het is niet dat er na 2 km geen risico meer bestaat, maar dit is de grootste onderzochte afstand. Windrichting is geen factor in het risico.

Tabel 1: Gemiddelde regressie van de odds ratio in relatie tot afstand tot een geitenhouderij (bron: VGO III)

Voorgaande tabel gaat over het gemiddeld risico op een longontsteking ten opzichte van een bepaalde afstand tot een omliggende geitenhouderij. Een gemiddelde regressie odds ratio van 1.50 betekent 50% meer risico op longontsteking, 1.0 betekent geen extra risico op een longontsteking. Onderhavig voornemen gaat niet gepaard met nieuwbouw van woning(en). Dit betekent dat het risico op longontsteking door geitenhouderijen niet nader beoordeeld hoeft te worden. 4.13.2.3 Gewasbeschermingsmiddelen In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bij het mogelijk maken van een nieuwe gevoelige functie in de nabijheid van agrarische functies aandacht gevraagd voor spuitzones in verband met risico’s voor de volksgezondheid vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift. Met de term drift wordt de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel bedoeld die bij het spuiten buiten het agrarisch perceel op de grond terecht kan komen en/of op hoogte door de lucht passeert. Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen, kan drift risico’s voor de gezondheid inhouden. Binnen een straal van 50 meter van het projectgebied zijn geen agrarische gronden gelegen waarop gewasbeschermingsmiddelen gebruikt kunnen worden.

Aan de zuidzijde van het projectgebied is een nieuw kas voor glastuinbouw aangelegd. Aan de noordzijde van het projectgebied is een kas voor glastuinbouw aanwezig en een weiland ten behoeve van een paardenhouderij. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in een gesloten kas is beperkt en de kans op verstuiving naar gevoelige

Ruimtelijke motivering Bleekerweg 20 Heusden Aelmans Agrarische Advisering

51

AAA240221.001.012/MCO

objecten in de omgeving is nihil. Vorenstaande betekent dat gewasbeschermingsmiddelen geen belemmering vormen voor de beoogde ontwikkeling. 4.13.2.4 Hoogspanningsverbindingen Hoogspanningsverbindingen kunnen van negatieve invloed zijn op de gezondheid van de omgeving, maar dragen tegelijkertijd ook bij aan de Nederlandse infrastructuur en zijn van essentieel belang voor het functioneren van het energienetwerk. Hoogspanningsverbindingen leveren dus zowel een positieve als negatieve bijdrage aan de fysieke leefomgeving. Een negatieve invloed op de gezondheid van de omgeving, kan worden veroorzaakt door magneetvelden en geluid van de hoogspanningsverbindingen. Voor ‘magneetvelden’ geldt op basis van advies van het Rijk dat zoveel als redelijkerwijs mogelijk is vermeden dient te worden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen tot 15 jaar langdurig verblijven in een gebied rond bovengrondse hoogspanningsverbindingen, waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla. Ten aanzien van ‘geluid’ geldt dat rekening moet worden gehouden met geluid in de vorm van windfluiten en knetterend geluid door elektrische ontladingen (coronageluid) veroorzaakt door hoogspanningsverbindingen. In de directe omgeving van het projectgebied zijn geen hoogspanningsverbindingen gelegen. Dit is te zien in navolgende figuur.

Negatieve effecten ten gevolge van hoogspanningsverbindingen zijn uit te sluiten.

Uitsnede RIVM netkaart met aanduiding projectgebied

4.13.2.5 Positieve gezondheid Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met het belang van het bevorderen van de gezondheid. Gezondheidsbevordering wordt veelal geassocieerd met het verminderen van de druk van de leefomgeving op de gezondheid, bijvoorbeeld door geluid en luchtverontreiniging te beperken. Bij positieve gezondheid staat een brede kijk op gezondheid centraal: een fysieke leefomgeving die uitnodigt tot gezond gedrag en mensen stimuleert tot meer

Ruimtelijke motivering Bleekerweg 20 Heusden Aelmans Agrarische Advisering

52

AAA240221.001.012/MCO

bewegen, gezonder eten en elkaar ontmoeten, wordt als een leefomgeving met positieve gezondheidseffecten beschouwd. Een concreet wettelijk kader waarin wordt geduid waaraan een leefomgeving met positieve gezondheidseffecten minimaal aan dient te voldoen ontbreekt. Wel wordt gestimuleerd om de leefomgeving zo in te richten dat positieve gezondheidseffecten worden bevorderd. De GGD GHOR Nederland heeft in samenwerking met het RIVM kernwaarden opgesteld die de basis vormen voor de uitwerking en borging van het thema positieve gezondheid in het Omgevingsplan. De kernwaarden zijn onderverdeeld in drie categorieën, namelijk: woonomgeving, mobiliteit en gebouwen. Het projectgebied is gelegen in een vrij geïndustrialiseerd gebied en betreft een herbestemming van de varkenshouderij naar een interieurbouwbedrijf en een loonwerkbedrijf en het handhaven van één mestsilo. Gelet op de aard en locatie van het project is het bevorderen van een positieve gezondheid niet relevant. Als onderdeel van het project wordt overtollige bebouwing gesloopt en worden enkele gebouwen gebouwd. Op deze wijze wordt zo goed als mogelijk bijgedragen aan een duurzame en klimaatadaptieve inrichting van de locatie. Ook draagt de uitvoering van het landschappelijk inpassingsplan aan een duurzame en klimaatadaptieve inrichting bij. Met de aanleg van de wadi wordt de locatie klimaatadaptatief ingericht.

Er wordt zodoende voldaan aan de hemelwaterbergingsopgave. De beoogde ontwikkeling wordt duurzaam en klimaatbestendig gerealiseerd. 4.13.3 Conclusie

Gelet op bovenstaande vormt het aspect duurzaamheid en gezondheid geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.14 Natuur 4.14.1 Wettelijk kader

4.14.1.1 Inleiding De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgegaan in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. Stikstofdepositie is geregeld in artikel 22.20 van de Omgevingswet. De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de -nog te bepalen- datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde.

Ruimtelijke motivering Bleekerweg 20 Heusden Aelmans Agrarische Advisering

53

AAA240221.001.012/MCO

4.14.1.2 Gebiedsbescherming 4.14.1.2.1Natura 2000 Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In deze gebieden worden flora, fauna en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden zijn aangewezen in twee Europese richtlijnen: de Vogelrichtlijn (uit 1979) en de Habitatrichtlijn (uit 1992). Nederland kent een netwerk van 162 Natura 2000-gebieden. Negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen zowel direct als indirect van aard zijn. Directe effecten zijn bijvoorbeeld verstoringen door licht, geluid of trillingen. Een belangrijk negatief indirect effect op Natura 2000-gebieden is een verhoogde stikstofdepositie. Een activiteit die niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar wel significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, wordt een ‘Natura 2000-activiteit' genoemd binnen de definities van de Omgevingswet. Een Natura 2000-activiteit dient te voldoen aan Rijksregels zoals de specifieke zorgplicht. Daarnaast dient het bevoegd gezag geïnformeerd te worden bij een eventueel ongewoon voorval. 4.14.1.2.2Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk heeft als doel om natuurgebieden beter te verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied.

Het NNN bestaat over het algemeen uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones. In beginsel zijn de provincies verantwoordelijk voor de instandhouding en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland. Instructieregels met betrekking tot de bescherming van Natuurnetwerk Nederland zijn dan ook opgenomen in de omgevingsverordening van de provincie. 4.14.1.2.3Stikstof Een activiteit die voor stikstofdepositie zorgt, wordt aangemerkt als een vergunningplichtige Natura 2000-activiteit als significante effecten op een Natura 2000-gebied niet kunnen worden uitgesloten. De beoordelingsregels kunnen er in dat geval toe strekken dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als geregistreerde stikstofdepositieruimte aan de Natura 2000-activiteit wordt toegedeeld (artikel 5.29, lid 3 Ow). 4.14.1.2.4Houtopstanden Houtopstanden worden op basis van nationaal beleid beschermd door in het Bal opgenomen Rijksregels. In het Omgevingsplan wordt door de gemeenteraad een bebouwingscontour houtkap vastgesteld. Hierbinnen gelden de regels voor het vellen van houtopstanden niet die in het Bal staan. Deze regels worden gesteld met het oog op natuurbescherming, de instandhouding van het bosareaal in Nederland, of het beschermen van landschappelijke waarden.

De kern van het beschermingsregime uit het Bal wordt gevormd door een meldingsplicht voor degene die voornemens is om buiten de bebouwingscontour een houtopstand te vellen, en een verplichting om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan op dezelfde grond te herbeplanten. Daarbij geldt als kwaliteitseis dat de herbeplanting geschiedt op ‘bosbouwkundig verantwoorde wijze’. De provincie kan daar bij omgevingsverordening maatwerkregels of maatwerkvoorschriften over vaststellen. 4.14.1.3 Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om

Ruimtelijke motivering Bleekerweg 20 Heusden Aelmans Agrarische Advisering

54

AAA240221.001.012/MCO

bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. De Omgevingswet definieert een flora- en fauna-activiteit als volgt: een ‘activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten’. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of er soorten aanwezig zijn en indien aanwezig, welke soorten dat zijn. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten. 4.14.2 Toets

4.14.2.1 Gebiedsbescherming Natura 2000 Het dichts nabij het projectgebied gelegen Natura 2000-gebied is de Grote Peel op circa 2,5 hemelsbrede kilometers zuidelijk van het projectgebied. Op een grotere hemelsbrede afstand van respectievelijk circa 5,8 km oostelijk en circa 8,3 km westelijk liggen de Deurnsche Peel & Mariapeel en Strabrechtse Heide & Beuven. De overige Natura 2000-gebieden liggen op grotere afstanden waarvan de Weerter- en Budelerbergen & Ringselven op circa 9 kilometer hemelsbreed zuidoostelijk van het projectgebied het meest nabij is. De genoemde Natura 2000-gebieden bevatten kwetsbare en stikstofgevoelige natuur van vochtige graslanden, droge en natte heide, hoogveen en zwak gebufferde waters. De twee meest nabije Natura 2000-gebieden, de Deurnsche Peel & Mariapeel en Groote Peel, bevatten voor stikstofuitstoot de bijzondere gevoelige natuur van hoogveenrelicten.

Ruimtelijke motivering Bleekerweg 20 Heusden Aelmans Agrarische Advisering

55

AAA240221.001.012/MCO

Navolgende figuur betreft een uitsnede van de kaart met ligging van Natura 2000 gebieden tot het projectgebied. Uitsnede Atlas Leefomgeving – Natura 200-gebieden met aanduiding projectgebied

Het projectgebied en omliggende gebied maakt geen deel uit van Natura2000-gebied. Van een directe aantasting en afname van areaal aan beschermd natuurgebied is daarom geen sprake. Alle Natura 2000 gebieden liggen op voldoende ruime afstand om geen negatieve invloeden verwacht worden van factoren met een externe werking die met een korte reikwijdte op afstand werken, als bodemtrillingen, geluids- en lichtbelasting.

Natuurnetwerk Nederland Het projectgebied en het omliggende gebied maken geen onderdeel uit van de NNB -gebied. Van een directe aantasting en afname van areaal aan NNN-gebied is daarom geen sprake. Het dichtstbijzijnde gebied dat valt onder het Natuurnetwerk Brabant (NNB) ligt op 354 meter van het projectgebied. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de kaart met de ligging van NNN en NNBgebieden ten opzichte van de besluitlocatie.

Kaart Natuurnetwerk Nederland met aanduiding projectgebied

Gelet op de afstand tussen het NNN-gebied en het projectgebied zijn negatieve effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van NNB-gebied ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling niet aannemelijk. Vrijwel uitgesloten kan worden dat de reikwijdte van de voorgenomen ingrepen dusdanig is dat deze van enige verstorende invloed op NNB-gebied kunnen zijn. Uit recente luchtfoto’s blijkt dat een kas voor een tuinbouwbedrijf aan de zuidzijde van het projectgebied wordt gebouwd. Deze kas ligt tussen het projectgebied en het NNN-gebied in waardoor deze kas een grotere invloed heeft dan onderhavig project. Ook zorgt deze kas ervoor dat negatieve effecten van onderhavig project opvangt.

Ruimtelijke motivering Bleekerweg 20 Heusden Aelmans Agrarische Advisering

56

AAA240221.001.012/MCO

Het projectgebied is gelegen tussen bestaande bebouwingen en is voorzien van een landschappelijk inpassingsplan. Gelet op de aard van onderhavig project is geen sprake van een negatieve landschappelijke belasting, maar eerder van een positieve belasting. Ook zal geen sprake zijn van ruimtelijk dispersie van negatieve effecten in het buitengebied. Negatieve effecten op NNB-gebied en ecologische verbindingszones kunnen op basis van aard, ligging en reikwijdte van de projectontwikkeling uitgesloten worden. Aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken is niet aan de orde en daarmee geen noodzaak tot vervolgonderzoek. Stikstof Voor dit plan ontwikkeling is een AERIUS berekening voor de sloop- en realisatiefase opgesteld, welke is bijgevoegd als bijlage 4. Daaruit blijkt dat de sloop en realisatiefase geen stikstofdepositie op gevoelige natuurgebieden veroorzaakt. Ook is een AERIUS berekening voor de gebruiksfase, welke is bijgevoegd als bijlage 5. Daaruit blijkt dat de gebruiksfase tot stikstofdepositie leidt. Wel is deze stikstofdepositie significant minder dan in de referentiesituatie. Op grond hiervan kan geconcludeerd worden dat voor de realisatiefase van onderhavig project negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden ten gevolge van NOx- en NH3-uitstoot uitgesloten kunnen worden.

De uitkomsten geven geen aanleiding een vergunning Natura 2000 activiteit aan te vragen vanwege mogelijke effecten op Natura 2000-gebieden. Een significante toename van stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied kan, gelet op vorenstaande, redelijkerwijs worden uitgesloten. Houtopstanden De besluitlocatie ligt buiten de bebouwde kom en bebouwingscontour houtopstanden waardoor de regels in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) van toepassing zijn bij het vellen van houtopstanden. Bij onderhavig voornemen is geen sprake van het vellen van bestaande bomen. Zoals aangeduid in het landschappelijk inpassingsplan worden meerdere nieuwe bomen op het perceel aangeplant. Vorenstaande geeft aan dat van het vellen van houtopstanden geen sprake is. 4.14.2.2 Soortenbescherming De beoogde ontwikkeling voorziet in het slopen van een aantal bijgebouwen. Het slopen van een bijgebouw betreft een flora- en fauna-activiteit. Om aan te kunnen tonen dat met onderhavige ontwikkeling sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, is door Ecolybrium een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Dit onderzoek met datum 27 januari 2025 met projectnummer 24-1799 behoort als bijlage bij deze motivering.

Uit dit rapport volgen de volgende conclusies: • De onderzoekslocatie en de bebouwing zijn niet geschikt als broedbiotoop voor vogels (al dan niet jaarrond beschermde nesten) waardoor effecten en daarmee knelpunten in het kader van de Omgevingswet niet optreden. • De voorgenomen sloop van de bedrijfsgebouwen leidt niet tot vernietiging en/of aantasting geen vaste rust- en of verblijfplaats en/of foerageergebieden en primaire vliegroutes van vleermuizen. • De locatie beschikt niet over een optimaal ontwikkeld habitat voor dagvlinders, libellen, amfibieën, vissen, reptielen, grondgebonden zoogdieren en overige ongewervelden.

Ruimtelijke motivering Bleekerweg 20 Heusden Aelmans Agrarische Advisering

57

AAA240221.001.012/MCO

• Gesteld kan worden dat in het kader van de Omgevingswet geen knelpunten optreden ten aanzien van beschermde en/of bijzondere soorten. Het uitvoeren van vervolgmaatregelen, zoals het aanvragen van een omgevingsvergunning, is niet aan de orde. 4.14.3 Conclusie natuurbescherming

Gelet op vorenstaande wordt in het kader van natuur voldaan aan de regels en is ter plekke sprake van een evenwichtige toedeling van functies in de fysieke leefomgeving.

4.15 Bedrijfsmatige activiteiten 4.15.1 Wettelijk kader

Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten uit de handreiking Bedrijven en Milieuzonering. De hierin opgenomen (indicatieve) bedrijvenlijst uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. In deze lijst worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de functie en de uiterste grens van de gevel van een woning die volgens het omgevingsplan mogelijk is. Om te onderzoeken is of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn de bedrijven in de omgeving van de besluitlocatie geïnventariseerd en is uitgegaan van de huidige toegestane richtafstanden van deze bedrijven op basis van de nu toebedeelde milieucategorieën. Voor de beoordeling zijn twee typen omgevingen. Dit betreft een ‘rustige woonwijk/rustig buitengebied’ of een ‘gemengd gebied’. 4.15.2 Beoordeling

Gebiedstypering De richtafstanden van de VNG-publicatie gelden tot het gebiedstype 'rustig buitengebied’. Dit is een vergelijkbaar omgevingstype als een ‘rustige woonwijk'. In bepaalde gevallen kan gemotiveerd worden dat er geen sprake is van een 'rustig buitengebied’, maar een 'gemengd gebied'. Bijvoorbeeld lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Of bij een gebied dat langs een drukke ontsluitingsweg ligt. Bij een 'gemengd gebied' kunnen de richtafstanden met 1 afstandsstap verkleind worden. Uitzondering hierop is de richtafstand voor externe veiligheid. Deze wordt niet verkleind. Navolgende figuur geeft de tabel weer met richtafstanden binnen een rustige woonwijk en gemengd gebied.

Ruimtelijke motivering Bleekerweg 20 Heusden Aelmans Agrarische Advisering

58

AAA240221.001.012/MCO

Tabel 2: Tabel met richtlijnafstand in een rustige woonwijk en een gemengd gebied

Binnen het projectgebied door de ligging in lintbebouwing met overwegend agrarische bedrijvigheid gekozen om aan te sluiten bij de gebiedstypering ‘gemengd gebied’. Bedrijven in de omgeving Ten noorden van het projectgebied is een paardenhouderij gevestigd. Voor deze bedrijvigheid geldt binnen een gemengd gebied een richtafstand van 30 meter voor geur en 10 meter voor stof en geluid van deze bedrijvigheid. Onderhavige ontwikkeling ziet op het realiseren van twee bedrijven op een afstand groter dan 30 meter. Aan de richtafstanden voor deze bedrijvigheid wordt voldaan. Ten oosten van het projectgebied is een varkenshouderij gevestigd. Voor deze bedrijvigheid geldt binnen een gemengd gebied een richtafstand van 100 meter voor geur, 10 meter voor stof en 30 meter voor geluid. Onderhavige ontwikkeling ziet op het realiseren van twee bedrijven binnen een afstand van 100 meter van deze bedrijvigheid. In deze situatie worden de nieuwe bedrijfsgebouwen wel buiten de deze richtafstand opgericht. Enkel de bestaande bedrijfsgebouwen die behouden blijven, worden binnen deze richtafstand opgericht. Daar hier sprake is van reeds bestaande bedrijfsgebouwen dient reeds in de huidige situatie met deze gebouwen rekening te worden gehouden. Gelet op vorenstaande levert realisatie van de twee bedrijven binnen een afstand van 100 meter van de varkenshouderij geen belemmeringen op.

Ten zuidoosten van het projectgebied is een transportbedrijf gevestigd. Voor deze bedrijvigheid geldt binnen een gemengd gebied een richtafstand van 50 meter voor geluid en 10 meter voor gevaar. Onderhavige ontwikkeling ziet op het realiseren van twee bedrijven op een afstand groter dan 50 meter van deze bedrijvigheid. Aan de richtafstanden voor deze bedrijvigheid wordt voldaan. Ten zuidwesten, ten noordoosten, ten oosten en ten zuiden van het projectgebied zijn pluimveehouderijen gevestigd. Voor deze bedrijvigheid geldt binnen een gemengd gebied een richtafstand van 50 meter voor geur, 10 meter voor stof en 30 meter voor geluid. Onderhavige ontwikkeling ziet op het realiseren van twee bedrijven op een afstand groter dan 30 meter van de meeste van deze bedrijvigheid. Enkel het pluimveebedrijf aan de oostzijde is gelegen op een afstand van minder dan 50 meter. In onderhavig geval worden werkplekken gerealiseerd op een afstand van meer dan 50 meter van de stallen aan de oostzijde. Binnen deze 50 meter worden uitsluitend opslag en werktuigbergingen gerealiseerd. Ook wordt in lijn met artikel 5.116 Bkl een afstand van minimaal 25 meter tussen de stallen en de nieuwe bedrijfsgebouwen aangehouden. Eén te behouden bedrijfsgebouw ligt binnen

Ruimtelijke motivering Bleekerweg 20 Heusden Aelmans Agrarische Advisering

59

AAA240221.001.012/MCO

deze 25 meter, maar daarvoor vormen deze afstanden geen belemmering. Het gaat hierbij om een bestaand gebouw waar het naastgelegen bedrijf reeds in de huidige situatie rekening moet houden. Gelet op vorenstaande levert realisatie van de twee bedrijven binnen een afstand van 50 meter van het pluimveebedrijf geen belemmeringen op. Rondom de locatie (het projectgebied) zijn meerdere tuinbouwbedrijven gelegen. Daarbij gaat het om twee groentetelers en een plantenteler. Binnen een gemengd gebied geldt voor deze bedrijvigheden de richtafstand van 10 meter voor geluid. Met onderhavig voornemen wordt worden twee bedrijven gerealiseerd op een afstand groter dan 10 meter van dit type bedrijvigheid. Aan de richtafstanden voor deze bedrijven wordt voldaan. Bedrijvigheid in het projectgebied Naast bedrijvigheid in de omgeving van het projectgebied ontstaat door onderhavig voornemen ook bedrijvigheid in het projectgebied. Daarbij gaat het om een interieurbouwbedrijf en een loonwerkbedrijf. Het interieurbouwbedrijf betreft een bedrijf in categorie 3.2. Binnen een gemengd gebied geldt voor dit type bedrijvigheden de richtafstanden van 30 meter voor geur, 30 meter voor stof, 50 meter voor geluid en 10 meter voor gevaar. Het loonwerkbedrijf betreft een bedrijf in categorie 3.1.

Binnen een gemengd gebied geldt voor dit type bedrijvigheden de richtafstanden van 10 meter voor geur, 30 meter voor geluid en 10 meter voor gevaar. Ten behoeve van deze bedrijvigheid is een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd door Aelmans ROM. De rapportage van dit onderzoek is bijgevoegd als bijlage 7. Uit dit onderzoek volgt dat de toekomstige situatie ten aanzien van de randvoorwaarden uit dit onderzoek akoestisch inpasbaar geacht kunnen worden. Van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is derhalve sprake. 4.15.3 Conclusie

Gelet op bovenstaande vormt het aspect bedrijvigheid geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.16 Toetsing m.e.r.-beoordeling 4.16.1 Wettelijk kader

Overeenkomstig paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit dient te worden bepaald of een ontwikkeling mer-beoordelingsplichtig is. Dit kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Een milieueffectrapportage (MER) is een procedure die de milieueffecten van een plan of project in beeld brengt. Het doel van de MER is om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvoering over plannen, programma's en projecten die mogelijk duidelijke milieueffecten hebben. De verwachte effecten op het milieu en alternatieve oplossingen worden beschreven in een milieueffectrapport (MER). Daarnaast is participatie en kennisgeving een belangrijk onderdeel binnen de mer. Op deze manier vormt de mer een hulpmiddel voor de besluitvorming.

Ruimtelijke motivering Bleekerweg 20 Heusden Aelmans Agrarische Advisering

60

AAA240221.001.012/MCO

Een Omgevingsplan valt onder een plan of programma waarvoor een milieueffectrapportage van toepassing is (Omgevingswet, Paragraaf 16.4.1, artikel 16.34). De Motivering van de beslissing (art. 11.11 lid 3 Omgevingsbesluit) bestaat uit: a) de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn; en b) als is beslist dat geen milieueffectrapport moet worden gemaakt: 1) de kenmerken en maatregelen, bedoeld in artikel 11.10, derde lid, als degene die voornemens is het project uit te voeren deze heeft voorgesteld; en 2) het moment waarop die maatregelen moeten zijn gerealiseerd. 4.16.2 Toets

De ontwikkeling is dan ook niet aan te merken als project waarvoor een besluit van een mer(beoordelings)plicht geldt. Dit plan is wegens aard en omvang van het plan geen stedelijk ontwikkelingsproject in het kader van de m.e.r.-beoordeling. In het kader van de beoogde ontwikkeling is een mer-beoordeling dan ook niet aan de orde.

Ruimtelijke motivering Bleekerweg 20 Heusden Aelmans Agrarische Advisering

61

AAA240221.001.012/MCO

5 Uitvoerbaarheid 5.1

Algemeen In tegenstelling tot de Wet (en het Besluit) ruimtelijke ordening geldt onder de Omgevingswet dat een gemeenteraad bij het toekennen van functies aan locaties niet meer aannemelijk hoeft te maken dat die ontwikkeling (financieel) uitvoerbaar is. In haar omgevingsplan wordt door de gemeente aangegeven dat een functie op een bepaalde locatie kan komen, dat minder verstrekkend is. Enkel behoeft te worden gemotiveerd dat een ontwikkeling in beginsel mogelijk is (‘niet evident onuitvoerbaar’). Pas als zich een concreet initiatief aandient dat past binnen de in het Omgevingsplan toebedeelde functie, moet worden onderzocht hoe dat op een aanvaardbare wijze kan worden gerealiseerd.

5.2

Economische uitvoerbaarheid

5.2.1 Kostenverhaal

Op grond van Omgevingswet (afdeling 13.6 Ow) zijn overheden verplicht om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen naar evenredigheid te verhalen op de initiatiefnemers die profijt hebben van de aan te leggen openbare voorzieningen. Indien sprake is van een ontwikkeling op eigendomsgronden van de overheid zelf, is het kostenverhaal verzekerd en zijn daartoe geen overeenkomst of kostenverhaalsregeling aan de orde. Is sprake van een ontwikkeling die niet op eigendomsgronden van de overheid is gelegen, is het uitgangspunt van de overheid om middels het sluiten van een anterieure overeenkomst het kostenverhaal te verzekeren. Dit is mogelijk op grond van artikel 13.13 Ow. Indien de onderhandelingen over deze overeenkomst succesvol zijn, kan overgegaan worden tot het afwijken van het Omgevingsplan en vinden betalingen plaats op grond van de gemaakte afspraken. De initiatiefnemer heeft een anterieure overeenkomst met de gemeente gesloten over het kostenverhaal van dit plan. 5.2.2 Nadeelcompensatie

Nadeelcompensatie is de vergoeding van schade die de overheid veroorzaakt in de uitoefening van haar taak of bevoegdheid. In afdeling 15.1 van de Omgevingswet wordt een aantal besluiten of maatregelen aangewezen die als oorzaak van de schade kunnen optreden. Aangewezen zijn besluiten of maatregelen: • die rechtstreeks werkende rechten en verplichtingen voor burgers en bedrijven bevatten, of die rechtstreeks gevolgen hebben voor burgers en bedrijven door verandering van de fysieke leefomgeving; De belangrijkste schadeveroorzakende besluiten zijn: • het omgevingsplan, • een omgevingsvergunning,

Ruimtelijke motivering Bleekerweg 20 Heusden Aelmans Agrarische Advisering

62

AAA240221.001.012/MCO

• •

een projectbesluit voor realisatie van een project van het Rijk, provincie of waterschap, en rechtsreeks werkende regels in een verordening van provincie of waterschap.

Alleen schade veroorzaakt door die besluiten of maatregelen komt voor vergoeding in aanmerking. De schade moet redelijkerwijs toe te rekenen zijn aan de schadeoorzaak. De schade moet: • het rechtstreekse gevolg zijn van het besluit of de maatregel. Bijvoorbeeld de bouw van een woning of aanleg van een weg, of • het gevolg zijn van de feitelijke uitvoering van de activiteit. Bijvoorbeeld een tijdelijke wegafsluiting. • De schade kan ook het gevolg zijn van een activiteit, die pas later zichtbaar wordt. Bijvoorbeeld schade door grondwateronttrekking kan zich jaren later openbaren. Bij de vraag of de schade moet worden vergoed, en zo ja hoeveel, speelt een aantal factoren een rol. Het moet gaan om schade die boven het normaal maatschappelijk risico (4%) uitsteekt. Bovendien moet de schade de aanvrager onevenredig treffen ten opzichte van anderen. De beoogde ontwikkeling ziet op het herbestemmen van de intensieve veehouderij naar een interieurbouwbedrijf en een loonwerkbedrijf en het handhaven van één mestsilo. De inschatting is dat deze ontwikkeling niet leidt tot schade die groter is dan het normaal maatschappelijk risico.

Ruimtelijke motivering Bleekerweg 20 Heusden Aelmans Agrarische Advisering

63

AAA240221.001.012/MCO

5.3

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

5.3.1 Participatie

Participatie bij planvormingsprocessen plaats laten vinden is een belangrijke ambitie die aan de procedureregels over participatie in de Omgevingswet ten grondslag ligt. De gemeente Asten acht participatie van groot belang voor een zorgvuldige voorbereiding van besluiten. In september 2023 is door de gemeente Asten het 'Beleidskader participatie' opgesteld. Dit beleidskader is bedoeld om eenduidig vast te leggen wat er van wie verwacht mag worden bij het organiseren van participatie. Er wordt onderscheid gemaakt tussen kleine, middelgrote of grote initiatieven: - Kleine initiatieven: initiatieven met een geringe (ruimtelijke en/of maatschappelijke) impact. Voorbeelden: Het realiseren van een tuinhuis, het plaatsen van een schutting of dakkapel, het oprichten van een carport of overkapping, de aanleg/verbreding van een oprit of de komst van een aan huis gebonden bedrijf. - Middelgrote initiatieven: initiatieven met een gemiddelde (ruimtelijke en/of maatschappelijke) impact. Voorbeelden: Het bouwen van een woning of klein/middelgroot bedrijf, het wijzigen van de bedrijfsbestemming in een andere functie (bijvoorbeeld naar wonen) of een functiewijziging op uw perceel. - Grote initiatieven: initiatieven met een grote (ruimtelijke en/of maatschappelijke) impact.

Voorbeelden: De bouw van meerdere woningen of appartementen, de bouw van groot bedrijf, een herbestemming van een perceel of gebouw, het realiseren van mogelijk overlast gevende functies zoals horeca of recreatieve ont- wikkelingen, plannen voor een bedrijf met mogelijke milieuhinder of plannen met mogelijke verkeer aantrekkende ontwikkelingen. Er heeft een participatie plaats gevonden met de directe omgeving, in de vorm van afzonderlijke bezoeken per adres. Deze zogenaamde omgevingsdialoog is als bijlage 8 bijgevoegd. Er zijn geen afkeurende reacties binnen gekomen. Wel diverse vragen maar die zijn alle verduidelijkt en naar tevredenheid beantwoord. 5.3.2 Advies en instemming

Gemeentes hebben de mogelijkheid om een lijst op te stellen waarin de gevallen zijn aangegeven waarvoor (bindend) advies moet worden gevraagd. De gemeente Asten heeft op 3 juni 2025 een lijst van activiteiten waarvoor de gemeenteraad adviseur is, vastgesteld. Het betreft activiteiten in de volgende categorieën: 1. Wonen: • Bebouwde kom: i. Het toevoegen van meer dan 5 woningen in de vorm van nieuw op te richten bebouwing. ii. Het toevoegen van meer dan 20 woningen binnen bestaande bebouwing (functiewijziging, woningsplitsing). • Buitengebied: i. Het toevoegen van één of meer woningen, met uitzondering van: 1. gevallen die aan het college zijn gedelegeerd, als bedoeld in artikel 3 van dit besluit; 2. ruimte-voor-ruimtewoningen, mits er maximaal twee woningen worden toegevoegd en de woningen zijn gelegen binnen een bebouwingsconcentratie.

Ruimtelijke motivering Bleekerweg 20 Heusden Aelmans Agrarische Advisering

64

AAA240221.001.012/MCO

•

De realisatie van een huisvestigingslocatie (geclusterde huisvesting) voor meer dan 50 arbeidsmigranten. 2. Bedrijvigheid: • Het omschakelen van een (voormalig) agrarisch bedrijf naar een niet-agrarisch bedrijf, met uitzondering van gevallen die aan het college zijn gedelegeerd, als bedoeld in artikel 3 van dit besluit. • Het uitbreiden van bestaande en het realiseren van nieuwe bedrijventerreinen. 3. Detailhandel, horeca en recreatie: • Het toevoegen van perifere detailhandel op de bedrijventerreinen met een bruto vloeroppervlak van meer dan 5.000 m2. • Het realiseren van nieuwe, zelfstandige horecalocaties buiten het centrum van één van de dorpskernen (bestemming ‘Centrum’, ‘Centrum – 1’ of ‘Centrum – 2’). • Het realiseren van nieuwe, grootschalige recreatiebedrijven en -terreinen, zoals het oprichten van campings, hotels, golfbanen, vakantie- en recreatieparken, met uitzondering van gevallen die aan het college zijn gedelegeerd, als bedoeld in artikel 3 van dit besluit. 4. Maatschappelijk: • Het realiseren van grootschalige maatschappelijke voorzieningen, zoals scholen, religieuze voorzieningen, multifunctionele accommodaties (MFA’s) en gezondheidscentra. • Het realiseren van grootschalige sportvoorzieningen, zoals sportparken, sporthallen en zwembaden. 5. Agrarisch: • Het opslaan, bewerken en verwerken van mest, niet zijnde mest van het eigen bedrijf.

• Het vergroten van een agrarisch bouwperceel, met uitzondering van gevallen die aan het college zijn gedelegeerd, als bedoeld in artikel 3 van dit besluit. • Het omschakelen naar andere agrarische bedrijfsvorm, met uitzondering van gevallen die aan het college zijn gedelegeerd, als bedoeld in artikel 3 van dit besluit. 6. Infrastructuur: • De bouw en aanleg van grootschalige infrastructurele (kunst)werken. 7. Energieopwekking: • Het oprichten van windturbines; • Het aanleggen van zonnevelden; • Projecten voor andere vormen van collectieve energieopwekking en -opslag, zoals buurtbatterijen, collectieve warmtevoorzieningen, biomassacentrales en waterstofinstallaties. 8. Algemeen: • Het oprichten van gebouwen hoger dan 12 meter; • Aanvragen die – naar mening van het college van burgemeester en wethouders –moeten worden aangemerkt als politiek gevoelig. Voorliggend project betreft een activiteit waarvoor het adviesrecht van de gemeenteraad geldt. Derhalve is het vragen van advies van de gemeenteraad noodzakelijk. NA DEZE ENTER NIETS WEGHALEN IVM EEN VERBORGEN SNELKOPPELING NAAR INHOUD EN SECTIE EINDE

Bijlagen Ruimtelijke motivering Bleekerweg 20 Heusden Aelmans Agrarische Advisering

65

Bijlage 1 …..

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Asten&id=4fc51827-eb3c-4598-a317-26976fa52e42