CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

TKN - 19 Water (39) Bijlage 3 - inspraakversie Beleidsregels bij Waterschapsverordening AGV 2021.pdf

Raadscommissie Mobiliteit, Luchtkwaliteit, Water (MLW) 14 januari 2021, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Zienswijze ontwerp-Waterschapsverordening AGV (ZD2020-013180)34.806 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Beleidsregels AGV

versie mei 2020

Pagina 49 van 111

d)

De aanleg of vervanging van de werken zijn verenigbaar met de oogmerken en specifieke

zorgplichten, op basis waarvan het werk het beheer en onderhoud niet mag belemmeren, indien i.

ii.

er geen minimale bevaarbare lengte van tenminste 250 meter is; en

er geen extra laad- en losplaats voor de maaiboot en het maaisel is; en

e)

Bij werken in de beschermingszone voldoet de wijze van onderhoud aan de

f)

De schade aan de ecologische waarde door de aanleg van werken in een groene oeverzone of

oppervlaktewaterlichamen aan de eisen van de Leidraad/PVE Beheer; en natuurvriendelijke oever wordt volledig gecompenseerd waarbij; i.

ii.

g)

h) i)

j)

iii.

de verminderde oeverlengte wordt hersteld tot de oorspronkelijke oeverlengte; en

de vorm van de nieuw aan te leggen oever gelijkwaardig is aan de oorspronkelijke oever; en

de compensatie vindt plaats in hetzelfde oppervlaktewaterlichaam; en

Steigers buiten de bebouwde kom met een oppervlakte groter dan 18 m2 zijn in beginsel niet verenigbaar met de oogmerken en specifieke zorgplichten, voor zover sprake is van zuiver particulier gebruik;

De onderkant van de brug is hoger dan het maximale waterpeil;

Het werk ligt buiten de bochtverbreding, indien het werk wordt geplaatst in of binnen een afstand van 75 meter van een bocht van wateren;

De aanleg of uitbreiding van werken in het water in het hoogwaterbemalingsgebied van

Amsterdam is in beginsel niet verenigbaar met de oogmerken en specifieke zorgplichten.

Indien het geplande werk binnen de kernzone of beschermingszone van waterkerende dijklichamen, verholen waterkeringen en beschermende gronden ligt dan gelden ook de voorwaarden uit de beleidsregel ”werken in en nabij waterkeringen”.

Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor oppervlaktewateren richten zich op het functioneren van

het watersysteem. Werken (waaronder kunst- of bouwwerken) brengen risico’s met zich mee voor het functioneren van het watersysteem. Daarbij spelen de volgende mechanismen een rol: −

Belemmering van de afvoer van water: het water in de primaire wateren moet vrijelijk kunnen

stromen van en naar het gemaal of naar zee. Als er een (bouw)werk ergens in de route staat, kan

dit het water ‘tegenhouden’, waardoor stuwing optreedt. Ook kan het werk het effect hebben van

een vernauwing of flessenhals. Er ontstaat een peilverschil bovenstrooms en benedenstrooms van

het werk. In het achterliggende gebied kan het waterpeil zoveel stijgen dat wateroverlast ontstaat; −

Belemmering van het onderhoud: AGV voert het onderhoud aan de waterlichamen uit vanaf een boot of vanaf de kant. In beide gevallen kan een (bouw)werk een obstakel vormen voor de onderhoudswerkzaamheden;

−

Invloed op de ecologische kwaliteit: een werk heeft negatieve invloed op de ecologische kwaliteit

als het een obstakel vormt voor vissen of andere dieren. Ook kan een werk de lengte van de oever verkleinen, terwijl juist in de oever - op de grens van land en water - de ecologische waarde van het watersysteem het hoogst is. Ook de vorm van de oever is bepalend voor de ecologische

waarde. De ecologische kwaliteit van het water en de oever kan ook verminderen door een teveel aan schaduw door de aanleg van werken boven het water; −

Belemmering van vaarverkeer: het gaat daarbij vooral over de invloed van het werk op de doorvaarthoogte, de vaarwegdiepte en de ruimte voor vaarverkeer in de bochten.

Beleidsregels AGV

versie mei 2020

Pagina 50 van 111

Toelichting Beleidsregel 10.1 De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de Waterschapsverordening. Deze beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht. −

ad a: Het peilverschil tussen het water bovenstrooms en benedenstrooms van het werk mag nauwelijks verschillen. Dit om te voorkomen dat er wateroverlast ontstaat;

−

ad b: In primaire wateren geldt een andere voorwaarde: het verhang mag niet groter worden dan 1 cm/km. Het verhang geeft aan hoeveel centimeter peilverschil er is per kilometer watergang. Via

primaire wateren stroomt het water van en naar de polder- en boezemgemalen. Door gemalen in werking te zetten daalt de waterspiegel bij het gemaal en stroomt het water richting het gemaal.

Door peilverschil (het verhang) gaat water stromen. Als er ergens onderweg een werk staat, kan dat het effect hebben van een vernauwing of flessenhals. Het water stijgt bovenstrooms van de vernauwing, tot het er door kan stromen. Het verhang neemt toe en er ontstaat een hogere

waterstand in het achterliggende gebied, waardoor daar wateroverlast kan ontstaan. De mate waarin het verhang toeneemt is een maat om te bepalen of de peilstijging door het werk

acceptabel is. De grens van 1 cm/km is gebaseerd op uitgangspunten die AGV hanteert voor het ontwerp van de primaire wateren; −

ad c: De doorstroming in de aangegeven gebieden is onvoldoende voor het goed functioneren van het watersysteem. Toch wordt ook het belang gezien van het medegebruik van het water door aanwonenden. Daarom bestaat er op grond van de Waterschapsverordening een beperkte

mogelijkheid om een steiger aan te leggen. Grotere steigers in deze gebieden zijn onwenselijk; −

ad d: AGV voert het onderhoud aan oppervlaktewaterlichamen vaak uit vanaf een boot. Als dat het geval is stelt dat eisen aan werken. Zo moet het water goed bevaarbaar blijven, dus voldoende

breed en diep zijn. Ook is het belangrijk het water niet te veel ‘op te knippen’ in kleine stukken waar een boot niet langs kan, omdat dit betekent dat de boot vaker uit het water moet worden getild. Een minimale lengte van 250 meter vindt AGV nog acceptabel. Als een werk leidt tot

‘opknippen’ betekent dat ook dat de aanvrager ervoor moet zorgen dat de onderhoudsboot in het ‘losgeknipte’ deel te water kan, via een laad- en losplaats. Maar ook als het onderhoud vanaf de kant wordt uitgevoerd moet dat mogelijk blijven; −

ad e: Ook werken die niet in het water zelf staan, maar in de beschermingszone, kunnen een

obstakel vormen voor onderhoud. Zij moeten daarom voldoen aan de eisen in de Leidraad/PVE Beheer; −

ad f: Een werk mag de ecologische kwaliteit niet te veel beïnvloeden: het mag bijvoorbeeld geen

obstakel vormen voor vissen of andere dieren. In groene oeverzones en natuurvriendelijke oevers is compensatie verplicht. Daarbij is het vooral belangrijk dat de totale oeverlengte in het

betreffende water niet kleiner wordt, omdat juist in de oever - op de grens van land en water - de ecologische waarde van het watersysteem het hoogst is. Ook de vorm van de oever is bepalend

voor de ecologische waarde en deze moet dus vergelijkbaar zijn met de oorspronkelijke vorm. Bij werken in de beschermingszone (groene oevers) kan daarnaast de ecologische waarde van de landstrook meegenomen worden bij de compensatie. AGV bepaalt de voorschriften bij de vergunning op basis van de aanwezige ecologische waarde; −

ad g: Steigers vormen vooral een risico voor de ecologische kwaliteit van de oever en het water (beschaduwing) en mogen daarom niet te groot zijn;

−

ad h: Bruggen over primaire wateren moeten zodanig hoog liggen dat het water de onderkant niet raakt, ook niet bij hoge waterstanden. Anders zou opstuwing van het water kunnen optreden;

Beleidsregels AGV

versie mei 2020

Pagina 51 van 111

−

ad i: Het werk mag geen hinder opleveren voor het vaarverkeer. In wateren met een vaarwegfunctie gelden daarvoor specifieke eisen, namelijk: voldoen aan de geldende doorvaarthoogten en de

vastgestelde vaarwegdiepten. Ook gelden er specifieke eisen voor de plaatsing ten opzichte van een bocht in het vaarwater. Boten hebben relatief veel ruimte nodig om een bocht te kunnen

nemen. Deze benodigde ruimte heet de ‘bochtverbreding’. De bochtverbreding is te berekenen op basis van de kromming van de bocht (Richtlijnen Vaarwegen, 2005). Een werk moet in ieder geval op een afstand van 75 meter van de bocht komen en buiten de bochtverbreding blijven om het vaarverkeer niet te hinderen; −

ad j: Nieuwe werken of uitbreiding van werken in het water in het hoogwaterbemalingsgebied van Amsterdam zijn in beginsel niet verenigbaar met de oogmerken en specifieke zorgplichten. De

reden is dat AGV dit deel van het watersysteem bij veel neerslag snel moet kunnen afvoeren via gemaal Zeeburg, om te voorkomen dat Amsterdam en het Amstelland onder water lopen. Het

aanleggen van werken in dit deel van het watersysteem levert weerstand op en vertraagt het tempo van afvoeren.

Beleidsregel 10.2: (bouw)werken onder water Beleidsregel 10.2: (bouw)werken onder water

De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor de aanleg, wijzigen, vervangen of verwijderen van (bouw)werken onder oppervlaktewaterlichamen wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: − −

De oogmerken als bedoeld in artikel 2.4.1.2 van de Waterschapsverordening;

De specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.4.1.3 van de Waterschapsverordening,

waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaarden en maatstaven: a)

Na aanleg van het (bouw)werk blijft het leggerprofiel bij primaire wateren en de minimale

b)

De bovenkant van het (bouw)werk heeft een gronddekking van tenminste 1,00 meter;

c)

d)

waterdiepte bij secundaire wateren in stand;

Indien een kleinere gronddekking is gewenst wordt het (bouw)werk afdoende beschermd tegen mogelijke aantasting van buitenaf; en

Indien voor het betreffende water een toekomstige aanpassing van het doorstroomprofiel mogelijk moet blijven en/of het een vaarwegklasse CEMT-III of hoger betreft kan het bestuur een grotere

diepte eisen voor de bovenkant van het (bouw)werk.

Beleidsregels AGV

versie mei 2020

Pagina 52 van 111

Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor oppervlaktewateren richten zich op het functioneren van het watersysteem. (Bouw)werken onder water zijn bijvoorbeeld parkeergarages. Risico’s van ondergrondse werken zijn −

Belemmering vaarverkeer: ondergrondse werken kunnen in de weg kunnen liggen voor het vaarverkeer; of

−

Belemmering aan- en afvoer van water Een werk kan de aan- of afvoer van water belemmeren of blokkeren in een watergang

−

Belemmering beheer en onderhoud: Hinder zou bijvoorbeeld kunnen optreden doordat het ter plekke van het ondergrondse bouwwerk niet meer mogelijk is om af te meren met spudpalen (lange palen die in de waterbodem worden gedreven).

Toelichting Beleidsregel 10.2 De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de Waterschapsverordening. Deze beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht. −

ad a: Het werk vormt geen belemmering voor de aan- en afvoer van water, het onderhoud, de ecologische kwaliteit en het vaarverkeer;

−

ad b en c: Het werk moet voldoende diep onder de waterbodem liggen en op voldoende afstand van de zijwanden van de watergang, bij voorkeur meer dan een meter;

−

ad d: Het kan nodig zijn een grotere diepte te eisen, als er bijvoorbeeld een toekomstige

verdieping van de watergang is gepland of als de watergang een vaarweg is in een bepaalde klasse CEMT III of hoger (dit is een Europese regeling: Conférence Europeeene des Ministres des Transport).

Beleidsregel 10.3: duikers in primaire wateren Beleidsregel 10.3: duikers in primaire wateren

De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor de aanleg van duikers in primaire wateren wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: − −

De oogmerken als bedoeld in artikel 2.4.1.2 van de Waterschapsverordening;

De specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.4.1.3 van de Waterschapsverordening,

waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaarden en maatstaven: a)

b)

De voorwaarden van beleidsregel 10.1 gelden; en

Duikers hebben een vrije ruimte van minimaal 20 cm boven het hoogst vastgestelde waterpeil; en

Beleidsregels AGV

versie mei 2020

Pagina 53 van 111

c)

Duikers zijn niet langer dan 30 meter, Indien een ronde duiker wordt aangelegd dan is de diameter

d)

Duikers worden zonder bochten aangelegd, tenzij het niet anders kan; en

e)

minimaal 80 cm;

Indien duikers met bochten worden aangelegd wordt bij ieder knikpunt een put toegepast ten behoeve van inspectie en onderhoud.

Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor oppervlaktewateren richten zich op het functioneren van het watersysteem. Een duiker is een ronde of vierkante buis waar water doorheen kan stromen, bijvoorbeeld onder een weg door. −

Verstopping: Een duiker kan een risico vormen voor het watersysteem omdat hij verstopt kan raken en daarmee een belemmering wordt voor de aan- en afvoer van water.

Toelichting Beleidsregel 10.3 De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de Waterschapsverordening. Deze beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht. −

ad a: Het werk vormt geen belemmering voor de aan- en afvoer van water, het onderhoud, de ecologische kwaliteit en het vaarverkeer;

−

ad b: De buis mag niet helemaal onder de waterspiegel liggen, maar moet minstens 20 cm boven

het hoogste waterpeil uitsteken. Daardoor kan er licht doordringen in de buis, hetgeen belangrijk

is voor de ecologische kwaliteit van de watergang. Bovendien kan er dan drijvend materiaal door de buis heen, waardoor er minder snel verstopping optreedt, en is inspectie van de buis makkelijker omdat de buis beter zichtbaar is; −

ad c: Om dezelfde redenen mag een buis ook niet te lang zijn (30 meter maximaal) en niet te smal (minstens 80 cm diameter);

−

ad d en e: De buis mag geen bochten bevatten, met name vanwege de inspecteerbaarheid. Als het niet anders kan moet er bij ieder knikpunt een put komen om te kunnen inspecteren en onderhouden.

Beleidsregels AGV

versie mei 2020

Pagina 54 van 111

Beleidsregel 10.4: vervangen (woon)schip in knelpuntengebieden en hoogwaterbemalingsgebied

Beleidsregel 10.4: vervangen (woon)schip en bijbehorende steigers en afmeerpalen in de knelpuntengebieden en hoogwaterbemalingsgebied te Amsterdam

De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor het vervangen van een (woon)schip en

bijbehorende steiger en afmeerpalen in de knelpuntengebieden en het hoogwaterbemalingsgebied te

Amsterdam wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: − −

De oogmerken als bedoeld in artikel 2.4.1.2van de Waterschapsverordening;

De specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.4.1.3 van de Waterschapsverordening,

waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaarden en maatstaven: a)

De stromingsweerstand binnen het gebied mag niet toenemen ten opzichte van de bestaande

b)

De stromingsweerstand van het nieuwe (woon)schip is gelijk of minder dan de stromingsweerstand

c)

d) e) f)

g)

situatie;

van het bestaande (woon)schip;

Het nieuwe (woon)schip ligt niet geheel of gedeeltelijk in de middenstrook; en

Er is minimaal 0,3 meter afstand tussen de onderkant van het nieuwe (woon)schip en de waterbodem; en

De steigers en/of afmeerpalen (indien aanwezig) mogen gewijzigd worden indien dit geen grotere stromingsweerstand tot gevolg heeft; en

De positie van het te vervangen (woon)schip ten opzichte van de naastgelegen woonschepen is

medebepalend voor de beoordeling of de stromingsweerstand niet groter is bij het vervangende woonschip.

Binnen het gebied kan de ligging van het (woon)schip worden gewijzigd, voor zover de afstand tot het gemaal niet kleiner wordt.

Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor oppervlaktewateren richten zich op het functioneren van

het watersysteem. De afgemeerde (woon)schepen in het hoogwaterbemalingsgebied vormen een risico voor het watersysteem: −

Belemmering afvoer water: De wateren in het hoogwaterbemalingsgebied te Amsterdam hebben

een zeer belangrijke afvoerfunctie in tijden van hevige en/of langdurige neerslag. Op dat moment

moet AGV zoveel mogelijk water in zo kort mogelijke tijd kunnen wegmalen richting het IJmeer, via Amsterdam en gemaal Zeeburg, uit de achterliggende Amstelland-boezem.

Het hoogwaterbemalingsgebied in Amsterdam omvat De Nieuwe Vaart (met uitzondering van het deel tussen de Kattenburgerbrug tot aan de westelijke oever van het Entrepotdok/Wittenburgervaart), het Lozingskanaal, de Onbekende Gracht, de Nieuwe Keizers-, Prinsen-, Heren en Achtergracht,

Beleidsregels AGV

versie mei 2020

Pagina 55 van 111

Entrepotdok, de Plantage Muidergracht, de doorgang tussen Entrepotdok en Nieuwe Vaart, en de Singelgracht voor zover gelegen tussen Amstel en Lozingskanaal in Amsterdam.

Toelichting Beleidsregel 10.4 De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de Waterschapsverordening. Deze beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht. −

ad a: Het woonschip vormt geen belemmering voor de aan- en afvoer van water, het onderhoud, de ecologische kwaliteit en het vaarverkeer;

−

ad b: Bij het vervangen van (woon)schepen kunnen er mogelijkheden zijn om de afmetingen van het (woon)schip te vergroten zonder dat dit de waterweerstand vergroot. Onderhouds- en

beheersmaatregelen (bijv. frequenter verwijderen van aangroei) gelden niet als criterium om te beoordelen of de stromingsweerstand niet wordt vergroot ten opzichte van de oude situatie; − −

ad c: De middenstrook moet vrij blijven om voldoende ruimte te houden voor onderhoudsboten;

ad d: De boten moeten op voldoende afstand van de waterbodem liggen om te zorgen dat ze niet

vast komen te liggen in de bagger en dan een belemmering vormen voor de doorstroming of voor onderhoud; −

ad e: Voor het wijzigen van steigers en afmeren palen is de invloed op de stromingsweerstand doorslaggevend;

−

ad f: De stromingsweerstand van een (woon)schip is anders als het (woon)schip in een ”rijtje” ligt,

dan wanneer het aan de kop of staart van een rijtje ligt. Daarom wordt de positie van het schip ten opzichte van naastliggende schepen ook betrokken in de beoordeling; −

ad g: Een onbelemmerde doorstroming is vooral heel belangrijk dicht bij het gemaal. Om die reden is het niet wenselijk dat een woonschip dichter bij een gemaal komt te liggen.

Beleidsregel 10.5: tijdelijke werken, drijvende inrichtingen en voorwerpen Beleidsregel 10.5: plaatsen/afmeren en verwijderen van tijdelijke werken, drijvende inrichtingen en voorwerpen in het wateren

De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor het plaatsen en verwijderen van tijdelijke werken en het tijdelijk afmeren van drijvende inrichtingen en drijvende voorwerpen in de oppervlaktewaterlichamen wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: − −

De oogmerken als bedoeld in artikel 2.4.1.2 van de Waterschapsverordening;

De specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.4.1.3 van de Waterschapsverordening,

waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaarden en maatstaven: a)

b) c)

De vergunning wordt verleend voor de duur van maximaal 1 jaar;

In afwijking van onderdeel a) wordt de vergunning verleend voor de duur van maximaal 6 maanden, als het tijdelijke werk in het hoogwaterbemalingsgebied wordt geplaatst; en

Verlenging van de vergunning is mogelijk, voor zover de verlenging geen bezwaar op levert voor het functioneren van het watersysteem. Toetsing vindt plaats aan de hand van de risico

Beleidsregels AGV

versie mei 2020

Pagina 56 van 111

acceptatiecriteria van waterschap AGV (in het Strategisch Assetmanagement Plan) of de toename van het risico acceptabel is. Bij twijfel wordt een beheerderoordeel gevraagd. Dit wordt in een d) e)

vergunningvoorschrift vastgelegd. Verlenging vindt plaats binnen de verleende vergunning;

Bij de verlenging kan de vergunning gewijzigd of gedeeltelijk worden ingetrokken. Dit wordt in een vergunningsvoorschrift vastgelegd;

De afmetingen van het tijdelijk werk, de drijvende inrichting en/of het voorwerp zijn niet groter dan strikt noodzakelijk.

Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor oppervlaktewateren richten zich op het functioneren van

het watersysteem. Tijdelijke werken kunnen – net als permanente werken - een negatief effect hebben

op het watersysteem (zie toelichting bij 10.1). Soms is echter een tijdelijk werk in het water nodig voor werkzaamheden, zoals bijvoorbeeld herstel van kademuren, waar geen aanvaardbare alternatieven voorhanden voor zijn.

Toelichting Beleidsregel 10.5 De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de Waterschapsverordening. Deze beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht. −

ad a: Het tijdelijke werk vormt geen onoverkomenlijke belemmering voor de aan- en afvoer van water, het onderhoud, de ecologische kwaliteit en het vaarverkeer;

− −

ad b: AGV verleent een vergunning voor de duur van maximaal een jaar;

ad c: Voor het hoogwaterbemalingsgebied geldt een kortere duur, vanwege het grote belang van een effectieve aan- en afvoer van water en een goed functionerend watersysteem;

−

ad d: Bij werken die langer duren dan de voorgeschreven periode moet de indiener een verlenging aanvragen, die dan opnieuw wordt beoordeeld.

Beleidsregel 10.6: vervangen beschoeiing in een groene oever of natuurvriendelijke oever

Beleidsregel 10.6: vervangen beschoeiing in een groene oeverzone

De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor het vervangen van beschoeiing in een groene oeverzone of natuurvriendelijke oever wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: − −

De oogmerken als bedoeld in artikel 2.4.1.2 van de Waterschapsverordening;

De specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.4.1.3 van de Waterschapsverordening,

waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaarden en maatstaven:

Beleidsregels AGV

versie mei 2020

Pagina 57 van 111

a)

Het bestuur kan maatwerkvoorschriften stellen voor het vervangen van beschoeiing in een groene oeverzone of natuurvriendelijke oever. De maatwerkvoorschriften hebben betrekking op het te gebruiken materiaal en het ontwerp van de beschoeiing.

Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor oppervlaktewateren richten zich op het functioneren van het watersysteem. Beschoeiingen in groene oevers kunnen een negatief effect hebben op het watersysteem. Daarbij speelt vooral een rol: −

Invloed op de ecologische kwaliteit: juist de oever is van groot belang voor de ecologische kwaliteit van een watergang. Een beschoeiing kan leiden tot schade aan de oeverbegroeiing.

Toelichting Beleidsregel 10.6 De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de Waterschapsverordening. Deze beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht.

ad a: Vanwege de risico’s op schade aan de oeverbegroeiing kan het waterschap eisen stellen aan te gebruiken materiaal en ontwerp van de beschoeiing.

11. Beleidsregels voor aanleg, wijzigen en dempen van water

11.1. Reikwijdte De beleidsregels in dit hoofdstuk hebben betrekking op de beoordelingsregels voor een

omgevingsvergunning of maatwerkvoorschrift voor de aanleg, het wijzigen en het dempen van

oppervlaktewaterlichamen. De beleidsregels gaan over de aanleg van oppervlaktewateren, verdiepen van oppervlaktewateren, verbreden van oppervlaktewateren, verondiepen van oppervlaktewateren,

herstel van de oorspronkelijke oeverlijn, algemene voorwaarden voor dempen van oppervlaktewateren, gedeeltelijke demping van primaire wateren in de boezem, ophogen en bebouwen van boezemland en

opbarsting van de waterbodem.

In dit hoofdstuk wordt onder het dempen van oppervlaktewater in ieder geval begrepen het afsluiten, opheffen of isoleren van oppervlaktewaterlichamen door bijvoorbeeld: −

Het volledig dichten van oppervlaktewater door het op te vullen met materialen zoals aarde of zand;

−

Het verkleinen van het oppervlaktewater door: o

Het plaatsen van een beschoeiing vóór een bestaande beschoeiing; of

o

De nieuwe beschoeiing niet strak tegen de oever te plaatsen; of

o

Het veranderen van regenwaterbergingen zodat de bergende functie wordt aangetast; of

o

Het plaatsen van werken in het oppervlaktewater; of

Beleidsregels AGV

versie mei 2020

Pagina 58 van 111

o

o

Het ophogen of omkaden van overstroombaar boezemland; of

Het isoleren van wateren door middel van schotten.

De volgende beleidsregels kunnen mede van toepassing zijn: − −

Hoofdstuk 6

Graven in of nabij waterkeringen en beschermende gronden;

Hoofdstuk 12 Stedelijke uitbreiding.

11.2. Vergunningplichtige gevallen In de volgende paragrafen van de Waterschapsverordening zijn de vergunningplichtige gevallen aangewezen.

Paragraaf 2.4.3:

Aanwijzing vergunningplichtige gevallen primaire wateren

Paragraaf 2.4.4:

Aanwijzing vergunningplichtige gevallen secundaire wateren

Paragraaf 2.4.6:

Aanwijzing vergunningplichtige gevallen boezemland en bergingsvoorzieningen

11.3. Meldplichtige en informatieplichtige gevallen Voor het dempen van oppervlaktewaterlichamen zijn geen meldplichtige of informatieplichtige gevallen aangewezen. Dit betekent dat de beleidsregels in dit hoofdstuk alleen betrekking hebben op de vergunningplichtige gevallen.

11.4. Beleidsregels voor wijzigen en aanleg van oppervlaktewaterlichamen De beleidsregels geven uitleg over de toepassing van artikel 2.4.1.2 en 2.4.1.3 van de

Waterschapsverordening en over de afweging van belangen en vaststelling van feiten, met betrekking tot de activiteiten bedoeld in dit hoofdstuk.

Beleidsregel 11.1: aanleg van oppervlaktewaterlichamen Beleidsregel 11.1: aanleg van oppervlaktewaterlichamen

De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor de aanleg van oppervlaktewaterlichamen wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: − −

De oogmerken als bedoeld in artikel 2.4.1.2 van de Waterschapsverordening;

De specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.4.1.3 van de Waterschapsverordening,

waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaarden en maatstaven: a)

Het waterschap neemt een water niet op in de legger als de inrichting van het water niet voldoet

b)

Wateren dienen bij aanleg minimaal te voldoen aan de afmetingen in bijlage II uit de

c)

aan zijn eisen voor onderhoudbaarheid zoals onder meer is vastgelegd in het PvE-Beheer; Waterschapsverordening;

Er is na aanleg geen kans op het ontstaan van een onstabiele waterbodem.

Beleidsregels AGV

versie mei 2020

Pagina 59 van 111

Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor oppervlaktewateren richten zich op het functioneren van

het watersysteem. Het aanleggen van nieuw water kan een risico vormen voor het functioneren van het watersysteem. Mechanismen die daarbij een rol spelen zijn: −

Instabiliteit van bodem en oevers: als een nieuw water op de verkeerde manier wordt aangelegd kan het leiden tot een onstabiele bodem, bijvoorbeeld vanwege het doorbreken van afsluitende lagen. Als er onder de afsluitende laag overdruk is kan grondwater omhoog gaan stromen en

daarbij veen of zand meenemen waardoor de watergang ‘vol loopt’. Als er onderdruk is kan er juist oppervlaktewater in de bodem weg gaan zakken; −

Belemmering van aan- en afvoer van water: als een nieuw water te smal of ondiep wordt aangelegd kan het leiden tot een minder goede doorstroming, waardoor lokaal de peilen kunnen stijgen en wateroverlast op kan treden;

−

Belemmering van onderhoud: Een te smalle watergang is een belemmering voor het onderhoud, omdat het lastig is er met een maaikorf in te kunnen manoeuvreren. Ook als er zich obstakels bevinden langs de watergang is dat een belemmering voor inspecties en voor het onderhoud, omdat het waterschap er dan niet langs kan met materieel;

−

Negatieve invloed op de ecologische kwaliteit: als een nieuw water twee bestaande wateren met

elkaar verbindt, kan er ongewenste onderlinge beïnvloeding ontstaan. Dat geldt vooral als de twee bestaande wateren van elkaar verschillen qua waterpeil of waterkwaliteit.

Toelichting Beleidsregel 11.1 De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de Waterschapsverordening. Deze beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht. −

ad a en b: Het nieuw aan te leggen water moet breed genoeg zijn om eenvoudig te kunnen

onderhouden (bijvoorbeeld met een maaikorf). Ook moet het water diep genoeg zijn. De minimale afmetingen van het water moeten zodanig zijn dat het kan gaan functioneren voor de aan- en

afvoer van water zoals het bedoeld is. Het waterschap bepaalt wat de minimale afmetingen zijn, dat hangt af van de functie die het water krijgt (onderdeel van het primaire of het secundaire

watersysteem). Het is verstandig om een water 10 à 20 cm dieper aan te leggen dan de minimaal vereiste afmetingen, zodat het minder snel nodig is om te baggeren. Eisen aan de oever zijn dat het nieuw aan te leggen water een stabiele bodem en oevers moet hebben. De aanvrager moet

aantonen dat de beschermingszone van de wateren vrij is van obstakels. Het waterschap gebruikt

de beschermingszone bij het uitvoeren van onderhoud (primaire oppervlaktewaterlichamen) en bij inspecties, en moet er dus ongehinderd met materieel langs kunnen; −

ad c: Vanwege de bovengenoemde risico’s moet de initiatiefnemer maatregelen treffen om te zorgen dat de waterbodem niet onstabiel kan worden.

Beleidsregels AGV

versie mei 2020

Pagina 60 van 111

Beleidsregel 11.2: verdiepen van oppervlaktewaterlichamen Beleidsregel 11.2: verdiepen van oppervlaktewaterlichamen De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor het verdiepen van oppervlaktewaterlichamen wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: − −

De oogmerken als bedoeld in artikel 2.4.1.2van de Waterschapsverordening;

De specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.4.1.3 van de Waterschapsverordening.

waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaarden en maatstaven: a)

Het verdiepen van het water levert geen risico’s op ontstaan van een instabiele bodem.

Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor oppervlaktewateren richten zich op het functioneren van

het watersysteem. Een verdieping betekent een verstoring van het profiel van de waterbodem. Dit kan risico’s opleveren voor het watersysteem, waarbij de volgende mechanismen een rol kunnen spelen: −

Instabiliteit van bodem en oevers: Verdieping kan leiden tot een onstabiele bodem, bijvoorbeeld vanwege het doorbreken van afsluitende lagen. Als er onder de afsluitende laag overdruk is kan

grondwater omhoog gaan stromen en daarbij veen of zand meenemen. De watergang loopt als het

ware dicht met zand of veenmateriaal. Dit mechanisme versnelt dus de ophoping van bagger in het water. Het vaarverkeer kan hier last van hebben en er is vaker baggeronderhoud nodig. Als er onderdruk is kan er juist oppervlaktewater in de bodem weg gaan zakken; −

Aanvoer van brak (zout) grondwater: Bij het weggraven van de waterbodem is het mogelijk dat een andere bodemlaag bloot komt te liggen, die minder stabiel is dan de oorspronkelijke waterbodem. Als het grondwater in de ondergrond onder druk staat (wat veel voorkomt in diepe polders), kan

het grondwater omhoog komen ter plekke van de verstoorde en instabiele bodem, en er kan op die manier brak (zout) grondwater in het water stromen; −

Negatieve invloed op ecologische kwaliteit: Ook de ecologische waarde kan achteruitgaan bij een verdieping: direct, door het weggraven van planten, of indirect door een verslechtering van de

waterkwaliteit als gevolg van zout grondwater dat vanuit de bodem het water instroomt, of door de extra toevoer van bagger.

Toelichting Beleidsregel 11.2 De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de Waterschapsverordening. Deze beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht. −

ad a: Vanwege bovengenoemde risico’s mag door de ingreep geen instabiele bodem ontstaan.

Beleidsregels AGV

versie mei 2020

Pagina 61 van 111

Beleidsregel 11.3: verbreden van oppervlaktewaterlichamen Beleidsregel 11.3: verbreden van oppervlaktewaterlichamen

De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor het verbreden van oppervlaktewaterlichamen,

veranderen van het onderwatertalud en/of de oever wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: − −

De oogmerken als bedoeld in artikel 2.4.1.2 van de Waterschapsverordening;

De specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.4.1.3 van de Waterschapsverordening,

waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaarden en maatstaven: a)

De schade aan de ecologische waarde door de verbreding/verandering van

oppervlaktewaterlichamen in een groene oeverzone wordt volledig gecompenseerd waarbij: i.

ii.

b)

iii.

De verminderde oeverlengte wordt hersteld tot de oorspronkelijke oeverlengte; en

De vorm van de nieuw aan te leggen oever minimaal gelijk is aan de oorspronkelijke oever; en

De compensatie plaatsvindt in hetzelfde oppervlaktewaterlichaam;

Het verbreden van het water levert geen risico’s op ontstaan van een instabiele bodem.

Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor oppervlaktewateren richten zich op het functioneren van het watersysteem. Wat geldt voor verdieping van water (beleidsregel 11.2) geldt ook voor verbreding. Hier spelen dezelfde mechanismen een rol. De grootste risico’s zitten in het onstabiel worden van de waterbodem en de oevers, waardoor het water snel ondieper wordt, en in de aantasting van ecologische waarden.

Toelichting Beleidsregel 11.3 De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de Waterschapsverordening. Deze beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht.

ad a: Verbreding mag niet in een natuurvriendelijk oever of binnen de Ecologische hoofdstructuur,

tenzij het niet anders kan en er compensatie plaatsvindt van negatieve effecten. Daarbij is het vooral

belangrijk dat de totale oeverlengte in het betreffende water niet kleiner wordt, omdat juist in de oever - op de grens van land en water - de ecologische waarde van het watersysteem het hoogst is. Ook de

vorm van de oever is bepalend voor de ecologische waarde en deze moet dus vergelijkbaar zijn met de oorspronkelijke vorm. AGV bepaalt de voorschriften bij de vergunning op basis van de aanwezige ecologische waarde;

ad b: Vanwege bovengenoemde risico’s mag door de ingreep geen onstabiele bodem ontstaan.

Beleidsregels AGV

versie mei 2020

Pagina 62 van 111

Beleidsregel 11.4: verondiepen van oppervlaktewaterlichamen Beleidsregel 11.4: verondiepen van oppervlaktewaterlichamen

De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor het verondiepen van oppervlaktewaterlichamen wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: − −

De oogmerken als bedoeld in artikel 2.4.1.2 van de Waterschapsverordening;

De specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.4.1.3 van de Waterschapsverordening.

waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaarden en maatstaven: a)

b)

Na de verondieping blijft minimaal het leggerprofiel van primaire wateren in stand; en

Bij secundaire wateren blijft de minimale waterdiepte in stand, volgens bijlage II bij de

Waterschapsverordening onder 1.1 kolom 4, waarbij die gehele bepaling overeenkomstig van toepassing is.

Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor oppervlaktewateren richten zich op het functioneren van het watersysteem. Verondiepen van wateren brengt risico’s met zich mee voor het watersysteem. Mechanismen die daarbij een rol spelen zijn: −

Belemmering wateraan- en afvoer: Belemmering treedt op als het profiel van de watergang

(breedte en diepte) door de verondieping kleiner wordt dan minimaal noodzakelijk is. Voor

primaire wateren staat het minimale profiel in de legger. Secundaire wateren zijn minder belangrijk voor de aan- en afvoer. Hiervoor gelden nog geen leggerprofielen, maar wel een minimale

waterdiepte. Bij de verondieping dient men rekening te houden met de aanwas van bagger op de verondiepte waterbodem. Hierdoor is het niet wenselijk om het water te verondiepen tot aan de minimale waterdiepte; −

Negatieve invloed op de ecologische kwaliteit: te ondiepe wateren zijn ongunstig voor de

ecologische kwaliteit, met name doordat ze snel opwarmen. Hierdoor komen allerlei processen op

gang, zoals het ontstaan van zuurstofloosheid, het vrijkomen van voedingsstoffen uit de bodem en het vrijkomen van methaan uit de bodem (broeikasgas). Bij te hoge watertemperaturen kan

massaal vissterfte optreden. In de winter kunnen ondiepe sloten makkelijker dichtvriezen, wat ook vissterfte en sterfte onder amfibieën tot gevolg kan hebben.

Toelichting Beleidsregel 11.4 De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de Waterschapsverordening. Deze beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht. −

ad a en b: Vanwege bovenstaande risico’s moeten wateren blijven voldoen aan een minimale diepte.

Beleidsregels AGV

versie mei 2020

Pagina 63 van 111

Beleidsregel 11.5: herstel van de oorspronkelijke oeverlijn Beleidsregel 11.5: herstel van de oorspronkelijke oeverlijn

De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor het herstel van de oorspronkelijke oeverlijn wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: − −

De oogmerken als bedoeld in artikel 2.4.1.2 van de Waterschapsverordening;

De specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.4.1.3 van de Waterschapsverordening,

waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaarden en maatstaven: a)

Bij het herstel van de oorspronkelijke oeverlijn van primaire wateren ligt de oeverlijn niet in het

b)

De oeverlijn was niet verplaatst als compensatie voor een demping elders en/of als een maatregel

c)

d) e) f)

huidige leggerprofiel van het water; en van het waterschap; en

De oorspronkelijke oeverlijn is tenminste even lang als de huidige oeverlijn;.

Bij secundaire wateren blijven de minimale afmetingen volgens bijlage II bij de Waterschapsverordening onder 1.1 kolom 4 in stand; en

De eigenaren van de percelen die aan het water grenzen of van de grond onder het water stemmen in met het herstel van de oorspronkelijke oeverlijn;

De ligging van de gewenste oeverlijn kan tot maximaal 15 jaar geleden als oorspronkelijke oeverlijn worden gekwalificeerd;

Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor oppervlaktewateren richten zich op het functioneren van het watersysteem. In de loop der jaren kan een oeverlijn verschuiven, bijvoorbeeld bij afkalving van oevers door golfslag.

Toelichting Beleidsregels 11.5 De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de Waterschapsverordening. Deze beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht. −

ad a: Uiteraard mag de aanpassing van de oeverlijn niet leiden tot problemen in de aan- en afvoer van het watersysteem: het profiel mag niet kleiner worden dan wat minimaal nodig is volgens de legger voor een goede aan- en afvoer van water;

−

ad b: De aanvrager moet ook kunnen aantonen dat de oeverlijn in de afgelopen 15 jaar

daadwerkelijk ergens anders heeft gelegen en onbedoeld is verschoven. Dat wil zeggen: niet

bewust verplaatst als compenserende maatregel voor demping elders of als maatregel in een watergebiedsplan; −

ad c: De oeverlengte mag niet kleiner worden dan in de huidige situatie. Dit is belangrijk vanwege de ecologische waarde van de oever;

Beleidsregels AGV

versie mei 2020

Pagina 64 van 111

−

ad d: Secundaire wateren mogen niet te ondiep worden, vanwege het negatieve effect op de ecologische kwaliteit (zie ook 11.4);

− −

ad e: Herstel van de oeverlijn kan alleen als de grondeigenaren er mee instemmen;

ad f: Als de initiatiefnemer kan aantonen dat hij de oeverlijn wil terugbrengen naar de situatie

zoals die maximaal 15 jaar geleden was, is er geen sprake van ‘demping’ van water en hoeft de initiatiefnemer geen compenserende maatregelen te treffen.

Beleidsregel 11.6: algemene voorwaarden dempen van oppervlaktewater Beleidsregel 11.6: algemene voorwaarden dempen oppervlaktewater

De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor dempen van oppervlaktewaterlichamen wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: − −

De oogmerken als bedoeld in artikel 2.4.1.2 van de Waterschapsverordening;

De specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.4.1.3 van de Waterschapsverordening,

waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaarden en maatstaven: a)

Het verlies aan open-waterberging en het effect op de water aan- en afvoer van de demping wordt volledig gecompenseerd, waarbij de omvang van de compensatie ten minste gelijk is aan het

verlies aan berging door de demping. Bij het bepalen van de omvang van de compensatie blijven b) c)

d) e)

duikers buiten beschouwing; en

De uitvoerbaarheid van de compensatie gewaarborgd is (technisch, juridisch en financieel); en

De compensatie overeenkomstig beleidsregel 11.1 of, ingeval van primair water, de beleidsregels

van hoofdstuk 12 plaatsvindt; en

De demping leidt niet tot geïsoleerde oppervlaktewaterlichamen of doodlopende oppervlaktewaterlichamen; en

De schade aan de ecologische waarde door de demping in een groene oeverzone wordt volledig gecompenseerd waarbij; i.

De verminderde oeverlengte wordt hersteld tot de oorspronkelijke oeverlengte; en

ii.

De vorm van de nieuw aan te leggen oever is minimaal gelijk aan de oorspronkelijke

iii.

De compensatie vindt plaats in hetzelfde oppervlaktewaterlichaam; en

oever; en

f)

De demping veroorzaakt geen grondwater- en oppervlaktewateroverlast bij nabijgelegen percelen;

g)

De demping leidt niet tot verkleining van het doorvaartprofiel of als er geen doorvaartprofiel is

h) i)

j)

k)

en

vastgesteld, tot belemmeringen voor de doorvaart in de middenstrook (2,5 m aan weerszijden van de as van de watergang);

Compensatie moet gebeuren binnen het watersysteem dat belast wordt; Een tijdelijke demping vindt plaats niet langer dan nodig;

De vergunning voor een tijdelijke demping wordt verleend voor de duur van maximaal 1 jaar;

In afwijking van onderdeel j) wordt de vergunning verleend voor de duur van maximaal 6 maanden, als de tijdelijke demping in het hoogwaterbemalingsgebied plaats vindt; en

Beleidsregels AGV

versie mei 2020

Pagina 65 van 111

l)

Verlenging van de vergunning is mogelijk, voor zover de verlenging geen bezwaar op levert voor het functioneren van het watersysteem. Toetsing vindt plaats aan de hand van de risico

acceptatiecriteria van waterschap AGV (in het Strategisch Assetmanagement Plan) of de toename van het risico acceptabel is. Bij twijfel wordt een beheerderoordeel gevraagd. Dit wordt in een vergunningvoorschrift vastgelegd. Verlenging vindt plaats binnen de verleende vergunning;

m) Bij de verlenging kan de vergunning gewijzigd of gedeeltelijk worden ingetrokken. Dit wordt in een vergunningsvoorschrift vastgelegd.

Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor oppervlaktewateren richten zich op het functioneren van het watersysteem. Demping van oppervlaktewater vormt een risico voor het functioneren van het watersysteem. Daarbij spelen de volgende mechanismen een rol: −

Minder berging: Wateroverlast kan ontstaan als een gebied onvoldoende water kan bergen. Berging van water vindt onder andere plaats in het oppervlaktewatersysteem. Het dempen van oppervlaktewaterlichamen verkleint de bergingscapaciteit van het systeem;

−

Belemmering wateraan-en afvoer: Wateroverlast kan ook ontstaan als het watersysteem het water onvoldoende snel kan afvoeren. Stagnatie in de afvoer ontstaat als water geïsoleerd ligt, bijvoorbeeld als gevolg van demping van een deel van de watergang. Dit kan leiden tot

overstroming van nabijgelegen percelen. Ook als er geen sprake is van isolatie van water kan demping van een deel van het watersysteem leiden tot verminderde afvoer van grond- en

oppervlaktewater uit nabijgelegen percelen: water kan minder snel wegstromen waardoor de peilen in de sloten en de grondwaterstand stijgen. Hierdoor kan wateroverlast in de percelen optreden; −

Effect isolatie op ecologische kwaliteit: Ook kan in geïsoleerde wateren de waterkwaliteit

verslechteren door minder waterbeweging en ‘verversing’, waardoor zuurstofgebrek in het water kan optreden; −

Effect minder oeverlengte op ecologische kwaliteit: Als door demping de oeverlengte minder wordt

heeft dat negatieve effecten op de ecologische kwaliteit, omdat juist de oever ecologisch waardevol is; −

Belemmering van het vaarverkeer: Demping van (een deel van een) vaarroute vormt een obstakel voor vaarverkeer en recreatief medegebruik;

−

Belemmering van onderhoud en toezicht: Ook voor onderhoud en toezicht kan demping een obstakel vormen, daar waar het gebeurt met varend materieel.

Toelichting Beleidsregel 11.6 De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de Waterschapsverordening. Deze beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht. −

ad a, b en c: Dempen mag dan alleen als de aanvrager een compenserende maatregel treft waarmee de bergingscapaciteit en doorstroming van het systeem tenminste gelijk blijft;

−

ad d: De demping mag niet leiden tot geïsoleerde oppervlaktewaterlichamen of doodlopende oppervlaktewaterlichamen, vanwege het effect op de wateraan- en afvoer en het ecologische

effect. In stilstaand water kan sneller zuurstofgebrek optreden, waardoor bijvoorbeeld vissen dood

Beleidsregels AGV

versie mei 2020

Pagina 66 van 111

kunnen gaan. Ook leidt isolatie er toe dat vissen zich niet meer van de ene naar de andere watergang kunnen verplaatsen; −

ad e: Het is belangrijk dat de totale oeverlengte in het betreffende water niet kleiner wordt, omdat juist in de oever - op de grens van land en water - de ecologische waarde van het watersysteem

het hoogst is. Ook de vorm van de oever is bepalend voor de ecologische waarde en deze moet dus vergelijkbaar zijn met de oorspronkelijke vorm. Schade aan de ecologische waarde door de demping in een groene oeverzone moet volledig worden gecompenseerd in hetzelfde oppervlaktewaterlichaam. Compensatie is effectief en compenseert het negatieve waterhuishoudkundige effect van de demping; −

ad f: De demping veroorzaakt geen grondwater- en oppervlaktewateroverlast bij nabijgelegen percelen; en

−

ad g: Demping mag niet leiden tot belemmeringen voor het vaarwegverkeer of het recreatief

medegebruik van water. Het onderhoud van (brede) oppervlaktewaterlichamen gebeurt meestal

met varend materieel. Ook kan het waterschap op brede oppervlaktewaterlichamen het toezicht uitvoeren vanaf een boot; −

ad h: Compenseren binnen watersysteem dat belast wordt. Compensatie op een andere locatie is mogelijk wanneer het totale positieve effect op de waterhuishouding daarmee groter is.

Beleidsregels AGV

versie mei 2020

Pagina 67 van 111

Beleidsregel 11.7: gedeeltelijke demping primaire wateren in de boezem Beleidsregel 11.7: gedeeltelijke demping van primaire wateren in boezemsysteem

De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor gedeeltelijke demping van een primair water, dat onderdeel uitmaakt van het boezemsysteem wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: − −

De oogmerken als bedoeld in artikel 2.4.1.2 van de Waterschapsverordening;

De specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.4.1.3 van de Waterschapsverordening,

waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaarden en maatstaven: a)

De algemene voorwaarden van beleidsregel 11.6 gelden; en

c)

In de gebieden aangegeven op de verhangkaart, waar het verhang tussen de 1 cm en 2 cm/km ligt,

b)

d)

De gedeeltelijke demping wordt volledig gecompenseerd; en

vindt een specifieke afweging plaats tussen het effect op de doorstroming en de noodzaak van de demping;

In de gebieden aangegeven op de verhangkaart, waar het verhang groter is dan 2 cm/km, is

gedeeltelijke demping in beginsel niet verenigbaar met de oogmerken en specifieke zorgplichten.

Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor oppervlaktewateren richten zich op het functioneren van het watersysteem. Demping van delen van het boezemsysteem brengt dezelfde risico’s met zich mee als demping van wateren in polders (zie ook 11.6 en 11.7), maar kent extra risico’s als het gaat om bescherming tegen overstroming.

Daarbij spelen de volgende mechanismen een rol: −

Afname berging in de boezem: De hoeveelheid waterberging in het boezemsysteem is van belang als het waterpeil stijgt. Er is ruimte nodig om dit water veilig te bergen. Als er onvoldoende bergingsruimte is kan het waterpeil zo ver stijgen dat het over de dijken kan stromen.

Klimaatmodellen wijzen erop dat het vaker en harder kan gaan regenen, met extra belasting van het boezemsysteem als gevolg; −

Belemmering wateraan- en afvoer: Demping kan als gevolg hebben dat het water minder goed

door kan stromen, waardoor het waterpeil bovenstrooms van de demping stijgt ten opzichte van benedenstrooms: het verhang wordt groter. Als het peil te veel stijgt bestaat het risico dat de dijken bovenstrooms in de boezem niet meer voldoen aan de vereiste hoogte die de veilgheidsnormen voorschrijven.

Toelichting Beleidsregel 11.7 De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de Waterschapsverordening. Deze

beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht. Vanwege de risico’s is AGV terughoudend met het verlenen van vergunningen voor demping in de boezem en zijn er strikte voorwaarden.

Beleidsregels AGV

versie mei 2020

Pagina 68 van 111

−

ad a: De gedeeltelijk demping mag niet leiden tot minder berging, geïsoleerde of doodlopende

wateren, schade aan ecologische waarde, belemmering van wateraan- en afvoer en belemmering van het vaarverkeer; −

ad b: Zeker met het oog op de klimaatontwikkelingen in de toekomst is het belangrijk dat alle

afname in waterberging volledig wordt gecompenseerd. In de vergunning stelt het waterschap

eisen aan compenserende maatregelen. Een compenserende maatregel voor het dempen in de

boezem kan zijn: het verlagen van het maaiveld van boezemland, ter plekke van de demping of

elders in het boezemsysteem. Boezemland mag onder water lopen bij hoogwater. Het fungeert als

‘reserve-opvangbak’. Door de verlaging van het maaiveld kan het boezemland meer water bergen, waardoor de totale bergingscapaciteit van het systeem na de compensatie gelijk blijft. Belangrijk aandachtspunt hierbij is dat boezemland ecologisch gezien van grote waarde is. Een

compenserende maatregel voor het dempen van boezem mag niet leiden tot verslechtering van de ecologische waarde. Daarnaast moet ook de doorstroming in tijden van hoog water voldoende

blijven, omdat het waterpeil in de boezem anders alsnog te veel kan stijgen. Een compenserende maatregel mag elders in het boezemsysteem worden genomen als het waterschap van mening is dat de situatie op die locatie knellender is dan de locatie waar de demping plaatsvindt. Bij deze

werkwijze moet nog steeds worden voldaan aan alle andere voorwaarden uit deze beleidsregel; −

ad c en d: Daarnaast zet het waterschap zich in om het water goed door te laten stromen, ook bij

hoge waterstanden. Als maat voor de doorstroming wordt het verhang in cm per km gebruikt. Een verhang in de waterstand is nodig om water te laten stromen, maar een te groot verhang kan

ervoor zorgen dat water niet goed of niet snel genoeg kan worden afgevoerd. Met een te groot

verhang in de boezem bestaat het risico dat de dijken in het zuidelijke deel van de boezem niet

meer voldoen aan de veiligheidsnormen. In de toekomst verwachten we dat de zeespiegel verder stijgt en de intensiteit van neerslag toeneemt. Dit zorgt voor een grotere uitdaging om het water goed en snel af te voeren. Daar waar het verhang kleiner dan of gelijk is aan 1 cm/km, wordt de

doorstroming niet belemmerd. Op deze locaties mag het verhang ook niet verslechteren. Waar het

verhang groter is dan 1 cm/km wordt de doorstroming belemmerd. Op die locaties ligt een opgave om de doorstroming te verbeteren. In de gebieden aangegeven op verhangkaart waar het verhang tussen de 1 en 2 cm/km ligt, wordt een specifieke afweging gemaakt tussen het effect op de doorstroming en de noodzaak van de demping. Een alternatief kan bijvoorbeeld zijn om

overhangende constructies te gebruiken, in plaats van constructies waarbij palen in het water worden aangebracht. Een demping, in een gebied waar het verhang 2 cm/km of hoger is, is onwenselijk.

Beleidsregel 11.8: ophogen/bebouwen van boezemland Beleidsregel 11.8: ophogen/bebouwen van boezemland

De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor het ophogen/bebouwen van boezemland wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: − −

De oogmerken als bedoeld in artikel 2.4.1.2van de Waterschapsverordening;

De specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.4.1.3 van de Waterschapsverordening,

waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaard en maatstaf:

Beleidsregels AGV

versie mei 2020

Pagina 69 van 111

a)

Het ophogen/bebouwen van overstroombaar boezemland is in beginsel niet verenigbaar met de

b)

Als ondanks beleidsregel a) een beroep wordt gedaan op zwaarwegende redenen van openbaar

oogmerken en specifieke zorgplichten;

belang als bedoeld in artikel 2.5.1.1.5 van de Waterschapsverordening wordt in ieder geval het

volgende meegewogen: −

Het verlies aan berging op het boezemland wordt volledig gecompenseerd. De omvang van de compensatie is tenminste gelijk aan het verlies aan berging door de ophoging/bebouwing

Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor oppervlaktewateren richten zich op het functioneren van het watersysteem. Ophogen/bebouwen van boezemland brengt risico’s met zich mee voor het watersysteem. Daarbij spelen de volgende mechanismen een rol: -

Vermindering van de bergingscapaciteit: Boezemland is onderdeel van het boezemsysteem. Het

zijn (droge) stukken land die tussen de boezemwaterkeringen (dijken) en de boezem zelf in liggen. Overstroombaar boezemland zijn onbebouwde delen van het boezemland die bij hoog water (maximaal 0,00 m NAP) onder water komen te staan. Dit boezemland heeft een functie als

waterberging bij hoge waterstanden op de boezem en heeft vaak hoge ecologische waarden. Bij hoge waterstanden op de boezem kan het overstroombaar boezemland onder water lopen.

Hiermee draagt het boezemland bij aan de waterberging in de boezem. Het zorgt ervoor dat het

waterpeil in de boezem minder hard stijgt. Klimaatverandering leidt ertoe dat het vaker en harder gaat regenen. Dit betekent ook dat er voldoende ruimte moet zijn voor water en daarmee ook

waterberging. Het beschermen van overstroombaar boezemland kan dan ook worden gezien als een vorm van klimaatadaptatie. De druk op de ruimte neemt toe vanuit diverse ruimtelijke

ontwikkelingen. (Overstroombaar) boezemland wordt steeds vaker gezien als een aantrekkelijke locatie om nieuwe woningen te realiseren. Gezien de grote uitdagingen van de toekomst, is het -

niet langer wenselijk dat overstroombaar boezemland wordt bebouwd;

Negatief effect op ecologische kwaliteit: Overstroombaar boezemland vormt, omdat dit vlak boven het waterpeil ligt, een unieke leefomgeving voor flora en fauna. Boezemland vormt een unieke

overgang van een natte leefomgeving (in de boezem) naar een droge omgeving. Hierdoor is het

overstroombaar boezemland ecologisch gezien van grote waarde. Overstroombaar boezemland draagt daardoor bij aan een goede waterkwaliteit.

Beleidsregels De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de Waterschapsverordening. Deze beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht. -

Alleen in gevallen van zwaarwegende redenen van openbaar belang kan een uitzondering worden gemaakt. Hierbij valt te denken aan grote infrastructurele projecten, waarvoor een tracébesluit is opgesteld. Bij deze projecten blijft de voorwaarde bestaan dat het verlies aan berging op het boezemland volledig moet worden gecompenseerd.

Beleidsregels AGV

versie mei 2020

Pagina 70 van 111

Beleidsregel 11.9: maatwerkvoorschriften opbarsting Beleidsregel 11.9: maatwerkvoorschriften verdiepen secundaire wateren (opbarsting)

De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor het verdiepen van secundaire wateren wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: − −

De oogmerken als bedoeld in artikel 2.4.1.2 van de Waterschapsverordening;

De specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.4.1.3 van de Waterschapsverordening,

waarbij het bestuur kan maatwerkvoorschriften stellen: a)

Omtrent de inhoud van de maatregelen bij een melding in geval van opbarsting bij het verdiepen van secundaire wateren. Het gaat hierbij om alle maatregelen die nodig zijn om de breuk in de

waterbodem (opbarsting) te dichten en de schade aan het watersysteem als gevolg van de breuk b)

ongedaan te maken of, als dat niet mogelijk is, te beperken;

Waarin een maximale diepte van de waterbodem ten opzichte van het laagste streefpeil

voorgeschreven wordt die afwijkt van de waarden zoals vastgelegd in de Waterschapsverordening: i.

Indien aanleg of wijziging van het water met de voorschreven diepte redelijkerwijs niet mogelijk is; of

ii. iii. c)

Tot gevolg kan hebben dat de waterbodem opbarst; of

Verlies aan ecologische kwaliteit en waterkwaliteit tot gevolg kan hebben.

Over het herstel van de oevervegetatie;

Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor oppervlaktewateren richten zich op het functioneren van het watersysteem. Verdieping van secundaire wateren kan een negatief effect hebben op het

watersysteem. De mechanismen die hierbij een rol spelen zijn beschreven in de motivering bij beleidsregel 11.2.

Beleidsregel De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de Waterschapsverordening. Deze beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht. −

Vanwege de risico’s kan het waterschap maatwerkvoorschriften stellen voor de manier van uitvoeren van de werkzaamheden.

Beleidsregels AGV

versie mei 2020

Pagina 71 van 111

12. Beleidsregels voor stedelijke uitbreiding 12.1. Reikwijdte De beleidsregels in dit hoofdstuk hebben betrekking op de beoordelingsregels voor een

omgevingsvergunning voor de uitbreiding van verhard oppervlak in of buiten stedelijk gebied. De beleidsregels gaan over de algemene voorwaarden voor de aanleg van verhard oppervlak en over compensatie door alternatieve waterberging.

Dit hoofdstuk gaat over nieuwbouw buiten en aansluitend op stedelijk gebied, verdichting van de

bebouwing in stedelijk gebied, de aanleg van kassen en van wegen. Door verharding van het oppervlak kan regenwater niet in de bodem infiltreren. Kunstgrasvelden en sportvelden vallen niet onder

‘verharding oppervlak’. Ook terreinen die braak liggen waar eerder bebouwing op stond worden beschouwd als ‘al verhard’, als de bestemming niet is gewijzigd. De volgende beleidsregels kunnen mede van toepassing zijn: Hoofdstuk 6

Graven of grond verstoren in of nabij waterkeringen

12.2. Vergunningplichtige gevallen In de volgende paragrafen van de Waterschapsverordening zijn de vergunningplichtige gevallen aangewezen.

Paragraaf 2.1.2:

Vergunningplicht en compensatienorm.

Paragraaf 3.1.1:

Vergunningplicht en compensatienorm per afwateringsgebied

12.3. Meldplichtige en informatieplichtige gevallen Voor de aanleg van verharding en stedelijke uitbreiding zijn geen meldplichtige of informatieplichtige gevallen aangewezen in de Waterschapsverordening. Dat betekent dat de beleidsregels alleen gelden voor de vergunningplichtige gevallen.

12.4. Beleidsregels voor aanleg verhard oppervlak De beleidsregels geven uitleg over de toepassing van artikel 2.1.1.2 en 2.1.1.3 van de

Waterschapsverordening en over de afweging van belangen en vaststelling van feiten, met betrekking tot de activiteiten bedoeld in dit hoofdstuk.

Beleidsregel 12.1: algemene voorwaarden aanleggen van verhard oppervlak Beleidsregel 12.1: algemene voorwaarden aanleggen verhard oppervlak

De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor het aanleggen van verhard oppervlak met een doorlatendheid van minder dan 90 l/s/ha: wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: − −

De oogmerken als bedoeld in artikel 2.1.1.2 van de Waterschapsverordening;

De specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.1.1.3 van de Waterschapsverordening,

waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaarden en maatstaven:

Beleidsregels AGV

versie mei 2020

Pagina 72 van 111

a)

De verharding wordt zodanig aangelegd dat het hemelwater gecontroleerd kan afstromen naar het

b)

Het verlies aan berging als gevolg van de aanleg van het verharde oppervlak wordt

c)

open water of de bergingsvoorzieningen; en

gecompenseerd. De compensatie wordt in beginsel gerealiseerd vóórdat de verharding plaatsvindt;

Hoeveel compensatie (in de vorm van open water) nodig is verschilt per afwateringsgebied:

uitgangspunt is 10 % van de oppervlakte van het verhard oppervlak dat er bij komt, tenzij het

bestuur anders besluit tot minder of meer, waarbij een maximum geldt van 20 %.

Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor oppervlaktewateren richten zich op het functioneren van het watersysteem. Het aanleggen van verhard oppervlak, zoals asfalt en bestrating, kan risico’s met

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9567505/3