Bijlage 1 - Werkset Omgevingsplan Asten
Tekst van het document
In het gebied 'Waardevolle bomen' zijn de volgende grondwerkzaamheden verboden: a. het aanbrengen van boven- en ondergrondse transport-, energie- of communicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur; b. het leggen van drainagebuizen; c. het aanleggen en verharden van wegen, paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; d. het verlagen, afgraven, ophogen of egaliseren van de bodem en/of gronden; e. het wijzigen van de grondwaterstand door bevloeiing, (bron)bemaling, drainage of andere wijze;het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op ander wijze van indrijven van voorwerpen in de grond; f. bovengrondse activiteiten waarbij delen van de boom geraakt c.q. beschadigd kunnen raken.
Afdeling 6.5 Grondwerkzaamheden in cultuurhistorisch waardevolle gebieden
Paragraaf 6.5.1 Algemeen
Artikel 6.15 Waar gaat deze afdeling over?
Deze afdeling bevat regels over grondwerkzaamheden in cultuurhistorisch waardevolle gebieden.
Paragraaf 6.5.2 Grondwerkzaamheden toegestaan zonder vergunning
Artikel 6.16 Algemene regels
Grondwerkzaamheden mogen zonder vergunning worden uitgevoerd als deze: a. het normale onderhoud en beheer betreffen; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit omgevingsplan; c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning of een ontgrondingsvergunning.
Paragraaf 6.5.3 Grondwerkzaamheden toegestaan met vergunning
Artikel 6.17 Vergunningplicht
Lid 1
In 'cultuurhistorisch waardevolle gebieden' is het toegestaan met een omgevingsvergunning de volgende grondwerkzaamheden uit te voeren: a. het doorvoeren van veranderingen in de verkaveling of percelering van terreinen; b. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; c. het graven of dempen van sloten, watergangen, vijvers of vaarten; d. alle overige werkzaamheden die de cultuurhistorische waarden kunnen aantasten en die niet worden gerekend tot normale onderhoudswerkzaamheden of werken of werkzaamheden van ondergeschikte betekenis.
Lid 2
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel wordt alleen verleend als:
Afdeling 6.6 Grondwerkzaamheden in gebieden met natuurwaarden
Paragraaf 6.6.1 Algemeen
78/331
Artikel 6.18 Waar gaat deze afdeling over?
Deze afdeling bevat regels over grondwerkzaamheden in gebieden aangewezen als 'Bos'.
Paragraaf 6.6.2 Grondwerkzaamheden toegestaan zonder vergunning
Artikel 6.19 Algemene regels
Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning grondwerkzaamheden te verrichten als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. er is sprake van werkzaamheden, normale onderhoudswerkzaamheden zijnde; b. het betreft werken of werkzaamheden van ondergeschikte betekenis; c. het betreft werken of werkzaamheden binnen het kader van het normale bodemgebruik; d. het beteft werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van het van kracht worden van het plan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning, ontheffing of anderszins mogen worden uitgevoerd.
Paragraaf 6.6.3 Grondwerkzaamheden toegestaan met vergunning
Artikel 6.20 Vergunningplicht
Lid 1
In het gebied 'Afdeling 4.4' is het toegestaan met een omgevingsvergunning de volgende grondwerkzaamheden uit te voeren: a. het aanleggen of verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; b. het ontginnen, bodem verlagen of afgraven, ophogen en/of egaliseren van de bodem; c. het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur, tenzij zulks noodzakelijk is voor of verband houdt met het op de bestemming gericht gebruik van de grond; d. het vellen en/of rooien van houtgewas of het verrichten van werkzaamheden welke de dood of ernstige beschadigingen van houtgewas ten gevolge kunnen hebben; e. het bemalen of draineren van gronden en het winnen van water of het anderszins verlagen van de grondwaterstand; f. het verrichten van exploratie- en exploitatieboringen ten behoeve van de winning van delfstoffen; g. het aanbrengen en/of aanleggen van oeverbeschoeiingen en het graven en/of aanleggen van waterlopen; h. het verwijderen van graften, bosstroken en/of grasbanen.
Lid 2
De omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt alleen verleend onder de voorwaarden dat: a. door die werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen in het gebied 'Bos' aanwezige waarden, belangen en doeleinden zoals bedoeld in artikel artikel 4.15, eerste lid niet onevenredig worden aangetast; of b. de mogelijkheden voor het herstel van de eerstbedoelde waarden niet wezenlijk worden verkleind.
Afdeling 6.7 Aanbrengen en verwijderen van groen (bomen, houtopstanden en planten)
Paragraaf 6.7.1 Algemeen
Artikel 6.21 Waar gaat deze afdeling over?
Deze afdeling is van toepassing op (grond)werkzaamheden waarbij bomen, beplanting of houtopstanden worden aangebracht of verwijderd.
Paragraaf 6.7.2 Aanbrengen of verwijderen toegestaan zonder vergunning
Artikel 6.22 Algemene regels
Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning bomen of beplanting te kappen, verwijderen of onderhouden als wordt voldaan aan de volgende
79/331
voorwaarden; a. noodzakelijk vanwege de Plantgezondheidswet; b. noodzakelijk vanwege een aanschrijving door het college van burgemeester en wethouders; c. het gaat om bomen of beplanting die bestaan uit niet-geknotte populieren of wilgen die als wegbeplantingen of eenrijïge beplantingen op of langs landbouwgrond staan; d. het gaat om vruchtbomen in en windschermen om boomgaarden; e. het gaat om vruchtbomen in en windschermen om boomgaarden; f. het gaat om kweekgoed; of g. het gaat om bomen of beplanting die voor de instandhouding van andere bomen worden gekapt.
Paragraaf 6.7.3 Aanbrengen of verwijderen toegestaan met vergunning
Artikel 6.23 Vergunningplicht
Lid 1
Het is alleen met een omgevingsvergunning toegestaan een boom te kappen of een houtopstand te vellen, als: a. het om een gemeentelijke houtopstand gaat; of b. het om een houtopstand gaat die is aangewezen binnen het gebied waardevolle bomen.
Lid 2
Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend onder de voorwaarden dat: a. de boom of de houtopstand gevaar of ernstige hinder veroorzaakt; of b. een individueel of maatschappelijk belang zwaarder weegt dan het beschermen van: 1. de waarde van de boom of de houtopstand voor stads- en dorpsschoon; 2. de beeldbepalende waarde van de boom of de houtopstand; 3. de cultuurhistorische waarde van de boom of de houtopstand; en 4. de waarde voor de leefbaarheid van de boom of de houtopstand.
Afdeling 6.8 Grondwerkzaamheden bij leidingen
gereserveerd
Afdeling 6.9 Grondwerkzaamheden in door instructieregels aangewezen gebieden en zones
gereserveerd
80/331
Hoofdstuk 7 Aanleggen of wijzigen van een gemeenteweg of waterschapsweg. Afdeling 7.1 Algemeen
Paragraaf 7.1.1 Algemeen
Artikel 7.1 Waar gaat dit hoofdstuk over?
Lid 1
Deze afdeling gaat over het toevoegen of wijzigen van een gemeenteweg en een waterweg.
Lid 2
Voor zover betrekking hebbend op het wijzigen van een gemeenteweg of waterschapsweg is dit hoofdstuk alleen van toepassing op het verrichten van een omgevingsplanactiviteit wijziging van een weg voor zover de wijziging bestaat uit: a. het verplaatsen van een of meer rijstroken met meer dan 2 m; b. het verhogen of verlagen van de rijstroken met meer dan 1 m; c. een toename van het aantal rijstroken, niet zijnde voorsorteerstroken en in- en uitvoegstroken; d. het vervangen van een wegdek door een minder stil wegdek; of e. het verwijderen van geluidbeperkende maatregelen bestaande uit werken of bouwwerken langs de weg.
Paragraaf 7.1.2 Grondwerkzaamheden toegestaan zonder vergunning
Artikel 7.2 Vergunningvrij
Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning een bestaande gemeenteweg of waterweg te wijzigen als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. rijstroken worden niet meer dan 2 meter verplaatst; b. rijstroken worden niet meer dan 1 meter verhoogd of verlaagd; c. het aantal rijstroken wordt niet vergroot, voorsorteerstroken en in- en uitvoegstroken niet meegerekend; d. het wegdek wordt niet vervangen door een minder stil wegdek; en e. er worden geen geluidbeperkende maatregelen bestaande uit werken of bouwwerken langs de weg verwijderd.
Paragraaf 7.1.3 Grondwerkzaamheden toegestaan met vergunning
Artikel 7.3 Vergunningplicht voor het aanleggen van een gemeenteweg of waterschapsweg.
Lid 1
Het is toegestaan om met omgevingsvergunning een weg aan te leggen als daardoor het geluid op geluidgevoelige gebouwen hoger wordt dan de standaardwaarde, bedoeld in tabel 3.34 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Lid 2
Als toepassing is gegeven aan artikel 3.27, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, geldt voor het geluid door de gemeenteweg gezamenlijk de standaardwaarde voor gemeentewegen, bedoeld in tabel 3.34 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Lid 3
De omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
81/331
a. de activiteit in overeenstemming is met artikel 4.33 en artikel 4.34; en b. de mate van geluidbelasting op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is.
Artikel 7.4 Vergunningplicht voor het wijzigen van een gemeenteweg of waterschapsweg
Lid 1
Het is toegestaan met een omgevingsvergunning een weg te wijzigen als daardoor het geluid op geluidgevoelige gebouwen hoger wordt dan: a. de standaardwaarde, bedoeld in tabel 3.34 van het Besluit kwaliteit leefomgeving; of b. het geluid op die geluidgevoelige gebouwen op het tijdstip van de wijziging van het omgevingsplan.
Lid 2
Als toepassing is gegeven aan artikel 3.27, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, geldt voor het geluid door de gemeenteweg en de lokale spoorweg gezamenlijk de standaardwaarde voor gemeentewegen, bedoeld in tabel 3.34 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
82/331
Hoofdstuk 8 Activiteiten in openbaar gebied gereserveerd
83/331
Hoofdstuk 9 Milieubelastende activiteiten gereserveerd
84/331
Hoofdstuk 10 Procesregels gereserveerd
85/331
Hoofdstuk 11 Monitoring en informatie gereserveerd
86/331
Hoofdstuk 12 Beheer en onderhoud gereserveerd
87/331
Hoofdstuk 13 Financiele bepalingen gereserveerd
88/331
Hoofdstuk 14 Handhaving gereserveerd
89/331
Hoofdstuk 15 Overgangsrecht gereserveerd
90/331
Hoofdstuk 16 gereserveerd
91/331
Hoofdstuk 17 gereserveerd
92/331
Hoofdstuk 18 gereserveerd
93/331
Hoofdstuk 19 gereserveerd
94/331
Hoofdstuk 20 gereserveerd
95/331
Hoofdstuk 21 gereserveerd
96/331
Hoofdstuk 22 ACTIVITEITEN Afdeling 22.1 ALGEMEEN
Artikel 22.1 Voorrangsbepaling
Lid 1
De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van subparagraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.
Lid 2
De regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan: a. een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; b. een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt.
Artikel 22.2 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten
Lid 1
Voor de toepassing van de artikel 22.28, eerste lid en artikel 22.28, tweede lid, artikel 22.38, artikel 22.287, artikel 22.288, artikel 22.290 en artikel 22.295 wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is.
Lid 2
Het eerste lid is van toepassing: a. als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en b. als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of dit omgevingsplan geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven.
Artikel 22.3 Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten
De artikelen artikel 22.28, derde lid, en artikel 22.38, aanhef en onder b, zijn van overeenkomstige toepassing op een activiteit als bedoeld in die artikelonderdelen die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in dit omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding rijksbeschermd stadsof dorpsgezicht is gegeven.
Afdeling 22.2 ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT BOUWWERKEN, OPEN ERVEN EN TERREINEN
Paragraaf 22.2.1 Algemene bepalingen
Artikel 22.4 Maatwerkvoorschriften
Lid 1
97/331
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over deze afdeling, met uitzondering van bepalingen over meet- en rekenmethoden.
Lid 2
Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze afdeling.
Paragraaf 22.2.2 Verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden
Artikel 22.5 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil
Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig: a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en b. het straatpeil is uitgezet.
Artikel 22.6
Gereserveerd
vervallen
Paragraaf 22.2.3 Bouwen en in stand houden van bouwwerken
Artikel 22.7 Repressief welstand
Lid 1
Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold: a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist.
Lid 2
Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn.
Artikel 22.8 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit
Lid 1
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m.
Lid 2
Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
Artikel 22.9 Aansluiting op distributienet voor gas
98/331
Lid 1
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als: a. artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
Lid 2
Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
Artikel 22.10 Aansluiting op distributienet voor warmte
Lid 1
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als: a. het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
Lid 2
Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.
Lid 3
Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
Lid 4
Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing.
Artikel 22.11 Aansluiting op distributienet voor drinkwater
Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
Artikel 22.12 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater
Lid 1
Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.
Lid 2
99/331
De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.
Lid 3
Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid: a. heeft geen vernauwing in de stroomrichting; b. heeft een vloeiend beloop; c. is waterdicht; d. heeft een voldoende inwendige middellijn; en e. bevat geen beer- of rottingput.
Lid 4
Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 22.4 kan in ieder geval worden bepaald: a. als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; b. als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en c. of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen.
Artikel 22.13 Bluswatervoorziening
Lid 1
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist.
Lid 2
De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
Lid 3
De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden.
Artikel 22.14 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten
Lid 1
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
Lid 2
Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met
100/331