Bijlage 2 - Tekst
Tekst van het document
"Natuurbegraafplaats Waterberg" (vastgesteld)
31
Natuurbegraafplaats Waterberg
4.3
Bodem
4.3.1
Wettelijk kader en beleidskader
Bij het opstellen van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het gemeentelijk bodemkwaliteitsbeleid volgt de kaderwet Wet bodembescherming en daaruit voortvloeiende regelgeving. Uitgangspunten zijn dat de bodem duurzaam geschikt moet zijn voor de beoogde functie en dat de bodemkwaliteit zeker niet mag verslechteren. Ook verontreinigingen in stabiele eindsituaties worden niet vanzelfsprekend geaccepteerd. Bij functiewijzigingen wordt daarom getoetst of de bodemkwaliteit voldoende is voor de nieuwe functie. 4.3.2
Toepassing op plangebied
Binnen het plangebied wordt in het kader van de ontwikkeling van de natuurbegraafplaats geen nieuwe gevoelige functie toegevoegd. Er is een historisch bodemonderzoek uitgevoerd conform NEN 5725. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 5. Uit het bronnenonderzoek en tevens locatie-inspectie blijkt dat het plangebied kan worden beschouwd als onverdacht voor bodemverontreiniging. Bij het huidige en toekomstige gebruik zijn er geen humane, ecologische of verspreidingsrisico's te verwachten.
4.4
Explosieven
4.4.1
Wettelijk kader en beleidskader
In en rondom Arnhem hebben tijdens de Tweede Wereldoorlog allerlei oorlogshandelingen plaatsgevonden. Arnhem behoort dan ook tot de zwaarst getroffen regio's. Na de Tweede Wereldoorlog zijn veel van de explosieven opgeruimd en hebben er allerlei grondroerende werkzaamheden plaatsgevonden, waarbij veel explosieven zijn aangetroffen. Deze conventionele explosieven (CE) zijn door de Explosieven Opruimingsdienst Defensie (EOD) onschadelijk gemaakt en tot ontploffing gebracht. Tot 1971 is veel geruimd maar onbekend is op welke locaties CE zijn gevonden en onschadelijk gemaakt. Vanaf 1971 heeft de EOD bijgehouden waar binnen Arnhem CE zijn geruimd. In 1999 is het zogenaamde Bijdragebesluit in werking getreden. Hierdoor werd het voor private ondernemingen mogelijk om opsporingswerkzaamheden uit te voeren. Op basis van dit Bijdragebesluit was het voor gemeenten ook mogelijk om in aanmerking te komen voor een bijdrage in de kosten voor opsporingswerkzaamheden. De laatste jaren gaat de financiering via het Gemeentefonds en kunnen gemeenten achteraf subsidie aanvragen. 4.4.2
Toepassing op plangebied
Eventuele ontplofbare oorlogsresten in de bodem kunnen een risico vormen voor de openbare veiligheid en resulteren in een stagnatie bij grondroerende werkzaamheden in het plangebied. Om de veiligheid van het personeel en de omgeving te waarborgen en extra kosten te voorkomen, is een onderzoek uitgevoerd om het risico op de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten (OO) vast te stellen. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 6.
32
"Natuurbegraafplaats Waterberg" (vastgesteld)
Natuurbegraafplaats Waterberg
Figuur 17 Verdachte gebieden voor ontplofbare oorlogsresten in het plangebied Opgemerkt wordt dat het OO advies een groter plangebied bestrijkt en ook het deel van het bos met de aanlooproute meeneemt. Op basis van de bodembelastingkaart van de gemeente Arnhem zijn de verdachte gebieden weergegeven (figuur 17) en per categorie in onderstaande tabel gespecificeerd. Verdacht gebied(en) Rood Geel Blauw
Soort aan te treffen OO (Kaliber) Geschutmunitie (20mm tot 7.2 inch) Geschutmunitie (20mm tot 7.2 inch) Gevechtsveldmunitie (div) Geschutmunitie (20mm tot 7.2 inch) Geschutmunitie (2 t/m 3.7 cm) Gevechtsveldmunitie (div)**
Max. diepte op te sporen (m -mv)* 1,75 m -mv 1,75 m -mv 2,00 m -mv 1,75 m -mv 2,00 m -mv 2,00 m -mv
* Gebaseerd op de uit te voeren werkzaamheden, de verticale afbakening en ervaring. ** Klein kaliber Munitie (KKM) vormt nauwelijks een gevaar, omdat de kogel (het projectiel dat wordt verschoten) in de meeste gevallen geen springstof bevat. Bij niet verschoten KKM is de huls met daarin het kruit nog aanwezig. Risico's door de mogelijke aanwezigheid van KKM zijn echter gering. Daarom wordt deze OO niet gericht opgespoord. De verdachte gebieden (en daarmee het gehele plangebied) zijn met behulp van een passief non-realtime oppervlaktedetectie onderzoek onderzocht. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage. Uit het onderzoek blijkt dat het aantal mogelijke objecten relatief beperkt is voor zo'n grote oppervlakte. De objecten worden professioneel benaderd en uit de grond gehaald, voordat verder grondroerende werkzaamheden worden uitgevoerd. Daarmee is er geen belemmering meer voor de ontwikkeling.
4.5
Water
4.5.1
Wettelijk kader en beleidskader
In april 2011 hebben Rijk, provincies, gemeente, waterschappen, en drinkwaterbedrijven afgesproken om gezamenlijk maatregelen te nemen voor een doelmatiger waterbeheer; het Bestuursakkoord Water. De inzet ligt bij mooi, veilig, schoon, gezond en duurzaam beheer van watersysteem en waterketen. De kwaliteit moet omhoog tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten. In de Waterwet uit 2009 zijn onder meer de gemeentelijke watertaken opgenomen: de zorgplicht voor hemelwater indien de eigenaar van het terrein het hemelwater in alle redelijkheid niet op eigen terrein kan verwerken en de regierol van gemeenten bij de grondwaterzorgplicht. Het plangebied is gelegen in het beheersgebied van Waterschap Rijn en IJssel. Uitgangspunt in het huidige beleid van gemeente, waterschap en provincie is dat planontwikkeling moet aansluiten bij een duurzaam integraal waterbeheer. Dit betekent dat: "Natuurbegraafplaats Waterberg" (vastgesteld)
33
Natuurbegraafplaats Waterberg
negatieve verstoring van de grondwaterstanden en -stromingen niet toegestaan zijn om grondwateroverlast en/of verdroging op de locatie en het boven- en benedenstrooms gelegen gebied te voorkomen; maatregelen getroffen moeten worden ter voorkoming van (grond)watervervuiling; bij nieuwbouw het regenwater binnen het plangebied afgekoppeld moet worden van de riolering en worden verwerkt op eigen terrein; voldoende oppervlaktewater aanwezig is en op de goede locatie; het verhard oppervlak zoveel mogelijk beperkt wordt; het gebruik van uitloogbare materialen en chemische bestrijdingsmiddelen niet is toegestaan; ontwikkelingen moeten bijdragen aan het verminderen of beperken van wateroverlast; geen ontwikkelingen mogen plaatsvinden die het functioneren van de waterkering beperken; de aanwezige ruimte in het winterbed van de rivieren beschikbaar blijft voor het primaire doel; waterberging en waterafvoer. 4.5.2
Toepassing op plangebied
Door de hoge ligging in het landschap wordt het plangebied gekenmerkt door de afwezigheid van oppervlaktewater. De bodem bestaat uit holtpodzolgronden, deels met lemig fijn zand en deels met grof zand. Door de topografisch hoge ligging en de zandige bodem infiltreert regenwater snel in de bodem. Om deze redenen bevindt het grondwater zich ver onder de voor planten bewortelbare zone: de gemiddeld hoogste grondwaterstand in het plangebied ligt circa 20 meter beneden maaiveld. Planten die groeien in het plangebied zijn daarom voor hun watervoorziening afhankelijk van regenwater. Door de ontwikkeling neemt het verhard oppervlak toe door het paviljoen. Voor dit bouwwerk worden uitsluitend niet-uitlogende materialen gebruikt. Het (schone) hemelwater zal afvloeien en op eigen terrein in de bodem infiltreren (vasthouden op eigen terrein). Er is geen sprake van afwenteling van wateroverlast, er wordt voldaan aan de trits 'vasthouden-bergen-afvoeren'. Extra maatregelen zijn dan ook niet nodig. In de Omgevingsverordening is opgenomen dat het verboden is om in grondwaterbeschermingsgebieden begraafplaatsen als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging of terreinen voor de uitstrooiing van as als bedoeld in artikel 10 van het Besluit op de lijkbezorging op te richten. Het dichtstbijzijnde grondwaterbeschermingsgebied ligt op 1,65 km afstand van het plangebied.
Het niet is te verwachten dat als gevolg van begraven normoverschrijdende gehalten ontstaan in het grondwater. De graven liggen ruim boven het grondwater. De lijkwades zijn van natuurlijke oorsprong. Bij de realisatie van het paviljoen worden geen uitlogende en milieubelastende materialen gebruikt. Daarmee is er geen risico op verontreiniging van het grondwater.
4.6
Natuur (gebiedsbescherming)
4.6.1
Wettelijk kader en beleidskader
De Wet natuurbescherming (Wnb) neemt de Europese regelgeving als uitgangspunt. Waar dat noodzakelijk is voor een adequate bescherming van natuurwaarden waarvoor geen specifieke bescherming is voorzien in Europese regelgeving worden aanvullende nationale beschermingsvoorschriften verankerd. De wet gaat onder meer over de bescherming van de kernnatuurwaarden en de houtopstanden, als onderdeel van een groter maatregelenpakket gericht op de bescherming van natuurwaarden. De taken en verantwoordelijkheden worden zoveel mogelijk bij de provincies neergelegd. Voor de instandhouding van gebieden die zijn aangewezen ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en de Habitat-richtlijn (Natura 2000-gebieden) is het verboden om zonder vergunning een project te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Indien het project afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten 34
"Natuurbegraafplaats Waterberg" (vastgesteld)
Natuurbegraafplaats Waterberg
significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, dan moet een passende beoordeling worden gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen. Alleen indien daaruit met zekerheid blijkt dat het plan of project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet aantast, wordt de vergunning verleend. De beheerplannen – waarin de uitwerking in omvang, ruimte en tijd van de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden plaatsvindt en waarin de voor die gebieden te treffen maatregelen in samenhang worden beschreven – zijn kaderstellende instrumenten. Ingeval overeenkomstig het beheerplan wordt gehandeld is verzekerd dat de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen niet in het geding is. 4.6.2
Toepassing op plangebied
Er is een voortoets uitgevoerd om te beoordelen of er negatieve effecten van het voornemen op de instandhoudingsdoelstellingen en uitbreidingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden en de wezenlijke kenmerken en waarden van GNN en GO kunnen worden verwacht. Deze voortoets is opgenomen in bijlage 9. Opgemerkt wordt dat de oorspronkelijke voortoets is uitgevoerd met behulp van de versie Aerius 2020. Berekeningen zijn in dit bestemmingsplan en in de bijgevoegde bijlage gebaseerd op de versie Aerius 2022. Resultaat van de verschilberekening tussen de huidige situatie met een bemeste akker en de beoogde situatie met een natuurbegraafplaats (figuur 18) laat zien dat er als gevolg van het plan een substantiële vermindering van stikstofdepositie op het overbelaste Natura 2000-gebied Veluwe optreedt.
Figuur 18 Resultaat Aerius-verschilberekening Op basis van de voortoets wordt geconcludeerd dat: de voorgenomen werkzaamheden voor de realisatie van de Islamitische natuurbegraafplaats niet leiden tot negatieve effecten als gevolg van oppervlakteverlies, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid of licht, optische verstoring, verandering in dynamiek substraat en verstoring door mechanische effecten op habitattypen of leefgebieden van soorten in het Natura2000-gebied 'Veluwe'. er geen significante negatieve effecten te verwachten zijn op de kernkwaliteiten, wezenlijke waarden, kernmerken en beheertypen van het GNN 'Posbank – Rozendaalse veld'. negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie op Natura2000-gebieden kunnen worden "Natuurbegraafplaats Waterberg" (vastgesteld)
35
Natuurbegraafplaats Waterberg
uitgesloten en dat de functiewijziging van het plangebied een positief gevolg heeft voor de depositie van stikstof en ammoniak in de omgeving. De ingreep leidt derhalve niet tot een negatief effect op beschermde gebieden en daarmee ook niet tot een overtreding van de Wet natuurbescherming. Verdere toetsen zijn niet noodzakelijk.
4.7
Flora en fauna
4.7.1
Wettelijk kader en beleidskader
De Wet natuurbescherming (Wnb) neemt de Europese regelgeving als uitgangspunt. Waar dat noodzakelijk is voor een adequate bescherming van natuurwaarden waarvoor geen specifieke bescherming is voorzien in Europese regelgeving worden aanvullende nationale beschermings-voorschriften verankerd. De wet gaat onder meer over het tegengaan van biodiversiteitsverlies. De taken en verantwoordelijkheden worden zoveel mogelijk bij de provincies neergelegd. De Wnb sluit aan bij het specifieke beschermingsregime uit de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn en de natuurbeschermingsverdragen. Er wordt voorzien in concrete verboden ten aanzien van onder meer het vangen en doden van in die bronnen genoemde diersoorten, de verstoring van deze soorten en aantasting van hun rust- en voortplantingsplaatsen, alsmede in een verbod op het plukken en vernielen van bepaalde planten. Voorts wordt voorzien in limitatief opgesomde gronden voor ontheffing van deze verboden. Alleen opzettelijk verrichte handelingen zijn strafbaar. Bij vogels zijn bovendien verstoringen niet strafbaar als de staat van instandhouding van die vogelsoorten niet in gevaar komt. Gedeputeerde staten kunnen onder voorwaarden ontheffing verlenen van verboden. Daarnaast geldt als beschermingsregime voor (nationale) soorten: 1. een zorgplicht die van toepassing is op alle natuurwaarden in Nederland; 2.
een verbod op het opzettelijk doden van de in de bijlage van de wet genoemde dieren, met een ontheffingsregime dat ruimer is dan dat voor internationaal en Europees beschermde soorten (zoogdieren, reptielen, amfibieën en thans op een rode lijst staande vissen, dagvlinders, libellen en kevers) (82 soorten); 3. een verbod op het vangen van dieren genoemd in de bijlage en het opzettelijk beschadigen van hun vaste voortplantings-plaatsen of rustplaatsen; en 4. een verbod op het plukken of opzettelijk vernielen van in de bijlage genoemde vaatplanten (63 soorten). Er wordt voorzien in ruimere ontheffingsmogelijkheden dan voor de strikt beschermde soorten gelden (artikel 3.10 lid 2). 4.7.2
Toepassing op plangebied
Er is een ecologische quickscan uitgevoerd om te beoordelen welke beschermde soorten flora en fauna mogelijk voorkomen in het plangebied en wat de effecten van de ingreep hierop zijn en of deze effecten strijdig zijn met de Wet natuurbescherming. Deze quickscan is opgenomen in bijlage 10. Opgemerkt wordt dat in de quick scan ook wordt verwezen naar nog op te stellen documenten inzake de gebiedsbescherming. Deze zijn in paragraaf 4.6 al aan de orde geweest. Op basis van de ecologische quick scan worden de volgende conclusies getrokken: Er worden geen vogels met jaarrond beschermde nesten in of rondom het plangebied verwacht die door de ingreep negatief beïnvloed worden. Mogelijk zijn er wel nesten van roofvogels aanwezig in het Rozendaalse bos direct naast het plangebied. Dit kan uitgesloten worden door een controle voorafgaand aan de werkzaamheden of door te werken buiten het broedseizoen. Aanwezigheid van algemene broedvogels kan echter niet worden uitgesloten. Door de aanleg van de padenstructuur buiten het broedseizoen - voor de meeste vogelsoorten van 15 maart tot 15 juli – uit te voeren, wordt verstoring voorkomen. De ingreep leidt niet tot negatieve effecten op beschermde functies van vleermuizen, nu er geen verlichting wordt geplaatst op het terrein. 36
"Natuurbegraafplaats Waterberg" (vastgesteld)
Natuurbegraafplaats Waterberg
In het plangebied is een oude dassenburcht aanwezig waarbij geen sporen van recent gebruik zichtbaar zijn. Om verstoring door de ingreep en gebruik te voorkomen, is een buffer rond de dassenburcht met heideontwikkeling geprojecteerd. De ingreep leidt derhalve niet tot een negatief effect op beschermde flora en fauna en daarmee ook niet tot een overtreding van de Wet natuurbescherming. Verdere toetsen zijn, uitgaande van de uitvoering van werken voor de aanleg van de natuurbegraafplaats buiten het broedseizoen, niet noodzakelijk.
4.8
Milieuzonering
4.8.1
Wettelijk kader en beleidskader
In het kader van bedrijven en milieuzonering dienen de effecten van inrichtingen op hun omgeving (gevoelige bestemmingen, waaronder eventueel nieuw te ontwikkelen woningen) in beeld gebracht te worden. Voorbeelden van hinder zijn geluid, geur, stof of gevaar. In de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering 2009' is een lijst van inrichtingen opgenomen waarbij de inrichtingen op grond van de hinder die zij veroorzaken, zijn opgedeeld in 6 categorieën. Hierbij wordt er vanuit gegaan dat een inrichting uit categorie 1 relatief weinig hinder veroorzaakt en een inrichting uit categorie 6 bijzonder veel hinder veroorzaakt. 4.8.2
Toepassing op plangebied
Het plan ziet niet toe op hindergevoelige activiteiten en ook niet op de realisatie van hindergevoelige objecten. Hinder ten gevolge van het plan kan worden uitgesloten.
4.9
Geluid
4.9.1
Wettelijk kader en beleidskader
De Wet geluidhinder heeft tot doel de mens te beschermen tegen geluidhinder. Dit is in de wet uitgewerkt in een normenstelsel voor de toelaatbare geluidbelasting in de woonomgeving. Alleen planologisch nieuwe situaties worden getoetst aan de wet. Daarbij moet er akoestisch onderzoek plaatsvinden naar de gevolgen daarvan voor geluidgevoelige objecten. Naast woningen zijn er nog een aantal andere geluidgevoelige objecten aangewezen zoals scholen en zorginstellingen. In de wet staan regels voor weg- en railverkeerslawaai en voor gezoneerde industrieterreinen. De wet werkt verder met zones: dit zijn aandachtsgebieden rond geluidbronnen waarbinnen regels en normen gelden om de negatieve gevolgen van geluidhinder te beperken. Het wettelijk normenstelsel kent voorts voorkeurswaarden en grenswaarden. Als de geluidbelasting beneden de voorkeurswaarde blijft dan zijn er wettelijk geen belemmeringen voor nieuwe geluidgevoelige situaties. Bij een geluidbelasting tussen de voorkeurswaarde en de grenswaarde moet er een gemotiveerd besluit genomen worden om nieuwe geluidgevoelige ontwikkelingen mogelijk te maken (hogere waarde). Voor het verlenen van een hogere waarde is de nota “uitvoeringsbeleid hogere grenswaarde” van de gemeente Arnhem van toepassing.
Het beleidsplan Geluid van de gemeente Arnhem heeft tot doel geluidsnormen voor nieuwe situaties af te stemmen op de aard en de functie van een gebied. Hierdoor kan beter rekening gehouden worden met ontwikkelingen en verwachting van de gebruikers van een gebied. In het centrum en dichtbij goed openbaar vervoer wil de gemeente Arnhem veel functies mogelijk maken. Als gebieden intensiever gebruikt worden neemt de kans op geluidhinder ook toe. Andere gebieden zoals de parken worden juist gewaardeerd om hun relatieve rust. Deze uitgangspunten hebben geleid tot een gebiedsgerichte invulling van geluidskwaliteiten binnen Arnhem. Naarmate de geluidbelasting hoger is, neemt het belang van een zorgvuldige invulling van de totale leefomgevingskwaliteit toe.
"Natuurbegraafplaats Waterberg" (vastgesteld)
37
Natuurbegraafplaats Waterberg
4.9.2
Toepassing op plangebied
De natuurbegraafplaats wordt in het kader van de Wet geluidhinder niet beschouwd als een geluidgevoelig object. Een akoestisch onderzoek is daarom niet noodzakelijk. De natuurbegraafplaats geeft nauwelijks geluidhinder voor de omgeving. Er wordt gebruik gemaakt van een bestaande parkeerplaats met een eenduidige directe ontsluiting op het hoofdwegennet. Daaraan zijn geen geluidgevoelige objecten gelegen. Geconcludeerd kan worden dat het aspect geluid een goede ruimtelijke ordening niet in de weg staat.
4.10
Luchtkwaliteit
4.10.1 Wettelijk kader en beleidskader Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie vier kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen). Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007. Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip "niet in betekenende mate" is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. 4.10.2 Toepassing op plangebied Het ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil een NIBM-tool ontwikkeld.
Hiermee kan de bijdrage van kleinere ruimtelijke plannen en verkeersplannen aan de luchtkwaliteit worden vastgesteld en kan bepaald worden of een plan niet-in-betekenende-mate bijdraagt (NIBM). In figuur 19 is het resultaat van de NIBM-tool opgenomen, uitgaande van 80 motorvoertuigbewegingen die de natuurbegraafplaats per etmaal genereert (vergelijk paragraaf 2.5). Daaruit blijkt dat de beperkte toename in verkeersbewegingen niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Verder onderzoek naar luchtkwaliteit is niet nodig. Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie 2022 Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) 80 Aandeel vrachtverkeer 0,0% Maximale bijdrage extra verkeer NO2 in ìg/m3 0,05 PM10 in ìg/m3 0,01 Grens voor “Niet In Betekenende Mate” in ìg/m3 1,2 Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig Figuur 19. Berekening NIBM
38
"Natuurbegraafplaats Waterberg" (vastgesteld)
Natuurbegraafplaats Waterberg
4.11
Externe veiligheid
4.11.1 Wettelijk kader en beleidskader Externe veiligheid betreft de beheersing van de risico's en richt zich op het gebruik, de opslag en het transport van gevaarlijke stoffen. Voor bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen van belang. In dit besluit wordt externe veiligheid in artikel 1 omschreven als "de kans om buiten een inrichting te overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen de inrichting waar een gevaarlijke stof betrokken is". Voor transport is de Wet vervoer gevaarlijke stoffen van belang, samen met het Besluit Externe Veiligheid Transportroutes (Bevt) en de Regeling Basisnet. Hierin is het basisnet van hoofd(vaar/spoor) wegen vastgelegd waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Daarnaast is het Besluit externe veiligheid buisleidingen van toepassing op onder andere aardgastransportleidingen. Bij het opstellen van ruimtelijke plannen gelden bovenstaande kaders om veiligheidsafstanden tussen risicobronnen en personen of (beperkt) kwetsbare objecten te bepalen en daarmee het veiligheidsrisico zo laag mogelijk te houden. De te hanteren afstanden worden gebaseerd op het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans dat een persoon, die zich continu onbeschermd op een zekere afstand van de risicovolle activiteit bevindt, komt te overlijden als gevolg van die activiteit.
De wettelijke norm voor het plaatsgebonden risico bedraagt 10-6. Het groepsrisico (GR) geeft de kans per jaar dat een groep mensen van een zekere omvang (10, 100 of 1.000 mensen) binnen het invloedsgebied tegelijk slachtoffer wordt van een ongeval. Hiermee is het een maat voor de maatschappelijke ontwrichting in het geval dat er zich een ramp voordoet. Het groepsrisico wordt weergegeven in een curve waarin het aantal personen is afgezet tegen de kans per jaar op (gelijktijdig) overlijden. Ten aanzien van het groepsrisico bestaat er voor gemeenten een verantwoordingsplicht. Kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten staan gedefinieerd in Bevi artikel 1. 4.11.2 Toepassing op plangebied Volgens de risicokaart van de Provincie Gelderland zijn in de omgeving van het plangebied geen inrichtingen met gevaarlijke stoffen aanwezig. Figuur 20 laat een uitsnede zien en daarop is de defensie inrichting op bijna 2 kilometer afstand het dichtstbijzijnd. Verder is zichtbaar de gasleiding die langs de Schelmseweg ligt en geen effect heeft op het plangebied. En ten slotte zijn de A12 en de A50 aangewezen als onderdelen van het Basisnet waarover gevaarlijke stoffen vervoerd worden. Het plaatsgebonden risico reikt niet tot in het plangebied. Het groepsrisico dient wel nader beoordeeld te worden.
Het aantal bezoekers van het plangebied is beperkt en de bezoekers zullen maar relatief kort in het gebied aanwezig zijn. Het aantal aanwezigen tegelijkertijd is daardoor dermate laag dat deze geen groepsrisico vormt. Daarenboven gaat het bij de bezoekers niet om een groep mensen die uit hoofde van hun fysieke of psychische gesteldheid kwetsbaar zijn en een bijzondere bescherming verdienen (kinderen, ouderen, zieken of psychisch kwetsbare personen).
"Natuurbegraafplaats Waterberg" (vastgesteld)
39
Natuurbegraafplaats Waterberg
Figuur 20. Uitsnede risicokaart Het plangebied is aangewezen als gebied waar een grote natuurbrand kan ontstaan. Een natuurbrand kan zich in een droge periode snel en onvoorspelbaar ontwikkelen. De meeste natuurbranden ontstaan door menselijk onvoorzichtig handelen of kwaadwilligheid. Soms is er sprake van natuurinvloeden. Het groepsrisico en het plaatsgebonden risico zal door de ontwikkeling van de natuurbegraafplaats niet toenemen. Geconcludeerd kan derhalve worden dat vanuit het aspect externe veiligheid geen belemmeringen bestaan voor de realisatie van de natuurbegraafplaats. Nader onderzoek is niet nodig.
4.12
M.e.r.-besluit
Op grond van de Wet milieubeheer is het verplicht ten aanzien van plannen, gevallen, activiteiten en besluiten die (mogelijk) grote gevolgen kunnen hebben voor het milieu, een procedure voor milieueffectrapportage (m.e.r.) te doorlopen. De m.e.r. is bedoeld om milieubelangen meer expliciet af te wegen bij het opstellen van plannen en het uitvoeren van projecten. Sinds 7 juli 2017 zijn gemeenten verplicht om een expliciet besluit te nemen over het al dan niet opstellen van een milieueffectrapport (MER). Het besluit behoeft niet separaat te worden gepubliceerd, maar moet wel worden opgenomen in het besluitvormingsproces van het bestemmingsplan. Mede op basis van de bevindingen in dit hoofdstuk kan geconcludeerd worden dat er geen passende beoordeling en geen MER behoeft te worden opgesteld.
40
"Natuurbegraafplaats Waterberg" (vastgesteld)
Natuurbegraafplaats Waterberg
Hoofdstuk 5 5.1
Planbeschrijving en verantwoording
Opzet van regels en verbeelding
De informatie uit de voorgaande hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het opstellen van de verbeelding en de regels, het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan. In dit hoofdstuk worden de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels verantwoord. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom bepaalde bestemmingen zijn aangewezen en waarom bepaalde regels gelden. De verbeelding en de regels dienen in samenhang te worden bekeken. In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De Standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012) is verplicht en maakt het mogelijk bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. Vergelijkbare bestemmingsplannen leiden tot een betere dienstverlening en tot een effectievere en efficiëntere overheid. Overeenkomstig SVBP2012 kent de indeling in hoofdstukken waarin de regels zijn opgenomen de volgende vaste volgorde: In hoofdstuk 1 (inleidende regels) worden in de regels gehanteerde begrippen, voor zover nodig, gedefinieerd, en wordt de wijze van meten bepaald. In hoofdstuk 2 (bestemmingsregels) worden alfabetisch de regels gegeven waarmee de bestemmingen die op de verbeelding voorkomen nader worden omschreven.
Hoofdstuk 3 (algemene regels) bevat een aantal regels die voor alle bestemmingen gelden, zoals een anti-dubbeltelregel, een procedureregel, dan wel regels die voor de nodige flexibiliteit kunnen zorgen, zoals algemene afwijkingsregel of wijzigingsbevoegdheden. Hoofdstuk 4 (overgangs- en slotregels) ten slotte geeft overgangsrecht voor bestaand gebruik en bestaande bebouwing en de titel van het plan. Een bestemmingsartikel (Hoofdstuk 2, Bestemmingsregels) wordt als volgt opgebouwd: bestemmingsomschrijving; bouwregels (onderverdeeld in toelaatbaarheid van bouwwerken en bouwhoogte, oppervlakte en inhoud); afwijken van de bouwregels; specifieke gebruiksregels; afwijken van de gebruiksregels; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; wijzigingsbevoegdheden. Een bestemmingsartikel behoeft niet alle elementen te bevatten. Dit is afhankelijk van de aard van de bestemming. Alle bestemmingen bevatten wel een bestemmingsomschrijving en bouwregels.
5.2
Verantwoording van regels en verbeelding
Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing opgericht mag worden. In deze paragraaf worden de keuzes die zijn gemaakt onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld. Bestemming Bos De bestemming Bos is toegekend aan de zone langs de A12 die geen deel uitmaakt van de natuurbegraafplaats, maar in het vigerende bestemmingsplan nog de bestemming Agrarisch heeft, terwijl er van een met bomen begroeide geluidswal binnen het natuurgebied Veluwe sprake is. De in Arnhem gebruikelijke regels voor de bestemming Bos binnen de Veluwe worden gevolgd inclusief een omgevingsvergunningsplicht voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden.
"Natuurbegraafplaats Waterberg" (vastgesteld)
41
Natuurbegraafplaats Waterberg
Bestemming Natuur De gehele natuurbegraafplaats krijgt de bestemming Natuur met de functieaanduiding 'begraafplaats'. Door deze combinatie is het duidelijk dat het om een natuurbegraafplaats gaat. Reguliere begraafplaatsen hebben immers als hoofdbestemming Maatschappelijk of Groen. Er is een maximale omvang van het paviljoen gedefinieerd; de positie daarvan is vrij in zoverre dat er sprake is van een inrichtings- en beheerplan waaraan getoetst wordt. In het inrichtings- en beheerplan is opgenomen dat het paviljoen kan verplaatsen langs de hoofdroute als er een fase is afgerond. Verder is er sprake van een omgevingsvergunningsplicht voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden die de natuurwaarde beschermt; uitzondering daarbinnen is gemaakt voor het aanleggen en onderhouden van de natuurbegraafplaats en het delven van graven. Dubbelbestemmingen Waarde - Archeologie Zo lang uit archeologisch onderzoek nog geen uitsluitsel is over de aanwezigheid van archeologische resten, blijven de dubbelbestemmingen Waarde – Archeologie gehandhaafd. Deze dubbelbestemmingen zijn gebaseerd op de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Arnhem. In het plangebied is sprake van een lage en middelhoge verwachting.
Op basis van het archeologisch verkennend booronderzoek en eventueel noodzakelijk vervolgonderzoek wordt nader bepaald in hoeverre de gronden vrijgegeven kunnen worden voor het aanleggen van de natuurbegraafplaats en het delven van graven.
5.3
Handhaving
Bestemmingsplannen zijn bindend voor overheid en burger. Enerzijds kan de gemeentelijke overheid naleving van bestemmingsplannen afdwingen (optreden tegen strijdig gebruik en/of bebouwing). Anderzijds vormt het bestemmingsplan ook het juridisch kader voor de burger waar deze uit af kan leiden wat zijn eigen bouw- en gebruiksmogelijkheden zijn, maar ook wat de mogelijkheden en onmogelijkheden zijn van zijn buren en directe omgeving. Het bestemmingsplan geeft immers de gewenste planologische situatie voor het betreffende gebied binnen de planperiode aan. In de nota “beleidsuitgangspunten handhaving bestemmingsplannen” zijn de volgende uitgangspunten opgenomen: stringent beleid: als uitgangspunt geldt dat in principe elke overtreding wordt aangepakt; géén stilzwijgend gedogen; gewenste maar illegale ontwikkelingen zo mogelijk vooraf maar in ieder geval zo snel mogelijk legaliseren; gedogen van illegale gevallen alleen in uitzonderlijke gevallen, bij voorkeur alleen tijdelijk en met redenen omkleed. Deze beleidsuitgangspunten zijn geëvalueerd in de nota "Handhavingsplan Fysieke Leefomgeving 2011-2014". De destijds geformuleerde uitgangspunten pretenderen dat alle overtredingen worden opgespoord en aangepakt.
Deze ambitie blijkt met de beschikbare menskracht te ambitieus en daarom is in de nieuwe nota een prioriteitsstelling opgenomen waarin wordt aangegeven aan welke handhavingsonderwerpen op het gebied van bouwregelgeving en de gebouwde omgeving de komende periode met name aandacht wordt besteed. Dit houdt in dat het uitgangspunt dat in principe elke overtreding wordt aangepakt afhankelijk wordt van de prioriteitsstelling uit het Handhavingsplan. De prioriteitsstelling is onder meer afhankelijk van het type overtreding en het type gebied (beschermd stadsgezicht, buitengebied, industrieterrein enz.) waar de overtreding wordt geconstateerd en zal op basis van politieke realiteit per looptijd van het Handhavingsplan worden geactualiseerd. De grondslag voor een goed werkend handhavingsbeleid wordt gevormd door een inventarisatie van het feitelijke gebruik en de bestaande bebouwing zo kort mogelijk voor respectievelijk het in ontwerp ter visie leggen van casu quo het in werking van een bestemmingsplan. Als vervolg op deze inventarisatie zullen de verleende omgevingsvergunning voor het bouwen en gevolgde afwijkingsprocedures worden geregistreerd. Handhavend optreden tegen overtredingen van bestemmingsplannen kan niet alleen plaatsvinden via publiekrechtelijke, maar ook via de strafrechtelijke weg. In de regels is daartoe de zogenaamde 42
"Natuurbegraafplaats Waterberg" (vastgesteld)
Natuurbegraafplaats Waterberg
strafbepaling opgenomen, waarin overtredingen van de regels worden aangemerkt als een strafbaar feit als bedoeld in artikel 1a, aanhef en lid 2 van de Wet op de Economische Delicten. De bijbehorende strafmaat is hechtenis van ten hoogste zes maanden of een geldboete van de vierde categorie (maximaal € 19.500). Bij ernstige overtredingen zal handhaving ook via de strafrechtelijke weg plaatsvinden. De opsporingsambtenaren van de gemeente of politie zullen in die gevallen proces-verbaal van de overtreding maken. Het (reguliere) bestuursrechtelijke traject zal gelijktijdig worden ingezet.
5.4
Exploitatie
Financiële haalbaarheid initiatief De investering om deze begraafplaats te verwerven en te ontwikkelen wordt gedekt door de initiatiefnemers, de verkoper van de grond en een klein aantal private investeerders. De kosten voor de exploitatie zijn deels vast (zoals het onderhoud van de natuur en het paviljoen) en deels afhankelijk van het aantal begrafenissen dat zal plaatsvinden. De begraafplaats zal werkgelegenheid bieden aan een klein aantal mensen (hoveniers, een locatiemanager, administrateurs). De investering wordt gedekt door de uitgifte van de grafrechten, de begraafkosten en de prijs van een kleine, uniforme grafsteen. Uit deze opbrengsten worden ook de begrafenis, het onderhoud, en de opbouw van de reserves worden betaald. Met ruim honderd begrafenissen per jaar kan begonnen worden aan de opbouw van reserves. Uit de gesprekken met de moslimgemeenschap en de uitvaartorganisaties is de inschatting dat dit aantal zeker haalbaar moet zijn: in de stad Arnhem zal naar verwachting ruim het dubbele aantal moslims per jaar komen te overlijden. De begraafplaats geeft in totaal ruimte aan zo'n 16.000 overledenen. Met dat grote aantal is er een oplossing voor een belangrijk maatschappelijk vraagstuk voor vele jaren en wordt ook voldaan aan de wens voor betaalbaarheid van de graven vanuit de gemeenschap.
Een kleinschaliger project zou leiden tot hogere prijzen en tot druk op de aanleg van meer begraafplaatsen op de kortere termijn. Daarmee is sprake van een financieel haalbaar initiatief. Anterieure overeenkomst Wanneer met een juridisch-planologisch plan een bouwplan, zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening, mogelijk wordt gemaakt, dient conform artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd. In dit geval wordt een anterieure overeenkomst gesloten, waarin de gemeentelijke kosten (plankosten) worden vastgelegd en waarin het risico op planschade bij de initiatiefnemer wordt gelegd. Een exploitatieplan is dan ook niet nodig.
"Natuurbegraafplaats Waterberg" (vastgesteld)
43
Natuurbegraafplaats Waterberg
44
"Natuurbegraafplaats Waterberg" (vastgesteld)
Natuurbegraafplaats Waterberg
Hoofdstuk 6 6.1
Procedure
Draagvlakontwikkeling
In Arnhem moet de mate waarin mensen betrokken worden bij een plan in verhouding staan tot het effect dat een plan op de omgeving kan hebben. Over het algemeen geldt: hoe groter en uitgebreider een plan of ontwikkeling is, hoe belangrijker participatie van inwoners is. Op grond van de handreiking participatie ('Betrek de buurt bij uw bouwplan', gemeente Arnhem, 2022) valt het project in level 1. Er is immers sprake van categorie 5 zonder dat het plan voor meer verkeer of drukte zorgt, zonder dat het plan gevolgen heeft voor het groen en zonder dat het plan het karakter van een straat of buurt verandert. Dat betekent dat volstaan kan worden met een beperkte participatie van de omgeving. Deze beperkte participatie houdt in ieder geval in dat betrokkenen geïnformeerd worden, dat eventuele zorgen geïnventariseerd worden en dat onderzocht wordt hoe eventuele zorgen weggenomen kunnen worden. In dit geval wordt de participatie op twee niveau georganiseerd. Met de betrokkenen in de directe omgeving is in het voortraject al intensief contact geweest en dat blijft het geval. De locatie kent maar een paar buren: de eigenaar van het bos, die tevens de eigenaar van de akker is. Deze eigenaar staat (uiteraard) positief tegenover het plan en zal ook betrokken zijn bij de uitvoering, onder meer in het toegankelijk maken van de locatie over het pad dat ernaartoe loopt. Het Postillion Hotel.
Met het management van het hotel zijn goede gesprekken gevoerd en is overeengekomen dat bezoekers van de natuurbegraafplaats gebruik kunnen maken van de (ruim voldoende) parkeergelegenheid van het Postillion Hotel. De Rosendaelsche Golfclub. Met de bestuurders is vooraf overleg gevoerd en ook zij hebben aangegeven de plannen te willen steunen. Naar de veel ruimere omgeving en meer in het bijzonder de moslimgemeenschap wordt informatie verstrekt via een website en via de bestuurlijke wegen in de moslimgemeenschap.
6.2
Wettelijk vooroverleg
In het kader van artikel 3.1.1 Bro is het concept-bestemmingsplan voorgelegd aan de reguliere overlegpartners, zoals de provincie Gelderland en het waterschap. Het waterschap had geen opmerkingen. De opmerkingen van de provincie die vooral betrekking hadden op de toetsing aan het provinciaal beleid, zijn verwerkt.
6.3
Terinzagelegging
Het ontwerpbestemmingsplan 'Natuurbegraafplaats Waterberg' heeft van 5 juli tot en met 15 augustus 2022 ter inzage gelegen. Tijdens deze periode is één zienswijze ingediend. Deze zienswijze is afkomstig van de provincie Gelderland. Er zijn verder geen zienswijzen ingediend. De zienswijze van de provincie is erop gericht te waarborgen dat de laatste versie van het Inrichtings- en beheerplan bij het vast te stellen bestemmingsplan wordt gevoegd. In het Inrichtings- en beheerplan dat bij het ontwerpbestemmingsplan was gevoegd, moesten nog een aantal kleine aanpassingen worden gedaan. Deze aanpassingen zijn inmiddels doorgevoerd. Het voorstel is om het bestemmingsplan gewijzigd vast te stellen door het Inrichtings- en beheerplan van 18 juli 2022 als bijlage 1 bij regels te voegen.
"Natuurbegraafplaats Waterberg" (vastgesteld)
45
Natuurbegraafplaats Waterberg
46
"Natuurbegraafplaats Waterberg" (vastgesteld)
Natuurbegraafplaats Waterberg
Regels
"Natuurbegraafplaats Waterberg" (vastgesteld)
47
Natuurbegraafplaats Waterberg
Hoofdstuk 1 Artikel 1
Inleidende regels Begrippen
In deze regels wordt verstaan onder: 1.1
plan het bestemmingsplan 'Natuurbegraafplaats Waterberg' van de gemeente Arnhem;
1.2
bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0202.1003-0201 met de bijbehorende regels;
1.3
aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangegeven, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;
1.4
aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;
1.5
bestaande bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde en niet zijnde een tijdelijk toegestaan bouwwerk, die op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit plan volgens het geldende recht aanwezig of in uitvoering zijn dan wel na dat tijdstip zijn of mogen worden opgericht krachtens een omgevingsvergunning, die vóór dat tijdstip is aangevraagd;
1.6
bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;
1.7
bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak;
1.8
bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;
1.9
bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk;
1.10
bouwgrens de grens van een bouwvlak;
1.11
bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;
1.12
bouwperceelgrens de grens van een bouwperceel;
1.13
bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangegeven, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;
1.14
bouwwerk een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden;
1.15
extensieve recreatie die vormen van recreatie welke in hoofdzaak zijn gericht op natuur- en landschapsbeleving zoals wandelen en fietsen;
48
"Natuurbegraafplaats Waterberg" (vastgesteld)
Natuurbegraafplaats Waterberg
1.16
gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
1.17
islamitische natuurbegraafplaats terrein dat deel uitmaakt van een als zodanig ingericht en beheerd natuur- en/of bosgebied, waar zich islamitische natuurgraven bevinden en waar activiteiten van islamitische aard plaatsvinden in relatie tot het begraven van lichamen en waarbij gebruik wordt gemaakt van zo min mogelijk behandelde of bewerkte natuurlijke materialen en van natuurstenen gedenkplaten die op het graf worden gelegd;
1.18
islamitisch natuurgraf daar waar daadwerkelijk feitelijk is gegraven voor het begraven van een lichaam conform richtlijnen voor islamitisch begraven, waaronder eeuwigdurende grafrust;
1.19
landschappelijke waarde de aan een gebied toegekende waarde, die wordt bepaald door de aanwezigheid en de waarneembaarheid van de onderlinge samenhang en beïnvloeding van de niet-levende en levende natuur (met inbegrip van de mens);
1.20
natuurwaarde de aan een gebied toegekende waarde, die bepaald wordt door het voorkomen van geologische, bodemkundige, geomorfologische en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang (ecologie);
1.21
normaal onderhoud, gebruik en beheer gebruik gericht op het in zodanige conditie houden van objecten of de terreingesteldheid dat het voortbestaan van deze objecten of de terreingesteldheid op ten minste het bestaande kwaliteitsniveau wordt gehouden. Onder normaal onderhoud, gebruik en beheer wordt ook dunning van beplanting begrepen;
1.22
off-grid niet verbonden met en geen gebruik makend van publieke voorzieningen, zoals gas, water en elektriciteit;
1.23
overig bouwwerk een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden;
1.24
paviljoen demontabel gebouw of overkapping ten behoeve van de islamitische natuurbegraafplaats met ruimte voor gebed, rituelen van islamitische aard en ontmoeting van nabestaanden alsmede sanitaire voorzieningen en voorzieningen voor administratie en ontvangst;
1.25 peil Voor een gebouw , waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan een weg of pad grenst: de hoogte van die weg of dat pad ter plaatse van de hoofdtoegang; voor een gebouw, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het afgewerkte terrein ter plaatse van de hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; voor een ander bouwwerk: de hoogte van het afgewerkte terrein ter plaatse bij voltooiing van de bouw; voor zover als zodanig aangegeven in de bestemmingsregels: Normaal Amsterdams Peil (N.A.P.); 1.26
waterhuishoudkundige voorzieningen voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede waterkering, wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, (hemel)waterinfiltratie en waterkwaliteit. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan voorzieningen als duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten, ondergrondse bergbezinkbassins en dergelijke;
"Natuurbegraafplaats Waterberg" (vastgesteld)
49
Natuurbegraafplaats Waterberg
1.27
werken, werkzaamheden van geringe omvang werken of werkzaamheden die geen wezenlijke verandering van de terreingesteldheid of van een inrichting tot gevolg hebben.
Artikel 2
Wijze van meten
Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1
afstanden van gebouwen onderling alsmede afstanden van bouwwerken, geen gebouwen zijnde tot de perceelsgrens worden daar gemeten, waar deze afstanden het kleinst zijn;
2.2
de bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, liftopbouwen en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
2.3
de goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;
2.4
de inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;
2.5
de oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;
50
"Natuurbegraafplaats Waterberg" (vastgesteld)
Natuurbegraafplaats Waterberg
Hoofdstuk 2 Artikel 3 3.1
Bestemmingsregels Bos
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Bos' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. behoud, herstel en ontwikkeling van het bos voor natuur, landschap en houtteelt; b. het behoud of herstel van de op deze gronden voorkomende, dan wel daaraan eigen natuurwaarden, ecologische waarden, landschappelijke waarden en cultuurhistorische waarden; c. vormen van extensieve recreatie, welke niet strijdig zijn met het behoud of herstel van de onder b. genoemde waarden; d. wildwissels; e. de instandhouding van onverharde wegen. 3.2
Bouwregels
Op de in lid 1 van dit artikel genoemde gronden mag niet worden gebouwd. 3.3
Afwijken van de bouwregels
Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 2: a. voor het oprichten van erf- of terreinafscheidingen met een maximale hoogte van 3 meter, mits: 1. deze geen belemmering vormen voor de in het plangebied levende fauna en 2. noodzakelijk zijn in verband met de veiligheid; b. voor het oprichten van brandtorens; c. voor het oprichten van voederbergingen of voederruiven voor wild, mits: 1. deze noodzakelijk zijn voor de instandhouding van het wild; 2. de inhoud ten hoogste 3 kubieke meter per bouwwerk bedraagt; 3. de hoogte ten hoogste 2 meter bedraagt; d. voor het oprichten van bouwwerken ten behoeve van het bosbeheer en extensieve recreatie mits: 1. door de bouw de aanwezige natuurwaarden en landschappelijke waarden niet onevenredig worden geschaad; 2. de hoogte maximaal 2,5 meter bedraagt; 3. de maximale oppervlakte 10 vierkante meter per bouwwerk bedraagt. 3.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 3.4.1 Verbod Het is verboden om zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders de navolgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, te doen of te laten uitvoeren: a. het vellen, rooien of beschadigen van houtgewassen; b. het aanleggen of aanbrengen van leidingen, constructies, installaties of apparatuur; c.
het afgraven van de bodem; d. het verbreden of verharden van parkeerplaatsen en dergelijke; e. het aanbrengen van recreatievoorzieningen; f. het bebossen van de gronden; g. het graven, dichten, verdiepen of verbreden van sloten, greppels, beken etc.; h. het aanleggen van reservoirs; i. het aanleggen van ruitervoorzieningen, hindernissen, etc.; j. het aanbrengen van rasters. 3.4.2 Uitzondering omgevingsvergunningsplicht Het in lid 3.4.1 vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden: a. die op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt, in uitvoering zijn; b. die van geringe omvang zijn, dan wel het normale onderhoud betreffen. "Natuurbegraafplaats Waterberg" (vastgesteld)
51
Natuurbegraafplaats Waterberg
3.4.3 Toelaatbaarheid van werken en werkzaamheden Werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 3.4.1 zijn slechts toelaatbaar, indien: a. deze verband houden met de doeleinden, die aan het desbetreffende bestemming zijn toegekend, en b. hierdoor dan wel door daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen de landschappelijke, cultuurhistorische, natuur- en monumentale waarden en kwaliteiten niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast.
Artikel 4 4.1
Natuur
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. behoud, ontwikkeling en of herstel van de op deze gronden voorkomende landschappelijke, ecologische en natuurwaarden; b. halfverharde en onverharde paden en wegen; c. ter plaatse van de aanduiding 'begraafplaats': een islamitische natuurbegraafplaats. 4.2
Bouwregels
Binnen deze bestemming zijn geen gebouwen of overkappingen toegestaan met uitzondering van: 4.2.1 Paviljoen Binnen deze bestemming is een paviljoen toegestaan, waarbij voldaan wordt aan de volgende regels: a. de toegestane situering van het paviljoen is weergegeven in het inrichtings- en beheerplan in bijlage van deze regels; b. de bebouwde oppervlakte bedraagt niet meer dan 230 vierkante meter; c. de goothoogte bedraagt niet meer dan 3 meter; d. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 8 meter. 4.2.2 Opslagplaatsgereedschapen machines Binnen deze bestemming is een demontabele opslagplaats voor gereedschap en machines toegestaan, waarbij voldaan wordt aan de volgende regels: a. er is uitsluitend een opslagplaats toegestaan die een functie voor (het beheer en onderhoud van) de islamitische natuurbegraafplaats heeft; b. de toegestane situering van de opslagplaats is weergegeven in het inrichtings- en beheerplan in bijlage 1 van deze regels; c. de bebouwde oppervlakte bedraagt niet meer dan 50 vierkante meter; d. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 3,5 meter. 4.2.3 Sanitaire voorziening Binnen deze bestemming is een sanitaire voorziening toegestaan, waarbij voldaan wordt aan de volgende regels: a. er is uitsluitend een sanitaire voorziening voor de islamitische natuurbegraafplaats toegestaan; b. de sanitaire voorziening is off-grid; c.
de toegestane situering van de sanitaire voorziening is weergegeven in het inrichtings- en beheerplan in bijlage 1 van deze regels; d. de bebouwde oppervlakte bedraagt niet meer dan 20 vierkante meter; e. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 2,5 meter. 4.3
Afwijken van de bouwregels
Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.2.1 onder a en/of lid 4.2.2 onder b en/of lid 4.2.3 onder b en toestaan dat het inrichtings- en beheerplan, zoals opgenomen in bijlage 1 bij deze regels, wordt aangepast, onder de voorwaarden dat: 1. de afwijking ten behoeve van (het beheer en onderhoud van) de islamitische natuurbegraafplaats is, 2. en hierdoor dan wel door daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen de landschappelijke waarden en de natuurwaarden en kwaliteiten van de gronden niet onevenredig
52
"Natuurbegraafplaats Waterberg" (vastgesteld)
Natuurbegraafplaats Waterberg
worden of kunnen worden aangetast. 4.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 4.4.1 Verbod Het is verboden om zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders de navolgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, te doen of te laten uitvoeren: a. het vellen, rooien of beschadigen van houtgewassen; b. het aanbrengen van beplantingen; c. het aanleggen of aanbrengen van leidingen, constructies, installaties of apparatuur; d. het afgraven van de bodem; e. het ophogen, egaliseren of ontginnen van de bodem; f. het verbreden of verharden van parkeerplaatsen en dergelijke; g. het aanbrengen van recreatievoorzieningen; h. het graven, dichten, verdiepen of verbreden van sloten, greppels, beken etc.; i. het aanleggen van reservoirs; j. het aanleggen van ruitervoorzieningen, hindernissen etc.; k. het aanbrengen van rasters. 4.4.2 Uitzondering omgevingsvergunningsplicht Het in lid 4.4.1 vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden: a. die op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt, in uitvoering zijn; b. die van geringe omvang zijn, dan wel het normale onderhoud betreffen; c.
die betrekking hebben op het onderhoud, beheer en ontwikkeling van de islamitische natuurbegraafplaats conform het inrichtings- en beheerplan in bijlage 1 van deze regels; d. die betrekking hebben op het delven van een islamitisch natuurgraf en het leggen van gedenkstenen op een islamitische natuurgraf tot een maximale omvang per gedenksteen van 0,2 vierkante meter. 4.4.3 Toelaatbaarheid van werken en werkzaamheden Werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 4.4.1 zijn slechts toelaatbaar, indien: a. deze verband houden met de doeleinden, die aan het desbetreffende bestemming zijn toegekend, en b. hierdoor dan wel door daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen de landschappelijke waarden en de natuurwaarden en kwaliteiten van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast. 4.5
Voorwaardelijke verplichting
Het gebruik van de gronden ten behoeve van een islamitische natuurbegraafplaats is uitsluitend toegestaan onder de voorwaarde dat: a. de maïsakker verdwijnt en de eerste bomen en heesters worden geplant conform het inrichtings- en beheerplan in bijlage 1 van deze regels binnen een termijn van twee jaar na vaststelling van het bestemmingsplan; en b. de maatregelen inzake natuurontwikkeling overeenkomstig het inrichtings- en beheerplan in bijlage 1 van deze regels nadien verder worden doorgevoerd en in stand gehouden.
Artikel 5 5.1
Waarde - Archeologie (archeologisch waardevol gebied)
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waarde - Archeologie (archeologisch waardevol gebied)' aangewezen gronden zijn naast de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor de bescherming en het behoud van de op of in deze gronden voorkomende archeologische waarden. 5.2
Bouwregels
Binnen de voor deze bestemming aangewezen gronden mogen: "Natuurbegraafplaats Waterberg" (vastgesteld)
53
Natuurbegraafplaats Waterberg
a. bouwwerken geen gebouwen zijnde worden gebouwd die voor archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn; b. bouwwerken ten behoeve van de andere, voor deze gronden aangewezen bestemmingen worden gebouwd, indien het betreft: 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid of 2. bouwwerken waarvan de binnen de bestemming gelegen oppervlakte ten hoogste 50 m2 bedraagt of 3. bouwwerken waarvan de binnen de bestemming gelegen oppervlakte meer dan 50 m2 bedraagt, de daarmee gepaard gaan bodemingrepen niet dieper zijn dan 40 cm en dat zonder heiwerkzaamheden kan worden gebouwd. 5.3
Afwijken van de bouwregels
a. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd af te wijken van het bepaalde in lid 5.2 met inachtneming van de voor deze gronden geldende overige bouwregels. b. Afwijken als bedoeld in lid 5.3 sub a. kan, indien op basis van archeologisch onderzoek of naar het oordeel van een archeologische deskundige is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. c. Afwijken als bedoeld in lid 5.3 sub a. kan voorts, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie de archeologische waarden door de bouwwerkzaamheden niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het afwijken regels te verbinden gericht op: 1. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; 2. het doen van opgravingen; 3. begeleiding van de bouwwerkzaamheden door een archeologisch deskundige. 5.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 5.4.1 Verboden werkzaamheden Het is verboden op of in de gronden met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie (archeologisch waardevol gebied)' zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a.
grondwerkzaamheden dieper dan 40 centimeter, waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het verwijderen van funderingen en het aanleggen van drainage; b. het verlagen of verhogen van het waterpeil; c. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; d. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur. 5.4.2 Toelaatbaarheid De werken of werkzaamheden, waarvoor het verbod van lid 5.4.1 geldt, zijn slechts toelaatbaar, indien op basis van archeologisch onderzoek of naar het oordeel van een archeologisch deskundige is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad of mogelijk schade kan worden voorkomen door aan de vergunning regels te verbinden gericht op: a. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; b. het doen van opgravingen; c. begeleiding van de aanlegwerkzaamheden door een archeologisch deskundige. 5.4.3 Uitzonderingen Het verbod, als bedoeld in lid 5.4.1 sub a, is niet van toepassing indien: a. de werken die, voor zover deze zijn gelegen binnen deze bestemming, een oppervlakte hebben tot
54
"Natuurbegraafplaats Waterberg" (vastgesteld)
Natuurbegraafplaats Waterberg
b.
c. d. e. 5.5
ten hoogste 30 m2 of een omvang van 30 m1; de werken of werkzaamheden mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor het bouwen, omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden of een ontgrondingvergunning; reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van in werking treden van het plan; behoren tot het normale onderhoud en beheer van de gronden; ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk