TKN - 19 Water (39) Bijlage 3 - inspraakversie Beleidsregels bij Waterschapsverordening AGV 2021.pdf
Tekst van het document
zich meebrengen voor het watersysteem. Daarbij kunnen de volgende mechanismen een rol spelen: −
Overbelasting: Verhard oppervlak, zoals asfalt, bestrating of bebouwing, vormt een barrière voor regenwater om de bodem in te trekken. De meeste soorten asfalt en bestrating hebben een
doorlatendheid van minder dan 90 l/s/ha. Hierin kan nauwelijks of geen infiltratie van regenwater in de bodem plaatsvinden. In plaats van in de bodem te verdwijnen stroomt het regenwater over
het verharde oppervlak naar het oppervlaktewatersysteem of de riolering. Meer verhard oppervlak betekent dan ook een grotere belasting van het oppervlaktewatersysteem en/of het
rioleringssysteem, dat daardoor meer moeite krijgt zware regenbuien op te vangen. Dat kan leiden tot overstromingen en water op straat; −
Minder infiltratie- en bergingscapaciteit: nieuwbouw in stedelijk gebied, verdichting van bestaand stedelijk gebied, de aanleg van kassen of de aanleg van wegen neemt ruimte in beslag waar water niet langer in de bodem kan zakken. Bij veel neerslag kan het gebied het water minder goed
opvangen en kan wateroverlast ontstaan. Ook wordt het grondwater in de ondergrond minder goed aangevuld als het water niet de bodem in kan zakken, met verdroging als gevolg.
Toelichting Beleidsregel 12.1 De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de Waterschapsverordening. Deze beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht.
ad a: De aanvrager moet voorzieningen treffen om het regenwater gecontroleerd af te laten stromen naar het open water of naar bergingsvoorzieningen. Het doel hiervan is dat de verharding niet mag
leiden tot een zwaardere belasting van het watersysteem en dat de maximaal toegestane peilstijging in het systeem gelijk blijft, ook na de aanleg van de verharding;
ad b: De belangrijkste voorwaarde is dat de aanvrager vooraf het verlies aan infiltratie-
/bergingscapaciteit moet compenseren en dat de compensatie – ook op langere termijn – goed blijkt werken en voldoende effect heeft. Compensatie kan plaatsvinden op verschillende manieren: a. Door het graven van open water (‘traditionele’ berging); b. Door ‘alternatieve’ waterberging (of ‘bergingsvoorzieningen’): 1. Het bestemmen van laaggelegen land, tot overstroombaar land;
Beleidsregels AGV
versie mei 2020
Pagina 73 van 111
2. Het aanleggen van vegetatiedaken; 3. Het aanleggen van constructies die bestemd zijn voor de opvang van regenwater; Bij toepassing van alternatieve waterberging(en) is meestal nog een traditionele berging van beperktere afmetingen nodig om de aanleg van verhard oppervlak te compenseren;
ad c: Hoeveel compensatie (in de vorm van open water) nodig is verschilt per afwateringsgebied:
uitgangspunt is 10 % van de oppervlakte van het verhard oppervlak dat er bij komt, tenzij het bestuur anders besluit tot minder of meer, waarbij een maximum geldt van 20 %.
Beleidsregel 12.2: compensatie door alternatieve regenwaterberging Beleidsregel 12.2: compensatie door alternatieve regenwaterberging met behulp van laaggelegen land
De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor de aanleg van verharding waarbij gecompenseerd wordt door alternatieve regenwaterberging, met behulp van laaggelegen land wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: − −
De oogmerken als bedoeld in artikel 2.1.1.2 van de Waterschapsverordening;
De specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.1.1.3 van de Waterschapsverordening,
waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaarden en maatstaven: a)
Er wordt voldaan aan de voorwaarden in beleidsregel 12.1; en
b)
De waterbergende functie van het laaggelegen land dient in het bestemmingsplan te worden
c)
Het voor waterberging bestemde laaggelegen land dient voor deze gebruiksfunctie te worden
d) e)
vastgelegd; en ingericht; en
De aanvrager treft een voorziening waarmee het opgevangen hemelwater gecontroleerd kan worden afgevoerd naar het oppervlaktewater; en
Bij toepassing van de alternatieve regenwaterberging is het effect op het watersysteem
gelijkwaardig aan het effect van compensatie door aanleg van water.
Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor oppervlaktewateren richten zich op het functioneren van het watersysteem. Laaggelegen gronden in de buurt van het oppervlaktewatersysteem kunnen
bijdragen aan de bergingscapaciteit, als ze mogen en kunnen overstromen na een flinke regenbui. Ze vangen dan als het ware de afvoerpiek op en voorkomen daarmee wateroverlast in andere gebieden waar dat minder wenselijk is. Geschikte gebieden zijn bijvoorbeeld speelveldjes of groenstroken, waarvoor periodieke overstroming niet bezwaarlijk is.
Beleidsregels AGV
versie mei 2020
Pagina 74 van 111
Toelichting Beleidsregel 12.2 De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de Waterschapsverordening. Deze beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht. −
ad a: Het water moet gecontroleerd kunnen afstromen naar het oppervlaktewater en de compensatie moet voldoende zijn;
−
ad b: Een laaggelegen gebied mag alleen overstromen als de waterbergende functie in het bestemmingsplan staat;
−
ad c: Het kan alleen overstromen als het gebied er voor is ingericht en overtollig regenwater daadwerkelijk het gebied instroomt;
−
ad d: Het water moet er ook weer weg kunnen en de aanvrager moet zorgen dat dit op een gecontroleerde manier kan plaatsvinden;
−
ad e: Uiteraard moet de berging ook voldoende groot zijn. De aanvrager moet daarom aantonen
dat het effect op het watersysteem gelijkwaardig is aan het effect van compensatie door aanleg van open water.
Beleidsregels AGV
versie mei 2020
Pagina 75 van 111
13. Beleidsregels voor grondwateronttrekkingen 13.1. Reikwijdte De beleidsregels in dit hoofdstuk hebben betrekking op de beoordelingsregels voor een
omgevingsvergunning of maatwerkvoorschrift voor het onttrekken van grondwater. De beleidsregels gaan over algemene voorwaarden voor grondwateronttrekkingen en infiltraties, effecten op andere belangen, bronbemalingen, bodemsanering, beregening of bevloeiing, permanente
grondwateronttrekkingen voor (bouw)werken of infrastructuur, grondwateronttrekkingen om de ontwateringsdiepte te vergroten en grondwater in waterkeringen.
Het waterschap is niet het bevoegd gezag voor alle grondwateronttrekkingen: de provincie verleent de vergunningen voor onttrekkingen voor drinkwatervoorziening, industriële onttrekkingen groter dan 150.000 m3 per jaar en onttrekkingen voor bodemenergiesystemen.
De beleidsregels in dit hoofdstuk gelden niet voor grondwateronttrekkingen zonder toepassing van een pomp en bemaling. Dit speelt bijvoorbeeld bij het aanbrengen van een laag zand met daarin
drainage; door de druk van het opgebrachte zand zal het grondwater in beweging komen naar boven en naar opzij. Een op die wijze opgewekte grondwaterstroom geldt niet als grondwateronttrekking. Hiervoor is geen melding of vergunning nodig.
De volgende beleidsregels kunnen mede van toepassing zijn: − − −
Hoofdstuk 6
Hoofdstuk 8
Graven of grond verstoren in of nabij waterkeringen; Kabels en leidingen in of nabij waterstaatswerken;
Hoofdstuk 14 Peilafwijkingen.
13.2. Vergunningplichtige gevallen In de volgende paragrafen van de Waterschapsverordening zijn de vergunningplichtige gevallen aangewezen.
Paragraaf 2.2.2: Aanwijzing vergunningplichtige gevallen grondwateronttrekkingen.
13.3. Meldplichtige en informatieplichtige gevallen In afdeling 3.2 van de Waterschapsverordening zijn de activiteiten aangewezen waarvoor een
meldplicht of informatieplicht geldt. Voor deze activiteiten zijn tevens activiteitgerichte specifiek zorgplichten opgesteld. De beleidsregels zijn van toepassing op de beoordeling van
maatwerkvoorschriften in aanvulling of afwijking van de activiteitgerichte specifieke zorgplichten in afdeling 3.2 van de Waterschapsverordening.
De beleidsregels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de beoordeling van maatwerkvoorschriften in
aanvulling of afwijking van de activiteitgerichte specifieke zorgplichten in: Paragraaf 3.2.1:
Grondwater onttrekken en water infiltreren
13.4. Beleidsregels voor grondwateronttrekkingen De beleidsregels geven uitleg over de toepassing van artikel 2.2.1.2 en 2.2.1.3 van de
Waterschapsverordening en over de afweging van belangen en vaststelling van feiten, met betrekking tot de activiteiten bedoeld in dit hoofdstuk.
Beleidsregels AGV
versie mei 2020
Pagina 76 van 111
13.5. Algemene inleiding Het beleid van AGV is gebiedsgericht. Dit komt onder meer tot uiting door rekening te houden met de zettingsgevoeligheid van het gebied en daarnaast met kwelafhankelijke natuurgebieden. Op de niet-
zettingsgevoelige, hogere gronden (dat zijn de zandgronden in het Gooi en bij Muiderberg) geldt een
ruimere grens voor vrijstelling van de vergunningplicht. Hier geldt dat een afname van kwel kan leiden tot negatieve effecten op de kwelafhankelijke natuur. Daarom moet in principe het onttrokken grondwater weer teruggebracht worden in het grondwatersysteem.
De regels voor grondwateronttrekkingen dragen bij aan een duurzaam beheer van de
grondwatervoorraad. De doelstelling op hoofdlijnen is dat de hoeveelheid en kwaliteit van het
grondwater geschikt moet zijn en blijven voor duurzaam gebruik door mens en natuur. Risico’s van
een grondwateronttrekking zijn met name dat de grondwaterstand daalt, waterstromen veranderen en de kwaliteit van het grondwater verslechtert. Dit kan nadelig of schadelijk zijn voor andere belangen, zoals: natuur, landbouw, bebouwing, civieltechnische werken zoals kunstwerken, waterkeringen en
wegen, drinkwatervoorziening, groenvoorziening, archeologische, aardkundige en cultuurhistorische
waarden, de werking van een bodemenergiesysteem, de werking van een grondwatersanering enz. Ook infiltratie van water in de ondergrond heeft risico’s voor grondwaterstanden en –kwaliteit.
Grondwateronttrekkingen worden in de beleidsregels onderscheiden naar het doel van de onttrekking. −
Bronbemalingen
Dit zijn tijdelijke verlagingen van het grondwaterpeil om werkzaamheden uit te kunnen voeren
voor werken en infrastructuur beneden het normale grondwaterpeil. Voorbeelden zijn: de aanleg van funderingen, (parkeer)kelders, riolering, andere leidingen en kabels of het drooghouden van ontgravingsputten voor bodemsaneringen;
−
Grondwateronttrekkingen ten behoeve van bodemsanering
Bij bodemsaneringen (zowel grond- als grondwatersaneringen) zijn er tijdelijke en (semi-
)permanente onttrekkingen nodig voor het saneren van verontreinigingen in de ondergrond; −
Onttrekkingen ten behoeve van beregening en bevloeiing Hierbij gaat het om tijdelijke onttrekkingen voor: o
Het voorkomen van droogteschade (met name in de zomerperiode).
o
Beregening van kunstgrasvelden (om ze beter bespeelbaar te maken).
o
Het voorkomen van vorstschade.
Het voorkomen van droogteschade komt het meest voor; −
Permanente onttrekkingen voor werken en infrastructuur
Dit zijn onttrekkingen door middel van bouwkundige of civieltechnische constructies die het
grondwaterpeil permanent kunstmatig laag houden (constructie volgens polderprincipe). Het doel hiervan is bouwkosten te besparen. Ze komen vooral voor in stedelijk gebied bij (half)verdiepte parkeerkelders of tunnels;
−
Proefbemalingen
Dit zijn bemalingen die bij wijze van proef grondwater onttrekken, de zogeheten pompproef. In het algemeen is het doel van deze bemalingen om tot een goede inrichting te komen voor een bronbemaling of grondwatersanering; −
Overige onttrekkingen Dit zijn bijvoorbeeld: o
Noodvoorzieningen (bijvoorbeeld bluswater, water voor noodstroomvoorzieningen,
o
Industriële onttrekkingen kleiner dan 150.000 m3 per jaar zoals wasstraten;
onttrekkingen bij reparaties of calamiteiten);
Beleidsregels AGV
versie mei 2020
Pagina 77 van 111
o
Bedrijfsmatige onttrekkingen van water dat niet bedoeld is voor consumptie
(bijvoorbeeld: veedrenking, schoonspoelen van stallen en machines, stofbestrijding bij sloopwerkzaamheden, het tegengaan van broeien bij opslag van houtsnippers);
o
Bedrijfsmatige onttrekkingen die bedoeld zijn voor consumptie (bijvoorbeeld water voor bierbrouwerijen – geen kleine drinkwateronttrekkingen, want daarvoor is de provincie bevoegd gezag);
o
o
Bevloeiing / beregening voor de glastuinbouw (permanente watervraag); IBC-maatregelen voor grondwaterverontreinigingen ((semi-)permanente
onttrekkingen, bedoeld als beheersmaatregel om verdere verspreiding van mobiele verontreinigingen te voorkomen);
o
o
Doorstroming van drukriolen;
Onttrekkingen om de ontwateringsdiepte te vergroten, met als doel de
grondwaterstand te verlagen tot onder het peil van het oppervlaktewater in het
betreffende gebied. In het algemeen hebben deze bemalingen een permanent karakter en vinden ze plaats door middel van een drainagesysteem dat bemalen wordt; o
Onttrekkingen in het kader van grondwateroverlast.
Beleidsregel 13.1: algemene voorwaarden voor grondwateronttrekkingen Beleidsregel 13.1: algemene voorwaarden grondwateronttrekkingen en infiltraties De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor een grondwateronttrekking (en eventuele infiltratie) wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: − −
De oogmerken als bedoeld in artikel 2.2.1.2 van de Waterschapsverordening;
De specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.2.1.3 van de Waterschapsverordening,
waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaarden en maatstaven: a)
De onttrekking en/of infiltratie leidt niet tot negatieve effecten op de kwaliteit van het grondwater. Dit betekent dat de onttrekking onder meer niet leidt tot: − −
Het aantrekken van zout of brak grondwater waardoor blijvende schade ontstaat;
Significante verplaatsing van grondwaterverontreinigingen (afhankelijk van omvang en ernst van de verontreiniging);
− − b)
Het belemmeren van mogelijkheden tot sanering van grondwaterverontreinigingen;
Significante invloed op een koude-/warmte bel, behorend bij koude-warmte winning door
bodemenergiesystemen;
Als grondwater van goede kwaliteit gebruikt wordt voor laag- of middelwaardige toepassingen,
brengt de onttrekker dit zoveel mogelijk terug in de bodem. Daarbij geldt dat de retourbemaling doelmatig en duurzaam moet zijn (doelmatig en duurzaam wil zeggen dat de retourbemaling de negatieve effecten van de onttrekking tegengaat en daarnaast geen andere negatieve effecten
c)
d)
e)
veroorzaakt);
De onttrekking voor laagwaardige toepassingen is zo beperkt mogelijk;
Waar mogelijk neemt de onttrekker waterbesparende maatregelen, door de bemaling en, indien
aanwezig, de retourbemaling zo doelmatig en efficiënt mogelijk in te richten. Dit geldt ook voor bemalingen bij bodemsaneringen;
Een grondwateronttrekking is in beginsel niet verenigbaar met de oogmerken en specifieke zorgplichten:
Beleidsregels AGV
versie mei 2020
Pagina 78 van 111
1. 2. f)
als er aanvaardbare alternatieven voor de grondwateronttrekking zijn; en
in geval van gebruik van grondwater van een goede kwaliteit voor een laagwaardige toepassing;
Er zijn geen negatieve effecten op doelen van grondwaterafhankelijke natuur in Natura 2000-
gebieden. Als dat wel het geval is moet de onttrekker deze negatieve effecten door maatregelen volledig ongedaan maken.
Rekening houden met cumulatieve effecten Bij een vergunningaanvraag voor een onttrekking (en eventueel infiltratie) moet de waterbeheerder de
effecten afwegen. Belangrijk bij de afweging is om steeds rekening te houden met cumulatieve effecten van alle bestaande onttrekkingen. Daar waar de effecten van onttrekkingen de grens van het eigen
beheergebied overschrijden, is het van belang om ook de naburige grondwaterbeheerders (provincie, waterschappen) bij de belangenafweging te betrekken.
Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor grondwater richten zich op het functioneren van het
watersysteem en het voldoende beschikbaar blijven van goed grondwater. Grondwateronttrekkingen kunnen een negatief effect hebben op het watersysteem. Daarbij kunnen de volgende mechanismen een rol spelen: −
Afname zoetwatervoorraad:
De totale hoeveelheid beschikbaar zoet grondwater kan afnemen als gevolg van onttrekkingen; −
Verlaging van de grondwaterstand:
Negatieve effecten van verlaging van de grondwaterstand kunnen bijvoorbeeld zijn: verdroging van grondwaterafhankelijke natuur en groenvoorzieningen, droogteschade in de landbouw, schade aan bebouwing door ongelijkmatige zettingen of het droogvallen van houten paalkoppen, schade aan keringen door verminderde stabiliteit, droogvallen van vijvers; −
Verlaging van kweldruk:
Bij kwel komt grondwater vanuit de ondergrond omhoog. Bepaalde – vaak zeldzame en
waardevolle – natuurtypen zijn afhankelijk van kwelwater. Door een grondwateronttrekking kan een kwelstroom verdwijnen, hetgeen schadelijk is voor de natuur die er van afhankelijk is; −
Doorboren van slecht doorlatende lagen:
De ondergrond bestaat uit verscheidene watervoerende lagen, met elk een eigen specifieke
waterkwaliteit. Deze zijn onderling gescheiden door slecht doorlatende lagen. Bij doorboring van
zo’n slecht doorlatende laag kan water uit de ene in de andere watervoerende laag stromen en de specifieke grondwaterkwaliteit beïnvloeden; −
Verandering van grondwaterstroming:
Als door een grondwateronttrekking de grondwaterstroming verandert, kan dit bijvoorbeeld leiden tot ongewenste verspreiding van een vervuiling in de ondergrond, of tot ongewenste verplaatsing van een koude-/warmtebel; −
Verandering van grondwaterkwaliteit:
Verandering van de grondwaterkwaliteit kan optreden als de onttrekking leidt tot: a Het aantrekken van zout of brak grondwater. b Verplaatsing van grondwaterverontreinigingen;
Beleidsregels AGV
versie mei 2020
Pagina 79 van 111
−
Belemmering van een grondwatersanering: een onttrekking mag de mogelijkheden om grondwaterverontreinigingen te saneren niet belemmeren;
−
Het verplaatsen van koude-/warmtebel, behorend bij koude-warmtewinning. Dit kan een negatief effect hebben op de koude-warmtewinning en/of op de grondwaterkwaliteit
Ook infiltratie kan een negatief effect hebben op het watersysteem. Daarbij kunnen de volgende mechanismen een rol spelen: −
Verhoging van de grondwaterstand:
Dit kan leiden tot wateroverlast en daarmee tot schade aan bijvoorbeeld bebouwing, landbouw of natuur (onder andere monumentale bomen); −
Verhoging van de kweldruk:
Ook dit kan leiden tot wateroverlast op plaatsen waar dat niet gewenst is; − −
Verandering van grondwaterstroming. Verandering van grondwaterkwaliteit:
Door menging kan de temperatuur verhogen of de kwaliteit achteruitgaan; −
Opbarsting:
Het ‘openbarsten’ van de deklaag door toegenomen waterdruk van onderaf. Ook het beëindigen of verminderen van een onttrekking kan een negatief effect hebben op het watersysteem. Daarbij kan het volgende mechanisme een rol spelen: -
Verhoging van de grondwaterstand. Met name grote grondwateronttrekkingen die stoppen of
verminderen kunnen aanleiding zijn tot grondwateroverlast (advies van de Commissie Integraal Waterbeheer ‘Samen leven met grondwater’ (2004)).
Toelichting Beleidsregel 13.1 De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de Waterschapsverordening. Deze beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht. −
ad a: De onttrekking mag de kwaliteit van het grondwater niet negatief beïnvloeden. Ook bij
infiltratie mag de kwaliteit van het grondwater niet worden beïnvloed. Dat betekent dat in beginsel en zo nodig na zuivering infiltratie plaats moet vinden in dezelfde watervoerende laag als waaruit de onttrekking plaatsvindt. Daarnaast mag de onttrekking ook de mogelijkheden om grondwaterverontreinigingen te saneren niet belemmeren; −
ad b: Bij gebruik van grondwater van goede kwaliteit is het uitgangspunt dit zoveel mogelijk terug te brengen in de bodem, mits retourbemaling doelmatig is. Retourbemaling betekent dat er
compensatie plaatsvindt van de grondwateronttrekking door water terug te brengen in de bodem.
Een retourbemaling moet doelmatig en duurzaam zijn. Dat betekent dat het de negatieve effecten
van de onttrekking tegen gaat en geen andere negatieve effecten veroorzaakt, zoals wateroverlast, verstopping van de bronnen of verslechtering van de grondwaterkwaliteit. Het opgepompte
grondwater moet zoveel mogelijk geïnfiltreerd worden in hetzelfde watervoerende pakket als
waaruit de onttrekking plaatsvindt. Bij retourbemaling is het gebruik van chemische middelen die de grondwaterkwaliteit verslechteren niet toegestaan (bijvoorbeeld om putverstoppingen te voorkomen of op te heffen); −
ad c: Laagwaardig gebruik stelt lage eisen aan de waterkwaliteit. Het is onwenselijk om hiervoor het kwalitatief goede grondwater te gebruiken. Als het niet anders kan zal in ieder geval de
Beleidsregels AGV
versie mei 2020
Pagina 80 van 111
bemaling en/of de retourbemaling zo doelmatig en efficiënt mogelijk moeten worden ingericht en -
gebruikt. Bijlage 17.4 bevat een overzicht van laag-, middel- en hoogwaardig gebruik;
ad d: Voorbeelden van waterbesparende maatregelen zijn het gebruiken van damwanden en
waterremmende lagen zoals waterglas. Ook is het mogelijk bij een bronbemaling onderwaterbeton
te gebruiken, een andere bemalingswijze te kiezen of het proceswater bij industriële onttrekkingen her te gebruiken. Waterbesparende maatregelen uitvoeren betekent dat er een minder grote
onttrekking nodig is. Ook voor saneringen wordt de bemaling wordt zoveel mogelijk beperkt door efficiënt ontwerp en/of toepassing van alternatieve technieken; −
ad f: De aanvrager moet maatregelen treffen om de ongewenste effecten voldoende ongedaan te maken en in bepaalde gevallen geheel ongedaan te maken. Dat laatste geldt voor
grondwaterafhankelijke natuur in Natura 2000-gebieden (beschermde natuurgebieden). Voor
Natura 2000-gebieden geldt dat er een wettelijke verplichting is om bepaalde natuurdoelen te realiseren.
Beleidsregel 13.2: beregening of bevloeiing Beleidsregel 13.2: beregening of bevloeiing
De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor een onttrekking ten behoeve van beregening of bevloeiing wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: − −
De oogmerken als bedoeld in artikel 2.2.1.2 van de Waterschapsverordening;
De specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.2.1.3 van de Waterschapsverordening,
waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaarden en maatstaven: a)
b)
Beleidsregel 13.1 is van toepassing;
De onttrekker streeft naar het beperken van de hoeveelheid te onttrekken grondwater op basis van een voorkeursvolgorde. Dit betekent dat de onttrekker zoveel mogelijk alternatieven voor grondwater inzet als er beschikbaar zijn. Voor beregening of bevloeiing geldt de
voorkeursvolgorde: oppervlaktewater, eerste watervoerende pakket en (alleen in uiterste gevallen) tweede watervoerende pakket. Bij glastuinbouw heeft - naast gebruik van oppervlaktewater gebruik van opgeslagen hemelwater de voorkeur boven grondwater.
Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor grondwater richten zich op het functioneren van het
watersysteem en het voldoende beschikbaar blijven van goed grondwater. Beregening en bevloeiing vallen onder laagwaardig gebruik van grondwater. Voor risico’s: zie beleidsregel 13.1.
Beleidsregels AGV
versie mei 2020
Pagina 81 van 111
Toelichting Beleidsregel 13.2 De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de Waterschapsverordening. Deze beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht. −
ad a: De onttrekking mag de grondwaterkwaliteit niet verslechteren, toepassen retourbemaling (indien doelmatig en duurzaam), geen goed grondwater winnen voor laagwaardig gebruik en toepassen waterbesparende maatregelen. De ongewenste effecten ongedaan maken bij Natura2000-gebieden en bij archeologische waarden;
−
ad b: Algemeen uitgangspunt is onttrekkingen voor laagwaardig gebruik zoveel mogelijk te
beperken. Het is daarom wenselijk om alternatieven voor grondwater te gebruiken voor beregening of bevloeiing, in de volgorde van wenselijkheid: oppervlaktewater, 1e watervoerend pakket, (alleen in uiterste gevallen) 2e watervoerend pakket. En bij glastuinbouw: bij voorkeur gebruik van opgeslagen regenwater.
Beleidsregel 13.3: permanente onttrekking voor aanleg werk of infrastructuur Beleidsregel 13.3: permanente onttrekking voor aanleg werk of infrastructuur
De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor een permanente onttrekking voor aanleg van een werk of infrastructuur (constructie volgens polderprincipe) wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: − −
De oogmerken als bedoeld in artikel 2.2.1.2 van de Waterschapsverordening;
De specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.2.1.3 van de Waterschapsverordening,
waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaarden en maatstaven: a)
‘Bouwen volgens polder principe’ is in beginsel niet verenigbaar met de oogmerken en specifieke
b)
als ondanks beleidsregel a) een beroep wordt gedaan op zwaarwegende redenen van openbaar
zorgplichten van grondwaterzorg;
belang als bedoeld in artikel 2.5.1.1.5 van de Waterschapsverordening wordt in ieder geval het volgende meegewogen: − − −
Beleidsregel 13.1 is van toepassing;
De debieten en grondwaterstandsverlagingen zijn minimaal; Het onderzoek voldoet aan de voorgeschreven richtlijnen.
Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor grondwater richten zich op het functioneren van het watersysteem en het voldoende beschikbaar blijven van goed grondwater. Bij permanente
onttrekkingen voor werken of infrastructuur gaat het om het zogenoemde ‘bouwen volgens
polderprincipe’. Het wordt beschouwd als laagwaardig gebruik. Bovendien kan deze permanente
Beleidsregels AGV
versie mei 2020
Pagina 82 van 111
onttrekking en bijbehorende continue lozing negatieve effecten hebben. Daarbij spelen de volgende mechanismen een rol: −
Belasting afvalwaterketen: bij lozing van het opgepompte water op het riool beïnvloedt het de waterketen (riolering en zuivering);
−
Verslechtering waterkwaliteit: bij lozing op oppervlaktewater of infiltratie in de bodem is er invloed op het watersysteem;
−
Grondwaterstandsdaling: Permanente onttrekking verlaagt de grondwaterstand en dit vergroot de kans op schade aan (bouw)werken en andere belangen in de omgeving.
Toelichting Beleidsregel 13.3 De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de Waterschapsverordening. Deze beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht. −
ad a: Bouwen volgens polderprincipe is ongewenst en niet duurzaam. Algemeen uitgangspunt is dit zoveel mogelijk te beperken;
−
ad b: Als er zwaarwegende redenen van openbaar belang zijn, dan geldt in ieder geval: dat de onttrekking mag de grondwaterkwaliteit niet verslechteren, toepassen retourbemaling (indien
doelmatig en duurzaam), geen goed grondwater winnen voor laagwaardig gebruik en toepassen waterbesparende maatregelen. De ongewenste effecten ongedaan maken bij Natura2000gebieden.
Beleidsregel 13.4: onttrekking om de ontwateringsdiepte te vergroten Beleidsregel 13.4: onttrekking om de ontwateringsdiepte te vergroten
De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor een onttrekking ter vergroting van de ontwateringsdiepte, waarbij de aanvrager de grondwaterstand verlaagt tot beneden het oppervlaktewaterpeil wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: − −
De oogmerken als bedoeld in artikel 2.2.1.2 van de Waterschapsverordening;
De specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.2.1.3 van de Waterschapsverordening,
waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaarden en maatstaven: a)
b)
Beleidsregel 13.1 is van toepassing; De onttrekking heeft tot doel: • •
Bescherming van bestaand onroerend goed, of:
Vergroting van de drooglegging voor agrarisch grondgebruik in gebieden met de functie
landbouw of agrarisch grasland met natuurwaarden, voor zover het niet gaat om begrensd c)
reservaat- of natuurontwikkelingsgebied;
Voor voorwaarden aan de peilafwijking (de grootte van de peilafwijking, het totale oppervlak waarvoor de peilafwijking geldt, en een absoluut verbod voor toepassing voor maisteelt op veengronden): zie beleidsregel 14.2.
Beleidsregels AGV
versie mei 2020
Pagina 83 van 111
Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor grondwater richten zich op het functioneren van het watersysteem en het voldoende beschikbaar blijven van goed grondwater. Het gaat hier om
onttrekkingen die dienen om de ontwateringsdiepte te vergroten, waarbij de grondwaterstand lager komt te staan dan het oppervlaktewaterpeil. Behalve bij noodvoorzieningen gaat het hier om een
laagwaardige toepassing van grondwater. Deze onttrekkingen kunnen risico’s met zich meebrengen, waarbij de volgende mechanismen een rol kunnen spelen: − − −
Versnelde inklinking van de bodem: dit leidt tot maaivelddaling en met name maaiveldverschillen; Versnippering: dit is nadelig voor het beheer van het watersysteem; Verdroging natuur: een grotere ontwateringsdiepte kan nadelige effecten hebben op de ecologie en andere belangen in het gebied.
Toelichting Beleidsregel 13.4 De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de Waterschapsverordening. Deze beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht. −
ad a: De onttrekking mag de grondwaterkwaliteit niet verslechteren, toepassen retourbemaling (indien doelmatig en duurzaam), geen goed grondwater winnen voor laagwaardig gebruik en toepassen waterbesparende maatregelen. De ongewenste effecten ongedaan maken bij Natura2000-gebieden en bij archeologische waarden;
− −
ad b: De onttrekking moet nodig zijn voor de functie die het gebied heeft; ad c: De voorwaarden voor peilafwijkingen gelden (zie beleidsregel 14.2).
Beleidsregel 13.5: grondwater in waterkeringen Beleidsregel 13.5: grondwater in waterkeringen
De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor: −
Het onttrekken van grondwater in en nabij de kernzone en beschermingszone van waterkerende
−
Overige in de Waterschapsverordening verboden activiteiten die gevolgen hebben voor de
dijklichamen, half-verholen waterkeringen en waterkerende constructies; en
grondwaterstand in of nabij waterkeringen;
wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: − −
De oogmerken als bedoeld in artikel 2.3.1.2 van de Waterschapsverordening;
De specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.3.1.3 van de Waterschapsverordening.
Beleidsregels AGV
versie mei 2020
Pagina 84 van 111
waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaarden en maatstaven: a)
b)
Beleidsregel 13.1 is van toepassing;
Afhankelijk van het doel van de onttrekking zijn beleidsregels 13.2 t/m 13.4 van toepassing.
Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor waterkeringen richten zich op de stabiliteit en het
functioneren van de waterkering. Het gaat hierbij om het onttrekken van grondwater in de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen en waterkerende constructies. Dit brengt risico’s met zich mee voor de stabiliteit van de kering. Daarbij speelt het volgende mechanisme een rol: −
Uitdrogen van de kering: door het onttrekken van grondwater wordt de grondwaterstand lager. Daardoor kan de dijk ‘uitdrogen’ en als het ware inzakken. Daardoor kan zetting van de dijk
optreden. Het risico bestaat dat de dijk daardoor niet meer voldoende hoogte houdt. Bij veendijken leidt uitdroging tot lichtere dijken; daardoor wordt de kans op afschuiven groter.
Toelichting Beleidsregel 13.5 De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de Waterschapsverordening. Deze beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht. −
ad a: De onttrekking mag de grondwaterkwaliteit niet verslechteren, toepassen retourbemaling (indien doelmatig en duurzaam), geen goed grondwater winnen voor laagwaardig gebruik en toepassen waterbesparende maatregelen. De ongewenste effecten ongedaan maken bij Natura2000-gebieden en bij archeologische waarden;
−
ad b: De overige voorwaarden zijn afhankelijk van het doel van de onttrekking terug te vinden
onder beleidsregels 13.3 t/m 13.4. De categorie ‘overige in de Waterschapsverordening verboden
acitiviteiten die gevolgen hebben voor de grondwaterstand’ hebben betrekking op het verlagen van de grondwaterstand anders dan door middel van een grondwateronttrekking. Verlaging van de
grondwaterstand kan behalve via grondwateronttrekkingen (door bemaling) ook plaatsvinden via horizontale drainage of verticale drainage. Horizontale drainage gebeurt meestal ondiep, tot een diepte van circa 1 à 2 meter, door een drain in de ontgravingsput te leggen. Verticale drainage gebeurt door meerdere diepe buizen met filters in de grond te plaatsen. Beide vormen van
onttrekking kunnen schadelijk zijn voor een waterkering. Door een lagere grondwaterstand kan de dijk ‘uitdrogen’ en als het ware inzakken. Het risico bestaat dat de dijk daardoor niet meer voldoende hoogte houdt.
Beleidsregels AGV
versie mei 2020
Pagina 85 van 111
14. Beleidsregels voor peilafwijkingen
14.1. Reikwijdte De beleidsregels in dit hoofdstuk hebben betrekking op de beoordelingsregels voor een
omgevingsvergunning of maatwerkvoorschrift voor peilafwijkingen. De beleidsregels gaan over
algemene voorwaarden voor wijzingen van het waterpeil, onderbemaling, hoogwatervoorzieningen en natte teelten, seizoensgebonden waterpeil en bemalen drainage.
In dit hoofdstuk wordt onder peilafwijkingen in ieder geval begrepen de situaties waarin het
oppervlaktewater in een deel van een peilgebied verandert door verlaging of verhoging van het peil (al dan niet met behulp van kunstwerken), en waarvan die verandering afwijkt van het vastgestelde peilbesluit in het betreffende peilvak.
De vergunning wordt verleend voor bepaalde tijd, dat wil zeggen tot aan de vaststelling van het eerstvolgende peilbesluit. Dit wordt in de vergunning opgenomen. De volgende beleidsregels kunnen mede van toepassing zijn: −
Hoofdstuk 1 De beleidsregels voor werken aanbrengen, hebben of verwijderen op of bij waterkeringen;
−
Hoofdstuk 10 De beleidsregels voor aanleg, wijzigen of verwijderen van werken in en nabij wateren.
14.2. Vergunningplichtige gevallen De vergunningplichtige gevallen zijn in de Waterschapsverordening aangewezen in: Artikel 2.4.3.6:
Peilafwijkingen primaire wateren;
Artikel 2.4.4.5:
Peilafwijkingen secundaire wateren.
14.3. Meldplichtige en informatieplichtige gevallen Voor peilafwijkingen gelden geen meldplichten of informatieplichten. Wel kan het bestuur op de kaart bij de Waterschapsverordening gebieden aanwijzen waar van het vastgestelde waterpeil mag worden afgeweken. Een dergelijk aanwijzingsbesluit kan worden genomen bij de vaststelling van een
peilbesluit of naar aanleiding van een vastgesteld peilbesluit. In de aangewezen gebieden zijn de activiteitgerichte specifieke zorgplichten van toepassing in paragraaf 3.2.14 van de Waterschapsverordening.
De beleidsregels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de beoordeling van maatwerkvoorschriften in
aanvulling of afwijking van de activiteitgerichte specifieke zorgplichten in paragraaf 3.2.14, Peilafwijkingen.
14.4. Beleidsregels voor peilafwijkingen De beleidsregels geven uitleg over de toepassing van artikel 2.4.1.2 en 2.4.1.3 van de
Waterschapsverordening en over de afweging van belangen en vaststelling van feiten, met betrekking tot de activiteiten bedoeld in dit hoofdstuk.
Beleidsregels AGV
versie mei 2020
Pagina 86 van 111
14.5. Algemene inleiding AGV stelt een zo optimaal mogelijk peil voor een heel peilgebied vast in een peilbesluit. Het waterpeil in een peilbesluit is een maatschappelijk acceptabel (gewenst) waterpeil, dat voortvloeit uit een
gedetailleerde studie en weging van belangen. Het kan voorkomen dat dit peil niet optimaal is voor een bepaalde gebruiker door lokale verschillen in maaiveldhoogte of grondgebruik. In dat geval zijn er diverse mogelijkheden om het peil lokaal te verhogen of te verlagen: −
Hoogwatervoorziening:
Het gaat hier om een klein gebied (kleiner dan 25 ha) waar het peil hoger is dan het peilvak waarop het afwatert. Het hogere peil wordt in stand gehouden met een inlaat, pomp of stuw. Redenen om een hoogwatervoorziening aan te leggen kunnen zijn: bescherming van fundering, bescherming
van natuur, bescherming van archeologische of cultuurhistorische waarden of “water in de sloot” bij een afwijkend hoog gelegen maaiveld/ slootbodem; −
Seizoensgebonden waterpeil:
Een seizoensgebonden waterpeil is het instellen van een afwijkend waterpeil dan volgens het
peilbesluit voor het betreffende peilgebied in een bepaald seizoen in het jaar. Het gaat hier om een klein gebied (kleiner dan circa 25 ha) waar het peil tijdelijk hoger of lager is dan het peilgebied
waarop het afwatert. Het peil wordt in stand gehouden met een inlaat, pomp of stuw. Redenen om een afwijkend waterpeil in te stellen kunnen zijn voor: weidevogels, beheer doelstellingen of natte teelt; −
Onderbemaling:
Het gaat hier om een klein gebied waar het peil lager is dan volgens het peilbesluit voor het betreffende peilvak, door gebruik te maken van een pomp of stuw. De reden voor een
onderbemaling is meestal land in diepere gedeelten van polders begaanbaar te houden;
−
Bemalen drainage:
Bemalen drainage is een vorm van peilafwijking. Drains voeren water uit een perceel af naar een put. Een pomp maalt het water uit de put weg of voert juist water aan. De waterstand in de put wordt gezien als de peilafwijking.
Met de regels voor het wijzigen van het waterpeil draagt AGV bij aan een ecologisch gezond en goed functionerend watersysteem en een optimaal peil voor de verschillende functies van het gebied.
Risico’s van het wijzigen van het peil zijn dat het gebied lokaal te nat of te droog wordt, hetgeen schadelijk kan zijn voor de functie van het gebied. Ook is het mogelijk dat de waterkwaliteit of beheersbaarheid van het watersysteem verslechtert.
Beleidsregel 14.1: algemene voorwaarden voor wijzigen waterpeil Beleidsregel 14.1: algemene voorwaarden voor wijzigen van het waterpeil
De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor het instellen of hebben van een peilafwijking wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: − −
De oogmerken als bedoeld in artikel 2.4.1.2 van de Waterschapsverordening;
De specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.4.1.3 van de Waterschapsverordening,
waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaarden en maatstaven:
Beleidsregels AGV
versie mei 2020
Pagina 87 van 111
a)
De peilafwijking heeft tot doel: − −
bescherming van bestaand onroerend goed; of
optimalisatie van de drooglegging van het specifiek grondgebruik voor bijvoorbeeld agrarisch grondgebruik of natuur(ontwikkeling) in reservaats- of natuurontwikkelingsgebied; of
−
optimalisatie van het peilbeheer voor een seizoensgebonden activiteit of beheersmaatregelen;
b)
De grootte van het gebied is niet groter dan 25 ha; bij een peilafwijking voor een groter gebied
c)
Er zijn redelijkerwijs geen andere oplossingen dan een peilafwijking om aan de belangen tegemoet
d)
De totale oppervlakte aan peilafwijkingen is niet groter dan 10% van een peilgebied; en
e) f)
g)
h)
wordt een specifieke afweging gemaakt van de wenselijkheid daarvan voor het waterbeheer in relatie tot de grootte van het peilgebied ter plekke; en
te komen;
De peilafwijking heeft geen negatieve gevolgen voor het waterbeheer (kwantiteit en kwaliteit) en/of instellingen van de kunstwerken van het waterschap; en
De peilafwijking heeft geen negatieve invloed op bebouwing, wegen (bestrating) en andere civieltechnische werken in de omgeving; en
De peilafwijking veroorzaakt geen verslechtering van de stabiliteit van waterkeringen.
Een peilverlaging in de teensloot van een waterkering is in beginsel niet verenigbaar met de oogmerken en specifieke zorgplichten.
Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor oppervlaktewater richten zich op het functioneren van het
watersysteem. Peilafwijkingen kunnen een negatief effect hebben op het watersysteem. Daarbij kunnen de volgende mechanismen een rol spelen: −
Versnippering: door lokale peilafwijkingen raakt het watersysteem versnipperd en kan AGV het lastiger ‘besturen’. Ook voor bijvoorbeeld vissen en andere dieren is het lastiger om zich te
verplaatsen van het ene naar het andere gebied als er peilverschillen zijn. Hierdoor wordt de
leefomgeving van de populaties (groepen dieren) steeds kleiner en kan er geen uitwisseling meer plaats vinden tussen de populaties; −
Zetting van de bodem: een peilverandering kan leiden tot ongelijkmatige zetting,
grondmechanische instabiliteit van de bodem e.d., waardoor bebouwing, wegen, waterkeringen en andere civieltechnische werken kunnen verzakken. Ook schade aan archeologische of cultuurhistorische waarden is mogelijk; −
Droogvallen van de bodem: wanneer het grondwater teveel daalt worden bodemschatten
blootgesteld aan oxidatie en zullen daardoor beschadigen of zelfs in de loop van de tijd geheel verdwijnen; −
Wijziging nutriëntenhuishouding: door peilwijzigingen kan de beschikbaarheid van nutriënten in de bodem en/of het grondwater wijzigen, wat tot negatieve effecten kan leiden voor de waterkwaliteit en de ecologische waarden.
Beleidsregels AGV
versie mei 2020
Pagina 88 van 111
Toelichting Beleidsregel 14.1 De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de Waterschapsverordening. Deze beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht. −
ad a: Er moet een goede reden zijn voor een peilafwijking, dat wil zeggen: een aanmerkelijk verschil in maaiveldhoogte ten opzichte van de rest van het peilgebied, of een afwijkend grondgebruik met specifieke eisen;
−
ad b: Als het gaat om een perceel van meer dan 25 ha is de vraag of het perceel niet beter een apart peilvak kan worden in beheer van het waterschap, in plaats van een peilafwijking;
− −
ad c: Algemeen uitgangspunt is om het aantal peilafwijkingen zoveel mogelijk te beperken;
ad d: Het gebied waar de peilafwijking plaatsvindt moet aaneengesloten zijn, en niet te klein (voor
de beheersbaarheid). Het is belangrijk dat de peilafwijking geen negatieve gevolgen heeft voor het functioneren van het watersysteem als geheel. AGV zal in beginsel geen gemalen of andere kunstwerken aanpassen om de peilafwijking mogelijk te maken; − −
ad e, f en g: De peilafwijking mag geen negatieve invloed hebben op de omgeving;
ad h: De risico’s van een peilverlaging in de teensloot van een waterkering zijn te groot voor de stabiliteit van de kering.
Beleidsregel 14.2: onderbemaling Beleidsregel 14.2: onderbemaling
De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor het instellen of wijzigen van een onderbemaling wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: − −
De oogmerken als bedoeld in artikel 2.4.1.2 van de Waterschapsverordening;
De specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.4.1.3 van de Waterschapsverordening,
waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaarden en maatstaven: a)
b) c)
De voorwaarden uit beleidsregel 14.1 zijn van toepassing;
Het gemiddelde maaiveld van de percelen, waar de peilafwijking zich bevindt, verschilt meer dan 10 cm ten opzichte van het gemiddelde maaiveld van het peilgebied van het peilbesluit; De drooglegging in de onderbemaling is: −
niet groter dan de gemiddelde drooglegging in het peilvak waarvan de beoogde onderbemaling deel uitmaakt; en
− d)
e) f)
in veen gebieden niet groter dan 0,6 m;
Het oppervlak van de onderbemaling is beperkt tussen 8 ha en 25 ha; bij een kleiner of groter oppervlak wordt een specifieke afweging gemaakt van de wenselijkheid daarvan voor het waterbeheer in relatie tot de grootte van het peilgebied ter plekke; en De onderbemaling heeft geen negatieve effecten op de omgeving;
Het debiet (l/s/ha of mm/d) van de bemalingsinstallatie voor de onderbemaling is niet groter dan de bemalingsinstallatie van het waterschap; en
Beleidsregels AGV
versie mei 2020
Pagina 89 van 111
g) h) i)
Het onderbemalingsgebied draagt naar evenredigheid met het omliggende gebied bij aan de waterberging binnen het peilgebied;
Onderbemalingen in ‘toekomstige’ natuurgebieden zijn in beginsel niet verenigbaar met de
oogmerken en specifieke zorgplichten, wanneer hierdoor de bodem onomkeerbaar zal dalen;
Onderbemalingen ten behoeve van maïsteelt in veenweidegebied zijn in beginsel niet verenigbaar met de oogmerken en specifieke zorgplichten.
Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor oppervlaktewater richten zich op het functioneren van het watersysteem. Een onderbemaling kan een negatieve invloed hebben op het watersysteem. Daarbij kunnen de volgende mechanismen een rol spelen: −
Maaivelddaling: met name veengebied is gevoelig voor maaivelddaling bij grotere droogleggingen, daarom wordt deze grondsoort met name genoemd. Verlaging van het waterpeil kan in
veengebieden leiden tot een versnelde afbraak van veen en daarmee een versnelde maaivelddaling initiëren. Hierdoor wordt het maaiveldverloop grilliger, waardoor een efficiënt waterbeheer moeilijker wordt; −
Verdroging: de aanleg van een lokale peilverlaging kan het grondwaterpeil in de omliggende gebieden negatief beïnvloeden. Peilverlagingen in de nabijheid van natuurgebieden hebben
doorgaans een ongewenst effect (verdroging). Verdroging kan zich uiten in ongewenst lagere
grondwaterstanden waardoor het soms nodig is meer water met een ongewenste kwaliteit in te laten in het gebied; −
Minder bergingscapaciteit: een onderbemaling kan een negatieve invloed hebben op de
bergingscapaciteit in het gebied, omdat de acceptabele peilvariatie in een onderbemalingsgebied meestal kleiner is dan normaal. Bij grote piekafvoeren kan een onderbemalingsgebied daarom
minder water bergen. Ook is het mogelijk dat een onderbemaling kwelwater vanuit de ondergrond aantrekt (omdat de waterstand daar lokaal lager is).
Toelichting Beleidsregel 14.2 De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de Waterschapsverordening. Deze beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht. −
ad a: Een onderbemaling mag alleen als er een goede reden voor is, het gebied kleiner is dan 25 ha en minder dan 10% van het peilgebied en er geen versnippering of zetting van de bodem optreedt. Met name in veengebieden mag de grondwaterstand niet te laag worden. Een onderbemaling moet ver genoeg uit de buurt blijven van natuurgebieden;
−
ad b: Er moet sprake zijn van een duidelijke afwijking van de maaiveldhoogte, deze moet minstens 10 cm verschillen van het gemiddelde van het peilvak;
−
ad c: De drooglegging (waterstand ten opzichte van het maaiveld) mag niet groter zijn dan in de
rest van het peilvak en in veengrond niet meer dan 60 cm onder maaiveld. Dit in verband met het risico op maaivelddaling; −
ad d: Bij een gebied groter dan 25 ha valt een apart peilvak te overwegen. Onderbemalingen
kleiner dan 8 hectare zijn in beginsel ongewenst omdat ze tot een te versnipperd peil leiden;
Beleidsregels AGV
versie mei 2020
Pagina 90 van 111
−
ad e: Vanwege bovengenoemde risico’s mag een onderbemaling geen invloed hebben op de omgeving;
−
ad f: De pompcapaciteit van de bemalingsinstallatie (in m3/min/ha) die nodig is voor de
onderbemaling mag niet groter zijn dan de pompcapaciteit van het gemaal van het waterschap. Dit om te voorkomen dat bij hevige neerslag de bemalingsinstallatie het wateroverschot van de onderbemaling afwentelt en overlast veroorzaak in het ontvangende peilgebied; −
ad g: Het onderbemalingsgebied draagt naar evenredigheid met het omliggende gebied bij aan de waterberging binnen het peilgebied, zodat bij hevige neerslag het wateroverschot niet wordt afgewenteld op het ontvangende peilgebied;
−
ad h: De reden is dat dit de ecologische potenties van het gebied onomkeerbaar vermindert.
Toekomstige natuurgebieden zijn aangewezen in de regionale waterplannen of structuurplannen van de provincies, of in bestemmingsplannen van gemeenten; −
ad i: Maisteelt is ongewenst in veenweidegebieden. Veenweidegebieden zijn niet geschikt voor maïsteelt zonder deze sterk te ‘verdrogen’. Dit levert onomkeerbare bodemdaling op.
Beleidsregel 14.3: hoogwatervoorzieningen en natte teelten Beleidsregel 14.3: hoogwatervoorzieningen inclusief natte teelten (inlaat, opmaling of stuw)
De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor een hoogwatervoorziening door middel van een inlaat, opmaling of stuw wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: − −
De oogmerken als bedoeld in artikel 2.4.1.2 van de Waterschapsverordening;
De specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.4.1.3 van de Waterschapsverordening,
waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaarden en maatstaven: a)
b)
c)
d)
De voorwaarden uit beleidsregel 14.1 zijn van toepassing; en
De waterkwaliteit verslechtert niet als gevolg van de hoogwatervoorziening. De
hoogwatervoorziening wordt bij voorkeur gevoed vanuit de polder(water); er wordt geen gebruik gemaakt van een (nieuwe) inlaat vanuit de boezem; en
De peilverhoging vindt plaats in aaneengesloten delen van een peilvak of bij bebouwing; en Een bemalingsinstallatie heeft geen groter specifiek debiet dan de inlaatinstallatie van het waterschap (circa 4 mm/d); en
e)
De vorm van de stuw is zodanig, dat de peilvariatie bovenstrooms overeenkomt met de
f)
Kleinschalige peilophogingen ten behoeve van “water in de sloot” zijn alleen toelaatbaar voor
doelstellingen volgens het peilbesluit;
watergangen, waarvan de (vaste) bodemhoogte boven streefpeil ligt.
Bestaande hoogwatervoorzieningen vallen onder paragraaf 3.2.1.4 van de Waterschapsverordening
(peilafwijkingen). De begrenzingen van bestaande hoogwatervoorziening worden opgenomen in een waterstaatkundige kaart bij de Waterschapsverordening.
Beleidsregels AGV
versie mei 2020
Pagina 91 van 111
Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor oppervlaktewater richten zich op het functioneren van het watersysteem. Een hoogwatervoorziening zorgt ervoor dat het waterpeil lokaal hoger is dan in de rest van het peilvak. Dat kan nodig zijn om bijvoorbeeld te zorgen dat houten palen onder huizen niet
droog vallen, of om bepaalde gewassen te kunnen telen die een hoge grondwaterstand nodig hebben (‘natte teelten’). Een hoogwatervoorziening kan risico’s opleveren voor het watersysteem. Daarbij spelen de volgende mechanismen een rol: −
Verslechtering van de waterkwaliteit: dit kan het geval zijn als het nodig is om voor de peilopzet
water te in te laten van slechtere kwaliteit, bijvoorbeeld boezemwater. Bij een plasdrassituatie (voor natte teelt) kan het water ter plekke een slechtere kwaliteit krijgen, die invloed heeft op de rest van de polder als het water daar op wordt afgelaten; −
Vernatting in de omgeving: dit kan het geval zijn als de peilopzet ook buiten het hoogwatervoorzieningsgebied leidt tot hogere waterstanden;
−
Verstoring balans wateraan- en afvoer: Een hoogwatervoorziening met permanente inlaat vanuit
andere wateren dan de polder vergroot de wateraanvoer naar de polder als geheel, en zal daarmee de balans tussen wateraanvoer en waterafvoer verstoren; −
Stremming van de aan- en afvoer: een stuw kan gaan fungeren als ‘flessenhals’, waardoor het waterpeil bovenstrooms te veel stijgt bij veel neerslag;
−
Verminderen bergingscapaciteit: ter plaatse van het gebied met een hoger peil kan het watersysteem minder water bergen bij veel neerslag.
Toelichting Beleidsregel 14.3 De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de Waterschapsverordening. Deze beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht. −
ad a: Een hoogwatervoorziening mag alleen als er een goede reden voor is, het gebied kleiner is dan 25 ha en minder dan 10% van het peilgebied en er geen versnippering optreedt;
−
ad b: Bij het op peil houden van de hoogwatervoorziening is het belangrijk dat de waterkwaliteit niet verslechtert. Dat betekent dat het inlaten van boezemwater niet wenselijk is, omdat dit van
slechtere kwaliteit is dan het polderwater. Bij voorkeur wordt een nieuwe hoogwatervoorziening
gevoed door middel van gebiedseigen water. Permanente/ plas dras peilverhoging (natte teelt) is in principe nadelig voor de waterkwaliteit binnen het gebied. Maar door uitzicht op stabilisatie
(neutrale fosfaat balans door aan en afvoer van de “natte teelt”) van de fosfaat belasting zijn de
gevolgen aanvaardbaar. Voorkomen moet worden dat water uit de plas dras peilverhoging wordt afgelaten op het polder gebied; −
ad c: Het is belangrijk versnippering van het gebied in kleine peilvakken zo veel mogelijk te voorkomen, dit in verband met de beheersbaarheid van het watersysteem;
−
ad d: Een peilverhoging mag niet leiden tot ongewenste vernattingseffecten in de omgeving. Ook mag het de waterbalans (de balans tussen wateraanvoer en waterafvoer) van de polder niet verstoren;
−
ad e: Bij gebruik van een stuw is het belangrijk dat de vorm van de stuw zodanig is, dat de
peilvariatie bovenstrooms overeenkomt met de doelstellingen volgens het peilbesluit. Dat wil
Beleidsregels AGV
versie mei 2020
Pagina 92 van 111
zeggen dat de stuw bijvoorbeeld niet te smal is als er geen grote peilvariatie wenselijk is bovenstrooms; −
ad f: Kleinschalige hoogwatervoorziening voor “water in de sloot” zijn alleen toelaatbaar in
gebieden met grote drooglegging, waarbij de vaste slootbodem boven het streefpeil ligt. (De
aanvraag kan geen oplossing zijn voor het niet baggeren van de sloot). Aandachtspunt is het
verliezen van waterberging. In de vergunning zou als voorwaarde kunnen worden opgenomen dat om berging in de polder te behouden alleen lage schotten van maximaal 0.30 m worden toegestaan.
Beleidsregel 14.4: seizoensgebonden waterpeil Beleidsregel 14.4: seizoensgebonden waterpeil
De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor een seizoensgebonden waterpeil wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: − −
De oogmerken als bedoeld in artikel 2.4.1.2 van de Waterschapsverordening;
De specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.4.1.3 van de Waterschapsverordening,
waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaarden en maatstaven: a)
b)
c) d) e) f) g)
De voorwaarden uit beleidsregel 14.1 zijn van toepassing; en
De waterkwaliteit verslechtert niet als gevolg van de inlaat of opmaling van het seizoensgebonden
waterpeil; en
Het seizoensgebonden waterpeil vindt plaats in aaneengesloten delen van een peilgebied (in agrarisch gebied); en
Een bemalingsinstallatie heeft geen groter specifiek debiet dan de inlaatinstallatie van het waterschap (circa 4 mm/d); en
Bij gebruik van een stuw is de vorm van de stuw zodanig, dat de peilvariatie bovenstrooms overeenkomt met de doelstellingen volgens het peilbesluit; en
De peilafwijking wordt gevoed vanuit de polder(water); er wordt geen gebruik gemaakt van een (nieuwe) inlaat vanuit de boezem; en
Bij een peilverhoging die een deel van het jaar wordt ingesteld, bijvoorbeeld voor weidevogels,
ontstaat er geen permanente versnippering in het watersysteem.
Beleidsregels AGV
versie mei 2020
Pagina 93 van 111
Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor oppervlaktewater richten zich op het functioneren van het watersysteem. Een seizoensgebonden waterpeil is het handhaven van een (flexibel) waterpeil, dat een deel van het jaar (seizoensgebonden) afwijkt van het peilbesluit voor het betreffende peilgebied.
Redenen om een seizoensgebonden waterpeil in te stellen kunnen zijn het kunnen uitvoeren van beheer, natte teelten of ten behoeve van weidevogels.
Een seizoensgebonden afwijkend waterpeil kan eenzelfde negatieve invloed hebben op het
watersysteem als een onderbemaling (beleidsregel 14.4) of een hoogwatervoorziening (beleidsregel 14.3).
Toelichting Beleidsregel 14.4 De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de Waterschapsverordening. Deze
beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht. De maatstaven voor het beoordelen van een vergunningaanvraag voor een seizoensgebonden peil zijn vergelijkbaar met die voor een
onderbemaling of hoogwatervoorziening. Zie ook de motivering en toelichting bij de beleidsregels 14.1, 14.2 en 14.3.
Beleidsregel 14.5: bemalen drainage Beleidsregel 14.5: bemalen drainage
De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor het reguleren van het grondwaterpeil door middel van een bemalen drainage wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: − −
De oogmerken als bedoeld in artikel 2.4.1.2vvan de Waterschapsverordening;
De specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.4.1.3 van de Waterschapsverordening,
waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaarden en maatstaven: a)
b)
De beleidsregels voor onderbemalingen (14.2) zijn van toepassing; en
Het waterpeil in de pompput wordt niet lager bemalen dan het waterpeil (volgens het vigerende peilbesluit) van het aangrenzende oppervlaktewater.
Beleidsregels AGV
versie mei 2020
Pagina 94 van 111
Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor oppervlaktewater richten zich op het functioneren van het
watersysteem. Bemalen drainage kan helpen bij het verminderen van de maaivelddaling. De risico’s van een bemalen drainage voor het watersysteem zijn hetzelfde als bij een onderbemaling (beleidsregel 14.2)
Toelichting Beleidsregel 14.5 De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de Waterschapsverordening. Deze beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht. −
ad a: AGV verleent alleen vergunning voor een bemalen drainage onder dezelfde voorwaarden die ook van toepassing zijn op onderbemalingen:
−
ad b: Het waterpeil in de pompput is feitelijk het oppervlaktewaterpeil. Bemalen drainage is
daarmee een peilafwijking. Onderscheidend is dat, in geval van het tegengaan van maaivelddaling, er een dynamisch peil wordt gehanteerd met afwisselend een hoger of lager peil dan het streefpeil van het aangrenzende peilgebied.
Beleidsregels AGV
versie mei 2020
Pagina 95 van 111
15. Beleidsregels voor aan- en afvoeren, lozen en onttrekken van water 15.1. Reikwijdte De beleidsregels in dit hoofdstuk hebben betrekking op de beoordelingsregels voor een
omgevingsvergunning of maatwerkvoorschrift voor het aan- en afvoeren en lozen en onttrekken van
oppervlaktewater uit wateren gelegen in polders. De beleidsregels gaan over de algemene voorwaarden
voor aan- en afvoeren en lozen en onttrekken van oppervlaktewater.
Het waterschap heeft met omringende waterbeheerders afspraken over de uit te wisselen hoeveelheden water in normale maar ook in uitzonderlijke situaties. Deze afspraken zijn vastgelegd in
waterakkoorden en verdringingsreeksen. Er is geen garantie op de aanvoer van de hoeveelheid water en de kwaliteit ervan door het waterschap.
In buitengewone omstandigheden als bedoeld in paragraaf 2.5.4 van de Waterschapsverordening kan het waterschap op grond van artikel 19.0, tweede lid van de Omgevingswet beperkingen stellen aan bestaande rechten.
15.2. Vergunningplichtige gevallen De vergunningplichtige gevallen zijn aangewezen in artikel 2.4.2.1 van de Waterschapsverordening.
15.3. Meldplichtige en informatieplichtige gevallen In de afdeling 3.2 van de Waterschapsverordening zijn de activiteiten aangewezen waarvoor een
meldplicht of informatieplicht geldt. Voor deze activiteiten zijn tevens activiteitgerichte specifiek zorgplichten opgesteld. De beleidsregels zijn van toepassing op de beoordeling van
maatwerkvoorschriften in aanvulling of afwijking van de activiteitgerichte specifieke zorgplichten in afdeling 3.2 van de Waterschapsverordening.
De beleidsregels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de beoordeling van maatwerkvoorschriften in aanvulling of afwijking van de activiteitgerichte specifieke zorgplichten in: Paragraaf 3.2.12
Onttrekken/lozen van water aan of op oppervlaktewateren.
15.4. Beleidsregels voor aan- en afvoeren, lozen en onttrekken van water De beleidsregels geven uitleg over de toepassing van artikel 2.4.1.2 en 2.4.1.3 van de
Waterschapsverordening en over de afweging van belangen en vaststelling van feiten, met betrekking tot de activiteiten bedoeld in dit hoofdstuk.
Met de regels over aan- en afvoeren, lozen en onttrekken van water draagt AGV bij aan een ecologisch gezond en goed functionerend watersysteem en een optimaal peil voor de verschillende functies van
het gebied.
Risico’s van het aan- en afvoeren, lozen en onttrekken van water zijn dat de peilen kunnen stijgen en de stroomsnelheid van het water kan veranderen. Dit kan een negatief effect hebben op het watersysteem, op keringen of op de scheepvaart.
Beleidsregels AGV
versie mei 2020
Pagina 96 van 111
Beleidsregel 15.1: algemene voorwaarden aan/afvoeren, lozen, onttrekken Beleidsregel 15.1: algemene voorwaarden voor aan- en afvoeren en lozen en onttrekken van oppervlaktewater