CConstaterende datAsten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Voorontwerp wijziging omgevingsplan Asten Biesvelden 1 (motivering, regels en verbeelding)

Raadscommissie Ruimte 10 februari 2026, gemeente AstenBij agendapunt: Voorontwerp wijziging omgevingsplan Asten Biesvelden 1 (opiniërend) met presentatie25.449 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Uit de quick scan blijkt dat soorten voor kunnen komen die enkel onder de specifieke zorgplicht vallen en niet onder een strenger beschermingsregime. Deze vallen binnen de volgende soortgroepen: − Vogels − Zoogdieren − Amfibieën Maatregelen, zoals opgesomd in paragraaf 3.12 van de quick scan natuur, dienen getroffen te worden. Indien het uitvoeren van deze maatregelen (deels) niet mogelijk is, dient afstemming plaats te vinden met een deskundig ecoloog. Nader soortenonderzoek

Naar aanleiding van de bevindingen uit de hierboven genoemde quick scan natuur is een Nader soortenonderzoek uitgevoerd door Staro 10 (zie bijlage 10 bij voorliggende motivering). De soorten die tijdens dit onderzoek zijn onderzocht zijn: huismus, vleermuizen, boomvalk en sperwer, ransuil en steenuil. Navolgend worden de conclusies uit dit nader onderzoek uiteengezet. Huismus Voor de huismus kunnen negatieve effecten als gevolg van de werkzaamheden worden uitgesloten en zijn geen aanvullende maatregelen nodig. Vleermuizen Tijdens het onderzoek zijn verschillende soorten vleermuizen foeragerend en passerend waargenomen rond de bomenrij, waarbij het gebruik van het lijnvormig element als essentieel vliegroute en essentieel foerageergebied is bevestigd. De bomen worden echter ontzien. Tijdens de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met verstoring van vleermuizen door extra verlichting te voorkomen, of

10

Staro (2025) Nader onderzoek Koestraat te Asten. Projectnummer: P2024-0293, 29 oktober 2025.

63

gebruik te maken van vleermuisvriendelijke verlichting met armatuur die uitstraling naar de bomenrij voorkomt. Boomvalk en sperwer Geen nesten en activiteit van boomvalk en sperwer zijn waargenomen binnen het plangebied. Er hoeven geen aanvullende maatregelen ten behoeve van boomvalk en sperwer genomen worden. Ransuil Geen ransuil nesten of activiteit is waargenomen binnen het plangebied. Geen maatregelen hoeven genomen te worden ten behoeve van deze soort. Steenuil Binnen het plangebied is geen nest aanwezig, ook is er geen sprake van essentieel foerageergebied dat overlapt met het plangebied. Negatieve effecten door de geplande werkzaamheden op steenuil kan worden uitgesloten en geen aanvullende maatregelen hoeven genomen te worden. Overige soorten Gedurende het onderzoek zijn zangvogels waargenomen. Voor deze soort geldt een zorgplicht. Door werkzaamheden uit te voeren wanneer geen broedgeval aanwezig is en buiten het broedseizoen zal verstoring worden voorkomen. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot en met juli. 4.12.3

Conclusie Indien rekening wordt gehouden met bovenstaande maatregelen ten aanzien van soortenbescherming, dan resulteert het aspect natuur niet in een belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Ten aanzien van stikstof kan voor de projectfase geopteerd worden voor fasering van de ontwikkeling of een vergunning Natura 2000-activiteit. Daarmee is het plan uitvoerbaar.

4.13

Archeologie

4.13.1

Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met archeologische waarden. De Omgevingswet schrijft voor dat het aspect archeologie een plek heeft in het omgevingsplan. In het omgevingsplan is vastgesteld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. De instructieregels voor de omgang met archeologie in het omgevingsplan zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.130, eerste lid). Uitgangspunt is dat bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. De archeologische verwachtingswaarde en de omgang daarmee legt de gemeente vast in het omgevingsplan (artikel 5.130 lid 3, 4 en 5 Bkl). Wanneer er een archeologische verwachtingswaarde is voor het projectgebied, moet er een 64

archeologisch onderzoek uitgevoerd worden conform de door de gemeente gestelde voorwaarden. De uitkomsten van het onderzoek bepalen of vervolgonderzoek nodig is en of de bodemroerende werkzaamheden kunnen plaatsvinden. 4.13.2

Toetsing In het kader van voorliggende ontwikkeling is een archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek11 uitgevoerd. Op grond van de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd dat de C-horizont zal worden vergraven als gevolg van de ingrepen die worden uitgevoerd in het kader van voorliggende woningbouwontwikkeling. De kans dat behoudenswaardige archeologische resten worden verstoord, wordt echter als klein ingeschat. Daarom adviseert Bureau voor Archeologie om het besluitgebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling en is nader onderzoek niet nodig. Het rapport is tevens getoetst door het bevoegde gezag en de beoordelaars kunnen zich vinden in dit advies.

4.13.3

Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend project.

4.14

Cultuurhistorie

4.14.1

Algemeen Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Uit Europees beleid volgt dat, voorafgaand aan de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen, onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van cultuurhistorische waarden en daar zoveel mogelijk rekening mee houden. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.130, eerste lid) zijn instructieregels opgenomen die zich richten op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, (voorbeschermde) Rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van Rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.

4.14.2

Toetsing In het kader van voorliggende ontwikkeling is de ‘Cultuurhistorische Waardenkaart herziening 2025’ van de provincie Noord-Brabant geraadpleegd12. Hieruit volgt dat er binnen het besluitgebied geen monumenten waarden aanwezig zijn en geen wettelijk beschermde cultuurhistorische waarden. Het besluitgebied is gelegen binnen een landschap dat op de kaart is aangeduid als het 'Dekzandeiland Asten-Deurne'.

11

12

Bureau voor Archeologie (2025) Archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek Koestraat Asten. Rapportnummer: 1509, 28 januari 2025. https://geoportaal.brabant.nl/portal/apps/experiencebuilder/experience/?id=aa4b567c6071428e99a4b9b9e1c4bca1&page=Legenda#data_s=id%3AdataSource_11973475bcea-layer-89-1973475bd0c-layer-93-1973475bd14-layer-111%3A4 geraadpleegd op 16 juli 2025.

65

Dit landschap met cultuurhistorisch belang bestaat uit dekzandeilanden die van elkaar worden gescheiden door beekdalen. De Koestraat en de Beekerloop zijn belangrijke ruimtelijke en functionele (cultuurhistorisch bepaalde) elementen die als zodanig zijn meegenomen in het stedenbouwkundig plan en ook in de toekomst een belangrijke rol blijven spelen. Asten is een dekzandeiland dat gescheiden wordt van andere eilanden door omliggende beken (waaronder de Beekerloop). De beoogde ontwikkeling van Biesvelden heeft geen gevolgen voor de cultuurhistorische waarden in de omgeving van de projectlocatie en is in het kader van cultuurhistorie dan ook uitvoerbaar. 4.14.3

Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.

4.15

Verkeer en parkeren

4.15.1

Algemeen Verkeer

In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot mobiliteit en parkeren. De verkeersveiligheid is primair geborgd in de weg- en verkeerswetgeving, waaronder de Wegenverkeerswet. Daarnaast zijn richtlijnen opgenomen in het Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom (ASVV). Parkeren

Bij nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving dient aangetoond te worden dat voorzien wordt in de aanleg en instandhouding van voldoende parkeergelegenheid. Hiervoor worden gemeentelijke parkeernormen uit de Nota parkeernomen 2016 gemeente Asten gebruikt. De parkeerkencijfers van het CROW geven een bandbreedte aan, minimaal en maximaal. De gemeente Asten heeft als uitgangspunt dat het gemiddelde van de bandbreedte wordt aangehouden als basis voor de parkeernorm. 4.15.2

Toetsing Verkeer

Aan de hand van CROW, Parkeerkencijfers 2024, d.d. augustus 2024, is de verkeersgeneratie bepaald. Op basis van de omgevingsadressendichtheid (CBS, 2024) wordt de stedelijkheidsgraad van een gemeente vastgesteld. De gemeente Asten wordt geclassificeerd als ‘matig stedelijk’. Onderhavige locatie wordt beschouwd als ‘rest bebouwde kom’. Navolgende tabel geeft de verkeersgeneratie weer van de beoogde nieuwbouw waarbij het getal naar boven is afgerond. Zo wordt de worstcase situatie berekend.

66

Berekening verkeersgeneratie per etmaal Bovenop de hierboven beschreven verkeersgeneratie wordt gerekend met een aantrekkende werking volgens het CROW (2024) van 0,018 vrachtautobewegingen per woning per weekdag-etmaal, met een gelijke verdeling over middelzwaar en zwaar verkeer. In dit geval betreft dit, naar boven afgerond, gemiddeld per jaar 374 middelzware en 374 zware vrachtverkeerbewegingen per jaar. Parkeren

Uitgaande van de parkeernormen uit de Nota parkeernormen 2016 van de gemeente Asten, bedraagt de totale parkeerbehoefte afgerond 436 parkeerplaatsen (zie navolgende tabel). Berekening parkeerbehoefte kenmerk

aantal

kencijfer

per

parkeerbehoefte

Koop , tussen/hoek

109

2,0

woning

218,0

Koop, twee-onder-een-kap

36

2,2

woning

79,2

Koop, vrijstaand

14

2,3

woning

32,28

Huur, etage, midden/goedkoop 47

1,4

woning

65,8

Huur, vrije sector

20

2,0

woning

40,0

totaal

226

435,28

Hierin wordt voorzien. Er worden namelijk in totaal 440 parkeerplaatsen gerealiseerd in het plan. Daarvan zijn 205 parkeerplaatsen in een parkeerkoffer voorzien, 137 parkeerplaatsen in de openbare ruimte en 98 parkeerplaatsen op eigen terrein (zie onderstaande tabel en paragraaf 2.2 in deze motivering).

Verdeling parkeerplaatsen (Bron: SAB).

67

4.15.3

Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.

4.16

Omgevingskwaliteit

4.16.1

Algemeen Een goede omgevingskwaliteit is een van de centrale doelstellingen van de Omgevingswet (artikel 1.3). De Omgevingswet legt zowel initiatiefnemers als overheden een zorgplicht op voor verbetering van de omgevingskwaliteit. Om de omgevingskwaliteit te waarborgen zijn gemeenten verplicht dit aspect op te nemen in het omgevingsplan. Initiatiefnemers moeten het aspect opnemen bij de aanvraag van een omgevingsvergunning. Er is geen heldere definitie van het begrip omgevingskwaliteit. Onderdelen die bijdragen aan een goede omgevingskwaliteit zijn het stedenbouwkundige plan, architectuur, natuur en landschap. Wanneer deze losse aspecten kwaliteit hebben leidt dat tot ’omgevingskwaliteit’. De gemeente is op basis van de artikelen 2.4 en 4.2 van de Omgevingswet verplicht dit aspect mee te nemen bij de ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ (etfal). De gemeente is vrij om dit te doen door middel van beleid of door regels. Of het aspect omgevingskwaliteit getoetst moet worden aan het omgevingsplan of aan de omgevingsvisie is daarom afhankelijk van de keuze van de gemeente.

4.16.2

Toetsing Met onderhavige ontwikkeling is zoveel mogelijk aangesloten bij de ambities en doelen uit de gemeentelijke omgevingsvisie en sluit qua stedenbouwkundig plan aan bij het dorpse karakter van Asten.

4.16.3

Conclusie Het aspect omgevingskwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.

4.17

Niet gesprongen explosieven Tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben binnen de gemeente Asten verschillende gevechtshandelingen plaatsgevonden waardoor niet gesprongen Conventionele Explosieven (CE) in de bodem kunnen zijn achtergebleven. Dit betekent dat bij te verrichten werkzaamheden in de bodem, mogelijk aanwezige explosieven een reëel gevaar kunnen opleveren voor betrokken medewerkers en de (directe) omgeving.

4.17.1

Toetsing Voor het project Biesvelden fase 1 in de gemeente Asten worden diverse bodemroerende werkzaamheden uitgevoerd. De Arbeidsomstandighedenwet stelt dat er gezorgd moet worden voor een veilige werkplek.

68

Voor het gehele plangebied is een risicoanalyse13 uitgevoerd (bijlage 12 bij voorliggende motivering). Hieruit volgt dat AVG adviseert om ter plaatse van de grondroerende werkzaamheden in het onderzoeksgebied opsporingswerkzaamheden uit te (laten) voeren. Enkel werkzaamheden ter plaatse van de Koestraat, die niet dieper worden uitgevoerd dan het bestaande cunet, kunnen onder reguliere omstandigheden worden uitgevoerd. 4.17.2

Conclusie Het aspect niet gesprongen explosieven vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project. Wel dient rekening gehouden te worden met de risico’s en adviezen uit het rapport in bijlage 12 bij deze motivering.

13

AVG (2025) Risicoanalyse ontplofbare oorlogsresten Asten, Biesvelden fase 1. Projectnummer: 144000058, 1 augustus 2025.

69

5 Juridische planopzet De regels bevatten de juridische vertaling van de in het besluitgebied voorkomende functies en gebiedsaanwijzingen. De volgende functies maken onderdeel uit van het plan: − Wonen − Wonen - Woonwagenstandplaats − Groen − Verkeer − Water − Beschermingszone watergang

70

6 Uitvoerbaarheid 6.1

Economische uitvoerbaarheid Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Dat zijn: − aangewezen bouwactiviteiten − aangewezen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen Het overzicht van kostenverhaalplichtige activiteiten staat in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit. De gemeente is zelf initiatiefnemer. Ze kan daardoor zelf de ruimtelijke procedure begeleiden en heeft genoeg financiële middelen om de plankosten te dragen.

6.2

Maatschappelijk uitvoerbaarheid

6.2.1

Participatie Op grond van artikel 10.2 van het Omgevingsbesluit wordt bij het vaststellen van een omgevingsplan aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Daarbij moet worden aangegeven op welke wijze invulling is gegeven aan het toepassen van eventueel gemeentelijk participatiebeleid.

6.2.2

Overlegpartners Burgemeester en wethouders dienen bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het project in het geding zijn. In dit kader wordt de ruimtelijke onderbouwing voor advies toegezonden aan betrokken instanties.

6.2.3

Zienswijzen Het ontwerp-omgevingsplan zal voor een periode van zes weken voor een ieder ter inzage liggen. Een ieder kan in deze periode zienswijzen indienen. In deze paragraaf of in een bijlage bij dit omgevingsplan zullen de binnengekomen zienswijzen worden samengevat en van een antwoord worden voorzien.

71

Regels

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1

Algemene bepalingen

Hoofdstuk 21 ONTWIKKELINGEN

3 4

Afdeling 21.1

Algemene regels voor ontwikkelingen

4

Afdeling 21.2

Andere ontwikkeling

5

Afdeling 21.3

Biesvelden fase 1

5

Bijlagen bij regels

22

Bijlage I Begripsbepalingen

23

Bijlage II Meet- en rekenbepalingen

24

Bijlage III Natuur inclusief bouwen - keuzelijst

25

Bijlage IV Toegesneden lijst van bedrijfstypen

26

Bijlage V Stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitsplan

27

Bijlage VI Hogere waarden wegverkeerslawaai

28

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1

Begripsbepalingen

Lid 1 Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit omgevingsplan. Lid 2 Bijlage I bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van dit omgevingsplan.

Artikel 2 Wijze van meten Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de meet- en rekenbepalingen uit bijlage II bij dit omgevingsplan.

3

Hoofdstuk 21 ONTWIKKELINGEN Afdeling 21.1

Algemene regels voor ontwikkelingen

Paragraaf 21.1.1

Algemene regels

Artikel 21.1

Toepassingsbereik Dit hoofdstuk bevat regels die nodig zijn voor gewenste ontwikkelingen, omdat deze ontwikkelingen in strijd zijn met het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Daarom is het hoofdstuk alleen van toepassing op de volgende locatie (werkingsgebied): a Biesvelden fase 1.

Artikel 21.2

Voorrangsregels a De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk. b Voor zover de regels uit andere hoofdstukken van het omgevingsplan afwijken van de regels in dit hoofdstuk gaan de regels uit dit hoofdstuk voor. c De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.

Artikel 21.3

Voor wie gelden deze regels? Aan dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 21.4

Specifieke zorgplicht Degene die een activiteit als bedoeld in dit hoofdstuk verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de oogmerken, met het oog waarop de regels in de betreffende afdeling of paragraaf zijn gesteld, is verplicht: a alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

Artikel 21.5

Algemeen verbod Lid 1 Het is verboden locaties waar op grond van dit omgevingsplan bepaalde activiteiten zijn toegestaan, te gebruiken in strijd met de regels van dit hoofdstuk.

4

Lid 2 Activiteiten die niet zijn benoemd in dit omgevingsplan en die een mogelijk effect kunnen hebben op de fysieke leefomgeving zijn niet toegestaan. Artikel 21.6

Waterhuishouding In aanvulling op artikel 22.29 van dit omgevingsplan wordt een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit alleen verleend, als wordt aangetoond dat wordt voldaan aan de eisen uit het geldend Wrp of diens rechtsopvolgers.

Artikel 21.7

Maatwerkvoorschriften Lid 1 Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen over de artikelen in dit hoofdstuk, met uitzondering van bepalingen over meet- en rekenmethoden Lid 2 Met maatwerkvoorschriften kan het bevoegd gezag de artikelen in dit hoofdstuk aanvullen, nader invullen of ervan afwijken. Lid 3 Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk kan worden verbonden.

Afdeling 21.2

Andere ontwikkeling

Afdeling 21.3

Biesvelden fase 1

Paragraaf 21.3.1

Gebiedsaanwijzingen

Subparagraaf 21.3.1.1 Artikel 21.8

Algemene regels Toepassingsbereik Deze afdeling gaat over het aanwijzen van gebieden met aldaar te beschermen aanwezige waarden en elementen.

Paragraaf 21.3.2 Subparagraaf 21.3.2.1 Artikel 21.9

Gebruiksactiviteiten Algemene regels over gebruik Algemeen toegestane activiteiten Lid 1 Gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor de functies die zijn genoemd in de subparagrafen van deze paragraaf. Lid 2 Naast de functies uit de subparagrafen zijn de volgende ondergeschikte activiteiten toegestaan. Het gaat hier om het gebruiken van gronden en bouwwerken voor: a tuinen, erven en terreinen;

5

b water, zoals sloten, kanalen en vijvers, en wat daarbij hoort, zoals oevers; c waterberging en riolering; d allerlei soorten groen, zoals bomen, struiken en planten; e parkeerplaatsen ten behoeve van de aanwezige functie; f

voet- en fietspaden;

g speelvoorzieningen; en h voorzieningen van openbaar nut. Artikel 21.10

In gebruik nemen geluidgevoelig gebouw Een gebouw ten behoeve van een geluidsgevoelige functie mag uitsluitend in gebruik worden genomen indien wordt voldaan aan de waarden uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

Artikel 21.11

Parkeren Lid 1 Bij het gebruik van gronden of bouwwerken wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid volgens de normering per woning zoals deze is opgenomen in de Nota parkeernormen van de gemeente Asten. Lid 2 Indien in de in het eerste lid bedoelde parkeergelegenheid wordt voorzien op eigen terrein, moet de stallingsruimte per auto voldoen aan de inrichtingseisen uit de Nota parkeernormen van de gemeente Asten. Lid 3 Het bevoegd gezag kan, naast de maatwerkmogelijkheden die in de Nota Parkeernormen Asten zijn opgenomen, een maatwerkvoorschrift opstellen waarmee kan worden afgeweken van lid 1 en lid 2, indien naar het oordeel van het bevoegd gezag: a sprake is van bijzondere gebieden of bijzondere situaties; en b geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bereikbaarheid en/of ruimtelijke situatie. Lid 4 Aan het in lid 3 bedoelde maatwerkvoorschrift kunnen regels worden verbonden die nodig zijn om het behoud van een passend aantal parkeerplaatsen te waarborgen. Lid 5 Bij het verzoek tot het geven van een maatwerkvoorschrift worden in elk geval de volgende gegevens verstrekt: a het planologisch gebruik dat plaatsvindt en het aantal feitelijk beschikbare parkeerplaatsen dat daarbij aanwezig is; en b een omschrijving van de beoogde wijziging waarop verzoek tot het geven van een maatwerkvoorschrift betrekking heeft.

6

Artikel 21.12

Verboden gebruik Gebruiksactiviteiten die niet voldoen aan de regels uit Paragraaf 21.3.2 zijn verboden. Dit betreft in ieder geval het gebruiken van gronden en bebouwing voor: a seksinrichtingen; b prostitutie; c opslag van stoffen in de buitenlucht, tenzij dit specifiek is toegestaan bij een gebruiksactiviteit; en d verkooppunt voor motorbrandstoffen of andere explosiegevaarlijke stoffen.

Artikel 21.13

Voorwaardelijke verplichting natuurinclusieve maatregelen a Gebruik als bedoeld in artikel Artikel 21.15 is enkel toegestaan indien vanaf een jaar na ingebruikname van de woning natuurinclusieve maatregelen zijn getroffen en in stand worden gehouden. b De in het eerste lid bedoelde natuurinclusieve maatregelen dienen tenminste vijf punten per woning te behalen volgens de puntentelling uit Bijlage III Puntentelling natuurinclusief bouwen.

Subparagraaf 21.3.2.2 Subsubparagraaf 21.3.2.2.1 Artikel 21.14

Wonen Wonen algemeen Waar gaat deze subparagraaf over? Deze subparagraaf gaat over het gebruik van gronden en bouwwerken voor wonen in het gebied 'Wonen'.

Subsubparagraaf 21.3.2.2.2 Artikel 21.15

Toegestaan gebruik zonder vergunning Algemene regels toegestaan gebruik Lid 1 Het gebied ‘Wonen’ heeft als hoofdfunctie het gebruik voor wonen. Per bouwvlak is het aantal woningen toegestaan zoals is aangegeven met de omgevingsnorm 'H21 Biesvelden 1 - maximum aantal wooneenheden’ op de kaart. Lid 2 In het gebied ‘Wonen’ mogen woningen en bijbehorende bouwwerken mede worden gebruikt voor: a mantelzorgwonen; b aan huis verbonden beroep voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit Artikel 21.16; c een bed & breakfast indien voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit Artikel 21.17; d tuinen en erven; en e parkeren.

Artikel 21.16

Aan huis verbonden beroep In het gebied 'Wonen' is een aan huis verbonden beroep zonder omgevingsvergunning toegestaan onder de volgende voorwaarden:

7

a de omvang van de activiteit mag niet meer bedragen dan 25 m 2; b de activiteit vindt plaats in de woning en/of een aangebouwd bijbehorend bouwwerk; c er is geen sprake van een verkeersaantrekkende werking; d er is geen sprake van een bezoekfunctie; e detailhandel is niet toegestaan; f

de activiteit wordt uitgeoefend door de bewoner; en

g er mag geen sprake zijn van hinder voor omliggende woningen/woonwagens. Artikel 21.17

Bed en breakfast In het gebied 'Wonen' is een bed & breakfast zonder omgevingsvergunning toegestaan onder de volgende voorwaarden: a wonen blijft de hoofdfunctie; b de gebruiksruimte voor bed & breakfast bedraagt niet meer dan 25 m 2; c de bed & breakfast wordt gebruikt door maximaal twee personen; d er is voldoende parkeerruimte zoals beschreven in Artikel 21.11; e belangen van derden worden niet onevenredig geschaad.

Artikel 21.18

Mantelzorg Het gebruik van een gebouw voor huisvesting in verband met mantelzorg is toegestaan.

Subsubparagraaf 21.3.2.2.3 Artikel 21.19

Toegestaan gebruik met vergunning Aan huis verbonden beroep of bedrijf In het gebied 'Wonen' kan een aan huis verbonden beroep of bedrijf in de woning of bijbehorende bouwwerken met omgevingsvergunning worden toegelaten onder de volgende voorwaarden: a de beroeps- of bedrijfsactiviteiten zijn beperkt tot een oppervlakte van maximaal 50 m2; b de woonfunctie blijft behouden als hoofdfunctie; c de activiteiten worden door de bewoner uitgevoerd; d indien de bewoner wordt ondersteund door personeel, dit tot een maximum van 1 FTE is toegestaan; e de activiteit is niet aangewezen als vergunningplichtige milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; f

het aan huis gebonden bedrijfsactiviteiten betreft: 1 categorie 1-bedrijven volgens de Toegesneden lijst van bedrijfstypen, die als bijlage IV is opgenomen bij deze regels, dan wel naar oordeel van het bevoegd gezag daarmee vergelijkbare activiteiten;

g het een aan huis gebonden bedrijven betreft; h er geen detailhandel ter plaatse plaatsvindt, anders dan ondergeschikt en inherent aan het toegestane gebruik; i

het gebruik mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de verkeersontsluitings- en parkeersituatie ter plaatse;

j

belangen van derden worden niet onevenredig geschaad;

k wordt voldaan aan de regels voor parkeren zoals opgenomen in Artikel 21.10;

8

l

wordt voldaan aan de regels over milieubelastende activiteiten zoals opgenomen in afdeling 22.3.

Artikel 21.20

Bed en breakfast In het gebied 'Wonen' is een bed & breakfast met meer dan twee bedden en/of groter dan 25 m2 toegestaan met een omgevingsvergunning als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a wonen blijft de hoofdfunctie; b de gebruiksruimte voor bed & breakfast bedraagt niet meer dan 50 m 2; c de bed & breakfast wordt gebruikt door maximaal 6 personen; d er is voldoende parkeerruimte zoals beschreven Artikel 21.11; e belangen van derden worden niet onevenredig geschaad.

Subsubparagraaf 21.3.2.2.4 Artikel 21.21

Verboden gebruik Gebruik bijgebouwen Bijgebouwen mogen niet worden gebruikt: a als zelfstandige woning, met uitzondering van een mantelzorgwoning; b voor de uitoefening van handel en/of bedrijf.

Artikel 21.22

Overbewoning woonruimte Lid 1 Met het oog op het beschermen van de bewoners wordt een woning niet bewoond door meer dan één persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte. Lid 2 Het eerste lid is niet van toepassing op woonruimte waarin door het Centraal Orgaan Opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden.

Subparagraaf 21.3.2.3 Subsubparagraaf 21.3.2.3.1 Artikel 21.23

Wonen - Woonwagenstandplaats Wonen – Woonwagenstandplaats algemeen Waar gaat deze subparagraaf over? Deze subparagraaf gaat over het gebruik van gronden en bouwwerken voor wonen in een woonwagen in het gebied 'Wonen - Woonwagenstandplaats'.

Subsubparagraaf 21.3.2.3.2 Artikel 21.24

Toegestaan gebruik zonder vergunning Algemene regels toegestaan gebruik Lid 1 In het gebied ‘Wonen – Woonwagenstandplaats’ mag gewoond worden in een woonwagen. Per bouwvlak is het aantal woonwagens toegestaan zoals is aangegeven met de omgevingsnorm 'H21 Biesvelden 1 - maximum aantal wooneenheden’ op de kaart.

9

Lid 2 In het gebied ‘Wonen – Woonwagenstandplaats’ mogen de woonwagens en bijbehorende bouwwerken mede worden gebruikt voor: a mantelzorgwonen; b tuinen en erven; c parkeren. Subsubparagraaf 21.3.2.3.3 Artikel 21.25

Verboden gebruik Gebruik bijgebouwen Bijgebouwen mogen niet worden gebruikt: a als zelfstandige woning, met uitzondering van een mantelzorgwoning; b voor de uitoefening van handel en/of bedrijf.

Artikel 21.26

Overbewoning woonruimte Lid 1 Met het oog op het beschermen van de bewoners wordt een woonwagen niet bewoond door meer dan één persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte. Lid 2 Het eerste lid is niet van toepassing op woonruimte waarin door het Centraal Orgaan Opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden.

Subparagraaf 21.3.2.4 Subsubparagraaf 21.3.2.4.1 Artikel 21.27

Water Algemeen Waar gaat deze subparagraaf over? Deze subparagraaf gaat over het gebruiksdoel van de gebieden 'Water'.

Subsubparagraaf 21.3.2.4.2 Artikel 21.28

Toegestaan gebruik zonder vergunning Water algemeen toegestaan gebruik Lid 1 Het gebied ‘Water’ heeft als hoofdfunctie het gebruik voor water. Lid 2 In het gebied ‘Water’ mogen de gronden gebruikt worden voor: a water, waterpartijen en waterhuishoudkundige doeleinden, waaronder het ontvangen, vasthouden, (tijdelijk) bergen en afvoeren van water, eventueel gecombineerd met infiltratie van water in de bodem; b het behoud, versterking en ontwikkeling van natuurvriendelijke oevers; c herstel en ontwikkeling van de natuurlijke, landschappelijke en ecologische waarden en meandering van de waterloop; d bijbehorende voorzieningen, zoals bruggen, duikers, steigers, kademuren en overbeschoeiingen; en e de aanleg en instandhouding van natuurinclusieve maatregelen.

10

Subparagraaf 21.3.2.5 Subsubparagraaf 21.3.2.5.1 Artikel 21.29

Groen Algemeen Waar gaat deze subparagraaf over? Deze subparagraaf gaat over het gebruik van gronden en bouwwerken voor groenvoorzieningen in het gebied ' Groen'.

Subsubparagraaf 21.3.2.5.2 Artikel 21.30

Toegestaan zonder vergunning Groen algemeen toegestaan gebruik Lid 1 Het gebied ‘Groen’ heeft als hoofdfunctie het gebruik voor groenvoorzieningen. Lid 2 De gronden en bouwwerken in het gebied 'Groen' mogen gebruikt worden voor groen, zoals trapvelden, speelplaatsen, plantsoenen, waterpartijen en fiets- en voetpaden.

Subparagraaf 21.3.2.6 Subsubparagraaf 21.3.2.6.1 Artikel 21.31

Verkeer Algemeen Waar gaat deze subparagraaf over? Deze subparagraaf gaat over het gebruik van gronden en bouwwerken voor verkeersactiviteiten in het gebied 'Verkeer'.

Subsubparagraaf 21.3.2.6.2 Artikel 21.32

Toegestaan zonder vergunning Verkeer algemeen toegestaan gebruik Lid 1 Het gebied ‘Verkeer’ heeft als hoofdfunctie het gebruik voor het ontwikkelen en beheren van de verkeersstructuur en het zich verplaatsen, vervoeren en parkeren. Lid 2 De gronden en bouwwerken in het gebied ‘Verkeer’ mogen worden gebruikt voor: a bewegend en stilstaand verkeer en de daarbij behorende voorzieningen; b nutsvoorzieningen; c groen; d duurzaam bodem- en waterbeheer, waaronder begrepen watergangen, zaksloten en infiltratievoorzieningen.

Paragraaf 21.3.3 Subparagraaf 21.3.3.1 Artikel 21.33

Bouw- en sloopactiviteiten Algemene regels over bouwen en slopen Toepassingsbereik De omgevingsplanactiviteit bouwen is alleen toegestaan voor zover wordt voldaan aan:

11

a de regels over gebruik in Paragraaf 21.3.2; b de regels over bouwen en slopen in Paragraaf 21.3.3 en hoofdstuk 22; c de regels over grondwerkzaamheden in Paragraaf 21.3.4; d het Beeldkwaliteitsplan Biesvelden 1, welke als bijlage V bij deze regels is gevoegd. Artikel 21.34

Omgevingsvergunning voor bouwen Om een omgevingsplanactiviteit bouwen te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken is een omgevingsvergunning nodig tenzij: a in Paragraaf 21.3.3 is aangegeven dat mag worden gebouwd zonder omgevingsvergunning; of b op grond van artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving zonder omgevingsvergunning mag worden gebouwd.

Artikel 21.35

Aanvullende beoordelingsregel beeldkwaliteit In aanvulling op artikel 22.29 van dit omgevingsplan wordt een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een bouwactiviteit alleen verleend als aan eisen uit het Beeldkwaliteitsplan Biesvelden 1, welke als bijlage V bij deze regels is gevoegd, wordt voldaan.

Artikel 21.36

Aanvullende beoordelingsregel ondergronds bouwen In aanvulling op artikel 22.29 van dit omgevingsplan wordt een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een bouwactiviteit ondergronds bouwen verleend onder de volgende voorwaarden: a ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan onder bouwwerken; b het oppervlak aan ondergrondse bouwwerken mag niet meer bedragen dan het toegestane oppervlak aan bouwwerken boven peil vermeerderd met een hellingbaan met een oppervlakte van maximaal 25 m²; c in de voorgevelrooilijn en bij hoekpercelen ook in de zijdelingse perceelsgrens, is ten hoogste één toegang van buitenaf toegestaan met een maximale breedte van 3,50 meter; en d de ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse bouwwerken bedraagt maximaal 4 meter onder peil.

Artikel 21.37

Aanvullende beoordelingsregel parkeerplaatsen Lid 1 Een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 21.34 wordt alleen verleend als wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid zoals opgenomen in de Nota parkeernormen Asten. Lid 2 Als de onder het eerste lid genoemde beleidsregel wordt gewijzigd, wordt aan de hand van de nieuwe beleidsregel bepaald of sprake is van voldoende parkeergelegenheid.

12

Subparagraaf 21.3.3.2

Hoofdgebouwen

Subsubparagraaf 21.3.3.2.1

Algemene regels

Artikel 21.38

Waar gaat deze subparagraaf over? Deze subparagraaf gaat over het bouwen, veranderen en uitbreiden van hoofdgebouwen.

Subsubparagraaf 21.3.3.2.2 Artikel 21.39

Toegestaan zonder vergunning Gebouwen ten behoeve van nutsvoorziening Gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen mogen zonder omgevingsvergunning worden gebouwd onder de volgende voorwaarden: 1 de bouwhoogte is maximaal 3 m; en 2 de oppervlakte is maximaal 30 m2 .

Subsubparagraaf 21.3.3.2.3 Artikel 21.40

Toegestaan met vergunning Bouwen van een hoofdgebouw Lid 1 Een hoofdgebouw mag worden gebouwd indien hiervoor een vergunning is verleend. Lid 2 De omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als het hoofdgebouw voldoet aan de volgende voorwaarden: a Het hoofdgebouw wordt uitsluitend gebouwd binnen het bouwvlak; b Ter plaatse van de omgevingsnorm ‘H21 Biesvelden 1 - maximum aantal wooneenheden’ mag het aantal woningen ten hoogste het aangegeven aantal bedragen; c Een bouwvlak mag 100% worden bebouwd, tenzij een ander bebouwingspercentage is aangegeven als omgevingsnorm 'H21 Biesvelden 1 - maximum bebouwingspercentage (%)’; d Gestapelde woningen worden uitsluitend gebouwd ter plaatse van het gebied ‘gestapeld [gs]’; e Aaneengebouwde woningen worden uitsluitend gebouwd ter plaatse van het gebied ‘aaneengebouwd [aeg]’; f

Halfvrijstaande woningen worden uitsluitend gebouwd ter plaatse van het gebied ‘twee-aaneen [tae]';

g Vrijstaande woningen worden uitsluitend gebouwd ter plaatse van het gebied ‘vrijstaand’[vrij]; h Rug aan rugwoningen worden uitsluitend gebouwd ter plaatse van het gebied ‘rug aan rug [sw-rar]’; i

Maximaal acht woningen worden aaneengesloten gebouwd ter plaatse van de aanduiding ‘H21 Biesvelden 1 - maximum 8 aaneengesloten woningen [max-8]’;

j

Ter plaatse van het gebied ‘ontsluiting [os]’ dient minimaal 1 in- en uitrit gerealiseerd te worden met een breedte van ten minste 4,5 m;

13

k De afstand tot de zijdelingse perceelsgrens is bij woningen ter plaatse van het gebied: 1 'aaneengebouwd [aeg]’ en 'twee-aaneen [tae]’ aan de niet aangebouwde zijde van de eindwoning minimaal 1 meter; 2 'vrijstaand [vrij]’ aan beide zijden minimaal 2 meter; 3 het bepaalde onder 1 niet indien de gevel aan een parkeerhof of een ontsluiting naar een parkeerhof grenst; l

De goothoogte mag niet meer bedragen dan 6,5 m, tenzij met de omgevingsnorm 'H21 Biesvelden 1 - maximum goothoogte' een andere maximale goothoogte is aangegeven op de kaart. Bij het bepalen van de goothoogte dient minimaal 75% van de totale gootlengte te voldoen aan de goothoogte;

m De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 11,5 m, tenzij met de omgevingsnorm 'H21 Biesvelden 1 - maximum bouwhoogte' een andere maximale bouwhoogte is aangegeven op de kaart; n Ter plaatse van het gebied ‘bouwvorm [bov]’ zijn vrijstaande woningen toegestaan met: − een maximale goothoogte van 4,25 meter en een maximale bouwhoogte van 7,5 meter; of − een plat dak met een maximale bouwhoogte van 4 meter, met ten hoogste 30m2 dakopbouw met een maximale bouwhoogte van 7 meter. o De voorgevel dient voor ten minste 70% in of evenwijdig aan de naar de weg gekeerde bouwgrens te worden gebouwd; p De beukmaat van halfvrijstaande woningen (‘twee-aaneen [tae]’), vrijstaande woningen (‘vrijstaand [vrij]’), en rug aan rugwoningen (‘rug aan rug [sw-rar]’) dient tenminste 5,00 meter te zijn; q De beukmaat van aaneengebouwde woningen (‘aaneengebouwd [aeg]’) dient tenminste 4,80 meter te zijn; r

In afwijking van het bepaalde onder q dient voor maximaal 50 aaneengebouwde woningen (‘aaneengebouwd [aeg]’) de minimale beukmaat ten minste 4,20 meter te bedragen;

s De woningen zijn voorzien van een plat dak ter plaatse van het gebied ‘plat dak’; t

De woningen zijn voorzien van een kap met minimaal aan één zijde een lage goot ter plaatse van het gebied ‘kapvorm 1’ conform het Beeldkwaliteitsplan opgenomen in bijlage V bij deze regels.

Artikel 21.41

Geluidsbelasting In afwijking op Artikel 21.10 en in aanvulling op Artikel 21.40 geldt ter plaatse van het gebied 'Hogere waarde geluid' dat: a de gezamenlijk waarde op de gevels niet meer mag bedragen dan is aangegeven in Bijlage VI Hogere waarde geluid bij deze regels; b de hoogste waarde op de gevels niet meer mag bedragen dan is aangegeven in Bijlage VI Hogere waarde geluid bij deze regels; c uit akoestisch onderzoek moet blijken dat voldaan wordt aan Afdeling 4.3. Gezondheid van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

14

Artikel 21.42

Gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen Gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen die niet voldoen aan de voorwaarden zoals gesteld in Artikel 21.39 zijn toegestaan met een omgevingsvergunning onder de volgende voorwaarden: 1 de bouwhoogte is maximaal 3,25 m; en 2 de oppervlakte is maximaal 50 m2.

Subparagraaf 21.3.3.3 Subsubparagraaf 21.3.3.3.1 Artikel 21.43

Hoofdgebouwen op woonwagenstandplaatsen Algemeen Waar gaat deze subparagraaf over? Deze subparagraaf gaat over het bouwen van hoofdgebouwen op woonwagenstandplaatsen.

Subsubparagraaf 21.3.3.3.2 Artikel 21.44

Toegestaan met vergunning Bouwen van een hoofdgebouw Lid 1 Binnen gebieden voor woonwagenstandplaatsen is het toegestaan een hoofdgebouw te bouwen met een omgevingsvergunning. Lid 2 De omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: 1 het gaat om een woonwagen of vrijstaande woning; 2 de bebouwing wordt in het bouwvlak geplaatst; 3 de oppervlakte van de woonwagen of vrijstaande woning is ten hoogste 105 m²; 4 bij de berekening van het oppervlak worden bestaande, buiten het bouwvlak gelegen delen van de woonwagen of vrijstaande woning meegeteld; 5 de goothoogte is ten hoogste 3,25 m; 6 de bouwhoogte is ten hoogste 6,50 m

Subparagraaf 21.3.3.4 Subsubparagraaf 21.3.3.4.1 Artikel 21.45

Bijbehorende bouwwerken en overkappingen Algemeen Waar gaat deze subparagraaf over? Deze subparagraaf gaat over het bouwen, veranderen en uitbreiden van bijbehorende bouwwerken en overkappingen.

Subsubparagraaf 21.3.3.4.2 Artikel 21.46

Toegestaan zonder vergunning Bijbehorende bouwwerken en overkappingen Lid 1 Bijbehorende bouwwerken en overkappingen mogen alleen zonder vergunning worden gebouwd indien wordt voldaan aan de voorwaarden in dit artikel.

15

Lid 2 Bijbehorend bouwwerken en overkappingen zijn gesitueerd in het gebied ‘bijgebouwen’ of in het bouwvlak. Lid 3 Bijbehorende bouwwerken en overkappingen worden minimaal 3 meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw gesitueerd. Lid 4 Het maximum oppervlak aan bijbehorende bouwwerken en overkappingen dat vergunningsvrij mag worden gebouwd in het bouwvlak en bijgebouwengebied wordt als volgt berekend: a bij een bijgebouwengebied kleiner dan of gelijk aan 100 m 2: 50% van dat bijgebouwengebied; b bij een bijgebouwengebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bijgebouwengebied dat groter is dan 100 m2; of c bij een bijgebouwengebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bijgebouwengebied dat groter is dan 300 m 2, tot een maximum van in totaal 150 m2. Lid 5 De bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken en overkappingen binnen het bouwvlak bedragen maximaal: 1 5,5 meter; 2 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en 3 de hoogte van het hoofdgebouw. Lid 6 Voor zover het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding wordt voorzien van een buitenruimte, is deze op de grond gelegen.

Lid 7 In het gebied 'bijgebouwen’ is een bijbehorend bouwwerk toegestaan met een schuin dak onder de volgende voorwaarden: a de goothoogte is maximaal 3,25 m; b de hoogte van de daknok bedraagt maximaal 5,5 m; en c wordt verder begrensd door de formule ;'maximale daknokhoogte [m] -= (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3.

16

Subsubparagraaf 21.3.3.4.3 Artikel 21.47

Toegestaan met vergunning Bijbehorende bouwwerken en overkappingen Lid 1 Indien bijbehorende bouwwerken en overkappingen niet voldoen aan de eisen uit Artikel 21.46, derde lid, mag een groter oppervlak worden gebouwd met een omgevingsvergunning. Lid 2 De omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: 1 het bijgebouwengebied mag voor niet meer dan 50% worden bebouwd; 2 het oppervlak bedraagt maximaal 150 m2; 3 het meerdere oppervlak ten opzichte van het in Artikel 21.46Lid 4 toegestane oppervlak wordt voorzien van een groen dak; 4 het woongenot op de naastgelegen percelen wordt niet geschaad; er is geen sprake van een negatieve invloed op de kwaliteit van de openbare ruimte.

Artikel 21.48

Erkers, balkons en luifels boven de voordeur Lid 1 Erkers, balkons en luifels boven de voordeur zijn toegestaan met een omgevingsvergunning. Lid 2 De omgevingsvergunning voor erkers, als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: 1 ze zijn gelegen in het gebied ‘Wonen’; 2 de breedte bedraagt maximaal 40% van de naar de weg gekeerde grens van het bouwvlak; 3 de diepte van de erker bedraagt niet meer dan 1,00 meter; 4 de hoogte van de erker bedraagt maximaal de hoogte van de begane grondlaag; 5 de afstand tot de functies uit Subparagraaf 21.3.2.5 en Subparagraaf 21.3.2.6 bedraagt niet minder dan 3,00 meter. Lid 3 In het gebied 'Wonen - Woonwagenstandplaats' wordt de vergunning als bedoeld in het eerste lid voor de bouw van erkers verleend als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: 1 de breedte maximaal 30% van de naar de weg gekeerde grens van het bouwvlak bedraagt; 2 de diepte van de erker niet meer dan 1,00 meter bedraagt; 3 de hoogte van de erker maximaal de hoogte van de begane grondlaag bedraagt; 4 de afstand tot de functies uit Subparagraaf 21.3.2.5 en Subparagraaf 21.3.2.6 bedraagt niet minder dan 3,00 meter.

17

Lid 4 Een omgevingsvergunning voor een luifel boven de voordeur wordt verleend als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: 1 de diepte bedraagt niet meer dan 1,00 m; 2 de luifel is ondergeschikt aan het ruimtelijke en architectonische beeld van de omgeving; en 3 de afstand tot de functie uit Subparagraaf 21.3.2.6 bedraagt niet minder dan 3.00 meter. Subparagraaf 21.3.3.5 Subsubparagraaf 21.3.3.5.1 Artikel 21.49

Bouwwerken geen gebouwen zijnde Algemeen Waar gaat deze subparagraaf over? Deze subparagraaf gaat over het bouwen, veranderen en uitbreiden van bouwwerken geen gebouw zijnde.

Subsubparagraaf 21.3.3.5.2 Artikel 21.50

Toegestaan zonder vergunning Sport- en speeltoestel In openbaar gebied mag een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik zonder vergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwen worden gebouwd, als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a niet hoger dan 4 m; en b alleen functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens.

Artikel 21.51

Zwembad Lid 1 Een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver is toegestaan zonder omgevingsvergunning als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: 1 het is gelegen bij een woning of woongebouw in het gebied ‘bijgebouwen’; 2 het is niet voorzien van een overkapping; 3 de oppervlakte is maximaal 10% van het bijbouwvlak en maximaal 100 m 2; 4 het is gelegen op een afstand van ten minste 3 meter van de zijdelingse en achterste perceelsgrens; en 5 het zwembad wordt niet bedrijfsmatig geëxploiteerd. Lid 2 In aanvulling op de regels ten aanzien van bouwen zijn de regels over grondwerkzaamheden uit Paragraaf 21.3.4 hier ook van toepassing

Artikel 21.52

Erf- en terreinafscheidingen Erf- en terreinafscheidingen mogen zonder vergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwen worden gebouwd, als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt maximaal 2 meter;

18

b de erf- en terreinafscheiding wordt gebouwd in een gebied ‘bijgebouwen’, een gebied ‘erf- en terreinafscheiding’ en/of een bouwvlak; c de afstand tussen een erf- en terreinafscheiding en openbaar gebied bedraagt minimaal 1 meter. Artikel 21.53

Overige bouwwerken geen gebouwen zijnde Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen zonder omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwen worden gebouwd onder de volgende voorwaarden: a overige bouwwerken worden gebouwd binnen het bouwvlak of een gebied ‘bijgebouwen’, in uitzondering hierop mag een laadpaal op het gehele bouwperceel worden gebouwd; b de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 3 meter.

Subsubparagraaf 21.3.3.5.3

Toegestaan met vergunning

Artikel 21.54

Erf- en terreinafscheidingen Lid 1 Erf- en terreinafscheidingen op de grens met het openbaar gebied zijn toegestaan met een omgevingsvergunning. Lid 2 De omgevingsvergunning voor erf- en terreinafscheidingen, als bedoeld in het eerste lid, wordt verleend als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: 1 ze zijn gelegen in het gebied ‘Wonen’; 2 ze voldoen aan de uitgangspunten uit het Beeldkwaliteitsplan uit bijlage V bij deze regels.

Artikel 21.55

Ondergronds bouwen Lid 1 Ondergronds bouwen is toegestaan met een omgevingsvergunning. Lid 2 Ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan onder bouwwerken. Lid 3 Er wordt voldaan aan de regels over grondwerkzaamheden uit Paragraaf 21.3.4. Lid 4 Het oppervlak aan ondergrondse bouwwerken mag niet meer bedragen dan het toegestane oppervlak aan bouwwerken boven peil vermeerderd met een hellingbaan met een oppervlakte van maximaal 25 m². Lid 5 De ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse bouwwerken bedraagt maximaal 4 meter onder peil.

19

Paragraaf 21.3.4 Subparagraaf 21.3.4.1 Artikel 21.56

Grondwerkzaamheden Algemeen Waar gaat deze paragraaf over? Deze paragraaf gaat over werken en werkzaamheden in of op de grond.

Artikel 21.57

Toegestaan zonder vergunning Grondwerkzaamheden in overeenstemming met de gebruiksactiviteiten zoals omschreven in Paragraaf 21.3.2 en de bouwactiviteiten in Paragraaf 21.3.3 zijn toegestaan zonder omgevingsvergunning, tenzij het grondwerkzaamheden betreft waarvoor op grond van dit hoofdstuk een verbod geldt of waarvoor een omgevingsvergunning is vereist. Indien een omgevingsvergunning is vereist op basis van deze paragraaf mag de betreffende grondwerkactiviteit uitsluitend worden uitgevoerd nadat de vergunning is verleend.

Artikel 21.58

Aanvraagvereisten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van grondwerkzaamheden worden gegevens en bescheiden verstrekt over: a de te gebruiken materialen; b de mate waarin sprake is van afvoer van grond naar een andere locatie; en c de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan aan het verrichten van de activiteit.

Subparagraaf 21.3.4.2 Subsubparagraaf 21.3.4.2.1 Artikel 21.59

Aanbrengen en verwijderen van groen (bomen, houtopstanden en planten) Algemeen Waar gaat deze subparagraaf over? Deze afdeling is van toepassing op (grond)werkzaamheden waarbij bomen, beplanting of houtopstanden worden aangebracht of verwijderd.

Subsubparagraaf 21.3.4.2.2 Artikel 21.60

Aanbrengen of verwijderen toegestaan zonder vergunning Algemene regels Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning bomen of beplanting te kappen, verwijderen of onderhouden als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden; a noodzakelijk vanwege de Plantgezondheidswet; b noodzakelijk vanwege een aanschrijving door het bevoegd gezag; c het gaat om bomen of beplanting die bestaan uit niet-geknotte populieren of wilgen die als wegbeplantingen of eenrijïge beplantingen op of langs landbouwgrond staan; d het gaat om vruchtbomen in en windschermen om boomgaarden; e het gaat om vruchtbomen in en windschermen om boomgaarden; f

het gaat om kweekgoed; of

g het gaat om bomen of beplanting die voor de instandhouding van andere bomen worden gekapt.

20

Subsubparagraaf 21.3.4.2.3 Artikel 21.61

Aanbrengen of verwijderen toegestaan met vergunning Vergunningplicht Lid 1 Het is alleen met een omgevingsvergunning toegestaan een boom te kappen of een houtopstand te vellen, als: a het om een gemeentelijke houtopstand gaat; of b het om een houtopstand gaat die is aangewezen binnen het gebied waardevolle bomen. Lid 2 Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend onder de voorwaarden dat: a de boom of de houtopstand gevaar of ernstige hinder veroorzaakt; of b een individueel of maatschappelijk belang zwaarder weegt dan het beschermen van: 1 de waarde van de boom of de houtopstand voor stads- en dorpsschoon; 2 de beeldbepalende waarde van de boom of de houtopstand; 3 de cultuurhistorische waarde van de boom of de houtopstand; en 4 de waarde voor de leefbaarheid van de boom of de houtopstand.

21

Bijlagen bij regels

22

Bijlage I Begripsbepalingen

23

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Asten&id=efbde086-6823-4b42-a01b-3d5d230a11c5