CConstaterende datArnhem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3d - Ontwerp ‘TAM-omgevingsplan Olympuskwartier’ - motivering

Politieke Avond 2 juli 2025, gemeente ArnhemBij agendapunt: Vaststellen: 'TAM-omgevingsplan Olympuskwartier' en 'Omgevingskwaliteitsplan Olympuskwartier'24.578 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Olympuskwartier" (vastgesteld)

Voor de ontwikkeling van het Olympuskwartier Zuid is een omgevingskwaliteitplan opgesteld. Deze is opgenomen als Bijlage 1 en wordt door de gemeenteraad vastgesteld als beleidsregel. Hiermee is het een toetsingskader voor toekomstige aanvragen voor een omgevingsvergunning. 5.2.3

Schaduw

DGMR heeft onderzoek gedaan naar bezonning, de rapportage hiervan is opgenomen als Bijlage 2 bij deze motivering. De opbouw van de massa houdt rekening met de bezonning binnen als wel buiten het gebouw. De schaduw van de accenten vallen grotendeels buiten het nieuwe bouwblok en belemmeren de omliggende woningen het merendeel van het jaar niet. Enkel op de donkerste dagen raakt de schaduw de omliggende bebouwing licht. In de zomermaanden vallen de blokken eerder al door de bomen in de schaduw. 5.2.4

Privacy

De kortst gelegen bestaande woningen liggen circa 65 meter ten zuidoosten van het te realiseren appartementencomplex, aan de overzijde van de Koppelstraat. Deze afstand en de tussengelegen infrastructuur maken dat in een stedelijke omgeving de privacy van omwonenden niet onevenredig wordt geschaad.

5.3

Mobiliteit

5.3.1

Verkeer en Parkeren

De gemeente heeft in de Omgevingsvisie richting gekozen. We geven ruim baan aan lopen, fietsen en het openbaar vervoer, en minder ruimte voor het rijden met en parkeren van de auto in de openbare ruimte (maatwerk per wijk). Veiliger en prettiger voor iedereen, minder uitstoot en geluid, meer ruimte voor verblijven en groen en minder verharding. Het college heeft als uitwerking van de Omgevingsvisie een Duurzaam Mobiliteitsplan opgesteld en voorgelegd aan de gemeenteraad. Het plan haakt in op efficiënter ruimtegebruik en daarmee meer gebruik van de vervoerwijzen voet(ganger), fiets en openbaar vervoer. Met de maatregelen in het plan nemen deze vervoerwijzen verhoudingsgewijs toe ten opzichte van de auto in de modal-split, maar de auto blijft een belangrijke vervoerwijze. Fiets De 'Accentnota Fiets, Fietsambitie 2019-2024' (vastgesteld in januari 2020) bevat de Arnhemse fietsambitie voor de periode 2019-2024, met een doorkijk naar 2030. De nota is de start van een nieuwe aanpak waarin fietsvriendelijkheid centraal staat en meer tempo wordt gemaakt met uitvoering. Op basis van hoe de stad zich ontwikkelt en de betekenis van de fiets in de stad van de toekomst, wordt bepaald wat er nodig is om bewoners en forenzen te overtuigen om meer met de fiets te gaan.

Daarin is de substantiële verbetering van de Arnhemse fietsinfrastructuur belangrijk, door de aanleg van meer stedelijke doorfietsroutes. De Accentnota sluit aan bij de uitgangspunten van de nieuwe regionale fietsambitie 'Samenwerkingsagenda fiets, regio Arnhem Nijmegen'. De doelen van deze fietsambitie zijn: meer fietsgebruik; betere ontsluiting van stedelijke bestemmingen voor alle inwoners van de stad; de binnenstad beter bereikbaar en aantrekkelijker maken voor fiets; schone lucht en verminderen van CO2 uitstoot; inspelen op de trend van toenemende stedelijke verdichting en urbanisatie; het verduurzamen en toekomstvast maken van het stedelijk vervoersnetwerk; het beïnvloeden van duurzaam stedelijk verplaatsingsgedrag. Openbaar vervoer In december 2018 zijn door de gemeenteraad het HOV-Actieplan en de Stadsnetten-visie vastgesteld. Deze twee beleidsdocumenten voor het openbaar vervoer hebben tot doel om de aantrekkelijkheid en Bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Olympuskwartier" (vastgesteld) 31

concurrentiekracht van het stedelijk en regionaal OV te vergroten. Om daarmee de bereikbaarheid en economische aantrekkelijkheid van de regio en de steden te verbeteren. Het openbaar vervoer wordt toekomstvast door een kwaliteitsslag met als maatregelen: een netwerk van Hoogwaardig Openbaar Vervoer een mobiliteit te bieden voor iedereen een emissieloos openbaar vervoer door middel van Trolley 2.0. Situatie plangebied De geplande ontwikkelingen binnen het plangebied brengen de nodige verkeersgeneratie en parkeervraag met zich mee. In voorliggend geval is door bureau Goudappel onderzoek gedaan naar de verkeersgeneratie en parkeerbehoefte van het appartementengebouw Olympuskwartier. De rapportages hiervan is opgenomen als Bijlage 8 en 9. Hieronder worden de belangrijkste resultaten uiteengezet. 1. De totale verkeersgeneratie van het nieuwe complex bestaat uit 2.384 motorvoertuigritten per etmaal. De bestaande wegen in de omgeving hebben voldoende capaciteit om dit extra aantal voertuigritten op te vangen. 2. Met een opstellengte van cica 15 meter en het toepassen van een wisselstrook wordt op basis van een inschatting met de verwachte verkeersgeneratie van het nieuwe complex geen terugslag op de Olympus verwacht. 3. De totale parkeerbehoefte voor auto's is met een reductie door het inzetten van 4 deelauto's 231 parkeerplaatsen.

De parkeergarage heeft een capaciteit van 236 parkeerplaatsen. Daarmee voldoet het parkeeraanbod voor auto's aan de parkeerbehoefte van het complex. 4. De invulling van de commerciële ruimtes staan nog niet vast, er zijn nog 5 alternatieve opties mogelijk. Deze opties zijn uitgewerkt in de bijlage van het rapport van Goudappel. Het parkeeraanbod in de parkeergarage is in iedere optie voldoende om te voorzien in de totale parkeerbehoefte van het complex. 5. De totale parkeerbehoefte van het appartementencomplex voor de fiets is 880 fietsparkeerplaatsen. Het parkeeraanbod voor fietsers voorziet in de berekende parkeerbehoefte. Geconcludeerd wordt dat het aspect verkeer en parkeren geen belemmering vormt voor het planvoornemen.

5.4

Milieu

5.4.1

Geluid

Besluit kwaliteit leefomgeving In het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn in afdeling 3.5 regels opgenomen voor het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Er moet akoestisch onderzoek verricht worden wanneer geluidgevoelige gebouwen geheel of gedeeltelijk binnen een geluidaandachtsgebied komen te liggen. Er wordt daarbij gewerkt met een standwaarde en grenswaarde. Voor rijkswegen en provinciale wegen, gemeente- en waterschapswegen, hoofd- en lokale spoorwegen en industrieterreinen gelden ieder eigen standaard- en grenswaarden volgens het Bkl. De standaardwaarden hebben als doel geluidhinder te voorkomen en te beperken tot aanvaardbare geluidniveaus. Maar ook voor het aspect geluid geldt dat wordt gekeken naar een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De aanvaardbaarheid van zowel geluidbelasting als geluidhinder is afhankelijk van de planologische context; in een woonwijk worden andere geluidniveaus aangetroffen en verwacht dan in een bruisend stadscentrum. Een overschrijding van de standaardwaarden kan daarmee door het bevoegd gezag acceptabel worden geacht en hoeft geen obstakel te zijn. Wel geldt dat in het Bkl grenswaarden zijn opgenomen waarboven er doorgaans geen aanvaardbaar geluidniveau kan bestaan. Bij een geluidbelasting boven deze grenswaarde is de ontwikkeling niet zonder meer mogelijk.

32

Bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Olympuskwartier" (vastgesteld)

Beleidsplan Geluid Het beleidsplan Geluid heeft tot doel geluidsnormen voor nieuwe situaties af te stemmen op de aard en de functie van een gebied. Hierdoor kan beter rekening gehouden worden met ontwikkelingen en verwachting van de gebruikers van een gebied. In het centrum en dichtbij goed openbaar vervoer wil de gemeente Arnhem veel functies mogelijk maken. Als gebieden intensiever gebruikt worden neemt de kans op geluidhinder ook toe. Andere gebieden zoals de parken worden juist gewaardeerd om hun relatieve rust. Deze uitgangspunten hebben geleid tot een gebiedsgerichte invulling van geluidskwaliteiten binnen Arnhem. Naarmate de geluidbelasting hoger is neemt het belang van een zorgvuldige invulling van de totale leefomgevingskwaliteit toe. Vanwege de dominante woonfunctie in de stadswijken is de na te streven milieubelasting laag. Alleen aan de randen van de stadswijken, waar deze grenzen aan verkeerswegen, wordt een hogere geluidsbelasting toegestaan (-1, onrustig (48 db tot 53 dB) tot –2, zeer onrustig (53 dB tot 58 dB)).

Wegverkeer Voor de realisatie van het appartementencomplex Olympuskwartier Zuid is door DGMR een onderzoek naar wegverkeerlawaai uitgevoerd, deze is opgenomen in Bijlage 3. Hieronder worden de belangrijkste resultaten uiteengezet. Het geluid van de gemeentewegen voldoet niet aan de standaardwaarde van 53 dB. De grenswaarde van 60 dB wordt echter niet overschreden. De hoogst berekende waarde is 58 dB. Ook voor provinciale wegen wordt niet voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB. Op een deel van de gevels is het geluid ook hoger dan de grenswaarde van 60 dB. De hoogst berekende waarde is 63 dB, hier zullen maatregelen getroffen moeten worden om een aanvaardbaar binnenniveau qua geluidsbelasting te halen. Dit kunnen zijn maatregelen aan de bron (wegdek, snelheid), in de overdracht (scherm) of gevelmaatregelen. Omdat maatregelen aan de bron en in overdracht op verkeerskundige, financiële en stedenbouwkundige bezwaren stuit, wordt door de ontwikkelaar bouwfysisch onderzoek uitgevoerd waarin bepaald wordt welke gevelmaatregelen nodig zijn. Binnen het plan is sprake van cumulatie door het geluid van de verschillende bronsoorten. De hoogst berekende waarde van het gecumuleerde geluid is 63 Lden als geen geluidmaatregelen getroffen worden. De gemeente stelt in haar geluidbeleid eisen aan het ontwikkelen van woningen als het geluid hoger is dan de standaardwaarde.

Eén van de voorwaarden is dat alle woningen moeten worden voorzien van een verblijfsruimte aan de geluidluwe zijde en een geluidluwe buitenruimte. Van deze beleidsregel kan gemotiveerd worden afgeweken. De berekende waarden vallen in de geluidklasse (zeer) onrustig. Dit is voor het gebiedstype 'Centrum' incidenteel toegestaan. Het plan conflicteert daardoor niet met het beleid van de gemeente Arnhem. Vanaf de geluidklasse 'zeer onrustig' stelt het geluidbeleid van de gemeente Arnhem als voorwaarde dat iedere woning voorzien moet zijn van een geluidluwe zijde. Volgens het voormalige beleid is een gevel geluidluw als het gecumuleerde geluid voldoet aan de voorkeurswaarde. De gemeente Arnhem beschouwt een gevel op basis van de Omgevingswet als geluidluw, als deze voldoet aan de standaardwaarde van 53 dB voor gemeentelijke wegen. In een aanvullend onderzoek bouwfysica wordt vastgesteld welke woningen op basis van de resultaten voldoen aan de eisen uit het geluidbeleid van de gemeente Arnhem en voor welke woningen aanvullende gebouwmaatregelen nodig zijn.

Hinder In het kader van bedrijven en milieuzonering dienen de effecten van inrichtingen op hun omgeving (gevoelige bestemmingen, waaronder eventueel nieuw te ontwikkelen woningen) in beeld gebracht te worden. Voorbeelden van hinder zijn geluid, geur, stof of gevaar. In de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering 2009' is een lijst van inrichtingen opgenomen waarbij de inrichtingen op grond van de hinder die zij veroorzaken, zijn opgedeeld in 6 categorieën. Hierbij wordt er vanuit gegaan dat een Bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Olympuskwartier" (vastgesteld) 33

inrichting uit categorie 1 relatief weinig hinder veroorzaakt en een inrichting uit categorie 6 bijzonder veel hinder veroorzaakt. In de Omgevingswet wordt niet langer gewerkt met de term inrichting en wordt gesproken over milieubelastende activiteiten. Omdat in voorliggende situatie het gemeentebrede omgevingsplan nog niet gereed is en daarmee de bestemmingsplannen nog onderdeel uitmaken van omgevingsplan, is het kader van de VNG-publicatie nog wel relevant. Situatie plangebied Door DGMR is een analyse Bedrijven en milieuzonering uitgevoerd om in kaart te brengen wat de invloed is van omliggende bedrijvigheid op het planvoornemen. De rapportage hiervan is opgenomen in Bijlage 4 van deze motivering. Geconcludeerd wordt dat de afstand tussen het Olympuskwartier en de GelreDome en de sport-activiteiten voor alle milieubelastende activiteiten groter is dan de richtafstand. Vanwege het specifieke karakter van het GelreDome en het gebruik/grootte van het parkeerterrein bij Decathlon is een nadere analyse gemaakt of deze activiteiten een relevante invloed op het plan kunnen hebben en of de ontwikkeling van de nieuwe woningen voor een belemmering van de toegestane activiteiten kunnen zorgen. Uit het onderzoek volgt dat bij de nieuwe gevoelige bestemmingen in het Olympuskwartier sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Daarnaast zorgt het plan niet voor een belemmering van de activiteiten van de bedrijven. Dit wordt onderschreven door de geluidsbereking welke de indicatieve geluidbelasting van het stedenbouwkundig ontwerp in beeld brengt van de verschillende activiteiten binnen GelreDome, van de Omgevingsdienst Regio Arnhem zoals opgenomen in Bijlage 5. Hieruit blijkt dat dat voor 1 toetspunt niet kan worden voldaan aan de ambitiewaarde maar overal wel wordt voldaan aan de plafondwaarde. De waarde is daarmee vergunbaar waardoor het GelreDome niet wordt belemmerd in haar bedrijfsvoering. Op basis van het onderzoek wordt geconcludeerd dat met de beoogde ontwikkeling van de woningen en andere activiteiten, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Onderdeel van het plan is de ontwikkeling van een aantal kleinschalige bedrijfsruimtes. Alle milieubelastende activiteiten die worden toegestaan binnen het plan, zijn geschikt voor functiemenging. Voor de activiteiten die binnen het plan mogelijk worden gemaakt, is sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de nieuwe en bestaande woningen. 5.4.2

Lucht

De Europese richtlijnen voor luchtkwaliteit zijn geïmplementeerd in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het doel van deze wetgeving is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. De wet is primair gericht op het voorkomen van negatieve effecten op de gezondheid van de mens. Daarnaast zijn er voor de stoffen zwaveldioxide en stikstofoxiden ook normen opgenomen ter bescherming van ecosystemen. Voor het toetsen van ruimtelijke plannen zijn de volgende omgevingswaarden het meest relevant: PM10 (fijnstof) 1. de jaargemiddelde concentratie van 40 pg PM10/m3 mag niet worden overschreden; 2. de 24 uursgemiddelde concentratie van 50 pg PM10/m3 mag niet vaker dan 35 keer per jaar worden overschreden; NO2 (stikstofdioxide) 1. de jaargemiddelde concentratie van 40 pg NO2/m3 mag niet worden overschreden; 2. de uurgemiddelde concentratie van 200 pg NO2/m3 mag niet vaker dan 18 keer per jaar worden overschreden. Voor de overige stoffen worden in Nederland geen overschrijdingen gerapporteerd. In de artikelen 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is bepaald wanneer activiteiten 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. In deze situaties is toetsing aan de omgevingswaarden niet noodzakelijk.

Hieronder vallen ook gebouwen met een woonfunctie bestaand uit maximaal 1.500 woningen met één ontsluitingsweg, of ten hoogste 3.000

34

Bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Olympuskwartier" (vastgesteld)

woningen met twee ontsluitingswegen. In voorliggend geval betreft het naast het planologisch verankeren van een bestaande situatie hoofdzakelijk een woningbouw ontwikkeling welke ruim beneden de 1.500 woningen blijft en dus niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Om te bepalen of binnen het plan sprake is van een goed woon- en leefklimaat is door DGRM onderzoek gedaan, de rapportage hiervan is opgenomen in Bijlage 3. In het onderzoek wordt geconcludeerd dat de grenswaarde van 40 µg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) voor zowel de nieuwe als bestaaande woningen niet wordt overschreden. De maximale waarde voor NO2 is 19,9 µg/m3 en voor PM10 16,2 µg/m3. Voor zeer fijnstof (PM2,5) geldt een norm van 25 µg/m3. De hoogst berekende waarde voor PM2,5 van 9.1 µg/m3, voldoet = ook aan de grenswaarde. Verder volgt uit de resultaten dat de grenswaarde van het uurgemiddelde voor NO2 op geen enkel toetspunt wordt overschreden. Voor PM10 mag de grenswaarde van de 24-uurs gemiddelde concentratie maximaal 35 keer worden overschreden. Het berekende aantal van zes overschrijdingen voldoet daarom aan de norm. Geconlcudeerd wordt dat de berekende concentraties ruimschoots aan de grenswaarden voldoen. 5.4.3

Omgevingsveiligheid

Rijksbeleid Omgevingsveiligheid gaat om de risico's van het gebruik en transport van gevaarlijke stoffen, de veiligheid van inrichtingen en de veiligheid van nieuwe, zich snel ontwikkelende technologieën. Onder omgevingsveiligheid vallen ook de risico's door luchthavens en windturbines. In paragraaf 5.1.2.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn de algemene bepalingen met betrekking tot het waarborgen van de veiligheid opgenomen. Hieruit volgt dat in een omgevingsplan voor risico's van branden, rampen en crises, rekening wordt gehouden met het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan, de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen en de geneeskundige hulpverlening. Voor zowel de handelingen met gevaarlijke stoffen bij bedrijven als het transport van gevaarlijke stoffen zijn drie aspecten van belang, het plaatsgebonden risico (PR), aandachtsgebieden en het groepsrisico (GR). Gemeentelijk beleid Het beleidsplan externe veiligheid van de gemeente Arnhem beschrijft de mate van gewenste externe veiligheid in Arnhem. Uitgangspunt hierbij zijn de landelijke normen voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. In een groot gedeelte van de stad streven we naar het niet doen toenemen van de risico's.

Op sommige plekken in de stad, op bedrijventerreinen voor zware industrie en de volgens het structuurplan stedelijke zone accepteren we een hoger risico dan op andere plaatsen. Wel moet daar extra aandacht zijn voor de beschikbare mogelijkheden voor rampenbestrijding, de zelfredzaamheid van mensen en de hulpverlening. Situatie plangebied Het Olympuskwartier is niet gelegen binnen de invloedsferen van risicobronnen welke in kaart zijn gebracht in het kader van omgevingsveiligheid. 5.4.4

Bodem

Voor deze ontwikkellocatie is getoetst of de bodemkwaliteit (inclusief grondwater) de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen toelaat. Ook is getoetst of een eventuele bodemverontreiniging gevolgen heeft voor de financiële uitvoerbaarheid van de ontwikkeling. Als toetskader wordt gebruik gemaakt van de volgende bodemregelgeving: Besluit kwaliteit leefomgeving; Beleidsnota bodem 2012, Provincie Gelderland, gemeente Arnhem en gemeente Nijmegen, 1 december 2012; Nota Bodembeheer, september 2011 Situatie plangebied Bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Olympuskwartier" (vastgesteld) 35

Om de bodemkwaliteit ter plaatse van het beoogde appartementengebouw inzichtelijk te maken is door Econsultancy een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De volledige rapportage hiervan is opgenomen als Bijlage 6 bij deze motivering. Hieronder is de samenvatting van het onderzoek opgenomen: Bodemonderzoek De bodem bestaat voornamelijk uit zwak tot sterk siltig, matig fijn tot zeer grof zand. Deze zandige bovenlaag is bovendien lokaal zwak humeus. Onder deze zandlaag bevindt zich vrijwel overal een laag zwak tot matig zandige klei. De ondergrond bestaat uit klei met lokaal aanwezige zandlagen. De ondergrond is plaatselijk zwak gleyhoudend. De bovengrond is plaatselijk zwak tot matig betonhoudend, zwak tot sterk baksteenhoudend, sterk puinhoudend, matig asfalthoudend. Verder is de bovengrond zeer lokaal zwak kolengruishoudend. Op de onderzoekslocatie zijn de volgende deellocaties onderzocht: Deellocatie A: parkeerterrein met klinkerverharding Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat deze deellocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "onverdacht, niet lijnvormig" (ONV-NL). Bij onverdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem niet verontreinigd is. Zintuiglijk is in de bovengrond alleen ter plaatse van boring A01 een zwakke bijmenging met kolengruis aangetroffen.

Verder zijn er zintuiglijk geen verontreinigingen aangetroffen. De bovengrond is niet verontreinigd. De ondergrond is licht verontreinigd met kobalt en nikkel en lokaal ook met zink. Het grondwater is licht verontreinigd met barium. Deze bariumverontreiniging in het grondwater heeft waarschijnlijk een natuurlijke oorzaak. De vooraf gestelde hypothese dat de onderzoekslocatie ter plaatse van deellocatie A als "onverdacht, niet lijnvormig" dient te worden beschouwd, wordt op basis van de aangetroffen lichte verontreinigingen in de ondergrond en het grondwater verworpen. Deellocatie B: terreindeel met puinverharding Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat deze deellocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "heterogeen verdacht, niet lijnvormig" (VED-HE-NL). In het opgeboorde materiaal zijn zintuiglijk in verschillende gradaties baksteen, beton en asfaltbijmenging aangetroffen. De bovengrond is plaatselijk licht verontreinigd met cadmium, molybdeen, lood, zink, minerale olie, PCB en PAK. Deze verontreinigingen zijn gerelateerd aan de waargenomen zintuiglijke bijmenging met baksteen en beton. De zintuiglijk schone bovengrond is niet verontreinigd. De zintuiglijk schone ondergrond is licht verontreinigd met nikkel. Het grondwater is licht verontreinigd met barium en molybdeen.

De vooraf gestelde hypothese dat de onderzoekslocatie ter plaatse van deellocatie B als "heterogeen verdacht" dient te worden beschouwd, wordt op basis van de lichte verontreinigingen aanvaard. Deellocatie C: grondwal Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat deze deellocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "heterogeen verdacht, niet lijnvormig" (VED-HE-NL). Zintuiglijk zijn in de bovengrond resten puin waargenomen. Analytisch is MMC1 schoon en MMC2 licht verontreinigd met minerale olie en PAK. De zintuiglijk schone ondergrond is licht verontreinigd met lood en PAK. Het grondwater op deze locatie is niet bemonsterd doordat de boringen gestaakt zijn op puin, waarschijnlijk ter hoogte van het originele maaiveld. De vooraf gestelde hypothese dat de onderzoekslocatie ter plaatse van deellocatie C als "heterogeen verdacht, niet lijnvormig" dient te worden beschouwd, wordt op basis van de aangetoonde lichte verontreinigen aanvaard. Advies

36

Bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Olympuskwartier" (vastgesteld)

Verspreid over de gehele locatie zijn enige zintuiglijke bijmengingen met baksteen, beton en zeer lokaal kolengruis waargenomen. De zintuiglijk verontreinigde bovengrond is lokaal licht verontreinigd met metalen, minerale olie, PAK en/of PCB. De zintuiglijk schone bovengrond is niet verontreinigd. De zintuiglijk schone ondergrond is lokaal licht verontreinigd met metalen. Waarschijnlijk zijn deze metaalverontreinigingen het gevolg van natuurlijk verhoogde achtergrondgehaltes van deze metalen in de diepere bodemlagen. Gelet op de aard en mate van de aangetroffen verontreinigingen, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek. De op de locatie aangetoonde PAK-spot uit het voorgaand onderzoek (Econsultancy, rapportnummer 13085934, d.d. 22 november 2013) is niet opnieuw onderzocht, omdat er geen reden is aan te nemen dat deze spot is verdwenen of in omvang is toegenomen. Indien er werkzaamheden uitgevoerd worden op deze locatie dient dit te worden afgestemd met het bevoegd gezag. Er zijn lokaal in de bodem puin(resten) aangetroffen. Voor een gedeelte gaat het om de bodem onder de puinverharding en voor een gedeelte om de grond in de grondwal. Voor het terrein onder de puinverharding gaat het waarschijnlijk om lokale vermenging met het bovenliggende puin. Ter plaatse van de grondwal is de herkomst van het puin onzeker.

Econsultancy adviseert in verband met het aantreffen van puin(resten) om een verkennend/nader onderzoek asbest in bodem conform de NEN 5707 te laten uitvoeren ter plaatse van deellocatie C. Nader onderzoek Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd, dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie voor een "verdachte locatie met diffuse bodembelasting en een heterogene verontreiniging op schaal van monsterneming, niet lijnvormig" (VED-HE-NL). Het doel van het onderzoek in deze situatie is vast te stellen of de verdenking al dan niet terecht is en in hoeverre de bepalingsgrens wordt overschreden. De bodem bestaat plaatselijk uit zwak siltig, matig grof zand. De bovengrond is bovendien zwak humeus. Plaatselijk bestaat de bodem uit matig zandige klei. Deze klei is daarnaast zwak humeus. De grondwal is matig tot sterk puinhoudend en loopt door tot ongeveer 1,7 meter onder maaiveld. Verder zijn er zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen. Er zijn op het maaiveld geen asbestverdachte materialen aangetroffen. In de bodem is zowel zintuiglijk als analytisch géén hechtgebonden en niet-hechtgebonden asbestgeconstateerd. De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "heterogeen verdacht" dient te worden beschouwd wordt op basis van de onderzoeksresultaten verworpen.

Er bestaan volgens Econsultancy dan ook géén milieuhygiënische belemmeringen voor de voorgenomen verkoop van de onderzoekslocatie. Conclusie De bodemkwaliteit ter plaatse van het te realiseren appartementencomplex in Olympuskwartier is van voldoende kwaliteit voor het beoogde gebruik. 5.4.5

Water

Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Water programma 2022-2027. Het plan geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. De belangrijkste ambities richten zich op schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte uit 2012 beschrijft het kabinet doelen voor de periode tot 2028. Verbetering leefomgeving, milieu en water is er één. Het gaat om de bescherming van de grondwaterkwaliteit en –kwantiteit, de bescherming en verbetering van de waterkwaliteit, een goede zoetwatervoorziening en voldoende ruimte voor waterveiligheid. Verder is klimaatbestendige Bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Olympuskwartier" (vastgesteld) 37

(her)ontwikkelingen, met water als belangrijk aspect, een belangrijk onderwerp. In april 2011 hebben Rijk, provincies, gemeente, waterschappen, en drinkwaterbedrijven afgesproken om gezamenlijk maatregelen te nemen voor een doelmatiger waterbeheer; het Bestuursakkoord Water. De inzet ligt bij mooi, veilig, schoon, gezond en duurzaam beheer van watersysteem en waterketen. De kwaliteit moet omhoog tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten. In de Waterwet uit 2009 zijn onder meer de gemeentelijke watertaken opgenomen: de zorgplicht voor hemelwater indien de eigenaar van het terrein het hemelwater in alle redelijkheid niet op eigen terrein kan verwerken en de regierol van gemeenten bij de grondwaterzorgplicht. In het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie is door de overheden afgesproken om vanaf 2020 ruimtelijke adaptatie een integraal onderdeel uit te laten maken van het beleid. Om uiteindelijk in 2050 een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting te hebben. De urgentie om onze leefomgeving klimaatadaptief en waterrobuust te maken is in het Bestuursakkoord Klimaatadaptatie (november 2018) nogmaals onderstreept. Beleid waterschapen gemeente De verantwoordelijkheid voor het stedelijk waterbeheer in Arnhem-Zuid ligt bij het Waterschap Rivierenland. Relevant beleid voor de gemeente Arnhem is de Waterschapsverordening Waterschap Rivierenland.

Het waterbeleid van de gemeente Arnhem is vastgelegd in de volgende beleidsplannen: Gemeentelijk RioleringsPlan; dit plan richt zich op een verbetering van de kwaliteit van het rioleringsstelsel, op de vermindering van de vuiluitworp naar het oppervlaktewater, de bodem en het grondwater, op het voorkomen van overlast en op het vasthouden van schoon hemelwater in stedelijk gebied; Waterplan Arnhem. Door de gemeente Arnhem en haar waterpartners is dit Tweede Waterplan Arnhem opgesteld. De gemeenteraad heeft in 2009 het waterplan vastgesteld. Het waterplan is gebaseerd op 4 hoofddoelstellingen: 1. Arnhem aantrekkelijke waterstad; 2. Klimaatbestendig watersysteem en waterketen; 3. Goede kwaliteit water en waterbodem; 4. Bewustwording; Aanpak wateroverlast Arnhem-Noord (2015). Het plan heeft tot doel om Arnhem en vooral Arnhem-Noord, beter bestendig te maken tegen zware regenbuien. Hiervoor worden tijdens werkzaamheden in de openbare ruimte maatregelen genomen die wateroverlast verminderen dan wel beperken. Over alle plannen in de openbare ruimte wordt een waterscan gelegd. Strategie klimaatadaptatie 2020-2030. In deze 'Strategie Klimaatadaptatie Arnhem' geven we aan hoe en wat we de komende tien jaar, tot 2030, gaan doen om onze stad klimaatbestendiger te maken. Waar we dit kunnen doen door klimaatadaptatie te combineren met vergroenen doen we dat.

Waar we werken aan de stad nemen we klimaatadaptatie mee. En we doen het samen; iedereen is nodig voor een succesvolle aanpak: bewoners, bedrijven, organisaties en instellingen en natuurlijk de overheid. Resumé Uitgangspunt in het huidige beleid van gemeente, waterschap, provincie en het rijk is dat planontwikkeling moet aansluiten bij een duurzaam integraal waterbeheer. Dit betekent dat: negatieve verstoring van de grondwaterstanden en –stromingen niet toegestaan zijn om grondwateroverlast en/of verdroging op de locatie en het boven- en benedenstrooms gelegen gebied te voorkomen; maatregelen getroffen moeten worden ter voorkoming van (grond)watervervuiling; bij nieuwbouw het regenwater binnen het plangebied afgekoppeld moet worden van de riolering en worden verwerkt binnen het plangebied; voldoende oppervlaktewater aanwezig is met voldoende obstakel vrije ruimte om dit water doelmatig te kunnen onderhouden en op de goede locatie; het verhard oppervlak zoveel mogelijk beperkt wordt; het gebruik van uitloogbare materialen en chemische bestrijdingsmiddelen niet is toegestaan; 38

Bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Olympuskwartier" (vastgesteld)

ontwikkelingen moeten bijdragen aan het verminderen of beperken van wateroverlast; geen ontwikkelingen mogen plaatsvinden die het functioneren van de waterkering beperken; de aanwezige ruimte in het winterbed van de rivieren beschikbaar blijft voor het primaire doel; waterberging en waterafvoer. Situatie plangebied Waterkering Er liggen geen waterkeringen met betreffende beschermingszone nabij het plangebied Waterketen Betreft het Vuilwaterafvoer wordt aangesloten op het gemeentelijk riool Hemelwater Vanaf het te realiseren appartementencomplex gaat het regenwater via HWA's twee kanten op: een deel gaat naar de daktuin toe, en een deel gaat direct naar de omliggende wadi's. In de wadi's wordt het water opgeslagen, en infiltreert het water op natuurlijke wijze de grond in. De wadi's zijn door middel van een slokop en een ondergrondse drainage met elkaar verbonden. Wanneer alle wadi's vol zitten, is er een nood overstort voorzien richting de A-watergang achter de busbaan. Hierbij zal worden voldaan aan de beleidsregels uit de waterschapverordening (hoofdstuk 3.21). Het water richting de daktuin is nodig om de beplanting van voldoende water te voorzien. Een waterbuffer is gepland onder de plantbakken, waar een geringe hoeveelheid water opgeslagen kan worden, en via capillaire werking de beplanting bereikt.

Als deze buffers vol zijn, loopt het water via een afvoer (bijvoorbeeld pluvia's) alsnog richting de wadi's. Op basis van de klimaatatlas is de locatie vrij gevoelig voor wateroverlast bij een hevige bui. Tijdens zéér extreme regenval kan het water vanuit de daktuin over de trappen heen het dak aflopen. Het zal dan op maaiveld terechtkomen, vanuit waar het richting de wadi's zal afwateren. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een waterbalans opgesteld. Deze is opgenomen in het stedenbouwkundig plan, Bijlage 14. Uit de waterbalans volgt dat er ruim voldoende waterberging wordt gerealiseerd. Het hemelwater wat neerslaat op de Anders Wonen locatie wordt ter plaatse geïnfiltreerd. Geconcludeerd is dat in het plan voldoende waterberging is opgenomen. 5.4.6

Geur

Geurhinder van industriële bedrijven Het beleidsplan Geur uit 2010 gaat in op geur afkomstig van industriële bedrijven waarvoor de gemeente Arnhem het bevoegde gezag is. Milieubeleid kan een positieve bijdrage leveren aan maatschappelijke thema's als gezondheid, veiligheid, leefbaarheid, duurzaamheid en ruimtelijke kwaliteit. Geur is een milieuaspect dat een belangrijke bijdrage levert aan de leefbaarheid. Het geurbeleid van de gemeente Arnhem sluit, voor zover dat mogelijk is, aan op het geurbeleid van de provincie Gelderland. Het doel van het geurbeleid is dat inwoners van Arnhem nu en in de toekomst niet worden blootgesteld aan geuroverlast door industriële bedrijven. Situatie plangebied Het Olympuskwartier is niet gelegen binnen de invloedsferen van industriële bedrijvigheid, zo valt ook te lezen in de rapportage milieuzonering Bijlage 4. 5.4.7

Trillingen

Tijdens evenementen in het Gelredome kunnen door dansende en springende bezoekers voelbare trillingen in omliggende woongebouwen optreden. Trillingen kunnen hinder veroorzaken, onder andere in de vorm van slaapverstoring. In dat kader is het van belang om bij de nieuwbouw rondom Gelredome een aanvaardbaar woon- en Bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Olympuskwartier" (vastgesteld) 39

leefklimaat te waarborgen en om de bedrijfsbelangen van het Gelredome niet onevenredig te schaden. In het kort Landelijke waarden specifiek voor trillingen door dansende en springende bezoekers bij evenementen ontbreken. Daarom is de Beoordelingsrichtlijn Trillingen in nieuwbouw door evenementen Gelredome (hierna Beoordelingsrichtlijn nieuwbouw) opgesteld, met grenswaarden afgeleid van de landelijke trillingsrichtlijnen. De Beoordelingsrichtlijn nieuwbouw is op 20 mei 2025 vastgesteld door het college. Voor de nieuwbouw in de omgeving van Gelredome gaat gelden (via een planregel in het omgevingsplan) dat aan de grenswaarden uit de Beoordelingsrichtlijn nieuwbouw moet worden voldaan en dat daarbij moet worden uitgegaan van de meegegeven uitgangspunten op basis van eerdere trillingsmetingen bij de maatgevende concerten in het Gelredome. Mogelijk moeten trillingsmaatregelen aan de nieuwbouw worden getroffen. Voor (de exploitant van) Gelredome gaat gelden (via een maatwerkbesluit) dat, voor de evenementen, in relatie tot de nieuwbouw, op maaiveld aan (afgeleide) grenswaarden op basis van de eerdere metingen bij de maatgevende concerten in het Gelredome moet worden voldaan. Achtergrond B.V. Exploitatiemaatschappij Gelredome organiseert jaarlijks diverse evenementen op de locatie Batavierenweg 25 in het Gelredome in Arnhem.

Tijdens evenementen in het Gelredome kunnen door dansende en springende bezoekers voelbare trillingen in omliggende woongebouwen optreden. Voor de diverse typen evenementen heeft de gemeente Arnhem een omgevingsvergunning milieu verleend (d.d. 12 oktober 2012). Voor trillingen zijn de evenementen type C (popconcerten, dag- en avondperiode) en type D (dance-events, dag-, avond- en nachtperiode) van belang. Evenementen type C mogen maximaal 24 keer per jaar plaatsvinden en type D maximaal 2 keer per jaar in de periode oktober tot en met maart. In de verleende omgevingsvergunning waren geen trillingsnormen opgenomen. Niet relevant voor trillingen (door dansende en springende bezoekers) zijn de overige evenementen uit de omgevingsvergunning milieu, te weten de voetbalwedstrijden (type A), motorsportevenementen (type B) en monsterjam of tractor pullevenementen (type E). Relevant zijn namelijk de evenementen met dansende en springende bezoekers op het veld (en niet zozeer op de tribune). Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet (2024) moet Gelredome waarschijnlijk voldoen aan de rechtstreeks geldende waarden uit de Omgevingswet. Iets specifieker: aan de waarden uit de Bruidsschat van de Omgevingswet, die op die manier deel uitmaken van het (tijdelijke deel van het) gemeentelijke omgevingsplan. De Omgevingswet bevat namelijk normen voor continue trillingen.

En trillingen door dansende en springende bezoekers zijn, de landelijke trillingsrichtlijnen van de SBR (Stichting Bouwresearch) volgend, te classificeren als continue trillingen. De trillingen zijn namelijk ten opzichte van de grootste trillingstijd (elke trilling duurt maximaal 0,5 seconden) lang aanwezig (perioden van dansen en springen tijdens evenementen duren tientallen seconden, en komen veelvuldig voor tijdens de uren durende concerten). En de tijdsduur van rust (enkele tientallen seconden tussen twee periodes waarin hogere trillingen optreden tijdens een concert) is niet veel langer dan de periode van de trillingen (ook enkele tientallen seconden). Gelredome voldoet bij de betreffende evenementen niet aan de normen in de Omgevingswet voor continue trillingen. De normen in de Omgevingswet zijn afgeleid van de impact op de gezondheid voor langdurige blootstelling (dagelijks, 24 uur per dag) en niet specifiek bedoeld voor dansende en springende bezoekers bij evenementen, die een gemaximeerd aantal keer per jaar plaatsvinden (maximaal 26 evenementen per jaar, waarvan slechts maximaal 2 in de nachtperiode). Beoordelingsrichtlijn Trillingen in nieuwbouw door evenementen Gelredome Landelijke waarden specifiek voor trillingen door dansende en springende bezoekers bij evenementen ontbreken.

Daarom is de Beoordelingsrichtlijn nieuwbouw opgesteld, met grenswaarden afgeleid van de landelijke trillingsrichtlijnen. In de opgestelde Beoordelingsrichtlijn nieuwbouw zijn de grenswaarden kortgezegd afgeleid van de waarden uit de landelijke SBR-trillingsrichtlijnen. De landelijke SBR-richtlijnen zijn mede uit het oogpunt van gezondheid opgesteld. Daarbij wordt een bepaalde mate van hinder geaccepteerd. In de opgestelde 40

Bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Olympuskwartier" (vastgesteld)

Beoordelingsrichtlijn nieuwbouw rondom Gelredome zijn de grenswaarden afgeleid van de waarden voor bouw- en sloopwerkzaamheden uit de landelijke SBR-trillingsrichtlijn 'Hinder voor personen in gebouwen' (Deel B). In beide gevallen gaat het namelijk om trillingen gedurende korte, niet-permanente periodes. Omdat evenementen bij Gelredome jaarlijks kunnen terugkeren (wat bij bouw- en sloopwerkzaamheden doorgaans niet zo is), zijn de grenswaarden in de Beoordelingsrichtlijn nieuwbouw rondom Gelredome voor de evenementen wel strenger dan die voor bouw- en sloopwerkzaamheden, om zo een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwbouw te creëren. Van belang daarbij is ook dat het gaat om evenementen die maximaal 26 keer per jaar voorkomen, waarvan slechts maximaal 2 keer in de nachtperiode (23.00u-07.00u). Voor meer onderbouwing van de grenswaarden wordt kortheidshalve Beoordelingsrichtlijn nieuwbouw zelf, zoals vastgesteld door het college.

verwezen

naar

de

NB. Het maakt voor de Beoordelingsrichtlijn nieuwbouw rondom Gelredome overigens niet uit om welk type trillingen het bij evenementen in het Gelredome gaat. In de Beoordelingsrichtlijn zijn grenswaarden opgenomen waar de nieuwbouw aan moet voldoen in relatie tot de trillingen door evenementen met dansende en springende bezoekers in het Gelredome, ongeacht om welk type trillingen het gaat. Trillingsonderzoek en -maatregelen nieuwbouw Voor de nieuwbouw in de omgeving van Gelredome gaat gelden (via een planregel in het omgevingsplan) dat aan de grenswaarden uit de Beoordelingsrichtlijn nieuwbouw rondom Gelredome in trillinggevoelige ruimten moet worden voldaan en dat daarbij moet worden uitgegaan van de meegegeven uitgangspunten op basis van eerdere trillingsmetingen bij de maatgevende concerten in het Gelredome. Trillinggevoelige ruimten zijn (conform het Bkl) ruimten met een woonfunctie, een gezondheidszorgfunctie (met bedden), een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang (met bedden) en een onderwijsfunctie. Mogelijk moeten trillingsmaatregelen aan de nieuwbouw worden getroffen.

Bij trillingsmaatregelen kan worden gedacht aan een ontwerp met bredere volumes (vierkanten bijvoorbeeld) en aan constructieve maatregelen, zoals tunnelbouw, het vermijden van staalconstructies (en dus het toepassen van betonnen balken in plaats van stalen balken), het vermijden van open constructies onderin gebouwen, het optimaliseren van de fundering (door het toepassen van een voldoende dikke plaatfundering in plaats van een balkenfundering en door het toepassen van langere dikkere of schuine palen). Iets specifieker betekent dit dat bij de bouwaanvraag een trillingsonderzoek moet worden overgelegd waaruit blijkt dat, al dan niet met trillingsmaatregelen, in trillinggevoelige ruimten, aan de (overeenkomstige) in de planregels vastgelegde grenswaarden wordt voldaan. En dat conform de specifieke gebruiksregel in de planregels de eventueel benodigde trillingsmaatregelen moeten worden getroffen en in stand worden gehouden. Input trillingsberekening Bij de trillingsberekening moet worden uitgegaan van de meegegeven uitgangspunten op basis van eerdere trillingsmetingen bij de maatgevende concerten in het Gelredome: het trillingsspectrum op maaiveld (zie de bij de planregels gevoegde bijlage). Het meegegeven trillingsspectrum is bepaald op basis van eerdere metingen van maatgevende concerten in het Gelredome, ter plaatse van de betreffende nieuwbouwlocatie.

De resultaten van die trillingsmetingen zijn opgenomen in het rapport Trillingsmetingen (bijlage 15). Dit trillingsspectrum is dus een vaststaand gegeven en uitgangspunt voor de trillingsberekening. Relatie tussen trillingsspectrum op trillinggevoelige ruimten

maaiveld

en

grenswaarden voor

nieuwbouw in

Doordat bij de nieuwbouw met het meegegeven trillingsspectrum op maaiveld aan de grenswaarden in trillinggevoelige ruimten moet worden voldaan, ontstaat een maximaal toegestane vaste versterkingsfactor van de trillingen in het gebouw (tussen maaiveld en de vloer) waarmee nog aan de norm uit de planregels kan worden voldaan. Zolang Gelredome niet meer trillingen veroorzaakt dan de maatgevende concerten en in het gebouw de trillingen niet méér worden versterkt dan is toegestaan, dan worden de grenswaarden in de planregels, gebaseerd op de Beoordelingsrichtlijn nieuwbouw rondom Gelredome, in de trillinggevoelige ruimten van de nieuwbouw ook niet overschreden. Bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Olympuskwartier" (vastgesteld) 41

Toelichting versterkingsfactor De trillingen vanuit de bodem worden in een gebouw versterkt door de bouwkundige constructie en fundering. Deze versterking in het gebouw verschilt per frequentie, en is onder meer afhankelijk van de eigenfrequentie en demping van het gebouw en onderdelen daarvan. Bij de eigenfrequenties van de constructie worden de trillingen meer versterkt dan bij frequenties die daar verder vandaan liggen. Per frequentie beschouwd kan een gebouw worden gezien als een lineair systeem. Omdat de trillingen door dansende en springende mensen tussen de 2 en 4 Hz liggen, en de variatie in frequenties beperkt is, is ook de variatie in versterking in het gebouw beperkt, en kan dus worden gesproken over een 'vaste versterkingsfactor' bij die specifieke frequenties. Deze 'vaste versterkingsfactor' is voor elk concert ongeveer hetzelfde. GrenswaardenGelredome, maatwerkbesluit Voor Gelredome gaat gelden (via een maatwerkbesluit) dat, voor de evenementen type C en D, in relatie tot de nieuwbouw, op maaiveld aan (afgeleide) grenswaarden op basis van de eerdere metingen bij de maatgevende concerten in het Gelredome moet worden voldaan. De grenswaarden voor Gelredome gaan gelden op maaiveld (ter plaatse van toetspunten) en niet in trillingsgevoelige ruimten (bij de nieuwbouw).

Gelredome heeft namelijk alleen invloed op de evenementen en niet op de manier waarop een gebouw wordt gebouwd. De bescherming tegen trillingshinder bij de nieuwbouw blijft gewaarborgd: Bij de nieuwbouw moet volgens de planregels nog steeds in trillinggevoelige ruimten aan de grenswaarden uit de Beoordelingsrichtlijn nieuwbouw rondom Gelredome worden voldaan. En de grenswaarden en uitgangspunten in de planregels voor de nieuwbouw en de grenswaarden in het maatwerkbesluit voor Gelredome zijn aan elkaar gerelateerd. Deze zijn immers beide bepaald op basis van de eerdere metingen bij de maatgevende concerten. Bij de nieuwbouw rondom Gelredome is daarmee sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Aangezien de grenswaarden in het maatwerkbesluit zijn bepaald op basis van de eerdere metingen bij maatgevende concerten, kan Gelredome dus aan deze grenswaarden voldoen en haar bedrijfsvoering voortzetten. Gelredome wordt dus niet onevenredig in haar bedrijfsbelangen geschaad. Het maatwerkbesluit kent een eigen procedure, separaat van het omgevingsplan. Binnenplanse afwijkmogelijkheid In de planregels is een binnenplanse afwijkbevoegdheid opgenomen. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat de vergunde situatie van Gelredome in de toekomst wijzigt.

Bijvoorbeeld omdat Gelredome zou gaan stoppen met de 2 dance-events/nachtevenementen, wat zou betekenen dat er geen trillingsnormen voor de nacht meer (nodig) zijn. Of bijvoorbeeld omdat Gelredome maximaal 12 evenementen (i.p.v. 26) met dansende en springende bezoekers gaat organiseren, waarbij gelet op de opgestelde Beoordelingsrichtlijn uit zou kunnen worden gegaan van andere (ruimere) grenswaarden (voor de dag- en avondperiode). Indien de vergunde situatie van Gelredome wijzigt, kan het college met een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid ervoor kiezen dat voor de trillingsberekening van de nieuwbouw uit kan worden gegaan van de dan overeenkomstige (ruimere) trillingswaarden. Hiermee is er op het aspect trillingen sprake van een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' (ETFAL).

5.5

Natuur, groen en bomen

5.5.1

Soorten- en gebiedsbescherming

Omgevingswet Soortenbescherming Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het besluitgebied. De Omgevingswet beschermt bepaalde plant- en diersoorten. Het gaat hoofdzakelijk om soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn 42

Bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Olympuskwartier" (vastgesteld)

vallen. Daarnaast betreft het bepaalde soorten van nationaal belang. In principe zijn provincies verantwoordelijk voor de bescherming van soorten (artikel 2.18, lid 1, sub f). Echter kunnen ook andere overheden actief beleid voeren. Zo is het vaststellen van een programma voor soortenbescherming een mogelijkheid. Soortenbescherming is in de Omgevingswet vooral gericht op het reguleren van flora-en fauna-activiteiten. Een flora en fauna-activiteit is een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Door deze brede formulering van een flora-en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of: 1. er soorten aanwezig zijn; 2. welke soorten dat zijn. Voordat een flora en fauna-activiteit mag worden verricht, moet gecontroleerd worden of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de directe nabijheid bepaalde beschermde soorten of habitats voorkomen. Als er aanwijzingen zijn dat deze aanwezig zijn, dan is het verplicht om na te gaan of nadelige gevolgen voor die dieren of planten uit te sluiten zijn. Als nadelige gevolgen niet uitgesloten kunnen worden, moet degene die de activiteit verricht alle passende preventieve maatregelen treffen om nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten te voorkomen. Voor schadelijke handelingen geldt in de meeste gevallen een vergunningplicht.

In een aantal gevallen is echter ook sprake van een vrijstelling. Gebiedsbescherming De bescherming van natuurgebieden is tweeledig; het Rijk is verantwoordelijk voor de bescherming van Natura 2000-gebieden en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een verantwoordelijkheid van de provincies. Een Natura 2000-gebied is een beschermd natuurgebied van Europees belang. Bescherming van deze gebieden is nodig voor het behoud van de biodiversiteit (soortenrijkdom) en om te voldoen aan de verplichtingen van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Nieuwe ontwikkelingen (activiteiten) die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten – significant negatieve gevolgen kunnen hebben op een Natura 2000-gebied, zijn onder de Omgevingswet gedefinieerd als 'Natura 2000-activiteit'. Deze kunnen zowel binnen als buiten een Natura 2000-gebied plaatsvinden. In de meeste gevallen vindt de activiteit echter plaats buiten een Natura 2000-gebied. Ook dan kan een activiteit effect hebben op het Natura 2000-gebied. Dit wordt ook wel de 'externe werking van een Natura 2000-gebied' genoemd. Als het effect significant kan zijn, is in veel gevallen een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd in de omgevingsverordening van de provincies.

Daarin zijn de wezenlijke kenmerken en waarden van NNN-gebieden vastgelegd en zijn regels gesteld in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de kenmerken en waarden van NNN-gebieden. Situatie Plangebied Soortenbescherming Ekoza ecologisch advies heeft voor het planvoornemen een ecoligsche quickscan uitgevoerd naar de aanwezigheid van beschermde soorten. De volledige rapportage hiervan is opgenomen als Bijlage 10 bij deze motivering, een samenvatting van de onderzoeksresultaten en de eventueel te nemen maatregelen worden in onderstaande tabel weergegeven. Quickscan flora en fauna Soortgroep Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen

Soort Bunzing Wezel Boombewonende soorten

Maatregelen Bij verwijderen bomen; nader onderzoek naar aanwezigheid Bij verwijderen bomen; nader onderzoek naar geschiktheid en evt. aanwezigheid

Bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Olympuskwartier" (vastgesteld) 43

Vogels

Reptielen Amfibieën Vissen Flora Ongewervelden

Boomvalk Roek

Werken buiten broedseizoen (mei-juni) Werken buiten broedseizoen (half mei-juli)

Algemene broedvogels n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. Sleedoornpage

Werken aan grondwal buiten broedseizoen (half mei-juli)

Bij verwijderen sleedornstruiken; nader onderzoek naar aanwezigheid

Rode Lijstsoorten n.v.t.

In voorliggend geval worden in eerste instantie geen bomen of struiken verwijderd, echter staat de exacte locatie van de Anders Woning bebouwing nog niet vast. Daarom is in de regels een voorwaardelijke verplichting opgenomen welke nader onderzoek verplicht stelt indien toch bomen of struiken verwijderd worden. Verder kan geconcludeerd worden dat beterft het aspect soortenbescherming, het planvoornemen voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Gebiedsbescherming DGMR heeft middels een AERIUS berekening onderzocht of als gevolg van het planvoornemen sprake zal zijn van stikstofdepostitie op nabij gelegen natura 2000-gebieden. De rapportage hiervan is opgenomen als Bijlage 11 bij deze motivering. Uit de berekening volgt dat het plan geen significant effect veroorzaakt op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden in de omgeving. De berekende stikstofdepositie voldoet zowel voor de gebruiks- als aanlegfase aan de grenswaarde van afgerond 0,00 mol/ha/jaar. Op basis van de resultaten kunnen daarom significante negatieve effecten op voorhand worden uitgesloten. Hierbij wordt wel uitgegaan van gebruik van deels elektrisch materieel in de aanlegfase. Dit geldt enkel voor de werktuigen waarvan deze voldoende beschikbaar zijn in Nederland, waarmee deze inzet te beschouwen is als een reële en aannemelijke prognose van het materiaal. 5.5.2

Groen

Groenvisie 2017-2035 De Groenvisie gaat over het Groen-blauw raamwerk, de stedelijke hoofdgroenstructuur, vertaald in doelen, ambities en ontwikkelopgaven. Dit Groen-blauw raamwerk van de stad bepaalt het gezicht van de stad en de aantrekkelijkheid van uiteenlopende woon- en recreatiemilieus. Het gaat daarbij om de waarden vanuit landschap, cultuurhistorie, ecologie, water en recreatief gebruik op gemeente en op particuliere terreinen. Aan groen heeft belangrijke waarden en kwaliteiten voor een leefbare stad. Zo ook het Arnhemse groen. Daarbij valt te denken aan gezondheid, klimaat (verminderen van hitte en van wateroverlast), milieu (verbeteren luchtkwaliteit), stadslandbouw, dierenwelzijn, toerisme en sport en bewegen. Het groen biedt ruimte voor een gezonde, leefbare, aantrekkelijke en daarmee ook toekomstbestendige woon- en werkomgeving. De Groenvisie legt niet alleen het Groen-blauw raamwerk vast, dus de stedelijke hoofdgroenstructuur, maar geeft ook richting aan het belang van groen in de wijken, zodat initiatieven de waarden van het groen (landschap, biodiversiteit, gezondheid, waterbuffering, koelte) niet aantasten maar juist versterken. Zij vormt daarmee een basis voor de vertaling naar de (planologische) bescherming van waardevolle gebieden en waardevolle bomen in de omgevingsplannen.

Er wordt ingezet op het versterken van de natuurwaarden in het Groen-blauw netwerk en het stedelijke gebied. Bij de realisatie van (nieuw) bouw bestaan er veel kansen voor de vergroting van de biodiversiteit in de stad: de natuurinclusieve stad. Voor het plangebied zetten we in op typische soorten van de gebouwde omgeving: o.a. vleermuizen, gierzwaluw en huismus. In de Groenvisie zijn de Arnhemse regels groencompensatie 2017 opgenomen. Uitgangspunt blijft dat

44

Bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Olympuskwartier" (vastgesteld)

de totale groenbalans in de stad neutraal moet blijven of toeneemt. Moet er toch groen verdwijnen, dan wordt dat gecompenseerd. Eerst kwantitatief, dan kwalitatief en als laatste financieel. Bij financiële compensatie wordt de waarde van het groen en de boomopstanden gestort in het Groenfonds. Het provinciale beleid met betrekking tot groencompensatie heeft betrekking op bos binnen het Gelderse Natuurnetwerk. Daar waar de provinciale compensatieregels gelden treden de gemeentelijke terug. Situatie plangebied In de huidige situatie is er in het gehele plangebied circa 30.500 m2 als 'Groen' of ' Park' bestemd. In de nieuwe situatie is circa 51.800 m2 aangeduid als groengebied of parkgebied. Deze groenwinst zit hem met name in het verkleinen van de bestemmingen 'Verkeer - Wegverkeer' en 'Sport'. Er is daarmee sprake van een toename van de planologische hoeveelheid groen. Ten aanzien van specifiek de Anders Wonen locatie wordt opgemerkt dat het planologisch borgen van de woonunits, bergingunit en kantoor unit gebeurt binnen een parkfunctie. Ter compensatie wordt een groot deel van de huidige verkeersbestemming gewijzigd in een parkfunctie. Hoewel de Anders Wonen units tezamen circa 370 m2 beslaan, is in de nieuwe situatie circa 2000 m2 meer als parkfunctie dan in het huidige bestemmingsplan "GelreDome - Nijmeegseweg - Rijnhal".

In Bijlage 12 is een groenbalans bereking voor enkel de realisatie van het Olympuskwartier Zuid opgenomen. Bijlage 13 laat de berekening van de groenbalans van het gehele plangebied zien. 5.5.3

Bomen

Bomenplan 2020 Het Bomenplan kent vier pijlers: 1. Vergroten groenmassa Bij vaststellen van het bomenbeleid heeft de raad besloten dat het kroonvolume, de bladmassa van onze bomen, met minimaal 5% moet toenemen. In wijken met hitte-eilanden (rode en oranje gebieden op de hitte attentiekaart) streven we naar een toename van het kroonvolume met 10%. Dit gaan we doen door behouden van bestaande bomen, het aanplanten van extra bomen en het verbeteren van groeiplaatsomstandigheden. 2. Beschermen bomen Groeiplaatsen van bomen worden (fysiek) beschermd. Bomen moeten beter worden beschermd op bouwlocaties en bij de uitvoering van werken. Bij evenementen worden er boombescherming afspraken gemaakt met de organisatie. Het beleid wordt juridisch geborgd in de APV en het omgevingsplan. Waardevolle particuliere bomen en buitengewone gemeentebomen genieten extra bescherming. 3. Duurzaam toekomstbestendig bomenbestand Groeiplaatsen voor bomen worden optimaal ingericht met voldoende boven- en ondergrondse groeiruimte. Het handboek bomen 2018 van het Norm Instituut Bomen wordt hierbij gehanteerd. We willen veel variatie en diversiteit. Zowel inheemse als niet inheemse soorten worden toegepast. Geen monoculturen om ziekten en plagen te voorkomen. 4. Bomen krijgen bij planontwikkeling meer gewicht.

Door gebruik te maken van een BoomAfwegingsrapportage (BAR) worden keuzes omtrent bomen zorgvuldig integraal afgewogen. Boominclusief ontwerpen (zoals rekening houden met de reeds aanwezige bomen en bomen vanaf het begin intekenen in de plannen, met hun volwassen kroondiameter en ondergrondse groeiplaats) is uitgangspunt. Situatie plangebied In voorliggend plan worden de bestaande bomen behouden en zullen nieuwe bomen worden aangeplant. In totaal worden circa 15 bomen van de 1e orde en circa 25 bomen van de 2e/3e orde (extra) aangeplant. Evenals circa 60 heesters.

Bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Olympuskwartier" (vastgesteld) 45

5.6

Archeologie, cultuurhistorie en landschap

5.6.1

Cultureel erfgoed

Rijksbeleid Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Omgevingswet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. In het Bkl staat in artikel 5.130 dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Provinciaal beleid 'Beleef het mee!' (2017-2020) In juli 2016 is het Beleidsprogramma Cultuur en Erfgoed 2017 - 2020 'Beleef het mee!' vastgesteld. In dit programma ligt het accent op de beleving van mensen. Daarnaast zoekt de provincie de balans tussen de maatschappelijke, economische en intrinsieke waarde van cultuur en erfgoed. Cultureel ondernemerschap blijft onverminderd van belang en komt terug in de economische waarde van cultuur en erfgoed.

Voor wat betreft erfgoed krijgt vooral het functioneel gebruik ervan aandacht. Daarnaast zoekt de provincie nieuwe manieren van samenwerking waardoor de uitvoeringskwaliteit van restauraties en archeologie wordt vergroot 5.6.2

Archeologie

Gemeentelijk beleid Archeologische verwachtingenkaart Archeologie is een integraal onderdeel van het erfgoedbeleid en als zodanig opgenomen in de erfgoednota. In de nota wordt voortgeborduurd op de uitgangspunten van het Verdrag van Malta. Behoud van archeologische waarden is het uitgangspunt en als dat niet mogelijk is, volgt veiligstelling door archeologisch onderzoek. Om permanente aandacht voor deze vorm van erfgoed te krijgen, is ingezet op constante voorlichting en educatie. Sinds 2008 beschikt de gemeente over een archeologische verwachtingenkaart voor heel Arnhem. De verwachtingenkaart geeft al in een vroeg stadium van planvorming globaal inzicht in de mate waarin archeologische resten in een gebied aangetroffen kunnen worden. Conform de Erfgoedverordening geldt afhankelijk van de oppervlakte en diepte van grondroerende werkzaamheden archeologisch onderzoek uitgevoerd moet worden. Gebieden die reeds onderzocht zijn en/of zijn vrijgegeven, zijn vrijgesteld van onderzoek. Aan het archeologische beleid dat in de verordening is verankerd, ligt de archeologische maatregelenkaart als basis. Situatie plangebied Voor het plangebied geldt een gematigde verwachtingswaarde betreft archeologie. Bij bodemingrepen groter dan 500 m2 en dieper dan 40 cm dient een archeologisch onderzoek aan te tonen dat geen archeologische resten worden aangetast of vernietigd.

Omwille de omvang van het voornemen is door RAAP Archeologisch Adviesbureau een bureau- en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. De volledige rapportage is opgenomen als Bijlage 16 bij deze motivering. Archeologisch onderzoek Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek gold bij de aanvang van het veldonderzoek een middelhoge verwachting voor de aanwezigheid van archeologische resten uit de IJzertijd t/m de Late Middeleeuwen (nederzettingsterreinen en/of gebruiksvoorwerpen). De verwachting is gebaseerd op de

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Arnhem&id=22018e96-22a0-4ff3-aec6-857bb96f4d5b