Bijlage 1 - Werkset Omgevingsplan Asten
Tekst van het document
55/331
Artikel 5.6 Bouwwerk vergunningvrij veranderen
Een bouwwerk mag worden veranderd zonder omgevingsvergunning als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. het betreft een inpandige verbouwing en/of de bouw van ondergeschikte bouwdelen; b. er vindt geen wijziging van de voorgevel of de naar openbaar gebied gekeerde zijgevel plaats; c. er is geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte; en d. er is geen uitbreiding van het bouwvolume.
Artikel 5.7 Inperkingen vergunningvrij bouwen vanwege cultureel erfgoed
Lid 1
Voor bouwwerkzaamheden in gebieden met rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten is bouwen niet toegestaan zonder omgevingsvergunning monumenten.
Lid 2
In afwijking van de regels in deze paragraaf zijn bouwwerkzaamheden in gebieden met beeldbepalende panden niet toegestaan zonder omgevingsvergunning.
Artikel 5.8 Inperkingen vergunningvrij bouwen vanwege externe veiligheid
Vergunningvrij bouwen zoals omschreven in dit hoofdstuk is niet toegestaan a. in brandvoorschrift- en explosievoorschriftgebieden zoals aangewezen in hoofdstuk 3 van dit omgevingsplan; b. op een locatie binnen een afstand als bedoeld in: 1. artikel 4.421, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, van dat artikel van toepassing is; 2. artikel 4.472c, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 3. artikel 4.484, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 4. artikel 4.524, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is; 5. artikel 4.532, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 6. artikel 4.542, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 7. artikel 4.866, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is; 8.
artikel 4.899, eerste lid, onder b, of derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 9. artikel 4.905, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is; 10. artikel 4.914, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 11. artikel 4.962, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 12. artikel 4.1008, eerste lid, onder b, of tweede lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, het tweede lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is; of 13. artikel 4.1101, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is.
Artikel 5.9 Inperking vergunningvrij bouwen bij ontbreken vereiste omgevingsvergunning
Het is verboden zonder een omgevingsvergunning een activiteit te verrichten, wanneer die activiteit wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.
Paragraaf 5.1.4 Beoordelingsregels en vergunningvoorschriften
Artikel 5.10 Algemene beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van artikel 4.3, artikel 4.4 en artikel 4.37;
56/331
b. indien van toepassing tevens wordt voldaan aan aanvullende en specifieke beoordelingsregels uit hoofdstuk 5.
Artikel 5.11 Aanvullende beoordelingsregel parkeerplaatsen
Lid 1
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.3 wordt alleen verleend als wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid, zoals opgenomen in de 'Nota Parkeernormen Asten'.
Lid 2
Als de onder lid 1 genoemde beleidsregel wordt gewijzigd, wordt aan de hand van de nieuwe beleidsregel bepaald of sprake is van voldoende parkeergelegenheid.
Artikel 5.12 Aanvullende beoordelingsregels uiterlijk bouwwerken
Lid 1
Een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactivitit bouwen als bedoeld in artikel 5.3 wordt alleen verleend als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk is, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; b. vooraf is advies ingewonnen bij de gemeentelijk cultuurhistorisch adviseur en/of commissie ruimtelijke kwaliteit waaruit blijkt dat met het bouwen van het bouwwerk wordt voldaan aan de onder b bedoelde criteria van de welstandsnota.
Lid 2
Het bepaalde in het eerste lid aanhef en onder b is niet van toepassing als: a. het gaat om een welstandsvrij gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; of b. het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, toch moet worden verleend.
Artikel 5.13 Aanvullende beoordelingsregels bodemgevoelig gebouw bouwen op bodemgevoelige locatie
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.3 welke betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw bouwen op een bodemgevoelige locatie, wordt alleen verleend als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de toelaatbare kwaliteit van de bodem, zoals benoemd in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving als interventiewaarde bodemkwaliteit, wordt niet overschreden; of b. bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit. Het zinsdeel «in meer dan 25 m3 bodemvolume» is niet van toepassing voor zover het gaat om aanwezigheid van asbest.
Artikel 5.14 Voorschrift omgevingsvergunning bodemgevoelig gebouw bouwen op bodemgevoelige locatie
Aan een omgevingsvergunning voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, die is verleend met toepassing van artikel 5.13, wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat het gebouw, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik wordt genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop er een of meer sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen als bedoeld in artikel 5.13.
Paragraaf 5.1.5 Algemene regels verboden bouwactiviteiten
57/331
Artikel 5.15 Verboden bouwactiviteiten
Lid 1
Bouwen is niet toegestaan: a. als dit niet is toegestaan op basis van de regels over gebruik in hoofdstuk 4; b. niet wordt voldaan aan de regels uit hoofdstuk 5; c. niet wordt voldaan aan de regels uit hoofdstuk 6; d. niet wordt voldaan aan de van toepassing zijnde regels uit hoofdstuk 22.
Lid 2
Het bouwen van een bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding daarvan, is niet toegestaan bij: a. een hoofdgebouw dat op grond van een omgevingsvergunning slechts tijdelijk is toegestaan; en b. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden.
Paragraaf 5.1.6 Algemene regels meldingplichtige bouwactiviteiten
Artikel 5.16 Meldplicht vergunningvrij bodemgevoelig gebouw bouwen
Lid 1
Het is verboden een vergunningvrij bodemgevoelig gebouw te bouwen op een bodemgevoelige locatie zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden bij het bevoegd gezag.
Lid 2
Een melding wordt ondertekend en bevat ten minste: a. de naam en het adres van degene die de bouwactiviteit verricht; b. het adres waarop de bouwactiviteit wordt verricht; c. de dagtekening; d. een voorafgaand bodemonderzoek zoals bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; e. bij overschrijding van een waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem, zoals bedoeld in artikel 5.100, eerste lid aanhef en onderdeel c: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen; f. de resultaten van een bodemonderzoek die ook worden verstrekt in het bestandsformat XML. Het XML bestand voldoet aan de meest actuele versie van de standaard SIKB0101 en de Basisdataset onderzoeksgegevens.
Lid 3
Dit artikel is niet van toepassing als voor de bouwactiviteit op grond van dit omgevingsplan een omgevingsvergunning moet worden aangevraagd.
Afdeling 5.2 Hoofdgebouw en bedrijfsgebouwen bouwen, veranderen of uitbreiden
Paragraaf 5.2.1 Algemeen
Artikel 5.17 Waar gaat deze afdeling over?
Deze afdeling gaat over het bouwen, veranderen en uitbreiden van hoofdgebouwen.
Paragraaf 5.2.2 Hoofdgebouwen en bedrijfsgebouwen
58/331
Subparagraaf 5.2.2.1 Algemene regels
Artikel 5.18 Algemene regels bouwen van een hoofdgebouw of bedrijfsgebouw
Lid 1
Een hoofdgebouw en bedrijfsgebouw is uitsluitend toegestaan ter plaatse van een Bouwvlak.
Lid 2
Een bouwvlak mag 100% worden bebouwd, tenzij een ander bebouwingspercentage is aangegeven als omgevingsgnorm 'Afwijkend bebouwingspercentage'.
Lid 3
De goothoogte mag niet meer bedragen dan 6,5 m, tenzij met de omgevingsnorm 'Maximum goothoogte' een andere maximale goothoogte is aangegeven op de kaart. Bij het bepalen van de goothoogte dient minimaal 75% van de totale gootlengte te voldoen aan de goothoogte.
Lid 4
De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 11,5 m, tenzij met de omgevingsnorm 'Maximum bouwhoogte' een andere maximale bouwhoogte is aangegeven op de kaart.
Lid 5
De voorgevel dient voor ten minste 70% in of evenwijdig aan de naar de weg gekeerde bouwgrens te worden gebouwd.
Lid 6
De voorgevelbreedte van de woning dient tenminste 5,00 meter te zijn tenzij: - met de omgevingsnorm 'Voorgevelbreedte' een andere breedte op de kaart is aangegeven; of - de bestaande breedte minder bedraagt. In dat geval geldt de bestaande breedte als minimale maat.
Subparagraaf 5.2.2.2 Toegestaan zonder vergunning
Artikel 5.19 Vergroten hoofdgebouw ten behoeve van verduurzaming
Ten behoeve van het nemen van maatregelen die gericht zijn op vermindering van het gebruik van fossiele brandstoffen voor energieopwekking, zoals gevelisolatie of zonnepanelen, is het vergroten van een bestaand hoofdgebouw toegestaan zonder omgevingsvergunning als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de toegelaten vergroting in de hoogte is maximaal 0,5 m; b. de toegelaten vergroting aan zij-, voor- en achterzijde is maximaal 0,5 m; en c. het gebouw is gelegen in welstandsvrij gebied.
Artikel 5.20 Dakkapel voordakvlak in welstandsvrij gebied
Een dakkapel mag zonder omgevingsvergunning in het voordakvlak worden gebouwd als deze is gelegen in 'Welstandsgebied welstandsvrij', als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. voorzien van een plat dak; b. gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m; c. onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet;
59/331
d. bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; en e. zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak.
Artikel 5.21 Gebouw ten behoeve van nutsvoorziening
Gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen mogen zonder omgevingsvergunning worden gebouwd onder de volgende voorwaarden: a. de bouwhoogte is maximaal 3 m; en b. de oppervlakte is maximaal 30 m2.
Subparagraaf 5.2.2.3 Toegestaan met vergunning
Artikel 5.22 Bouwen van een hoofdgebouw of bedrijfsgebouw
Lid 1
Een hoofdgebouw of bedrijfsgebouw mag worden gebouwd indien hiervoor een vergunning is verleend.
Lid 2
De omgevingsvergunning zoals bedoeld in het eerste lid wordt verleend als het hoofdgebouw niet in strijd is met de in afdeling 5.1 en afdeling 5.2 opgenomen regels.
Artikel 5.23 Dakkapel voordakvlak in welstandsgebied
Indien niet wordt voldaan aan artikel 5.20, kan een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak met omgevingsvergunning worden gebouwd, als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. voorzien van een plat dak; b. gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m; c. onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet; d. bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; en e. zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak.
Artikel 5.24 Vergroten hoofdgebouw ten behoeve van verduurzaming
Lid 1
Een bestaand hoofdgebouw dat niet is gelegen in een welstandsvrij gebied mag ter plaatse van de voorgevel met een omgevingsvergunning worden vergroot.
Lid 2
De omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de vergroting bedraagt maximaal 0,5 m ten opzichte van de grens van het bouwvlak; b. de vergroting heeft als doel het nemen van maatregelen die gericht zijn op vermindering van het gebruik van fossiele brandstoffen voor energieopwekking, zoals gevelisolatie.
Artikel 5.25 Gebouw ten behoeve van nutsvoorzieningen
Lid 1
Gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen die niet voldoen aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 5.21 zijn toegestaan met omgevingsvergunning.
60/331
Lid 2
De omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden : a. de bouwhoogte is maximaal 3,25 m; en b. de oppervlakte is maximaal 50 m2.
Paragraaf 5.2.3 Gebouwen op woonwagenstandplaats
Artikel 5.26 Toegestaan met vergunning
Lid 1
Binnen gebieden voor woonwagenstandplaatsenis het toegestaan een hoofdgebouw te bouwen met een omgevingsvergunning.
Lid 2
De omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. het gaat om een woonwagen of vrijstaande woning; b. de bebouwing in het bouwvlak wordt geplaatst; c. de oppervlakte van de woonwagen of vrijstaande woning ten hoogste 105 m² is; d. bij de berekening van het oppervlak worden bestaande, buiten het bouwvlak gelegen delen van de woonwagen of vrijstaande woning meegeteld; e. de goothoogte is ten hoogste 3,25 m; f. de bouwhoogte is ten hoogste 6,50 m.
Paragraaf 5.2.4 Gebouwen voor recreatief nachtverblijf
Subparagraaf 5.2.4.1 Toegestaan zonder vergunning
Artikel 5.27 Bouwwerk voor recreatief nachtverblijf
Binnen gebieden voor verblijfsrecratie mag een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf zonder omgevingsvergunning worden gebouwd als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. op de grond staand; b. niet hoger dan 5 m; en c. de oppervlakte niet meer dan 70 m2.
Paragraaf 5.2.5 (Agrarisch) Bedrijfsgebouw
gereserveerd
Afdeling 5.3 Bijbehorende bouwwerken
Paragraaf 5.3.1 Algemeen
Artikel 5.28 Waar gaat deze afdeling over?
Deze afdeling gaat over het bouwen, veranderen en uitbreiden van bijbehorende bouwwerken.
61/331
Paragraaf 5.3.2 Toegestaan zonder vergunning
Artikel 5.29 Bijbehorende bouwwerken
Lid 1
Bijbehorende bouwwerken mogen alleen zonder vergunning worden gebouwd indien wordt voldaan aan de voorwaarden in dit artikel.
Lid 2
Een bijbehorend bouwwerk staat in het gebied 'Bijgebouwen' of in het bouwvlak.
Lid 3
Het maximum oppervlak aan bijbehorende bouwwerken dat vergunningvrij mag worden gebouwd in het bouwvlak en bijgebouwengebied wordt als volgt berekend: a. het totale bouwvlak mag vergunningsvrij worden bebouwd; b. bij een bijgebouwengebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bijgebouwengebied; c. bij een bijgebouwengebied groter dan 100 m2en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bijgebouwengebied dat groter is dan 100 m2; of d. bij een bijgebouwengebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bijgebouwengebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m. Voor zover woningsplitsing heeft plaatsgevonden op grond van een vergunning als bedoeld in artikel 4.45, gelden de maximale oppervlaktes voor beide woningen gezamenlijk.
Lid 4
De bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken binnen het bouwvlak bedraagt maximaal: a. 5,5 meter; b. 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en c. de hoogte van het hoofdgebouw.
Lid 5
Voor zover het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding wordt voorzien van een buitenruimte, is deze op de grond gelegen.
Lid 6
Buiten het bouwvlak is een bijbehorend bouwwerk met een plat dak toegestaan van maximaal 3,25 meter.
Lid 7
In het gebied 'Bijbehorend bouwwerk' een bijbehorend bouwwerk toegestaan met een schuin dak onder de volgende voorwaarden: a. de dakvoet is maximaal 3,25 m; b. de hoogte van de daknok bedraagt maximaal 5,5 m; en c. wordt verder begrensd door de formule ;"maximale daknokhoogte [m] -= (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3
Lid 8
In het geval een woning is gesplitst, zoals bedoeld in artikel artikel 4.45, eerste lid, geldt dat voor beide woningen gezamenlijk moet worden voldaan aan het maximum oppervlak aan bijbehorende bouwwerken.
62/331
Paragraaf 5.3.3 Toegestaan met vergunning
Artikel 5.30 Bijbehorende bouwwerken
Lid 1
Indien bijbehorende bouwwerken niet voldoen aan de eisen uit artikel 5.29, derde lid, mag een groter oppervlak worden gebouwd met een omgevingsvergunning.
Lid 2
De omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. het bijgebouwengebied mag voor niet meer dan 50% worden bebouwd; b. het oppervlak bedraagt maximaal 150 m2; c. het meerdere oppervlak wordt voorzien van een groen dak; d. het woongenot op de naastgelegen percelen wordt niet geschaad; e. er is geen sprake van een negatieve invloed op de kwaliteit van de openbare ruimte.
Artikel 5.31 Erkers, luifels en balkons voorzijde
Lid 1
Erkers, balkons en luifels boven de voordeur aan de voorzijde zijn toegestaan met een omgevingsvergunning.
Lid 2
De omgevingsvergunning voor erkers en balkons, als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. gelegen in het gebied Wonen b. de breedte bedraagt maximaal 40% van de naar de weg gekeerde grens van het bouwvlak; c. de diepte van de erker bedraagt niet meer dan 1,00 meter; d. de hoogte van de erker bedraagt maximaal de hoogte van de begane grondlaag; e. de afstand tot de functies 'Afdeling 4.12; of 'Afdeling 4.8bedraagt niet minder dan 3,00 meter.
Lid 3
In het gebied Woonwagenstandplaats wordt de vergunning als bedoeld in het eerste lid voor de bouw van erkers verleend als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de breedte maximaal 30% van de naar de weg gekeerde grens van het bouwvlak bedraagt; b. de diepte van de erker niet meer dan 1,00 meter bedraagt; c. de hoogte van de erker maximaal de hoogte van de begane grondlaag bedraagt; d. de afstand tot de functie Verkeer niet minder dan 3,00 meter bedraagt.
Lid 4
Een omgevingsvergunning voor een luifel boven de voordeur wordt verleend als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de diepte bedraagt niet meer dan 1,00 m; b. de luifel is ondergeschikt aan het ruimtelijke en architectonische beeld van de omgeving; en c. de afstand tot de functie Verkeer bedraagt niet minder dan 3.00 meter.
Afdeling 5.4 Bouwwerken geen gebouwen zijnde
Paragraaf 5.4.1 Algemeen
63/331
Artikel 5.32 Waar gaat deze afdeling over?
Deze afdeling gaat over het bouwen van bouwwerken geen gebouw zijnde.
Paragraaf 5.4.2 Toegestaan zonder vergunning
Artikel 5.33 Sport- en speeltoestel
Op de aangewezen locaties mag een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik zonder omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwen worden gebouwd, als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. niet hoger dan 4 m; en b. alleen functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens.
Artikel 5.34 Zwembad
Lid 1
Een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver is toegestaan zonder omgevingsvergunning als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. gelegen bij een woning of woongebouw in het gebied bijgebouwen; b. niet voorzien van een overkapping; c. de oppervlakte is maximaal 10% van het bijbouwvlak en maximaal 100 m2; d. op een afstand van ten minste 3 meter van de zijdelingse en achterste perceelsgrens; en e. het zwembad wordt niet bedrijfsmatig geëxploiteerd.
Lid 2
In aanvulling op de regels ten aanzien van bouwen zijn de regels over grondwerkzaamheden uit hoofdstuk 6 hier ook van toepassing.
Artikel 5.35 Erfafscheidingen
Een erf- of perceelafscheiding mag zonder omgevingsvergunning worden gebouwd, als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. gelegen in het gebied bijgebouwen; b. niet hoger dan 2 m; en c. op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat.
Artikel 5.36 Bouwwerk ten behoeve van agrarische bedrijfsvoering
Een bouwwerk, geen gebouw zijnde ten behoeve van agrarische bedrijfsvoering mag worden gebouwd onder de volgende voorwaarden, a. gelegen in achtererfgebied; b. voedersilo's en watersilo met een maximale hoogte van15 m zijn toegestaan; c. andere bouwwerken met een hoogte van maximaal 2 meter zijn toegestaan.
Artikel 5.37 Buisleidingen
Lid 1
Dit artikel gaat niet over een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is.
Lid 2
64/331
Een buisleiding mag zonder omgevingsvergunning worden gebouwd, in stand gehouden en gebruikt.
Artikel 5.38 Water gerelateerde bouwwerken
In de gebieden 'Afdeling 4.13' mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde moeten ten dienste van het beheer en de daarbij behorende voorzieningen zijn, zoals bruggen, steigers, kademuren en oeverbeschoeiingen: en b. de hoogte van deze bouwwerken is maximaal 3,25 meter.
Paragraaf 5.4.3 Toegestaan met vergunning
Artikel 5.39 Vergunningvrij/ vergunningplicht overige bouwwerken
gereserveerd
Afdeling 5.5 Ondergronds bouwen
Artikel 5.40 Ondergronds bouwen
Lid 1
Ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan onder bouwwerken.
Lid 2
Het oppervlak aan ondergrondse bouwwerken mag niet meer bedragen dan het toegestane oppervlak aan bouwwerken boven peil vermeerderd met een hellingbaan met een oppervlakte van maximaal 25 m².
Lid 3
In de voorgevelrooilijn en bij hoekpercelen ook in de zijdelingse perceelsgrens, is ten hoogste één toegang van buitenaf toegestaan met een maximale breedte van 3,50 meter.
Lid 4
De ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse bouwwerken bedraagt maximaal 4 meter onder peil.
Afdeling 5.6 Bouwen en slopen in gebieden met waarden en beperkingen
Paragraaf 5.6.1 Bouwen en slopen in gebieden met monumenten of beeldbepalende panden
Artikel 5.41 Bouwen in gebieden met monumenten toegestaan met vergunning
Lid 1
In gebieden met monumenten is bouwen toegestaan met een omgevingsvergunning.
Lid 2
65/331
Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. bouwen is nodig voor het behoud en/of herstel van de bestaande bebouwing; b. bebouwing is mogelijk op grond van overige regels in dit omgevingsplan; c. er worden geen wezenlijke veranderingen aangebracht in het stedenbouwkundige beeld, bepaald door kapvorm, hoogtematen, gevel- en raamindeling, dat met inbegrip van waardevolle details als erkers, dakkapellen, kroonlijsten, pilasters, plinten, stoeptreden, kozijnen, dorpels en soortgelijke bouwdelen, zoals vastgelegd in het besluit tot aanwijzing van de beschermd monument ex artikel 6 van de Monumentenwet 1988 of conform besluit van de gemeente tot beeldbepalend pand; d. er wordt rekening gehouden met de aangrenzende cultuurhistorische waarden en het stedenbouwkundig beeld en de schoonheid en de ruimtelijke structurele samenhang van bedoelde straatwanden; e. vooraf is advies gevraagd aan een onafhankelijke deskundige.
Artikel 5.42 Slopen in gebieden met monumenten toegestaan zonder vergunning
Slopen in gebieden met monumenten is toegestaan zonder omgevingsvergunning als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de uitvoering van normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt; of b. inpandige veranderingen van het monument, voor zover het een onderdeel daarvan betreft dat vanuit het oogpunt van monumentenzorg zonder betekenis is.
Artikel 5.43 Slopen in gebieden met monumenten toegestaan met vergunning
Lid 1
Het is toegestaan een gemeentelijk monument met een omgevingsvergunning: a. te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; of b. te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.
Lid 2
De omgevingsvergunning, als bedoeld in het eerste lid, wordt verleend als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet; b. als er sprake is van een kerkelijk monument er overeenstemming is met de eigenaar van het kerkelijk monument.
Lid 3
Het bevoegd gezag kan in het belang van de monumentenzorg (maatwerk)voorschriften stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. Deze voorschriften kunnen mede inhouden een vrijstelling van het verbod, bedoeld in het eerste lid, of een plicht tot het melden van handelingen bedoeld in het tweede lid.
Paragraaf 5.6.2 Bouwen bij molenbiotoop
Artikel 5.44 Toegestaan met vergunning
Lid 1
Binnen het gebied 'Molenbiotoop' is bouwen toegestaan met omgevingsvergunning.
Lid 2
In aanvulling op de voorwaarden in artikel 5.10 wordt de omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit alleen verleend als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. het zicht op de molen en de waarde van de molen als cultuurhistorisch en landschappelijk element vermindert niet door het bouwwerk; en b. Voor de bepaling van de hierbij toegestane bouwhoogten wordt de volgende formule gehanteerd: H(max) = (x/50) + 3. H = de maximaal toegestane bebouwingshoogte in meters; x = de afstand van het bouwwerk tot de molen in meters; de windvang van de molen wordt niet in onevenredige mate aangetast. Uitgangspunt hierbij is dat de optimale windvang tot maximaal 5% mag worden beperkt. Voor de bepaling van de hierbij toegestane bouwhoogten worden de volgende formule gehanteerd:
66/331
Paragraaf 5.6.3 Bouwen in archeologisch waardevol gebied
Artikel 5.45 Toegestaan zonder vergunning
Binnen de gebieden met Archeologische waarden zijn de volgende bouwwerkzaamheden zonder omgevingsvergunning toegestaan: a. vervanging van bestaande bouwwerken waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en/of alleen de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders en/of parkeergarages of gebouwen tot maximaal 2,5 meter uit de bestaande fundering worden opgericht; b. een bouwwerk dat geen bodemverstorende activiteiten met zich meebrengt; c. een bouwwerk: • waarvan de oppervlakte kleiner is dan de ter plaatse geldende omgevingsnorm oppervlakte graafwerkzaamheden; of • dat minder diep reikt dan 0,4 meter beneden maaiveld; d. bebouwing welke nodig is voor archeologisch onderzoek met een maximale bouwhoogte van 3 meter; e. gronden die reeds verstoord zijn op een diepte van meer dan 0,4 meter beneden maaiveld; f. gronden waarvan op basis van eerder archeologisch onderzoek is gebleken dat er geen behoudenswaardige archeologica is aangetroffen; of g. overige bouwwerkzaamheden waarbij wordt voldaan aan de regels over grondwerkzaamheden uit hoofdstuk 6.
Artikel 5.46 Toegestaan met vergunning
Lid 1
In gebieden met archeologische waarden is het toegestaan met omgevingsvergunning bouwwerken te bouwen die niet voldoen aan de regels van artikel 5.45. a. b.
Lid 2
Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid kunnen de volgende voorwaarden worden gesteld: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden, zoals het al of niet bouwen van (parkeer)kelders, alternatieve funderingsmethoden, beschermende bodemlagen of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; b. verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige; d. richtlijnen geven omtrent de wijze waarop omgegaan wordt met (toevals)vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden; e. voorschriften ten aanzien van de situering van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermingswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. Deze voorwaarde is er op gericht de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) te behouden.
Lid 3
Burgemeester en wethouders zijn in geval van verlening van een omgevingsvergunning bevoegd een daartoe aangewezen partij toestemming te verlenen om archeologische waarnemingen te doen ten tijde van de graafwerkzaamheden ten behoeve van het bouwwerk.
Lid 4
De omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de aanvraag heeft betrekking op een bouwwerk waarvan oppervlakte groter is dan de omgevingsnorm oppervlakte graafwerkzaamheden, zoals aangegeven op de kaart; en b. de diepte van de bodemingreep bedraagt meer dan 0,4 meter beneden maaiveld; c. en een en ander op basis van archeologisch onderzoek ofwel is aangetoond dat er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad, dan wel schade door de bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door aan de omgevingsvergunning te verbinden regels.
Paragraaf 5.6.4 Bouwen in gebied met waardevolle bomen
67/331
Artikel 5.47 Toegestaan zonder vergunning
In het gebied 'Waardevolle boom' is het toegestaan zonder omgevingsvergunning te bouwen indien een vergunning voor het kappen van een boom onherroepelijk rechtskracht heeft gekregen.
Artikel 5.48 Toegestaan met vergunning
Lid 1
Het is toegestaan in het gebied 'Waardevolle bomen' te bouwen met een omgevingsvergunning.
Lid 2
Burgemeester en wethouders zijn tevens bevoegd bij het verlenen van de omgevingsvergunning eisen te stellen ten aanzien van de situering en afmetingen van bouwwerken de aard van de verhardingen.
Lid 3
De omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. er is aangetoond dat door het bouwen en/of gebruik van de gronden de conditie, levensverwachting, groeiplaats en (beeld)kwaliteit van de boom niet worden aangetast; b. er is een bomeneffectrapportage overlegd, waaruit blijkt dat de bouw of werken en/of werkzaamheden geen onevenredige gevolgen hebben voor de levensvatbaarheid en de ruimtelijke, monumentale of ecologische betekenis van de boom.
Paragraaf 5.6.5 Bouwen en slopen in gebied met cultuurhistorische waarden
Artikel 5.49 Toegestaan met vergunning
Lid 1
In het gebied Cultuurhistorie mag worden gebouwd met een omgevingsvergunning.
Lid 2
De omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. bouwen is nodig voor het behoud en/of herstel van de bestaande bebouwing b. bebouwing mogelijk is krachtens de onderliggende functie; c. geen wezenlijke veranderingen worden aangebracht in het stedenbouwkundige beeld, bepaald door kapvorm, hoogtematen, gevel- en raamindeling, dat met inbegrip van waardevolle details als erkers, dakkapellen, kroonlijsten, pilasters, plinten, stoeptreden, kozijnen, dorpels en soortgelijke bouwdelen, zoals vastgelegd in het besluit tot aanwijzing van de beschermd monument ex artikel 6 van de Monumentenwet 1988 of conform besluit van de gemeente tot beeldbepalend pand; d. rekening wordt gehouden met de aangrenzende cultuurhistorische waarden en het stedenbouwkundig beeld en de schoonheid en de ruimtelijke structurele samenhang van bedoelde straatwanden; e. vooraf advies is gevraagd aan een onafhankelijke deskundige.
Paragraaf 5.6.6 Bouwen in gebied watergang waterschap
Artikel 5.50 Toegestaan zonder vergunning
In het gebied beschermingszone watergangmag zonder een omgevingsvergunning worden gebouwd: a. bouwwerken van geringe omvang, welke noodzakelijk zijn voor het beheer en onderhoud van de watergang en/of de regenwaterbuffer, mits de hoogte van deze bouwwerken niet meer bedraagt dan 3,00 meter;
68/331
b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het beheer en de daarbij behorende voorzieningen, zoals steigers, kademuren en oeverbeschoeiingen, mits de hoogte van deze bouwwerken niet meer bedraagt dan 3,25 meter; c. ten dienste van natuurinclusief bouwen, zoals een ijsvogelwand, mits de hoogte van deze bouwwerken niet meer bedraagt 3,25 meter.
Artikel 5.51 Toegestaan met vergunning
Lid 1
Met een omgevingsvergunning is het toegestaan om andere bebouwing dan bedoeld in artikel 5.50 toegestaan.
Lid 2
De omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. door het waterschap een ontheffing van de Keur oppervlaktewateren is verleend; b. bebouwing mogelijk is op grond van de ondergeschikte bestemming; c. de bebouwing qua afmetingen voldoet aan de voorwaarden uit de ondergeschikte functie; d. belangen van derden niet onevenredig worden geschaad.
Paragraaf 5.6.7 Bouwen in gebieden met natuurwaarden
Artikel 5.52 Toegestaan met vergunning
Lid 1
Het bouwen van bouwwerken in gebieden met natuurwaarden is toegestaan met een omgevingsvergunning.
Lid 2
De omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend onder de voorwaarden dat: a. deze noodzakelijk zijn met het oog op natuurbeheer, zoals een wildhut of observatiepost; b. het bouwwerken betreffen ter ondersteuning van het extensief recreatief medegebruik; c. deze qua aard en omvang in de omgeving passen met een maximum van 10 m² per object; d. de hoogte niet meer is dan 3,25 meter behalve wanneer het gaat om een observatiepost die niet hoger is dan 11,50 meter; e. de te beschermen natuurlijke waarden en belangen niet onevenredig worden geschaad.
Paragraaf 5.6.8 Geluidgevoelig gebouw bouwen
gereserveerd
Paragraaf 5.6.9 Kwetsbaar gebouw bouwen in zones externe veiligheid
gereserveerd
Afdeling 5.7 Bouwregels met het oog op veiligheid, gezondheid en duurzaamheid (bruidsschatregels geordend naar oogmerk)
Artikel 5.53 Maatwerkvoorschriften
Lid 1
Het bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen over deze afdeling, met uitzondering van bepalingen over meet- en rekenmethoden.
69/331
Lid 2
Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze afdeling.
Artikel 5.54 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit
Lid 1
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m.
Lid 2
Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
Artikel 5.55 Aansluiting op distributienet voor gas
Lid 1
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als: a. artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
Lid 2
Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
Artikel 5.56 Aansluiting op distributienet voor warmte
Lid 1
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als: a. het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
Lid 2
Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.
Lid 3
Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
70/331
Lid 4
Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing.
Artikel 5.57 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater
Lid 1
Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.
Lid 2
De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.
Lid 3
Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid: a. heeft geen vernauwing in de stroomrichting; b. heeft een vloeiend beloop; c. is waterdicht; d. heeft een voldoende inwendige middellijn; en e. bevat geen beer- of rottingput.
Lid 4
Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 22.4 kan in ieder geval worden bepaald: a. als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; b. als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en c. of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen.
Artikel 5.58 Bluswatervoorziening
Lid 1
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist.
Lid 2
De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
Lid 3
71/331
De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden.
Artikel 5.59 Aansluiting op distributienet voor drinkwater
Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
Artikel 5.60 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten
Lid 1
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
Lid 2
Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; d. als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of e. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.
Lid 3
Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg: a. een breedte van ten minste 4,5 m; b. een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram; c. een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en d. een doeltreffende afwatering.
Lid 4
Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
Lid 5
Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.
Artikel 5.61 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen
Lid 1
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.
Lid 2
Het eerste lid is niet van toepassing:
72/331
a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of d. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.
Lid 3
De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
Lid 4
Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in artikel 22.14, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.
Lid 5
Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.
Artikel 5.62 Brandgangen
Brandgangen dienen vrij te blijven van bebouwing tot een minimale breedte van 1,20 meter.
Afdeling 5.8 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning bouwen
Artikel 5.63 Algemene aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten; b. het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; c. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; d. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop: 1. de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak; 2. de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde; 3. de wijze waarop de locatie wordt ontsloten; 4. de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en 5. het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk; e. de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen; f. de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein; g. gegevens en bescheiden die samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische Adviescommissie in geval van een aanvraag voor een bouwactiviteit op een locatie waaraan een agrarische functie is toegedeeld; h.
voor zover dat in Hoofdstuk 5 of 6 is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld; en i. overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan.
Artikel 5.64 Aanvullende aanvraagvereisten voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie
Als de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, worden de volgende gegevens en bescheiden aangeleverd voor de toetsing aan de regels over bodemkwaliteit: a. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 5.50 redelijkerwijs is uit te sluiten; en b. als de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 5.50 wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 5.50 redelijkerwijs is uit te sluiten.
73/331
Artikel 5.65 Aanvullende aanvraagvereisten beoordeling uiterlijk bouwwerken
Voor de toetsing aan de regels over redelijke eisen van welstand, worden de volgende gegevens en bescheiden aangeleverd: a. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past; b. principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk; c. kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en d. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking;
Artikel 5.66 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning bouwen
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten; b. het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; c. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; d. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop: 1. de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak; 2. de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde; 3. de wijze waarop de locatie wordt ontsloten; 4. de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en 5. het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk; e. de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen; f. de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein; g. gegevens en bescheiden die samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische Adviescommissie in geval van een aanvraag voor een bouwactiviteit op een locatie waaraan een agrarische functie is toegedeeld; h.
voor zover dat in hoofdstuk 6, is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld; i. de volgende gegevens en bescheiden voor de toetsing aan de regels over redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet: 1. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past; 2. principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk; 3. kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en 4. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking; j. als de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie: 1. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel xx redelijkerwijs is uit te sluiten; en 2.
als de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel xx wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel artikel 5.10, eerste lid, redelijkerwijs is uit te sluiten; en k. als de aanvraag betrekking heeft op een monument: 1. het monumentnummer en, voor zover van toepassing, de naam van het monument; 2. de opgave van het huidige gebruik van het gemeentelijk monument en het voorgenomen gebruik, als dat afwijkt van het huidige gebruik; en 3. de motivering voor het verrichten van de activiteit en een omschrijving van de gevolgen ervan voor het gemeentelijk monument. l. overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan.
74/331
Hoofdstuk 6 Grondwerkzaamheden (het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden) Afdeling 6.1 Algemeen
Artikel 6.1 Waar gaat dit hoofdstuk over?
Dit hoofdstuk gaat over werken en werkzaamheden in of op de grond.
Artikel 6.2 Toegestaan
Grondwerkzaamheden in overeenstemming met de gebruiksactiviteiten zoals omschreven in hoofdstuk 4 en de bouwactiviteiten in hoofdstuk 5 zijn toegestaan zonder omgevingsvergunning, tenzij het grondwerkzaamheden betreft waarvoor op grond van dit hoofdstuk een verbod geldt of waarvoor een omgevingsvergunning is vereist. Indien een omgevingsvergunning is vereist mag de betreffende grondwerkactiviteit uitsluitend worden uitgevoerd nadat de vergunning is verleend.
Artikel 6.3 Algemene aanvraagvereisten
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van grondwerkzaamheden worden gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de te gebruiken materialen; b. de mate waarin sprake is van afvoer van grond naar een andere locatie; en c. de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan aan het verrichten van de activiteit.
Afdeling 6.2 Grondwerkzaamheden in gebied met waarde archeologie
Paragraaf 6.2.1 Algemeen
Artikel 6.4 Waar gaat deze afdeling over?
Deze afdeling gaat over grondwerkzaamheden binnen de waardengebieden archeologie zoals aangegeven in artikel 3.5.
Artikel 6.5 Toepassingsbereik
In de gebieden met Archeologische waarden mogen gronden worden gebruikt voor de functies die daar zijn toegelaten waarbij de regels in deze paragraaf voorrang hebben op de regels die horen bij andere functies.
Paragraaf 6.2.2 Grondwerkzaamheden toegestaan zonder vergunning
Artikel 6.6 Algemene regels
Grondwerkzaamheden mogen zonder omgevingsvergunning worden uitgevoerd onder de volgende voorwaarden: a. de diepte van de werkzaamheden niet meer bedraagt dan 0,40 m; b. het oppervlak van de werkzaamheden onder de op de kaart aangegeven norm oppervlakte graafwerkzaamheden archeologie blijft en het geen werken betreft die worden genoemd in artikel 6.7, eerste lid onder e en f; c. op basis van archeologisch onderzoek aangetoond is dat geen archeologische waarden aanwezig zijn dan wel de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast; d. de werkzaamheden betrekking hebben op normaal onderhoud en agrarisch bodemgebruik; e. de werkzaamheden betrekking hebben op onderhoud- en vervangingswerkzaamheden van bestaande riolen en bijbehorende werken zoals gemalen, bestratingen en beplantingen binnen bestaande traces van kabels en leidingen; f. de werkzaamheden reeds in uitvoering zijn ten tijde van de inwerkingtreding van het gewijzigde plan; g. de werkzaamheden archeologisch onderzoek betreffen; of h. de werkzaamheden worden uitgevoerd op basis van een reeds verleende (omgevings)vergunning.
75/331
Paragraaf 6.2.3 Toegestaan met vergunning
Artikel 6.7 Vergunningplicht archeologie
Lid 1
In de waardengebieden archeologie is het toegestaan met omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten voor zover deze dieper reiken dan de 0,4 meter én daarbij de norm 'oppervlakte graafwerkzaamheden archeologie' wordt overschreden: a. het uitvoeren van grondbewerkingen waartoe ook wordt gerekend het woelen, mengen, diepploegen en ontginnen; b. het verlagen of afgraven, het ophogen en het egaliseren van gronden; c. het graven, verbreden, verdiepen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het aanleggen van drainage en het verlagen van het waterpeil; d. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij de stobben worden verwijderd; e. het omzetten van gras- of akkerland in een teelt waarbij grond wordt afgevoerd, waartoe gerekend worden boomteelt en graszodenteelt; f. het afplaggen van heide- of natuurgebieden ten behoeve van natuurontwikkeling; g. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, voet-, ruiter- of rijwielpaden, of parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen; h. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur waarvan de breedte van de grondwerken meer dan 0,5 m bedraagt; i. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten; j.
het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem; k. het slopen van gebouwen en verwijderen van funderingen.
Lid 2
Een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een bouwactiviteit of het verrichten van grondwerkzaamheden wordt alleen verleend als naar het oordeel van het bevoegd gezag: a. archeologische waarden op de betrokken locatie niet aanwezig zijn; b. het behoud van de archeologische resten in voldoende mate kan worden gewaarborgd; of c. de archeologische resten door de verstoring niet onevenredig worden geschaad.
Lid 3
Indien uit het genoemde rapport blijkt dat de archeologische resten van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning ten behoeve van het bouwen kunnen worden verstoord, kunnen burgemeester en wethouders aan de omgevingsvergunning de volgende voorschriften verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties; d. de verplichting om aan te geven hoe wordt omgegaan met (toevals)vondsten die gedaan worden tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden; e. de situering, de inrichting en het gebruik van de gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermingswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn er op gericht de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) te behouden.
Lid 4
Bij de aanvraag om een https://preprod.document-viewer.dso.kadaster.nl/#chp_1__subchp_1.1__art_1.1__list_1__item_84omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 6.7, eerste lidartikel 6.7, eerste lid wordt een rapport overlegd waarin de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft, zijn vastgesteld. Het overleggen van een rapport is niet nodig als de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld.
Paragraaf 6.2.4 Verboden
Artikel 6.8 Verboden activiteiten
gereserveerd
76/331
Afdeling 6.3 Grondwerkzaamheden bij water
Paragraaf 6.3.1 Algemeen
Artikel 6.9 Waar gaat deze afdeling over?
Deze afdeling is van toepassing op grondwerkzaamheden binnen het gebied 'water'.
Paragraaf 6.3.2 Grondwerkzaamheden toegestaan zonder vergunning
Artikel 6.10 Algemene regels
Er is geen omgevingsvergunning vereist voor de waterhuishoudkundige elementen en structuren waarvoor een vergunningplicht geldt op grond van de omgevingsverordening van het waterschap.
Paragraaf 6.3.3 Grondwerkzaamheden toegestaan met vergunning
Artikel 6.11 Vergunningplicht
Lid 1
In het gebied 'Afdeling 4.13' is het toegestaan om met een omgevingsvergunning de volgende grondwerkzaamheden uit te voeren: a. het dempen van oppervlaktewater; b. het afgraven van oevers; c. het verleggen van water.
Lid 2
Een omgevingsvergunning die betrekking heeft op het verrichten van grondwerkzaamheden zoals bedoeld in het eerste lid wordt alleen verleend nadat advies is ingewonnen bij de waterbeheerder;
Afdeling 6.4 Grondwerkzaamheden in gebieden met waardevolle bomen
Paragraaf 6.4.1 Algemeen
Artikel 6.12 Waar gaat deze afdeling over?
Deze afdeling is van toepassing binnen het gebied 'Waardevolle bomen'.
Paragraaf 6.4.2 Grondwerkzaamheden toegestaan zonder vergunning
Artikel 6.13 Algemene regels
In het gebied 'Waardevolle bomen' mogen de volgende grondwerkzaamheden zonder omgevingsvergunning worden uitgevoerd: . a. normale onderhouds- en beheerswerkzaamheden, gericht op en noodzakelijk voor de instandhouding van het onderhavige plangebied; b. werken en/of werkzaamheden, die op het tijdstip waarop de wijziging van het omgevingsplan onherroepelijk van kracht is, in uitvoering zijn mits het verrichten van deze handelingen niet de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van de boom tot gevolg (kunnen) hebben.
77/331
Paragraaf 6.4.3 Verboden grondwerkzaamheden
Artikel 6.14 Verboden grondwerkzaamheden