Bijlage 1 - Bestemmingsplan Asten, Prins Bernhardstraat 1 VS-02
Tekst van het document
Ter plaatse van onderhavige locatie zijn twee dubbelbestemmingen van kracht, namelijk ‘Waarde – Archeologie 2’ en ‘Waarde – Archeologie 3’. In dergelijke gevallen geldt de meest beperkende verwachtingswaarde. Dat is hetgeen dat is geregeld via de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ en houdt in dat bij het roeren van grond met meer dan 250 meter over een diepte van 0,4 meter een archeologisch onderzoek moet worden overlegd. Door KSP Archeologie is de situatie beoordeeld: “Aangezien het plangebied gelegen is in het historisch centrum van Asten en uit het raadplegen van de kadastrale minuut uit het begin van de 19e eeuw bleek dat de zuidzijde van het plangebied al minimaal bebouwd was in die tijd en het plangebied nu nog bebouwd is, is geadviseerd om direct een Programma van Eisen te schrijven voor een gravend onderzoek.”. Naar aanleiding van deze beoordeling is dan ook een Programma van Eisen opgesteld voor een gravend onderzoek. Het Programma van Eisen (versie KSP Rapport 21136 V1.2 d.d. 18-08-2023) is door het bevoegd gezag beoordeeld en akkoord bevonden en bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 1). Zodra het mogelijk is zal op basis van het goedgekeurde Programma van Eisen een gravend onderzoek worden uitgevoerd. Via de regels van dit bestemmingsplan is geborgd dat archeologisch onderzoek moet zijn uitgevoerd en
Bestemmingsplan ‘Asten Prins Bernhardstraat 1 2022’, 23 september 2025
33
akkoord zijn bevonden alvorens bodemverstorende werkzaamheden kunnen plaatsvinden. 4.3.2 Cultuurhistorie Beleidskader Volgens de Erfgoedwet, die per 1 juli 2016 van kracht is geworden, dient bij nieuwe ontwikkelingen rekening te worden gehouden met het aanwezige cultureel erfgoed. Samen met de nieuwe Omgevingswet (of het overgangsrecht totdat deze in werking is getreden) maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Consequenties In het plangebied komen geen cultuurhistorische waarden voor. De bebouwing aansluitend aan het plangebied bevat wel cultuurhistorische waarden, verder is de wegenstructuur cultuurhistorisch waardevol. Met onderhavig plan worden geen cultuurhistorische waarden aangetast. In het ontwerp is met de naastgelegen bebouwing rekening gehouden door qua hoogten aansluiting te zoeken bij de omliggende bebouwing door een terugliggende bovenste bouwlaag en terugliggende balkons/loggias aan de Prins Bernhardstraat te realiseren. Verder blijft door het plan de wegenstructuur onaangetast. Op het gebied van cultuurhistorie zijn er geen belemmeringen voor het initiatief. 4.4 Bedrijven en milieuzonering Beleidskader Voor de milieuzonering van bedrijven in ruimtelijke plannen geldt in het algemeen geen wettelijk kader.
Wel is het in het kader van een goede ruimtelijke ordening van belang dat bij de aanwezigheid van milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) in de omgeving van milieugevoelige functies (zoals woningen): • ter plaatse van de woning(en) een goed woon- en leefmilieu wordt gegarandeerd; • rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies. In dat kader heeft de Nederlandse Vereniging voor Gemeenten (VNG) de Handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ gepubliceerd. De richtafstanden die in deze handreiking staan vermeld dienen als leidraad voor het garanderen van een goede ruimtelijke ordening en woon- en leefklimaat. Consequenties Op basis van de karakteristiek van het plangebied en de omgeving kan worden gesteld dat sprake is van een ‘functie gemengd gebied’ (conform de handreiking ‘Bedrijven en
Bestemmingsplan ‘Asten Prins Bernhardstraat 1 2022’, 23 september 2025
34
Milieuzonering’). Binnen een functie gemengd gebied is een variatie van functies, zoals wonen, horeca en kleine bedrijvigheid, naast elkaar aanwezig. Voorbeelden van functiegemengde gebieden zijn: stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen. De ‘Staat van Bedrijfsactiviteiten – functiemenging’ hanteert de volgende drie categorieen met specifieke criteria voor de toelaatbaarheid: o Categorie A: Activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze aanpandig aan woningen (en andere gevoelige functies) kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het Bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daarbij toereikend. o Categorie B: Activiteiten die in gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden. Onder bouwkundig afgescheiden wordt verstaan: de panden staan los van elkaar óf er worden andere bouwkundige voorzieningen getroffen om hinder te voorkomen. o Categorie C: De activiteiten zoals genoemd onder B, waarbij vanwege de relatief hoge verkeersaantrekkende werking, een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur nodig is. Het voorliggende bestemmingsplan staat enkel bedrijvigheid van categorie A en B toe.
Specifiek is in de bijlage bij de planregels uitgewerkt om welke bedrijvigheid het gaat. Onderhavig plan ziet allereerst op de realisatie van 21 appartementen. Deze kunnen hinder ondervinden van bedrijfsactiviteiten in de omgeving. Ten tweede ziet het plan op de realisatie van een commerciële plint (detailhandel, dienstverlening). Deze functies kunnen hinder veroorzaken op gevoelige functies in de omgeving (bestaande woningen) en op de gevoelige functies (appartementen) die in het plangebied zelf worden gerealiseerd. Hinder uit de omgeving De bestaande hindergevende functies in de omgeving kunnen theoretisch voor hinder zorgen op de nieuwe woningen. Alle omliggende functies (detailhandel, horeca, dienstverlening, kantoren, maatschappelijke voorzieningen) vallen binnen categorie A of B. Omdat in alle gevallen deze functies bouwkundig gescheiden zijn van de appartementen (het gaat immers om op zichzelf staande panden), kan ontoelaatbare hinder op voorhand worden uitgesloten. Hinder als gevolg van ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling bestaat naast de realisatie van woningen uit de realisatie van een commerciële plint (detailhandel, dienstverlening). De toegelaten bedrijfsactiviteiten betreffen functies die vallen in categorie A en B.
Bestemmingsplan ‘Asten Prins Bernhardstraat 1 2022’, 23 september 2025
35
Voor bestaande woningen in de omgeving geldt dat sprake is van een duidelijke bouwkundige scheiding; het gaat immers om op zichzelf staande panden/ complexen. Ontoelaatbare hinder kan derhalve op voorhand worden uitgesloten. Voor wat betreft de nieuwe appartementen in het complex zelf, kan worden vastgesteld dat deze niet bouwkundig gescheiden zijn; ze maken immers deel uit van hetzelfde pand. Echter, de woningen zijn gelegen op een andere verdieping. Door middel van bouwkundige maatregelen – in de vorm van een verdiepingsvloer die het geluid voldoende dempt – is ontoelaatbare hinder op voorhand uit te sluiten. Om inzichtelijk te maken wat vanuit een goede ruimtelijke ordening het effect is van de met het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen, heeft Aelmans een akoestisch rapport opgesteld. Dit rapport is als bijlage bij de plantoelichting gevoegd (bijlage 14). Uit het onderzoek blijkt dat het woon- en leefklimaat is geborgd en sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Hieronder zijn de conclusies ten aanzien van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus, de maximale geluidniveaus en de verkeersaantrekkende werking opgenomen om dit te illustreren. “Langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus bedrijfsfuncties Er wordt in dag- als avondperiode bij bestaande woonfuncties voldaan aan de toetsingswaarde Lar,LT van 50 dB(A) en 45 dB(A) van industrielawaai.
Bij de niet specifieke vermelde relevante buitenruimten en/of tuinen (inpandige balkons bestaande woonfuncties) bij de rekenpunten 18/1 en 20 is de geluidbelasting lager dan 50 dB(A) en eveneens als goed te kwalificeren. Bij de nabij het plan gelegen woningen aan de Prins Bernhardstraat 9 en 11 is de hoogste geluidbelasting op de gevel Lar,LT 48 dB(A) (dagperiode) en 43 dB(A) in de avondperiode, en in de buitenruimte of tuin(rekenpunt 24) 45 dB(A) in de dagperiode en 39 dB(A) in de avondperiode. Dit voldoet ruim aan de richtwaarde.
Bij een aantal nieuwe woonfuncties wordt niet voldaan aan de richtwaarde van 50 dB(A) en 45 dB(A) in de dag- en avondperiode. Het treffen van aanvullende maatregelen om de geluidniveaus te reduceren zoals geluidschermen hebben in deze specifieke situatie veel praktische bezwaren en zijn stedenbouwkundig ongewenst. Wél wordt voldaan aan maximaal toelaatbare waarde op de gevel van 55 dB(A) zodat het woon- en leefklimaat van de nieuwe woningen zonder nader gevelmaatregelen is gewaarborgd. Gelet op het bovenstaande is er sprake van een goede ruimtelijke ordening. Maximale geluidniveaus Uit het onderzoek blijkt dat het hoogste maximale geluidniveau 75 dB(A) in dagperiode bedraagt in bij enkele nieuwe woonfuncties en 73 dB(A) bij bestaande woonfuncties. Het
Bestemmingsplan ‘Asten Prins Bernhardstraat 1 2022’, 23 september 2025
36
geluidniveau ontstaat éénmaal per dagperiode door een (eventuele) achteruitrijdsignalering of het ontluchten van de remmen van een vrachtwagen. Hoewel de richtwaarde van 70 dB(A) wordt overschreden is aangetoond dat wordt voldaan aan de richtwaarde binnen de woningen. Het woon - en leefklimaat is gewaarborgd. Bij de nabij het plan gelegen woningen aan de Prins Bernhardstraat 9 en 11 bedraagt het maximale geluidsniveau in de dagperiode ten hoogste 60 dB(A) op de gevel. Dit voldoet ruim aan de richtwaarde. Verkeersaantrekkende werking De hoogste geluidbelasting van 40 dB(A) is berekend in rekenpunt 19/2 (zijgevel (zonder te openen ramen en deuren van een bestaande woonfunctie). Bij de geprojecteerde woonfunctie bedraagt de hoogste geluidbelasting 35 dB(A). De conclusie is dat er wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) voor de verkeersaantrekkende werking bij geprojecteerde en bestaande woningen.” Conclusie Bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de ontwikkeling, er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Andersom vormt de ontwikkeling ook geen belemmering voor omliggende bedrijvigheid.
4.5 Bodem Beleidskader De bodem moet geschikt zijn voor het voorgenomen gebruik. Bij een bestemmingswijziging wordt bodemonderzoek noodzakelijk geacht, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een ‘strengere’ bodemgebruiksvorm inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, wordt de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet noodzakelijk geacht. Een en ander geldt ook bij bouwplannen waarvoor de activiteit ‘Handelen in strijd met R.O.’ aan de orde is. Consequenties Onderhavige ontwikkeling voorziet in de realisatie van een appartementencomplex bestaande uit 21 appartementen en een commerciële plint. Het gaat om het qua grondgebruik regelen van een gevoelige functie. Door Montferland Milieu Bodemonderzoek & advies is een actualiserend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 2). De conclusie en aanbevelingen van het onderzoek zijn als volgt.
Bestemmingsplan ‘Asten Prins Bernhardstraat 1 2022’, 23 september 2025
37
“In opdracht van de initiatiefnemer heeft Montferland Milieu B.V. een actualiserend bodem- en asbestonderzoek verricht aan de Prins Bernhardstraat 1-3 te Asten (gemeente Asten). Het bodem- en asbestonderzoek is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging. Uit het uitgevoerde bodemonderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: • In de boringen op het achter terrein is matig baksteen en zwak tot matig betongranulaat aangetroffen. • De grond op het achter terrein met het bodemvreemd materiaal (A02, A03 en A04) zijn matig tot sterk verontreinigd met PAK (0,15 - 0,30 m -mv). De ondergrond (0,30 1,00 m -mv) is licht verontreinigd. • Op basis van het onderzoek kan worden geconcludeerd dat circa 14,3 m3 grond sterk
• •
• • •
•
•
verontreinigd is met PAK en circa 4,5 m3 grond matig verontreinigd is met PAK. De vrijkomende grond dient afgevoerd te worden naar een reiniger/erkende verwerker. Het betreft geen ernstig geval van bodemverontreiniging (< 25 m3). Indien er grondwerkzaamheden gaan plaatsvinden in of nabij de verontreinigde spot dient er een plan van aanpak ingediend te worden bij het bevoegd gezag. Aan de hand van het plan van aanpak kan de verontreiniging verwijderd worden. Boringen op het tussen terrein en in het gebouw op het achter terrein zijn gestaakt i.v.m. het aantreffen van beton onder zandlaag (0,12 - 0,25 m -mv). Boringen C02 t/m C04 zijn komen te vervallen i.v.m. aanwezigheid van vloerverwarming! In de overige de grond(meng)monsters van de onderzoekslocatie is geen van de onderzochte stoffen aangetroffen in een concentratie boven de achtergrondwaarde of de detectiegrens van de desbetreffende stof. Er kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een geval van bodemverontreiniging, aangezien er sprake is van een eenmalig of periodiek (sterk) verhoogde concentratie aan Vinylchloride en 1,2 Dichloorethenen (SOM) waarvan de oorzaak niet eenduidig is aan te wijzen. Het is bekend dat in het grondwater zware metalen in sterk fluctuerende gehalten kunnen voorkomen, zowel door natuurlijke bronnen als door menselijke activiteiten veroorzaakt.
De gehalten betreffen dan (natuurlijke) achtergrondwaarden. Het verkennend asbestonderzoek zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. In de grove fractie van de bodem is geen asbest aangetroffen. In het mengmonster AASMM01 en A-ASMM02 van de fijne fractie is een gehalte van <0,4 mg/kg d.s. aangetoond. Beide mengmonsters bevinden zich onder het criterium voor nader onderzoek (50 mg/kg d.s.) en een nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.”
De gemeente Asten heeft de situatie beoordeeld en heeft aangegeven dat: - op de locatie sprake is van bodemverontreiniging; - bodemsanering nodig is; - de locatie nog niet in zijn geheel geschikt bevonden is voor de beoogde functie.
Bestemmingsplan ‘Asten Prins Bernhardstraat 1 2022’, 23 september 2025
38
Uit bovenstaande blijkt dat voor het aspect ‘bodem’, nog maatregelen moeten worden getroffen alvorens het plangebied in zijn geheel voor de functie ‘Wonen’ geschikt is. Dit vormt echter geen belemmering om de aangevraagde activiteit ‘Handelen in strijd met R.O.’ te vergunnen, mits zeker is gesteld dat het gebruik voor ‘Wonen’ niet eerder plaatsvindt dan wanneer de bodem daarvoor geschikt is. Om zeker te stellen dat de maatregelen plaatsvinden is hiervoor een voorwaarde in de omgevingsvergunning opgenomen. Op die manier kan pas een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen worden verleend alvorens is aangetoond en door het bevoegd gezag is beoordeeld dat de bodem geschikt is voor de voorgenomen functie. De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
4.6 Externe Veiligheid Beleidskader Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: - Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); - Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); - Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: Het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico: Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR.
Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de Bestemmingsplan ‘Asten Prins Bernhardstraat 1 2022’, 23 september 2025
39
maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zo veel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moetenkomen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Wanneer verantwoorden? Bron Inrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb) Spoor-, rijks- en waterwegen (Bevt)
Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedsgebied ruimtelijk besluit wordt genomen. Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaarde. Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaarde.
Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat de benodigde veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Overige wet- en regelgeving Tot slot moet in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' (art. 3.1 Wro) ook getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de 'Circulaire effectafstanden LPG-tankstations', enzovoorts. Consequenties Via de risicokaart is voor onderhavige locatie vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en/ of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van externe veiligheid van belang zijn. Hieronder is een uitsnede van de risicokaart ter hoogte van de het plangebied weergegeven. Het plangebied is hierop aangeduid met een blauwe cirkel en een rood pijltje.
Bestemmingsplan ‘Asten Prins Bernhardstraat 1 2022’, 23 september 2025
40
In de buurt van het plangebied bevinden zich enkele Bevi-inrichtingen. Het plangebied ligt echter niet in de plaatsgebonden- of groepsrisicocontour. Risicovolle inrichtingen vormen daarmee geen belemmering voor de ontwikkeling. Het plangebied ligt niet nabij een transportroute waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd of in de nabijheid van een buisleiding. Het plangebied is gelegen binnen het 4 kilometer brede invloedgebied van de snelweg A67. Omdat de planlocatie verder dan 200 meter verwijderd ligt van de snelweg is nader onderzoek van het groepsrisico niet benodigd. Conform artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes dient er advies te worden gevraagd bij de Veiligheidsregio over de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Op 11 mei 2017 heeft de Veilgheidsregio voor ontwikkelingen op grote afstand van risicobronnen en kleine ontwikkelingen een standaardadvies opgesteld. Samengevat luidt dit advies: - Breng afsluitbare mechanische ventilatie aan in de woningen. Dit is conform artikel 3.31 van het Bouwbesluit 2012 al reeds verplicht bij nieuwe woningen. Dit hoeft dus niet als voorwaarde bij het bestemmingsplan te worden opgenomen; - Pas de beleidsregels Bereikbaarheid en Bluswatervoorziening toe. Of de bereikbaarheid en bluswatervoorziening op orde zijn moet getoetst worden bij de omgevingsvergunning bouwen; - Pas risicocommunicatie toe.
De Gemeente Asten sluit aan bij de voorzieningen landelijke risicocommunicatie zoals NL-alert. Geconcludeerd kan worden dat externe veiligheid geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling.
Bestemmingsplan ‘Asten Prins Bernhardstraat 1 2022’, 23 september 2025
41
4.7 Natuur Beleidskader De Wet natuurbescherming is op 1 januari 2017 in werking getreden en vervangt sindsdien de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet, en de Boswet. De wet bevat regels voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten en de belangrijkste natuurgebieden in Nederland. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. Soortbescherming De Wet natuurbescherming bevat een algemene zorgplicht voor alle in het wild levende dieren en planten. Daarnaast voorziet de wet in strikte verboden die gelden voor aangewezen beschermde inheemse diersoorten, waaronder alle van nature in Nederland voorkomende soorten vogels. Dus zowel vogels in de tuin als op de Veluwe zijn beschermd. De wet werkt volgens het 'nee-tenzij' principe ten aanzien van beschermde inheemse soorten: schadelijke handelingen zijn verboden, tenzij er een uitzondering voor is gemaakt. Het is niet toegestaan om vogels te doden, vangen, verwonden, verstoren, bezitten, verhandelen, de nesten en eieren te verstoren of te vernietigen. Uitzonderingen op deze verboden zijn onder voorwaarden mogelijk, onder andere voor veiligheid, schadebestrijding of onderzoek. De wet regelt ook de jacht in ons land.
Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming bevat specifieke regels voor de aanwijzing, het beheer en de bescherming van Natura 2000-gebieden, waaronder een groot aantal gebieden die als essentieel leefgebied dienen voor vogels. Het belangrijkste rechtgevolg van de aanwijzing als Natura 2000-gebied is dat er een vergunningplicht geldt voor alle activiteiten die mogelijk schade kunnen toebrengen aan een gebied. Voor dergelijke schadelijke activiteiten kan alleen een vergunning worden verleend als er geen alternatief is en als het gaat om een dwingende reden van groot openbaar belang. De kokkelvisserij in de Waddenzee is nu bijvoorbeeld verboden. Er kon namelijk niet worden aangetoond dat er géén schade zou ontstaan aan de natuur, en er was geen van de andere redenen aanwezig om toch een vergunning te verlenen. De wet biedt geen bescherming aan andere natuurgebieden, maar vereist wel van provincies dat zij gebieden aanwijzen voor het natuurnetwerk Nederland en verleent hen de bevoegdheid om bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen aan te wijzen. De Minister van Economische Zaken kan daarnaast op grond van de wet nationale parken aanwijzen die vooral een educatieve en communicatieve functie hebben. De voormalige beschermde natuurmonumenten zijn met bijbehorende doelen opgeheven met de inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming.
Consequenties Soorten
Bestemmingsplan ‘Asten Prins Bernhardstraat 1 2022’, 23 september 2025
42
Door Buro Maerlant is een quickscan uitgevoerd naar het aspect soorten. De rapportage hiervan is bijgevoegd bij deze toelichting, bijlage 3. De conclusies van het onderzoek zijn als volgt: “In het plangebied of binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden, zijn de volgende potentiële natuurwaarden aangetroffen waar rekening mee gehouden dient te worden: » Kans op de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in de te slopen bebouwing; » Kans op de aanwezigheid van nesten van de huismus en de gierzwaluw in de te slopen bebouwing; » Algemene broedvogels (niet jaarrond beschermd). Effecten Doordat de werkzaamheden op het land plaatsvinden, beperkt van aard zijn, en preventief afdoende maatregelen kunnen worden getroffen, zijn over het algemeen géén negatieve effecten op strikter beschermde soorten te verwachten. Echter, is het noodzakelijk nader onderzoek naar vleermuizen, de huismus en de gierzwaluw uit te voeren om actueel gebruik van de bebouwing vast te kunnen stellen voorafgaand aan de sloop. Na uitvoer van het onderzoek kunnen, indien noodzakelijk, gepaste maatregelen worden getroffen. Beschermde gebieden Het plangebied ligt niet in beschermde gebieden krachtens Natura 2000, EHS / de Provinciale Verordening. Er is voldoende aannemelijk gemaakt, dat effecten van de plannen op bescherm- de gebieden in de ruimere omgeving uit te sluiten zijn.
Advies Nader onderzoek en preventieve maatregelen zijn benodigd conform onderstaand advies. •
•
•
•
Vleermuizen Aanbevolen wordt voorafgaand aan de sloop nader onderzoek uit te voeren naar vleermuizen conform het vleermuizenprotocol. Het onderzoek dient volgens het huidige protocol (versie 2021) te bestaan uit drie bezoeken in midden mei tot midden juli, waarvan minimaal één be- zoek in juni, en twee bezoeken in de periode midden augustus tot 1 oktober, allen met een onderlinge tussenpoos van minimaal 20 dagen. Huismus Aanbevolen wordt nader onderzoek uit te voeren naar de huismus. In de periode 1 april - midden juni zijn hiervoor twee (ochtend)bezoeken nodig. Gierzwaluw Aanbevolen wordt nader onderzoek uit te voeren naar de gierzwaluw conform het kennisdocument Gierzwaluw van BIJ12: 3 bezoeken in de periode 1 juni - 15 juli. Aanpak vogels algemeen Doordat de kans bestaat dat broedende vogels in of nabij de te slopen bebouwing aanwezig kunnen zijn, wordt aanbevolen de sloop uit te voeren buiten het broedseizoen (ná half juli en vóór half maart). Indien een ter zake deskundige heeft
Bestemmingsplan ‘Asten Prins Bernhardstraat 1 2022’, 23 september 2025
43
vastgesteld, dat geen in gebruik zijnde nesten aanwezig zijn, is het ook mogelijk binnen deze periode te werken. Het verstoren van broedende vogels is conform de Wet natuurbescherming niet toegestaan.” Uit de quickscan flora en fauna blijkt dat er nader onderzoek nodig is in verband met vleermuizen, huismussen en gierzwaluwen. Door Buro Maerlant is het benodigde onderzoek uitgevoerd. De rapportage hiervan is bijgevoegd bij deze toelichting, bijlage 10. De conclusies van het onderzoek zijn als volgt: Aangetroffen beschermde natuurwaarden In het plangebied zijn de volgende soorten en functies aangetroffen waar gedurende de sloop en in de nieuwe situatie rekening mee gehouden dient te worden: - Functie van de te slopen bebouwing als zomerverblijf van de gewone dwergvleermuis. - Mogelijke aanwezigheid van nesten van de huismus. - Afname kwaliteit leefgebied van de huismus in de directe omgeving. Door de sloop worden de verblijfplaatsen tijdelijk weggenomen. Doordat binnen het territorium voldoende alternatieven (geschikte woningen en overige bebouwing) overblijven en een overmaat aan tijdelijke kasten zal worden aangeboden, worden geen effecten verwacht met de juiste uitvoer. De aangetroffen verblijfplaatsen en nesten genieten krachtens de Wet natuurbescherming strikte en jaarronde bescherming.
Ten behoeve van de ingrepen dient een mitigatieplan te worden opgesteld met een gerichte aanpak om effecten te voorkomen. In de nieuwbouw dienen nieuwe permanente voorzieningen te worden getroffen in de vorm van inbouw vleermuis- en huismussenkasten. Leefgebied van de huismus kan worden verbeterd door het toepassen van groene daken of het plaatsen van plantenbakken op balkons. Met een juiste aanpak worden effecten voorkomen en is geen sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming doordat sprake is van behoud van functionaliteit. Advies Geadviseerd wordt voorafgaand aan de ingrepen een mitigatieplan op te stellen met in detail de te nemen beschermende maatregelen voorafgaand en tijdens de sloop. Indien gehandeld wordt conform dit mitigatieplan worden effecten voorkomen. De provincie Noord-Brabant stelt, dat als effecten kunnen worden voorkomen, voor het tijdelijk wegnemen van verblijf-plaatsen of nestlocaties (buiten broedperiode) geen ontheffing benodigd is (mitigatieplan). De volgende maatregelen en voorzieningen dienen te worden uitgewerkt, waarbij de kennisdocumenten gewone dwergvleermuis en de huismus van BIJ12 richting kan geven en deels maatwerk benodigd is: Vleermuizen - Het aanbieden van tijdelijke voorzieningen ter overbrugging van de sloop en realisatie in de vorm van 4 kleine vleermuiskasten plat model en 4 vleermuiskasten middelformaat.
De kasten worden op zo kort mogelijke afstand in de omgeving aangeboden en zijn minimaal 1 x tegelijkertijd aanwezig als verblijfplaatsen in functie zijn.
Bestemmingsplan ‘Asten Prins Bernhardstraat 1 2022’, 23 september 2025
44
Uitvoer vleermuisvriendelijke sloop, door de bebouwing voorafgaand aan de feitelijke sloop op een diervriendelijke wijze vrij te maken van vleermuizen. - Planning af te stemmen op de kwetsbare periode van vleermuizen. In het plangebied betreft dit de winterrust: ingrepen aan de bebouwing vóór 15 november en ná 15 maart. - Treffen van nieuwe permanente voorzieningen in de nieuwbouw in de vorm van inbouw vleermuiskasten, minimaal 8 stuks per twee geclusterd.
-
Huismus - Rekening houden met de broedperiode, zie onder het kopje aanpak vogels algemeen. - Plaatsing van tijdelijke mussenkasten, twee stuks per (mogelijk)aangetroffen nest: 10 totaal. De kasten worden ruim voor de broedperiode aangeboden en zijn aanwezig als huismussen broeden. - Treffen van nieuwe permanente voorzieningen in de nieuwbouw in de vorm van inbouw neststenen, minimaal 10 stuks. - Geschikt maken omgeving voor de huismus door het toepassen van groene daken of het stimuleren van het gebruik van plantenbakken en/of voederhuisjes door bewoners. De aanplant van blokhagen beuk rondom de bebouwing op rustige plekken is ook een effectieve maatregel. Naar aanleiding van het uitgevoerde nadere onderzoek zijn in de omgeving van het plangebied conform advies tijdelijke vleermuizenkasten opgehangen. Ook is opdracht gegeven om conform advies én voor het broedseizoen van 2024 tijdelijke huismussenkasten op te hangen. De huismussenkasten worden in het najaar van 2023 geplaatst. Overeenstemming met de eigenaren rondom het plangebied ten aanzien van de plaatsing van deze kasten is reeds bereikt. Ondertussen wordt gewerkt aan een mitigatieplan. Het mitigatieplan wordt in het najaar van 2023 ter beoordeling voorgelegd aan de Omgevingsdienst.
Om een en ander te borgen is een vergunningstelsel in de regels van dit bestemmingsplan opgenomen op basis waarvan niet kan worden gesloopt alvorens is aangetoond dat voor het aspect ‘soortbescherming’ geen sprake is van strijdigheid met de Wet natuurbescherming. Gebieden De meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden liggen op 6 kilometer afstand van het plangebied en zijn Strabrechtse Heide & Beuven en De Groote Peel. Op 7 kilometer afstand ligt nog Natura 2000-gebied Deurnsche Peel & Mariapeel. Andere Natura 2000gebieden liggen verder weg. Omdat het plangebied ruim buiten Natura 2000 gebieden ligt zijn directe effecten, zoals areaalverlies en versnippering, uitgesloten. Ook kunnen hierdoor verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. Wel moet nog aangetoond worden dat indirecte effecten niet aan de orde zijn. Berekend moet worden of het planvoornemen in zowel de gebruiks- als aanlegfase geen negatief effect (stikstofdepositie) heeft op Natura 2000-gebieden. Dat de gebruiksfase moet worden berekend is vastgelegd in de Wet stikstofreductie en natuurverbetering. Voor de aanlegfase (bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten om het planvoornemen te realiseren) is hierin een vrijstelling opgenomen. Deze vrijstelling is op 2 november 2022 echter tenietgedaan via de uitspraak van de Raad van State inzake Porthos
Bestemmingsplan ‘Asten Prins Bernhardstraat 1 2022’, 23 september 2025
45
(ECLI:NL:RVS:2022:3159). Sindsdien geldt de vrijstelling niet meer en moet ook voor de aanlegfase een berekening gemaakt worden. Voor zowel de aanleg- als gebruiksfase is voor deze ontwikkeling een aeriusberekening uitgevoerd en een notitie van de invoergegevens opgesteld. De notitie en berekeningen zijn bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 4). De conclusie hiervan is als volgt: “Via de Aeriuscalculator is berekend in hoeverre het project zowel voor wat betreft de realisatie- als gebruiksfase invloed heeft op deze en verder weg gelegen Natura 2000 gebieden binnen 25 kilometer van het planvoornemen in Nederland en in het buitenland. Uit de berekeningen volgt dat zowel door de realisatiefase als de gebruiksfase geen sprake is stikstofdepositie op Natura 2000 gebieden. De aeriusberekeningen hebben aangetoond dat de stikstofdepositie gelijk is aan 0,00 mol N/ha/jaar. Op basis van de hierboven gepresenteerde gegevens hoeft er geen vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd of verder onderzoek naar de stikstofdepositie uitgevoerd te worden.” Uit voorgaande blijkt dat in verband met onderhavige ontwikkeling voor wat betreft het aspect gebieden geen sprake is van strijdigheid met de Wet natuurbescherming. Voor wat betreft het aspect soorten is nader onderzoek benodigd. Het onderzoek is reeds in gang gezet.
4.8 Luchtkwaliteit Beleidskader Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wet milieubeheer in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen, zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Ook projecten die 'niet in betekenende mate' (NIBM) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. In het besluit NIBM is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m³ NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, infrastructuur, kantoor- en woningbouwlocaties en activiteiten of handelingen) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook indien aannemelijk gemaakt kan worden dat een gepland project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven. Voor woningen wordt hierbij een ondergrens van 1500 woningen aangehouden voor locaties waarbij sprake is van één ontsluitingsweg. Bestemmingsplan ‘Asten Prins Bernhardstraat 1 2022’, 23 september 2025
46
Het Besluit gevoelige bestemmingen beperkt de vestiging van zogeheten ‘gevoelige bestemmingen’, zoals een school, in de nabijheid van provinciale en rijkswegen. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in zo’n onderzoekszone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen. Dit wordt bereikt door op zo’n plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten.
Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien. Van belang is naast de bijdrage van het project aan de luchtkwaliteit dat ook sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten behoeve van een nieuwe gevoelige bestemming. Consequenties In onderhavig projectgebied worden 19 woningen toegevoegd. De verkeersaantrekkende werking hiervan is beschreven in paragraaf 2.4.1 van deze toelichting en bestaat uit 165,3 motorvoertuigen per etmaal totaal. Dit aantal in ingegeven in de NIBM-tool die in 2008 door het ministerie van Infrastructuur en Milieu in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil is ontwikkeld. De uitkomst is dat de grens voor ‘niet In betekenende mate’ met dit aantal niet wordt overschreden. Zie de uitsnede van de ingevulde tool hieronder waaruit dit blijkt.
Bestemmingsplan ‘Asten Prins Bernhardstraat 1 2022’, 23 september 2025
47
Naast het effect van het project op de luchtkwaliteit is het ook van belang dat de toestand van de luchtkwaliteit in de bestaande (verspelde) situatie geschikt is voor de nieuwe functie. Er moet een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kunnen worden gegarandeerd. Grenswaarden luchtkwaliteit Voor de meest voorkomende stoffen zijn de luchtkwaliteitsnormen als volgt:
Gekeken naar de voorspellingen voor deze stoffen met behulp van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)2 blijkt dat (ruim) voldaan wordt aan deze grenswaarden. Uitsneden van de kaarten ter hoogte van het plangebied zijn hieronder opgenomen.
2
Bron: http://geodata.rivm.nl/gcn/
Bestemmingsplan ‘Asten Prins Bernhardstraat 1 2022’, 23 september 2025
48
Bestemmingsplan ‘Asten Prins Bernhardstraat 1 2022’, 23 september 2025
49
Conclusie Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Onderhavige ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 4.9 Water Een belangrijk ordenend principe bij ruimtelijke plannen is het waterbeheer: de zorg voor veiligheid tegen overstromingen en voor voldoende en gezond oppervlaktewater. De gemeente dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijke planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Aa en Maas, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer van regionale wateren. Beleidskader De planlocatie is gelegen binnen het beheersgebied van waterschap Aa en Maas en de gemeente Asten. Rijksbeleid Het Nationaal Water Programma 2022 – 2027 heeft de status van een structuurvisie en is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2016 - 2021. Met dit Nationaal Waterplan zet het Rijk een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op veilige en klimaatbestendige delta, concurrerende, duurzame en circulaire delta en schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur.
Bestemmingsplan ‘Asten Prins Bernhardstraat 1 2022’, 23 september 2025
50
Het Rijk streeft naar een integrale benadering, door natuur, scheepvaart, landbouw, energie, wonen, recreatie, cultureel erfgoed en economie (inclusief verdienvermogen) zo veel mogelijk in samenhang met de wateropgaven te ontwikkelen.De ambitie is om Nederland voor de komende generaties veilig, aantrekkelijk en leefbaar te houden door te zorgen voor schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Hierbij is een gebiedsgerichte aanpak noodzakelijk tussen overheden, bedrijven en burgers. Iedereen neemt zijn eigen verantwoordelijkheid om samen te komen tot een waterrobuuste ruimtelijke inrichting, het beperken van overlast en rampen en verstandig handelen in extreme situaties. De Waterwet regelt de leggerplicht voor alle waterstaatswerken. Om goed te functioneren moeten waterstaatswerken voldoen aan de norm uit de legger. De eerste Legger rijkswaterstaatswerken is vastgesteld in 2012. In oktober 2014 is de Legger geactualiseerd. De Legger bestaat uit een formeel besluit en digitale geografische datasystemen. Beheerders, vergunningverleners en toezichthouders zijn de vaste gebruikers van deze Legger, maar de Legger is voor iedereen toegankelijk. In Asten geldt de legger voor de Zuid-Willemsvaart. Provincie Noord-Brabant Op regionaal niveau is de provincie verantwoordelijk voor het beleidsveld water.
Vigerend is het Regionaal Water en Bodem Programma 2022 - 2027. Het RWP is een kaderstellende nota die op hoofdlijnen weergeeft wat de beleidsdoelen en voorgestelde aanpak zijn. De doelen van het RWP zijn: -
-
-
-
Voldoende water - voldoende water betekent: niet te weinig diep en ondiep grondwater en oppervlaktewater met optimale zoetwaterbeschikbaarheid en waterverdeling in geval van extreme droogte, en niet te veel oppervlaktewater om ernstige regionale wateroverlast zo veel mogelijk te voorkomen. Schoon water - schoon grond- en oppervlaktewater voor onze volksgezondheid en natuur, conform de normen van de KRW; voorkomen van verontreiniging en het beschermen van diepe grondwatervoorraden. Veilig water - veiligheid tegen hoogwater in het hoofdwatersysteem en het regionaal watersysteem. Vitale bodem - vergroten van de vitaliteit, sponswerking, resistentie tegen ziekten en natuurlijk productievermogen van de bodem voor duurzame landbouw en biodiversiteit. Klimaatadaptatie - aanpassen aan klimaatverandering in alle domeinen van het provinciale waterbeleid.
Waterschap Aa en Maas In het waterbeheerplan 2022 – 2027 staan de doelen van waterschap Aa en Maas beschreven en hoe zij die doelstellingen gaan halen. De centrale missie van Waterschap Aa en Maas hierbij is als volgt: “Het ontwikkelen, beheren en in stand houden van gezonde, robuuste en veerkrachtige watersystemen, die ruimte bieden aan een duurzaam gebruik voor mens, dier en plant in het gebied, waarbij de veiligheid is gewaarborgd en met oog voor economische aspecten.”
Bestemmingsplan ‘Asten Prins Bernhardstraat 1 2022’, 23 september 2025
51
De doelen en maatregelen waar het waterschap voor staat en gaat, zijn onderverdeeld in drie programma’s: 1. Waterveiligheid Het programma Waterveiligheid draait om de bescherming tegen verstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. Hiervoor moeten de waterkeringen (dijken en kunstwerken) periodiek worden getoetst aan de veiligheidsnormen. Daarnaast omvat het programma de zorgplicht voor de instandhouding van deze waterkeringen met alle activiteiten die daarbij horen, inclusief gegevens- en informatiemanagement en een goede afstemming tussen beheer en inrichting. 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem Dit programma draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij wordt gelet op de kwantiteit (goede waterpeilen, waterconservering, en het omgaan met wateroverlast en droogte) en op de kwaliteit (chemisch en ecologisch). Het gaat daarbij niet alleen over het watersysteem zelf, maar ook over hoe er met het watersysteem en met de aanpak en manier van (samen)werken kan worden bijdragen aan bijvoorbeeld een vitaal platteland, gezondheid, goede biodiversiteit en aan mogelijkheden voor recreatie. 3. Schoon water In dit programma worden de doelen en activiteiten binnen de afvalwaterketen beschreven. Het zuiveren van afvalwater speelt hierin een centrale rol.
Met goed gezuiverd afvalwater wordt immers een belangrijke bijdrage geleverd aan een gezond en natuurlijk watersysteem. Dit geldt voor het werkgebied van Waterschap Aa en Maas, maar ook voor de Maas, die een bron is voor de drinkwatervoorziening van West-Nederland. De watertoets bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen vallen, bewaakt de waterkwaliteit en waterkwantiteit. Het doel van een watertoets is de waterbelangen evenwichtig laten meewegen in het planvormingsproces. Hierbij wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. Het waterschap hanteert een aantal uitgangspunten bij de watertoets. De desbetreffende uitgangspunten zijn hieronder weergegeven: • • • • • • • •
Voorkomen van vervuiling. Wateroverlastvrij bestemmen. Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO). Vuil water en hemelwater scheiden. Doorlopen van afwegingsstappen hergebruik > infiltratie > buffering > afvoer. Waterschapsbelangen. Meervoudig ruimtegebruik. Water als kans.
De Keur is een aanvulling op regels uit de Waterwet en is van toepassing op de rivieren, beken, sloten, grondwater en waterkeringen die in beheer zijn bij het waterschap, maar
Bestemmingsplan ‘Asten Prins Bernhardstraat 1 2022’, 23 september 2025
52
ook op alle sloten en watergangen die eigendom zijn van anderen (o.a. gemeenten, agrariërs en tuinders). De voorschriften in de Waterwet en de Keur geven aan wat wel en niet mag en welke plichten er zijn. Denk aan activiteiten zoals het lozen in oppervlaktewater, het onttrekken van grondwater, het dempen van een sloot of het plaatsen van een duiker of brug. Net zoals het Rijk heeft ook het waterschap een legger vastgesteld. De legger geeft het waterschap. én derden een overzicht van: • •
•
Alle aanwezige waterlopen (sloten) en waterkeringen (dijken) inclusief kunstwerken (bijv. stuwen, bruggen, etc.) Wie verantwoordelijk is voor het beheer en onderhoud van sloten en kunstwerken. Dat betekent dat het gaat om de beheertaken en onderhoudsplichten van het waterschap en om de onderhoudsplichten van derden waarop het waterschap toezicht uitoefent Waar de beschermingszone ligt, die noodzakelijk zijn voor het waterschap om haar beheerstaken te kunnen uitvoeren. Op deze beschermingszone zijn verbodsbepalingen, volgens de keur, van toepassing. Ook is de legger een naslagwerk ten aanzien van waterstaatswerken.
De legger wordt jaarlijks geüpdatet, omdat het watersysteem en de kunstwerken aan verandering onderhevig zijn. Bijvoorbeeld door het afgeven van vergunningen of veranderingen die voortkomen uit projecten. Gemeente Asten Het beleid van de gemeente Asten sluit aan op het landelijke-, provinciale- en waterschapsbeleid en is weergegeven in het Gemeentelijk RioleringsPlan Asten (GRP) 2021 – 2025. Via dit GRP geeft de gemeente invulling aan de zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater. Afvalwater Voor de afvalwaterzorgplicht streeft de gemeente naar een duurzame en doelmatige inzameling en transport van afvalwater. Bij vervanging en herontwikkeling wil de gemeente overgaan tot ontvlechting van hemelwater en afvalwater. Hemelwater Voor de hemelwaterzorgplicht streeft de gemeente Asten naar een duurzame toekomst en het anticiperen op klimaatverandering. Particulieren zijn in principe zelf verantwoordelijk voor de inzameling en verwerking van hemelwater vanaf hun eigen perceel. Bij nieuwbouw EN bij herbouw dient een waterbergingsvoorziening gerealiseerd te worden met een inhoud van 60 mm/m2 verhard oppervlak. Bij grootschalige ontwikkelingen gaat de voorkeur uit naar de realisatie van collectieve voorzieningen. Dit maakt het makkelijker om robuuste voorzieningen aan te leggen en verhoogd de handhaafbaarheid.
Grondwater De gemeente Asten geeft gehoor aan de grondwaterzorgplicht door binnen de grenzen
Bestemmingsplan ‘Asten Prins Bernhardstraat 1 2022’, 23 september 2025
53
van doelmatigheid en financiële en technische haalbaarheid maatregelen te treffen om structurele grondwateroverlast te voorkomen of te beperken. Compensatie-eis In de Keur van de Brabantse Waterschappen is als compensatie-eis 60 mm vastgesteld (hoeveelheid in mm die ‘overblijft’ en die geborgen moet worden binnen 24 uur), waarbij is uitgegaan van de vastgestelde afgeronde gemiddelde maatgevende afvoer van 1,0 l/s/ha en met aftrekposten zoals berging op straat en berging in het riool. In de Algemene Regel is tevens een gevoeligheidsfactor voor de compensatie-eis opgenomen. Afhankelijk van kenmerken van het beïnvloedingsgebied wordt een gevoeligheidsfactor toegepast. Naarmate de gevoeligheid van een gebied of oppervlaktewatersysteem voor de gevolgen van piekafvoeren lager is, is minder compensatie nodig. Volgens tabel 2 in de Keur is sprake van een gevoeligheidsfactor van 1; dit houdt in dat de waarde van 60 mm van de compensatie-eis voor onderhavige onderzoekslocatie volgens de keur ongewijzigd blijft. Voor een toename van het verhard oppervlak bij kleine plannen (vanaf 500 m2) kan volgens de Keur de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met de compensatie-eis (60 mm) en de gevoeligheidsfactor. Daaruit volgt de omvang van de vereiste compensatie in kubieke meters (m3).
Wanneer de vereiste compensatie berekend is, kan een voorziening ontworpen en nader uitgewerkt worden. De rekenregel is als volgt:
Toename verhard oppervlak (m2) * 0,06 (m) * Gevoeligheidsfactor = 3 Benodigde compensatie (m ) De gemeente hanteert dezelfde compensatie-eis als het waterschap, echter hanteert zij niet de ondergrens van 500 m2. De gemeente stelt dat voor iedere nieuwe verharde m2 gecompenseerd moet worden. Dit geldt ook in geval van herbouw. Consequenties In onderhavige situatie gaat het om herontwikkeling. Feitelijk komt er geen nieuwe verharding bij, maar omdat nieuwbouw wordt gepleegd is de vereiste om 60 mm per m2 verharding te compenseren aan de orde. In onderhavige situatie wordt het hemelwater vastgehouden via een combinatie van retentiedaken en infiltatiekratten. Hieronder is een afbeelding opgenomen waarop de retentiedaken en locatie voor de infiltratiekratten is weergegeven.
Bestemmingsplan ‘Asten Prins Bernhardstraat 1 2022’, 23 september 2025
54
Voor dakvlak 1 en 2 geldt dat het verhard oppervlak volledig wordt gecompenseerd via het bovenliggende retentiedak. Het gaat om 785,5 m2 voor dakoppervlak 1, waarop 48,6 m3 water wordt geborgen in het retentiedak. Het gaat om 199,6 m2 voor dakoppervlak 2, waarop 11,8 m3 water wordt geborgen in het retentiedak. Voor de overige dakvlakken (3 t/m 6) en het verharde terrein (7) zijn om te voorzien in de vereiste waterberging de infitratiekratten bedacht. Het gaat in totaal om een te compenseren verhard oppervlak van 538 m2 met een vereiste waterbergingscapaciteit van 32,3 m3. Met een dubbele laag infiltratiekratten van 40 centimeter hoogte (= 80 cm hoogte) over een oppervlakte van 42,5 m2 wordt voorzien in de vereiste waterberging van 32,3 m3. Een en ander is meer gedetailleerd uitgewerkt in de infiltratieberekening + bijlagen, welke zijn bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 7) en geborgd in de planregels van dit bestemmingsplan. Met vorenstaande voorziening wordt aan de compensatie-eis i.v.m. de berging en afvoer van hemelwater voldaan. Voor dit plan is de digitale watertoets ingevuld. Hieruit blijkt dat: - er geen (beschermingszones van) beschermde waterkeringen/watergangen in het plangebied liggen; - de normale procedure van toepassing is, het waterschap heeft uitgangspunten meegegeven waarmee met dit plan rekening is gehouden, verder gaat het waterschap graag in gesprek.
Dit gebeurt tijdens het wettelijke vooroverleg, waarbij het plan door de gemeente naar het waterschap wordt toegestuurd ter beoordeling. Conclusie Uit deze waterparagraaf blijkt dat het initiatief geen nadelige gevolgen heeft voor de waterhuishouding ter plaatse.
Bestemmingsplan ‘Asten Prins Bernhardstraat 1 2022’, 23 september 2025
55
4.10
Milieueffectrapportage (M.e.r.) Beleidskader Op grond van het Besluit milieueffectrapportage, mede in relatie tot bijlage III bij de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling, moet voor bepaalde projecten een m.e.r. worden gemaakt of een m.e.r.-beoordeling worden uitgevoerd. Met een m.e.r. worden vooraf de milieugevolgen van een besluit in beeld gebracht. Of en wat aan de orde is blijkt uit bijlage C en D van het belsuit m.e.r. Op 7 juli 2017 is het Besluit m.e.r. gewijzigd in werking getreden. In het gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Het maakt daarvoor niet uit of het een activiteit onder of boven de D-drempel betreft. Dit volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU. Voor elke aanvraag moet, als de activiteit voorkomt in bijlage D van het besluit m.e.r.: - door de initiatiefnemer onderzocht worden in hoeverre er aanleiding is voor het doen van een m.e.r.-beoordeling; - het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen.
Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden; - de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer). Consequenties Onderzocht is of een m.e.r. of een m.e.r.-beoordeling nodig is. In bijlage C en D van het Besluit m.e.r. is aangegeven in welke gevallen voor een project een mer (beoordeling) nodig is. De ontwikkeling betreft geen stedelijk ontwikkelingsproject dat is opgenomen in de D lijst. Het begrip stedelijk ontwikkelingsproject is nergens gedefinieerd. In de toelichting op het Besluit MER zijn wel een aantal voorbeelden van bouwprojecten opgenomen die als stedelijk ontwikkelingsproject kunnen worden aangemerkt. In dat kader wordt verwezen naar woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Al deze voorbeelden hebben met elkaar gemeen dat het een verstening of urbanisering van een gebied betreft. Naar het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State moet worden gekeken naar de concrete omstandigheden van het geval. Onder meer de aard, de omvang en de milieugevolgen van de stedelijke ontwikkeling zijn relevant.
Als een ontwikkeling aanzienlijke negatieve milieugevolgen heeft - bij een uitbreiding is daar in de regel eerder sprake van dan bij sloop en herbouw - dan wijst dit op een stedelijk ontwikkelingsproject. De milieugevolgen zijn volgens de Afdeling echter niet allesbepalend.
Bestemmingsplan ‘Asten Prins Bernhardstraat 1 2022’, 23 september 2025
56
Met het planvoornemen is sprake van herontwikkeling (sloop en herbouw) van een voormalig winkelpand. Hierbij is geen sprake van verstening of urbanisering. Er is dus geen m.e.r. beoordeling benodigd. Conclusie Voor dit initiatief hoeft op grond van de Wet milieubeheer geen milieueffectrapport te worden gemaakt. Ook is er geen aanleiding tot een m.e.r.-beoordelingsplicht, daar het planvoornemen geen stedelijke ontwikkeling betreft in dit kader. Aanvullend wordt voor de effecten van onderhavige ontwikkeling op het milieu verwezen naar de inhoud van deze toelichting. 4.11
Bereikbaarheid hulpdiensten en bluswatervoorziening Beleidskader In 2016 hebben de Veiligheidsregio’s Midden- en West-Brabant, Brabant-Noord en Brabant-Zuidoost beleidsregels opgesteld voor de bereikbaarheid van hulpdiensten en bluswatervoorziening. Het doel van de beleidsregels is een goede bereikbaarheid voor de hulpdiensten en een adequate bluswatervoorziening te borgen, zodat de Veiligheidsregio in staat wordt gesteld een adequate rol in de brandweerzorg te spelen. Nieuwe ruimtelijke plannen worden aan de beleidsregels getoetst. Indien een plan aan de beleidsregels voldoet, kan men ervan uitgaan dat een goede bereikbaarheid voor de hulpdiensten en een adequate bluswatervoorziening gerealiseerd wordt en kan men rekenen op een positief advies van de Veiligheidsregio. Als een plan niet voldoet aan de richtlijnen, is het de bedoeling om in overleg met de Veiligheidsregio te zoeken naar oplossingen. Uiteindelijk is de rol van de Veiligheidsregio adviserend en blijft de gemeente het bevoegd gezag.
-
Consequenties Het planvoornemen is via het wettelijk vooroverleg ter beoordeling aan de Veiligheidsregio voorgelegd. De beoordeling van de Veiligheidsregio is bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 9) en houdt het volgende in: de bluswatervoorzieningen ter plekke zijn toereikend voor de ontwikkeling; de bereikbaarheid voor de brandweer moet verbeterd worden, aan onderstaande voorwaarden moet worden voldaan: o De weg is geschikt voor voertuigen met een asbelasting van ten minste 10 ton; o De weg is geschikt voor voertuigen met een totaalgewicht van ten minste 30 ton; o De minimale doorgangshoogte bedraagt 4,2 meter; o De minimale doorgangsbreedte bedraagt 3,5 meter; o De minimale buitenbochtstraal bedraagt 10 meter; o De maximale binnenbochtstraat bedraagt ten minste 4,5 meter minder dan de buitenbochtstraal;
Bestemmingsplan ‘Asten Prins Bernhardstraat 1 2022’, 23 september 2025
57
o
Verder is het voor de ontwikkeling zeer wenselijk dat de hoogwerker op kan stellen in de verbindingssteeg. De benodigde ruimte die hiervoor benodigd is bedraagt 10m lengte en 5 m breedte.
Voldaan kan worden aan de gestelde voorwaarden voor wat betreft de bereikbaarheid van de brandweer door de “laatste” boom (gezien vanaf de Prins Bernhardstraat) in het steegje te kappen. Hiervoor worden op kosten van de ontwikkelaar elders in het centrum van Asten compenserende groenmaatregelen getroffen. Conclusie Het planvoornemen voldoet aan de beleidsregels voor de bereikbaarheid van hulpdiensten en bluswatervoorziening. 4.12 Bezonning Beleidskader Er bestaan geen wettelijke normen die zien op een minimum aantal zonuren per dag in een woning of op een balkon. De wetgever heeft ervoor gekozen regulering hiervan over te laten aan bestuursorganen. Dit betekent dat bestuursorganen op dit onderwerp beleidsruimte hebben. De gemeente Asten heeft hierover geen beleid gemaakt. Consequenties Voor het planvoornemen is een zonnestudie uitgevoerd, welke als bijlage bij deze toelichting is gevoegd (bijlage 11). Hieruit blijkt dat het planvoornemen voldoet aan de bezonnings-/ beschaduwingseisen zoals de lichte TNO-norm voorschrijft. Conclusie Het planvoornemen vormt gezien voorgaande geen belemmering voor de bezonning van naastgelegen bebouwing.
Bestemmingsplan ‘Asten Prins Bernhardstraat 1 2022’, 23 september 2025
58
5. Toelichting, verbeelding en regels
5.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt toegelicht op welke wijze het plan juridisch is vertaald. De juridische vertaling is bindend. Het bestemmingsplan bestaat uit de toelichting, de regels en de verbeelding. Voor de systematiek van dit bestemmingsplan is aangesloten bij het vigerende bestemmingsplan ‘Asten Centrumgebied’. Het bestemmingsplan voldoet aan de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012. De toelichting De toelichting heeft geen juridisch bindende werking. De toelichting heeft wel een belangrijke functie voor de onderbouwing van het plan en ook bij de verklaring van de bestemmingen en regels, en in het bijzonder ten aanzien van de regels inzake afwijkingen. De regels De regels vormen de juridische regels voor gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding De verbeelding geeft de geografische ligging van de bestemmingen en aanduidingen weer. De verbeelding vormt samen met de regels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. 5.2 Toelichting op de regels De indeling van de regels is als volgt: • • • •