CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

TKN - 19 Water (39) Bijlage 3 - inspraakversie Beleidsregels bij Waterschapsverordening AGV 2021.pdf

Raadscommissie Mobiliteit, Luchtkwaliteit, Water (MLW) 14 januari 2021, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Zienswijze ontwerp-Waterschapsverordening AGV (ZD2020-013180)34.806 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Het kan ook voorkomen dat er geen kruising van de dijk zelf plaatsvindt, maar dat de werken in de langsrichting van een waterkering worden aangelegd: −

Stabiliteitsverlies door afgraving: De afgraving die nodig is om een tunnel of een onderdoorgang van een aquaduct aan te leggen kan stabiliteitsverlies van de dijk veroorzaken;

−

Verweking: De fundering in de ondergrond kan een negatieve invloed hebben op de stabiliteit,

doordat water door de harde constructie (bijvoorbeeld een damwand of een betonwand) niet meer uit kan treden (badkuipeffect). Dit kan leiden tot verweking en stabiliteitsverlies; −

Doorboren afsluitende laag: Ook kan de fundering een afsluitende kleilaag perforeren, waardoor kortsluiting tussen verschillende watervoerende lagen kan optreden.

Beleidsregels De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de Waterschapsverordening. Deze beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht.

Beleidsregels AGV

versie mei 2020

Pagina 25 van 111

−

ad b: Er mogen geen risico’s zijn voor het functioneren van de waterkering. Het ontwerp moet

uiteraard deugdelijk zijn en voldoen aan de meest recente NEN-normen. De in- en uitrit van een tunnel onder een kering door of een onderdoorgang van bijvoorbeeld een aquaduct moeten op kruinhoogte liggen om te voorkomen dat er overstromingen plaatsvinden als de constructie

bezwijkt. Alleen als het echt niet anders kan, mogen de in- en uitrit onder de kruinhoogte liggen, maar ze moeten dan wel afsluitbaar zijn met een noodkering die voldoet aan de geldende kadeklasse, voor het geval zich een calamiteit voordoet.

Beleidsregel 3.3: verkeersdrempels en -plateaus Beleidsregel 3.3: verkeersdrempels en verkeersplateaus De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor het aanbrengen van al dan niet dynamische verkeersdrempels en verkeersplateaus in de kernzone en beschermingszone van waterkerende

dijklichamen, half-verholen en verholen waterkeringen en in beschermende gronden wordt alleen

verleend als het verenigbaar is met: − −

De oogmerken als bedoeld in artikel 2.3.1.2 van de Waterschapsverordening;

De specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.3.1.3 van de Waterschapsverordening,

waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaarden en maatstaven: a)

De stootbelastingen leiden niet tot onevenredig grote zettingen;

c)

De klei-aanvullingen, vooral aan de hoogwaterzijde van de verkeersdrempel, zijn voldoende dik en

b)

Het gebruikte materiaal tast de waterdichtheid van de waterkering niet aan; erosiebestendig.

Let op. Beweegbare obstakels, waarbij een constructie uit het wegdek omhoog komt, zijn werken die vallen onder beleidsregel 1.1 uit hoofdstuk 1 werken in waterkeringen.

Motivering Snelheidsremmende voorzieningen in de vorm van lokale hoogteverschillen bestaan in het algemeen

uit verkeersdrempels of plateaus. Deze voorzieningen kunnen een risico opleveren voor de stabiliteit van de dijk. Daarbij spelen verschillende mechanismen een rol: a)

Door het hoogteverschil kunnen stootbelastingen optreden, zeker bij zwaar vrachtverkeer en/of bij hoge snelheden. Stootbelastingen kunnen leiden tot lokale zettingsverschillen, scheurvorming en andere deformaties in de waterkering, in het bijzonder bij een slappe en samendrukbare

b)

ondergrond van klei- en veenlagen;

Ook kan het water in het dijklichaam en de ondergrond onder druk komen te staan. Dit kan de

stabiliteit van de waterkering negatief beïnvloeden. Met name bij directe waterkeringen met een

beperkte breedte kan dit ernstige gevolgen hebben. Daarnaast is er een risico dat de aangebrachte voorzieningen niet helemaal waterdicht zijn. Hierdoor kan water in de dijk sijpelen, hetgeen slecht c)

is voor de stabiliteit;

Ook kan een verkeersdrempel aangrijpingspunt zijn voor erosie. Dit kan de dijk beschadigen en dat is – vooral aan de hoogwaterzijde – risicovol.

Beleidsregels AGV

versie mei 2020

Pagina 26 van 111

4. Beleidsregels voor beschoeiingen en damwanden bij waterkeringen

4.1. Reikwijdte Deze beleidsregels hebben betrekking op de beoordelingsregels voor vergunningen en

maatwerkvoorschriften voor het aanbrengen, vervangen, hebben of verwijderen van beschoeiingen en

damwanden bij waterkerende dijklichamen, half-verholen en verholen waterkeringen. De beleidsregels

gaan over tijdelijke damwanden, beschoeiingen, damwanden en het aanbrengen van damwanden en

beschoeiingen.

Voor damwanden die dienen als vervanging van een waterkerend element gelden de beleidsregels uit hoofdstuk 2. Damwanden met een waterkering vervangende functie vallen onder beleidsregel 2.2. In dit hoofdstuk wordt onder damwand in ieder geval begrepen: −

Damwandplanken en damwanden ten behoeve van bouwkuipen. Deze zorgen er voor dat de

grondwaterstand in de buurt van de bouwkuip niet te ver daalt bij het onttrekken van grondwater. Dit voorkomt schade in de omgeving; −

Damwanden ten behoeve van het uitvoeren van werkzaamheden waarbij een grondlichaam stabiel moet worden gehouden;

−

Tijdelijke damwanden zijn damwanden die ten behoeve van werkzaamheden worden geplaatst en

−

Permanente damwanden die blijven staan nadat werkzaamheden zijn afgerond. Een voorbeeld kan

na afloop van deze werkzaamheden weer worden verwijderd;

zijn een oeverbeschoeiing, maar ook damwanden die een parkeergarage droog houden. De volgende beleidsregels kunnen mede van toepassing zijn: − − − − −

Hoofdstuk 1:

Werken op waterkeringen;

Hoofdstuk 6:

Graven in of nabij waterkeringen;

Hoofdstuk 2:

Waterkerende werken en inlaten in waterkeringen;

Hoofdstuk 11: Aanleg, wijzigen en dempen van wateren; Hoofdstuk 13: Grondwateronttrekkingen.

4.2. Vergunningplichtige gevallen In de volgende paragrafen van de Waterschapsverordening zijn de vergunningplichtige gevallen aangewezen.

Paragraaf 2.3.2: Aanwijzing vergunningplichtige gevallen waterkerende lichamen. Paragraaf 2.3.3: Aanwijzing vergunningplichtige gevallen half-verholen waterkeringen. Paragraaf 2.3.4: Aanwijzing vergunningplichtige gevallen verholen waterkeringen. Paragraaf 2.3.5: Aanwijzing vergunningplichtige gevallen beschermde gronden.

Beleidsregels AGV

versie mei 2020

Pagina 27 van 111

4.3. Meldplichtige en informatieplichtige gevallen In de afdeling 3.2 van de Waterschapsverordening zijn de activiteiten aangewezen waarvoor een

meldplicht of informatieplicht geldt. Voor deze activiteiten zijn tevens activiteitgerichte specifiek zorgplichten opgesteld. De beleidsregels zijn van toepassing bij de beoordeling van

maatwerkvoorschriften in aanvulling of afwijking van de activiteitgerichte specifieke zorgplichten in afdeling 3.2 van de Waterschapsverordening.

De beleidsregels in dit hoofdstuk zijn van toepassing bij de beoordeling van maatwerkvoorschriften in

aanvulling of afwijking van de activiteitgerichte specifieke zorgplichten in: Paragraaf 3.2.8: Beschoeiingen. Paragraaf 3.2.9: Werken in verholen waterkeringen.

4.4. Beleidsregels voor beschoeiingen en damwanden bij waterkeringen De beleidsregels geven uitleg over de toepassing van artikel 2.3.1.2 en 2.3.1.3 van de

Waterschapsverordening en over de afweging van belangen en vaststelling van feiten, met betrekking tot de werken bedoeld in dit hoofdstuk.

Risico’s van het aanleggen van een beschoeiing of damwand bij een kering is dat het de stabiliteit van de waterkering kan aantasten en invloed kan hebben op het beheer en onderhoud. Vanwege deze risico’s stelt AGV voorwaarden aan de vergunningen voor beschoeiingen en damwanden bij

waterkeringen. AGV toetst de veiligheid van damwanden apart als niet-waterkerend object (NWO) als

onderdeel van de veiligheidstoetsing van de dijken. Dit is een kostbare procedure. Ook dat is een reden om terughoudend om te gaan met het toestaan van damwanden in waterkeringen.

Beleidsregel 4.1: damwanden Beleidsregel 4.1: plaatsen en verwijderen van damwanden in en nabij waterkeringen De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor het plaatsen en verwijderen van damwandplanken en damwanden ten behoeve van werken, niet zijnde een beschoeiing, binnen de kernzone en

beschermingszone van waterkerende dijklichamen, verholen en half-verholen waterkeringen wordt

alleen verleend als het verenigbaar is met: − −

De oogmerken als bedoeld in artikel 2.3.1.2 van de Waterschapsverordening;

De specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.3.1.3 van de Waterschapsverordening,

waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaarden en maatstaven: a) b) c)

De constructie voldoet aan de geldende (TAW-)eisen voor waterkerende of grondkerende

constructies; en

De damwand is bestand tegen eventuele ophoging en versterking van de dijk, negatieve kleef en horizontale gronddruk;

Bij gebruik van een methode die trillingen veroorzaakt wordt de vergunning alleen verleend als de methode verenigbaar is met de oogmerken als bedoeld in artikel 2.3.1.2 van de

Waterschapsverordening en de specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.3.1.3van de d)

Waterschapsverordening;

Een permanente damwand in de kernzone van waterkerende dijklichamen, verholen en half-

verholen waterkeringen is in beginsel niet verenigbaar met de oogmerken en specifieke zorgplichten;

Beleidsregels AGV

versie mei 2020

Pagina 28 van 111

e)

In afwijking van het gestelde onder d) is het plaatsen van de permanente damwand in de kernzone van een waterkerend dijklichaam wel verenigbaar met de oogmerken en specifieke zorgplichten in het vlakke achterland achter de teen van de dijk, wanneer er sprake is van een zogenaamde

f)

g)

vergrote kernzone;

Er is geen aanvaardbaar alternatief voor het plaatsen van een tijdelijke damwand;

Een tijdelijke damwand (inclusief eventuele ankers) kan verwijderd worden, zonder onacceptabele schade aan de waterkering te veroorzaken.

Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor waterkeringen richten zich op de stabiliteit en het

functioneren van de waterkering. Net als bij tijdelijke damwanden kunnen ook permanente damwanden risico’s met zich meebrengen voor de stabiliteit van de waterkering. Hierbij spelen diverse mechanismen een rol: −

Zetting door gewicht: Het aanbrengen van een damwand levert risico op voor de waterkering, onder andere vanwege het gebruik van doorgaans zwaar materieel;

−

Uitdrogen: Vooral bij veendijken kunnen damwanden een grote invloed hebben op de

grondwaterstand in de waterkering. Hierdoor kan de waterkering uitdrogen en minder stabiel worden.

Beleidsregels AGV

versie mei 2020

Pagina 29 van 111

Toelichting Beleidsregel 4.1 De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de Waterschapsverordening. Deze beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht. − −

ad a: Uiteraard moet de damwand voldoen aan de geldende normen;

ad b: Damwanden dicht bij een dijklichaam moeten horizontale gronddruk kunnen weerstaan bij

verhoging en verbreding van de dijk wordt. De ankers die nodig zijn voor de damwand moeten op zodanige manier worden aangebracht dat ze het beheer en onderhoud van de waterkering niet

belemmeren. Ondiepe ankers (met bijvoorbeeld ankerschotten) zijn niet wenselijk in een gebied waar de waterkering moet worden verhoogd, of waar bij een dijkreconstructie bijvoorbeeld een teensloot moet worden verlegd. Ankers die door een dijklichaam heen gaan zijn eveneens niet

wenselijk, maar zijn niet altijd te voorkomen. In deze situatie wordt gelet op de mogelijkheid om bij onderhoud de beschoeiing van de teensloot of zelfs van de hoogwaterzijde aan te kunnen

passen zonder dat er een probleem kan ontstaan met de ankers van een derde. In de vergunning

zullen eisen worden gesteld aan de ankers, maar ook bijvoorbeeld de methode van aanbrengen en de locatie van de heistelling; −

ad c: methoden die trillingen veroorzaken kunnen schade veroorzaken aan de waterkering. Dit is

daarom alleen toegestaan als het verenigbaar is met de oogmerken en zorgplichten gekoppeld aan de bescherming van de waterkering; −

ad d: Permanente damwanden in de kernzone van waterkerende dijklichamen, verholen en halfverholen waterkeringen zijn in beginsel niet verenigbaar met de oogmerken en specifieke

zorgplichten. Permanente damwanden kunnen grote invloed hebben op de onderhoudbaarheid van de kernzone van de verholen waterkering. In de beschermingszone kunnen permanente damwanden wel worden toegepast, hiervoor is een vrijstelling opgenomen in de

Waterschapsverordening . Ook bij half-verholen keringen worden geen permanente damwanden in

de kernzone toegestaan, tenzij dit in de vorm van een oeverbeschoeiing is. Voor het toepassen van damwanden in de beschermingszone van een half-verholen kering blijft een vergunningaanvraag vereist in verband met onder andere risico’s voor de buitendijkse stabiliteit; −

ad e: AGV staat permanente damwanden alleen toe in het vlakke achterland achter de teen van de

dijk, waar sprake is van een zogenaamde vergrote kernzone. Van een vergrote kernzone is sprake als de kernzone verder in het achterland reikt dan de teen van de dijk. In het leggerprofiel is de

vergrote kernzone te herkennen aan het vlakke deel van het profiel op maaiveldniveau, zoals in de leggertabel is af te lezen (maaiveldhoogte binnenteen); −

ad g: Het toepassen van onbeschadigde en deugdelijke damwandplanken bij tijdelijke damwanden is van belang om de waterkering niet te beschadigen bij het verwijderen van de damwand. Al

eerder gebruikte damwandplanken met beschadigingen, kunnen ondergrondse lagen beschadigen doordat er grondmateriaal aan blijft hangen. Zo kan er onbedoeld water tussen verschillende

bodemlagen gaan stromen. Dit vermindert de stabiliteit van de waterkering en kan zorgen voor

ongewenste kwel of kortsluiting tussen watervoerende lagen. Een extra maatregel die kan worden

genomen is de (onbeschadigde en deugdelijke) damwandplanken invetten, zodat ze makkelijker te verwijderen zijn.

Beleidsregels AGV

versie mei 2020

Pagina 30 van 111

5. Beleidsregels voor bodemonderzoek in en nabij waterkeringen

5.1. Reikwijdte De beleidsregels in dit hoofdstuk hebben betrekking op de beoordelingsregels voor een

omgevingsvergunning of maatwerkvoorschrift voor bodemonderzoek op of bij waterkerende

dijklichamen, half-verholen en verholen waterkeringen. De beleidsregels gaan over exploratie- en

spuitboringen en over seismisch onderzoek.

In dit hoofdstuk wordt onder bodemonderzoek in ieder geval begrepen: −

Exploratieboringen: hierbij ontstaan één of meerdere gaten diep in de grond, bedoeld om grondmonsters te nemen;

− −

Proefheiingen;

Seismisch onderzoek: dit gebeurt om de structuur van dieper gelegen bodemlagen te

onderzoeken, bijvoorbeeld in verband met olie- of aardgaswinning. Seismisch bodemonderzoek

gebeurt meestal door een springlading op tientallen meters diepte tot ontploffing te brengen of

door trillingen op te wekken met trillingsbronnen, zoals een “airgun” of vibratoren. De volgende beleidsregels kunnen mede van toepassing zijn: −

Hoofdstuk 6

Graven en grond verstoren in of nabij waterkeringen.

5.2. Vergunningplichtige gevallen In de volgende paragrafen van de Waterschapsverordening zijn de vergunningplichtige gevallen aangewezen.

Paragraaf 2.3.2: Aanwijzing vergunningplichtige gevallen waterkerende lichamen. Paragraaf 2.3.3: Aanwijzing vergunningplichtige gevallen half-verholen waterkeringen. Paragraaf 2.3.4: Aanwijzing vergunningplichtige gevallen verholen waterkeringen. Paragraaf 2.3.5: Aanwijzing vergunningplichtige gevallen beschermde gronden.

5.3. Meldplichtige en informatieplichtige gevallen In de afdeling 3.2 van de Waterschapsverordening zijn de activiteiten aangewezen waarvoor een

meldplicht of informatieplicht geldt. Voor deze activiteiten zijn tevens activiteitgerichte specifiek zorgplichten opgesteld. De beleidsregels zijn van toepassing bij de beoordeling van

maatwerkvoorschriften in aanvulling of afwijking van de activiteitgerichte specifieke zorgplichten in afdeling 3.2 van de Waterschapsverordening.

De beleidsregels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de beoordeling van maatwerkvoorschriften in aanvulling of afwijking van de activiteitgerichte specifieke zorgplichten in: Paragraaf 3.2.4: Bodemonderzoek verrichten.

Beleidsregels AGV

versie mei 2020

Pagina 31 van 111

5.4. Beleidsregels voor uitvoeren van bodemonderzoek in en nabij waterkeringen De beleidsregels geven uitleg over de toepassing van artikel 2.3.1.2 en 2.3.1.3 van de

Waterschapsverordening en over de afweging van belangen en vaststelling van feiten, met betrekking tot de activiteiten bedoeld in dit hoofdstuk.

Beleidsregel 5.1: exploratie- en spuitboringen De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor boringen wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: − −

De oogmerken als bedoeld in artikel 2.3.1.2 van de Waterschapsverordening;

De specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.3.1.3 van de Waterschapsverordening.

waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaard en maatstaf: a)

Exploratieboringen veroorzaken geen problemen als gevolg van potentiaalverschillen (verschillen

b)

Exploratieboringen in de kernzone van waterkerende dijklichamen zijn in beginsel niet verenigbaar

c)

tussen grondwaterstijghoogten in de onderscheiden relevante watervoerende pakketten); met de oogmerken en specifieke zorgplichten;

Spuitboringen in de kernzone en in de beschermingszone van waterkerende dijklichamen zijn in beginsel niet verenigbaar met de oogmerken en specifieke zorgplichten.

Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor waterkeringen richten zich op de stabiliteit en het

functioneren van de waterkering. Boringen bij waterkeringen leveren risico’s op voor de stabiliteit van de kering. Hierbij spelen diverse mechanismen een rol: −

Schade door ‘blow-out’: dit betekent dat vloeistof of gas vanuit een diepere grondlaag met kracht via het boorgat omhoog komt. Daardoor kunnen evenwichtsverstoringen in de grond ontstaan, waardoor schade aan waterkeringen kan optreden en slecht doorlatende grondlagen in de nabijheid van waterkeringen kunnen worden verstoord of vernield;

−

Afname erosiebestendigheid: Verontreiniging en daardoor aantasting van de grasmat op de waterkering: hierdoor neemt de erosiebestendigheid van de kering af;

−

Afname sterkte: Infiltratie van olie in de grond: dit kan een sterke afname van de sterkte (schuifweerstand) van de grond veroorzaken met als mogelijk gevolg instabiliteit van de waterkering;

−

Doorboring waterafsluitende lagen: Doorboring van slecht doorlatende lagen in de ondergrond,

met risico op kortsluiting: onder een afsluitende, slecht doorlatende laag kan een wateroverdruk

aanwezig zijn. Dit kan permanent het geval zijn, bijvoorbeeld in droogmakerijpolders met een laag

maaiveldniveau, waarvan er in het westen van het AGV gebied veel voorkomen. Dit kan ook tijdelijk het geval zijn bij een hoge waterstand tegen de dijk, die kortdurend is, zoals bijvoorbeeld bij de

dijken langs het IJmeer en Markermeer. Na perforatie van de afsluitende laag kan het water door de perforatie gaan stromen. Als die grondwaterstroming zodanig sterk is dat hij zand- en

gronddeeltjes meevoert, is er sprake van de vorming van zandmeevoerende wellen. Dit is een voor

Beleidsregels AGV

versie mei 2020

Pagina 32 van 111

de waterkering gevaarlijk fenomeen, omdat in de ondergrond holle ruimte ontstaat. Dit ondermijnt de waterkering waardoor hij na verloop van tijd kan bezwijken.

Toelichting Beleidsregel 5.1 De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de Waterschapsverordening. Deze beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht. −

ad a: Een boring kan verschillende waterlagen in de bodem met elkaar in verbinding brengen; dit

wordt hydraulische kortsluiting genoemd. Deze kortsluiting ontstaat als gevolg van het doorbreken van een water-afsluitende laag in de bodem. Door de verbinding van de verschillende

watervoerende pakketten kunnen er afwijkende waterdrukken ontstaan, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de stabiliteit van de dijk; −

ad b: De risico’s van exploratieboringen en spuitboringen in de kernzone van een waterkering zijn groot; daarom zijn deze boringen in beginsel niet verenigbaar met de oogmerken en specifieke zorgplichten.

Beleidsregel 5.2: seismisch onderzoek Beleidsregel 5.2: seismisch onderzoek

De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor seismisch onderzoek wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: − −

De oogmerken als bedoeld in artikel 2.3.1.2 van de Waterschapsverordening;

De specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.3.1.3 van de Waterschapsverordening,

waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaarden en maatstaven: a)

b) c) d) e) f)

g)

Het onderzoek vindt plaats in de zone van 100 tot 500 meter uit de teen van direct waterkerende dijklichamen en/of in de zone van 50 tot 300 meter uit de teen van indirect waterkerende dijklichamen; en

Indien het onderzoek wordt uitgevoerd met springstoffen mogen deze een kracht hebben van maximaal 1 kg TNT equivalent; en

Indien het onderzoek wordt uitgevoerd met een airgun geldt een maximale totale inhoud van de cilinders van 15 liter en een maximale druk van 150 bar; en

Indien het onderzoek wordt uitgevoerd met vibratoren geldt een maximale 10 s “sweep” met een massa van 1000 kg;

Er worden geen problemen verwacht als gevolg van potentiaalverschillen (verschillen tussen grondwaterstijghoogten in de onderscheiden relevante watervoerende pakketten);

In een zettingsvloeiingsgevoelig gebied (losgepakte zandlagen) of in een gebied met zeer slappe

lagen (veenlagen met een dikte van meer dan 5 meter) beschadigen de activiteiten de dijklichamen niet;

Het gebruik van explosieven en andere trillingsbronnen ten behoeve van seismisch onderzoek in de kernzone en binnen een afstand van 100 meter uit de teen van direct waterkerende

Beleidsregels AGV

versie mei 2020

Pagina 33 van 111

dijklichamen of binnen 50 meter uit de teen van indirect waterkerende dijklichamen is in beginsel h)

niet verenigbaar met de oogmerken en specifieke zorgplichten;

Seismisch onderzoek, of gebruik van explosieven of andere trillingsbronnen in de nabijheid van

directe waterkeringen in de periode van 1 oktober tot 1 april is in beginsel niet verenigbaar met de oogmerken en specifieke zorgplichten.

Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor waterkeringen richten zich op de stabiliteit en het

functioneren van de waterkering. Risico’s van seismisch bodemonderzoek voor de waterkering zitten vooral in het boren van gaten, het effect van trillingen, schokgolven en eventueel kratervorming. Hierbij kunnen de volgende mechanismen een rol spelen: −

Doorboring waterafsluitende lagen: Bij het boren van gaten kunnen er waterstromen vanuit de ondergrond op gang komen door het doorbreken van waterafsluitende grondlagen (wellen);

−

Verminderen draagkracht: Trillingen en schokgolven kunnen de draagkracht van de grond

verminderen. De sterkte (schuifweerstand) van de grond neemt af, waardoor instabiliteit kan

optreden. Bovendien kunnen trillingen zettingen veroorzaken door verdichting van de grond; −

Verschuiving in de ondergrond: In gebieden die gevoelig zijn voor zettingsvloeiing (losgepakte zandlagen in de ondergrond) of in gebied met zeer slappe lagen (veenlagen met een dikte van

meer dan 5 meter), is het risico relatief groot dat de ondergrond in beweging komt bij seismisch onderzoek, en de stabiliteit van de waterkering in gevaar brengt; −

Beschadiging door krater: Kratervorming gaat gepaard met het ontstaan van een grote zone waarin de grond een plastische vervorming ondergaat. Een explosiekrater kan ook waterafsluitende

grondlagen verstoren of doorbreken, met als mogelijk gevolg instabiliteit en het ontstaan van zandmeevoerende wellen.

Beleidsregels De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de Waterschapsverordening. Deze beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht. −

ad a: Seismisch onderzoek mag niet dicht bij de waterkering plaatsvinden (100 meter vanaf de teen bij directe keringen, 50 meter bij indirecte);

−

ad b, c, en d: De breedte van de zones en de technische randvoorwaarden in de beleidsregels voor springstoffen, airguns en vibratoren zijn gebaseerd op de daarvoor geldende leidraden en

handreikingen, zoals thans de Leidraad bij bodemonderzoek in en nabij waterkeringen (TAW, 1988); −

ad e: Er worden geen problemen verwacht als gevolg van potentiaalverschillen (verschillen tussen grondwaterstijghoogten in de onderscheiden relevante watervoerende pakketten);

−

ad f: In een zettingsvloeiingsgevoelig gebied (losgepakte zandlagen) of in een gebied met zeer slappe lagen (veenlagen met een dikte van meer dan 5 meter) beschadigen de activiteiten de dijklichamen niet;

−

ad h: In de periode van 1 oktober tot 1 april is er een relatief grote kans op natte

weersomstandigheden. Bij direct kerende waterkeringen zijn de risico’s als er iets mis gaat het grootst en bestaat er direct gevaar voor inundatie van polders. Bij indirecte waterkeringen, die

Beleidsregels AGV

versie mei 2020

Pagina 34 van 111

onder normale omstandigheden geen water keren, is die dreiging veel minder. De periode van 1 oktober tot 1 april is de tijd, waarin de kans op extreme belasting van de kering het grootst is.

Extreme belasting op de directe waterkeringen in het AGV-gebied zijn neerslag- en windbepaald.

De kans op veel neerslag (met als gevolg een hoge belasting van de boezem en tussenboezem) en harde wind of storm is in de periode van 1 oktober tot 1 april groter dan in de zomerperiode.

6. Beleidsregels voor graven in of nabij waterkeringen

6.1. Reikwijdte De beleidsregels in dit hoofdstuk hebben betrekking op de beoordelingsregels voor een

omgevingsvergunning of maatwerkvoorschrift voor graven in of bij waterkerende dijklichamen, halfverholen en verholen waterkeringen. De beleidsregels gaan over ontgravingen. In dit hoofdstuk wordt onder ontgravingen in ieder geval begrepen: -

-

-

Graven: het verwijderen van grond;

Permanente ontgraving: blijvende verlaging van het maaiveld;

Tijdelijke ontgraving: de ontgraven grond wordt weer teruggebracht tot de oorspronkelijke

maaiveldhoogte.

6.2. Vergunningplichtige gevallen In de volgende paragrafen van de Waterschapsverordening zijn de vergunningplichtige gevallen aangewezen.

Paragraaf 2.3.2: Aanwijzing vergunningplichtige gevallen waterkerende lichamen. Paragraaf 2.3.3: Aanwijzing vergunningplichtige gevallen half-verholen waterkeringen. Paragraaf 2.3.4: Aanwijzing vergunningplichtige gevallen verholen waterkeringen. Paragraaf 2.3.5: Aanwijzing vergunningplichtige gevallen beschermde gronden.

6.3.

Meldplichtige en informatieplichtige gevallen

In de afdeling 3.2 van de Waterschapsverordening zijn de activiteiten aangewezen waarvoor een

meldplicht of informatieplicht geldt. Voor deze activiteiten zijn tevens activiteitgerichte specifiek zorgplichten opgesteld. De beleidsregels zijn van toepassing op de beoordeling van

maatwerkvoorschriften in aanvulling of afwijking van de activiteitgerichte specifieke zorgplichten in afdeling 3.2 van de Waterschapsverordening.

De beleidsregels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de beoordeling van maatwerkvoorschriften in

aanvulling of afwijking van de activiteitgerichte specifieke zorgplichten in: Paragraaf 3.2.3: Kabels en leidingen. Paragraaf 3.2.6: Ophogen en ontgraven van waterkeringen.

Beleidsregels AGV

versie mei 2020

Pagina 35 van 111

6.4. Beleidsregels voor graven in of nabij waterkeringen De beleidsregels geven uitleg over de toepassing van artikel 2.3.1.2 en 2.3.1.3 van de

Waterschapsverordening en over de afweging van belangen en vaststelling van feiten, met betrekking tot de activiteiten bedoeld in dit hoofdstuk.

Beleidsregel 6.1: ontgravingen Beleidsregel 6.1: ontgravingen

De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor een ontgraving in de kernzone en

beschermingszones van waterkerende dijklichamen, half-verholen en verholen waterkeringen en in de beschermende gronden, waarbij extra maatregelen nodig zijn om de minimaal benodigde stabiliteit te garanderen wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: − −

De oogmerken als bedoeld in artikel 2.3.1.2 van de Waterschapsverordening;

De specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.3.1.3 van de Waterschapsverordening,

waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaarden en maatstaven: a)

Permanente ontgravingen in de kernzone en in het profiel van vrije ruimte zijn in beginsel niet

b)

Als ondanks het gestelde onder a) een beroep wordt gedaan op zwaarwegende redenen van

verenigbaar met de oogmerken en specifieke zorgplichten;

openbaar belang als bedoeld in artikel 2.5.1.1.5 van de Waterschapsverordening, wordt in ieder

geval het volgende meegewogen: −

De waterkerende functie en stabiliteit van de waterkering wordt gegarandeerd door middel van waterkeringvervangende voorzieningen;

−

Alle ontgravingen worden tot het minimum beperkt.

Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor waterkeringen richten zich op de stabiliteit en het

functioneren van de waterkering. Ontgravingen, bijvoorbeeld het graven van een sloot of het verlagen

van het maaiveld, kunnen ernstige risico’s met zich meebrengen voor de stabiliteit van de waterkering. Hierbij spelen diverse mechanismen een rol: −

Afschuiven van grond: Als het talud van een nieuw gegraven watergang niet stabiel is, kan er

grondverplaatsing gaan plaatsvinden: de grond schuift de watergang in en kan ook grond vanaf de waterkering meenemen; −

Ook in de beschermingszone van (half-) verholen waterkeringen levert een (grote) permanente

ontgraving risico’s op. Een verholen waterkering heeft als eigenschap dat deze dezelfde hoogte

heeft als het omliggende maaiveld. Wanneer de grond in de beschermingszone (naast de kernzone

of kruin) permanent wordt ontgraven, verdwijnt het karakter van de verholen waterkering en wordt het op die locatie een waterkerend dijklichaam. Dit kan (grote) invloed hebben op de omgeving,

omdat de kering daarmee een andere classificatie krijgt en de legger moet worden aangepast. Als

Beleidsregels AGV

versie mei 2020

Pagina 36 van 111

gevolg daarvan zijn andere (meer beperkende) regels van toepassing voor activiteiten in en rondom het waterkerend dijklichaam.

Toelichting Beleidsregel 6.1 De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de Waterschapsverordening. Deze beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht. −

ad a en b: Bij permanente ontgraving in de kernzone van een kering of in het profiel van vrije

ruimte zijn soms extra maatregelen nodig om de minimaal benodigde stabiliteit te garanderen,

zoals bij graafwerkzaamheden die invloed hebben op de waterkerende functie en stabiliteit van de kering. Dit mag alleen als de stabiliteit en standzekerheid van de waterkering gegarandeerd is, door het aanbrengen van waterkeringvervangende voorzieningen, zoals steunconstructies. De eventuele hulpconstructies voldoen aan de voorwaarden uit hoofdstuk 4 “Beleidsregels

aanbrengen, hebben of verwijderen van beschoeiingen en damwanden bij waterkeringen”.

Beleidsregels AGV

versie mei 2020

Pagina 37 van 111

7. Beleidsregels voor drukvaten en explosiegevaar bij waterkeringen

7.1. Reikwijdte De beleidsregels in dit hoofdstuk hebben betrekking op de beoordelingsregels voor een

omgevingsvergunning of maatwerkvoorschrift voor drukvaten, explosiegevaarlijke stoffen en

installaties en vergelijkbare werken op of bij waterkerende dijklichamen. De beleidsregels gaan over ondergrondse drukvaten, bovengrondse drukvaten en explosiegevaarlijke stoffen en installaties. In dit hoofdstuk worden onder drukvaten en vergelijkbare werken (zoals gastanks en olievaten) begrepen vaten die een vloeistof of gas bevatten, al dan niet onder druk. Ten behoeve van de

leesbaarheid gebruiken we hierna alleen het woord “drukvaten”. De beleidsregels gelden ook voor de vergelijkbare werken, zoals opslag van explosiegevaarlijke stoffen, waaronder vuurwerk. De volgende beleidsregels kunnen mede van toepassing zijn: − − −

Hoofdstuk 1 Werken op of bij waterkeringen;

Hoofdstuk 6 Graven of grond verstoren in of nabij waterkeringen;

Hoofdstuk 8 Leggen van kabels en leidingen in of nabij waterstaatswerken.

7.2. Vergunningplichtige gevallen In de volgende paragrafen van de Waterschapsverordening zijn de vergunningplichtige gevallen aangewezen.

Paragraaf 2.3.2: Aanwijzing vergunningplichtige gevallen waterkerende dijklichamen.

7.3.

Meldplichtige en informatieplichtige gevallen

In de afdeling 3.2 van de Waterschapsverordening zijn de activiteiten aangewezen waarvoor een

meldplicht of informatieplicht geldt. Voor deze activiteiten zijn tevens activiteitgerichte specifiek zorgplichten opgesteld. De beleidsregels zijn van toepassing op de beoordeling van

maatwerkvoorschriften in aanvulling of afwijking van de activiteitgerichte specifieke zorgplichten in afdeling 3.2 van de Waterschapsverordening.

De beleidsregels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de beoordeling van maatwerkvoorschriften in

aanvulling of afwijking van de activiteitgerichte specifieke zorgplichten in: Paragraaf 3.2.13: Explosiegevaarlijke stoffen en installaties.

7.4. Beleidsregels voor drukvaten en explosiegevaar bij waterkeringen De beleidsregels geven uitleg over de toepassing van artikel 2.3.1.2 en 2.3.1.3 van de

Waterschapsverordening en over de afweging van belangen en vaststelling van feiten, met betrekking tot de activiteiten bedoeld in dit hoofdstuk.

Beleidsregels AGV

versie mei 2020

Pagina 38 van 111

Beleidsregel 7.1: ondergronds drukvat Beleidsregel 7.1: ondergronds drukvat

De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor het plaatsen van een ondergronds drukvat in de beschermingszone of buitenbeschermingszone van waterkerende dijklichamen wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: − −

De oogmerken als bedoeld in artikel 2.3.1.2 van de Waterschapsverordening;

De specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.3.1.3 van de Waterschapsverordening.

waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaarden en maatstaven: a)

Er is een noodzaak van ondergrondse aanleg;

c)

De verstoringszone reikt niet tot binnen de stabiliteitszone van de waterkering;

b) d)

Het drukvat voldoet aan de geldende (veiligheids-) normen;

Het plaatsen of vervangen van een ondergronds drukvat in de kernzone van waterkeringen is in beginsel niet verenigbaar met de oogmerken en specifieke zorgplichten.

Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor waterkeringen richten zich op de stabiliteit en het

functioneren van de waterkering. Ondergrondse opslag van drukvaten brengt grote risico’s met zich

mee voor de stabiliteit van de waterkering en de waterkwaliteit in de directe omgeving. Hierbij spelen diverse mechanismen een rol: −

Schade door explosie: Als een ondergronds drukvat explodeert in het grondlichaam van de waterkering kan dit leiden tot instabiliteit van de waterkering;

−

Afschuiven van grond: Ook een lekkage van een drukvat kan leiden tot instabiliteit: de bodem rond het drukvat wordt nat, waardoor een soort ‘drijfzandeffect’ kan ontstaan, met afschuivingen tot gevolg;

−

Verontreiniging: Een lekkage kan ook het grond- en oppervlaktewater verontreinigen met gevolgen voor de ecologische kwaliteit van het watersysteem;

−

Belemmering inspectie: Een ander nadeel van ondergronds opslaan van drukvaten is dat er

graafwerk voor nodig is (zie hoofdstuk 6 beleidsregels voor graven en grond verstoren) en dat er onvoldoende mogelijkheden zijn voor inspectie.

Toelichting Beleidsregel 7.1 De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de Waterschapsverordening. Deze beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht. −

ad a en b: Vanwege bovenstaande risico’s is een ondergronds drukvat niet wenselijk. Als het niet anders kan, moet het drukvat uiteraard voldoen aan de geldende (veiligheids)normen;

Beleidsregels AGV

versie mei 2020

Pagina 39 van 111

−

ad c: Niet alleen de ligging van het drukvat zelf is van belang, maar ook de verstoringszone. Dit is de zone waarbinnen de invloed van een lekkend of exploderend drukvat nog merkbaar is.

Beleidsregel 7.2: bovengronds drukvat Beleidsregel 7.2: bovengronds drukvat

De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor het plaatsen van een bovengronds drukvat in de

kern- of beschermingszone van waterkerende dijklichamen wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: − −

De oogmerken als bedoeld in artikel 2.3.1.2 van de Waterschapsverordening;

De specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.3.1.3 van de Waterschapsverordening,

waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaarden en maatstaven: a)

Ter bescherming van het waterkerende dijklichaam zijn de volgende voorzieningen nodig onder het drukvat: − − −

b) c)

Een betonplaat met een dikte van minimaal 5 centimeter; en

Een brandwerende lekbak (die voldoet aan de geldende milieunormen); Bovenstaande voorzieningen mogen gecombineerd worden.

Het drukvat plus toebehoren wordt niet (deels) ingegraven in de kernzone; Het drukvat voldoet aan de geldende (milieu-) normen.

Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor waterkeringen richten zich op de stabiliteit en het

functioneren van de waterkering. De risico’s van een bovengronds drukvat voor een waterkering zijn vergelijkbaar met de risico’s van een ondergronds drukvat.

Toelichting Beleidsregel 7.2 De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de Waterschapsverordening. Deze beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht. −

ad a: Bij een bovengronds drukvat zijn beschermende voorzieningen nodig: zo moet het drukvat staan op een betonplaat met een dikte van minimaal 5 cm. Een stevige betonplaat onder het

bovengrondse drukvat kan de schade aan de waterkering door een explosie sterk verminderen, doordat de explosie alleen ‘naar boven’ kan. Een betonplaat heeft nog een ander voordeel: als

regenwater langs een drukvat omlaag stroomt kan geulvorming optreden in de bodem waar het vat op staat, met mogelijk erosie als gevolg. Een betonplaat onder het vat voorkomt dit. Het drukvat

Beleidsregels AGV

versie mei 2020

Pagina 40 van 111

moet ook in een brandwerende lekbak staan (eventueel gecombineerd met de betonplaat) om een eventuele lekkage op te vangen; −

ad b: Een bovengronds drukvat mag in de kernzone niet (deels) worden ingegraven, om dezelfde redenen als waarom een ondergronds drukvat in de kernzone niet mag;

−

ad c: Uiteraard moet het drukvat voldoen aan de geldende normen.

Beleidsregel 7.3: explosiegevaarlijke stoffen of installaties Beleidsregel 7.3: explosiegevaarlijke stoffen of installatie

De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor het hebben van explosiegevaarlijke stoffen of een explosiegevaarlijke installatie in de buitenbeschermingszone maar binnen een afstand van 100 meter van de grens van de kernzone van een waterkerend dijklichaam wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: − −

De oogmerken als bedoeld in artikel 2.3.1.2 van de Waterschapsverordening;

De specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.3.1.3 van de Waterschapsverordening.

waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaarden en maatstaven: a)

Een explosie leidt niet tot instabiliteit van het waterkerend dijklichaam en de erosiekrater reikt niet

b)

Het plaatsen, hebben of vervangen van explosiegevaarlijke stoffen of installaties in de kernzone of

tot in de beschermingszone;

beschermingszone van waterkerende dijklichamen is in beginsel niet verenigbaar met de oogmerken en specifieke zorgplichten.

Motivering Uiteraard zijn explosiegevaarlijke stoffen in de buurt van een waterkering zeer onwenselijk, vanwege

het risico op schade aan de kering. Binnen 100 meter vanaf de grens van de kernzone van de kering is dan ook een vergunning nodig.

Beleidsregels AGV

versie mei 2020

Pagina 41 van 111

8. Beleidsregels voor kabels en leidingen op of bij waterstaatswerken

8.1. Reikwijdte De beleidsregels in dit hoofdstuk hebben betrekking op de beoordelingsregels voor een

omgevingsvergunning of maatwerkvoorschrift voor kabels en leidingen in of bij waterkerende dijklichamen, half-verholen, verholen waterkeringen, beschermde gronden en wateren. De

beleidsregels gaan over algemene voorwaarden voor kabels en leidingen, huisaansluitingen, kabels en leidingen in (half-)verholen waterkeringen, kabels en leidingen in waterkerende dijklichamen, kabels en leidingen dwars op de waterkering, gestuurde boringen en kabels en leidingen onder de waterbodem.

In dit hoofdstuk worden onder kabels en leidingen in ieder geval begrepen: −

Kabels: sterke, buigzame, verbindingen, bestaande uit een of meer geleiders die zijn samengesteld uit draden van metaal of glasvezel en geschikt voor het transport van elektrische energie en/of elektrische signalen en/of optische signalen;

−

Leidingen: buizen, vervaardigd van een duurzaam materiaal zoals staal, beton of kunststof en

geschikt voor het transport van vloeistoffen en gassen, of het doorvoeren van kabels en leidingen onder bijvoorbeeld wegen of op- en afritten;

−

Huisaansluitingen: een huisaansluiting is een kabel of leiding die een verbinding vormt tussen een pand en een doorgaande leiding

De volgende beleidsregels kunnen mede van toepassing zijn: Hoofdstuk 6

Graven in of nabij waterkeringen.

8.2. Vergunningplichtige gevallen In de volgende paragrafen van de Waterschapsverordening zijn de vergunningplichtige gevallen aangewezen.

Paragraaf 2.3.2: Aanwijzing vergunningplichtige gevallen waterkerende dijklichamen. Paragraaf 2.3.3: Aanwijzing vergunningplichtige gevallen half-verholen waterkeringen. Paragraaf 2.3.4: Aanwijzing vergunningplichtige gevallen verholen waterkeringen. Paragraaf 2.3.5: Aanwijzing vergunningplichtige gevallen beschermde gronden. Paragraaf 2.4.2: Aanwijzing vergunningplichtige gevallen primaire wateren

8.3. Meldplichtige en informatieplichtige gevallen In de afdeling 3.2 van de Waterschapsverordening zijn de activiteiten aangewezen waarvoor een

meldplicht of informatieplicht geldt. Voor deze activiteiten zijn tevens activiteitgerichte specifiek zorgplichten opgesteld. De beleidsregels zijn van toepassing op de beoordeling van

maatwerkvoorschriften in aanvulling of afwijking van de activiteitgerichte specifieke zorgplichten in afdeling 3.2 van de Waterschapsverordening.

De beleidsregels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de beoordeling van maatwerkvoorschriften in aanvulling of afwijking van de activiteitgerichte specifieke zorgplichten in:

Beleidsregels AGV

versie mei 2020

Pagina 42 van 111

Paragraaf 3.2.3: Kabels en leidingen

8.4. Beleidsregels voor kabels en leidingen op of bij waterstaatswerken De beleidsregels geven uitleg over de toepassing van artikelen 2.3.1.2, 2.3.1.3, 2.4.1.2 en 2.4.1.3 van de Waterschapsverordening en over de afweging van belangen en vaststelling van feiten, met betrekking tot de activiteiten bedoeld in dit hoofdstuk.

Beleidsregel 8.1: algemene voorwaarden kabels en leidingen Beleidsregel 8.1: algemene voorwaarden voor het leggen van kabels en leidingen

De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor het leggen, hebben en vervangen van kabels en leidingen in de kernzone, beschermingszone en buitenbeschermingszone van waterkerende

dijklichamen, half-verholen en verholen waterkeringen, en in beschermende gronden wordt alleen

verleend als het verenigbaar is met: − −

De oogmerken als bedoeld in artikel 2.3.1.2 van de Waterschapsverordening;

De specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.3.1.3 van de Waterschapsverordening,

waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaarden en maatstaven: a)

b)

Leidingen voldoen aan de geldende NEN-normen;

Kabels en leidingen in de kernzone en beschermingszone liggen met de onderkant niet dieper dan voor de kabel of leiding strikt noodzakelijk is, gelet op de veiligheid en het goed kunnen functioneren van de kabel of leiding.

Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor waterkeringen richten zich op de stabiliteit en het

functioneren van de waterkering. Kabels en leidingen brengen risico’s met zich mee voor de stabiliteit van de kering. Daarbij spelen diverse mechanismen een rol: −

Verweking: Een kleine breuk in een vloeistofleiding leidt tot een vochtige zone rondom de breuk.

Hier verandert de structuur van de bodem (verweking): er kan een soort ‘drijfzandeffect’ ontstaan, waardoor de kering instabiel wordt; − −

Afschuiven van grond: Bij een grote breuk spoelt een deel van de dijk weg; Erosie: Bij explosie van een gasleiding ontstaat een gat waar grondmateriaal in kan stromen (een zogenoemde erosiekrater). Ook dit is slecht voor de stabiliteit van de dijk.

Toelichting Beleidsregel 8.1 De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de Waterschapsverordening. Deze beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht.

Beleidsregels AGV

versie mei 2020

Pagina 43 van 111

−

ad a: Leidingen moeten deugdelijk zijn, dat wil zeggen: voldoen aan de eisen voor

buisleidingsystemen, zoals in de NEN-normen aangegeven. Dit om het risico op een breuk in de leiding zo klein mogelijk te maken; −

ad b: Kabels en leidingen in de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen

mogen met de onderkant niet dieper liggen dan strikt noodzakelijk. Het kan gebeuren dat water uit de ondergrond omhoog komt via deze doorsnijding en langs de kabels of leidingen gaat stromen, waarbij ook zand kan worden meegevoerd. Ook de sleuven die nodig zijn voor de aanleg van kabels en leidingen kunnen de stabiliteit van de waterkering negatief beïnvloeden.

Beleidsregel 8.2: kabels en leidingen in waterkerende dijklichamen Beleidsregel 8.2: kabels en leidingen in een waterkerend dijklichaam De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor aanleg en hebben van een kabel of leiding in de kernzone, beschermingszone of buitenbeschermingszone van waterkerende dijklichamen gronden wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: − −

De oogmerken als bedoeld in artikel 2.3.1.2 van de Waterschapsverordening;

De specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.3.1.3 van de Waterschapsverordening,

waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaarden en maatstaven: a)

b) c)

d) e)

Er wordt voldaan aan de algemene voorwaarden van beleidsregel 8.1; en

Kabels en leidingen worden binnen het leggerprofiel door een open ontgraving aangebracht. Buiten het leggerprofiel kan de kabel of leiding via een boring of persing worden aangebracht; en

De waterkering wordt na aanleg van de kabel of leiding in de oorspronkelijke toestand hersteld;

Bij aanleg van een drukleiding wordt er voldaan aan de geldende NEN veiligheidseisen, eventueel door middel van extra maatregelen; en

De aanleg van een kabel of leiding in de kernzone, beschermingszone of buitenbeschermingszone van een waterkerend dijklichaam blijft achterwege wanneer: − −

de NEN-verstoringszone van de leiding reikt tot binnen de stabiliteitszone van de kering; of

de kabel ligt op een afstand minder dan 4x het hoogteverschil tussen het maatgevend hoog water (waterpeil) aan de buitenzijde van de dijk en het laagste waterpeil aan de binnenzijde van de dijk, gemeten vanuit de teen van het waterkerend dijklichaam.

Dit is niet van toepassing als sprake is van een leveringsplicht voor kabel- en leidingbedrijven en er geen aanvaardbare alternatieve locaties zijn. f)

Kruisingen van kabels en leidingen met waterkerende dijklichamen worden zoveel mogelijk

geconcentreerd met inachtneming van de veiligheidsafstanden onderling. Dit houdt in dat voor

nutsvoorzieningen voor buitendijkse terreinen zo mogelijk één plaats wordt gekozen waar deze de g)

waterkering kruisen;

Als in afwijking van e) (deels) de kernzone wordt doorkruist met een kabel of leiding, wordt het tracé zoveel mogelijk loodrecht op de waterkering aangelegd.

Beleidsregels AGV

versie mei 2020

Pagina 44 van 111

Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor waterkeringen richten zich op de stabiliteit en het

functioneren van de waterkering. Kabels en leidingen brengen risico’s met zich mee voor de stabiliteit van de kering (zie 8.1).

Toelichting Beleidsregel 8.2 De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de Waterschapsverordening. Deze beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht. −

ad a: Kabels en leidingen moeten deugdelijk zijn (NEN-normen) en niet dieper liggen dan nodig (zie 8.1);

−

ad b en c: Het aanleggen van kabels en leidingen in het leggerprofiel mag alleen door middel van een open ontgraving, dat wil zeggen: niet met ondergrondse boringen of persingen. De reden hiervoor is dat veel waterkeringen in het AGV-gebied liggen op een slappe en samendrukbare ondergrond en periodiek opgehoogd moeten worden. In het verleden werden hiervoor allerlei materialen gebruikt, veelal afkomstig van sloopwerken. Er zit dan ook veel puin in de

waterkeringen. Bij uitvoering van een boring of persing in de dijk is de kans op mislukken

daardoor groot. Als er meerdere pogingen nodig zijn, ontstaan gaten en holle ruimtes in de

ondergrond. Dit kan verzakkingen veroorzaken. Bij aanwezigheid van puin kan bij een boring of persing ook schade aan de leiding ontstaan, hetgeen met name bij vloeistofleidingen later

problemen kan opleveren. Een open ontgraving geeft de mogelijkheid het aanwezige puin en

andere obstakels te verwijderen en het is zichtbaar wat er tijdens de ontgraving en aanleg gebeurt. Aanvulling van het gat kan gecontroleerd plaatsvinden, zodat de kans op holle ruimtes nihil is; −

ad d: Naast de algemene voorwaarden geldt ook dat drukleidingen moeten voldoen aan de NENveiligheidseisen, om het risico van een leidingbreuk zo klein mogelijk te maken;

−

ad e: De teen is het belangrijkste deel van de dijk als het gaat om stabiliteit en de risico’s zijn

groot als er iets mis gaat. Binnen een zone langs de dijk is het aanleggen van leidingen of kabels dan ook ongewenst. Voor leidingen heet dit de veiligheidszone, die is vastgelegd in de NEN-

normen voor leidingen (thans NEN 3650 en 3651). De breedte van de veiligheidszone bedraagt 4 keer het verschil in kerende hoogte van de dijk (verschil tussen maatgevend hoog water aan de

buitendijkse zijde en het laagste polderpeil aan de binnendijkse zijde) én een stuk extra. Het stuk

extra heet de verstoringszone. De breedte van de verstoringszone hangt af van de diameter van de leiding, het materiaal van de leiding, het medium dat door de leiding stroomt en de druk in de

leiding. Hoe groter de verstoringszone, hoe verder van een leiding het effect nog merkbaar is bij een breuk. Ofwel: hoe groter het verwachte effect bij een leidingbreuk, des te verder moet de

leiding van de dijk liggen. In ieder geval op een afstand van minstens 4 keer het verschil in kerende hoogte van de dijk. Een kabel veroorzaakt bij een breuk geen krater, en dus is er geen

verstoringszone, en houdt AGV 4x het verschil in kerende hoogte van de dijk aan als zone. Een

uitzondering geldt als er sprake is van een leveringsplicht voor kabel- en leidingbedrijven en er geen aanvaardbaar alternatief tracé voorhanden is; −

ad f en g: De essentie van deze beleidsregel is om de kering zo min mogelijk te verstoren, door verschillende kabels en leidingen zoveel mogelijk op één plaats de dijk te laten kruisen en bij voorkeur haaks op de richting van de dijk, zodat de kruislengte zo kort mogelijk is. Een

aandachtpunt hierbij is dat bundels van meer dan twee kabels of leidingen niet wenselijk zijn,

Beleidsregels AGV

versie mei 2020

Pagina 45 van 111

omdat tussen de kabels en leidingen holle ruimtes kunnen ontstaan. Hierin kan water gaan stromen dat grondmateriaal met zich meeneemt, hetgeen de stabiliteit van de dijk kan

ondermijnen. Kabels en leidingen moeten zodanig worden gelegd, dat de grond rondom elke individuele kabel of leiding goed verdicht kan worden, zodat er geen holle ruimtes in de dijk ontstaan.

9. Beleidsregels voor bodemenergiesystemen bij waterkeringen

9.1. Reikwijdte De beleidsregels in dit hoofdstuk hebben betrekking op de beoordelingsregels voor een

omgevingsvergunning voor bodemenergiesystemen bij waterkerende dijklichamen, half-verholen en

verholen waterkeringen. De beleidsregels gaan over de algemene voorwaarden voor

bodemenergiesystemen.

In dit hoofdstuk worden onder bodemenergiesysteem in ieder geval begrepen: −

Een gesloten bodemenergiesysteem, dat wil zeggen een systeem waarmee een vloeistof in buizen

door de bodem wordt geleid; het water komt niet in direct contact met het grondwater; een andere benaming is bodemwarmtewisselaar;

−

Een open bodemenergiesysteem, dat wil zeggen een systeem waarbij grondwater wordt onttrokken

en opgewarmd of afgekoeld grondwater en na gebruik terug in de bodem geïnfiltreerd; warmte- en

koudeopslag (WKO) is een andere naam voor een open bodemenergiesysteem. De volgende beleidsregels kunnen mede van toepassing zijn: −

Hoofdstuk 14 Grondwateronttrekkingen.

9.2. Vergunningplichtige gevallen In de volgende paragrafen van de Waterschapsverordening zijn de vergunningplichtige gevallen aangewezen.

Paragraaf 2.3.2: Aanwijzing vergunningplichtige gevallen waterkerende dijklichamen. Paragraaf 2.3.3: Aanwijzing vergunningplichtige gevallen half-verholen waterkeringen. Paragraaf 2.3.4: Aanwijzing vergunningplichtige gevallen verholen waterkeringen. Paragraaf 2.3.5: Aanwijzing vergunningplichtige gevallen beschermde gronden.

9.3.

Meldplichtige en informatieplichtige gevallen

Voor bodemenergiesystemen zijn geen meldplichtige of informatieplichtige gevallen aangewezen. Dit betekent dat de beleidsregels in dit hoofdstuk alleen betrekking hebben op de vergunningplichtige gevallen.

Beleidsregels AGV

versie mei 2020

Pagina 46 van 111

9.4. Beleidsregels voor bodemenergiesystemen bij waterkeringen De beleidsregels geven uitleg over de toepassing van artikel 2.3.1.2 en 2.3.1.3 van de

Waterschapsverordening en over de afweging van belangen en vaststelling van feiten, met betrekking tot de activiteiten bedoeld in dit hoofdstuk.

Beleidsregel 9.1: algemene voorwaarden bodemenergiesystemen Beleidsregel 9.1: algemene voorwaarden voor het aanbrengen en hebben van bodemenergiesystemen bij waterkeringen

De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor het aanbrengen en hebben van

bodemenergiesystemen in de beschermingszone of buitenbeschermingszone van waterkerende

dijklichamen, half-verholen en verholen waterkeringen of in beschermende gronden wordt alleen

verleend als het verenigbaar is met: − −

De oogmerken als bedoeld in artikel 2.3.1.2 van de Waterschapsverordening;

De specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.3.1.3van de Waterschapsverordening,

waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaarden en maatstaven: a)

Er is geen aanvaardbaar alternatief voor de locatie;

b)

Het bodemenergiesysteem werkt onder lage druk (minder dan 800 kPa (open systemen) en minder

c)

Het bodemenergiesysteem wordt op een zo groot mogelijke afstand van de kernzone geplaatst,

d)

dan 200 kPa (gesloten systemen);

ten minste 10 meter bij open bodemenergiesystemen; en

De mechanische boringen voor de aanleg van het ondergrondse deel worden uitgevoerd door een bedrijf dat erkend is voor de BRL SIKB 2100, ‘Mechanisch boren' en het daaraan gekoppelde protocol 2101 Mechanisch boren.

Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor waterkeringen richten zich op de stabiliteit en het

functioneren van de waterkering. Bodemenergiesystemen brengen risico’s met zich mee voor de waterkering. Hierbij spelen diverse mechanismen een rol: −

Belemmering beheer en onderhoud: De plek van een bodemenergiesysteem in de waterkering kan het beheer en onderhoud bemoeilijken;

−

Schade door boringen: De aanwezigheid van een bodemenergiesysteem kan de stabiliteit van de waterkering beïnvloeden, met name door de noodzakelijke boringen en aanleg van leidingen;

−

Verzakking door gewicht: De waterkering kan beschadigd raken vanwege het gebruik van doorgaans zwaar materieel.

Beleidsregels AGV

versie mei 2020

Pagina 47 van 111

Toelichting Beleidsregels 9.1 De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de Waterschapsverordening. Deze beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht. −

ad a: De keuze voor een systeem met een lage druk is om het risico op aantasting van onder andere de stabiliteit van de kering bij lekken in de ondergrond aanmerkelijk te verkleinen;

−

ad b: Het plaatsen van het bodemenergiesysteem op een zo groot mogelijk afstand van de

kernzone beperkt het risico voor de stabiliteit voor de waterkering en maakt het effect op het

beheer en onderhoud van de waterkering zo klein mogelijk. Bij open systemen moet de afstand tot de kernzone van de waterkering ten minste 10 meter zijn.

10. Beleidsregels voor werken in/bij wateren en vervanging (woon)schepen

10.1. Reikwijdte De beleidsregels in dit hoofdstuk hebben betrekking op de beoordelingsregels voor een

omgevingsvergunning of maatwerkvoorschrift voor werken in en nabij oppervlaktewaterlichamen. De beleidsregels gaan over algemene voorwaarden voor werken in, nabij of boven

oppervlaktewaterlichamen, over (bouw)werken onder water, over duikers in primaire wateren, over

vervangen van een (woon)schip en bijbehorende steigers en afmeerpalen in de knelpuntengebieden,

over tijdelijke werken, drijvende inrichtingen en voorwerpen en over het vervangen van beschoeiing in een groene oeverzone.

In dit hoofdstuk wordt onder werken in ieder geval de volgende bouwkundige constructies begrepen: − − − − − −

Duikers;

Dammen; Bruggen; Steigers;

Beschoeiing;

Voorzieningen voor schaatsers of recreatievaart e.d.

Deze beleidsregels in dit hoofdstuk gelden niet voor stuwen, inlaten en kleine bemalingsinstallaties. De beleidsregels voor deze werken zijn opgenomen in hoofdstuk 14, Peilafwijkingen. De volgende beleidsregels kunnen mede van toepassing zijn: − − − − −

Hoofdstuk 1

Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 6

Werken op waterkeringen.

Waterkerende werken en inlaten in waterkeringen.

Graven in of nabij waterkeringen.

Hoofdstuk 11 Aanleg, wijzigen en dempen van wateren.

Hoofdstuk 14 Peilafwijkingen.

10.2. Vergunningplichtige gevallen In de volgende paragrafen van de Waterschapsverordening zijn de vergunningplichtige gevallen aangewezen.

Beleidsregels AGV

versie mei 2020

Pagina 48 van 111

Paragraaf 2.4.3:

Aanwijzing vergunningplichtige gevallen primaire wateren.

Paragraaf 2.4.4:

Aanwijzing vergunningplichtige gevallen secundaire wateren.

10.3. Meldplichtige en informatieplichtige gevallen In de afdeling 3.2 van de Waterschapsverordening zijn de activiteiten aangewezen waarvoor een

meldplicht of informatieplicht geldt. Voor deze activiteiten zijn tevens activiteitgerichte specifiek zorgplichten opgesteld. De beleidsregels zijn van toepassing op de beoordeling van

maatwerkvoorschriften in aanvulling of afwijking van de activiteitgerichte specifieke zorgplichten in afdeling 3.2 van de Waterschapsverordening.

De beleidsregels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de beoordeling van maatwerkvoorschriften in

aanvulling of afwijking van de activiteitgerichte specifieke zorgplichten in: Paragraaf 3.2.5:

Steigers, afmeerpalen en ligplaats nemen.

Paragraaf 3.2.8:

Beschoeiingen.

Paragraaf 3.2.10:

Bruggen en dammen.

Paragraaf 3.2.16:

Overige activiteiten in beperkingengebieden van oppervlaktewateren.

10.4. Beleidsregels voor werken in of bij wateren en vervanging (woon)schepen De beleidsregels geven uitleg over de toepassing van artikel 2.4.1.2 en 2.4.1.3 van de

Waterschapsverordening en over de afweging van belangen en vaststelling van feiten, met betrekking tot de activiteiten bedoeld in dit hoofdstuk.

Beleidsregel 10.1: algemene voorwaarden werken in/bij oppervlaktewater Beleidsregel 10.1: algemene voorwaarden voor werken in, nabij of boven oppervlaktewaterlichamen

De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor de aanleg, vervanging of verwijdering van werken in, nabij of boven oppervlaktewaterlichamen wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: − −

De oogmerken als bedoeld in artikel 2.4.1.2van de Waterschapsverordening.

De specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.4.1.3 van de Waterschapsverordening,

waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaarden en maatstaven: a)

Het werk mag geen verval veroorzaken (hoogteverschil tussen het bovenstroomse en

b)

Voor werken in primaire wateren (in polder en boezem) gelden de voorwaarden voor het verhang

c)

benedenstroomse peil) groter dan 0,5 cm in secundaire wateren; en

en verval zoals genoemd bij de beleidsregels ‘aanleggen, wijzigen en dempen van wateren’ in hoofdstuk 11; en

In afwijking van onderdeel b) is de aanleg van afmeerpalen en steigers (met grotere afmetingen dan bedoeld in artikel 3.2.5.1.8 van de Waterschapsverordening) binnen het leggerprofiel in beginsel niet verenigbaar met de oogmerken en specifieke zorgplichten, in de gebieden als aangegeven op de verhangkaart, waar het verhang groter is dan 1 cm/km; en

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9567505/3