Agendabundel
Tekst van het document
4
Watergebonden bedrijvigheid komt voor binnen meerdere werkmilieus en is derhalve niet als apart werkmilieu benoemd.
Concept Regionaal Programma Werklocaties regio Arnhem-Nijmegen
17
duurzaamheid en een ontspannen leefkwaliteit. Om de balans tussen die waarden en groei te waarborgen werkt de regio vanuit drie uitdagingen, waarin -
behoud van de identiteit van de regio,
-
de ontwikkeling van het stedelijk netwerk met daarin een belangrijke rol voor de topsectoren energy, food en health & hightech, en
-
de koers naar een veerkrachtige regio voor energie en klimaat, met een brede inzet op circulariteit, centraal staan.
Vanuit die drie uitdagingen wordt vanuit een opgavegerichte samenwerking gewerkt aan een vijftal opgaven die gericht zijn op kwalitatieve groei, circulaire duurzaamheid en een goede balans met behoud en versterking van de bijzondere leefomgeving die de regio typeert. Het RPW sluit aan op de opgave Productieve regio. In paragraaf 2.3 wordt de aansluiting van het RPW op de regionale visie Arnhem-Nijmegen, Groene metropoolregio, nader toegelicht. 1.1.3 Arnhem en Nijmegen zijn de motoren van de regionale en Gelderse economie, met sterke regionale bedrijventerreinen nabij de snelwegen. Arnhem en Nijmegen zijn de motoren van de regionale en Gelderse Economie. Ze bepalen voor een belangrijk deel de aantrekkelijkheid en het succes van onze regio op nationale en internationale schaal. Sterke steden kunnen echter niet zonder sterke regio en andersom. Om de concurrentiekracht van de regio optimaal te benutten en te versterken ligt de focus op het bieden van ruimte op de meest optimale locatie voor ieder type bedrijvigheid. Ontwikkellocaties voor de uitbreiding van regionale bedrijventerrein worden daarom vooral nabij de snelwegen rond het stedelijk gebied gezocht. Daarnaast zijn er enkele werklocaties die vanwege hun specifieke profilering een bijzondere status hebben. De ruimtelijk-economische beleidskaarten in hoofdstuk 4 bieden hier meer inzicht in.
1.1.4 De invloed van corona op het RPW Na de hoogconjunctuur vanaf 2016 t/m 2019 lijkt (onder andere) de coronacrisis de Nederlandse (en de wereldwijde) economie in ander vaarwater gebracht te hebben. Welke impact Corona gaat krijgen op de economie en hoe lang het herstel hierna duurt zijn op dit moment nog onzekerheden. Een vraag die daarmee samenhangt is: in welke mate is de coronacrisis van invloed op (de herziening van) het RPW? De coronacrisis is qua aanleiding niet vergelijkbaar met andere crises die wij in het recente verleden hebben meegemaakt, zoals de kredietcrisis in 2008. Feit blijft dat we te maken hebben met een sterke krimp van de economie en het consumentenvertrouwen op de korte termijn. Op de lange termijn zijn de consequenties hiervan nog onzeker en vooral afhankelijk van hoelang de crisis voortduurt. Het is eveneens een feit dat de WLO-scenario’s, waarop de vraagraming voor bedrijventerreinen en kantoren voor de Provincie Gelderland zijn gebaseerd, inzicht geven in de economische ontwikkeling op de lange termijn (tot 2050). De scenario’s zijn voor de vraagraming vertaald naar de periode t/m 2030. Hierin is bovendien gekozen voor een middenscenario. In het lange termijn perspectief zijn daarmee ook periodes van laagconjunctuur meegenomen. Wat dat betreft is er geen reden om aan de vraagraming, die ten grondslag ligt aan het RPW, te tornen.
Het is wel van belang om goed te monitoren wat de (korte termijn) effecten zijn op ondernemers en hun uitbreidingsplannen (worden opties nog gelicht of worden deze geannuleerd? is er nog sprake van uitbreidings- en/of verplaatsingsbehoefte bij ondernemers?) en in hoeverre er sprake is van een verandering van de vestigingseisen. Zo weten de gemeenten en de regio wat er op korte
18
Concept Regionaal Programma Werklocaties regio Arnhem-Nijmegen
termijn speelt bij ondernemers en kan het beleid op de langere (RPW-)termijn voortgezet worden op basis van de uitgangspunten die in dit RPW worden opgesteld. 1.1.5 Geografische afbakening De regio Arnhem-Nijmegen omvat de gemeenten Arnhem, Berg en Dal, Beuningen, Doesburg, Druten, Duiven, Heumen, Lingewaard, Montferland, Nijmegen, Overbetuwe, Renkum, Rheden, Rozendaal, Westervoort, Wijchen en Zevenaar.
1.2
Doelstellingen Regionaal Programma Werklocaties De doelstellingen van het RPW zijn: •
Zorgen voor nieuwe economische ontwikkeling op de juiste locatie in de regio met maximaal rendement voor de werkgelegenheid. Dit geldt zowel voor bedrijventerreinen, kantoren als detailhandel.
•
Ruimte geven aan uitbreiding van lokale en regionale bedrijvigheid.
•
Zorgen voor voldoende ontwikkelmogelijkheden op de middellange en lange termijn, met in achtneming van het belang van een economisch evenwicht tussen vraag en aanbod.
•
De economische marktontwikkelingen nauwlettend volgen en optimaal benutten. In het licht van internationale ontwikkelingen en nationale groeiverwachtingen voor de komende periode gaat de regio Arnhem-Nijmegen uit van een lichte groei. Daarmee is de regio voorzichtig positief en wordt niet gerekend op het meest positieve scenario, wat aansluit bij de kwalitatieve groei die wordt nagestreefd in de visie Arnhem-Nijmegen, Groene metropoolregio.
•
Aansluiten bij de duurzame en circulaire ambities in de regionale toekomstvisie ArnhemNijmegen, Groene metropoolregio.
1.3
Benutten nieuwe ontwikkelruimte en realisatie evenwicht tussen vraag en aanbod Doel van het RPW is de regionale aantrekkingskracht voor bedrijven en werknemers te versterken. Een van de randvoorwaarden is dat er voldoende geschikte ruimte is om te ondernemen. Met het oog op een evenwicht tussen vraag en aanbod, is de behoefte ontstaan om tussen 2023 en 2025 nieuwe ontwikkelingen gereed te hebben. Om de nieuwe ontwikkelruimte optimaal te benutten wordt gewerkt volgens twee parallelle sporen: Spoor 1: Ruimte voor marktwerking De ruimte voor marktwerking in het RPW 2017 heeft ervoor gezorgd dat er op bedrijventerreinen nieuwe ontwikkelruimte in zicht is voor enkele werkmilieus. Om de ontwikkelruimte te benutten is afgesproken dat eerst bestaande bedrijventerreinen benut en, indien noodzakelijk en mogelijk, geschikt gemaakt worden alvorens nieuwe ontwikkelingen in gang gezet kunnen worden. Spoor 2: De juridische procedure Naar aanleiding van het RPW 2017 is de voorzienbaarheidsprocedure ingezet om vanaf 2021 aan de slag te kunnen met de ruimtelijke uitwerking van de schrapopgave. De voorzienbaarheidsprocedure loopt af per 31-12-2020. Hierna zou de ruimtelijke uitwerking in gang gezet worden. Voor bedrijventerreinen is met instemming van de Provincie besloten dat de schrapopgave komt te vervallen. De Provincie onthoudt zich daarom van verdere juridische procedures.
Uitvoering van de schrapopgave voor kantoren en PDV wordt voorgezet in overleg tussen de betreffende gemeente, de regio Arnhem-Nijmegen en de Provincie Gelderland.
Concept Regionaal Programma Werklocaties regio Arnhem-Nijmegen
19
1.4
Leeswijzer In hoofdstuk 1 is een toelichting gegeven op achtergrond en aanleiding, de doelstellingen en functies van het RPW, het benutten van de ontwikkelruimte en de realisatie van het evenwicht in vraag en aanbod. Hoofdstuk 2 gaat over de uitgangspunten van het RPW. Het programma is gebaseerd op het bestaande regionaal economisch beleid. De kern van dit RPW is het optimaal benutten van de ontwikkelruimte die ontstaat in de periode tot 2030 en, indien geen ontwikkelruimte ontstaat, voortzetting van de afspraken in het RPW 2017. Uitgangspunt is dat het RPW aansluit op de ambities in de visie Arnhem-Nijmegen, Groene metropoolregio en nieuwe ontwikkelingen op de meest optimale locatie moeten ‘landen’, dus daar waar dat logisch en passend is. In hoofdstuk 3 komt de uitvoering van het RPW aan de orde. Hierin wordt onder meer beschreven hoe zowel ambtelijk als bestuurlijk omgegaan wordt met nieuwe ontwikkelingen in de regio op het gebied van werklocaties. In hoofdstuk 4 t/m 6 worden de afspraken voor respectievelijk het onderdeel bedrijventerreinen, kantoren en detailhandel, waar nodig, geactualiseerd aan de hand van de nieuwste inzichten.
20
Concept Regionaal Programma Werklocaties regio Arnhem-Nijmegen
2
Uitgangspunten Regionaal Programma Werklocaties
2.1
Ruimte voor regionale initiatieven Om de concurrentiekracht van de regio optimaal te benutten en te versterken ligt de focus op het bieden van ruimte op de meest optimale locatie voor ieder type bedrijvigheid. Ontwikkellocaties voor regionale bedrijventerrein, waar ruimte wordt geboden aan regionale bedrijvigheid, worden daarom vooral nabij de snelwegen rond het stedelijk gebied gezocht. Daarnaast zijn er enkele bedrijventerreinen die vanwege hun specifieke profilering een bijzondere status hebben.
2.2
Ruimte voor lokale initiatieven Gemeenten behouden de ruimte om lokale bedrijven te faciliteren op de eigen lokale werklocaties voor zover die beschikbaar zijn in de vorm van een onherroepelijk bestemmingsplan. Wanneer er een tekort wordt voorzien, dan mag de gemeente onder voorwaarden nieuwe lokaal initiatieven in ontwikkeling nemen.
2.3
Arnhem-Nijmegen, Groene metropoolregio Balans tussen groei en leefkwaliteit Het RPW Arnhem-Nijmegen is ingebed in de ambities die in de visie Arnhem-Nijmegen, Groene metropoolregio zijn gepresenteerd. De regio Arnhem-Nijmegen zoekt naar balans in de opgaven waar de regio voor staat. Het doel daarvan is een meer onderscheidend profiel, dat voortbouwt op de eigen identiteit van onze regio en de ontwikkelingslijnen die zijn ingezet. De regio manifesteert zich enerzijds door het bijzondere karakter van haar landschap en anderzijds zit duurzaamheid de regio in het DNA. Die mooie combinatie van landschap, duurzaamheid en ontspannen leefkwaliteit kan echter op gespannen voet komen te staan met de regionale groeiambities in economie en wonen. Zo heeft zich de grote uitdaging gevormd waar de regio met elkaar voor staat, namelijk: kwalitatieve groei. De regio Arnhem-Nijmegen wil daarmee staan voor kwalitatieve groei, voor stedelijke ontwikkeling in balans met groene en ontspannen leefkwaliteit. Het doel daarvan is behoud en versterking van de voor de regio typische landschappelijke en culturele waarden, vanuit de volgende uitdagingen: •
Samenwerken aan het behoud van de identiteit van de regio: zich inzetten voor een gevarieerd cultuurlandschap; we houden de regio strategisch bereikbaar; we ontwikkelen de culturele netwerken in de regio.
•
Samenwerken aan de ontwikkeling van de regio: de regio ontwikkelen als compleet stedelijk netwerk; met energy, food, health & hightech als topsectoren; benutten van talent en het menselijk kapitaal in de regio.
•
Samenwerken aan de koers van de regio: Een veerkrachtige regio voor klimaat en energie; een brede inzet op de circulariteit van de economie; en werken aan een gezonde, vitale en ontspannen leefomgeving.
Concept Regionaal Programma Werklocaties regio Arnhem-Nijmegen
21
Regionale agenda Om slagkracht en legitimatie te kunnen verenigen is gekozen voor een opgavegerichte samenwerking, via een jaarlijks voortschrijdende regionale agenda met een beperkt aantal maatschappelijke opgaven. De nieuwe visie op de regio Arnhem-Nijmegen beschrijft de uitdagingen waar de gemeenten afzonderlijk en de regio voor staat. Vanuit de ambitie van kwalitatieve groei onderscheidt de regio een vijftal opgaven, die zijn gevat in een agenda voor de periode 2020-2025. De agenda is opgesteld in de geest van de visie op de Regio Arnhem-Nijmegen en vloeit voort uit de ambities die in de visie worden beschreven. De opgaven die samen de agenda vormen zijn gericht op kwalitatieve groei, circulaire duurzaamheid en een goede balans met behoud en versterking van de bijzondere leefomgeving die de regio typeert. Het RPW sluit met name aan op de opgave Productieve regio: In de regionale opgave Productieve regio staan ontwikkeling van de regionale clusters rondom health, hightech en energy en crossovers met food centraal. Bovendien is er aandacht voor de verbetering van de kwaliteit van werklocaties, verbeterde samenwerking tussen onderwijs en bedrijfsleven, versterking van ondernemerschap in de regio en de versterking van de positie van de regio in logistiek, handel en transport.
De regio zet met een verminderde milieubelasting en slimmer en bewuster gebruik van de ruimte en door samenwerking tussen logistieke bedrijven, transporteurs, kennisinstellingen en overheden in op versterking van duurzame logistiek.
2.4
Gebiedsopgave Logistics Valley De regionale identiteit, die centraal staat in de regionale visie, kan ook vanuit een ruimtelijkeconomische perceptie worden gezien: de strategische ligging van de regio in combinatie met de goede aansluiting op regionale en (inter)nationale infrastructuurnetwerken. De ligging op de corridor tussen Randstad en het Rhein-Ruhrgebied heeft altijd gezorgd voor een goede basis voor diverse economische activiteiten. De Gelderse Corridor is dan ook een van de centrale opgaven van het huidige provinciale coalitieakkoord. Het doel daarbij is het zorgen voor een betrouwbare doorstroming van goederen op de corridor. En daarnaast zorgen voor economische spin-off en werkgelegenheid en het garanderen van een goed werk- en leefklimaat. Het gaat om activiteiten die meerwaarde bieden bovenop de inzet die de provincie levert vanuit de kerntaken: doorstroming van goederenvervoer verbeteren en daarbij primair inzetten op de drie regio’s binnen de provincie Gelderland. De drie regio’s en de deelnemende gemeenten daarbinnen zijn te vinden in Tabel 2.1. Tabel 2.1 Actieve gemeenten per regio in Logistics Valley Regio Rivierenland
Regio Nijmegen en omstreken
Regio Achterhoek Liemers
Culemborg
Druten/ Wijchen (Samenwerking)
Duiven
West Betuwe
Overbetuwe
Zevenaar
Zaltbommel
Beuningen
Montferland
Buren
Heumen
Westervoort
Tiel
Nijmegen
Oude IJsel streek
Maasdriel
Berg en Dal
Doetinchem
West Maas en Waal
Lingewaard
Doesburg
Neder Betuwe
22
Concept Regionaal Programma Werklocaties regio Arnhem-Nijmegen
Bronckhorst
Binnen deze regio’s zijn gebieden aangewezen voor knooppuntontwikkeling, waarbinnen ruimte is voor ontwikkelingen ten behoeve van XXL-logistiek. Een belangrijke voorwaarde voor het mogelijk maken van nieuwe ontwikkelingen is clustering en aansluiting op bestaande bedrijventerreinen die specifiek zijn ingericht op XXL-logistiek. Binnen de regio Arnhem-Nijmegen zijn dit de volgende knooppunten: •
Knooppunt Nijmegen en omgeving: de gemeenten Nijmegen en Overbetuwe, aansluitend aan bedrijventerreinen Park15 en De Grift.
•
Knooppunt EMZ: de gemeenten Emmerich (D), Montferland en Zevenaar, in Nederland aansluitend aan de bedrijventerreinen DocksNLD en 7Poort.
Railterminal Gelderland (RTG) Binnen knooppunt Nijmegen en omgeving is sprake van een project met de naam Knoop 38 (naar afrit 38 van de A15). Ter versterking van de multimodaliteit van Knooppunt Nijmegen en omgeving zet de Provincie Gelderland in op de ontwikkeling van de Railterminal Gelderland (RTG). Door toevoeging van een modaliteit (namelijk overslag per spoor) rondom Knoop 38 wordt de kwaliteit van het knooppunt verbeterd en neemt de aantrekkelijkheid van de bedrijventerreinen in de regio toe. De ontwikkeling van RTG draagt niet alleen bij aan de economische structuurversterking van Knooppunt Nijmegen en omgeving, maar ook aan de verkeersdoorstroming, doordat goederen minder over de weg en meer over het spoor aan- en afgevoerd kunnen worden. In maart 2020 is de marktconsultatie ter voorbereiding op de openbare aanbestedingsprocedure voor de aanleg en exploitatie van de Railterminal Gelderland afgerond. Via deze marktconsultatie heeft Provincie Gelderland marktpartijen geïnformeerd over de plannen om een railterminal te realiseren, de wijze waarop zij straks een exploitant zoeken en welke kaders hiervoor worden vastgelegd in het inpassingsplan, waarvan de vaststelling in 2021 gepland staat.
Doortrekken A15 en aanpak A12 Het doortrekken van de A15, verbreding van de A12 en de aansluiting van beide Rijkswegen zorgt voor een sterke verbetering van de doorstromingen in de regio Arnhem-Nijmegen. Plannen voor deze ingreep bestaan al geruime tijd en na een aantal keer vertraging te hebben opgelopen, zijn in 2018 zijn de voorbereidende werkzaamheid van start gegaan. Met inachtneming van de vertraging die PAS mogelijk met zich meebrengt is de planning anno juni 2020 dat medio 2020 een definitief besluit genomen wordt over het tracé. In 2020 nog gaat de realisatie van start. De geplande openstelling vindt plaats in 2022 t/m 2024.
2.5
Eerdere programma’s werklocaties Regionaal Programma Detailhandel 2013 (RPD) Het RPD 2013 vormt de basis voor het detailhandelsbeleid in dit nieuwe RPW. In het vorige RPW werd het deel van het beleid in het RPD 2013 over perifere en grootschalige detailhandelsvestigingen opgenomen en geactualiseerd. In dit nieuwe RPW wordt ook het deel van het beleid over reguliere detailhandel opgenomen en geactualiseerd. In hoofdstuk 6 zijn de beleidskeuzes (bijvoorbeeld ten aanzien van de vraag: wat moet op regionaal niveau worden geregeld, aanvullend op hetgeen op lokaal niveau wordt geregeld?) overgenomen. Het RPD 2013 is vanaf de datum van vaststelling van dit RPW niet meer geldig. Regionaal Programma Werklocaties 2017 (RPW) Het RPW 2017 vormt de basis voor de afspraken die in deze herziening van het RPW, geldig voor de periode 2021 t/m 2024, worden vastgesteld. In vergelijking met het RPW 2017 is het aantal gemeenten afgenomen van 19 naar 17. De gemeente Rijnwaarden is gefuseerd met de gemeente
Concept Regionaal Programma Werklocaties regio Arnhem-Nijmegen
23
Zevenaar. De gemeente Mook en Middelaar heeft besloten zich qua werklocatiebeleid weer op de provincie Limburg te richten. Het RPW 2017 is aangepast op de onderdelen waarvoor dat noodzakelijk is als gevolg van de veranderde match tussen vraag en aanbod.
24
Concept Regionaal Programma Werklocaties regio Arnhem-Nijmegen
3
Uitvoering Regionaal Programma Werklocaties
3.1
Regionale afstemming en monitoring Regionale afstemming Regionale afstemming over nieuwe initiatieven vindt bij voorkeur plaats door een ambtelijke werkgroep, die een vertegenwoordiging vormt van de regio. Het Intergemeentelijk Overleg Werklocaties (IOW) heeft gedurende de eerste RPW-periode haar nut bewezen. Het is wenselijk om het IOW in een vergelijkbare vorm te laten voortbestaan. Dat wil zeggen, een ambtelijke werkgroep om de advisering in het kader van het RPW ook in de toekomst te continueren. Het is belangrijk dat een vertegenwoordiging van gemeenten in de regio zitting heeft in de werkgroep. Dat wil zeggen dat deelregio Noord, Midden en Zuid evenredig vertegenwoordigd zijn. Voorstel is om, met het oog op de continuïteit, het huidig IOW tot 1 juli 2021 te laten voortbestaan. Voor 1 juli moet er een voorstel liggen voor de invulling van dit overlegorgaan gerelateerd aan de vernieuwde regionale samenwerkingsstructuur, die vanaf 2021 gelanceerd wordt. Dit ambtelijk overleg brengt advies uit aan de verantwoordelijke regionale bestuurders over ingediende nieuwe ontwikkelingen in de regio op het gebied van werklocaties. De behandeling van het initiatief door regionale bestuurders is voor GS van belang bij de beoordeling van nieuwe ruimtelijke plannen. Regionale monitoring Monitoring van de afspraken en marktontwikkelingen heeft in de eerste RPW periode haar waarde bewezen.
Voor uitvoering van het RPW is het van groot belang dat regionale afspraken gebaseerd zijn op juiste en actuele gegevens over vraag en aanbod voor zowel bedrijventerreinen, kantoren als detailhandel. Alleen op die manier wordt goede uitvoering van het beleid en afstemming op de marktsituatie gewaarborgd. De monitoring vindt tweejaarlijks plaats, tenzij vaker noodzakelijk geacht wordt als gevolg van onvoorziene economische ontwikkelingen. De uitkomsten hiervan worden tweejaarlijks in het najaar aan regionale bestuurders voorgelegd met ambtelijk advies over de te volgen koers. De monitoringsgegevens kunnen aanleiding zijn om het RPW op onderdelen te wijzigen. De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten kunnen daarover samen met Gedeputeerde Staten besluiten nemen. Herziening RPW Het RPW wordt vierjaarlijks herzien en ter vaststelling worden aangeboden aan de gemeenteraden voor besluitvorming. Het voorstel voor herziening wordt in principe uitgewerkt in het najaar van 2024.
3.2
Voorzienbaarheid werklocaties Op 14 juli heeft GS Provincie Gelderland per brief aan de regio medegedeeld dat zij instemt met de herziening van het RPW. Dit houdt in dat de Provincie zich onthoudt van de procedure voor een inpassingsplan en dan de Ruimtelijke Uitwerking van de schrapopgave voor het onderdeel bedrijventerreinen wordt ingetrokken. Voor de in de RPW genoemde onderdelen perifere detailhandel en kantoren blijft op grond van de uitkomsten uit de monitoring de Ruimtelijke
Concept Regionaal Programma Werklocaties regio Arnhem-Nijmegen
25
Uitwerking nog wel van kracht. De randvoorwaarden voor XXL-logistiek krijgen een plek in het nieuw op te stellen RPW en worden meegenomen in dat besluitvormingsproces. Daarnaast worden de afspraken voor perifere detailhandel in het hoofdstuk detailhandel samengevoegd met afspraken met betrekking tot reguliere detailhandel.
26
Concept Regionaal Programma Werklocaties regio Arnhem-Nijmegen
4
Bedrijventerreinen
4.1
Uitdagingen op bedrijventerreinen De regio Arnhem-Nijmegen staat in de periode tot 2030 op de bedrijventerreinen voor twee grote, samenhangende, uitdagingen: 1. Behoud en versterken van de regionale aantrekkingskracht op nieuwe en bestaande lokale en regionale ondernemers. Daarbij is een duurzaam evenwicht tussen vraag en aanbod essentieel. 2. Aansluiten bij de ambities en kaderstellende opgaven uit de visie Arnhem-Nijmegen, Groene metropoolregio. Om voldoende en kwalitatief goede ruimte te bieden aan lokale en regionale ondernemers, en daarmee de werkgelegenheid die zij bieden, is het noodzakelijk in deze herziening van het RPW de invulling van de ontwikkelruimte die voor de periode tot 2030 is geconstateerd, in te kaderen. Daarom is een inventarisatie uitgevoerd van: a. De geschiktheid en toekomstbestendigheid van bestaand aanbod; en b. De kwaliteit van de zachte plannen voor regionale bedrijventerreinen. Deze inventarisatie vormt de basis voor de afspraken over bedrijventerreinen.
4.2
Toekomstbestendige Gelderse bedrijventerreinen
4.2.1 Toekomstbestendige bedrijventerreinen In het rapport ‘Gelderse bedrijventerreinen: klaar voor de toekomst’ heeft de provincie Gelderland met de regio’s het begrip toekomstbestendigheid nader uitgewerkt. De volgende definitie van toekomstbestendige bedrijventerreinen is gehanteerd: ‘Toekomstbestendige Gelderse bedrijventerreinen zijn terreinen waar bedrijven, overheden en beheerders samenwerken aan toekomstige kansen en aanpak van knelpunten op het gebied van economie, duurzame energie, klimaat, gezondheid en ecologie, waarmee een aantrekkelijker vestigingsklimaat wordt gecreëerd en wordt toegewerkt naar energieneutrale en klimaatbestendige bedrijventerreinen in 2050’. Dit geldt ook in de regio Arnhem-Nijmegen. Een belangrijke pijler in de toekomstbestendigheid van bedrijventerreinen is de factor duurzaamheid. Duurzaamheid wordt onderverdeeld in de volgende onderdelen: •
Energietransitie: het streven om het energieverbruik te verminderen en te vergroenen (aardgasvrij) en daarnaast het benutten van het potentieel van bedrijventerreinen voor het opwekken van groene energie;
•
Klimaatadaptatie: maatregelen om de werkomgeving klimaatbestendig te maken en de leefbaarheid te vergroten door meer (openbaar) groen en water(opvang). In de brochure ‘’vergroenen van bedrijventerreinen’’ van de Provincie worden deze maatregelen verder uiteengezet.
•
Circulaire economie: in het kader van de transitie van een lineaire naar een circulaire economie worden afvalstromen van het ene bedrijf de grondstoffen van het andere bedrijf. Op die manier zijn minder primaire grondstoffen nodig en wordt er minder afval geproduceerd. Het is tegelijkertijd een verdienmodel waar steeds meer bedrijven(terreinen) zich op richten. In relatie tot de energietransitie bestaat de mogelijkheid panden te voorzien van een circulaire energievoorziening.
Concept Regionaal Programma Werklocaties regio Arnhem-Nijmegen
27
4.2.2 Verduurzaming van bedrijventerreinen Duurzaamheid en de transitie naar een circulaire leefomgeving zijn de kernpunten van de regionale visie Arnhem-Nijmegen, Groene metropoolregio en de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland. De opgaven in de regionale visie die samen de agenda vormen zijn gericht op kwalitatieve groei, circulaire duurzaamheid en een goede balans met behoud en versterking van de leefomgeving. In dit kader zijn randvoorwaarden voor XXL-logistiek opgesteld. Voor nieuwe ontwikkelingen ten behoeve van XXL-logistiek is in de randvoorwaarden een BREEAM Excellent-certificering op zowel pand- als gebiedsniveau als minimumeis vastgelegd De opgaven op het terrein van circulariteit, de energietransitie en duurzaamheid zijn eveneens van toepassing op reguliere lokale en regionale bedrijventerreinen (incl. watergebonden en bijzondere werklocaties). Zowel bij de ontwikkeling van nieuwe terreinen als met het oog op bestaande terreinen, worden de duurzaamheidsdoelstellingen toegepast, waarbij rekening gehouden wordt met de locatie-specifieke situatie. Voor de uitbreiding of aanleg van nieuwe bedrijventerreinen betekent dit concreet het volgende: •
Het benutten van daken voor zonnepanelen
•
Gasloos bouwen (tenzij noodzakelijk voor het productieproces);
•
Uitwisseling restwarmte, elektriciteit en grondstoffen binnen het terrein en de directe omgeving
•
Het reserveren van ruimte voor bijvoorbeeld (elektrische) oplaadpunten, waterstof tanken, batterij/voorzieningen t.b.v. opslaan elektriciteit;
•
het opstellen van een materialenpaspoort voor gebouwen;
•
voldoende waterberging, natuurinclusief bouwen en het vergroenen van de openbare ruimte waardoor samen een goede groene structuur en aantrekkelijkere omgeving ontstaat;
•
parkmanagement of een andere vorm van organisatiegraad.
Ontwikkelplannen worden (onder andere) op deze onderwerpen vroegtijdig afgestemd met de Provincie Gelderland, om op grond daarvan tot een goede invulling komen. De ambities voor verduurzaming hebben eveneens betrekking op bestaande bedrijventerreinen. Op bestaande bedrijventerreinen is, tenzij het een uitbreiding betreft, in principe geen regionale afstemming van toepassing. Verduurzaming is echter per definitie een regionale opgave, waardoor een regionaal afgestemde aanpak bij de verduurzaming van bestaande bedrijventerreinen op bepaalde vlakken wenselijk is. Een regionaal afgestemde aanpak heeft bijvoorbeeld betrekking op klimaatadaptie, met meer ruimte voor groen en de als gevolg daarvan veranderende verhouding tussen netto en bruto oppervlakte. De grootste opgave is echter het aardgasvrij maken van de bebouwde omgeving in het kader van de warmtetransitie, waarbinnen bedrijventerreinen een aanzienlijke potentie bieden. Bedrijventerreinen bieden vanwege het grote energieverbruik zowel kansen om grote stappen te zetten bij de vermindering van energieverbruik als in de transitie naar andere energiebronnen dan aardgas. Daarnaast bieden bedrijventerreinen ook kansen voor het opwekken van energie en het gebruik van restwarmte.
Op dit vlak is een regionaal gecoördineerde aanpak daarom noodzakelijk, waarbij per locatie in kaart gebracht moet worden wat de energiebehoefte is en welke kansen benut kunnen worden richting aardgasvrije bedrijventerreinen.
4.3
Regionale bedrijventerreinen
4.3.1 Ruimte voor regionale initiatieven Uitgangspunt is dat nieuwe ontwikkelingen moeten ‘landen’ op de meest optimale locatie voor dat type bedrijvigheid, dus daar waar dat logisch en passend is. Om die reden zijn in het kader van de
28
Concept Regionaal Programma Werklocaties regio Arnhem-Nijmegen
herziening van het RPW drie ruimtelijk economische-beleidskaarten opgesteld. De kaarten maken in een oogopslag duidelijk welke ontwikkelingen waar gewenst zijn. Beoordeling van nieuwe initiatieven die van regionale betekenis zijn, vindt plaats aan de hand van deze kaarten. Hierin wordt op hoofdlijnen immers duidelijk waar ontwikkelingen gewenst zijn. Lokale initiatieven worden niet beoordeeld aan de hand van deze kaarten. Hiervoor zijn andere afspraken vastgelegd (zie paragraaf 4.6). In Figuur 4.1 wordt met een kaartbeeld duidelijk gemaakt waar ruimtevraag vanuit regionale bedrijvigheid bij voorkeur moet landen. In de volgende paragrafen zijn tevens kaartbeelden opgenomen die specifiek gericht zijn op 1. XXL-logistiek en 2. de bijzondere werklocaties, te weten energie en circulaire economie, watergebonden bedrijvigheid en hightech. In de drie kaarten is het beoogde tracé van de doortrekking van de A15 reeds ingetekend. In Figuur 4.1 is afgebeeld dat Arnhem en Nijmegen de regionale motoren zijn en daarmee de aangewezen locaties voor regionale bedrijvigheid. Echter, Arnhem en in mindere mate Nijmegen hebben weinig tot geen ruimte beschikbaar voor bedrijvigheid. Dit betekent dat voor uitbreidingsruimte gekeken wordt naar de omliggende gemeente en specifiek daar waar dit geclusterd nabij de snelwegen kan.
Dit kaartje toont het indicatief zoekgebied voor de ontwikkeling van regionale bedrijventerreinen en is de basis voor integrale afstemming over op welke locaties uitbreiding van regionale bedrijventerreinen wenselijk is. Figuur 4.1 Indicatief zoekgebied voor de ontwikkeling van regionale bedrijventerreinen.
Concept Regionaal Programma Werklocaties regio Arnhem-Nijmegen
29
4.3.2 Vraag en aanbod De ontwikkelruimte waaraan invulling gegeven kan worden in de periode tot 2030 is bepaald aan de hand van een match tussen vraag en aanbod. De ruimtevraag op bedrijventerreinen in de periode 2020 tot 2025 bedraagt 136 hectare, terwijl er in totaal 171,5 hectare aanbod is. Dat is inclusief 21,5 hectare aanbod op bedrijventerreinen die een status aparte toegewezen hebben gekregen (bijzondere werklocaties) vanwege het toekomstgerichte thema waarop deze gericht zijn (hightech en health, energie en circulaire economie) en waarvoor geen ruimtevraag geraamd is. Indien de bijzondere werklocaties afzonderlijk gezien worden van het reguliere aanbod, dan bedraagt het aanbod nog 150 hectare. Dat betekent dat een evenwicht tussen vraag en aanbod binnen handbereik is en dat de regio zich moet voorbereiden op het invullen van de ontwikkelruimte die ontstaat in de periode tot 2030. Figuur 4.2 Vraag (2020-2025 en 2025-2030) en aanbod (peildatum 1 mei 2020) per werkmilieu.
Voor de gehele periode 2020-2030 bedraagt de ruimtevraag in totaal 271 hectare. Dat wil dus zeggen dat in de periode tot 2030 121,5 hectare ontwikkelruimte ontstaat. Deze ontwikkelruimte is in Tabel 4.1 uitgesplitst per werkmilieu. Tabel 4.1 Ontwikkelruimte tot 2030 per werkmilieu. Ruimtebehoefte 2020 –
Werkmilieu
Uitgeefbaar aanbod
Ontwikkelruimte
96 ha
60 ha
36 ha
115,5 ha
55 ha
60,5 ha
2030 Klassiek – gemengd5 6
Logistiek
Waarvan regulier 7
Waarvan XXL
46,5 ha
28 ha
18,5 ha
69 ha
27 ha
42 ha
(Maak)industrie
42 ha
27 ha
15 ha
Agrifood
16 ha
0 ha
16 ha
Hoogwaardig/kantoren
2 ha
8 ha
-6 ha
Totaal
271 ha
150 ha
121,5 ha
4.3.3 Schrapopgave op bedrijventerreinen is komen te vervallen Met het besluit tot herziening van het RPW, is ervoor gekozen af te zien van de schrapopgave op bedrijventerreinen. De toewijzing van de schrapopgave was mede gebaseerd op de kwalitatieve beoordeling van de regionale bedrijventerreinen. 5 6
30
Betreft ruimtevraag van zowel lokale als regionale bedrijvigheid. Ruimtebehoefte vanuit bovenregionale distributiecentra en/of witte raven maakt geen onderdeel uit van de vraagaanbodconfrontatie. De ontwikkelruimte kan in de praktijk dus groter zijn. Het ontbreken van regionale binding moet daarvoor wel aangetoond worden volgens de spelregels die zijn vastgelegd in de randvoorwaarden voor XXL-logistiek.
Concept Regionaal Programma Werklocaties regio Arnhem-Nijmegen
Teneinde ook op termijn de markt optimaal te kunnen blijven bedienen is in het kader van dit RPW onderzocht in hoeverre deze bedrijventerreinen geschikt zijn of te maken zijn voor de doelgroep. Hieruit is geconcludeerd dat het aanbod op bedrijventerreinen in de regio van voldoende kwaliteit is en de leegstand beperkt. Daarnaast zijn plannen voor nieuwe ontwikkelingen (zachte plannen) geïnventariseerd. Met het doel de markt optimaal te bedienen en met het oog op de duur van een ontwikkelprocedure van een bedrijventerrein is het immers nodig de ontwikkelruimte die is ontstaan optimaal te benutten en ontwikkelingen te laten landen op de meest logische en passende locatie. 4.3.4 De herstructureringsbehoefte is beperkt De kwaliteit en profilering van het bestaande aanbod in de regio Arnhem-Nijmegen is over het algemeen van goede kwaliteit. Dat betekent dat de herstructureringsbehoefte op bedrijventerreinen in de regio Arnhem-Nijmegen beperkt is. Dit stemt overeen met de constatering in het onderzoek naar de toekomstbestendigheid van bedrijventerreinen in de provincie Gelderland dat de bedrijventerreinen in de regio Arnhem-Nijmegen er relatief goed voorstaan8. Niettemin is er in de regio spraken van plannen voor revitalisering van (met name lokale) bedrijventerreinen, herprofilering ten behoeve van een ruimtelijke kwaliteitsverbetering en enkele transformatieplannen.
Transformatie levert echter geen regionale vervangingsvraag op. Plannen voor herprofilering leveren in enkele gevallen wel additionele ruimte op. Dit geldt voor herontwikkelingsplannen van het Engie-terrein, Drutensche Waarden buitendijks en het Veilingterrein in Bemmel. Een overzicht van deze plannen is te vinden in het rapport ‘Monitoring RPW Arnhem-Nijmegen 2020’ dat als bijlage aan dit RPW is toegevoegd. De beperkte herstructureringsbehoefte leidt ertoe dat de nog beschikbare kavels op bedrijventerreinen naar verwachting door de markt worden opgenomen. Hiervoor is in de meeste gevallen geen ingreep nodig of volstaat een beperkte ingreep. Daarmee is antwoord gegeven op de eerste vraag wat betreft het invullen van de ontwikkelruimte die ontstaat in de periode tot 2030, namelijk het benutten van bestaand aanbod. Dit maakt de weg vrij voor ontwikkeling van zachte plannen. Dit neemt niet weg dat, waar mogelijk bestaande bedrijventerreinen zo goed mogelijk benut moeten worden. De afspraken ten aanzien van de zachte plannen worden in paragraaf 4.7 nader uitgewerkt. 4.3.5 Afspraken ten aanzien van regionale bedrijvigheid Gewenste ontwikkelingen Vanuit het perspectief van de Groene metropoolregio, namelijk duurzame en groene groei, vinden de regiogemeenten de volgende ontwikkelingen gewenst: 1.
Uitbreiding bestaande bedrijven op bestaande bedrijventerreinen, (incl. watergebonden bedrijven). Als deze uitbreidingen kunnen aantonen dat zij niet kunnen verplaatsen - niet geheel en niet gedeeltelijk - naar een andere locatie dan kunnen zij in principe uitbreiden op de huidige locatie als daar geen ruimtelijk-planologische bezwaren tegen zijn Detailhandel is hierbij uitgesloten. Voorwaarde is dat het bedrijf gebonden is aan de locatie waar ze gevestigd zijn en verplaatsen bedrijfseconomisch geen optie is. In geval van watergebonden bedrijvigheid is de gebonden aan ligging aan een kade aantoonbaar bewijs dat verplaatsing niet mogelijk is. Bij een uitbreiding met een kaveloppervlakte >0,5 ha en indien uitbreiding ruimte oplevert voor andere (watergebonden) bedrijven is regionale afstemming vereist. In andere gevallen volstaat een melding in het IOW.
8
Bureau Buiten (2019) Toekomstbestendige Gelderse bedrijventerreinen.
Concept Regionaal Programma Werklocaties regio Arnhem-Nijmegen
31
2.
Inbreiding en transformatie: ontwikkeling van een bedrijventerrein dat bijdraagt aan een ruimtelijk gewenste situatie in de zin van inbreiding en transformatie. Het terrein wordt vervolgens op de markt gebracht. Een succesvol voorbeeld is het Veilingterrein in Huissen. Herinrichting ten behoeve van verduurzaming, klimaatadaptatie en biodiversiteit valt hier ook onder.
3.
Nieuwe ontwikkelingen. Indien bestaande bedrijventerreinen niet kunnen voorzien in de ruimtebehoefte dan kunnen plannen voor nieuwe bedrijventerreinen in ontwikkeling genomen worden.
Voorwaarden gewenste ontwikkelingen De hierboven genoemde ontwikkelingen zijn gebonden aan de volgende voorwaarden: •
Nieuwe initiatieven moeten voldoen aan de indicatieve ruimtelijk-economische beleidskaart voor regionale bedrijvigheid;
•
De locaties voor uitbreiding moeten zoveel als mogelijk aansluiten op de huidige structuur van een bestaand regionaal bedrijventerrein.
•
Voor de uitbreiding van regionale bedrijven met <0,5 ha volstaat een melding in het IOW;
•
Voor de uitbreiding van regionale bedrijven met > 0,5 ha is regionale afstemming vereist;
•
Voor ontwikkeling en uitbreiding van regionale bedrijventerreinen is regionale afstemming vereist;
•
Voor nieuwe ontwikkeling en uitbreiding van regionale bedrijventerreinen moet Stappenplan voor de ontwikkeling van regionale bedrijventerreinen doorlopen worden;
•
Voor inbreiding en transformatie van regionale bedrijventerreinen die geen regionale vervangings- en/of verplaatsingsvraag tot gevolg hebben volstaat een melding in het IOW;
•
Voor inbreiding en transformatie van regionale bedrijventerreinen die wel regionale vervangings- en/of verplaatsingsvraag tot gevolg hebben is regionale afstemming vereist;
4.4
XXL-logistiek
4.4.1 Marktoriëntatie is bepalend voor regionale binding Binnen XXL-logistiek is onderscheid naar Europese, nationale en regionale distributiecentra (EDC’s, NDC’s en RDC’s). Binnen de regio Arnhem-Nijmegen biedt knooppunt Nijmegen en omgeving vooral ruimte aan NDC’s en RDC’s, maar ook enkele EDC’s. Knooppunt EMZ huisvest voor Europees georiënteerde dc’s. EDC-activiteiten zijn over het algemeen flexibeler qua vestigingslocatie dan activiteiten die gebonden zijn aan het landsdeel of de regio. De binding van NDC’s en RDC’s is door hun hogere plaats in de distributieketen over het algemeen sterker dan bij EDC’s, waarbij meestal alleen zekerheid bestaat over de contractduur van 3-5 jaar. Hierbij is het van belang aan te tekenen dat de historische binding van sommige EDC’s (bijvoorbeeld Mainfreigth, ’s Heerenberg) kan bijdragen aan de regionale en lokale geworteldheid van een bedrijf. 4.4.2 Beleidskaart XXL-logistiek In Figuur 4.3 is aangegeven binnen welke gemeenten uitbreiding van bedrijventerreinen ten behoeve van XXL-logistiek mogelijk gemaakt kan worden. De (potentiële) ontwikkellocaties zijn beperkt tot Knooppunt Nijmegen en omgeving, te weten Park15 en De Grift, en Knooppunt EMZ, te weten DocksNLD en 7Poort. Knooppunt EMZ is tevens de aangewezen locatie om de zogenaamde witte raven te faciliteren.
32
Concept Regionaal Programma Werklocaties regio Arnhem-Nijmegen
Figuur 4.3 Locaties voor XXL-logistiek.
4.4.3 Vraag en aanbod XXL-logistiek Per 1 mei 2020 bedraagt het uitgeefbaar aanbod voor XXL-logistiek nog 27 hectare: •
Op Park15 zijn nog twee geschikte kavels beschikbaar voor XXL-logistiek: een kavel van 4,3 hectare en een kavel van 19,1 hectare. In totaal bedraagt het aanbod voor XXL-logistiek op Park15 nog 23,4 hectare. Daarnaast zijn 2 kavels met een gezamenlijke oppervlakte van 24,2 hectare verkocht aan een ontwikkelaar. Voor 10 hectare hiervan is een eindgebruiker gecontracteerd. Daarmee resteert nog 14 hectare bebouwd aanbod (zie Tabel 4.2).
•
Op 7Poort is de situatie danig veranderd ten opzichte van 1 juni 2019. Voor de kavel met een oppervlakte van 19 hectare is een bouwvergunning afgegeven voor een pand van 130.000 m². Op dit moment is reeds 52.000 m² gebouwd. Er zijn eindgebruikers in beeld, echter vanwege vertraging in de aanleg van het netwerk voor stroomvoorziening zijn er nog geen contracten getekend. Voorlopig zijn deze 130.000 m² dus nog beschikbaar voor de markt. De kavel van 6 hectare is opgesplitst in drie kavels, waarvan een kavel met een oppervlakte van 2,15 ha inmiddels verkocht en bebouwd is. Het tweede deel van 1 ha is verkocht maar nog niet uitgegeven. De overgebleven 2,8 hectare is beschikbaar voor de markt. De kavels van 3,2 hectare en 3,7 hectare zijn nog beschikbaar. Deze zijn niet samen te voegen tot een groter perceel. Op de kavel van 3,2 hectare is een optie genomen.
•
DocksNLD is, op een kavel van 3,9 hectare na, uitgegeven. Op deze kavel is een optie genomen.
De ruimtebehoefte van XXL-logistiek voor de periode tot 2030 bedraagt 69 hectare, excl. witte raven en EDC’s zonder regionale binding. In de XXL-logistiek draait het vaak om nieuwe partijen die van buiten de regio komen en zich vestigen op kavels van meer dan 4 hectare en vaak nog groter. De geraamde ruimtevraag naar XXL Logistiek betreft de (uitbreidings)vraag van al in de regio gevestigde bedrijvigheid. Daarom valt de ruimtebehoefte van witte raven (groter dan 10 ha en zonder binding met de regio) en EDC’s zonder regionale binding buiten de prognoses. Dit betekent
Concept Regionaal Programma Werklocaties regio Arnhem-Nijmegen
33
dat andere, ruimtelijke en landschappelijke afwegingen primair ten grondslag liggen aan de afbakening van potentiële ontwikkellocaties. De afweging over het faciliteren van een witte raaf ligt primair bij de Provincie Gelderland en wordt gemaakt indien zich een ruimtevraag aandient. Bovendien bekijkt de regio in de tweejaarlijkse monitoring in hoeverre zij nog XXL-logistiek wil faciliteren. Uit Tabel 4.2 blijkt dat er ten behoeve van XXL-logistiek in totaal nog circa 64 hectare beschikbaar is (totaal aanbod + verkocht zonder eindgebruiker). Daarvan is reeds 33 hectare verkocht aan een ontwikkelaar zonder eindgebruiker. voor deze percelen zijn op zowel 7Poort als Park15 zijn reeds eindgebruikers in beeld. Daarnaast is 3,9 hectare in optie uitgegeven. In het best case scenario, dus wanneer de opties en verkochte gronden zonder eindgebruiker ingevuld worden, bedraagt het direct beschikbare aanbod nog 27,3 hectare. Tabel 4.2 Vraag en aanbod t.b.v. XXL-logistiek per 1 mei 2020 Bedrijventerrein
Totaal
Verkocht zonder
aanbod
eindgebruiker
Opties
Doorkijk
Ruimtevraag XXL-
best case
logistiek 2020 -
XXL
2030
Knooppunt Nijmegen e.o. Park15
23,4 ha
14 ha
-
23,4 ha
7Poort
3,7 ha
19 ha
DocksNLD
3,9 ha
-
3,9 ha
3,9 ha
Totaal
31 ha
33 ha
3,9 ha
27,3 ha
Knooppunt EMZ 3,7 ha9
69 ha10
4.4.4 Conclusies XXL-logistiek •
De ruimtevraag naar XXL-logistiek bedraagt minimaal 69 hectare in de periode 2020-2030. In de huidige ruimtevraag is XXL-logistiek meegenomen. Dit geldt echter niet voor witte raven en EDC’s die aantoonbaar van buiten de regio komen (zie Randvoorwaarden XXL-logistiek, 31 maart 2020). Het maximum aan ruimtebehoefte dat wordt gefaciliteerd in de regio is primair een ruimtelijke afweging.
•
Uit de vraag-aanbodconfrontatie in het kader van de herziening van het RPW blijkt dat het aanbod voor XXL-logistiek bijna volledig uitgegeven is. Enkel op Park15 is nog 23,4 hectare beschikbaar. Voor het merendeel van de kavels die door ontwikkelaars zijn gekocht, zijn contracten getekend met eindgebruikers of zijn eindgebruikers in beeld. Deze ruimte is nog slechts beperkt voor de markt beschikbaar.
•
Omdat met 23 hectare het grootste gedeelte van het aanbod op Park15 te vinden is, komt met name in de knoop EMZ de status volledig uitgegeven snel in zicht. Knooppunt EMZ komt daarmee cijfermatig gezien als eerst in aanmerking om nieuwe ontwikkelprocedures van start te laten gaan.
•
De beoogde doortrekking van de A15 en aanpak van de A12 zorgt voor een verbetering van de bereikbaarheid van en doorstroming in de regio Arnhem-Nijmegen, wat de aantrekkingskracht op bedrijvigheid vergroot. Volgens de huidige planning (juni 2020) worden de doortrekking van de A15 en aanpak van de A12 uiterlijk in 2024 afgerond.
•
Aanleg van de Rail Terminal Gelderland (RTG) zorgt voor een verbreding van de multimodaliteit van Knoop38, hetgeen het knooppunt eveneens aantrekkelijker maakt voor logistieke partijen. In 2020 is gestart met de aanbesteding voor dit project.
9
Is meegenomen onder het klassiek-gemengd aanbod. Was voorheen XXL, maar valt net buiten de ondergrens voor XXLlogistiek. 10 Exclusief ruimtebehoefte vanuit bovenregionale partijen en/of witte raven.
34
Concept Regionaal Programma Werklocaties regio Arnhem-Nijmegen
•
Knooppunt Nijmegen en omgeving en knooppunt EMZ blijven de aangewezen locaties voor ontwikkeling van XXL-logistiek. Deze clusters zijn in het kader van deze herziening voorzien van een nadere ruimtelijke inkadering.
4.4.5 Afspraken ten aanzien van XXL-logistiek •
Er is op korte termijn behoefte aan beschikbare uitbreidingsruimte ten behoeve van XXLlogistiek. Nieuwe ontwikkelingen moeten passen binnen de ruimtelijk-economische beleidskaart;
•
De ontwikkelruimte voor XXL-logistiek wordt verdeeld over beide knooppunten. Hiervoor wordt verwezen naar de afspraken in paragraaf 4.7.Nieuwe ontwikkelingen ten behoeve van XXLlogistiek moeten voldoen aan de gestelde kaders in de notitie Randvoorwaarden voor XXLlogistiek.
4.5
Watergebonden bedrijventerreinen
4.5.1 Beleidskaart watergebonden bedrijventerreinen Watergebonden bedrijventerreinen zijn van groot belang voor zowel logistiek als industrie in de Provincie Gelderland. In Figuur 4.4 zijn de kansrijke watergebonden ontwikkellocaties en de locatie van de bijzondere werklocaties (zie volgende paragraaf) aangegeven. Figuur 4.4 Beleidskaart watergebonden bedrijvigheid en bijzondere werklocaties
.
4.5.2 Watergebonden bedrijventerreinen Uit de monitoring van het RPW is gebleken dat er in de regio Arnhem-Nijmegen geen uitgeefbaar watergebonden kavels beschikbaar zijn op watergebonden bedrijventerreinen11. Dit leidt ertoe dat ondernemers die een kade nodig hebben voor hun bedrijfsproces nu moeten uitwijken naar andere regio’s. De Provincie stimuleert bovendien watergebonden bedrijvigheid die in het kader van duurzaamheid en circulariteit aansluit bij de Groene metropoolregio.
11
Ecorys (2018) Monitoring RPW Arnhem-Nijmegen. Ontwikkelingen april 2016 - juli 2018 in beeld gebracht
Concept Regionaal Programma Werklocaties regio Arnhem-Nijmegen
35
In kwantitatief opzicht is in 2014 voor de periode 2014 – 2020 een ruimtebehoefte geraamd van 11 hectare voor watergebonden12 en -verbonden bedrijvigheid13. Vanwege het toenemende belang van duurzaamheid, circulariteit en multimodaliteit wordt aangenomen dat deze ruimtevraag voor de periode tot 2030 toeneemt. Naar aanleiding daarvan zijn in aanvullend onderzoek kansrijke potentiële ontwikkellocaties voor watergebonden bedrijvigheid geïdentificeerd14. Met betrekking tot watergebonden bedrijvigheid worden de volgende afspraken vastgesteld: •
Uitbreiding van bestaande watergebonden bedrijven is toegestaan, mits aan de voorwaarden voor uitbreiding van regionale bedrijvigheid in paragraaf 4.3.5 voldaan wordt;
•
Ruimte voor watergebonden bedrijvigheid is een prioriteit. De mogelijkheden tot ontwikkeling nemen van kansrijke ontwikkellocaties worden daarom nader onderzocht. In het onderzoek naar kansrijke locaties voor watergebonden bedrijvigheid zijn de volgende (her)ontwikkelingslocaties als meest kansrijk geïdentificeerd: -
Engie-terrein
-
Koningspleij-Noord
-
Druten (Drutensche Waarden buitendijks & een potentiële nieuwe ontwikkellocatie)
Het is nu aan gemeenten en ontwikkelaars om procedures te starten voor de ontwikkeling van deze kansrijke locaties 4.5.3 Afspraken ten aanzien van watergebonden bedrijvigheid •
Voor nieuwe ontwikkelingen of uitbreiding van watergebonden bedrijvigheid met een kaveloppervlakte > 0,5 ha is regionale afstemming vereist;
•
Initiatieven ten behoeve van watergebonden bedrijvigheid op daarvoor aangewezen watergebonden bedrijventerreinen volstaan met een melding in het IOW;
•
Bij vestiging van een bedrijf op een daartoe geprofileerd waterverbonden bedrijventerrein moet de binding met het water aangetoond worden. Hiervoor is regionale afstemming vereist.
4.6
Bijzondere werklocaties De terreinen die in het RPW 2017 als campus en groene hubs zijn aangewezen, behouden hun aparte status. Deze locaties ontlenen hun status aan een specifieke thematische profilering (hightech en een positie als koploper in duurzaamheid, energie en circulaire economie). De invulling daarvan is weergegeven in de ruimtelijk-economische beleidskaart (Figuur 4.4). Omdat de ruimtevraag voor deze terrein door alle werkmilieus heenloopt, is voor de bijzondere werklocaties geen specifieke ruimtevraag geraamd, omdat. Vanwege het beleidsmatige belang van doorontwikkeling van deze terreinen, worden deze losgetrokken van andere bedrijventerreinen in de regio. De volgende terreinen zijn als special benoemd: •
Engie-terrein (koploper in duurzaamheid, energie en circulaire economie; watergebonden);
•
Novio Tech Campus (hightech);
•
IPKW (koploper in duurzaamheid, energie en circulaire economie); en
•
Innofase (koploper in duurzaamheid, energie en circulaire economie; hmc).
12
13
14
36
Watergebonden bedrijven: bedrijven die direct aan het vaarwater liggen met vaak een eigen kade of gebruikmaken van een direct naastliggende openbare kade of het water zelf gebruiken in het productieproces en/of voor koeling. Vaak bulkbedrijven, zoals betonbedrijven, zand- en grindbedrijven, etc. Waterverbonden bedrijven: bedrijven die voor hun bedrijfsproces gebruikmaken van een kade maar goed op enige afstand van het water gelegen kunnen zijn. Bijvoorbeeld bij containerterminals. Ecorys (2019) Watergebonden bedrijvigheid in de regio Arnhem-Nijmegen.
Concept Regionaal Programma Werklocaties regio Arnhem-Nijmegen
4.6.1 Afspraken ten aanzien van de bijzondere werklocaties •
Herbevestiging van de status van de daarvoor in het RPW 2017 aangewezen bedrijventerreinen als bijzondere werklocatie, te weten het Engie-terrein, Innofase, IPKW en Novio Tech Campus;
•
Ook voor de bijzondere werklocaties geldt dat bij uitbreiding van bestaande bedrijvigheid en/of uitbreiding van het bedrijventerrein met een kaveloppervlakte > 0,5 ha regionale afstemming moet plaatsvinden.
•
Dit betekent dat: -
Deze locaties losstaan van de vraagraming die ten grondslag ligt aan het RPW en als bijzondere werklocaties worden meegenomen in de vraag-aanbodconfrontatie;
-
Uitgifte op deze terreinen een connectie moet hebben met de specifieke thematische profilering. Dit kan worden afgedwongen op het moment dat regionale afstemming vereist is. Hiervoor gelden dezelfde voorwaarden als reguliere regionale bedrijvigheid.
-
Ondanks dat deze terreinen zijn uitgezonderd van de vraag-aanbodconfrontatie, moet ook voor uitbreiding van de bijzondere werklocaties een integrale ruimtelijk afweging gemaakt worden en een ladderonderbouwing doorlopen worden. Bovendien is regionale afstemming vereist onder dezelfde voorwaarde als reguliere regionale bedrijventerreinen
4.7
Zachte plannen Om invulling te geven aan de ontwikkelruimte die ontstaat in de periode tot 2030 is het zaak zachte plannen in ontwikkeling te brengen. Een overzicht van de zachte plannen per werkmilieu in de regio Arnhem-Nijmegen is opgenomen in Tabel 4.3. Tabel 4.3 Zachte plannen en ontwikkelruimte per werkmilieu Netto opp.
Potentieel
Voor 2025
Na 2025
zachte plannen
Aanbod
Klassiek - gemengd
24,3
23,5
15,0
8,5
Logistiek
120,1
120,1
45,0
75,1
(Maak)industrieel
74,5
52,0
47,0
5,0
Overig gemengd/ nnb
39,5
39,5
23,0
16,5
Totaal
258,4
235,1
130,1
105,0
Watergebonden
42,6
22,0
17,0
5,0
In totaal tellen de zachte plannen op tot 235 hectare potentieel aanbod in de periode tot 2030. Daarvan kan circa 130 hectare in de RPW-periode in ontwikkeling genomen worden en/of gerealiseerd zijn. De zachte plannen zijn verdeeld over de werkmilieus klassiek-gemengd, logistiek en (maak)industrieel. Daarnaast zijn er nog zachte plannen waarvan de invulling nog minder concreet is (overig gemengd/ nnb). Ruim 42 hectare van de zachte plannen heeft betrekking op watergebonden bedrijvigheid. Deels is dit ter uitbreiding van bestaande bedrijven. Dat betekent dat in potentie 22 hectare additionele ruimte kan worden toegevoegd, waarvan 17 hectare voor 2025. Uit de match tussen vraag en aanbod op de lange termijn is geconcludeerd dat in de periode tot 2030 121,5 hectare ontwikkelruimte ontstaat15. In kwantitatieve zin bestaat er daarmee een overschot aan zachte plannen. In Tabel 4.4 zijn de ontwikkelruimte en het zacht planaanbod per werkmilieu weergegeven. Hierbij zijn twee kanttekeningen van belang: •
De ruimtebehoefte vanuit bovenregionale XXL-distributiecentra en/of witte raven maakt geen onderdeel uit van de vraag-aanbodconfrontatie. De ontwikkelruimte kan in de praktijk dus groter zijn. Het ontbreken van regionale binding moet daarvoor wel aangetoond worden volgens de
15
Het aanbod op de terreinen die als bijzondere werklocatie zijn aangemerkt zijn niet opgenomen in deze kwantitatieve match, omdat deze terreinen vanwege de specifieke profilering slechts beperkt concurreren met andere locaties in de regio.
Concept Regionaal Programma Werklocaties regio Arnhem-Nijmegen
37
spelregels die zijn vastgelegd in de randvoorwaarden voor XXL-logistiek. De ontwikkelruimte voor logistiek bedraagt daarmee minimaal 60 hectare. •
De klassiek-gemengde zachte plannen hebben grotendeels betrekking op lokaal bedrijventerrein. Hiervoor gelden de regels die in paragraaf 4.8 zijn opgenomen. Het totaal aan zachte plannen specifiek voor het klassiek-gemengd werkmilieu ligt lager dan de ontwikkelruimte tot 2030. Om lokale bedrijvigheid te huisvesten moet daarom bekeken worden op de categorie overig gemengd geschikt is voor lokale bedrijvigheid.
Desondanks noopt dit tot het opstellen van spelregels voor het in ontwikkeling brengen van regionale bedrijventerreinen Tabel 4.4 Ontwikkelruimte en zacht planaanbod tot 2030 per werkmilieu. Ontwikkelruimte
Zacht planaanbod
2020 - 2030
Totaal
voor 2024
Na 2024
Klassiek - gemengd
36 ha
23,5
15,0
8,5
Logistiek16
60,5 ha
120,1
45,0
75,1
15 ha
52,0
47,0
5,0
Overig gemengd/ nnb
10 ha
39,5
23,0
16,5
Totaal
121,5 ha
235,1 ha
130,1
105,0
(Maak)industrieel 17
4.7.1 Afspraken ten aanzien van zachte plannen Om er zorg voor te dragen dat ontwikkelingen plaatsvinden op de meest optimale locatie is een integrale ruimtelijke afweging noodzakelijk. Voor zachte plannen geldt het volgende: •
Regionale afstemming over het in ontwikkeling nemen van zachte plannen vindt plaats aan de hand van onderstaand stappenplan. Indien dit niet mogelijk is, en de nieuwe ontwikkeling vanuit de regionale beleidsmatige opgaven toch wenselijk geacht wordt, moet een integrale ruimtelijke afweging plaatsvinden. Hierover is regionale afstemming vereist. Bij de integrale ruimtelijk afweging wordt onder meer gekeken naar: -
De nabijheid van woningen en/of andere (toekomstige) conflicterende functies en ruimteclaims;
-
De nabijheid van en bereikbaarheid voor geschikt personeel;
-
Zoveel mogelijk aansluiten op bestaande infrastructuur, zowel fysiek als digitaal.
-
Kansen en bedreigingen in relatie tot klimaatadaptatie en de energietransitie.
Stappenplan voor de ontwikkeling van regionale bedrijventerreinen Om te beoordelen welke zachte plannen in aanmerking komen om in ontwikkeling genomen te worden wordt een stappenplan gehanteerd. Dit stappenplan bestaat uit zeven stappen, die als het ware een trechter vormen om ervoor te zorgen dat enkel de meest kansrijke zachte plannen ontwikkeld worden. De meest kansrijke zachte plannen zijn de plannen met de juiste locatie(kwaliteiten) voor het juiste werkmilieu: Stap 1 - Plannen die niet binnen de indicatieve ruimtelijk economische beleidskaart passen vallen af; In de ruimtelijke economische beleidskaarten die in dit RPW zijn opgenomen wordt indicatief aangegeven welke locaties in aanmerking komen voor de ontwikkeling van regionale bedrijventerreinen. Daarbij zijn specifieke kaarten opgenomen voor XXLlogistiek, watergebonden bedrijvigheid en bijzondere werklocaties. Indien een zacht plan
16 17
38
Minimaal 60 hectare. Bovenregionale ruimtevraag voor XXL en/of witte raven zijn hierin niet meegenomen. incl. ontwikkelruimte agrifood en negatieve ontwikkelruimte werkmilieu hoogwaardig/kantoren
Concept Regionaal Programma Werklocaties regio Arnhem-Nijmegen
niet binnen de locaties, die in de ruimtelijke economische beleidskaart aangewezen zijn, komt dit plan niet in aanmerking voor ontwikkeling18. Stap 2 - Plannen die niet (fysiek) aansluiten op bestaande terreinen vallen af; Een volgende randvoorwaarde die gesteld wordt aan de ontwikkeling van regionale bedrijventerreinen is clustering. Clustering wil zeggen dat een nieuwe ontwikkeling aansluitend aan bestaand bedrijventerrein plaatsvindt. Hiervan kan enkel vanuit regionale beleidsmatige opgaven worden afgeweken. Hiervoor dient een integrale ruimtelijke afweging gemaakt te worden, die in dat geval eveneens beoordeeld wordt in stap 4. Stap 3 - Ordening van plannen per werkmilieu; In de uitwerking van het plan dient te worden opgenomen wat de beoogde doelgroep is van het bedrijventerrein. De beoogde doelgroep wordt bepaald aan de hand van een of enkele werkmilieus. Stap 4 - Kwalitatieve beoordeling plannen; De werkmilieus kennen elk specifieke locatie-eisen. Na vaststelling van de doelgroep wordt het plan op basis van de aanwezige locatiekwaliteiten en de locatiekwaliteiten die in het plan beoogd worden beoordeeld op geschiktheid. In de beoordeling wordt onderbouwd welke afwegingen leiden tot een positief of negatief oordeel en in hoeverre het zinvol is het plan te richten op een andere doelgroep.
Indien het plan niet geschikt bevonden wordt komt het niet in aanmerking voor ontwikkeling. Plannen worden beoordeeld op: -
Bijdrage aan de duurzaamheidsdoelstellingen die in dit RPW zijn vastgelegd;
-
Fysieke en digitale bereikbaarheid. De bereikbaarheid per weg, water en spoor, de bereikbaarheid voor werknemers en digitale bereikbaarheid.
-
Financiële haalbaarheid. Dat wil zeggen dat een financiële haalbaarheidsanalyse onderdeel is van het ingediende plan.
-
Bijdrage aan en aansluiting op het regionale DNA. Dat wil zeggen gericht op of ondersteunend aan de topsectoren of passend binnen de opgaven in de Groene metropoolregio.
-
Stap 5 en stap 6.
Stap 5 - Ruimtevraag per werkmilieu In het RPW is per werkmilieu bepaald wat de te verwachten ruimtevraag is voor de periode tot 2030. Op basis van de ruimtevraag per werkmilieu en het marktgebied waarop de ontwikkeling zich richt wordt de ruimtevraag voor de beoogde doelgroep vastgesteld. Eventuele vervangings- en/of verplaatsingsvraag kan hierin worden meegenomen. Stap 6 - Match vraag en planaanbod De te verwachten ruimtevraag wordt vervolgens geconfronteerd met het bestaande aanbod binnen de regio dat zich richt op de beoogde werkmilieus. Stap 7 –Bij overvraging mogen alleen de beste plannen doorgang vinden (o.b.v. ranglijst); Indien de match van vraag en aanbod uitwijst dat het aanbod de vraag overstijgt, dan komen de kwalitatief meest geschikt plannen als eerst in aanmerking voor ontwikkeling. Dit houdt in dat per werkmilieu een ranglijst wordt opgesteld aan de hand van de kwalitatieve beoordeling van de plannen. Indien er sprake is van meer (plan)aanbod dan vraag en zachte plannen met elkaar concurreren wordt op basis van deze ranglijst de keuze voor het best beoordeelde plan gemaakt. 18
Uitzondering op deze regel is mogelijk indien er sprake is van een regionale gewenste ontwikkeling. Hierover dient regionale afstemming plaats te vinden.
Concept Regionaal Programma Werklocaties regio Arnhem-Nijmegen
39
Verdeling ontwikkelruimte Bij de verdeling van de ontwikkelruimte zijn enkele zaken waarmee rekening gehouden dient te worden: •
De tijdsduur van ontwikkelprocedures van 3 tot 5 jaar;
•
De urgentie voor nieuw aanbod verschilt per werkmilieu. Voor het ene werkmilieu is het aanbod sneller uitgegeven dan voor het andere;
•
Het zoekgebied van bedrijvigheid verschilt per werkmilieu. Er is een verschil tussen lokale en regionale ondernemers en nieuwe bedrijven ten aanzien van het gebied waarbinnen ondernemers een locatie zoeken. Dit betekent dat in een bepaald gebied al behoefte is aan nieuwe ontwikkelingen, terwijl elders in de regio nog wel ruimte is;
•
De ontwikkelruimte is geraamd voor de periode tot 2030. Vestigingseisen en -wensen zijn gedurende die periode aan verandering onderhevig. Bovendien staat een gezond evenwicht tussen vraag en aanbod steeds centraal.
De ontwikkeling van zachte plannen moet dus passen binnen de kaders van de ontwikkelruimte die ontstaat in de periode tot 2030. De regio wenst daarom sturing te geven aan het benutten van de ontwikkelruimte. Met het oog op gestuurde fasering van de zachte plannen, wordt in het RPW afgesproken dat de ontwikkelruimte wordt vrijgeven op basis van tranches. In zijn algemeenheid kan worden opgemerkt, dat de toe te kennen ontwikkelruimte in de praktijk vaak onderdeel wordt van een integraal ruimtelijk plan (totaal plangebied, aanvullend programma/functie, infra, openbare ruimte, integrale financiële uitvoerbaarheid, etc) Dit betekent dat bij de definitieve invulling er steeds ruimte (flexibiliteit) moet zijn om de specifieke situatie in deze context te kunnen beoordelen. Verdeling ontwikkelruimte regionale bedrijventerreinen Het uitgangspunt voor de reguliere regionale bedrijventerreinen is om in eerste instantie 50% van de ontwikkelruimte open te stellen. Van dit uitgangspunt kan, wanneer bij beoordelen blijkt dat er meerdere geschikte plannen zijn die de regio wil faciliteren en om maatwerk te leveren, tot een maximum van 70% worden afgeweken. Op basis van de tweejaarlijkse monitoring, die medio 2022 plaatsvindt, wordt bepaald hoe met de resterende ontwikkelruimte wordt omgegaan en of bijstelling nodig is.