Bijlage 1 - Vast te stellen bestemmingsplan Chw Rijkerswoerdsestraat 15 - tekst
Tekst van het document
Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandscontouren tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 per jaar (de kans dat per jaar 1 persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof mag niet groter zijn dan 1 op een miljoen). Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij de berekening van het groepsrisico spelen mee de aard en hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen en het aantal potentiële slachtoffers. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen de PR en/of de invloedsgebieden van het GR. Binnen de 10-6-contour is het realiseren van kwetsbare objecten niet toegestaan. Situatie plangebied Via de website risicokaart.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en / of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. Bijgevoegd een screenshot van die website.
30
"Chw Rijkerswoerdsestraat 15" (vastgesteld)
Chw Rijkerswoerdsestraat 15
Uitsnede risicokaart ter hoogte van het plangebied (blauwe cirkel) (bron: risicokaart.nl)
Hieruit blijkt op is op te maken dat op circa 500 meter ten noordwesten van het plangebied een aardgastranportleiding ligt. Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied (140 m) van deze leiding. Aan de N325 ligt een tankstation waar LPG wordt verkocht. Deze ligt op meer dan 600 meter van het plangebied. Vanuit externe veiligheid vormt dit geen risico voor de planontwikkeling. Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect externe veiligheid.
5.7
Groen en ecologie
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en bosopstanden in Nederland. Gebiedsbescherming In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied. Soortenbescherming Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden "Chw Rijkerswoerdsestraat 15" (vastgesteld)
31
Chw Rijkerswoerdsestraat 15
vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Situatie plangebied Ten behoeve van het planvoornemen is een Quickscan ecologie uitgevoerd, zie bijlage 4. In het onderstaande zijn de bevindingen weergegeven. Gebiedsbescherming In de omgeving van het plangebied is het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Rijntakken'. Dit gebied ligt op circa 4 km afstand van het plangebied. Gelet op de omvang van de ontwikkeling (twee woningen) en de afstand tot het Natura 2000-gebied kan het optreden van significante negatieve effecten (als gevolg van licht, geluid, verstoring, stikstofemissie etc.) worden uitgesloten. Het gebied ten zuiden van de Rijkerswoerdsestraat is onderdeel van het Gelders Natuurnetwerk (GNN).
Het GNN kent geen externe werking, nadere toetsing is derhalve niet aan de orde. Het plangebied ligt wel in de Groene Ontwikkelingszone. De provinciale verordening schrijft voor dat moet worden aangetoond dat de kernkwaliteiten van het gebied, in hun onderlinge samenhang bezien, per saldo substantieel worden versterkt. In paragraaf 3.3.5 Omgevingsverordening Gelderland is uiteengezet hoe deze versterking er uit ziet. Soortenbescherming De conclusie uit de Quickscan (zie bijlage 4) is dat de te slopen bebouwing geen functie heeft als rustof verblijfsplaats van beschermde soorten. Er zijn geen poelen of ander oppervlaktewater aanwezig die als mogelijk leefgebied kunnen fungeren. Het planvoornemen leidt niet tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Wel wordt geadviseerd om de werkzaamheden uit te voeren buiten het broedseizoen (globaal tussen half maart en eind juli) en dient de algemene zorgplicht in acht te worden genomen. Negatieve effecten op (beschermde) soorten kan hiermee worden uitgesloten. De uitvoerbaarheid van het initiatief voor ecologie is hiermee aangetoond.
5.8
Water
Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Indien nodig wordt overtollig water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen niet meer mogelijk is wordt het water afgevoerd. schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon 32
"Chw Rijkerswoerdsestraat 15" (vastgesteld)
Chw Rijkerswoerdsestraat 15
wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Beleid Waterschap Rivierenland Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 'Versterken, verbinden, vergroenen' is bepalend voor het waterbeleid.
Dit plan gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit, wegen en waterketen. In het waterbeheerprogramma zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van Waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema's: beschermen tegen overstromingen; water eerlijk verdelen; voorbereiden op extreem weer; streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; kwaliteitsverbetering zwemwater; toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; toewerken naar circulariteit. Daarnaast beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. Het Waterschap Rivierenland hanteert de beleidsregel 'Nieuwe lozingen vanaf verhard oppervlak'. Deze heeft als doel de versnelde afvoer van hemelwater als gevolg van de uitbreiding van het verhard oppervlak te beperkten tot de maatgevende afvoer van het landelijk gebied.
Een uitbreiding van het verhard oppervlak moet vanuit waterhuishoudkundig opzicht dus waterbalans-neutraal plaatsvinden. Om te voorkomen dat individuele bewoners voor kleine voorzieningen zoals serres, tuinschuurtjes, enkele woning, etc., moeten compenseren geldt er een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht van 500 m² voor stedelijk gebied en 1.500 m² voor landelijk gebied. Deze vrijstelling geldt alleen voor particulieren. Er moet voldoende berging zijn bij extremere omstandigheden. Voor ontwikkeling met een toename van verhard oppervlak tot 5.000 m² kan een standaardberekening worden toegepast, waarbij wordt uitgegaan van een maatgevende bui die eenmaal in de 10 jaar voorkomt. Vuistregel daarbij is dat 436 m³ waterberging per hectare verhard oppervlak nodig is. Uit deze vuistregel volgt de volgende berekening: Benodigde compensatie = Toename verhard opp (in m²) * 0,0436 Watertoets De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces waarbij de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek gaan voorafgaand aan de vaststelling van het plan.
De watertoets bestaat uit twee onderdelen: de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om de waterbeheerder vroegtijdig in de planvorming te betrekken, en de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop omgegaan is met de inbreng van de waterbeheerder. Dit laatste "Chw Rijkerswoerdsestraat 15" (vastgesteld)
33
Chw Rijkerswoerdsestraat 15
gebeurt doorgaans in de waterparagraaf bij het betreffende plan. Situatie plangebied In het plangebied liggen geen (beschermingszones van) watergangen of waterkeringen. In de huidige situatie is het plangebied nagenoeg geheel verhard en wordt het hemelwater dat op het dak en de bestrating valt via het straatwerk afgevoerd naar het naastgelegen weiland. Er is geen sprake van wateroverlast. De doorlatendheid van de bodem is goed. Met de voorgenomen ontwikkeling neemt de hoeveelheid verhard oppervlak af en blijft bovendien onder de 500 m² per woonkavel. Daarom is compensatie van waterberging niet nodig. In de nieuwe situatie zal het hemelwater, net als in de huidige situatie, via molgoten naar de tuin afstromen. Daar kan het in de bodem infiltreren. Eventueel kan dit worden aangevuld met de toepassing van infiltratiekratten in de bodem, dit wordt bij de omgevingsvergunning nader uitgewerkt. Voor het afvalwater worden de woningen aangesloten op de bestaande riolering. Voor het plan is de digitale watertoets doorlopen. Het verslag hiervan is opgenomen in bijlage 6. Hieruit blijkt dat bij voorliggend plan geen waterhuishoudkundige belangen spelen. Volstaan kan worden met de korte procedure en het algemene advies dat in bijlage 6 is gegeven. Er wordt aandacht gevraagd voor een klimaatbestendige inrichting en geen gebruik van uitlogende materialen zoals zink of koper.
De uitvoerbaarheid van het initiatief voor het aspect water is hiermee aangetoond.
5.9
Bodem
Op grond van de Wet Bodembescherming (Wbb) moet aangetoond worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Bij een functiewijziging zal in veel gevallen een specifiek bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd. Situatie plangebied In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een verkennend en aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is toegevoegd als bijlage 7. Ter plaatse van boring B01 is een matig verhoogd gehalte minerale olie aangetroffen in de ondergrond. In het aanvullend onderzoek is de omvang van deze verontreiniging bepaald. Het gaat om een spot van circa 3 m3. Het betreft geen geval van ernstige bodemverontreiniging. De vrijkomende grond dient te worden afgevoerd naar een reiniger/erkende verwerker. Elders op het terrein is een lichte minerale olieverontreiniging aangetroffen. Formeel kan dit worden gezien als een 'nieuw geval van niet ernstige bodemverontreiniging. In dat geval zal de verontreiniging weggenomen dienen te worden, zoveel als redelijkerwijs mogelijk en doelmatig is. Voordat er grondwerkzaamheden gaan plaatsvinden dient er een Plan van aanpak ingediend te worden bij het bevoegd gezag (gemeente Arnhem). Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect bodem.
5.10
Cultuurhistorie
In elk bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Het belang van cultuurhistorie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Het Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische
34
"Chw Rijkerswoerdsestraat 15" (vastgesteld)
Chw Rijkerswoerdsestraat 15
karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Situatie plangebied Het plangebied betreft een bedrijfsperceel met daarop een bedrijfsgebouw (loods). Binnen de plangrenzen van het voorliggende plan en in de directe omgeving zijn geen monumenten of andere cultuurhistorische waardevolle gebouwen aanwezig. Het plangebied ligt op een rivierduin (woerd) waar van oudsher een cluster van bebouwing en erven aanwezig is. Die structuur blijft met voorliggend plan in stand, omdat de twee woningen worden ontwikkeld op de plek van het huidige bedrijf. Historisch gezien kenmerkt de woerd zich door een ‘fragmentatie’ van perceeltjes met verschillend landgebruik. In voorliggend plan wordt hierop ingespeeld door het perceel in verschillende zones te verdelen, met onder meer een brede houtsingel en een hoogstamboomgaard aan de noordzijde. Er is geen sprake van aantasting van cultuurhistorische waarden.
5.11
Archeologie
De bescherming van archeologische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen is geregeld in de Erfgoedwet. De essentie van de wettelijke bescherming is dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard blijven. Bij ruimtelijke plannen geldt de verplichting om rekening te houden met bekende en te verwachten archeologische waarden. Indien ingrepen gepaard gaan met een verstoring van de bodem, kan het nodig zijn om nader onderzoek te doen, zodat - waar nodig - de archeologische waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het plan aangepast kan worden. Het is aan de gemeente om de omgang met archeologische waarden goed in beleid en het RO-traject te borgen. Bij verstoring van archeologische waarden is de initiatiefnemer verantwoordelijk voor het eventueel uit te voeren onderzoek. Op basis van artikel 5.10 van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Situatie plangebied Ter plaatse van het plangebied is in het vigerende bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie' opgenomen. Deze gronden zijn behalve de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van aanwezige archeologische waarden.
Op de archeologische verwachtingskaart van de gemeente is het plangebied aangeduid als waardevol gebied (vindplaats/AMK). Voor waardevolle gebieden geldt een onderzoeksplicht voor initiatieven die voorzien in bodemroerende ingrepen groter dan 30 m2, deze grenswaarde wordt met voorliggend plan overschreden. Derhalve is ten behoeve van het planvoornemen een archeologisch onderzoek uitgevoerd, zie bijlage 8.
"Chw Rijkerswoerdsestraat 15" (vastgesteld)
35
Chw Rijkerswoerdsestraat 15
Uitsnede archeologische verwachtingskaart ter hoogte van het plangebied (blauwe cirkel). (bron: gemeente Arnhem)
In het plangebied is een hoge archeologische verwachting op resten uit de perioden Neolithicum Nieuwe Tijd vastgesteld. Archeologische waarden uit deze perioden worden in het plangebied vanaf een diepte van circa 50 cm -mv verwacht. In het kader van de sloop van de huidige bedrijfsloods en de realisatie van een tweetal woningen in het plangebied wordt geadviseerd om een archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren. Aangezien de twee woningen vrijwel binnen hetzelfde bouwvlak als de huidige loods gepland zijn, kan dit door middel van een proefsleuvenonderzoek, variant archeologische begeleiding. Van de meest noordelijke woning ligt ca. 40 m² buiten de huidige bebouwing. Voor het proefsleuvenonderzoek dient een Plan van Eisen (PvE) opgesteld te worden dat door het bevoegd gezag moet worden goedgekeurd. Om de archeologische waarden te beschermen is de dubbelbestemming Waarde - Archeologie (waardevol gebied) overgenomen. Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect cultuurhistorie en archeologie.
5.12
M.e.r.-toets
Voor activiteiten die belangrijke milieugevolgen kunnen hebben, is het verplicht een milieueffectrapportage (m.e.r.) uit te voeren en een Milieu Effect Rapport (MER) te maken. Hiermee krijgt het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming. De m.e.r. onderzoekt de milieugevolgen van een plan of een besluit en (milieuvriendelijker) alternatieven. Een plan of besluit is m.e.r.-plichtig in een van de volgende situaties: in het Besluit milieueffectrapportage, artikel 7.4 bijlagen C en D zijn activiteiten aangewezen waarvoor direct een m.e.r.-plicht geldt; 36
"Chw Rijkerswoerdsestraat 15" (vastgesteld)
Chw Rijkerswoerdsestraat 15
een m.e.r.-plicht kan volgen uit een passende beoordeling in het kader van de Wet Natuurbescherming; op grond van de provinciale milieuverordening kunnen aanvullend op het Besluit m.e.r. activiteiten worden aangewezen waarvoor een m.e.r.-plicht geldt. M.e.r.-beoordeling Een aantal activiteiten op kleinere schaal zijn m.e.r.-beoordelingsplichtig als een indicatieve drempelwaarde uit bijlage D wordt overschreden. Ook als de drempelwaarden niet worden overschreven kan in overleg worden bekeken of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling, omdat er mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Er kunnen twee uitkomsten zijn: als de conclusie is dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden hoeft er geen m.e.r.-procedure te worden doorlopen. Dit wordt in het betreffende plan of besluit gemotiveerd en moet ook formeel bekend worden gemaakt door het bevoegd gezag; als belangrijke nadelige milieugevolgen niet uitgesloten kunnen worden, moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Situatie plangebied Het onderhavige plan behelst de bouw van twee woningen en blijft daarmee (ver) onder de drempel van een stedelijk ontwikkelingsproject (100 ha of 2000 woningen) als bedoeld in onderdeel D, categorie 11.2 van het Besluit m.e.r.. Er is geen m.e.r.-plicht.
In het kader van voorliggend bestemmingsplan zijn de belangrijkste milieuaspecten in beeld gebracht. Daaruit blijkt dat er geen sprake is van een ontwikkeling met negatieve milieugevolgen. De toelichting kan in dit geval worden gezien als een vormvrije m.e.r.-beoordeling.
5.13
Kabels, leidingen en straalpaden
In het plangebied liggen geen planologisch relevante kabels, leidingen of straalpaden waarmee in het kader van dit bestemmingsplan rekening moet worden gehouden.
"Chw Rijkerswoerdsestraat 15" (vastgesteld)
37
Chw Rijkerswoerdsestraat 15
38
"Chw Rijkerswoerdsestraat 15" (vastgesteld)
Chw Rijkerswoerdsestraat 15
Hoofdstuk 6 6.1
Planbeschrijving en -verantwoording
Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de bestaande situatie, het relevante beleid en de milieuen omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het opstellen van het bestemmingsplan: de plankaart en de regels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de opzet van dit bestemmingsplan en worden de gemaakte keuzes op de plankaart en in de regels verantwoord.
6.2
Opzet van de regels
Het bestemmingsplan is opgezet volgens de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan dit plan ten grondslag liggen. De toelichting is van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing. Daarnaast maken ook eventuele bijlagen onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan. Verbeelding De verbeelding is een digitale kaart, waarop bestemmingen en aanduidingen zijn weergegeven. Aanduidingen worden gebruikt om bepaalde zaken specifieker te regelen, bijvoorbeeld in de vorm van gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, functieaanduidingen etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
Daar waar een verschil is tussen de digitale en de analoge verbeelding, is de digitale versie leidend. Regels De planregels zijn standaard onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 : Inleidende regels, deze bevatten de begrippen en wijze van meten; Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels, dit zijn de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde. De regels bevatten een bestemmingsomschrijving en regels voor het bouwen en het gebruik. Hoofdstuk 3: Hogere waarden Wet geluidhinder Hoofdstuk 4: Algemene regels, dit zijn regels die gelden voor alle bestemmingen. Dit zijn onder meer (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. Hoofdstuk 5: Overgangs- en slotbepalingen. 6.2.1
Inleidende regels
Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: 1. Artikel 1 Begrippen In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen, voor een eenduidige interpretatie van deze begrippen. 2. Artikel 2 Wijze van meten Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. Op de verbeelding zijn bouwhoogten en soms bebouwingspercentages aangegeven. Als er geen percentages zijn aangegeven, mag het hele bouwvlak worden bebouwd. De aangegeven bouwhoogte wordt gemeten vanaf peil tot het hoogste punt (exclusief elementen zoals een schoorsteen, liftopbouw en dergelijke). Uitgangspunt is dat alleen gebouwd mag worden binnen de bouwgrenzen. "Chw Rijkerswoerdsestraat 15" (vastgesteld)
39
Chw Rijkerswoerdsestraat 15
6.2.2
Bestemmingsregels
Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de verschillende bestemmingen die voorkomen in het plangebied. Voor ieder gebied op de plankaart is de bestemming aangegeven. Deze bestemmingen zijn in de regels onderverdeeld in o.a.: 1. Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan (wonen, tuin etc.); 2. Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bebouwingshoogte, bebouwingspercentage etc.); 3. Afwijken van de gebruiks- en bouwregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven bestemmingen en bouwregels; 4. Verboden gebruik: welke vormen van gebruik zijn uitgesloten. In paragraaf 6.3 worden de verschillende bestemmingen toegelicht en wordt ook per bestemming aangegeven waarom voor bepaalde gronden voor deze is gekozen. 6.2.3
Hogere waarden Wet geluidhinder
Artikel 12.1 bevat een bepaling dat voor dit plan een hogere waarde is vastgesteld voor geluid. Voor de westelijke gevels is een hogere geluidbelasting vastgesteld van 49 dB afkomstig van de Nijmeegseweg (A325). Omdat de gemeente Arnhem de status heeft van experimenteergemeente in het kader van de Crisis- en herstelwet, heeft zij de mogelijkheid om dit in het bestemmingsplan te regelen en is er geen apart Besluit hogere waarden nodig. 6.2.4
Algemene regels
Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: Artikel 8 Anti-dubbeltelregel Deze regel bepaalt dat er niet twee keer voor eenzelfde locatie een bouwplan kan worden ingediend. Artikel 9 Algemene bouwregels Hierin zijn de algemene bouwregels opgenomen zoals de verplichting tot het bouwen binnen het bouwvlak. Artikel 10 Algemene gebruiksregels In dit artikel zijn algemene regels met betrekking tot het gebruik van de gronden en opstallen in het plangebied opgenomen. Hierin is aangegeven welke functies in ieder geval in strijd zijn met het bestemmingsplan. Artikel 11 Algemene afwijkingsregels In dit artikel worden de voorwaarden beschreven waaronder kan worden afgeweken van een bestemmingsregel. Deze afwijkingen kunnen worden toegepast op alle bestemmingen in het bestemmingsplan. De afwijkingen die uitsluitend gelden voor een bepaalde bestemming zijn in het betreffende artikel van die bestemming opgenomen. Artikel 12 Overige regels In dit artikel zijn regels ten aanzien van parkeren en laden en lossen opgenomen. 6.2.5
Overgangs- en slotbepalingen
In hoofdstuk 4 staan de overgangs- en slotbepalingen. In de overgangsbepalingen is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan.
6.3
Verantwoording van de bestemmingen
Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen: Groen: deze bestemming is opgenomen aan de achterzijde van het perceel, dat wordt ingericht als boomgaard. Er is hier geen bebouwing toegestaan, met uitzondering van erfafscheidingen. Tuin: de gronden aan de westzijde van het plangebied zijn voorzien van de bestemming 'Tuin'. Deze gronden dienen onbebouwd te blijven.
40
"Chw Rijkerswoerdsestraat 15" (vastgesteld)
Chw Rijkerswoerdsestraat 15
Wonen: met aanduidingen op de verbeelding is het maximum aantal woningen en de maximale goot- en bouwhoogte aangegeven. De woningen mogen vrijstaand of twee-aaneen worden gebouwd. De bouwzone omvat het eigenlijke woongebouw met, daar waar mogelijk en gewenst, uitbreidingsmogelijkheden en de zone 'bijgebouwen'. Als geen bebouwingspercentage is vermeld, mag deze gehele zone worden gebouwd in de aangegeven bouwhoogte, mits aan andere vereisten (bijvoorbeeld welstand) is voldaan. Voor het andere deel van de bouwzone geldt een bouwaanduiding 'bijgebouwen'. Dit betekent dat hier bijgebouwen mogelijk zijn. De gronden met deze aanduiding zijn bedoeld voor garages, schuren en beperkte uitbreidingen aan het woonhuis, zoals serres. De maximale bouwhoogte van de bijgebouwen is 3 meter, exclusief kap. De maximale bouwhoogte voor uitbreidingen aan het woonhuis is gelijk aan de hoogte van de begane-grondlaag. De onbebouwbare zone is bedoeld voor tuinen, ontsluiting en parkeerplaatsen ten behoeve van de woonfunctie.
In de regels van de bestemming Wonen is voorts een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat binnen 2 jaar nadat de eerste woning in gebruik is genomen de landschappelijke inpassing, zoals opgenomen op de tekening Bijlage 1 Landschappelijke inpassing moet zijn uitgevoerd en vervolgens in stand gehouden Waarde - Archeologie (waardevol gebied): voor het gehele plangebied is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie (waardevol gebied)' opgenomen ter bescherming en behoud van mogelijk aanwezige archeologische waarden en informatie in de bodem. Waarde - Landschap: deze dubbelbestemming ligt over het gehele plangebied, ten behoeve van de bescherming van de landschappelijke waarden. Ter plaatse is een omgevingsvergunningstelsel opgenomen voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden in de vorm van het vellen, rooien of beschadigen van houtgewassen. Voorts zijn in de regels overgenomen: in artikel 11.2 de regels uit het vigerende 'Facetplan woningsplitsing en verkamering', en in artikel 12.2 de regels uit het vigerende 'Facetplan parkeren'. Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.3 van het Bro.
6.4
Handhaving
Bestemmingsplannen zijn bindend voor overheid en burger. Enerzijds kan de gemeentelijke overheid naleving van bestemmingsplannen afdwingen (optreden tegen strijdig gebruik en/of bebouwing). Anderzijds vormt het bestemmingsplan ook het juridisch kader voor de burger waar deze uit af kan leiden wat zijn eigen bouw- en gebruiksmogelijkheden zijn, maar ook wat de mogelijkheden en onmogelijkheden zijn van zijn buren en directe omgeving. Het bestemmingsplan geeft immers de gewenste planologische situatie voor het betreffende gebied binnen de planperiode aan. In de nota “Beleidsuitgangspunten handhaving bestemmingsplannen” zijn de volgende uitgangspunten opgenomen: stringent beleid: als uitgangspunt geldt dat in principe elke overtreding wordt aangepakt; géén stilzwijgend gedogen; gewenste maar illegale ontwikkelingen zo mogelijk vooraf maar in ieder geval zo snel mogelijk legaliseren; gedogen van illegale gevallen alleen in uitzonderlijke gevallen, bij voorkeur alleen tijdelijk en met redenen omkleed. Deze beleidsuitgangspunten zijn geëvalueerd in de nota "Handhavingsplan Fysieke Leefomgeving 2011-2014". De destijds geformuleerde uitgangspunten pretenderen dat alle overtredingen worden opgespoord en aangepakt.
Deze ambitie blijkt met de beschikbare menskracht te ambitieus en daarom is in de nieuwe nota een prioriteitsstelling opgenomen waarin wordt aangegeven aan welke handhavingsonderwerpen op het gebied van bouwregelgeving en de gebouwde omgeving de komende periode met name aandacht wordt besteed. Dit houdt in dat het uitgangspunt dat in principe elke overtreding wordt aangepakt afhankelijk wordt van de prioriteitsstelling uit het Handhavingsplan. De prioriteitsstelling is onder meer afhankelijk van het type overtreding en het type gebied (beschermd stadsgezicht, buitengebied, industrieterrein enz.) waar de overtreding wordt geconstateerd en zal op "Chw Rijkerswoerdsestraat 15" (vastgesteld)
41
Chw Rijkerswoerdsestraat 15
basis van politieke realiteit per looptijd van het Handhavingsplan worden geactualiseerd. De grondslag voor een goed werkend handhavingsbeleid wordt gevormd door een inventarisatie van het feitelijke gebruik en de bestaande bebouwing zo kort mogelijk voor respectievelijk het in ontwerp ter visie leggen van casu quo het in werking van een bestemmingsplan. Als vervolg op deze inventarisatie zullen de verleende omgevingsvergunning voor het bouwen en gevolgde afwijkingsprocedures worden geregistreerd. Handhavend optreden tegen overtredingen van bestemmingsplannen kan niet alleen plaatsvinden via publiekrechtelijke, maar ook via de strafrechtelijke weg. In de regels is daartoe de zogenaamde strafbepaling opgenomen, waarin overtredingen van de regels worden aangemerkt als een strafbaar feit als bedoeld in artikel 1a, aanhef en lid 2 van de Wet op de Economische Delicten. De bijbehorende strafmaat is hechtenis van ten hoogste zes maanden of een geldboete van de vierde categorie (maximaal € 19.500). Bij ernstige overtredingen zal handhaving ook via de strafrechtelijke weg plaatsvinden. De opsporingsambtenaren van de gemeente of politie zullen in die gevallen proces-verbaal van de overtreding maken. Het (reguliere) bestuursrechtelijke traject zal gelijktijdig worden ingezet.
6.5
Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien: het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is; het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is; het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is. Planspecifiek De ontwikkelingskosten komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Voor de realisatie van het plan hoeft de gemeente geen investering te doen. De kosten die door de gemeente gemaakt worden voor het voeren van de planologische procedure zijn verrekend in de leges. Eventuele extra gemeentelijke kosten worden gedekt door de anterieure overeenkomst, waarin tevens het risico op planschade is meegenomen.
Deze kosten komen eveneens geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd kan worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.
42
"Chw Rijkerswoerdsestraat 15" (vastgesteld)
Chw Rijkerswoerdsestraat 15
Hoofdstuk 7 7.1
Procedure
Inleiding
Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Dit is het vooroverleg, waarin het conceptplan wordt voorgelegd aan het waterschap en aan die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Op basis van artikel 3.1.6 Bro dient verslag te worden gedaan van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken. Dit is de inspraak. Van (formele) inspraak kan, zeker bij wat kleinere plannen, worden afgezien. De gemeentelijke inspraakverordening is daarbij ook van belang. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd te worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid voor belanghebbenden beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State.
Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld.
7.2
Omgevingsdialoog
De omwonenden zijn in het voortraject geïnformeerd over het voorgenomen plan. Dit betreft de directe buren en anderen die mogelijk direct zicht hebben op de ontwikkeling. De plannen zijn positief ontvangen. Men heeft aangegeven geen bezwaren te hebben tegen de bouw van twee woningen op deze locatie. Vóór de start van de bouw zullen afspraken met de buren worden gemaakt om eventuele bouwhinder tot een minimum te beperken.
7.3
Vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro
In het kader van het wettelijk vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro is er contact geweest met de provincie Gelderland. Zij zijn akkoord met het bestemmingsplan. Overleg met het Waterschap Rivierenland was niet nodig omdat er sprake is een beperkte ontwikkeling waarbij het verhard oppervlak afneemt.
7.4
Ontwerp ter inzage
Het ontwerpbestemmingsplan 'Chw Rijkerswoerdsestraat 15' heeft vanaf 7 november 2023 als ontwerp ter inzage gelegen. Op 1 januari 2024 treedt de Omgevingswet in werking. Omdat het bestemmingsplan vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet als ontwerp ter inzage is gelegd, blijft het oude recht van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is (ex. artikel 4.6, lid 2, sub a, onder 1, van de Invoeringswet Omgevingswet). Er zijn tijdens de terinzagelegging van het bestemmingsplan geen zienswijzen ingediend. Het bestemmingsplan kan ongewijzigd worden vastgesteld.
"Chw Rijkerswoerdsestraat 15" (vastgesteld)
43
Chw Rijkerswoerdsestraat 15
Chw Rijkerswoerdsestraat 15
Inhoudsopgave Hoofdstuk1
Inleidende regels
4
Artikel 1
Begrippen
4
Artikel 2
Wijze van meten
8
Hoofdstuk2
Bestemmingsregels
9
Artikel 3
Groen
9
Artikel 4
Tuin
9
Artikel 5
Wonen
9
Artikel 6
Waarde - Archeologie (waardevol gebied)
11
Artikel 7
Waarde - Landschap
12
Hoofdstuk3
Algemene regels
14
Artikel 8
Anti-dubbeltelregel
14
Artikel 9
Algemene bouwregels
14
Artikel 10
Algemene gebruiksregels
14
Artikel 11
Algemene afwijkingsregels
14
Artikel 12
Overige regels
16
Hoofdstuk4
Overgangs- en slotregels
18
Artikel 13
Overgangsrecht
18
Artikel 14
Slotregel
18
2
"Chw Rijkerswoerdsestraat 15" (vastgesteld)
Chw Rijkerswoerdsestraat 15
Regels
"Chw Rijkerswoerdsestraat 15" (vastgesteld)
3
Chw Rijkerswoerdsestraat 15
Hoofdstuk 1
Artikel 1
Inleidende regels
Begrippen
In deze regels wordt verstaan onder: 1.1 plan het bestemmingsplan Chw Rijkerswoerdsestraat 15 met identificatienummer NL.IMRO.0202.1034-0201 van de gemeente Arnhem. 1.2 bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij horende bijlagen. 1.3 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5
afhankelijke woonruimte
een bijgebouw behorend bij een woning op één bouwperceel, waarin een gedeelte van de huishouding uit een oogpunt van mantelzorg is gehuisvest 1.6
bebouwing
één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. 1.7
bebouwingspercentage
een op de verbeelding of in de regels aangegeven percentage dat de grootte van een gedeelte van een bestemmingsvlak of gedeelte van een bouwvlak aangeeft dat ten hoogste mag worden bebouwd; 1.8
bedrijf
een onderneming of gedeelte van een onderneming, die een organisatorisch zelfstandige eenheid vormt en is gericht op de productie of de afzet van goederen of de verlening van diensten, hieronder begrepen ondernemingen of gedeelten van ondernemingen, die door of vanwege de overheid worden geleid. 1.9 beleidsregels Parkeren van de gemeente Arnhem onder de Beleidsregels Parkeren van de gemeente Arnhem wordt verstaan: de 'Beleidsregels voor toepassing van artikel 2.5.30 van de Bouwverordening gemeente Arnhem 2003', dan wel zoals deze regels komen te luiden na wijziging van deze regels. 1.10
beroep aan huis
een (para)medisch, juridisch, administratief, therapeutisch, verzorgend, ontwerptechnisch, kunstzinnig of daarmee gelijk te stellen beroep of bedrijf dat in een woning wordt uitgeoefend. 1.11 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak. 1.12 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.13 bijbehorend bouwwerk Uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aan gebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak.
4
"Chw Rijkerswoerdsestraat 15" (vastgesteld)
Chw Rijkerswoerdsestraat 15
1.14
bijgebouw
een zelfstandig bouwwerk dat niet in directe verbinding staat met het hoofdgebouw. Het bijgebouw wordt via een aparte toegangsdeur worden bereikt. Het kan wel tegen de woning aangebouwd worden. Voorbeeld van een bijgebouw zijn een garage en een schuur. 1.15
bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.16
bouwlaag
een geheel van voor personen toegankelijke ruimten, waarbinnen de vloerhoogte niet meer dan 1,20 meter varieert, met uitsluiting van onderbouw en zolder of vliering c.q. kapruimte. 1.17
bouwperceel
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.18 bouwperceelsgrens een grens van een bouwperceel. 1.19
bouwvlak
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten. 1.20
bouwwerk
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.21
detailhandel
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen het uitstallen ten verkoop, het verkopen of leveren van goederen aan diegenen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; dienstverlening door een horecabedrijf wordt hieronder niet begrepen. 1.22
gebouw
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.23 gebruiksoppervlakte de vloeroppervlakte binnen de bouwmuren bepaald volgens NEN 2580 met dien verstande dat daarbij aangebouwde bergingen, garages en andere niet voor bewoning geschikte ruimtes niet worden meegeteld. 1.24
hoofdgebouw
een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste gebouw valt aan te merken. 1.25
horecabedrijf
een bedrijf of instelling gericht op het verstrekken van logies, van maaltijden en spijzen of van dranken, alsmede het exploiteren van zaalaccommodatie; detailhandel wordt hier niet onder begrepen.
"Chw Rijkerswoerdsestraat 15" (vastgesteld)
5
Chw Rijkerswoerdsestraat 15
1.26 hospes/hospita de 100% economisch en juridisch eigenaar die zélf daadwerkelijk in het gebouw woont en minimaal 50% van de gebruiksoppervlakte van het gebouw gebruikt voor zijn eigen huishouden en maximaal 2 onzelfstandige wooneenheden verhuurt. Kenmerkend voor de hospes/hospita is dat de huurder van een wooneenheid de toiletruimte, badruimte en de keuken deelt met de eigenaar van de woning. De onzelfstandige wooneenheden mogen niet beschikken over eigen voorzieningen, als badgelegenheid, keuken en/of toilet. 1.27 huishouden één of meer personen die op hetzelfde adres wonen en een economisch-consumptieve eenheid vormen, met de intentie om zelfstandig, bestendig, voor onbepaalde tijd, in gezinsverband of in een met een gezinsverband vergelijkbaar samenlevingsverband te wonen. 1.28 kamergewijze bewoning een gebouw waarin zich 3 onzelfstandige wooneenheden bevinden of meer. 1.29
kantoor
een ruimte, of bij elkaar horende ruimten, die bestemd zijn om voornamelijk te worden gebruikt voor administratieve werkzaamheden of dienstverlening. 1.30
mantelzorg
het op individuele basis, buiten organisatorisch verband, bieden van zorg aan personen die fysiek, psychisch of verstandelijk ernstig hulpbehoevend zijn 1.31
overige bouwwerken
bouwwerken geen gebouwen zijnde. 1.32
onderbouw
een gedeelte van een gebouw, dat wordt afgedekt door een vloer, waarvan de bovenkant minder dan 1,20 meter boven peil is gelegen. 1.33 onzelfstandige wooneenheden een onzelfstandig gedeelte van een gebouw bedoeld voor de huisvesting van één huishouden. Kenmerkend voor de wooneenheid is het gezamenlijk gebruik (met andere wooneenheden) van een toiletruimte, badruimte en/of een keuken. Een wooneenheid kan uit meerdere ruimten bestaan. 1.34
peil
voor een gebouw, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan een weg of pad grenst: de hoogte van die weg of dat pad ter plaatse van de hoofdtoegang; voor een gebouw, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het afgewerkte terrein ter plaatse van de hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; voor een ander bouwwerk: de hoogte van het afgewerkte terrein ter plaatse bij voltooiing van de bouw. 1.35
productiegebonden detailhandel
detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd, gerepareerd of toegepast in het productieproces, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie. 1.36
prostitué(e)
degene, die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding.
6
"Chw Rijkerswoerdsestraat 15" (vastgesteld)
Chw Rijkerswoerdsestraat 15
1.37
prostitutie
het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding. 1.38
raamprostitutie
een vorm van prostitutie waarbij de werving van klanten geschiedt door een prostitué(e) die door houding, gebaren, kleding of anderszins, vanuit een vitrine de aandacht op zich vestigt en waarbij de seksuele handelingen in een voor het publiek besloten ruimte plaatsvinden. 1.39
seksinrichting
een voor publiek toegankelijke, besloten ruimte (hieronder wordt mede begrepen een voer- of vaartuig) waarin bedrijfsmatig, of in omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichtingen wordt in elk geval verstaan: een (raam)prostitutiebedrijf, een seksclub, een privé-huis, een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater of parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar. 1.40
standplaats
een kavel, waarop nutsvoorzieningen aanwezig zijn, bestemd voor het plaatsen van een woonwagen. 1.41
straatmeubilair
onverminderd het bepaalde in Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht wordt onder straatmeubilair voor de werking van dit bestemmingsplan mede verstaan: papier-, glas- en andere inzamelbakken, toegangsconstructies voor ondergrondse voorzieningen; kunstwerken, speeltoestellen en draagconstructies voor reclame, alsmede abri's en kleinschalige bouwwerken ten behoeve van (openbare) nutsvoorzieningen. 1.42
thuisprostitutie
vorm van prostitutie waarbij de seksuele dienstverlening plaatsvindt op het woonadres van de prostituté(e) en waarbij ook alleen door deze prostitué(e) op dit adres gewerkt wordt als prostitué(e). 1.43 verkameren het gebruiken van een (gedeelte van een) gebouw waar wonen is toegestaan als kamergewijze bewoning. Hieronder wordt tevens verstaan het toevoegen van onzelfstandige wooneenheden aan bestaande gevallen van kamergewijze bewoning. 1.44
werkplek
een plaats, waar één prostitué(e) zijn of haar werk verricht. 1.45
wijk
wijk, zoals gehanteerd wordt in de indeling van het Centraal Bureau voor de Statistiek. 1.46
wonen
voor de werking van dit bestemmingsplan wordt onder wonen in ieder geval begrepen: bijzondere woonvormen. 1.47
woning
een complex van ruimten, bedoeld voor de huisvesting van één huishouding, een bijzondere woonvorm of een kamerverhuurbedrijf. 1.48 woningsplitsing het bouwkundig en/ of functioneel splitsen van één woning of (een gedeelte van een) gebouw waar wonen is toegestaan tot twee of meer zelfstandige woningen.
"Chw Rijkerswoerdsestraat 15" (vastgesteld)
7
Chw Rijkerswoerdsestraat 15
1.49
woonwagen
voor bewoning bestemd gebouw dat is geplaatst op een standplaats en in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst. 1.50 zelfstandige woning een zelfstandig (gedeelte van een) gebouw, dat dient voor de huisvesting van één huishouden. Kenmerkend voor de woning is de aanwezigheid van eigen voorzieningen, waaronder minimaal een toiletruimte, badruimte en een keuken met kooktoestel.
Artikel 2
Wijze van meten
Bij toepassing van deze planregels wordt als volgt gemeten: 2.1
de dakhelling
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.2
de goothoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de bovenste goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.3
de inhoud van een bouwwerk
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.4
de bouwhoogte van een bouwwerk
1. vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, zonnepanelen, warmtepompen, airco-units, liftopbouwen en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2. indien van toepassing, vanaf N.A.P. tot het hoogste, respectievelijk diepste punt van een bouwwerk. 2.5
de oppervlakte van een bouwwerk
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
8
"Chw Rijkerswoerdsestraat 15" (vastgesteld)
Chw Rijkerswoerdsestraat 15
Hoofdstuk 2 Artikel 3 3.1
Bestemmingsregels Groen
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. groenvoorzieningen; b. watergangen, waterpartijen, waterinfiltratievoorzieningen en andere voorzieningen voor de waterhuishouding; c. fiets- en wandelpaden, in- en uitritten naar aangrenzende woningen, straatmeubilair en speelvoorzieningen; d. wegen voor bestemmingsverkeer. 3.2
Bouwregels
Op de in lid 3.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend in de gegeven bestemming passende bouwwerken, zoals speeltoestellen, met een maximumbouwhoogte van 4 meter worden gebouwd.
Artikel 4 4.1
Tuin
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen ten behoeve van aangrenzende (woon)bestemmingen. 4.2
Bouwregels
Op de in lid 4.1 genoemde gronden mag niet worden gebouwd.
Artikel 5 5.1
Wonen
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het wonen, hieronder niet begrepen bewoning van woonwagens of woonschepen; b. tuinen en erven. 5.2
Bouwregels
a. Op de in lid 5.1 bedoelde gronden mogen, met inachtneming van de aangegeven maximum aantal wooneenheden en maximum bouwhoogten, uitsluitend de in de gegeven bestemming passende hoofdbebouwing, bijbehorende bouwwerken en andere binnen de bestemming passende bouwwerken worden gebouwd; b. op de in 5.1 bedoelde gronden, ter plaatse van de aanduiding 'bg' mogen: 1. aan- of uitbouwen aan de hoofdbebouwing worden gebouwd met een maximumbouwhoogte gelijk aan de hoogte van de begane-grondbouwlaag van de hoofdbebouwing, vermeerderd met maximaal 30 centimeter ten behoeve van isolatie of afschot. 2. bijgebouwen worden gebouwd met een maximumbouwhoogte gelijk aan de goothoogte van het hoofdgebouw, waarbij de goothoogte van bijgebouwen niet meer mag bedragen dan de hoogte van de begane-grondbouwlaag van de hoofdbebouwing, vermeerderd met maximaal 30 centimeter ten behoeve van isolatie of afschot. 3. overige bouwwerken, passend binnen de bestemming, met een maximumbouwhoogte van 3 meter worden gebouwd. waarbij de oppervlakte van het totaal van deze bebouwing per bouwperceel de in onderstaande schema opgenomen maten niet overschrijdt. "Chw Rijkerswoerdsestraat 15" (vastgesteld)
9
Chw Rijkerswoerdsestraat 15
Oppervlakte gebied met de aanduiding 'bijgebouwen' per bouwperceel < 90 m2
90-150 m2 150-300 m2 300-500 m2 500-1000 m2
maximale oppervlakte bouwwerken 50% van de oppervlakte van het gebied met de aanduiding 'bijgebouwen' per bouwperceel met een minimum van 20 m2 45 m2 55 m2 65 m2 75 m2
c. een omgevingsvergunning voor het bouwen ten behoeve van woningen wordt uitsluitend verleend indien voldoende natuurinclusieve maatregelen worden getroffen, met dien verstande dat: 1. hieraan wordt voldaan indien het bouwen voldoet aan het puntensysteem voor natuurinclusief bouwen van de Beleidsregels Natuurinclusief Bouwen; 2. de genomen maatregelen met betrekking tot natuurinclusief bouwen in het kader van de vergunningverlening moeten in stand worden gehouden; d. een omgevingsvergunning voor bouwen wordt uitsluitend verleend indien wordt voldaan aan de voorwaarden in 12.1 onder c. 5.3
Afwijken van de bouwregels
Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van: a. het bepaalde in het in lid 5.2 onder b. opgenomen schema ten behoeve van een verhoging van de maximale grootte van bouwwerken voor percelen waarbij de bebouwbare zone groter is dan 1000 m2met maximaal 25 m2 mits: 1. dit vanuit stedenbouwkundig en landschappelijk oogpunt niet op bezwaren stuit en 2. de belangen van omwonenden met betrekking tot privacy, uitzicht en bezonning niet onevenredig worden geschaad. b. het bepaalde in artikel 10 van de regels ten behoeve van het gebruik als afhankelijke woonruimte mits: 1. het gebruik als afhankelijke woonruimte noodzakelijk is vanuit een oogpunt van mantelzorg, waartoe advies van een onafhankelijk deskundige wordt ingewonnen; 2. de afhankelijke woonruimte qua oppervlakte past in de voor deze bestemming geldende regeling voor bijgebouwen tot een maximum van 60 m2; 3. de belangen van omwonenden en bedrijven niet onevenredig worden aangetast, waarbij rekening wordt gehouden met milieu-aspecten als geur, geluid, hinder en externe veiligheid; 4. het bijgebouw, dat als afhankelijke woonruimte wordt gebruikt, is gelegen op maximaal 20 meter afstand van het hoofdgebouw (op hetzelfde bouwperceel); 5. geen splitsing van eigendom van het betreffende bouwperceel plaatsvindt; 6. het aantal gebruikers van afhankelijke woonruimte maximaal twee bedraagt; 7.
het gebruik als afhankelijke woonruimte onmiddellijk wordt beëindigd, vanaf het moment dat de mantelzorg niet meer is vereist. Hiertoe controleren burgemeester en wethouders tweejaarlijks of nog aan de voorwaarden, waaronder ontheffing is verleend, wordt voldaan. 5.4
Specifieke gebruiksregels
5.4.1 Strijdig gebruik a. Onder gebruik van de gronden en opstallen in strijd met de bestemming wordt in elk geval begrepen: 1. gebruik als beroeps- of bedrijfsmatige werk- of opslagruimte; 2. het gebruik van bijgebouwen als zelfstandige woning en als afhankelijke woonruimte. b. Het bepaalde in lid 5.4 onder a.1. is niet van toepassing op het gedeelte van een woning in gebruik ten behoeve van beroep aan huis, hieronder mede begrepen bed & breakfast, door de bewoner, mits dit gedeelte niet meer bedraagt dan 1/3 van de vloeroppervlakte van de woning. Voorts mag door dit gebruik geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse, noch een onevenredige parkeerdruk ontstaan en mag het geen detailhandel, prostitutie of horeca betreffen. Bed en breakfast voor ten hoogste vier personen is wel toegestaan.
10
"Chw Rijkerswoerdsestraat 15" (vastgesteld)
Chw Rijkerswoerdsestraat 15
5.4.2 Voorwaardelijk verplichting landschappelijke inpassing a voorwaardelijke verplichting Binnen 2 jaar nadat de eerste woning in gebruik is genomen dienen de landschappelijke inrichtingsmaatregelen, zoals die zijn opgenomen op de tekening in Bijlage 1 Landschappelijke inpassing te zijn uitgevoerd en vervolgens in stand te worden gehouden. Het niet uitvoeren van deze maatregelen wordt gezien als strijdig gebruik. b afwijken landschappelijke inpassing Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde in 5.4.2 onder a voor een langere termijn en / of een ander gelijkwaardig inrichtingsplan, als daartoe een gemotiveerd verzoek wordt ingediend en het doel van de landschappelijke inpassing nog steeds wordt bereikt.
Artikel 6 6.1
Waarde - Archeologie (waardevol gebied)
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waarde - Archeologie (waardevol gebied)' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor bescherming van aanwezige of naar verwachting aanwezige archeologische waarden. 6.2
Bouwregels
Binnen de voor deze bestemming aangewezen gronden mogen: a. bouwwerken geen gebouwen zijnde worden gebouwd die voor archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn; b. bouwwerken ten behoeve van andere, voor deze gronden aangewezen bestemmingen worden gebouwd, indien het betreft: 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid; of 2. bouwwerken waarvan de binnen de bestemming gelegen oppervlakte ten hoogste 30 m2 bedraagt; of 3. bouwwerken waarvan de binnen de bestemming gelegen oppervlakte meer dan 30 m2 bedraagt, de daarmee gepaard gaande bodemingrepen niet dieper zijn dan 40 cm en die zonder heiwerkzaamheden kunnen worden gebouwd 6.3
Afwijken van de bouwregels
a. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd af te wijken van het bepaalde in 6.2 met inachtneming van de voor deze gronden geldende overige bouwregels; b. afwijken als bedoeld onder a kan, indien op basis van archeologisch onderzoek of naar het oordeel van een archeologisch deskundige is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad; c. afwijken als bedoeld onder a kan voorts, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie de archeologische waarden door de bouwwerkzaamheden niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het afwijken regels te verbinden gericht op: 1. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; 2. het doen van opgravingen; 3. begeleiding van de bouwwerkzaamheden door een archeologisch deskundige. 6.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijde, of van werkzaamheden 6.4.1 Verboden werkzaamheden Het is verboden op of in de gronden met de dubbelbestemming Waarde - Archeologie (waardevol gebied) zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: "Chw Rijkerswoerdsestraat 15" (vastgesteld)
11
Chw Rijkerswoerdsestraat 15
a. grondwerkzaamheden dieper dan 40 cm, waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het verwijderen van funderingen en het aanleggen van drainage; b. het verlagen of verhogen van het waterpeil; c. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; d. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur. 6.4.2 Toelaatbaarheid De werken of werkzaamheden, waarvoor het verbod van 6.4.1 geldt, zijn slechts toelaatbaar, indien op basis van archeologisch onderzoek of naar het oordeel van een archeologisch deskundige is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad of mogelijk schade kan worden voorkomen door aan de vergunning regels te verbinden gericht op: a. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; b. het doen van opgravingen; c. begeleiding van de aanlegwerkzaamheden door een archeologisch deskundige. 6.4.3 Uitzonderingen Het verbod, als bedoeld in 6.4.1 sub a, is niet van toepassing indien: a.