CConstaterende datAsten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Voorontwerp wijziging omgevingsplan Asten Biesvelden 1 (motivering, regels en verbeelding)

Raadscommissie Ruimte 10 februari 2026, gemeente AstenBij agendapunt: Voorontwerp wijziging omgevingsplan Asten Biesvelden 1 (opiniërend) met presentatie25.449 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

3

De Klinker (2024) Verkennend bodemonderzoek volgens NEN 57240 en hydrologisch onderzoek Vooronderzoek NEN 5725 Koestraat Asten. Rapportnummer K2420111, 16 december 2024.

33

Onderzoekskaart (Bron: De Klinker, 2025).

Uit de resultaten kan het volgende geconcludeerd worden: − de bodem op de locatie bestaat uit matig fijn zand met plaatselijk leemlaagjes; − op zintuiglijke wijze is alleen ter plaatse van de gedempte sloot sporen baksteen en slib aangetoond; − in het mengmonster van de leemlaag in de gedempte watergang (MMD1) zijn geen van de onderzochte componenten verhoogd aangetroffen. De bodem voldoet aan de kwaliteitseis landbouw/natuur; − in het zintuiglijk verdachte monster in de gedempte watergang (MMD2, boring D5, sporen baksteen) is verontreinigd met cadmium. De grond voldoet aan de kwaliteitseis Industrie; − in de mengmonsters MMBG1, MMBG5 en MMBG6 is cadmium verhoogd aangetroffen. Ondanks de verhoogde concentratie voldoet de bodem aan de kwaliteitseis landbouw/natuur; − in de overige mengmonsters zijn geen van de onderzochte componenten verhoogd aangetroffen. De bodem voldoet aan de kwaliteitseis landbouw/natuur; − in het grondwater van peilbuis 04 is een verhoogd gehalte aan barium en koper aangetoond boven de streefwaarde; − in het grondwater van peilbuis 06, 31, 33 en 35 zijn verhoogde gehaltes aan barium aangetoond boven de streefwaarde; − in het grondwater van peilbuis 10 en 17 zijn verhoogde gehaltes aan barium en nikkel aangetoond boven de streefwaarde; − in het grondwater van peilbuis 13 en 48 zijn verhoogde gehaltes aan barium en koper aangetoond boven de streefwaarde;

34

− in het grondwater van peilbuis 45 zijn geen gehalten aangetoond boven de streefwaarde; − de doorlatendheid van de bodem in de verzadigde zone is goed. Aan de hand van deze resultaten wordt het terrein op basis van de milieuhygiënische kwaliteit als geschikt beschouwd voor het voorgenomen gebruik. 4.2.3

Conclusie Het aspect bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project.

4.3

Milieubelastende activiteiten

4.3.1

Algemeen Indien door middel van een plan nieuwe, gevoelige functies, of milieuhinder-veroorzakende functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat er sprake zal zijn van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. De VNG-publicatie Activiteiten en milieuzonering is een hulpmiddel voor de beoordeling van de toelaatbaarheid van ruimtelijke ontwikkelingen bij en rondom bedrijven. In de VNG-publicatie zijn voor bedrijfstypen richtafstanden opgenomen, die volgens de rechter indicatief zijn voor een goede ruimtelijke ordening, c.q. voor een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Hoewel de richtafstanden uit VNG-publicatie niet bindend zijn, brengt het afwijken van de afstanden uit de VNG-publicatie wel met zich mee dat het bevoegde gezag moet onderbouwen, vaak door nader specialistisch onderzoek, waarom desondanks afdoende rekening is gehouden met de samenhang van de relevante onderdelen en aspecten van de fysieke leefomgeving en van de rechtstreeks daarbij betrokken belangen (art. 2.1, tweede lid van de Omgevingswet). Aanvullend milieuonderzoek kan bijvoorbeeld ook uitwijzen dat de richtafstanden geen recht doen aan een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling. De in de VNG-publicatie opgenomen richtafstanden gelden ten opzichte van rustige woongebieden. Bij andere omgevingstypen kunnen andere richtafstanden gelden.

In de VNG-publicatie wordt gesteld dat het toegestaan is om bij drukkere (gemengde) gebieden de richtafstanden met één afstandsstap naar beneden bij te stellen. Een richtafstand van 50 meter is op die manier bijvoorbeeld te verlagen naar 30 meter (alleen wanneer het onderdeel gevaar de richtafstand bepaalt, moet dit nader worden gemotiveerd). Wanneer er voor een bepaalde bedrijvigheid wettelijke afstanden gelden, dan hebben deze voorrang op de richtafstanden.

35

4.3.2

Toetsing Hinder als gevolg van onderhavige ontwikkeling

De voorgenomen ontwikkeling betreft uitsluitend de realisatie van woningen. Wonen betreft geen hinderveroorzakende activiteit. Er is dus geen sprake van hinder als gevolg van onderhavige ontwikkeling. Hinder van bestaande bedrijvigheid op de ontwikkeling

Naast de hinder die een ontwikkeling zelf kan veroorzaken, dient ook onderzocht te worden of de beoogde ontwikkeling zelf hinder kan ondervinden van hinderveroorzakende functies uit de omgeving. Woningen moeten worden aangeduid als milieuhindergevoelig. Binnen het besluitgebied vinden geen hinderveroorzakende activiteiten plaats die van invloed kunnen zijn op het toekomstige woonmilieu. Ook in de directe omgeving van het besluitgebied zijn geen agrarische en/of niet-agrarische bedrijven gevestigd die een relevante hinderzone hebben, als bedoeld in de VNGpublicatie Bedrijven en Milieuzonering (editie 2024). Het planvoornemen bevindt zich niet binnen de richtafstanden van de omliggende (agrarische) bedrijven. Bij de woningen is daarmee sprake van een aanvaardbaar woon- en leefmilieu. Spuitzonering

In de nabijheid van de locatie zijn agrarische percelen gelegen. De mogelijkheid bestaat dat op de deze percelen gewasbeschermingsmiddelen zullen worden toegepast. Uit jurisprudentie blijkt dat de richtafstand hiervoor 50 meter bedraagt en hier alleen op gefundeerde motivatie van afgeweken kan worden. Een van die motivatierichtingen is het onderbouwen dat de gronden niet of nauwelijks gebruikt worden voor agrarische gronden waarop gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. In navolgende afbeelding zijn de gronden weergegeven waarop het betrekking heeft.

Uitsnede google.maps.nl (bewerking SAB)

De relevante kavels zijn: 1732, 2656, 2049 en 325. In navolgende tabel is een overzicht opgenomen waarin staat welke gewassen sinds 2009 op deze kavels werden geteeld, of ingezet werden als grasland.

36

Overzicht gewassen (arcgis gewaspercelen historie) Perceel jaar 1732 2656 2656 deels 2009 maïs weide vruchtbomen 2010 maïs weide vruchtbomen 2011 maïs weide vruchtbomen 2012 maïs, biet weide vruchtbomen 2013 maïs weide vruchtbomen 2014 maïs weide vruchtbomen 2015 maïs weide weide 2016 maïs weide weide 2017 maïs, biet weide maïs 2018 maïs weide weide 2019 maïs weide weide 2020 maïs weide weide 2021 maïs, biet weide weide 2022 overig weide weide

2049 overig overig overig overig overig overig overig overig overig overig overig overig overig overig

325 weide weide weide weide maïs maïs maïs overig overig overig overig overig overig overig

De informatie over de percelen 2049 en 325, ten oosten van de provinciale weg N279, ontbreekt veelal. Na raadpleging van de website cyclomedia blijkt het gebruik over het algemeen maïs. De afstand tussen deze beide percelen (2049 en 325) en de bouwvlakken van onderhavig plan bedraagt ongeveer 50 meter. Voor perceel 2656 geldt dat de gronden de laatste jaren gebruikt zijn als weiland en/of grasland. Hiervoor geldt dat er geen gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Voor perceel 1732 geldt dat dit voornamelijk voor maïs gebruikt wordt. Hier geldt dat er wel gewasbeschermingsmiddelen voor worden gebruikt. Aanbevolen wordt om een afstand van 50 meter op dit perceel (1732) aan te houden, zodat de beoogde woningen geen effect hebben van gewasbeschermingsmiddelen. Om mogelijk gebruik op perceel 2656 te voorkomen wordt dit ook voor deze kavel aangeraden. De gronden ten zuiden van onderhavig plangebied worden in de toekomst echter ook ontwikkeld als woningbouwlocatie. De uitbreiding van Asten zal namelijk voortzetten in zuidelijke richting.

Het volgende wordt geconcludeerd dat: − Voor kavels 2049 en 325 is de afstand tot de bouwvlakken voldoende (meer dan 50 meter); − Ter plaatse van kavel 2656 is de laatste jaren geen gebruik gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen; − Voor kavel 1732 geldt dat hierop maïs geteeld wordt en dus gebruik wordt gemaakt gewasbeschermingsmiddelen; − Aanbevolen wordt om voor de percelen 1732 én 2656 een afstandsbeperking op te nemen voor gewasbeschermingsmiddelen tot 50 meter van de beoogde bouwvlakken. Dit zal geen probleem zijn, aangezien deze gronden in de nabije toekomst worden ontwikkeld als woningbouwlocatie.

37

4.3.3

Conclusie Het aspect milieubelastende activiteiten vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project.

4.4

Geluid

4.4.1

Algemeen Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn regels vastgelegd die de toegestane geluidsbelasting begrenzen.

4.4.2

Toetsing In het kader van de beoogde ontwikkeling is een akoestisch onderzoek geluid wegverkeer opgesteld4 (bijlage 4 bij deze motivering). De bevindingen worden in deze paragraaf uiteengezet. Provinciale weg N279 en rijksweg (autosnelweg) A67 Uit de berekening blijkt dat als gevolg van de rijkswegen en provinciale wegen er overschrijdingen plaatsvindt van de standaardwaarde. Ten oosten van de Koestraat is een overschrijding op minstens een bouwvlakzijde per bouwvlak waargenomen. Voor de bouwvlakken ten westen van de Koestraat zijn de overschrijdingen sporadischer en indien aanwezig vooral op de hoogste waarneemhoogte. Langs de provinciale weg zijn tevens overschrijding van de grenswaarde waargenomen. Deze constatering geldt voor drie bouwvlakken. Twee bouwvlakken beschikken over een bouwvlakzijde onder de standaardwaarde. Voor één bouwvlak (14), wordt niet voldaan aan de standaardwaarde aan de achterzijde voor de tweede verdieping. De hoogst berekende geluidbelasting bedraagt 65 dB L den, op de oostelijke bouwvlakzijden voor bouwvlakken 13 en 14 op 8 en/of 11 meter hoogte. Er wordt niet voldaan aan het Bkl. Onderzoek naar maatregelen is benodigd. De grenswaarde wordt overschreden vanwege de provinciale weg. Deze is maatgevender ten opzichte van de snelweg.

4 SAB (2025) Akoestisch onderzoek geluid wegverkeer Asten, Biesvelden fase 1, 1 augustus 2025.

38

Gemeentewegen Uit de berekening blijkt dat als gevolg van de gemeentewegen geen overschrijding plaatsvindt van de standaardwaarde van 53 dB. Maatregelenafweging is niet benodigd. Maatregelenafweging Er zullen maatregelen moeten worden getroffen om de geluidbelasting aan de oostzijde van bouwvlakken 12,13 en 14 zo veel mogelijk onder de grenswaarde te laten zakken. Bron- en overdrachtsmaatregelen zijn onderzocht. Waarden kunnen niet op alle verdiepingen onder de grenswaarde verlaagd worden. De laagste verdiepingen kunnen wel de standaardwaarde naderen. Indien de beschreven maatregelen niet wenselijk of financieel haalbaar is, dienen vliesgevels te worden overwogen aan de oostzijde van bouwvlak 12,13 en 14. Afhankelijk van de ligging van het trappenhuis en de appartementen voor bouwvlak 12 is de redenering ook van toepassing aan de noordzijde. Bij voorkeur zijn dan de eventuele buitenruimten aan de minder geluidbelaste gevel gesitueerd. Nader overleg over het al dan niet toepassen van een maatregelen dient plaats te vinden tussen de verschillende partijen om alsnog de ontwikkeling tot stand te kunnen brengen. Gecumuleerd en gezamenlijk geluid Voor onderhavig plan is een hoogste gecumuleerde geluidbelasting waarneembaar van 65 dB Lden, welke volgens het gemeentelijk beleid een tamelijk slecht geluidklimaat aanwijst.

Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen dient in ieder geval door middel van een aanvullend bouwakoestisch onderzoek te worden aangetoond dat de binnenwaarde uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) wordt gehaald voor de nieuwe woningen. Doordat de

39

grenswaarde vanwege de provinciale weg op sommige punten wordt overschreden, is hoe dan ook het toepassen van maatregelen benodigd indien geluidgevoelige gebouwen zijn geprojecteerd. Hoogste gecumuleerde en gezamenlijke geluidbelasting per bouwvlak door omliggende wegen

Hogere waarden om op te nemen in het Omgevingsplan Op basis van artikelen 5.78u en 5.78ad van het Bkl dienen waarden te worden vastgelegd in het omgevingsplan indien een overschrijding van de standaardwaarde vanuit één geluidbronsoort gepaard gaat met het op voorhand niet voldaan aan de minimumeis voor de geluidwering van de gevels (20 dB – artikel 4.102 Besluit bouwwerken leefomgeving). Bij voorliggend project geldt deze bovenstaande constatering voor de volgende bouwvlakken.

40

Hogere waarden om op te nemen in het Omgevingsplan (Bron: SAB).

4.4.3

Conclusie Voor de provinciale weg moeten hogere waarden worden opgenomen in het omgevingsplan.

4.5

Luchtkwaliteit

4.5.1

Algemeen Het Rijk toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10) dan verwacht mag worden. Soms worden hier de Rijksomgevingswaarden overschreden of is de achtergrondconcentratie zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project een Rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. Bij een aanvraag voor één of meerdere activiteiten in een aandachtsgebied, dient het effect van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit beoordeeld te worden. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl.

4.5.2

Toetsing In het project worden onder andere nieuwe woningen gerealiseerd. Het project wordt gasloos ontwikkeld. De enige mogelijke bron van verslechtering van de luchtkwaliteit zal de verkeersgeneratie zijn. In vergelijking met de bestaande situatie zal de verkeersgeneratie toenemen. Om inzichtelijk te maken in hoeverre voorliggend project effect heeft op de luchtkwaliteit, is een quick scan luchtkwaliteit 5

5

SAB (2025) Quick scan luchtkwaliteit Asten-Oost Biesvelden.

41

uitgevoerd (zie bijlage 5 bij deze motivering). De bevindingen uit deze quick scan worden navolgend uiteengezet. De NIBM-tool is gebruikt ter toetsing of het plan in een niet-in-betekende-mate bijdraagt aan de concentratie van stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Navolgende tabel geeft de uitkomst weer van de NIBM toets. Het aandeel vrachtverkeer wordt geschat op 0,01 middelzwaar en 0,01 zwaar vrachtverkeer per woning per etmaal conform CROW-publicatie 744. Dit komt (naar boven afgerond) neer op 2 middelzware en 2 zware vrachtverkeerbewegingen per etmaal. Dit bedraagt naar boven afgerond circa 0,3%

Overzicht toetsing NIBM-tool

Uit de berekeningen met de NIBM-tool blijkt dat de planbijdrage voldoet aan de NIBM-grens van 1,2 µg/m³. Daardoor zal het plan ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Raadpleging van de CIMLK toont aan dat de concentraties luchtverontreinigende stoffen ver onder de omgevingswaarden liggen in de drie zichtjaren (2023, 2025 en 2030). Tevens geven de uitkomsten uit de monitoringstool aan dat de concentraties van de luchtvervuilende stoffen vanaf 2023 rondom het besluitgebied afnemen. De blootstelling aan luchtverontreiniging, ook als gevolg van de ontwikkeling, is hierdoor beperkt en zal niet leiden tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s. 4.5.3

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project.

4.6

Omgevingsveiligheid

4.6.1

Algemeen Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt 42

onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).

In hoofdstuk 4 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn alle activiteiten opgenomen waarbij een vaste norm van toepassing is en voor welke activiteiten een berekening van PR-contour en aandachtsgebied vereist is. Groepsrisico Het groepsrisico betreft de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Onder de Omgevingswet is gekozen voor een nieuwe benadering van het groepsrisico, met aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden laten zien op welke locaties extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden laten zien waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen gevaren uit de omgeving. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Via de aandachtsgebieden worden deze gevaren zichtbaar op de kaart, zodat direct duidelijk is welke gevaren waar op kunnen treden. Daardoor heeft het bevoegd gezag bij het nemen van besluiten over ruimtelijke ordening de risico’s van activiteiten met gevaarlijke stoffen meteen in beeld. Zo kan het bevoegd gezag ze al aan het begin van het planproces meenemen.

Aandachtsgebieden zijn er voor brandgevaar, explosiegevaar en gifwolken.

43

4.6.2

Toetsing In het kader van voorliggende ontwikkeling is een quick scan omgevingsveiligheid 6 opgesteld (zie bijlage 6 bij deze motivering). De bevingen uit dit advies worden navolgend beschreven. De navolgende afbeelding bevat een fragment van de digitale risicokaart. De globale ligging van de ontwikkellocatie is globaal groen aangeduid, de 1,5 kilometer grens is in donkerblauw aangeduid. De afstand is gemeten vanuit het centrum van de ontwikkellocatie.

[6]

[5] [4]

[3]

[1]

[2]

Uitsnede digitale risicokaart met aanduiding ontwikkellocatie (blauwe cirkel) bron: Atlas Leefomgeving [1]

Risicovolle activiteit, L.Verberne;

[2]

Risicovolle activiteit, Tankstation Easyfill;

[3]

Risicovolle activiteit, Zwembad De Schop;

[4]

Risicovolle activiteit, Peka Kroef B.V.;

[5]

Risicovolle activiteit, Tankstation Nobis Asten B.V.;

[6]

Transport over de weg, wegvak B112 snelweg A67 Afrit 35 (Sommeren) – Afrit 38 (Helden).

De analyse laat zien dat ontwikkellocatie kennelijk buiten het aandachtsgebied ligt van alle omliggende risicovolle inrichtingen. Nadere beschouwing ten aanzien van deze risicocategorie is derhalve niet benodigd. Ook zijn er geen buisleidingen,

6

SAB (2024) Quick scan omgevingsveiligheid Woningbouw Biesvelden fase 1, 10 juli 2024.

44

vaarroutes, spoorwegen, luchthavens of windturbines in de omgeving van de ontwikkellocatie gelegen. Volgens de risicokaart vindt er binnen een straal van 1,5 kilometer rondom de ontwikkellocatie wél transport van gevaarlijke stoffen over een weg plaats. Het gaat om wegvak B112 van autosnelweg A67 Afrit 35 (Sommeren) – Afrit 38 (Helden). Wegvak B112 bevindt zich op circa 900 meter van de ontwikkellocatie. Geconcludeerd wordt de ontwikkellocatie ruim buiten de brand- en explosieaandachtsgebieden van de snelweg valt, maar ze is wel in het gifwolkaandachtsgebied gesitueerd. Nadere beschouwing is benodigd. Derhalve is een voorschriftengebied uitgewerkt en een afweging van de inrichting van de fysieke leefomgeving en het groepsrisico opgesteld ten aanzien van zelfredzaamheid en beheersbaarheid/bestrijdbaarheid. Indien hier voldoende rekening mee wordt gehouden bij de verdere uitwerking van het plan, dan bestaat er vanuit extern veiligheidsoogpunt geen bezwaar tegen de gewenste ontwikkeling. Advies Veiligheidsregio Op 14 juli 2025 heeft de Veiligheidsregio Brabant Zuidoost haar advies uitgebracht ten aanzien van de woningbouwontwikkeling Biesvelden fase 1. Dit advies bestaat uit de volgende vier punten: 1 Situeer de vluchtwegen van de risicobron (A67) af.

Door de vluchtwegen van de risicobron af te richten hebben personen de mogelijkheid om uit het gifwolkaandachtsgebied te vluchten, om zodoende zichzelf in veiligheid te brengen. 2 Indien vluchten niet mogelijk is, dan is schuilen een goed handelingsperspectief. Zorg er dan wel voor dat de woningen voorzien worden van afschakelbare ventilatie. Door de ventilatie zo snel mogelijk af te schakelen kan voorkomen worden dat de giftige wolk de woningen inkomt. 3 Zorg voor een goede risicocommunicatie aan de bewoners zodat zij weten hoe te handelen in het geval van een calamiteit op de autosnelweg A67. Meer informatie hierover is te vinden op www.vrbzo.nl in de ‘Handreiking risicocommunicatie gevaarlijke stoffen’. 4 Het was ten tijde van het uitbrengen van advies moeilijk om iets te vinden vanuit Planvorming (bluswater en bereikbaarheid). Er was destijds namelijk geen stedenbouwkundig plan waarop getoetst kon worden. Inmiddels is het stedenbouwkundig plan voorgelegd. De voorgenomen ontwikkeling dient voor wat betreft bluswater en bereikbaarheid in ieder geval te moeten voldoen aan de Adviesleidraad Bluswater en Bereikbaarheid 2022. 4.6.3

Conclusie Mits aandacht wordt besteed aan de in de quick scan genoemde maatregelen en adviezen is het mogelijk om een veilige fysieke leefomgeving te realiseren en vormt het aspect omgevingsveiligheid geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.

45

4.7

Geur

4.7.1

Algemeen Er zijn diverse sectoren waarbij geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen en (andere) milieubelastende activiteiten. De gemeente moet bij de vaststelling van (een wijziging van) het omgevingsplan rekening houden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op: − bij het mogelijk maken van activiteiten met gebruiksruimte in de buurt van geurgevoelige gebouwen; − bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande activiteiten met gebruiksruimte (geurveroorzakende bedrijven). Aanvaardbare geurhinder De geur van een activiteit (met gebruiksruimte) op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. Gemeenten bepalen zelf welke mate van geurhinder zij aanvaardbaar vinden. De gemeente legt in het omgevingsplan vast wat de plaats is waar waarden voor geur gelden. Ook kennen sommige activiteiten afstandsregels. Dit zijn minimumafstanden tussen een geurgevoelig gebouw en een geurveroorzakende activiteit.

4.7.2

Toetsing In de nabijheid van de locatie zijn agrarische bedrijven gesitueerd. In navolgende afbeelding zijn de dichtstbijzijnde agrarische bedrijven weergegeven.

Uitsnede I-go viewer, https://krd.igoview.nl/ (bewerking SAB), blauwe cirkel globale locatie Geurhinder en vaste afstanden veehouderijen

Op circa 400 meter afstand zijn vijf intensieve veehouderijen gelegen (allen aan de Voordeldonk gelegen), met vaste afstanden en in de meeste gevallen geen

46

vastgestelde geuremissie. Voor twee veehouderijen zijn er wel vastgestelde geuremissies, maar deze zijn dusdanig gering dat er geen overlap zal zijn met plangebied. De vaste afstand bedraagt 100 meter vanaf het bouwblok van de veehouderij. In geen geval zal er dus een overlap zijn met de vaste afstanden van de veehouderijen en het plangebied, of met eventuele geurcontouren en het plangebied. In de navolgende afbeelding is de achtergrondbelasting (ten gevolge van alle veehouderijen) weergegeven.

Achtergrondbelasting omliggende veehouderijen, plan locatie blauw kader (bron: atlas ODZOB, achtergrondbelasting geur, bewerking SAB). De locatie is in een concentratiegebied gelegen.

Uit de afbeelding blijkt dat het leefklimaat ten gevolge van geur zeer goed is. Het aspect geurhinder is geen belemmering. 4.7.3

Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project.

4.8

Trillingen

4.8.1

Algemeen Het omgevingsaspect trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat.

4.8.2

Toetsing De voorgenomen ontwikkeling veroorzaakt geen trillingen. Daarnaast is het besluitgebied niet gelegen in de nabijheid van een spoor of andere trillingshinderveroorzakende activiteiten. Nader onderzoek wordt daarom niet nodig geacht.

47

4.8.3

Conclusie Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend project.

4.9

Gezondheid

4.9.1

Algemeen De Omgevingswet bevordert integrale besluitvorming en samenhang door alle relevante aspecten - waaronder gezondheid - in een zo vroeg mogelijk stadium te betrekken. Gemeenten kunnen hun gezondheidsambities vastleggen in de omgevingsvisie, een programma en/of omgevingsplan. In de bruidsschat worden regels gesteld voor bouw en gebruik die het beschermen van de gezondheid tot doel hebben. Het betreft hier de verplichting tot aansluiting op het drinkwaterleidingnet (paragraaf 22.2.3 artikel 22.11) , de aansluiting op het riool (paragraaf 22.2.3 artikel 22.12), het aantal inwoners per vierkante meter (paragraaf 22.2.4. artikel 22.16), de constructieve staat van gebouwen (paragraaf 22.2.4. artikel 22.18), de gevaren voor de gezondheid op open erven (paragraaf 22.2.5. artikel 22.20), de omgang met milieubelastende activiteiten (paragraaf 22.3.1. artikel 22.42) en de omgang met de milieukundige staat van de bodem gebouwen (paragraaf 22.3.7.2. artikel 22.129). Dit zijn regels voor gezondheidsbescherming. Het aspect gezondheid wordt in deze paragraaf getoetst aan het gemeentelijk gezondheidsbeleid en aan de bruidsschat. De gemeente Asten heeft geen specifiek opgesteld gezondheidsbeleid. Er wordt aandacht besteed aan dit aspect in de ‘Omgevingsvisie gemeente Asten’.

Eén van de hoofdthema’s hierin is ‘duurzaamheid en vitaal leven’, waarbinnen het aspect gezondheid een centrale rol inneemt. De gemeente stelt dat een vitaal leven een gezond leven is. Hoe iemand woont, of er speelplekken en groen in de omgeving zijn, welke voorzieningen toegankelijk zijn, of de lucht schoon is, is van invloed op iemands fysieke en mentale gezondheid. Het is niet alleen van belang om negatieve omgevingsfactoren (zoals geluidsoverlast) te verminderen, maar ook om te komen tot een leefomgeving die inwoners uitnodigt om het leven op een gezonde manier te leven. Een groene, gezonde en duurzame woon- en leefomgeving, die het mogelijk maakt om veilig te wonen, elkaar te ontmoeten, te spelen, te bewegen, te recreëren.

4.9.2

Toetsing In voorgaande paragrafen met betrekking tot de aspecten bodemkwaliteit, luchtkwaliteit, geur en geluid is beoordeeld of er in het besluitgebied sprake is van een gezonde leefomgeving: − Bodem: De bodemkwaliteit in het gebied volstaat voor het beoogde gebruik (wonen); − Geluidhinder: Er dienen hogere waarden opgenomen te worden in het Omgevingsplan en er dient nader onderzoek uitgevoerd te worden.

48

− Luchtkwaliteit: In het projectgebied wordt voldaan aan grenswaarden voor concentraties verontreinigende stoffen in de lucht, waardoor sprake is van een goede luchtkwaliteit; − Geur: In het projectgebied is geen geurhinder te verwachten. In het stedenbouwkundig plan is bovendien beschreven dat ‘spelen in het groen’ een belangrijk thema is. Naast de veilig ingerichte speelplekken voor de allerkleinsten, waar ouders en kinderen elkaar ontmoeten, vindt de gemeente spelen in een natuurlijke omgeving voor de iets oudere kinderen zeer belangrijk. Op verschillende locaties in het besluitgebied zijn buurspeelplekken en speelplekken voor kleine kinderen voorzien (zie navolgende afbeelding). Het belang van speelvoorzieningen voor kinderen in het kader van gezondheid is algemeen bekend.

Kaart met groen- en speelstructuur (Bron: SAB).

Dit zorgt ervoor dat de toekomstige inwoners kunnen verblijven in een groene omgeving en dat kinderen onbezorgd dicht bij huis buiten kunnen spelen. Daarnaast zijn er in de directe omgeving voldoende voorzieningen om bewegen te stimuleren, zoals fiets- en wandelpaden. 4.9.3

Conclusie Er is in het project rekening gehouden met het aspect gezondheid. Wel dienen de aspecten geluidshinder door wegverkeerslawaai en stikstof nader onderzocht te worden.

49

4.10

Geitenhouderijen

4.10.1

Algemeen De provincie Noord-Brabant heeft een tijdelijk moratorium (opschorting) ingesteld voor ontwikkelingen van geitenhouderijen in Noord-Brabant. Uit het rapport Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO-III) blijkt dat er een verhoogde kans op longontsteking is voor mensen die in een straal van 2 kilometer rondom een geitenhouderij wonen. Dit bleek ook uit eerder onderzoek naar het verband tussen veehouderij en de gezondheid van omwonenden (VGO) en is nu bevestigd. Naar aanleiding van het nieuwe rapport komt er een advies vanuit de Gezondheidsraad. In afwachting van het advies vanuit de Gezondheidsraad heeft de provincie besloten dat geitenstallen uitbreiden of in gebruik nemen niet meer is toegestaan. Deze opschorting is mede ingesteld om te voorkomen dat boeren nu een stal in bedrijf nemen waarvoor zij in de nabije toekomst kostbare maatregelen moeten nemen om risico’s te beperken. Het moratorium is tijdelijk. De uitkomsten van het advies kunnen enige tijd op zich laten wachten. Als de uitkomsten bekend zijn, wordt er gekeken of er redenen zijn het besluit in te trekken of aan te passen. Het is wel toegestaan om bij een gelijkblijvend oppervlak aan stalruimte voor geiten een geitenstal te plaatsen, bijvoorbeeld ten behoeve van de verbetering van de volksgezondheid. De provincie streeft naar een duurzame en innovatieve veehouderij.

Het geitenmoratorium maakt onderdeel uit van het pakket aan maatregelen om te komen tot die sterke en maatschappelijk gewaardeerde veehouderij.

4.10.2

Toetsing Op circa 1.300 meter afstand ligt een geitenhouderij (zie afbeelding in paragraaf 4.7). In de provincie Noord-Brabant geldt een moratorium op de uitbreiding van geitenstallen. In afwachting van het advies vanuit de Gezondheidsraad heeft de provincie besloten dat geitenstallen uitbreiden of in gebruik nemen niet meer is toegestaan. Deze opschorting is mede ingesteld om te voorkomen dat boeren nu een stal in bedrijf nemen waarvoor zij in de nabije toekomst kostbare maatregelen moeten nemen om risico’s te beperken. Het moratorium is tijdelijk. De uitkomsten van het advies kan enige tijd op zich wachten. Als de uitkomsten bekend zijn, wordt er gekeken of er redenen zijn het besluit in te trekken of aan te passen. De Gezondheidsraad heeft het tweede deeladvies over gezondheidsrisico’s rond veehouderijen gepubliceerd: Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen 2025: deel II. Uit het advies dat vervolgens door de GGD’en zijn opgesteld blijkt: De GGD’en adviseren om tenminste 1 kilometer afstand te houden tussen nieuwe gevoelige bestemmingen en geitenhouderijen. Afstand houden is nodig tot er bewezen effectieve maatregelen zijn om het risico op longontsteking voor omwonenden afdoende terug te dringen en deze daadwerkelijk worden toegepast.

50

De geitenhouderij ligt op meer 1.000 meter afstand, de realisatie van de woningen. Biesvelden fase 1 komt hierdoor niet in geding. 4.10.3

Conclusie Het aspect geitenhouderijen vormt geen belemmering voor het beoogde plan.

4.11

Water

4.11.1

Algemeen Rijksbeleid - Nationaal Waterprogramma 2022-2027

Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 is op 18 maart 2022 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2022-2027, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. In het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 wordt allereerst de nationale belangen opgesomd: − waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); − waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; − waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; − in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; − realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening die in 2050 CO₂arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; − verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; − behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang. Deze nationale belangen worden aangevuld met drie hoofdambities: − een veilige en klimaatbestendige delta; − een concurrerende, duurzame en circulaire delta; − een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur.

De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving, zoals de energietransitie, de woningbouw, herstel natuur en de landbouwtransitie is noodzakelijk. Een integrale aanpak van samenhangende nationale en regionale opgaven vereist een gebiedsgerichte aanpak. Daarom zijn voor de Rijkswateren in dit Nationaal Waterprogramma gebiedsgerichte uitwerkingen opgenomen. Het gaat om de Noordzee, de Zuidwestelijke Delta, de RijnMaasmonding, de grote rivieren, het IJsselmeergebied, de Waddenzee en EemsDollard en de kanalen in het beheer van het Rijk. Deze zijn verbonden met de diverse gebiedsgerichte programma’s en uitwerkingen onder het Nationaal Waterprogramma, zoals de Gebiedsagenda’s Grote Wateren. Voor de overige wateren van

51

Nederland wordt in andere programma’s de gebiedsgerichte uitwerking van het waterbeleid meegenomen. In de eerste plaats in de Omgevingsagenda’s onder de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). In het coalitieakkoord van eind 2021 is aangegeven dat de komende jaren structureel meer budget wordt uitgetrokken voor instandhouding van wegen, spoor, hoofdwatersysteem en vaarwegen. Het structureel extra budget loopt op via een geleidelijk ingroeimodel. De budgettaire kaders voor instandhouding zijn daarmee verruimd. Voor het Hoofdwatersysteem en het Hoofdvaarwegennet zal IenW binnen deze budgettaire kaders nog aanvullende keuzes moeten maken om de instandhoudingsopgaven op termijn beheersbaar te houden. Provinciaal Waterprogramma Noord-Brabant 2022-2027

Het Waterprogramma (RWP) 2022 – 2027 Provincie Noord-Brabant is op 3 december 2021 vastgesteld. In het Provinciaal Waterprogramma 2022-2027 zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationaal Waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Noord- Brabant. Het Waterplan is onderverdeeld in vijf deelprogramma’s: − Voldoende water: de provincie creëert beleidsinstrumenten en uitgangspunten voor een goed peilbeheer. Het tegengaan van de verzilting en voldoende water voor natuur vormen andere speerpunten. − Schoon water: Zowel het afvalwater als het grond- en oppervlaktewater moeten zonder schadelijke stoffen (her)gebruikt kunnen worden. De provincie wil in het bijzonder aandacht besteden aan natuurgebieden en grondwaterbeschermingszones. − Veilig water: het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire en het regionale watersysteem. − Vitale bodem: De sponswerking van de bodem is de laatste jaren afgenomen door verdichting. De provincie wil meer natuurinclusievere ruimtelijke ontwikkelingen faciliteren − Klimaatadaptatie: de provincie zet zich scherp in op een klimaatbestendige en waterrobuuste provincie.

Deze constatering vertaald zich in het aanpassen van ons handelen op deze verandering, bijvoorbeeld het beperken van de hittestress en de aanpassing van ruimtelijke ontwikkelingen aan hevige buien. In het plan zijn deze programma’s verder uitgewerkt in maatregelen, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven. Dit heeft geleid tot een integrale visie op de ontwikkeling van de provincie Noord-Brabant. In de Omgevingsverordening is onder andere regelgeving opgenomen voor de regionale en primaire waterkeringen. Voor bestemmingsplannen c.q. wijzigingsplannen zijn randvoorwaarden opgenomen die een onbelemmerde werking, instandhouding en het onderhoud van de primaire en regionale waterkeringen mogelijk maken, Dit geldt voor de beschermingszone en de kernzone die hoort bij de waterkeringen zoals opgenomen in de vastgestelde leggers van het waterschap.

52

Waterschapsbeleid – Waterbeheerplan 2022-2027 Waterschap Aa en Maas

Op 19 november 2021 is het waterbeheerplan (WBP) van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: 1. Waterveiligheid: Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem: Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). 3. Schoon Water: In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd.

In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: − schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt; − de waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen; − de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is; − de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen. Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; verordening, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. 4.11.2

Toetsing In het kader van voorliggende ontwikkeling is een weging van het waterbelang opgesteld7 (bijlage 7 bij voorliggende motivering). De bevindingen uit het rapport worden navolgend beschreven. Wateropgave De verharding in het besluitgebied neemt toe. Daarom dient watercompensatie gerealiseerd te worden. Vanuit het waterschap Aa en Maas geldt dat over de toename 7

Bureau BOOT (2025) Weging van het waterbelang Koestraat te Asten. Projectnummer: P24-0346(010), 28 november 2025.

53

van verhard oppervlak 60 mm berging gerealiseerd dient te worden. Ook vanuit de gemeente Asten dient over te realiseren verhard oppervlak binnen het plangebied 60 mm berging gerealiseerd te worden. Op basis hiervan is de volgende berging benodigd voor de ontwikkelingen binnen het plangebied: − 57.163 m² * 60 mm = 3.430 m³ Er dient dus 3.430 m³ berging binnen het plangebied gerealiseerd te worden. Watercompensatie De greppels in het oosten van het plangebied hebben geen leggerstatus, maar dienen wel gecompenseerd te worden bij demping. Aan de noordoostzijde van het plangebied worden, in overleg met het waterschap, natuurvriendelijke oevers ter hoogte van de primaire watergang (Beekerloop). Hierbij wordt de reguliere inundatie van de Beekerloop gecompenseerd in meer ruimte voor de Beekerloop. De mate van inundatie dient in een later stadium nader technisch uitgewerkt te worden. Om aan de bergingsopgave van 3.430 m³ te voldoen zijn waterbergende voorzieningen uitgewerkt. In dit plan worden wadi’s voorgesteld om aan de bergingsopgave te voldoen. Het plangebied wordt vereenvoudigd in twee delen, een deel ten westen van de Koestraat en een deel ten oosten van de Koestraat. De grens loopt bij de watergangen ter hoogte van de Koestraat.

Het verhard oppervlak van de Koestraat tussen de twee watergangen dient gecompenseerd te worden door het maaiveld naast de Koestraat komvormig af te werken. Op navolgende afbeelding worden de voorzieningen toegelicht.

Overzicht locaties waterbergende voorzieningen (Bron: Bureau BOOT).

54

Wadi’s

Wadi’s zijn verlagingen van het maaiveld waar water in geborgen kan worden en waar het na de neerslagsituatie vertraagd wordt afgevoerd naar het oppervlaktewatersysteem. Een wadi kan gecombineerd worden met bijvoorbeeld een natuurfunctie of met een speelplaats. In het stedenbouwkundig ontwerp zijn reeds locaties aangewezen waar wadi’s gerealiseerd kunnen worden. Als uitgangspunt wordt gehanteerd dat de wadi’s een diepte hebben van 0,7 m en er wordt gerekend met een peilopzet van 0,6 m. De wadi’s hebben een talud van 2,1 m breed (1:3). Wadi’s 9, 10, 11 en 13 zijn 0,4 m diep met een peilopzet van 0,3 m. Deze hebben een doorstromende functie. Rondom de insteek van de wadi’s is een buffer aangehouden van minimaal 1,0 m ten opzichte van overige voorzieningen. In dit plan zijn 13 wadi’s voorgesteld die reeds ingetekend zijn op de plantekening. De berging van de wadi’s per deelgebied betreft: − West (nr. 1, 2, 3, 5): 1.765 m³ − Oost (nr. 4, 6 t/m 13): 2.053 m³ − Totaal: 1.765 m³ + 2.053 m³ = 3.818 m³ Met de waterbergende voorzieningen wordt voldaan aan de bergingsopgave vanuit de gemeente en het waterschap. In onderstaande tabel is een overzicht weergegeven van de totale waterberging per deelgebied.

Overzicht totale waterberging (bron: Bureau BOOT).

Wijze van afwatering Afwatering groenparkeerplekken en rijbaan

Het hemelwater wat valt op de parkeerplekken en de rijbaan dient opgevangen te worden door kolken en af te wateren via het HWA in de wadi’s. Afwatering bebouwing

Het hemelwater wat valt op het resterende verhard oppervlak (bebouwing en kavels) dient opgevangen te worden en afgevoerd te worden naar het HWA. Het HWA staat in verbinding met alle wadi’s. Deze waterbergende voorzieningen worden bij een bui gevuld vanuit het HWA. In geval van extreme neerslagsituaties, wanneer alle waterbergende voorzieningen maximaal gevuld zijn, dient het hemelwater over te storten op het oppervlaktewater. Dit kan door een slokop of plaatselijke verlaging in de insteek van wadi 5 en 6 te realiseren (zie navolgende afbeelding). Hiermee kan het hemelwater oppervlakkig afstromen richting de watergang naast de Koestraat, mits deze watergangen voldoende afvoercapaciteit hebben. Als dit niet het geval is, dient aangesloten te worden op de A-watergang ten noorden van wadi 6. De afwatering van het westelijk deel dient dan middels een slokop afgevoerd te worden naar het oostelijk deel en daar af te wateren in de A-watergang. 55

Overzicht afwatering plangebied (bron: Bureau BOOT). Leeglooptijd

Op basis van de infiltratiecapaciteit varieert de leeglooptijd van de wadi’s van 14 tot 24 uur. De wadi’s zullen door de drain vertraagd afvoeren naar het oppervlaktewater via het HWA. De drain dient ingesteld te worden op het niveau van de GHG. Hiermee wordt gezorgd dat in droge periodes het water vanuit de wadi het grondwater kan aanvullen. In natte periodes zal de drainage het water afvoeren naar het oppervlaktewater. Met een instelniveau op de GHG wordt voorkomen dat permanent ontwatert wordt en daarmee de grondwaterstand verlaagd wordt. De drainage naar het oppervlaktewater kan begrensd worden door een knijpconstructie. Daarnaast zal het hemelwater vanwege de matige infiltratiecapaciteit (beekdal) vertraagd afvoeren (max 2 l/s/ha), waardoor de waterberging binnen vijf dagen weer beschikbaar is. Extreme neerslagsituaties Bij een neerslagsituatie van 70 mm in 1 uur komt circa (57.163 m² * 70 mm=) 4.001 m³ hemelwater tot afstroming vanaf het verhard oppervlak. Deze hoeveelheid kan in de wadi’s worden geborgen bij maximale vulling (4.619 m³) van de wadi’s. Er mag geen waterschade optreden bij een bui van 160mm in 2uur. Hierbij mag ook geen extra waterschade zijn in de omgeving. Bij een neerslagsituatie van 160 mm in 2 uur komt circa (92.648 m² * 160 mm=) 14.824 m³ hemelwater tot afstroming vanaf alle oppervlakken. Daarbij kan 4.619 m³ geborgen worden in de maximale 56

vulling van de wadi’s. Daarnaast kan, als het groenoppervlak 0,1 m lager wordt aangelegd circa (27.294 m² * 0,1 m =) 2.729 m³ geborgen worden in het verlaagde groen. Het resterende deel van de neerslag wordt over het openbare groen en bestrating verdeeld. Daarbij wordt (7.475 m³ / 52.919 m² =) 0,14 m water op groen en op de straat verwacht. Mits het vloerpeil van de woningen 0,3 m boven de rijbaan wordt aangelegd, wordt wateroverlast tot een minimum beperkt. Kweltoename In de boringen zijn leemlagen aangetroffen, de leemlagen kunnen de infiltratiecapaciteit van de wadi belemmeren. Deze dienen te worden doorbroken als deze onder een wadi aanwezig zijn. Beheer en onderhoud Aangenomen wordt dat de bestaande watergangen langs de Koestraat en ’t Haakse behouden blijven voor hun huidige functie. Voor beheer en onderhoud is voldoende ruimte beschikbaar. De wadi’s dienen periodiek gemaaid te worden.

Meekoppelkansen in het gehele besluitgebied Om binnen het plangebied klimaatadaptieve kansen te benutten op het gebied van verkoeling en biodiversiteit kunnen onderstaande meekoppelkansen toegepast worden: − Biodiverse beplanting toepassen rond de watergangen en wadi’s; − Realiseren van flora- en faunavoorzieningen; − Realiseren van schaduw door het aanplanten van bomen; − Realiseren van natuurvriendelijke oevers; − Realiseren van zonwering op de zuidgevels van gebouwen; − Gebruik maken van materialen met een hoog albedo; − Realiseren van groenparkeervakken; − Realiseren van groene daken; − Realiseren van voorzieningen om (hemel)water op te slaan en te benutten; − Kruidenrijk en bloemrijk gras inzaaien en aangepast maaibeheer toepassen; − Inventariseren of bestaande bomen kunnen blijven bestaan; − Inventariseren of bestaande bomen kunnen worden verplaatst binnen het plangebied/gemeente. Waterkwaliteit De Europese Kaderrichtlijn water (KRW), de Nota Waterhuishouding (NW4) en de Wet Natuurbescherming stellen eisen aan de kwaliteit van het oppervlaktewater. Schoon water draagt bij aan een aantrekkelijke leefomgeving, ook voor ruimtelijke plannen is waterkwaliteit daarom een aandachtspunt. Om vervuiling van het hemelwater te beperken, wordt geadviseerd het gebruik van uitlogende bouwmaterialen te voorkomen conform beleid gemeente en waterschap.

Grondwater en toekomstige peilen Vanuit het ‘GRP 2021-2025’ van de gemeente Asten zijn er richtlijnen betreft het omgaan met water bij ontwikkelingen. Op basis hiervan dient voldoende

57

ontwateringsdiepte aanwezig te zijn. De GHG binnen het plangebied ligt op circa NAP +24,1 m, met op de laagstgelegen delen op NAP +23,9 (ter hoogte van maaiveld). Op basis van de ontwateringseisen dient het niveau van de rijbaan naar minimaal circa NAP +24,9 m te gaan. Naar verwachting wordt het wegpeil in Biesvelden fase 1 circa NAP +25,1 m, hiervoor is nog nader onderzoek noodzakelijk bij de uitwerking. Voor de woningen wordt geadviseerd het vloerpeil hier circa 0,30 m boven te realiseren. Hiermee is voldoende ontwateringsdiepte aanwezig, maar wordt ook gezorgd dat water op het maaiveld niet direct leidt tot wateroverlast in de woningen. Op de laagstgelegen delen met het maaiveldniveau op NAP +23,9 m kan ook drainage worden toegepast om voldoende ontwateringsdiepte te realiseren. Daarnaast mag er als gevolg van de ontwikkeling geen negatieve effecten op de omgeving ontstaan. Door het doorbreken van leemlagen kan kweltoename optreden, hier dient rekening mee gehouden te worden. Vuilwater Het vuilwater dient aangesloten te worden op de gemeentelijke vuilwaterriolering. Rondom het plangebied is diverse vuilwaterriolering aanwezig waarop kan worden aangesloten. In de Koestraat is een vuilwaterriool ø250 mm aanwezig met een diepteligging van NAP +21,74 m. In de straat Vlas is een vuilwaterriool ø250 mm aanwezig met een diepteligging van NAP +22,32 m.

In de nieuwe wijk Loverbosch 3 is een vuilwaterriool in de straat Mispel. Deze heeft een diameter van ø315 mm en een diepteligging van NAP +20,71 m. De uitgangspunten die aangehouden worden voor het bepalen van het minimaal benodigde maaiveldhoogte zijn onderstaand weergegeven: − Benodigde dekking: 1,2 m − Aangehouden afschot: − 1e 150 m: 4‰ − 2e 150 m: 3‰ − Overige lengte: 2‰ − Toe te passen diameter: ø250 mm Op basis van de bovenstaande uitgangspunten en de drie aansluitpunten Vlas, Koestraat en Mispel zijn de benodigde maatgevende strenglengtes bepaald: − Vlas: 217 m (maximale lengte circa 300 m) − Koestraat: 280 m (maximale lengte circa 450 m) − Mispel: 280 m (maximale lengte circa 500 m) In navolgende afbeelding zijn de aansluitingen van het vuilwaterriool en de maatgevende strenglengtes weergegeven. Concluderend kan elke woning binnen het plangebied onder vrij verval worden aangesloten. Vuilwater dient zodanig aangelegd te worden dat ook de vervolgfasen van Biesvelden aangesloten kunnen worden. De verwachtte vuilwaterproductie binnen het plangebied is als volgt: − 200 woningen x 2,5 inwoners x 12 l/uur/inwoner = 6,00 m³/uur = 1,7 l/s.

58

Indicatieve maatgevende strenglengte (m) vuilwaterriolering binnen het plangebied (bron: Bureau BOOT).

Oppervlaktewater Tijdens de werkzaamheden wordt aanbevolen om de watergangen in de huidige staat te behouden. De bestaande watergangen langs de Koestraat en ’t Haakse blijven behouden voor hun huidige functie. Het verharde oppervlak wordt gecompenseerd door waterberging, hierdoor wordt alleen gedurende hevige neerslagsituaties hemelwater versnelt afgevoerd naar het oppervlaktewater. 4.11.3

Conclusie Het aspect water vormt met inachtneming van de aanbevelingen in het bovenstaande geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.

4.12

Natuur

4.12.1

Algemeen Soortenbescherming Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het projectgebied. De Omgevingswet beschermt bepaalde plant- en diersoorten. Het gaat hoofdzakelijk om soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen. Daarnaast betreft het bepaalde soorten van nationaal belang. In principe zijn provincies verantwoordelijk voor de bescherming van soorten (artikel 2.18, lid 1, sub f). Echter kunnen ook andere overheden actief beleid voeren. Zo is het vaststellen van een programma voor soortenbescherming een mogelijkheid. 59

Soortenbescherming is in de Omgevingswet vooral gericht op het reguleren van flora-en fauna-activiteiten. Een flora en fauna-activiteit is een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of: − er soorten aanwezig zijn; − welke soorten dat zijn; − wat de functie is van het gebied in relatie tot het gedrag van beschermde soorten (bijvoorbeeld, foerageren, nest- broedplaats, zomer- winter- kraamverblijf e.d.). Voordat een flora en fauna-activiteit mag worden verricht, moet gecontroleerd worden of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de directe nabijheid bepaalde beschermde soorten of habitats voorkomen. Als er aanwijzingen zijn dat deze aanwezig zijn, dan is het verplicht om na te gaan of nadelige gevolgen voor die dieren of planten uit te sluiten zijn. Als nadelige gevolgen niet uitgesloten kunnen worden, moet degene die de activiteit verricht alle passende preventieve maatregelen treffen om nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten te voorkomen. Voor schadelijke handelingen geldt in de meeste gevallen een vergunningplicht. In een aantal gevallen is echter ook sprake van een vrijstelling.

Gebiedsbescherming De bescherming van natuurgebieden is tweeledig; het Rijk is verantwoordelijk voor de bescherming van Natura 2000-gebieden en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een verantwoordelijkheid van de provincies. Natura 2000 Een Natura 2000-gebied is een beschermd natuurgebied van Europees belang. Bescherming van deze gebieden is nodig voor het behoud van de biodiversiteit (soortenrijkdom) en om te voldoen aan de verplichtingen van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Nieuwe ontwikkelingen (activiteiten) die - afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten – significant negatieve gevolgen kunnen hebben op een Natura 2000-gebied, zijn onder de Omgevingswet gedefinieerd als ‘Natura 2000-activiteit’. Deze kunnen zowel binnen als buiten een Natura 2000-gebied plaatsvinden. In de meeste gevallen vindt de activiteit echter plaats buiten een Natura 2000-gebied. Ook dan kan een activiteit effect hebben op het Natura 2000-gebied. Dit wordt ook wel de 'externe werking van een Natura 2000-gebied' genoemd. Als het effect significant kan zijn, is in veel gevallen een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd in de omgevingsverordening van de provincies.

Daarin zijn de wezenlijke kenmerken en waarden van NNN-gebieden vastgelegd en zijn regels gesteld in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de kenmerken en waarden van NNN-gebieden. 60

Bescherming houtopstanden Ook voor beschermde houtopstanden geldt een specifieke zorgplicht (artikel 11.116 Bal). Het is verboden houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, zonder voorafgaande melding bij de provincie (artikel 11.126 Bal). Een houtopstand is hierbij gedefinieerd als een eenheid van bomen of struiken met een oppervlakte van ten minste 1.000 vierkante meter of een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat. De wet schrijft verder voor dat wanneer een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, de grond binnen drie jaar moet worden herbeplant (artikel 11.129 Bal). Deze bescherming geldt niet voor alle houtopstanden. De regels zijn onder meer niet van toepassing op houtopstanden op erven of in tuinen en op houtopstanden binnen de bebouwingscontour houtkap liggen. Deze bebouwingscontour is opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente. Ook voor het dunnen van een houtopstand gelden de regels niet. 4.12.2

Toetsing In het kader van voorliggende ontwikkeling is een quick scan natuur8 uitgevoerd (zie bijlage 8 bij deze motivering). In deze quick scan is onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aanof afwezig zijn in het besluitgebied. Ook is nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het besluitgebied. Navolgend worden de bevindingen uit de quick scan uiteengezet. Beschermde gebieden Natura 2000-gebieden

Er liggen drie Natura 2000-gebieden in de omgeving van het besluitgebied. Een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden is vanwege een mogelijke toename in stikstofdepositie door de ruimtelijke ontwikkeling in het besluitgebied niet uit te sluiten. Voor andere storingsfactoren is dat wel uit te sluiten. Nader onderzoek naar stikstofdepositie in de vorm van een AERIUSberekening is daarom noodzakelijk. Onderzoek stikstofdepositie Dit onderzoek is uitgevoerd voor de aanleg- en gebruiksfase9 (zie bijlage 9 bij voorliggende motivering). Met de gehanteerde parameters blijkt uit de uitgevoerde berekeningen voor de aanlegfase blijkt dat de grootste afname 0,02 mol/ha/j op 967,26 ha gekarteerd Natura 2000-gebied voor de relevante hexagonen in de toekomstige situatie ten opzichte van de referentiesituatie bedraagt. Daarmee kunnen significant negatieve effecten op Natura 2000- gebieden worden uitgesloten Uit de uitgevoerde berekeningen voor de gebruiksfase blijkt een grootste toename van 0,02 mol stikstof/ha/j op 940,73 ha gekarteerd Natura 2000-gebied voor de relevante hexagonen in de toekomstige situatie ten opzichte van de

8 9

SAB (2024) Quick scan natuur Asten Oost, Biesvelden. Projectnummer: 230268.03, 31 juli 2024. SAB (2025) Onderzoek stikstofdepositie Asten, Biesvelden fase 1, 7 november 2025.

61

referentiesituatie. Een overschrijding betekent in dit geval niet dat vaststaat dat er sprake is van een aantasting van de kwaliteit van een habitattype, maar uitsluitend dat de mogelijkheid van een aantasting niet zonder meer afwezig is. Oplossingsrichtingen: − Intern salderen is op dit moment alleen voor projecten vergunningplichtig. De provincie Noord-Brabant verstrekt nu geen vergunningen. De komende week zal voor een planspoor een uitspraak volgen. Op dit moment kan intern salderen nog gebruikt worden (hieruit blijkt dat er geen overschrijdingen zijn), maar aan de hand van de komende jurisprudentie is mogelijk dat hier ook een vergunningplicht op komt te liggen. Zoals aangegeven is de provincie Noord-Brabant is op dit moment beleid voor dit onderdeel aan het formuleren; − Passende beoordeling: Op dit moment wordt een passende beoordeling opgesteld. − Faseren: uit berekeningen blijkt dat er voor het jaar 2030 geen overschrijdingen zijn. Door het toepassen van intern salderen is het planeffect inzichtelijk gemaakt (rapport P.M.). Hiervoor is geen vergunning nodig. Door fasering of tijdens de projectfase te opteren voor een vergunning Natura 2000-activiteit is het plan uitvoerbaar. Natuurnetwerk Nederland

Verder blijkt uit de quick scan dat het besluitgebied geen onderdeel uitmaakt van Natuurnetwerk Nederland of ander provinciaal beschermd natuurgebied aanwezig is. De provinciale bescherming van deze gebieden staat de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg en nader onderzoek hiernaar is niet noodzakelijk. Beschermde soorten Streng beschermingsregime

Uit de quick scan blijkt dat de volgende vogelsoorten waarvan het nest jaarrond is beschermd in of in de directe omgeving van het besluitgebied potentieel voor kunnen komen en kunnen nestelen: − Sperwer, boomvalk − Ransuil − Steenuil Indien de heesters op de westelijke grens van het besluitgebied worden verwijderd, dan is nader onderzoek naar huismus ook noodzakelijk. Deze soorten zijn meegenomen in het nader soortenonderzoek (zie verderop). Verder blijkt uit de quick scan dat de volgende streng beschermde soorten volgens de Habitatrichtlijn of niet vrijgestelde soorten van het beschermingsregime ‘andere soorten’ in of in de directe omgeving van het besluitgebied potentieel voor kunnen komen: − Vliegroute en foerageergebied vleermuizen

62

Om uitsluitsel te krijgen over de aan- of afwezigheid van deze soorten dient nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden. Ook deze soorten zijn meegenomen in het nader soortenonderzoek (zie verderop). Daarnaast wordt het oostelijke deel van het besluitgebied gebruikt als migratieroute van de das. Daarom dienen preventieve maatregelen, zoals beschreven in paragraaf 3.5.1.2 van de quick scan natuur, getroffen te worden om een schadelijke handeling onder de Omgevingswet te voorkomen. Uit de quick scan blijkt dat vogelsoorten waarvan het nest niet jaarrond is beschermd in of in de directe omgeving van het besluitgebied tot broeden kunnen komen. Derhalve dienen preventieve maatregelen, zoals beschreven in paragraaf 3.3.3.2 van de quick scan, getroffen te worden om een schadelijke handeling onder de Omgevingswet te voorkomen. Specifieke zorgplicht

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Asten&id=efbde086-6823-4b42-a01b-3d5d230a11c5