CConstaterende datAsten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1a - Motivering BOPA Gezandebaan 32

Gemeenteraad 27 januari 2026, gemeente AstenBij agendapunt: Adviesrecht buitenplanse omgevingsplanactiviteit, herontwikkeling intensieve varkenshouderij aan de Gezandebaan 32, Heusden (hamerstuk)31.876 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

G

H te 23 na a be dn az e “

gin

wu o bre dn O e

jklie

t imu R

22

Ter plaatse van druppelzones C , F en H is op basis van asbest de veiligheidsklasse zwart , niet vluchtig van toepassing. Aanvullend is ter plaatse van druppelzones C en F op basis van het gehalte aan respirabele vezels ( > 10 mg/kg d. s. ) sprake van onaanvaardbare risico’s. De omvang van de verontreinigingen worden geraamd op 12 m 3 (deellcatie C) , 29 m 3 (deellcatie F) en 2 m 3 (deellcatie H). In het kader van de ontwikkeling zullen de verontreinigingen met asbest worden gesaneerd. Hiermee wordt de bodem geschikt gemaakt voor de beoogde ontwikkeling. Conclusie Kortom , vanuit het oogpunt van bodemkwaliteit bestaan er geen belemmeringen voor onderhavige ontwikkeling. 4. 2. 2

Akoestiek

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. Het betreft geluid door activiteiten (wegen , spoorwegen en industrieterreinen e. d. ) en specifieke activiteiten (windturbines e. d. ) Algemeen De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen , wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn: • • • • •

het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties; het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen; het bevorderen van bronmaatregelen; het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels: het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels.

Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5. 1. 4. 2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Toetsing plan Onderhavig initiatief betreft de het beëindigen van de intensieve veehouderij en het oprichten van een kleinschalig lasbedrijf (op ZZP-basis). Hiertoe worden de bedrijfsgebouwen en voorzieningen behorende bij de varkenshouderij gesloopt en wordt een loods van 700 m 2 opgericht ten behoeve van het lasbedrijf. Het oppervlakte te slopen bedrijfsgebouwen bedraagt circa 3. 935 m2. De bestaande bedrijfswoning blijft gehandhaafd. In het kader van het initiatief wordt geen nieuw geluidsgevoelig object toegevoegd en de bedrijfsomvang verkleint aanzienlijk. De ontwikkeling leidt dus tot een verlaging van de geluidsbelasting en vormt geen belemmering.

”

n e ds ue

H te 23 na a be dn az e

G

“

gin

wu o bre dn O e

jklie

t imu R

23

Conclusie Vanuit het aspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies. 4. 2. 3

Luchtkwaliteit

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect luchtkwaliteit. Algemeen De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5. 1. 4. 1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • • •

er is geen

sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;

Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering is het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging , is geen toetsing aan de Rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5. 53 en 5. 54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 12, ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1.

2.

Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren , woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5. 54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie , maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.

Als de 3% grens voor NO 2 en PM 10 niet wordt overschreden , is het plan NIBM en is geen verdere toetsing aan grenswaarden vereist. Op basis van de NIBM-tool draagt de ontwikkeling ‘in betekenende mate bij’ indien de ontwikkeling 1. 450 extra voertuigbewegingen per dag tot gevolg heeft. Toetsing plan In onderhavig plan is uitsluitend sprake van het beëindigen van een varkenshouderij en het oprichten van een kleinschalig lasbedrijf. Hiertoe worden de bedrijfsgebouwen en voorzieningen behorende bij de varkenshouderij gesloopt en wordt een loods van 700 m 2 opgericht ten behoeve van het lasbedrijf. Het oppervlakte te slopen bedrijfsgebouwen bedraagt circa 3. 935 m2. Als de 3% grens voor NO 2 en PM 10 niet wordt overschreden , is het plan NIBM en is geen verdere toetsing aan grenswaarden vereist. Op

”

n e ds ue

H te 23 na a be dn az e

G

“

gin

wu o bre dn O e

jklie

t imu R

24

basis van de NIBM-tool draagt de ontwikkeling ‘in betekenende mate bij’ indien de ontwikkeling 1. 450 extra voertuigbewegingen per dag tot gevolg heeft. Gelet op het aantal verkeersbewegingen zoals opgenomen in paragraaf 4. 3. 4 is er geen sprake van een toename van 1. 450 extra voertuigbewegingen per dag. Derhalve kan worden gesteld dat het plan ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de heersende luchtkwaliteit. Uitgaande van het worst-case scenario van onderhavig plan wordt de 3% grens niet overschreden. Het plan draagt dan ook ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de heersende luchtkwaliteit. Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5. 51 lid 2 en 3 Bkl. Gemeente Asten is gelegen in een aandachtsgebied voor fijnstof zoals opgenomen in artikel 5. 51 lid 3 van het Bkl. Indien een ontwikkeling leidt tot een verhoging van de concentratie fijnstof in de buitenlucht , moeten in een omgevingsplan bepaalde omgevingswaarden in acht genomen worden. Gezien in onderhavig geval sprake is van het staken van een intensieve veehouderij , zal sprake zijn van een afname van fijnstof en vormt het dus geen belemmering voor de ontwikkeling. Het levert juist een bijdrage aan de vermindering van fijnstofuitstoot in gemeente Asten.

Achtergrondwaarden Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5. 2 luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd , Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide , stikstofdioxide en stikstofoxiden , fijnstof , lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO)2 en fijnstof (PM 25 en PM)10 van belang. De geldende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof zijn in de navolgende tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht , met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning is , zoals akkerland en de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen. ,

”

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient bepaald te worden of de kwaliteit van de lucht ter plaatse goed genoeg is voor de realisatie van het bouwplan. Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu – RIVM) bedroeg de concentratie PM 25 in 2023 ter plaatse tussen 8 en 10 µg/m³ , de concentratie PM 10 tussen 16 en 18 µg/m³ en de concentratie NOtussen 2 10 en 15 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse ruimschoots voldoende. Daarnaast zal naar verwachting de luchtkwaliteit in de toekomst nog verder verbeteren door voortschrijdende technologie. ,

Conclusie Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies. Het voorgenomen initiatief is niet bezwaarlijk in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit het Bkl.

n e ds ue

H te 23 na a be dn az e

G

“

gin

wu o bre dn O e

jklie

t imu R

25

4. 2. 4

Externe veiligheid

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van branden , rampen of crises. Algemeen Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag , productie , gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5. 1. 2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5. 1. 2. 2 tot en met 5. 1. 2. 6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare , kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5. 6 tot en met artikel 5. 11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5. 7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5. 11 Bkl).

Voor het plaatsgebonden risico gelden , afhankelijk van de activiteit , vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5. 12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis , zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a , z. d. ). Aandachtsgebieden zijn er voor brand , explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen , zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5. 14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied , dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.

90 tot en met 4. 96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen , zoals scholen , kinderdagopvang , en verzorgingstehuizen , geldt altijd een voorschriftengebied , en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5. 14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen , bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning.

”

n e ds ue

H te 23 na a be dn az e

G

Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel: het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen , maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Specifieke situaties Bkl Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang:

“

gin

wu o bre dn O e

jklie

t imu R

26

• • • •

Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5. 1. 2. 3 Bkl; Veiligheid rond opslaan , herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5. 1. 2. 4 Bkl; Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5. 1. 2. 5 Bkl); Veiligheid rond luchthavens (par. 5. 1. 2. 6 Bkl).

Toetsing plan Er moet getoetst worden aan regels omtrent externe veiligheid wanneer sprake is van beperkt kwetsbare , kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Onderhavig initiatief het beëindigen van een varkenshouderij , het oprichten van een kleinschalig lasbedrijf (ZZP) en het handhaven van een bestaande bedrijfswoning. Hoewel de ontwikkeling geen beperkt kwetsbaar , kwetsbaar of zeer kwetsbaar gebouw mogelijk maakt , is voor de volledigheid toch getoetst of er in de nabije omgeving sprake is van risicofactoren in het kader van externe veiligheid.

”

Afbeelding 9 Uitsnede risicokaart met aanduiding projectgebied (rode pijl)

Inrichtingen Uit de risicokaart blijkt dat er in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen zijn gelegen , waarmee in het kader van de voorliggende ontwikkeling rekening mee dient te worden gehouden. De ligging van het plangebied ten opzichte van risicovolle activiteiten vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. Risicovoltransport over spoorwegen of water Uit de risicokaart blijkt dat er in de directe omgeving van het plangebied geen transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt over spoorwegen of water , dat een belemmering kan vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. De ligging van het projectgebied vormt derhalve geen belemmering.

n e ds ue

H te 23 na a be dn az e

G

“

gin

wu o bre dn O e

jklie

t imu R

27

Risicovol transport over wegen Uit de risicokaart blijkt dat er in de directe omgeving van het plangebied geen transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt over wegen , dat een belemmering kan vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. De ligging van het plangebied vormt derhalve geen belemmering. Risicovol transport door buisleidingen Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. In dat Besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op advies van de minister wordt bij de toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen al enkele jaren rekening gehouden met deze risicobenadering. Op grond van het Bevb dient bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het plaatsgebonden risico en de hoogte van het groepsrisico als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Op een afstand van circa 1. 400 meter ten westen van het plangebied is een buisleiding van Gasunie (Z540-01) gelegen. Overige buisleidingen zijn op grotere afstand gelegen. Uit de kaart blijkt dat de leidingen een plaatsgebonden risicocontour en brandaandachtsgebieden hebben. Vanwege de grote afstand , vormen deze contouren geen belemmeringen voor het voornemen.

Conclusie Vanuit het aspect externe veiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies. 4. 2. 5

Milieuzonering

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect milieuzonering. Algemeen De Omgevingswet zorgt voor een meer samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. In de Omgevingswet worden daardoor het ruimtelijk spoor en het milieuspoor verder geïntegreerd. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) , kan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties gerealiseerd worden. Het is aan de ene kant zaak om te voorkomen dat er hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen ontstaat en aan de andere kant dient aan bedrijven voldoende zekerheid te worden geboden dat zij niet in hun activiteiten worden beperkt door nieuwe gevoelige functies. Door middel van milieuzonering kan een kader worden vastgesteld voor de toelating van milieuhinderlijke activiteiten ten opzichte van gebieden waar wordt gewoond en waar andere milieugevoelige activiteiten aanwezig zijn. Milieuzonering maakt het mogelijk om de regels in het omgevingsplan op te nemen die voorzien in een rechtstreekse toelating van milieuhinderlijke activiteiten.

In aanvulling op de standaard gebiedsgerichte instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bal kan het omgevingsplan voorzien een extra set regels voor bedrijventerreinen en andere werkterreinen , in het bijzonder voor geluid en geur. Deze aanvullende regels vloeien voort uit de systematiek voor milieuzonering in de handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse gemeenten (VNG). De VNG heeft deze handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ in oktober 2024 opgesteld. Deze handreiking vervangt de veelgebruikte publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ uit 2009. Hoewel de basisprincipes van milieuzonering hetzelfde blijven , is de nieuwe handreiking wezenlijk anders dan de systematiek in de uitgave uit 2009. Zo wordt in de nieuwe systematiek niet meer getoetst aan de aspecten stofhinder en gevaar , maar enkel nog aan geluid en geur. Voor een aantal situaties en gebieden is de handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ niet aan de orde:

”

n e ds ue

H te 23 na a be dn az e

G

“

gin

wu o bre dn O e

jklie

t imu R

28

-

-

Industrieterreinen (geluid): In deze gebieden zijn vaak zwaardere industrieën gevestigd , daarom geldt hier op grond van het Bkl een aparte geluidregeling; Milieuhinderlijke activiteiten binnen een rustig woongebied; Milieuthema’s die al op een andere wijze geregeld zijn: o Luchtverontreiniging o Externe veiligheid en gevaar o Trillinghinder o Geur door agrarische activiteiten in het buitengebied Lichthinder en spuitzones o o De hinder door verkeer aantrekkende werking Zware activiteiten die niet direct worden toegelaten: het gaat hier bijvoorbeeld om het exploiteren van een IPPC-installatie of projecten waarvoor een mer-(beoordelings)plicht geldt met een omgevingsvergunningplicht voor een milieubelastende activiteit in de zin van het Bal.

Functiescheiding door uitwaartse en inwaartse zonering: Bij uitwaartse zonering wordt gezoneerd vanuit de milieuhinderlijke functies. Dit betekent dat er in een zone rondom het werkterrein milieugevoelige functies moeten worden geweerd. In het geval van inwaartse zonering vindt de zonering plaats vanuit de milieugevoelige activiteiten en daarbij zones met gebruiksruimte voor geluid en geur aan te houden per milieuhinderlijke (bedrijfs)activiteit: hoe groter de afstand tot de milieugevoelige functie , hoe groter de beschikbare milieugebruiksruimte voor geluid en geur kan zijn. Afhankelijk van de ligging van een activiteit ten opzichte van een zone , hebben milieuhinderlijke activiteiten meer of minder gebruiksruimte. In de nieuwe handreiking wordt uitgegaan van inwaartse zonering. Voortzetting onderscheid gemengd gebied met wonen en rustig woongebied Zoals gebruikelijk was in de ruimtelijke ordening onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro) , wordt ook onder de nieuwe systematiek onderscheid gemaakt tussen twee soorten woongebieden: gemengde gebieden met wonen en rustige woongebieden. Nabij een rustig woongebied wordt de beschikbare gebruiksruimte per activiteit lager gesteld dan nabij een gemengd gebied met wonen. Hierbij staat dus een extra bescherming van een rustig woongebied ten opzichte van gemengd gebied met wonen centraal.

Buitengebied Ook in het buitengebied komen activiteiten voor met gebruiksruimte voor geluid en geur. De systematiek in de handreiking kan ook in het buitengebied worden toegepast , met als kanttekening dat de in de handreiking beschreven waarden voor geur niet gelden voor agrarische activiteiten. ”

Opbouw in het omgevingsplan Voor het reguleren van onder meer geluid- en geurbelasting door milieuhinderlijke activiteiten kunnen door gemeenten drie elkaar aanvullende sets van regels in het nieuwe omgevingsplan worden opgenomen: algemene bepalingen , standaard (gebiedsgerichte) omgevingsplanregels en aanvullende gebiedsgerichte omgevingsplanregels. Voor het goed functioneren van de regelingen voor geluid en geur zijn in het omgevingsplan aanwijzingen nodig. Zo kan een gebied bijvoorbeeld aangewezen worden als ‘bedrijventerrein’ en worden de grenzen tussen ‘gemengd gebied met wonen’ en ‘rustig woongebied’ aangewezen. Ook kunnen zones worden opgenomen voor geur en geluid: basis – beperkt – verruimd.

n e ds ue

Deze nieuwe systematiek omvat geen koppeling meer van activiteiten aan milieucategorieën per SBIcode en de daarbij horende richtafstanden. ‘Activiteiten en milieuzonering’ stuurt strakker op de gewenste omgevingskwaliteit , omdat getoetst wordt aan concrete , juridisch bindende milieuwaarden voor geluid en geur.

gin

H te 23 na a be dn az e

G

“

wu o bre dn O e

jklie

t imu R

29

Geluid Voor aspect geluid wordt onderscheid gemaakt tussen een drietal zones met oplopende geluidsruimte. De milieucategorieën en richtafstanden VNG 2009 zijn voor geluid als volgt omgezet naar zones , waarden en afstanden: Tabel 1 VNG - aspect geluid in rustig woongebied

Tabel 2 VNG - aspect geluid in gemengd woongebied

”

n e ds ue

H te 23

Geur De milieucategorieën en richtafstanden VNG 2009 zijn voor geur zoals onderstaande tabel laat zien , omgezet naar zones , waarden en afstanden. Zoals eerder toegelicht valt , omdat een groot aantal thema’s al op een andere wijze afdoende gereguleerd is , geur door agrarische activiteiten niet onder deze toetsing.

na a be dn az e

G

“

gin

wu o bre dn O e

jklie

t imu R

30

Tabel 3 VNG - aspect geur in rustig en gemengd woongebied

Toetsing De beoogde ontwikkeling betreft een milieuhinderlijke functie. Echter , omdat gemeente Asten nog geen zone-indeling voor aspecten geur en geluid heeft gemaakt gezien de recente publicatie , kan de handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ nog niet gebruikt worden. Om in het kader van de beoordeling van een evenwichtige toedeling van functies toch de milieuzonering mee te kunnen nemen , wordt ervoor gekozen om het voornemen te toetsen aan de richtafstanden uit de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ uit 2009. Daarbij dient in dit geval uit te worden gegaan van het gebiedstype ‘rustig woongebied’ , aangezien de directe omgeving van het projectgebied wordt getypeerd als rustig landelijk gebied waarbij overwegend gras- en bouwland wordt afgewisseld met enkele (agrarische) bedrijfsactiviteiten en (bedrijfs)woningen. Het toekomstige gebruik als zijnde laswerkplaats komt in deze brochure het meest overeen met ‘smederijen , lasinrichtingen , bankwerkerijen < 200 m’2 (SBI-2008 , 225 , 331) met milieucategorie 3. 1 en een maximale richtafstand van 50 meter voor het aspect ‘geluid’. Gelet op het type activiteiten , de kleinschaligheid en het feit dat de laswerkzaamheden ook grotendeels op externe locaties plaatsvinden , komen de activiteiten meer overeen met categorie ‘aannemersbedrijven met werkplaats < 1.000 m’2 (SBI-2008 , 41 , 42 , 43).

Dit betreft een milieucategorie 2 met een maximale richtafstand van 30 meter voor het aspect ‘geluid’ , dat meer passend is bij de toekomstige activiteiten. Met onderhavig initiatief wordt de bestaande varkenshouderij beëindigd en wordt een kleinschalig lasbedrijfje (ZZP) gevestigd op locatie. Dit op zich leidt al tot een vermindering van de milieuhinder ter plaatse , nu voor het ‘Fokken en houden van varkens’ (SBI-2008 , 0146) in de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering wordt uitgegaan van de hogere milieucategorie 4. 1. Hierdoor leidt de omzetting op zich al tot een verbetering van het woon- en leefklimaat. Temeer , omdat het initiatief ook leidt tot een verkleining van het bouwvlak. Aldus kan geconcludeerd worden dat de omzetting van een varkenshouderij naar een laswerkplaats leidt tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De dichtstbijzijnde milieugevoelige functie betreft een burgerwoning ter plaatse van Gezandebaan 32. Het bestemmingsvlak ‘wonen’ is gelegen op ruim 50 meter van het bouwvlak van de planlocatie. De gevel van de beoogde loods is gelegen op ruim 90 meter. Met deze wijziging wordt de varkenshouderij beëindigd en het bouwvlak verkleind. Het levert dus geen negatieve effecten op ten aanzien van aspect milieuzonering.

”

n e ds ue

H te 23 na a be dn az e

G

“

gin

wu o bre dn O e

jklie

t imu R

31

In het kader van onderhavige ontwikkeling is belemmering van omliggende bedrijven niet aan de orde , aangezien er geen milieugevoelig object wordt gecreëerd. Conclusie Gelet op bovenstaande motivering en de richtafstanden zal op locatie derhalve sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat en zullen de bedrijfsvoeringen ter plaatse van omliggende bedrijven door onderhavige ontwikkeling niet belemmerd worden in haar ontwikkelingsmogelijkheden. 4. 2. 6

Geurhinder

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geur.

Algemeen Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels aan geurbelasting. Een onderdeel van het tijdelijke Omgevingsplan is ook de gemeentelijke geurverordening , hierin kan worden afgeweken van de standaardnorm. Indien van toepassing dient deze te worden meegenomen in de motivering. Deze instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen , onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. In artikel 5. 91 Bkl worden de geurgevoelige gebouwen aangewezen die in ieder geval beschermd moeten worden. Specifieke beoordelingsregels voor geur voor de milieubelastende activiteit staan in artikel 8. 20 Bkl. Op industrie- en bedrijventerreinen kunnen bedrijfsmatige activiteiten voorkomen die geurhinder veroorzaken. Die activiteiten zijn dan zelf een relevante geurbron. Gemeenten hebben de mogelijkheid om in hun omgevingsplan eigen geurregels te formuleren. Weliswaar dienen de instructieregels uit het Bkl (artikel 5. 90 tot en met 5. 127 Bkl) wel te worden gevolgd. Het bevoegd gezag bepaalt hierbij zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt.

De vergunningverlener moet dus bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Veehouderijen In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5. 1. 4. 6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over geurnormen in het omgevingsplan , rekenen , afstandseisen en randvoorwaarden.

”

n e ds ue

H te 23 na a be dn az e

G

“

gin

wu o bre dn O e

jklie

t imu R

32

Tabel 4: Normen voor geur bij het houden van landbouwhuisdieren met een geuremissiefactor.

Voor landbouwhuisdieren geldt een afstand van 50 meter buiten de bebouwde kom en een afstand van 100 meter. In het Omgevingsplan wordt onderscheid gemaakt tussen de waarden voor geur die van toepassing zijn binnen en buiten de bebouwingscontour. Deze contour wordt op termijn geometrisch begrensd in het Omgevingsplan. Toetsing plan In onderhavig plan is sprake van de beëindiging van een varkenshouderij en de oprichting van een kleinschalig lasbedrijf. Het plan leidt niet tot de oprichting van een (nieuw) geurgevoelig gebouw. De gemeente beschikt nog niet over een omgevingsplan waarin de instructieregels uit het Bkl met betrekking tot geur zijn verwerkt. Daardoor gelden de geurnormen uit de bruidsschat (zie paragraaf 22. 3. 6 van het “Omgevingsplan gemeente Asten”). In tegenstelling tot de vergunde situatie worden in de toekomstige situatie geen dieren meer gehouden met een emissiefactor. Het bedrijfsmatig houden van landbouwhuisdieren wordt zelfs helemaal uitgesloten , door deelname aan de LBV+ regeling , wat ertoe leidt dat de geursituatie ter plaatse aanzienlijk verbetert. Het zal ook resulteren in een verminderde geurhinder op omliggende geurgevoelige locaties. De oprichting van een lasbedrijf veroorzaakt geen geuroverlast. Al met al zal daarom een aanvaardbaar woon- en leefklimaat geborgd kunnen worden bij omliggende geurgevoelige locaties.

”

n e ds ue

H te 23 na a be dn az e

G

“

gin

wu o bre dn O e

jklie

t imu R

33

Conclusie Gelet op bovenstaande motivering zal op locatie derhalve sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat en zullen de bedrijfsvoeringen ter plaatse van omliggende bedrijven door onderhavige ontwikkeling niet belemmerd worden in haar ontwikkelingsmogelijkheden. 4. 2. 7 Trillingen In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Algemeen Trillingen kunnen optreden als gevolg van met name spoorwegverkeer. In sommige gevallen kunnen trillingen leiden tot hinder of schade aan gebouwen. Om trillinghinder en schade te voorkomen dient dit aspect onderzocht te worden bij ontwikkelingen binnen 200 meter van een spoorweg. Paragraaf 5. 1. 4. 4 van het Bkl is op hoofdlijnen van toepassing op het toelaten op een locatie van een activiteit , anders dan het wonen , die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaakt in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw , dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan. En op het toelaten van een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een activiteit , anders dan het wonen , die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan. Onder andere binnen gebouwen toegelaten woonruimten zijn trillinggevoelig.

Toetsing plan Het projectgebied is niet gelegen binnen gebied waarbij trillingen aan de orde zijn. Conclusie Het aspect trillingen vormt geen belemmeringen in het kader van de voorgenomen ontwikkeling. 4. 2. 8 Gezondheid In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Algemeen Conform artikel 1. 3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. Toetsing Handreiking Veehouderij en volksgezondheid 2. 0 Het bestuurlijk Platform Omgevingsrecht (BPO) heeft een Notitie handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid opgesteld (25 november 2016).

Deze notitie bevat als hulpmiddel voor bevoegde gezagen een systematiek om de endotoxineblootstelling van omwonenden van veehouderijen te beoordelen en helpt bevoegde gezagen om vergunningaanvragen te toetsen aan de adviesgrenswaarde van 30 EU/m 3 endotoxinen. De volgende uitgangspunten worden in de notitie gehanteerd: • Uit voorzorg voorkomen dat door nieuwe aanvragen de endotoxine advieswaarde wordt overschreden en daar waar deze al overschreden wordt voorkomen dat de overschrijding toeneemt; •

Bedrijfsontwikkeling op alle varkens- en pluimveehouderijen die leiden tot een hogere (fijnstof)emissie kunnen gevolg hebben dat nieuwe overschrijdingen ontstaan of bestaande overschrijdingen worden vergroot;

”

n e ds ue

H te 23 na a be dn az e

G

“

gin

wu o bre dn O e

jklie

t imu R

34

•

• •

•

Bedrijfsontwikkeling in een veedicht gebied kunnen als gevolg van cumulatie van de endotoxine uitstoot tot gevolg hebben dat nieuwe overschrijdingen ontstaan of bestaande overschrijdingen worden vergroot; Andere veehouderijsectoren emitteren relatief weinig fijnstof en de bijdrage aan een mogelijke overschrijding van de adviesgrenswaarde door cumulatie is beperkt; Een grote mate van overschrijding van de endotoxine advieswaarde , individueel danwel door cumulatie in een gebied , kan reden zijn om na te denken over een vermindering van fijnstofendotoxine emissie van de veehouderij; Voorzorg in het belang van de gezondheid van omwonenden is de drijfveer voor deze notitie.

In onderhavig plan is sprake van een omzetting van een varkenshouderij naar kleinschalig lasbedrijf. Het plan leidt niet tot de oprichting van een (nieuw) gevoelig gebouw. Door de omzetting is er geen uitstoot meer van fijnstof vanwege het houden van dieren (zie paragraaf 4.2.3) , hetgeen een zeer positieve uitwerking heeft op de luchtkwaliteit. Aangezien endotoxinen voorkomen in het fijnstof van veehouderijen , draagt het plan dus bij aan gezonde fysieke leefomgeving. Spuitzones Bij boom- en fruitteelt worden vaak gewasbeschermingsmiddelen gebruikt. Deze middelen kunnen een gevaar opleveren voor de volksgezondheid. Als gevolg van de wind kunnen gewasbeschermingsmiddelen verwaaien. Dit wordt drift genoemd. Om te voorkomen dat derden als gevolg van drift in aanraking komen met gewasbeschermingsmiddelen wordt een spuitzone van 50 meter gehanteerd. Het plan voorziet niet in de oprichting van een gevoelige functie waar mensen langdurig verblijven en daarmee een grotere kans lopen op blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen. Tevens leidt het plan niet tot een uitbreiding van de bestaande bouwmogelijkheden , waardoor geen bebouwing dichter bij spuitzones mogelijk wordt gemaakt.

Hoogspanningsleidingen In de nabijheid van onderhavige ontwikkeling zijn geen hoogspanningsleidingen gelegen met een bestemmingsplanplichtige beschermingszone die van invloed zou kunnen zijn op de voorgenomen ontwikkeling. Conclusie Vanuit aspect gezondheid bestaan er geen belemmeringen voor het planvoornemen 4. 2. 9

Duurzaamheid ”

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect duurzaamheid. Algemeen Uit de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet vloeit voort dat deze onder meer is gericht op een duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in , dat de wet voorziet in een ontwikkeling van de fysieke leefomgeving die tegemoet komt aan de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen. Duurzame ontwikkeling is een breed begrip waar een veelheid aan onderwerpen onder kan vallen , zoals energietransitie en klimaatadaptatie. In de Nationale Omgevingsvisie is ‘ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie’ als prioriteit opgenomen. Daarnaast vallen onder het begrip duurzaamheid ook onderwerpen als mobiliteit , duurzaam bouwen en biodiversiteit. Het beleid ten aanzien van energietransitie en klimaatadaptatie vloeit voort uit nationale programma's die vervolgens regionaal uitgewerkt (Regionale Nationale zijn Energiestrategie , Klimaatadaptatiestrategie). De doelstellingen die hieruit voortvloeien zijn vervolgens integraal

n e ds ue

H te 23 na a be dn az e

G

“

gin

wu o bre dn O e

jklie

t imu R

35

in het gemeentelijk beleid. Dit is weer uitgewerkt in programma's. In het Omgevingsplan zijn de beleidsdoelstellingen voorzover noodzakelijk vanuit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties uitgewerkt in juridisch bindende regels. opgenomen

Toetsing plan Door de realisatie van het plan vindt er een sanering van een veehouderijbedrijf plaats , waarvoor in de plaats een landschappelijk ingepast en moderne loods komt. Dit gaat gepaard met een verbetering van de omgevingskwaliteit ter plaatse , omdat de omschakeling naar een kleinschalig lasbedrijf leidt tot minder milieubelasting dan in de huidige situatie vergund en toegestaan is. Initiatiefnemer draagt met de toekomstige inrichting van het erf in algemene zin bij aan duurzaamheid , door onder andere het materiaal gebruik en het bouwen conform (B)ENG. Daarnaast is het project een stedenbouwkundige en ruimtelijke verbetering. Conclusie Vanuit het aspect duurzaamheid is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4. 2. 10 Klimaat In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect klimaat. Algemeen Om invulling te geven aan de in de Nationale Omgevingsvisie beschreven prioriteit ‘Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie’ dient bij de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c. q. aan activiteiten rekening te worden gehouden met maatregelen ten aanzien van klimaatadaptatie. Onder klimaatadaptatie wordt verstaan: het tijdig en effectief aanpassen aan het actuele of verwachte klimaat.

Daardoor kan schade door klimaatverandering beperkt worden. Voor klimaatadaptatie is het belangrijk om integraal te werken en meekoppelkansen met andere ruimtelijke ontwikkelingen te benutten. Er zijn veel mogelijkheden om de aanpak en maatregelen uit de verschillende transities te combineren. Hierbij kan gedacht worden aan waterberging in natuurgebieden , groen in de stad en vermindering van hitte in de bebouwde omgeving. Toelichting In onderhavig plan is sprake van het saneren van een bestaande varkenshouderij , hiermee wordt de milieusituatie verbeterd en de uitstoot aanzienlijk verbeterd , wat het klimaat ten goede komt. Middels uitvoering van het landschappelijk inpassingsplan wordt de biodiversiteit vergroot en het bouwvlak wordt verkleind. Bovendien wordt het bedrijfsmatig houden van landbouwhuisdieren in lijn met deelname aan de LBV+ regeling uitgesloten. Het plan houdt bovendien rekening met het klimaat door onder andere het materiaalgebruik en het bouwen conform (B)ENG. Daarnaast is het project een stedenbouwkundige en ruimtelijke verbetering. Het plan is te kleinschalig om bij te dragen aan een beter klimaat , maar is op microniveau een verbetering. Conclusie Vanuit het aspect klimaatadaptatie is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

”

n e ds ue

H te 23 na a be dn az e

G

“

gin

wu o bre dn O e

jklie

t imu R

36

4. 3

Fysieke aspecten

4. 3. 1 Cultureel erfgoed In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activiteit aanwezig cultureel erfgoed en werelderfgoed. Dit wordt onderverdeeld in de aspecten ‘Archeologie’ en ‘Cultuurhistorie’. 4. 3. 1. 1

Archeologie

Algemeen Voor archeologie geldt de nationale wetgeving die afkomstig is uit Europees beleid. Het Verdrag van Valletta (ofwel: 'Verdrag van Malta') regelt hoe er omgegaan moet worden met het Europees archeologisch erfgoed. Nederland heeft het verdrag in 1992 mede ondertekend. De uitgangspunten van dit Europese verdrag zijn in de Nederlandse wet- en regelgeving verankerd door middel van de Omgevingswet. De archeologische en aardkundige waarden in het landelijk gebied van de gemeente Asten zijn geïnventariseerd door het bureau ArchAeO (ArchAeO-Rapport 1005). In de ‘Nota Archeologiebeleid gemeente Asten’ worden de beleidsuitgangspunten en de achtergronden beschreven. Daarnaast is een instrumentarium geleverd dat dient ter implementatie van het beleid. Ter onderbouwing van het beleid is onderzoek gedaan naar de archeologische waarden binnen de gemeente. De archeologische waardes zijn ingedeeld in 7 categorieën. In ‘Bestemmingsplan Buitengebied Asten 2016 is de archeologische waardenverdeling opgenomen in de verbeelding. Binnen het grondgebied van de gemeente zijn enkele terreinen met een monumentale status aanwezig en bevinden zich een aantal terreinen met een al bekende (hoge) archeologische waarde. Toetsing plan In het ‘Bestemmingsplan Buitengebied Asten 2016’ is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ opgenomen voor een gedeelte van het projectgebied.

Voor deze gronden geldt een onderzoeksplicht bij een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm of een verstoringsoppervlakte van meer dan 2. 500 m². In onderhavig plan is uitsluitend sprake van het verwijderen van bebouwing en voorzieningen behorende tot een varkenshouderij en het oprichten van een loods (700 m)2 ten behoeve van een kleinschalig lasbedrijf. De sloop van de bebouwing (en ook mestkelders) behorende bij de varkenshouderij , vindt plaats op reeds geroerde grond. De op te richten loods wordt gerealiseerd boven op maaiveld en (deels) ter plaatse van reeds geroerde grond behorende tot de varkenshouderij. De geplande verstoringen in het gebied zijn dus kleiner dan de gestelde oppervlakte van 2. 500 m². Bovendien worden de verstoringen gerealiseerd op plekken die op dit moment al verstoord zijn. Een archeologisch onderzoek is hierdoor niet verplicht volgens het gemeentelijk beleid. Conclusie Vanuit het sub aspect archeologie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies. 4. 3. 1. 2

Cultuurhistorie

Algemeen In de Omgevingswet wordt cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving als volgt afgebakend: ‘monumenten , archeologische monumenten , stads- en dorpsgezichten , cultuurlandschappen en , voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het Omgevingsplan , ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1. 1 van de Erfgoedwet'. Onder 'ander cultureel erfgoed’ gaat het zowel om roerend erfgoed (‘cultuurgoederen’) als om immaterieel cultureel erfgoed voor zover dat aan een specifieke plek gebonden is.

”

n e ds ue

H te 23 na a be dn az e

G

“

gin

wu o bre dn O e

jklie

t imu R

37

De gemeente moet voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime opnemen in het Omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving staan hiervoor instructieregels (artikel 5. 130 lid 2 Bkl). Deze regels gaan over: •

ontsiering ,

beschadiging

of

sloop

van

beschermde

monumenten

of

archeologische

monumenten; • • • • •

verplaatsing van beschermde monumenten; gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; aantasting van de omgeving van een beschermd monument; aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.

Afbeelding 10 Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart met globale aanduiding projectgebied (rood omlijnd)

”

n e ds ue

H te 23 na a be dn az e

G

“

gin

wu o bre dn O e

jklie

t imu R

38

Toetsing plan Op de cultuurhistorische waardenkaart van de Provincie Noord-Brabant (zie voorgaande afbeelding) is te zien dat ter plaatse geen cultuurhistorische elementen , noch zijn er andere cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Het plan voorziet in sloop van bestaande , deels verouderde , bedrijfsbebouwing waarvoor moderne bedrijfsbebouwing in de plaats komt en die landschappelijk ingepast wordt. Zoals in paragraaf 2. 4 reeds is aangegeven , draagt het plan op deze manier juist bij aan de kwaliteitsverbetering van het landschap. Conclusie Vanuit het sub aspect cultuurhistorie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies. 4. 3. 2

Ecologie

Algemeen Natuurwetgeving Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000gebieden , regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen , te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw , Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2. 43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten , plannen en activiteiten , afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten , mogelijkerwijs significante effecten optreden , dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld.

Natura 2000-gebieden hebben een externe werking , zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken , moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. In afdeling 8. 6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang , die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen , als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving , maar ook van fysieke maatregelen die bescherming , vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2. 18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Toetsing plan Gebiedsbescherming Het projectgebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000gebied.

Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied betreft ‘Groote Peel’ ligt op 17, km ten zuidoosten van het projectgebied. Ter impressie zie navolgende afbeelding.

”

n e ds ue

H te 23 na a be dn az e

G

“

gin

wu o bre dn O e

jklie

t imu R

39

Afbeelding 11 Ligging projectgebied (pijl) t. o. v. Natura 2000-gebieden

Gelet op de afstand , de aard en omvang van het voornemen zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht en trillingen uitgesloten. Gelet op de aard en omvang van de toekomstige activiteiten wordt de stikstofuitstoot in relatie tot de huidige situatie aanzienlijk verminderd. Er is immers sprake van het saneren van een intensief varkensbedrijf en het oprichten van een kleinschalig lasbedrijf. Om de stikstofeffecten van het plan op Natura 2000-gebieden in beeld te brengen , zijn berekeningen uitgevoerd met het programma AERIUS-Calculator. De onderzoeksresultaten zijn bijgevoegd in bijlage 5. Uit de berekening volgt dat het planvoornemen niet leidt tot een negatief effect op omliggende Natura 2000-gebieden. Gezien de onderzoeksresultaten ten aanzien van stikstofdepositie , worden geen belemmeringen verwacht. Natuurnetwerk Nederland De Witte Bergen , direct ten noorden van het plangebied , is aangeduid als Natuurnetwerk Nederland (NNN). Met het planvoornemen worden geen activiteiten uitgevoerd die een negatieve invloed zouden kunnen hebben op het Natuurnetwerk. Dit aspect vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Beschermde houtopstanden Binnen het projectgebied zijn geen beschermde houtopstanden gelegen. Daarnaast heeft het voornemen geen negatieve invloed op omliggende beschermde houtopstanden.

Een toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming is in dit voornemen dan ook niet aan de orde. Soortenbescherming Het plan ziet toe op de sloop van bestaande bedrijfsgebouwen en de bouw van nieuwe bedrijfsbebouwing. Om zekerheid te krijgen dat dit niet leidt tot aantasting van beschermde flora en fauna is een ecologische quickscan uitgevoerd (zie bijlage 6). Daaruit volgt dat er geen effecten met werkzaamheden te verwachten zijn die van negatieve invloed zijn op de mogelijk aanwezige beschermde soorten en hun functioneel leefgebied. Wel dient ten alle tijden de algemene zorgplicht in acht worden genomen.

”

n e ds ue

H te 23 na a be dn az e

G

“

gin

wu o bre dn O e

jklie

t imu R

40

Conclusie Vanuit het aspect ecologie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies. 4. 3. 3

Water en watersystemen

In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundige systeem in het projectgebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Algemeen Sinds 1 november 2003 was het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Vanaf 1 januari 2024 , tegelijkertijd met de inwerkingtreding van de Omgevingswet , is de oude term ‘watertoets’ overgegaan in ‘weging van het waterbelang’. Op 27 december 2023 heeft Waterschap Aa en Maas een handreiking opgesteld , die men kan naslaan bij initiatieven in de fysieke leefomgeving waarin waterbelang aan de orde is. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod , naar aanleiding van wat de handreiking voorschrijft: beschrijving waterrelevant beleid en beschrijving kenmerken van de ruimtelijke kenmerken ter plaatse van het projectgebied. De weging van het waterbelang is als instructieregel voor overheden vastgelegd in het Bkl en luidt: “in een omgevingsplan wordt rekening gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen en daarbij worden de opvattingen van de waterbeheerder betrokken. ” Beleidskader EU- en Rijksniveau De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht.

De KRW heeft als doel om te komen tot schone , ecologisch gezonde stroomgebieden , waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven middels de Waterwet , die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet gaat grotendeels op in de Omgevingswet. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven. Provincie Noord-Brabant Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens , dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Het belangrijkste gezamenlijke punt uit de Europese , landelijke en provinciale beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening.

De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: vasthouden – bergen – afvoeren (waterkwantiteit); voorkomen – scheiden – zuiveren (waterkwaliteit). Het Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) is het onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven met in Nederland , samen het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma’s van de waterschappen. Het RWP is op 22 december 2021 in werking getreden en is de opvolger van het Provinciaal Milieu en Waterplan. Het geeft opvolging aan de doelen die op Europees- en rijksniveau zijn gesteld. Doel van het RWP is: een klimaat adaptief Brabant met veilig , schoon en voldoende water en een vitale bodem. Kort gezegd richt het RWP zich op zeven principes , die moeten leiden tot een klimaatbestendig en veerkrachtig water- en bodemsysteem:

”

n e ds ue

H te 23 na a be dn az e

G

“

gin

wu o bre dn O e

jklie

t imu R

41

1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

Watervoorraad in balans Elke druppel telt Niet alles kan overal Brabant is in straat extreme weersituaties op te vangen Bescherming van water- en bodemkwaliteit Gebruikers zijn maximaal verantwoordelijk Circulair denken en doen

Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie in het RWP stelt. Het RWP is enkel voor de provincie Noord-Brabant zelf bindend. Voor wat betreft het projectgebied geldt dat het gebied niet is gelegen in een waterwingebied , grondwaterbeschermingsgebied , regionale waterberging danwel reservering waterberging. Zoals opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening is de waterhuishoudkundige norm ‘Wateroverlast buiten Stedelijk gebied’ toegewezen op locatie. Waterschap Aa en Maas - Waterbeheerplan 2022-2027 Het plan omschrijft de koers en de ambities van het waterschap voor de periode 2022-2027. Het waterschap streeft naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet en een waterhuishouding die robuust , wendbaar en in balans met de omgeving is. De toekomstbestendige waterhuishouding wordt vormgegeven door drie richtinggevende principes: 1. 2.

3.

Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt; agrarische bedrijven hebben de bodem op orde om maximaal te kunnen infiltreren en zij maken , boven of onder de grond , ruimte voor berging van al het ‘eigen water’. Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan: agrarische bedrijven passen hun grondgebruik op termijn aan op de lokale bodem- en watercondities. Zij maken in hun bedrijfsvoering keuzes inclusief risico’s om in extremere weersomstandigheden een duurzame toekomst te hebben. Het waterschap ondersteunt hen in dit veranderingsproces. Wat schoon is moet schoon blijven: agrarische percelen mogen geen negatief effect hebben op de waterkwaliteit van het oppervlaktewater en het grondwater.

In de Waterschapsverordening is bepaald bij welke ontwikkelingen mitigerende maatregen getroffen moeten worden. Deze mitigerende maatregelen kunnen onder andere bestaan uit het treffen van een retentievoorziening. De Keur van Waterschap Aa en Maas schrijft voor dat voor een toename van minder dan 500 m² verhard oppervlak geen mitigerende maatregelen nodig zijn. Deze mitigerende maatregelen zijn altijd van toepassing bij elke toename van het verhard oppervlak , indien de locatie is gelegen in een keurbeschermingsgebied of attentiegebied. Voor een nadere onderbouwing zie navolgende sub paragraaf ‘kenmerken van het watersysteem en toetsing wateraspecten’. Gemeentelijk Rioleringsplan Asten 2021-2025 Een Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) beschrijft , op hoofdlijnen hoe de gemeente invulling geeft aan de rioleringszorg. Hoewel dit GRP nog van toepassing is op deze aanvraag , is met de inwerkingtreding van de Omgevingswet de wettelijke verplichting van een GRP komen te vervallen. Het betreft een visie en strategie voor de lange termijn. Hiermee waarborgt de gemeente de continuïteit van de rioleringszorg. Het GRP geeft invulling aan de gemeentelijke zorgtaken ten aanzien van afvalwater , hemelwater en grondwater. Daarnaast is invulling gegeven aan de doelen ten aanzien van de klimaatopgave , bescherming van de volksgezondheid en de waterkwaliteit.

Het GRP heeft een geldigheidsduur van vijf jaar van 2021 tot met 2025.

”

n e ds ue

H te 23 na a be dn az e

G

“

gin

wu o bre dn O e

jklie

t imu R

42

In het GRP zijn een aantal speerpunten opgenomen: 1 2 3 4 5 6 7 8 9

Duurzame waterketen Klimaatbestendige waterketen Grondwaterhuishouding in balans Klimaatbestendig watersysteem Schoon en gezond water Water als ordenend principe Beleefbaar water Verder professionaliseren watertaken Samen werken aan water

Om de strategie bij speerpunt 2 ‘Klimaatbestendige waterketen’ te concretiseren is een handreiking hemelwaterbeleid opgesteld. De handreiking geeft duidelijkheid over te hanteren normen ten aanzien van waterberging. In de handreiking zijn vijf categorieën opgenomen: 1. 2. 3.

4. 5.

Bij bestaande bebouwing waar niet verandert , wordt geen extra waterberging geëist , ook niet als een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk is vanwege een functiewijziging. In het buitengebied geldt een algeheel verbod om hemelwater af te voeren op de drukriolering. Bij nieuwbouw (uitbreiding , inbreiding en bijgebouwen > 40 m)2 , herbouw , aanbouwing van 90 m 2 of meer , gelden ook eisen met betrekking tot hemelwateropvang. Voor nieuwbouw van gebouwen , parkeerplaatsen en andere verhardingen vereist de gemeente een waterbergingsvoorziening van 60 mm per vierkante meter verhard oppervlak. Voor herbouw , het oppakken van bestaand verhard oppervlak en opnieuw terugplaatsen , geldt dezelfde eis. Bij verbouw , aanbouw (tot 90 m)2 , vrijstaande bijgebouwen (tot 40 m)2 bij bestaande gebouwen en woonunits op locaties , is sprake van enige flexibiliteit om ruimte voor wateropvang te creëren. De gemeente stimuleert in deze gevallen een duurzame omgang met water. Bij rioolverzwaring of rioolvervanging legt de gemeente een separaat hemelwaterriool aan of wordt het hemelwater ter plaatse geborgen en geïnfiltreerd of geloosd op oppervlaktewater.

Toetsing Kenmerken van het watersysteem en toetsing wateraspecten De kenmerken van de watersystemen , zoals die voorkomen in het projectgebied (en omgeving) , kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: beschermde gebieden , bodem en grondwater , oppervlaktewater , hemel- en afvalwater. Beschermde gebieden Het projectgebied is op basis van de Waterschapsverordening gelegen in een ‘attentiegebied’ en wordt in de Omgevingsverordening van Noord-Brabant aangeduid als ‘Attentiezone waterhuishouding’ (zie ook paragraaf 3. 3. 2). In dien er sprake is van élke toename van verhard oppervlak , dienen mitigerende maatregelen uitgevoerd te worden. Hoewel hier geen sprake is van toename van verhard oppervlak , worden op basis van het gemeentelijk rioleringsplan toch mitigerende maatregelen verwacht. Deze worden besproken onder ‘hemelwater’. Bodem en Grondwater Op de planlocatie zijn geen gevallen van (grond)wateroverlast bekend. Derhalve mag worden aangenomen dat er ter plaatse van de planlocatie sprake is van een voldoende diep gelegen grondwaterspiegel. Het projectgebied ligt niet in een grondwaterbeschermingsen/of grondwaterwingebied. Binnen het projectgebied vindt geen grondwateronttrekking plaats.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Asten&id=2508235e-f5bd-4cd9-a4ad-671bf37e5675