Agendabundel
Tekst van het document
1.3 Leeswijzer Het rapport is als volgt opgebouwd: In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de onderzoeksmethode. Hoofdstuk 3 geeft een toelichting op de lokale inkomensondersteunende regelingen. In hoofdstuk 4 worden kort de resultaten weergegeven: Wat is de bestedingsruimte van huishoudens met een laag inkomen? En wat zijn de effecten van het minimabeleid op de financiële positie van huishoudens met een laag inkomen? Ten slotte staan in hoofdstuk 5 de conclusies en aanbevelingen. In de bijlagen wordt meer informatie gegeven over bronnen van de referentiecijfers en de inkomensopbouw.
2 Onderzoeksmethode: begrotingen 2.1 Inleiding Om het effect van inkomensondersteunende regelingen op de financiële positie van huishoudens te berekenen, maakt het Nibud gebruik van begrotingen. Uit deze begrotingen zijn de inkomsten en uitgaven van de huishoudens af te lezen. De begrotingen zijn voor groepen van huishoudens. De bedragen in de begrotingen zijn gemiddelden; in werkelijkheid zal de financiële situatie van de individuele huishoudens er anders uitzien. De begroting laat dus niet zien in hoeverre een individueel huishouden een sluitende begroting heeft. Wel wordt duidelijk in hoeverre een groep huishoudens een sluitende begroting heeft. Bij het opstellen van de begrotingen wordt geen rekening gehouden met schulden, omdat daarover niets algemeens te zeggen valt. Schulden komen echter vaak voor onder huishoudens met lage inkomens. Maandbegrotingen Alle begrotingen zijn maandbegrotingen, waarbij de inkomsten en uitgaven zijn omgerekend naar gemiddelde maandbedragen. In de praktijk kunnen er flinke verschillen zijn tussen de maanden van het jaar. Vakantiegeld wordt bijvoorbeeld vaak jaarlijks uitgekeerd, maar wordt in deze rapportage uitgedrukt in een maandelijks bedrag. Het inkomen is in iedere begroting een vast gegeven.
2.2 Inkomsten In deze rapportage worden op vier inkomensniveaus begrotingen opgesteld voor de betreffende voorbeeldhuishoudens: het minimuminkomen (bijstand/AOW-uitkering), 110 procent, 120 procent en 130 procent van de geldende bijstandsnorm. Met bijstandsniveau wordt in deze rapportage bedoeld de norm op grond van de Participatiewet, artikel 5 lid 1 sub c. Uitgangspunt in deze rapportage is het totaal besteedbaar maandinkomen. Dat inkomen bestaat uit alle inkomsten van het huishouden, zoals netto salarissen, uitkeringen, kortingen op de belasting, zorgtoeslag, huurtoeslag, vakantiegeld, kinderbijslag en kindgebonden budget. In de begrotingen is geen rekening gehouden met eigen vermogen of eventuele inkomsten daaruit. Hoe de regelingen doorwerken in de begrotingen en wat de invloed is op het inkomen van de verschillende huishoudens is te zien in bijlage 1. In de rapportage wordt verondersteld dat de huishoudens maximaal gebruik maken van alle inkomensondersteunende regelingen die op hen van toepassing zijn.
2.3 Uitgaven: Basispakket & Sociale participatie De noodzakelijke uitgaven vullen we in via een basispakket met apart een pakket voor sociale participatie. Het basispakket bestaat uit uitgaven die voor elk huishouden niet of moeilijk vermijdbaar zijn. De begroting bestaat uit een pakket aan vrij goedkope artikelen (niet de allergoedkoopste) die algemeen verkrijgbaar zijn. We houden geen rekening met tweedehands artikelen. In bijlage 1 staande uitgangspunten en de samenstelling van de pakketten beschreven. Het basispakket en de sociale participatie zijn op bepaalde punten verschillend voor de diverse huishoudtypen. Een alleenstaande staat immers voor andere kosten dan bijvoorbeeld een gezin met kinderen. Sociale participatie Als voorbeeld heeft het Nibud een pakket aan uitgaven voor sociale participatie opgesteld. Dit pakket is opgesteld in samenwerking met het Sociaal Cultureel Planbureau. Het gaat bijvoorbeeld om uitgaven aan contributies en abonnementen, bezoek ontvangen en op bezoek gaan, vakantie/uitgaan en recreatief vervoer. Sociale participatie wordt door velen als noodzakelijk beschouwd en is in veel gemeenten op de een of andere manier onderdeel van het minimabeleid. De uitgaven voor sociale participatie staan beschreven in bijlage 1.
Persoonlijk onvermijdbare uitgaven Naast de noodzakelijke uitgaven van de pakketten zijn er in individuele gevallen persoonlijk moeilijk of niet-vermijdbare uitgaven. Dit zijn uitgaven die voor een bepaald persoon onontkoombaar zijn. Bijvoorbeeld wanneer iemand een speciaal dieet moet volgen. Voor dit soort uitgaven is vaak een tegemoetkoming mogelijk via gemeentelijk beleid. Deze uitgaven worden in dit rapport niet meegenomen. Uitzondering zijn de huishoudens met een zorgvraag. Hierbij gaan we uit van extra, onvermijdbare uitgaven. Deze staan beschreven in paragraaf 3.3.4. In de begrotingen is geen rekening gehouden met kosten voor een huisdier of voor roken. Deze uitgaven worden niet gezien als noodzakelijk. Echter, relatief veel huishoudens in de onderzochte inkomensniveaus zullen wel met deze kosten te maken hebben. Indien dit het geval is, wordt het saldo op de begroting lager dan in deze rapportage is weergegeven. Het is raadzaam hier rekening mee te houden, zeker waar het gaat om de meest kwetsbare groepen (die ook zonder deze kosten de maandbegroting niet of nauwelijks rond krijgen).
2.4 Uitgavensoorten In alle begrotingen onderscheidt het Nibud drie soorten uitgaven: Vaste lasten: Komen regelmatig terug. Meestal vaste bedragen waar een contract aan ten grondslag ligt. Voorbeelden zijn de huur, energiekosten en verzekeringen. Reserveringsuitgaven: Komen niet regelmatig voor. De hoogte is niet precies bekend. Voorbeelden hiervan zijn de kosten voor inventaris (meubels, apparatuur/witgoed) en kleding. Huishoudelijke uitgaven: Steeds terugkerende uitgaven die maandelijks kunnen variëren. Voorbeelden zijn voeding, was- en schoonmaakartikelen, persoonlijke verzorging. Lokale tarieven In deze rapportage wordt gerekend met minimale bedragen die huishoudens nodig hebben om deze uitgaven te kunnen betalen. Voor de uitgaven is waar mogelijk uitgegaan van lokale tarieven. Voorbeelden hiervan zijn de tarieven voor heffingen, de premie van de collectieve zorgverzekering en de kosten van de peuterspeelzaal. Minimabeleid Als er inkomensondersteunende maatregelen zijn die een vergoeding vormen voor bepaalde uitgavenposten, dan is hier rekening mee gehouden in de begrotingen. De regelingen staan beschreven in het volgende hoofdstuk.
2.5 Voorwaarden aan de begrotingen Aan de begrotingen worden drie belangrijke voorwaarden opgelegd. 1. Zeer goed met geld kunnen omgaan Een goed overzicht van alle inkomsten en uitgaven is noodzakelijk. Alleen dan kan er voldoende geld opzij worden gezet om onregelmatige uitgaven te kunnen doen. Een gebrek aan goed overzicht kan vaak confronterend zijn en moeilijk te doorbreken. 2. Alle inkomensondersteuning aanvragen Toeslagen en tegemoetkomingen beslaan vaak een groot deel van het totale inkomstenplaatje. Het is daarom voor huishoudens belangrijk om te weten op welke inkomensondersteuning men recht heeft en hoe en waar deze moet worden aangevraagd. Het tijdig doorgeven van gegevens is hierbij belangrijk. En daarmee dus ook een actieve houding. 3. Geen grote persoonlijk onvermijdbare uitgaven hebben Hoge persoonlijk onvermijdbare uitgaven zoals afbetalingen, zorgkosten of een hoge huur, kunnen het moeilijk of onmogelijk maken om een sluitende begroting op te stellen. Als de uitgaven niet omlaag gebracht kunnen worden, dan resteert er niks anders dan om te bezuinigen op overige uitgaven. In het geval van de begrotingen met minimale uitgaven, zoals ze in dit rapport zijn opgesteld, ontstaat het gevaar dat er ook bezuinigd wordt op noodzakelijke uitgaven.
Dit kan er toe leiden dat er totaal geen reserves meer zijn om tegenslagen op te kunnen vangen, dat rekeningen niet meer betaald worden waardoor schulden ontstaan of dat gezondheidsbedreigende omstandigheden ontstaan.
2.6 De begrotingen Volgens de methodiek die hierboven staat beschreven, worden de begrotingen opgesteld. Deze begrotingen staan in bijlage 2.
3 Minimabeleid In dit hoofdstuk worden diverse landelijke en gemeentelijke regelingen voor inkomensondersteuning van minima beschreven. Alleen de regelingen die in de berekeningen zijn meegenomen komen in dit hoofdstuk aan bod. Paragraaf 3.1 beschrijft de landelijke regelingen; in paragraaf 3.2 komen de lokale inkomensondersteunende regelingen aan bod.
3.1 Landelijk beleid Bij het opstellen van de begrotingen worden de landelijke heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting, inkomensafhankelijke combinatiekorting en de [alleenstaande] ouderenkorting), landelijke toeslagen (zorgtoeslag, huurtoeslag, kinderopvangtoeslag, kindgebonden budget) en de kinderbijslag in de berekeningen opgenomen. Landelijke heffingskortingen Heffingskortingen zijn kortingen op de belasting. Hiermee wil de overheid bepaalde groepen ondersteunen. Denk aan ouders, ouderen en gehandicapten. Door de heffingskorting betalen zij minder belasting. De volgende heffingskortingen (2019) zijn voor de voorbeeldhuishoudens van belang: Algemene heffingskorting Voor iedereen boven de 18 die inkomstenbelasting betaalt, ook als men niet werkt. De algemene heffingskorting bedraagt maximaal 2.477 euro per jaar voor mensen onder de AOW-gerechtigde leeftijd en 1.268 euro vanaf de AOW gerechtigde leeftijd. Arbeidskorting Voor iedereen die betaald werk heeft, ook als men daarnaast nog gedeeltelijk een uitkering ontvangt. De arbeidskorting bedraagt maximaal 3.399 euro per jaar. Inkomensafhankelijke combinatiekorting Voor werkende ouders met kinderen jonger dan 12 jaar. Deze wordt toegekend aan de alleenstaande ouder of aan de minst verdienende fiscale partner. Deze heffingskorting bedraagt maximaal 2.835 euro per jaar.
Ouderenkorting en alleenstaande ouderenkorting Heffingskortingen voor AOW-gerechtigden. De ouderenkorting bedraagt maximaal 1.596 euro per jaar; de alleenstaande-ouderenkorting is 429 euro per jaar. Landelijke toeslagen Toeslagen zijn bijdragen van de overheid om tegemoet te komen in de kosten voor de zorgverzekering, huur of kind(eren). Of een huishouden recht heeft op bepaalde toeslagen, is afhankelijk van een aantal factoren (bijvoorbeeld inkomen). De volgende toeslagen zijn van belang voor de voorbeeldhuishoudens: Zorgtoeslag Zorgtoeslag is een bijdrage van de overheid voor de kosten van de zorgverzekering. Iemand kan aanspraak maken op zorgtoeslag vanaf 18 jaar. Dit geldt voor zowel alleenstaanden als stellen. Het inkomen moet wel onder de inkomensgrens vallen. Een alleenstaande heeft recht op zorgtoeslag bij een toetsinkomen van 29.562 euro of minder. Voor samenwonenden is deze grens 37.885 euro.
Naast de inkomensgrens is er ook een vermogensgrens voor de zorgtoeslag. In 2019 bedraagt deze voor alleenstaanden 114.776 euro en voor paren 145.136 euro. De zorgtoeslag voor een alleenstaande is maximaal 99 euro per maand. Voor een stel is de zorgtoeslag maximaal 192 euro. Hoe lager het inkomen, hoe meer toeslag iemand ontvangt. Huurtoeslag Huurtoeslag is een bijdrage van de overheid in de huurkosten. Huurders van een zelfstandige huurwoning kunnen in aanmerking komen voor huurtoeslag. De hoogte van de huurtoeslag is afhankelijk van het inkomen, het vermogen, de huishoudsamenstelling en de huur. Een- en tweepersoonshuishoudens krijgen boven de 228,62 euro (minimale basishuur) huurtoeslag tot een huur van 424,44 euro. Voor een huur boven dit bedrag wordt 65 procent van de huur tot 607,46 euro vergoed (651,03 euro voor driepersoonshuishoudens of meer). Alleenstaanden of ouderen/hulpbehoevenden krijgen boven deze huur tot een huur van maximaal 720,42 euro vervolgens nog 40 procent vergoed. Voor ouderen is de minimale basishuur enkele euro’s lager. De basishuur is inkomensafhankelijk waardoor de huurtoeslag daalt bij een hoger inkomen. Vanaf een inkomen van 22.700 euro heeft een alleenstaande geen recht meer op huurtoeslag (22.675 euro vanaf AOW-leeftijd). Voor meerpersoonshuishoudens is de inkomensgrens 30.825 euro (30.800 euro vanaf AOW-leeftijd).
De vermogensgrens voor de huurtoeslag van 30.360 euro is strenger dan voor de zorgtoeslag. Kinderopvangtoeslag Kinderopvangtoeslag is een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang. De kinderopvangtoeslag is geregeld in de Wet Kinderopvang. De wet geldt voor dagopvang voor kinderen van 0 tot 4 jaar en buitenschoolse opvang voor basisschoolkinderen. Maar ook voor opvang door ouderparticipatiecrèches of gastouders via een gastouderbureau en voor de peuterspeelzaal. Informele opvang door familie of kennissen valt hier dus niet onder. Om voor kinderopvangtoeslag in aanmerking te komen moet de instelling zijn aangemeld bij het Landelijk Register Kinderopvang. Ook moeten, in het geval van paren, beide ouders werken, tenzij er een re-integratietraject wordt gevolgd. De vergoeding wordt berekend over een maximaal uurtarief van 8,02 euro voor kinderen tot vier jaar (dagopvang) en van 6,89 euro voor kinderen in de basisschoolleeftijd (buitenschoolse opvang). Wanneer iemand per uur meer dan dit bedrag betaalt, ontvangt hij of zij over dit extra deel geen toeslag. Er gelden grenzen voor het totaal aantal uren waarvoor kinderopvangtoeslag aangevraagd kan worden. Kindgebonden budget Iedereen met kinderen jonger dan 18 jaar kan in aanmerking komen voor het kindgebonden budget. Dit is een maandelijkse, inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van kinderen.
Voorwaarde is dat iemand zijn of haar kind ‘in belangrijke mate onderhoudt’.
In 2019 ontvangt iemand met een verzamelinkomen tot 20.941 euro het maximale bedrag aan kindgebonden budget. Na dit inkomen wordt de hoogte van het bedrag geleidelijk afgebouwd. Het bedrag aan kindgebonden budget is afhankelijk van het aantal kinderen en de leeftijd van de kinderen. Voor alleenstaande ouders is dit hoger dan voor paren. Het kindgebonden budget voor het tweede kind is lager dan voor het eerste kind en vanaf het derde kind eveneens lager dan voor het tweede kind. Vanaf 12 jaar is het kindgebonden budget hoger. Kinderbijslag Een ouder heeft recht op kinderbijslag voor thuiswonende eigen kinderen, stiefkinderen tot 18 jaar en soms voor pleegkinderen tot 16 jaar. Kinderbijslag wordt eenmaal per kwartaal uitgekeerd. De bedragen worden in het geval van meerdere kinderen bij elkaar opgeteld. De bedragen voor kinderbijslag zijn afhankelijk van de leeftijd van het kind. De kinderbijslag voor een kind van 12 tot 18 jaar bedraagt 314,24 euro. Voor 6 tot 12 jaar en voor 0 tot 6 jaar is het respectievelijk 267,10 euro en 219,97 euro.
3.2 Lokaal minimabeleid Naast de landelijke inkomensondersteunende maatregelen heeft de gemeente Arnhem voor huishoudens met een laag inkomen ook een lokaal minimabeleid. De regelingen die worden opgenomen in de berekeningen komen in de volgende paragrafen aan bod.
3.2.1 Kwijtscheldingsbeleid De gemeente Arnhem kent een kwijtscheldingsregeling voor de gemeentelijke heffingen. De kwijtscheldingsnorm bedraagt 100 procent van het sociaal minimum. Dat wil zeggen dat, afhankelijk van het vermogen, huishoudens met een inkomen rond het sociaal minimum in principe geen gemeentelijke heffingen hoeven te betalen. Bij een inkomen hierboven wordt wel betalingscapaciteit verondersteld. De beleidsvrijheid ten aanzien van het kwijtscheldingsbeleid wordt bepaald door landelijke regelgeving. Hierbij wordt aan gemeenten de mogelijkheid geboden om rekening te houden met de kosten voor kinderopvang en om voor AOW’ers uit te gaan van de netto AOW in plaats van de bijstandsbedragen. De gemeente Arnhem maakt gebruik van de mogelijkheid om uit te gaan van de verhoogde norm voor AOW’ers, maar houdt geen rekening met de kosten voor kinderopvang bij de bepaling van de betalingscapaciteit. Wel worden de bedragen voor kinderopvangtoeslag en het kindgebonden budget vrijgelaten, dus niet meegeteld als inkomen. Bij het waterschap Rivierenland is kwijtschelding mogelijk voor de zuiveringsheffing en de watersysteemheffing ingezetenen. Bij de berekening van de kwijtschelding hanteert het waterschap, net zoals de gemeente, de norm van 100 procent van de toepasselijke norm. De kwijtschelding van de gemeentelijke heffingen en het waterschap worden apart berekend.
Een toelichting op de berekening van de gemeentelijke heffingen staat in bijlage 1.
3.2.2 Collectieve (aanvullende) zorgverzekering Het verzekeren tegen ziektekosten is voor iedereen wettelijk verplicht. Daarom biedt de gemeente Arnhem inwoners met een laag inkomen een collectieve zorgverzekering aan. Het gaat om de basisverzekering plus een aanvullende verzekering en een tandverzekering. Deelnemers kunnen kiezen uit verschillende pakketten bij zorgverzekeraar Menzis: GarantVerzorgd 1, GarantVerzorgd 2 en GarantVerzorgd 3, aangevuld met een keuze uit drie tandverzekeringen te weten GTV250, GTV 500 en GTV 750. In de meest uitgebreide variant (GarantVerzorgd 3) is tevens het verplichte eigen risico meeverzekerd. Voor dit pakket gelden aanvullende specifieke voorwaarden. 1 In de begrotingen rekenen we met de premie van GarantVerzorgd 2 en de goedkoopste tandartsverzekering (GTV 250). Alleen bij de huishoudens met een zorgvraag wordt gerekend met GarantVerzorgd 3. Omdat bij dit pakket het eigen risico is meeverzekerd, wordt voor het huishouden met een zorgvraag de post “eigen risico” op nul gezet. Voor de huishoudens met GarantVerzorgd 2 rekenen we wel een bedrag voor de reservering van het eigen risico, namelijk 32 euro per maand (385 euro/12). Wij gaan ervan uit dat huishoudens met een laag inkomen voor het eigen risico moeten reserveren, omdat zij dit bedrag (mocht dit onverwachts nodig zijn), niet ‘op de plank zullen hebben liggen’.
De totale premie van GarantVerzorgd 2 (inclusief tandverzekering) bedraagt 143,80 euro per maand. In dit bedrag zijn de collectiviteitskorting en de gemeentelijke bijdrage al verrekend. Voor Garant Verzorgd 3 komt de premie uit op 163,30 euro. Om voor deelname aan de collectieve zorgverkering in aanmerking te komen, hanteert de gemeente Arnhem een inkomensgrens van 120 procent van de toepasselijke bijstandsnorm. Voor GarantVerzorgd 3 ligt de inkomensgrens op 130 procent. De kosten van de premie zijn in de begrotingen opgenomen onder de uitgavepost “zorgverzekering”. De zorgtoeslag die huishoudens ontvangen is in de begrotingen opgenomen bij de inkomsten.
3.2.3 Individuele inkomenstoeslag De individuele inkomenstoeslag in de gemeente Arnhem is bedoeld voor inwoners: ➢ ➢ ➢ ➢ ➢ ➢
tussen de 21 jaar en de AOW-gerechtigde leeftijd; die gedurende een periode van minimaal drie jaar over een inkomen beschikken dat niet hoger is geweest dan 105 procent van de geldende bijstandsnorm; die een vermogen hebben dat niet hoger is dan de in de Participatiewet genoemde vermogensgrenzen; die geen zicht hebben op inkomensverbetering (studenten zijn uitgesloten); die niet gedetineerd zijn op het moment van de aanvraag; die geen maatregel opgelegd hebben gekregen in verband met de arbeidsverplichting gedurende de referteperiode van 36 maanden.
____________________ ➢ ➢ ➢ ➢
De hoogte van de IIT bedraagt voor paren en alleenstaande ouders 375 euro per jaar en voor alleenstaanden 260 euro per jaar. Bij de resultaten van deze rapportage worden de saldi van huishoudens die in aanmerking komen voor de individuele inkomenstoeslag apart gepresenteerd, omdat de IIT niet voor elke inwoner van Arnhem met een laag inkomen geldt.
3.2.4 Vergoeding schoolkosten Voor huishoudens met schoolgaande kinderen (4 tot 18 jaar) en een inkomen niet hoger dan 120 procent van de geldende bijstandsnorm verstrekt de gemeente een bijdrage in de schoolkosten. Voor kinderen in het primair onderwijs is deze bijdrage 40 euro per schooljaar, voor kinderen in het voortgezet onderwijs is dit 70 euro per schooljaar. De scholen ontvangen een bijdrage per kind. Zij kunnen dit inzetten om de schoolkosten van leerlingen te verlagen. Deze vergoedingen worden verrekend met de post “Onderwijs”.
3.2.5 GelrePas De GelrePas is een Arnhems instrument om de maatschappelijke participatie van inwoners met een laag inkomen te bevorderen. Met de pas worden financiële drempels weggenomen of in ieder geval verlaagd, die bij activiteiten op het gebied van sport en cultuur of op sociaal terrein voor inwoners met een laag inkomen kunnen bestaan. De pas is zowel bedoeld voor volwassenen (18+) als voor kinderen van 4 tot 18 jaar. Het betreft een individuele pas. Om voor de GelrePas in aanmerking te komen mag het inkomen niet hoger zijn dan 120 procent van de geldende bijstandsnorm. Voor gezinnen met kinderen van 4 tot en met 17 jaar geldt een inkomensgrens van 130 procent. Het vermogen mag niet hoger zijn dan het wettelijk vrij te laten vermogen. Studenten met studiefinanciering of scholieren met een WTOS-toelagen zijn uitgesloten van het recht op een Gelrepas (zij worden geacht gebruik te kunnen maken van studentenkortingen). De GelrePas kent diverse vergoedingen: Kinderen krijgen op het onderdeel sport 100 procent vergoed tot maximaal 225 euro per jaar. Op het onderdeel cultuur wordt maximaal 405 euro vergoed, voor ten hoogste één cursus/activiteit per jaar. Voor cultuur geldt een eigen bijdrage van 10 procent. Voor volwassenen wordt 50 procent van de jaarcontributie van een sportvereniging vergoed tot maximaal 225 euro per jaar.
Voor cultuur wordt 50 procent van de jaarcontributie vergoed tot maximaal 185 euro euro per jaar. Voor cultuur geldt een eigen bijdrage van 10 procent. Daarnaast zijn er voor kinderen en volwassenen nog diverse andere vergoedingen. Zo zijn er kortingen voor film, theater, musea, etc. Specifiek voor kinderen is er “Ome Joop’s Tour”, waar een vergoeding van 120 euro per kind aan verbonden is. Ook zijn kortingen mogelijk voor zwemabonnementen, cursussen, pasfoto’s en voorzieningen zoals de bibliotheek. Het is lastig om het gebruik van de GelrePas uit te drukken in een bepaald bedrag. Temeer daar kortingen op bijvoorbeeld uitjes ook weer tot extra bestedingen zullen leiden, bijvoorbeeld voor het vervoer er naartoe of versnaperingen ter plaatse.
In overleg met de gemeente Arnhem worden de volgende vergoedingen in de begrotingen doorgerekend: Voor sport en cultuur is in de begrotingen een bedrag opgenomen van 11,50 euro per maand voor kinderen van 4 tot 12 jaar en 17,50 euro per maand voor personen vanaf 12 jaar. Deze bedragen worden in de begroting op nul gezet. Voor vakantie en uitgaan wordt standaard een uitgave opgenomen van 17,50 euro per maand per gezinslid. Vanwege de voordelen van de GelrePas halveren we dit bedrag in de begroting voor Arnhem. (Zie voor de bedragen bijlage 1, onder sociale participatie.)
3.2.6 Particuliere fondsen In de gemeente Arnhem zijn zowel de Stichting Leergeld als het Jeugdfonds Sport en Cultuur actief. Stichting Leergeld De Stichting Leergeld verstrekt (zoveel mogelijk tweedehands) computers, fietsen, fietsreparaties, kosten voor schoolkampen, -excursies en andere schoolactiviteiten. In aanmerking komen in principe kinderen uit gezinnen met een inkomen tot 120 procent van de bijstandsnorm. Computers zijn bedoeld voor kinderen in het voortgezet onderwijs. Wanneer er geen voorzieningen zijn waarop een beroep kan worden gedaan voor het betreffende kind, of wanneer deze voorzieningen niet toereikend zijn, kan aanvullende hulp geboden worden door Leergeld in de vorm van giften in natura (in principe een 2e hands fiets of 2e hands laptop). Direct aan de school dragen zij bij aan de kosten van met name sociale evenementen als schoolkamp en -reis. In overleg met de gemeente worden in de begrotingen de kosten van een laptop en een fiets verrekend voor kinderen op het voortgezet onderwijs. Kinderen op het basisonderwijs kunnen ook in aanmerking komen voor een fiets, wanneer zij meer dan 1,5 kilometer van school wonen. Hier wordt in de begrotingen niet van uitgegaan. Jeugdfonds Sport en Cultuur Het Jeugdfonds Sport en Cultuur vergoedt de contributie voor sport en cultuur voor kinderen die geen gebruik kunnen maken van een GelrePas.
In deze rapportage gaan we ervan uit dat kinderen uit gezinnen met een inkomen tot 130 procent van de geldende bijstandsnorm gebruik (kunnen) maken van de GelrePas. Vergoedingen vanuit het Jeugdfonds worden daarom niet in de begrotingen meegenomen.
3.2.7 Kinderopvang en peuteropvang Op grond van de Wet kinderopvang kunnen ouders van kinderen tot twaalf jaar een tegemoetkoming toegekend krijgen voor de kosten van kinderopvang. Vervolgens resteert een eigen bijdrage voor deze kosten. Voor deze eigen bijdrage kan met de GelrePas een extra korting van 7 euro per maand verkregen worden. Daarnaast krijgen ouders met een inkomen onder 19.433 euro 7 uur van de 14 uur kinderopvang gratis. Een alleenstaande ouder met een inkomen boven bijstandsniveau zal enkele dagen per week werken en dus gebruik maken van de kinderopvang. In deze rapportage wordt bij een inkomen op 110 procent van de bijstandsnorm uitgegaan van 20 uur kinderopvang per week, bij een inkomen op 120 en 130 procent van de norm wordt uitgegaan van 30 uur kinderopvang per week.
Een alleenstaande ouder met een bijstandsuitkering hoeft geen gebruik van de kinderopvang te maken. Wel wordt ervan uitgegaan dat twee maal 7 uur per week gebruik wordt gemaakt van de peuteropvang, waarvan 7 uur gratis. Ook paren zonder werk (met een bijstandsuitkering) of paren waarvan één van beide partners werkt (met een inkomen van 110 tot en met 130 procent van de norm), zullen geen gebruik maken van de kinderopvang, maar van de peuteropvang. Per 1 januari 2018 zijn peuterspeelzalen omgevormd tot kinderdagverblijven. Dit is geregeld in de Wet harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzaalwerk. Hierdoor krijgen sommige ouders die gebruik maken van de peuteropvang recht op kinderopvangtoeslag. Eenverdieners (kostwinnergezin) of werkloze alleenstaande ouders komen niet in aanmerking voor kinderopvangtoeslag. Voor deze ouders geldt in de gemeente Arnhem hetzelfde als voor ouders met recht op kinderopvangtoeslag: bij een inkomen lager dan 19.433 euro krijgen ouders bij minimaal 7 uur peuteropvang, 7 uur gratis. Bovendien is er recht op de extra korting met de GelrePas. De kosten voor kinderopvang en de peuterspeelzaal zijn in de begrotingen opgenomen onder de post “kinderopvang”. De kinderopvangtoeslag (of de vergoeding die door de gemeente wordt verstrekt) is in de begrotingen opgenomen bij de inkomsten.
3.2.8 Individuele bijzondere bijstand De gemeente Arnhem verstrekt voor bijzondere en noodzakelijke kosten individuele bijzondere bijstand. Het inkomen tot 110 procent van de toepasselijke bijstandsnorm wordt niet als draagkracht aangemerkt; van het inkomen daarboven wordt 25 procent als draagkracht aangemerkt. Voor medische kosten geldt dat 25 procent van het inkomen boven 120 procent van de geldende bijstandsnorm als draagkracht wordt bestempeld. Voor bewindvoeringskosten wordt de helft van inkomen boven de bijstandsnorm als draagkracht beschouwd. De individuele bijzondere bijstand wordt in dit onderzoek niet meegenomen omdat deze sterk afhankelijk is van de persoonlijke situatie. Hiervan uitgezonderd zijn de huishoudtypen met een zorgvraag. Bij deze huishoudtypen gaan we uit van een aantal veronderstellingen (zie ook paragraaf 3.3.3). Indien voor een of meer van deze voorzieningen individuele bijzondere bijstand kan worden aangevraagd, wordt dit meegenomen in de begroting. Overige verstrekkingen vanuit de individuele bijzondere bijstand worden, net als bij de andere huishoudtypen, niet meegenomen.
3.2.9 Duurzame gebruiksgoederen Voor het vervangen van duurzame gebruiksgoederen moeten mensen in principe zelf reserveren. Voor deze kosten kunnen huishoudens met een laag inkomen de Individuele Inkomenstoeslag gebruiken. Wanneer er iets onverwachts gebeurt, bijvoorbeeld een scheiding, of als er beslag op het inkomen ligt, dan hebben mensen niet kunnen reserveren. In dit soort gevallen is bijzondere bijstand mogelijk (zie hierboven). Vergoedingen worden verstrekt op basis van een tweedehandsprijslijst. De bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen wordt in dit onderzoek niet meegenomen, omdat dit afhankelijk is van de individuele omstandigheden.
3.3 Huishoudens met een zorgvraag In dit onderzoek worden tevens twee huishoudens met extra zorgkosten onderzocht, namelijk een eenoudergezin en een alleenstaande oudere (AOW-gerechtigd). Hieronder wordt eerst dieper ingegaan op de regelingen van de gemeente Arnhem voor huishoudens met een zorgvraag. Daarna wordt het profiel van dit huishoudtype nader omschreven en wordt bekeken wat het effect van de regelingen is op de maandbegroting van de alleenstaande oudere met een zorgvraag.
3.3.1 Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) De Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) zorgt ervoor dat mensen met een handicap, chronisch zieken en ouderen een zo normaal mogelijk dagelijks leven kunnen leiden. De gemeente bekijkt of hulp nodig is en waarmee iemand het beste is geholpen. Iedere gemeente regelt dit op zijn eigen manier. Naast algemene taken, zoals het vergroten van de leefbaarheid in de gemeente, heeft de gemeente op basis van de Wmo de volgende taken: ➢ ondersteuning van mensen met een lichamelijke, psychische of verstandelijke beperking zodat zij mee kunnen doen aan de samenleving, bijvoorbeeld door begeleiding, zinvolle daginvulling, huishoudelijke verzorging, woningaanpassing, vervoer of een rolstoel; ➢ ondersteuning van mantelzorgers en vrijwilligers, bijvoorbeeld door trainingen, of ondersteuning in het geval dat de mantelzorger ziek is.
3.3.2 Collectieve zorgverzekering Zoals in paragraaf 3.2.2 staat beschreven, kent de gemeente Arnhem een uitgebreide collectieve zorgverzekering waar huishoudens met extra zorgkosten veel profijt van kunnen hebben: GarantVerzorgd 3. Via dit pakket is onder meer het verplicht eigen risico van 385 euro per jaar meeverzekerd, evenals de eigen bijdrage voor Wmo maatwerkvoorzieningen (tot een bedrag van 300 euro per jaar). Voor dit pakket gelden aanvullende specifieke voorwaarden.
3.3.3 Tegemoetkoming Meerkosten Chronisch Zieken en Gehandicapten De tegemoetkoming meerkosten voor chronisch zieken en gehandicapten (TM-CZG) is een gemeentelijke bijdrage van maximaal 155 euro per jaar, om indirecte zorgkosten te compenseren die niet op een andere manier worden vergoed. De TM-CZG is bedoeld voor een inwoner die: o een (gezamenlijk) inkomen heeft tot maximaal 150 procent van het sociaal minimum én o een vermogen heeft tot maximaal 10.000 euro voor alleenstaanden en 20.000 euro voor alleenstaande ouders en gehuwden én o het afgelopen jaar het volledig eigen risico voor de zorgverzekering heeft betaald én o het lopende jaar een eigen bijdrage betaalt aan het CAK voor Wmo hulpmiddelen of zorg thuis.
In deze rapportage gaan we er vanuit dat de huishoudens met een zorgvraag aan de voorwaarden voldoen en dus voor de bijdrage in aanmerking komen. In de begrotingen is deze tegemoetkoming opgenomen bij de inkomsten. 3.3.4 Uitgangspunten huishoudens met zorgvraag Om de begrotingen voor huishoudens met een zorgvraag op te maken, moeten zogenoemde zorgprofielen worden opgesteld. Vervolgens kan bepaald worden welke extra kosten dit huishoudens heeft, en welke vergoedingen daar tegenover staan. De profielen zijn opgesteld door het Nibud, in samenspraak met Ieder(In) 2. Voor de alleenstaande vanaf de AOW-gerechtigde leeftijd geldt het volgende zorgprofiel: • Hartklachten • Bril • Gehoorapparaat • Rollator • Een medicijn dat door (aanvullende) zorgverzekering vergoed wordt • Lichte vorm van incontinentie • Maakt gebruik van de maaltijdvoorziening • 3 uur huishoudelijke verzorging per week • 14 uur persoonlijke verzorging per week • 4 uur verpleging per week • Personenalarmering • Gebruik belbus/collectief vervoer • Woningaanpassing (drempels weg, verhoogde wc) Het profiel voor de alleenstaande onder de AOW-gerechtigde leeftijd ziet er als volgt uit: • Stofwisselingsziekte • Longproblemen • Hoog medicijngebruik (deels eigen bijdrage voor betalen) • Rolstoelgebonden • 2 uur huishoudelijke verzorging per week • 12 uur persoonlijke verzorging per week • 4 uur verpleging per week •
Woningaanpassing (drempels weg, verhoogde WC) • Personenalarmering • Gebruik belbus / collectief vervoer Gezien het bovenstaande, zal de begroting van de huishoudens met een zorgvraag op diverse punten afwijken van de standaardbegrotingen: •
De huishoudelijke verzorging is in de gemeente Arnhem mogelijk als een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening. Veruit het grootste deel (85 procent) heeft de huishoudelijke verzorging als een maatwerkvoorziening. Hiervoor betaalt de inwoner een inkomensafhankelijke eigen bijdrage. De eigen bijdrage Wmo is 17,50 euro per vier weken (19 euro per maand), ongeacht het inkomen. De eigen bijdrage wordt betaald vanuit de collectieve zorgverzekering die de gemeente aanbiedt. Er komen daarom geen meerkosten bij voor de huishoudelijke verzorging. ____________________
•
De persoonlijke verzorging en verpleging vallen in het basispakket van de zorgverzekering. Hiervoor komen er dus geen extra kosten bij.
•
De maaltijdvoorziening zorgt voor meerkosten ten opzichte van de situatie waarin de warme maaltijd zelf wordt bereid. De kosten voor een warme maaltijd, bedragen gemiddeld 5,65 euro per maaltijd. Dit is een gemiddelde tussen versmaaltijden en vriesmaaltijden. Voor inwoners die vanwege sociaal-medische redenen niet in staat zijn om zelf een maaltijd te bereiden en die in het bezit zijn van een GelrePas is een vergoeding mogelijk van 2,50 euro op de hoofdmaaltijd. Volgens de Nibud Prijzengids kost een warme maaltijd voor personen van 70 jaar en ouder 2,14 euro per persoon. De meerkosten voor een warme maaltijd bedragen dus 5,65 euro minus 2,14 euro is 3,51. Inwoners met een GelrePas hebben, na aftrek van de vergoeding van 2,50 euro, meerkosten van 1,01 euro per maaltijd. Uitgaande van vijf maaltijden per week, zijn de meerkosten 76,05 euro per maand. Inclusief de korting met de GelrePas wordt dit 21,88 euro per maand. De meerkosten voor de maaltijdvoorziening van de alleenstaande oudere met een zorgvraag zijn in de begrotingen opgenomen onder de post “voeding”.
•
Het huishouden met een zorgvraag maakt gebruik van aanvullend vervoer. In de gemeente Arnhem gelden hiervoor de volgende tarieven: Tarieven Wmo met korting Wmo zonder korting
Opstaptarief € 0,95 € 3,15
Km-tarief € 0,17 € 0,49
Inwoners krijgen een Avan-pas vanuit de wmo met een kilometerbudget. Dan geldt het bovenste tarief. Boven dat budget geldt het onderste tarief. De hoogte van het kilometerbudget is afhankelijk van de vervoersbehoefte van de de inwoners. In het algemeen komt dit neer op 1.500 kilometer per jaar. Dit wordt minder als er ook een andere vervoersvoorziening wordt ingezet, zoals bijvoorbeeld een scootmobiel. In de begrotingen wordt gerekend met vier ritten per maand van 5 kilometer enkele reis, wat neerkomt op 14,40 euro per maand. Daarnaast rekenen we een aantal langere reizen voor bijvoorbeeld het bezoeken van een specialist. Daarbij gaan we uit van 4 ritten per jaar van 50 kilometer enkele reis. Omgerekend per maand gaat dit om een bedrag van 6,30 euro. Totaal gaat het dus om een bedrag van 20,70 euro per maand aan extra vervoerskosten vanwege zorg. Verder gaan we ervan uit dat er geen gebruik wordt gemaakt van de fiets; deze kosten (8,84 euro per maand) zijn daarom uit de begroting van de betreffende huishoudens gehaald. De extra vervoerskosten zijn opgenomen onder de post “vervoer”. •
Voor de extra waskosten in verband met incontinentie gaan we uit van twee keer per week extra wassen, wat neerkomt op 10 euro per maand. Deze kosten worden vergoed vanuit de Wmo (maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp). In de begrotingen komen er daarom geen kosten bij.
•
Voor de eigen bijdrage voor medicijnen voor het huishouden onder de AOWgerechtigde leeftijd (eenoudergezin) rekenen we 200 euro op jaarbasis. Dit bedrag is door het Nibud en Ieder(in) vastgesteld in eerder onderzoek. De kosten worden verrekend met de uitgavenpost “eigen bijdragen, betalingen zorg”.
•
De kosten voor een woningaanpassing (drempels weg, verhoogde wc), die vanuit de Wmo wordt toegekend, worden doorgegeven aan het CAK voor de inning van de eigen bijdrage. Het CAK berekent aan de hand van het inkomen en vermogen wat dan de eigen bijdrage wordt en de periode waarover men moet betalen. Deze eigen bijdrage wordt vergoed vanuit de collectieve zorgverzekering. Er komen in de begroting dus geen extra kosten bij.
•
De kosten voor de personenalarmering worden volledig vanuit de aanvullende zorgverzekering vergoed. In de begrotingen komt er daarom geen bedrag meer bij.
•
Naast bovengenoemde zorgkosten rekenen we nog acht euro per maand voor attentiekosten voor hulp van buren, vrienden, etc. Deze kosten zijn opgenomen onder de post “eigen bijdragen/betalingen zorg”.
De bovenstaande kosten en bijbehorende vergoedingen hebben betrekking op de zorgprofielen die als uitgangspunt voor deze minima-effectrapportage zijn gekozen. Uiteraard zal het zorgprofiel per individu verschillend zijn en daarmee zullen er dus ook verschillende kosten zijn. In de gehanteerde zorgprofielen wordt bijvoorbeeld uitgegaan van een eigen bijdrage voor huishoudelijke verzorging. Echter, ook dagbesteding en persoonlijke begeleiding vallen onder de Wmo en ook hiervoor is een eigen bijdrage verschuldigd. Dit is niet in de begrotingen meegenomen, omdat de gekozen zorgprofielen hier niet om vragen.
4 Resultaten
4.1 Saldo inkomsten min uitgaven Dit hoofdstuk bevat de resultaten van het onderzoek. Een en ander wordt schematisch weergegeven in tabel 1 op de volgende pagina. De tabel bevat per voorbeeldhuishouden een overzicht van het saldo van inkomsten min uitgaven bij verschillende inkomensniveaus. Achtereenvolgens is het saldo weergegeven nadat: • • • •
alleen de uitgaven uit het basispakket zijn gedaan; zowel de uitgaven uit het basispakket als voor sociale participatie zijn gedaan; alleen de uitgaven uit het basispakket zijn gedaan, rekening houdend met de Individuele Inkomenstoeslag (IIT); zowel de uitgaven uit het basispakket als voor sociale participatie zijn gedaan, rekening houdend met de Individuele Inkomenstoeslag (IIT).
Verder is de volgende codering weergegeven: Een negatief saldo op de maandbegroting is in rood weergegeven; • Als een hoger inkomen leidt tot minder bestedingsruimte dan is dit bij het betreffende inkomensniveau aangegeven met een pijltje. • Een rood pijltje betekent een armoedeval ten opzichte van de situatie met een bijstandsuitkering (uitstroomval/werkloosheidsval). • Een grijs pijltje betekent een armoedeval ten opzichte van het voorliggende inkomensniveau (doorstroomval). Het kan voorkomen dat een huishouden op een bepaald inkomensniveau te maken heeft met zowel een doorstroom- als een uitstroomval. In dat geval kleurt het pijltje rood. Uit de tabel valt af te lezen dat er voor een alleenstaande met een bijstandsuitkering 74 euro per maand resteert nadat alle uitgaven uit het basispakket zijn gedaan. Als naast de uitgaven uit het basispakket ook alle uitgaven aan sociale participatie zijn gedaan, dan is er een bestedingsruimte van 7 euro. Hierbij is rekening gehouden met alle landelijke en lokale inkomensondersteunende maatregelen.
Tabel 1. Overzicht saldo inkomsten min uitgaven per maand a. Alleenstaande
100% 110% 120% 130%
€ € € €
saldo na basispakket 74 75 178 243
saldo na basispakket en participatie € 7 € 8 € 111 € 149
saldo na basispakket 259 261 341 403
saldo na basispakket en participatie € 192 € 194 € 274 € 309
saldo na basispakket 95 75 178 243
inclusief inkomenstoeslag saldo na basispakket en participatie € 28 € 8 € 111 € 149
saldo na basispakket
inclusief inkomenstoeslag saldo na basispakket en participatie
€ € € €
saldo na basispakket 406 412 457 543
inclusief inkomenstoeslag saldo na basispakket en participatie € 282 € 289 € 334 € 419
€ € € €
saldo na basispakket 254 260 313 376
inclusief inkomenstoeslag saldo na basispakket en participatie € 126 € 132 € 185 € 248
€ € € €
saldo na basispakket 136 136 212 244
inclusief inkomenstoeslag saldo na basispakket en participatie € 39 € 39 € 114 € 94
€ € € €
saldo na basispakket 235 238 295 298
inclusief inkomenstoeslag saldo na basispakket en participatie € 81 € 84 € 141 € 145
€ € € €
saldo na basispakket 108 111 167 151
inclusief inkomenstoeslag saldo na basispakket en participatie € -50 € -47 € 9 € -7
€ € € €
saldo na basispakket 219 225 277 293
inclusief inkomenstoeslag saldo na basispakket en participatie € 91 € 97 € 150 € 165
saldo na basispakket
inclusief inkomenstoeslag saldo na basispakket en participatie
€ € € €
b. Alleenstaande oudere
100% 110% 120% 130%
€ € € €
c. Eenoudergezin met 2 jonge kinderen 3 & 5 jaar saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 100% € 374 € 251 110% € 412 € 289 120% € 457 € 334 130% € 543 € 419 d. Eenoudergezin met 2 oudere kinderen 12 & 16 jaar saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 100% € 222 € 95 110% € 260 € 132 120% € 313 € 185 130% € 376 € 248 e. Paar zonder kinderen saldo na basispakket 105 136 212 244
saldo na basispakket en participatie € 7 € 39 € 114 € 94
f. Paar met 2 jonge kinderen 3 & 5 jaar saldo na basispakket 100% € 203 110% € 238 120% € 295 130% € 298
saldo na basispakket en participatie € 50 € 84 € 141 € 145
g. Paar met 2 oudere kinderen 12 & 16 jaar saldo na basispakket 100% € 77 110% € 111 120% € 167 130% € 151
saldo na basispakket en participatie € -82 € -47 € 9 € -7
100% 110% 120% 130%
€ € € €
h. Eenoudergezin met 2 oudere kinderen met zorgvraag saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 100% € 187 € 59 110% € 225 € 97 120% € 277 € 150 130% € 293 € 165 i. Alleenstaande oudere met zorgvraag saldo na basispakket 100% € 223 110% € 225 120% € 304 130% € 318
saldo na basispakket en participatie € 156 € 158 € 237 € 225
4.2 Tekorten en armoedevallen Tekorten Uit tabel 1 blijkt dat in de gemeente Arnhem, na bekostiging van het basispakket, geen enkel huishouden een tekort op de begroting heeft. Als ook de uitgaven voor sociale participatie zijn gedaan, dan heeft het paar met twee oudere kinderen een tekort op bijstandsniveau van 82 euro. Op 110 procent is er een tekort van 47 euro. Bij een inkomen op 120 procent van de geldende bijstandsnorm wordt het saldo positief (9 euro), maar op 130 procent ontstaat weer een tekort van 7 euro. Een belangrijke oorzaak van deze tekorten ligt in het feit dat een paar de kosten van twee volwassenen moet dragen, zoals de kosten van de zorgverzekering, kleding en voeding. Daar komen de kosten voor de oudere kinderen nog bij, die hoger liggen dan de uitgaven voor jonge kinderen. Deze combinatie maakt dit huishoudtype financieel zeer kwetsbaar. Als ook naar de IIT wordt gekeken, dan blijven de bovengenoemde tekorten bestaan. Op bijstandsniveau wordt het tekort wel kleiner, namelijk 50 euro per maand. Bij een inkomen hoger dan 105 procent, is er geen recht meer op IIT. De tekorten boven dit niveau blijven dus gelijk. De overige onderzochte huishoudtypen kunnen de maandbegroting wel rond krijgen.
Hierbij moet de kanttekening worden geplaatst dat een alleenstaande met een bijstandsuitkering slechts 7 euro per maand overhoudt, als ook de kosten voor sociale participatie zijn gedaan. Op 110 procent is dit 8 euro. Ook bij paren zonder kinderen is de bestedingsruimte klein: 7 euro op bijstandsniveau en 39 euro op 110 procent van de geldende norm. Deze overschotten zijn niet groot. Als een individueel huishouden te maken heeft met persoonlijk onvermijdbare uitgaven (zie paragraaf 2.3) kan dit leiden tot een tekort. Uitstroomval Een uitstroomval ontstaat als een huishouden op een bepaald inkomensniveau minder overhoudt dan op bijstandsniveau. In de gemeente Arnhem doet dit zich voor bij een alleenstaande die in aanmerking komt voor IIT. Het besteedbaar inkomen op bijstandsniveau, verhoogd met de IIT, ligt hoger dan het besteedbaar inkomen op 110 procent van de norm. Zonder recht op IIT is de bestedingsruimte op 110 procent wel hoger dan op bijstandsniveau, maar dit scheelt maar één euro. Dat de bestedingsruimte niet evenredig toeneemt wordt veroorzaakt door het feit dat een alleenstaande met een inkomen op 110 procent van de geldende bijstandsnorm geen recht meer heeft op kwijtschelding van lokale lasten. Daarnaast zijn er op 110 procent extra uitgaven voor de kosten van woonwerkverkeer.
Hierdoor blijft er op 110 procent onderaan de streep slechts één euro meer over dan op bijstandsniveau. Ontvangt een alleenstaande ook IIT op bijstandsniveau, dan is de bestedingsruimte op 110 procent zelfs lager dan op 100 procent. Doorstroomval Van een doorstroomval is sprake als een huishouden op een bepaald inkomensniveau minder overhoudt dan op het voorliggende, lagere inkomensniveau. In deze rapportage zien we een doorstroomval bij het paar zonder kinderen en bij het paar met twee oudere kinderen op 130 procent van de geldende bijstandsnorm.
Met andere woorden, als deze huishoudens met een inkomen op 120 procent op een gegeven moment meer gaan verdienen en uitkomen op een inkomen van 130 procent van de bijstandsnorm, is er op dat moment minder bestedingsruimte dan in de situatie waarin het inkomen nog 120 procent was. Bij het paar zonder kinderen doet de doorstroomval zich nog niet voor wanneer alleen de uitgaven uit het basispakket zijn gedaan. Pas als ook de uitgaven voor sociale participatie zijn gedaan ontstaat een doorstroomval. Wel zien we dat, na invulling van alleen het basispakket, de bestedingsruimte niet evenredig toeneemt. Dit wordt veroorzaakt door de afbouw van landelijke toeslagen (zorgtoeslag en huurtoeslag) en door het wegvallen van het recht op de collectieve zorgverzekering. Deze factoren leiden nog niet tot een armoedeval. Als ook de kosten voor sociale participatie worden meengenomen wordt wel een armoedeval zichtbaar, veroorzaakt door het wegvallen van de voordelen van de GelrePas. Bij het paar met oudere kinderen wordt de doorstroomval op 130 procent al zichtbaar na invulling van het basispakket. Net als bij het paar zonder kinderen is sprake van afbouw van landelijke toeslagen. Naast de zorg- en de huurtoeslag, neemt ook het kindgebonden budget af.
Bovendien nemen de kosten voor onderwijs toe, omdat de vergoeding schoolkosten en de vergoedingen vanuit de Stichting Leergeld op 130 procent komen te vervallen. Wanneer ook naar de uitgaven voor sociale participatie wordt gekeken, wordt de doorstroomval niet groter, aangezien de inkomensgrens voor de GelrePas voor gezinnen met kinderen op 130 procent ligt. Behalve bij bovengenoemde paren, is ook een armoedeval zichtbaar bij de alleenstaande oudere met een zorgvraag op 130 procent. Formeel spreken we bij ouderen niet van een armoedeval omdat deze gewoonlijk geen inkomensstijging meemaken. Toch kan er bij hen ook sprake zijn van een geringere bestedingsmogelijkheid bij een hoger inkomen. Als alleen naar de bestedingen in het basispakket wordt gekeken, is er nog geen sprake van een doorstroomval. Wel zien we dat de kosten voor voeding toenemen, vanwege het gebruik van de maaltijdvoorziening. Tot 120 procent is via de GelrePas een vergoeding van 2,50 euro op de hoofdmaaltijd mogelijk. Op 130 procent is geen recht meer op de GelrePas en betaalt de oudere de meerkosten van de maaltijdvoorziening zelf. Deze extra kosten leiden echter nog niet tot een doorstroomval. Als ook de kosten voor sociale participatie toenemen (onder andere door het wegvallen van de voordelen van de GelrePas), wordt wel een doorstroomval zichtbaar.
4.3 Resultaten bij 140 procent De gemeente Arnhem kent een breed pallet aan inkomensondersteunende maatregelen voor inwoners met een laag inkomen. Dat beleid kent een bepaalde inkomensgrens, waarboven er geen recht meer is op financiële ondersteuning. Dat kan ertoe leiden dat er bij een inkomensniveau net boven die inkomensgrens zich een armoedeval voordoet. Die armoedeval verschilt per huishouden en hangt af van het gebruik van inkomensondersteuning.
In de gemeente Arnhem lopen veel inkomensondersteunende regelingen door tot een inkomensniveau van 120 procent. Dit leidt in sommige gevallen tot een doorstroomval op 130 procent (zie paragraaf 4.2). Echter, de inkomensgrens voor de GelrePas loopt voor gezinnen met kinderen van 4 tot en met 17 jaar door tot 130 procent. Daarom is voor de huishoudtypen met kinderen tevens gekeken wat er gebeurt bij een inkomensniveau van 140 procent. De uitkomsten hiervan staan weergegeven in tabel 2.
Tabel 2. Overzicht saldo inkomsten min uitgaven per maand, inclusief 140 procent bij gezinnen met kinderen c. Eenoudergezin met 2 jonge kinderen 3 & 5 jaar saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 100% € 374 € 251 110% € 412 € 289 120% € 457 € 334 130% € 543 € 419 140% € 646 € 467 d. Eenoudergezin met 2 oudere kinderen 12 & 16 jaar saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 100% € 222 € 95 110% € 260 € 132 120% € 313 € 185 130% € 376 € 248 140% € 479 € 272 f. Paar met 2 jonge kinderen 3 & 5 jaar saldo na basispakket 100% € 203 110% € 238 120% € 295 130% € 298 140% € 311
saldo na basispakket en participatie € 50 € 84 € 141 € 145 € 76
g. Paar met 2 oudere kinderen 12 & 16 jaar saldo na basispakket 100% € 77 110% € 111 120% € 167 130% € 151 140% € 173
saldo na basispakket en participatie € -82 € -47 € 9 € -7 € -90
h. Eenoudergezin met 2 oudere kinderen met zorgvraag saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 100% € 187 € 59 110% € 225 € 97 120% € 277 € 150 130% € 293 € 165 140% € 439 € 232
€ € € € €
saldo na basispakket 406 412 457 543 646
inclusief inkomenstoeslag saldo na basispakket en participatie € 282 € 289 € 334 € 419 € 467
€ € € € €
saldo na basispakket 254 260 313 376 479
inclusief inkomenstoeslag saldo na basispakket en participatie € 126 € 132 € 185 € 248 € 272
€ € € € €
saldo na basispakket 235 238 295 298 311
inclusief inkomenstoeslag saldo na basispakket en participatie € 81 € 84 € 141 € 145 € 76
€ € € € €
saldo na basispakket 108 111 167 151 173
inclusief inkomenstoeslag saldo na basispakket en participatie € -50 € -47 € 9 € -7 € -90
€ € € € €
saldo na basispakket 219 225 277 293 439
inclusief inkomenstoeslag saldo na basispakket en participatie € 91 € 97 € 150 € 165 € 232
Uit de tabel valt af te lezen dat bij eenoudergezinnen geen armoedeval zichtbaar wordt op 140 procent als gevolg van hetwegvallen van de voordelen van de GelrePas. Bij paren met kinderen is wel een doorstroomval zichtbaar. Paren met jonge kinderen houden bij een inkomen van 140 procent van de geldende bijstandsnorm minder over dan op 130 procent, 120 procent en 110 procent. Komt dit paar ook in aanmerking voor IIT (bij een inkomen op bijstandsniveau), dan is het saldo op 140 procent zelfs lager dan op 100 procent en is er behalve van een doorstroomval ook sprake van een uitstroomval. Het saldo blijft wel in alle gevallen positief. Voor paren met oudere kinderen is het beeld negatiever. Wanneer het recht op de GelrePas vervalt, ontstaat op 140 procent een tekort van 90 euro. Dat tekort is zelfs nog groter dan op bijstandsniveau. Overigens is dit niet alleen toe te schrijven aan het wegvallen van de voordelen van de GelrePas. Ook de verdere afbouw van landelijke toeslagen draagt bij aan de uitstroomval op 140 procent.
5 Conclusies en aanbevelingen Dit hoofdstuk bevat, naar aanleiding van de resultaten in het vorige hoofdstuk, de conclusies. Daarnaast worden er verschillende adviezen gegeven voor de aanpassing van regelingen in het kader van het minimabeleid van de gemeente Arnhem.
5.1 Conclusies Welke huishoudens hebben het moeilijk? Bijna alle onderzochte huishoudtypen kunnen zowel de kosten van het basispakket als de kosten van sociale participatie betalen. De enige uitzondering is het paar met oudere kinderen. Paren met twee oudere kinderen kunnen op bijna alle onderzochte inkomensniveaus de kosten voor sociale participatie niet bekostigen. Alleen op 120 procent is er een (klein) positief saldo. De belangrijkste oorzaak van deze tekorten ligt in het feit dat paren de kosten voor twee volwassenen moeten dragen. Ter vergelijking, een eenoudergezin ontvangt 70 procent van de norm voor een paar plus de alleenstaande ouderkop vanuit het kindgebonden budget, wat samen neerkomt op ongeveer 90 procent van de norm. De extra inkomsten voor paren (van ongeveer 10 procent) ten opzichte van het eenoudergezin wegen vaak niet op tegen de kosten voor een extra volwassene aan bijvoorbeeld voeding, kleding en de zorgverzekering. Daarnaast drukken met name oudere kinderen sterk op de begroting. Deze kosten worden niet volledig gecompenseerd door (leeftijdsafhankelijke) kindgebonden toeslagen. Bovengenoemde factoren vinden hun oorsprong in het Rijksbeleid. Gemeenten kunnen via het eigen beleid trachten de gevolgen hiervan te repareren.
De gemeente Arnhem kent al een aantal inkomensondersteunende regelingen om de bestedingsruimte voor paren met kinderen te verruimen, zoals een gunstige collectieve zorgverzekering, de vergoeding schoolkosten en de GelrePas. Desondanks kunnen paren met oudere kinderen de begroting niet rond krijgen op bijna alle onderzochte inkomensniveaus. Alleenstaanden onder de AOW-gerechtigde leeftijd kunnen de begroting wel rond krijgen, maar de bestedingsruimte op 100 en 110 procent is klein. Als dit huishouden met extra (onvermijdbare) kosten te maken krijgt, kan dit al snel leiden tot een tekort. Hetzelfde geldt voor paren zonder kinderen.
Welke huishoudens kennen armoedevallen? In de gemeente Arnhem hebben paren zonder kinderen en paren met oudere kinderen te maken met een doorstroomval op 130 procent. Paren met kinderen hebben (ook) te maken met een armoedeval op 140 procent. Voor paren met oudere kinderen gaat het niet alleen om een doorstroomval, maar ook om een uitstroomval.
5.2 Aanbevelingen Verminder niet-gebruik regelingen De gemeente Arnhem kent een ruimhartig minimabeleid: bijna alle onderzochte huishoudtypen kunnen de maandbegroting rond krijgen, met uitzondering van het paar met oudere kinderen. Hierbij moet de gemeente het volgende goed in het oog houden. In de berekeningen is ervan uitgegaan dat alle aanspraken op landelijke en lokale regelingen zijn aangevraagd. Dat is echter niet voor ieder huishouden een vanzelfsprekendheid 3. De gemeente Arnhem kan het gebruik van landelijke en lokale regelingen stimuleren door hieraan publiciteit te geven en de toegang tot deze regelingen te vereenvoudigen. Een instrument dat in de gemeente Arnhem wordt ingezet is “berekenuwrecht” . Hiermee worden bewoners gewezen op alle mogelijkheden die er zijn. Ook voorlichting door intermediairs is vaak doeltreffend. Het is daarbij belangrijk dat de intermediairs bekend zijn met alle regelingen die de gemeente Arnhem te bieden heeft en dat zij ook continu op de hoogte worden gebracht van veranderingen in inkomensondersteunende maatregelen. Stimuleer goed financieel beheer Om rond te kunnen komen van een minimuminkomen is een goed financieel beheer van het huishouden noodzakelijk. Men reserveert om zo nodig grote uitgaven te kunnen doen voor de vervanging van inventaris.
We gaan ervan uit dat het huishouden niet leent, zodat er niet nog extra kosten van rente en aflossing bijkomen. Veel huishoudens die van een minimum inkomen moeten rondkomen, voeren een goed financieel beheer, maar een deel ook niet. Voor deze huishoudens is het aan te bevelen cursussen of begeleiding te organiseren. Help energielasten verlagen Het is te verwachten dat de energielasten een groter deel van de woonlasten en daarmee van de totale begroting van minima gaan innemen. Daarnaast blijkt uit onderzoek dat juist minima vaak in minder goed geïsoleerde woningen wonen, waardoor ze ook een hoger verbruik dan gemiddeld hebben. Ook de toekomstige energietransitie zal de nodige kosten met zich meebrengen. Voor bewoners van een huurwoning is nog onduidelijk of de woningbouwcorporaties dit gaan doorberekenen aan hun huurders. Het Nibud adviseert de gemeente hier aandacht voor te hebben. Huishoudens met een laag inkomen zouden hulp van energieadviseurs of gratis/ goedkope energieboxen aangeboden kunnen krijgen. Producten zoals ledlampen en isolatiefolies, waarvan de aanschafkosten voor deze doelgroep vaak te hoog zijn, terwijl ze een snelle terugverdientijd hebben, zijn dan het meest effectief. In de gemeente Arnhem lopen al verschillende pilots op dit gebied (zoals de inzet van energiecoaches).
Houd bij de berekening van de kwijtschelding rekening met overige belastingen Om voor kwijtschelding van gemeentelijke heffingen en waterschapslasten in aanmerking te komen hanteren zowel de gemeente als het waterschap een kwijtscheldingsnorm van 100 procent. Dit is hoger dan de wettelijk voorgeschreven norm van 90 procent.
____________________
Voor beide (gemeente en waterschap) wordt de betalingscapaciteit apart berekend. Hiermee wordt er van uitgegaan dat het huishouden twee maal over de betalingscapaciteit beschikt, wat uiteraard niet zo is. De gemeente heeft de mogelijkheid de betalingscapaciteit op een andere wijze te berekenen: de regelgeving (Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990, URIW 1990) is zodanig dat bij de berekening van de betalingscapaciteit rekening kan worden gehouden met meerdere belastingaanslagen.4 Overweeg het meest uitgebreide pakket van de collectieve zorgverzekering open te stellen voor alle minima De gemeente Arnhem biedt inwoners met een laag inkomen (tot en met een inkomen van 120/130 procent van de geldende bijstandsnorm) een collectieve zorgverzekering aan. Het gaat om de basisverzekering plus een aanvullend pakket en een tandverzekering. Deelnemers zijn met deze verzekering uitgebreider verzekerd dan huishoudens met een gemiddelde zorgverzekering. Door deze uitgebreide verzekering zal het beroep op de bijzondere bijstand lager zijn, wat gunstig uitpakt voor de (uitvoerings)kosten van de gemeente. Ook deelnemers aan de collectieve verzekering zijn beter af: zij krijgen een uitgebreid pakket aan medische kosten vergoed. Bovendien is in de meest uitgebreide variant (GarantVerzorgd 3) tevens het verplichte eigen risico meeverzekerd.
Steeds vaker ontvangen belangengroeperingen signalen dat huishoudens zorg mijden, zodat zij hun eigen risico niet hoeven aan te spreken. Dit is een onwenselijke situatie. Het is daarom positief dat de gemeente Arnhem een pakket aanbiedt waarin het eigen risico is meeverzekerd. Voor dit uitgebreide pakket gelden echter aanvullende specifieke voorwaarden. De gemeente zou kunnen overwegen het pakket aan te bieden aan alle inwoners met een minimuminkomen. Hierbij is het voor de gemeente van belang dat de kosten van de aanboden pakketten in balans zijn: de gemeentelijke bijdrage voor het pakket met afgekocht eigen risico moet niet veel hoger zijn dan de bijdrage voor de goedkopere verzekering, waardoor het voor (bijna) alle huishoudens aantrekkelijk wordt om het eigen risico mee te verzekeren, ongeacht de verwachting die men hierover heeft. Dit leidt tot onnodige hoge kosten voor de gemeente. In de ideale situatie ontstaat een soort zelfregulerend systeem, waarbij juist de huishoudens die veel zorg (denken) nodig (te) hebben, zullen kiezen voor een pakket met afgekocht eigen risico en de overige huishoudens niet. Overweeg een ongedeeld budget voor de kosten van kinderen De gemeente Arnhem zet sterk in op vergoeding van kosten van kinderen.
Zo zijn er diverse vergoedingen vanuit de GelrePas, een vergoeding voor schoolkosten en de mogelijkheden die worden geboden door Stichting Leergeld en het Jeugdfonds Sport en Cultuur. Om het gevoel van bestedingsvrijheid voor huishoudens te vergroten, zou de gemeente kunnen werken met een ongedeeld budget voor zowel schoolkosten als kosten voor maatschappelijke participatie. Dit zou de gemeente bijvoorbeeld kunnen realiseren, door via de GelrePas een vrij besteedbaar budget beschikbaar te stellen. In een dergelijke situatie zijn huishoudens vrij in de keuze in welke mate zij de tegemoetkomingen willen besteden aan schoolkosten en in welke mate aan sport- en culturele activiteiten.
____________________
Behalve dat een ongedeeld budget de bestedingsvrijheid vergroot, kan dit ook het nietgebruik tegengaan. Teveel verschillende losse regelingen kan het voor inwoners onoverzichtelijk maken, met als ongewenst effect dat een groep huishoudens onterecht geen gebruik maakt van de mogelijkheden die er zijn. Differentieer de individuele inkomenstoeslag In de gemeente Arnhem kunnen huishoudens onder de AOW-gerechtigde leeftijd, die gedurende minimaal drie jaar een inkomen ontvangen van maximaal 105 procent van de geldende bijstandsnorm, in aanmerking komen voor een individuele inkomenstoeslag. De tegemoetkoming heeft een gunstig effect op de bestedingsruimte van huishoudens die langdurig van een laag inkomen moeten rondkomen. Huishoudens met een laag inkomen en zeker de huishoudens die niet alle overmijdbare uitgaven plus de uitgaven voor sociale participatie kunnen bekostigen (zie tabel 1), zullen als eerste bezuinigen op de reserveringsuitgaven, omdat deze niet elke maand terugkomen. Dit is een onwenselijke situatie; wanneer dit huishouden dan plotseling voor een grote uitgave komt te staan, zal het schulden moeten gaan maken. Het Nibud adviseert daarom om de regeling in stand te houden. De hoogte van de IIT bedraagt voor paren een alleenstaande ouders 375 euro per jaar en voor alleenstaanden 260 euro per jaar.