TKN - 19 Water (39) Bijlage 3 - inspraakversie Beleidsregels bij Waterschapsverordening AGV 2021.pdf
Tekst van het document
Beleidsregels voor de
Waterschapsverordening van
Waterschap Amstel, Gooi en Vecht Aanvullend kader voor vergunningverlening en maatwerkvoorschriften
Concept versie mei 2020 – met tekstuele toelichting op wijzigingen ten opzichte van de vastgestelde versie van november 2019
Inhoudsopgave DEEL I – Inleiding ....................................................................................................... 7 DEEL II – Beleidsregels ................................................................................................. 9 1.
Beleidsregels voor werken op of bij waterkeringen ................................................ 9
1.1.
Reikwijdte ......................................................................................................... 9
1.2.
Vergunningplichtige gevallen .............................................................................. 9
1.3.
Meldplichtige en informatieplichtige gevallen ....................................................... 9
1.4.
Beleidsregels voor werken op of bij waterkeringen ................................................ 9
Beleidsregel 1.1: werken ............................................................................................. 9 Beleidsregel 1.2: funderingspalen .............................................................................. 11 Beleidsregel 1.3: opritten en bruggen ......................................................................... 12 Beleidsregel 1.4: windturbines ................................................................................... 13 Beleidsregel 1.5: windmolens ..................................................................................... 14 2.
Beleidsregels voor waterkerende werken en inlaten in waterkeringen .................... 16
2.1.
Reikwijdte ....................................................................................................... 16
2.2.
Vergunningplichtige gevallen ............................................................................ 16
2.3.
Meldplichtige en informatieplichtige gevallen ..................................................... 17
2.4.
Beleidsregels voor waterkerende werken en inlaten in waterkeringen .................... 17
Beleidsregel 2.1: sluizen en gemalen .......................................................................... 17 Beleidsregel 2.2: bijzondere waterkerende constructies ................................................ 18 Beleidsregel 2.3: kunstwerken met afsluitmiddelen ...................................................... 19 Beleidsregel 2.4: Inlaten ............................................................................................ 20 3.
Beleidsregels voor wegen en verkeersvoorzieningen op waterkeringen .................. 22
3.1.
Reikwijdte ....................................................................................................... 22
3.2.
Vergunningplichtige gevallen ............................................................................ 22
3.3.
Meldplichtige en informatieplichtige gevallen ..................................................... 22
3.4.
Beleidsregels voor wegen en verkeersvoorzieningen op waterkeringen .................. 22
Beleidsregel 3.1: wegen ............................................................................................. 23 Beleidsregel 3.2: bruggen, tunnels of aquaducten ........................................................ 24 Beleidsregel 3.3: verkeersdrempels en -plateaus ......................................................... 26 4.
Beleidsregels voor beschoeiingen en damwanden bij waterkeringen ...................... 27
4.1.
Reikwijdte ....................................................................................................... 27
Beleidsregels AGV
versie mei 2020
Pagina 2 van 111
4.2.
Vergunningplichtige gevallen ............................................................................ 27
4.3.
Meldplichtige en informatieplichtige gevallen ..................................................... 28
4.4.
Beleidsregels voor beschoeiingen en damwanden bij waterkeringen ...................... 28
Beleidsregel 4.1: damwanden ..................................................................................... 28 5.
Beleidsregels voor bodemonderzoek in en nabij waterkeringen ............................ 31
5.1.
Reikwijdte ....................................................................................................... 31
5.2.
Vergunningplichtige gevallen ............................................................................ 31
5.3.
Meldplichtige en informatieplichtige gevallen ..................................................... 31
5.4.
Beleidsregels voor uitvoeren van bodemonderzoek in en nabij waterkeringen ........ 32
Beleidsregel 5.1: exploratie- en spuitboringen ............................................................ 32 Beleidsregel 5.2: seismisch onderzoek ........................................................................ 33 6.
Beleidsregels voor graven in of nabij waterkeringen ............................................ 35
6.1.
Reikwijdte ....................................................................................................... 35
6.2.
Vergunningplichtige gevallen ............................................................................ 35
6.3.
Meldplichtige en informatieplichtige gevallen ..................................................... 35
6.4.
Beleidsregels voor graven in of nabij waterkeringen ............................................ 36
Beleidsregel 6.1: ontgravingen ................................................................................... 36 7.
Beleidsregels voor drukvaten en explosiegevaar bij waterkeringen ....................... 38
7.1.
Reikwijdte ....................................................................................................... 38
7.2.
Vergunningplichtige gevallen ............................................................................ 38
7.3.
Meldplichtige en informatieplichtige gevallen ..................................................... 38
7.4.
Beleidsregels voor drukvaten en explosiegevaar bij waterkeringen ....................... 38
Beleidsregel 7.1: ondergronds drukvat ........................................................................ 39 Beleidsregel 7.2: bovengronds drukvat ....................................................................... 40 Beleidsregel 7.3: explosiegevaarlijke stoffen of installaties ........................................... 41 8.
Beleidsregels voor kabels en leidingen op of bij waterstaatswerken ...................... 42
8.1.
Reikwijdte ....................................................................................................... 42
8.2.
Vergunningplichtige gevallen ............................................................................ 42
8.3.
Meldplichtige en informatieplichtige gevallen ..................................................... 42
8.4.
Beleidsregels voor kabels en leidingen op of bij waterstaatswerken ...................... 43
Beleidsregel 8.1: algemene voorwaarden kabels en leidingen ........................................ 43 Beleidsregel 8.2: kabels en leidingen in waterkerende dijklichamen............................... 44 9.
Beleidsregels voor bodemenergiesystemen bij waterkeringen ............................... 46
9.1.
Reikwijdte ....................................................................................................... 46
Beleidsregels AGV
versie mei 2020
Pagina 3 van 111
9.2.
Vergunningplichtige gevallen ............................................................................ 46
9.3.
Meldplichtige en informatieplichtige gevallen ..................................................... 46
9.4.
Beleidsregels voor bodemenergiesystemen bij waterkeringen ............................... 47
Beleidsregel 9.1: algemene voorwaarden bodemenergiesystemen .................................. 47 10.
Beleidsregels voor werken in/bij wateren en vervanging (woon)schepen ................ 48
10.1. Reikwijdte ....................................................................................................... 48 10.2. Vergunningplichtige gevallen ............................................................................ 48 10.3. Meldplichtige en informatieplichtige gevallen ..................................................... 49 10.4. Beleidsregels voor werken in of bij wateren en vervanging (woon)schepen ............ 49 Beleidsregel 10.1: algemene voorwaarden werken in/bij oppervlaktewater ..................... 49 Beleidsregel 10.2: (bouw)werken onder water .............................................................. 52 Beleidsregel 10.3: duikers in primaire wateren ............................................................ 53 Beleidsregel 10.4: vervangen (woon)schip in knelpuntengebieden en
hoogwaterbemalingsgebied .............................................................................. 55
Beleidsregel 10.5: tijdelijke werken, drijvende inrichtingen en voorwerpen .................... 56 Beleidsregel 10.6: vervangen beschoeiing in een groene oever of natuurvriendelijke oever
...................................................................................................................... 57
11.
Beleidsregels voor aanleg, wijzigen en dempen van water .................................... 58
11.1. Reikwijdte ....................................................................................................... 58 11.2. Vergunningplichtige gevallen ............................................................................ 59 11.3. Meldplichtige en informatieplichtige gevallen ..................................................... 59 11.4. Beleidsregels voor wijzigen en aanleg van oppervlaktewaterlichamen ................... 59 Beleidsregel 11.1: aanleg van oppervlaktewaterlichamen .............................................. 59 Beleidsregel 11.2: verdiepen van oppervlaktewaterlichamen ......................................... 61 Beleidsregel 11.3: verbreden van oppervlaktewaterlichamen ......................................... 62 Beleidsregel 11.4: verondiepen van oppervlaktewaterlichamen ...................................... 63 Beleidsregel 11.5: herstel van de oorspronkelijke oeverlijn ........................................... 64 Beleidsregel 11.6: algemene voorwaarden dempen van oppervlaktewater ....................... 65 Beleidsregel 11.7: gedeeltelijke demping primaire wateren in de boezem ...................... 68 Beleidsregel 11.8: ophogen/bebouwen van boezemland ............................................... 69 Beleidsregel 11.9: maatwerkvoorschriften opbarsting................................................... 71 12.
Beleidsregels voor stedelijke uitbreiding ............................................................ 72
12.1. Reikwijdte ....................................................................................................... 72 12.2. Vergunningplichtige gevallen ............................................................................ 72
Beleidsregels AGV
versie mei 2020
Pagina 4 van 111
12.3. Meldplichtige en informatieplichtige gevallen ..................................................... 72 12.4. Beleidsregels voor aanleg verhard oppervlak ...................................................... 72 Beleidsregel 12.1: algemene voorwaarden aanleggen van verhard oppervlak .................. 72 Beleidsregel 12.2: compensatie door alternatieve regenwaterberging ............................ 74 13.
Beleidsregels voor grondwateronttrekkingen ...................................................... 76
13.1. Reikwijdte ....................................................................................................... 76 13.2. Vergunningplichtige gevallen ............................................................................ 76 13.3. Meldplichtige en informatieplichtige gevallen ..................................................... 76 13.4. Beleidsregels voor grondwateronttrekkingen ...................................................... 76 13.5. Algemene inleiding .......................................................................................... 77 Beleidsregel 13.1: algemene voorwaarden voor grondwateronttrekkingen ...................... 78 Beleidsregel 13.2: beregening of bevloeiing ................................................................ 81 Beleidsregel 13.3: permanente onttrekking voor aanleg werk of infrastructuur ............... 82 Beleidsregel 13.4: onttrekking om de ontwateringsdiepte te vergroten .......................... 83 Beleidsregel 13.5: grondwater in waterkeringen .......................................................... 84 14.
Beleidsregels voor peilafwijkingen ..................................................................... 86
14.1. Reikwijdte ....................................................................................................... 86 14.2. Vergunningplichtige gevallen ............................................................................ 86 14.3. Meldplichtige en informatieplichtige gevallen ..................................................... 86 14.4. Beleidsregels voor peilafwijkingen ..................................................................... 86 14.5. Algemene inleiding .......................................................................................... 87 Beleidsregel 14.1: algemene voorwaarden voor wijzigen waterpeil ................................ 87 Beleidsregel 14.2: onderbemaling .............................................................................. 89 Beleidsregel 14.3: hoogwatervoorzieningen en natte teelten ......................................... 91 Beleidsregel 14.4: seizoensgebonden waterpeil ........................................................... 93 Beleidsregel 14.5: bemalen drainage .......................................................................... 94 15.
Beleidsregels voor aan- en afvoeren, lozen en onttrekken van water ..................... 96
15.1. Reikwijdte ....................................................................................................... 96 15.2. Vergunningplichtige gevallen ............................................................................ 96 15.3. Meldplichtige en informatieplichtige gevallen ..................................................... 96 15.4. Beleidsregels voor aan- en afvoeren, lozen en onttrekken van water ..................... 96 Beleidsregel 15.1: algemene voorwaarden aan/afvoeren, lozen, onttrekken ................... 97 16.
Beleidsregel voor de vergoeding van kosten van het verleggen van kabels en
leidingen ......................................................................................................... 99
Beleidsregels AGV
versie mei 2020
Pagina 5 van 111
16.1. Reikwijdte ....................................................................................................... 99 17.
Bijlagen ......................................................................................................... 100
17.1. Begripsbepalingen bij beleidsregels ................................................................. 100 17.2. Toelichting op de procedures voor vergunningen, meldingen en
maatwerkvoorschriften ................................................................................... 102
17.3. Kosten bij vergunningen en meldingen ............................................................ 106 17.4. Grondwaterwinningen ingedeeld naar gebruiksklasse ........................................ 107 17.4. Eisen aan de vergunningaanvraag voor grondwateronttrekkingen ....................... 108
Beleidsregels AGV
versie mei 2020
Pagina 6 van 111
DEEL I – Inleiding
I.
De Beleidsregels en de Waterschapsverordening
De waterschappen zijn belast met het beheer van het watersysteem. Tot het watersysteem
behoren de waterkeringen, de oppervlaktewateren, de bergingsgebieden en het grondwater. Om deze te beschermen heeft Waterschap Amstel, Gooi & Vecht (AGV) de
Waterschapsverordening opgesteld. Hier staan regels in voor activiteiten die mogelijk een negatief effect op het (grond)water en/of de keringen kunnen hebben.
In de Waterschapsverordening staan ook activiteiten benoemd die alleen met een vergunning mogen uitgevoerd. De Beleidsregels zijn een uitwerking van de regels in de
Waterschapsverordening voor het verlenen van deze vergunningen, en onder welke voorwaarden (voorschriften) de vergunde activiteiten kunnen worden uitgevoerd.
De Beleidsregels kunnen ook gebruikt worden als aanvulling of correctie op de regels in
hoofdstuk 3 van de Waterschapsverordening, voor niet-vergunningplichtige activiteiten. Als
deze artikelen het watersysteem niet voldoende beschermen, of juist te streng zijn, kan hier van afgeweken worden met een maatwerkbesluit. De beleidsregels kunnen hierbij als
ondersteuning gebruikt worden.
II.
De Beoordelingsregels: oogmerken en specifieke zorgplichten
In de Waterschapsverordening zijn voor alle onderdelen van het watersysteem oogmerken en specifieke zorgplichten benoemd. Gezamenlijk vormen deze de beoordelingsregels, aan de
hand waarvan vergunningplichtige activiteiten getoetst worden. De oogmerken en
zorgplichten zijn per object uitgewerkt in hoofdstuk 2 van de Waterschapsverordening. Met
object worden de verschillende onderdelen van het watersysteem (dijken, oppervlaktewater, grondwater) bedoeld.
De beleidsregels in dit document zijn een uitwerking van de beoordelingsregels van de
Waterschapsverordening.
Dit betekent dat de beoordelingsregels altijd leidend zijn bij de toetsing van
vergunningpichtige activiteiten; Als een activiteit niet toelaatbaar is op grond van de
beleidsregels of als hier voldoende duidelijkheid over bestaat, kan de activiteit mogelijk alsnog vergund worden op grond van de beoordelingsregels.
De oogmerken en de zorgplichten worden hieronder verder toegelicht.
Beleidsregels AGV
versie mei 2020
Pagina 7 van 111
Oogmerken De oogmerken geven aan waarop de regels van de Waterschapsverordening gericht zijn voor
het betreffende onderdeel van het watersysteem, waarbij het gaat om het waarborgen van de goede staat en werking daarvan. Alle regels voor activiteiten in het watersysteem zijn
uitwerkingen van de oogmerken. Ongeacht of dat betreft de specifieke zorgplichten, de
voorschriften in een omgevingsvergunning, de inhoudelijke regels in hoofdstuk 3 van de
Waterschapsverordening of de eventuele maatwerkvoorschriften op de inhoudelijke regels. De Waterschapsverordening onderscheidt algemene en bijzondere oogmerken voor het watersysteem. De algemene oogmerken zijn verwoord in artikel 1.1.4.1 (de voormalige
doelstellingen waterbeheer in artikel 2.1 van de Waterwet). De bijzondere oogmerken per
onderdeel van het watersysteem staan in hoofdstuk 2 van de Waterschapsverordening. De
bijzondere oogmerken verwijzen steeds naar de algemene oogmerken in artikel 1.1.4.1 van de Waterschapsverordening. De oogmerken voor de verschillende onderdelen van het
watersysteem zijn op deze wijze zo concreet mogelijk omschreven om de doelgerichtheid van de regelgeving en de uitvoering daarvan te bevorderen.
Specifieke zorgplichten De specifieke zorgplichten voor de verschillende onderdelen van het watersysteem – de
objectgerichte specifieke zorgplichten – omschrijven concreet de zorg die een ieder in acht moet nemen wanneer hij of zij een activiteit verricht in of nabij het watersysteem om de
eventuele nadelige gevolgen voor het watersysteem te voorkomen of te beperken, en als dat niet kan de activiteit achterwege te laten. De objectgerichte specifieke zorgplichten zijn ook van toepassing op het waterschap bij de uitvoering van zijn actief beheer.
De specifieke zorgplichten zijn uitgewerkt per onderdeel (object) van het watersysteem opgenomen in de afdelingen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Waterschapsverordening.
III.
Zwaarwegend openbaar belang
Van de oogmerken en specifieke zorgplichten in de Waterschapsverordening kan niet
worden afgeweken in vergunningvoorschriften, maatwerkvoorschriften of beleidsregels. Een uitzondering vormen hierbij zwaarwegende redenen van openbaar belang (artikel
2.5.1.1.5 Waterschapsverordening). Op grond van dit artikel kan AGV afwijken van de
beoordelingsregels als openbare belangen zwaarder wegen dan de belangen gekoppeld aan
het watersysteem, en er geen andere mogelijkheden zijn om deze openbare belangen op een andere manier te waarborgen.
De belangen van één particulier of van een kleine groep bedrijven of personen worden niet als openbare belangen beschouwd, en kunnen dus geen reden zijn om te wijken van de oogmerken en specifieke zorgplichten.
Beleidsregels AGV
versie mei 2020
Pagina 8 van 111
DEEL II – Beleidsregels 1. Beleidsregels voor werken op of bij waterkeringen 1.1. Reikwijdte De beleidsregels in dit hoofdstuk hebben betrekking op de beoordelingsregels voor een
omgevingsvergunning of maatwerkvoorschrift voor het aanbrengen, hebben, wijzigen of verwijderen
van werken op of bij waterkerende dijklichamen, half-verholen en verholen waterkeringen. De
beleidsregels gaan over (bouw)werken, funderingspalen, opritten en bruggen, windturbines en windmolens.
De volgende beleidsregels kunnen mede van toepassing zijn: -
-
-
-
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 4 Hoofdstuk 6
Hoofdstuk 7
Hoofdstuk 8
Wegen en verkeersvoorzieningen op waterkeringen. Beschoeiingen en damwanden bij waterkeringen. Graven in of nabij waterkeringen.
Drukvaten en explosiegevaar bij waterkeringen. Kabels en leidingen.
Hoofdstuk 12 Stedelijke uitbreiding.
1.2. Vergunningplichtige gevallen In de volgende paragrafen van de Waterschapsverordening zijn de vergunningplichtige gevallen aangewezen.
Paragraaf 2.3.2: Aanwijzing vergunningplichtige gevallen waterkerende lichamen. Paragraaf 2.3.3: Aanwijzing vergunningplichtige gevallen half-verholen waterkeringen. Paragraaf 2.3.4: Aanwijzing vergunningplichtige gevallen verholen waterkeringen. Paragraaf 2.3.5: Aanwijzing vergunningplichtige gevallen beschermde gronden.
1.3. Meldplichtige en informatieplichtige gevallen In de afdeling 3.2 van de Waterschapsverordening zijn de activiteiten aangewezen waarvoor een
meldplicht of informatieplicht geldt. Voor deze activiteiten zijn tevens activiteitgerichte specifieke
zorgplichten opgesteld. De beleidsregels zijn van toepassing bij de beoordeling van
maatwerkvoorschriften in aanvulling of afwijking van de activiteitgerichte specifieke zorgplichten in afdeling 3.2 van de Waterschapsverordening.
1.4. Beleidsregels voor werken op of bij waterkeringen De beleidsregels geven uitleg over de toepassing van artikel 2.3.1.2 en 2.3.1.3 van de
Waterschapsverordening en over de afweging van belangen en vaststelling van feiten, met betrekking tot de werken bedoeld in dit hoofdstuk.
Beleidsregel 1.1: werken Beleidsregel 1.1: plaatsen van werken of uitbreiden of verbouwen van bestaande werken in en nabij waterkeringen en beschermende gronden
Beleidsregels AGV
versie mei 2020
Pagina 9 van 111
De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor het plaatsen van werken binnen de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen, half-verholen en verholen waterkeringen en in beschermende gronden wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: -
-
De oogmerken als bedoeld in artikel 2.3.1.2 van de Waterschapsverordening;
De specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.3.1.3 van de Waterschapsverordening,
waarbij rekening wordt gehouden met de volgende afwegingen en maatstaven: a)
b)
c)
d) e) f)
Het werk kan in de kernzone of in beschermende gronden worden geplaatst:
-
-
als geen aanvaardbaar alternatief bestaat buiten de kernzone en beschermende gronden; als geen gevaar bestaat voor omvallen of omwaaien van het werk;
Het werk of de uitbreiding daarvan is stabiel en standzeker;
Het werk of de uitbreiding ervan is bestand tegen periodieke dijkversterkingen;
De plaatsing van het werk op de kruin van de waterkering is in beginsel niet verenigbaar met de oogmerken en specifieke zorgplichten;
De plaatsing van het werk in het leggerprofiel van waterkerende dijklichamen is in beginsel niet verenigbaar met de oogmerken en specifieke zorgplichten;
De plaatsing van het werk in het profiel van vrije ruimte van waterkerende dijklichamen is in
beginsel niet verenigbaar met de oogmerken en de specifieke zorgplichten, behalve in de vergrote kernzone in het vlakke achterland achter de teen.
Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor waterkeringen richten zich onder meer op het waarborgen van de stabiliteit van de kering. Werken kunnen een risico vormen voor de stabiliteit van een waterkering. Daarbij spelen diverse mechanismen een rol: -
verzakking: Het eigen gewicht van het werk kan leiden tot instabiliteit van de kering door extra
zetting van de ondergrond of door verzakking. Bij verzakking naast een dijk kan het dijklichaam gaan verschuiven in de richting van het gezakte deel aan de voet, door de zwaartekracht.
Verzakking of extra zetting kan ook leiden tot een verkorting van de levensduur van de dijk. Dit
betekent dat het waterschap eerder onderhoud moet uitvoeren om de dijk sterk genoeg te houden. -
Dit is niet wenselijk en leidt tot hogere maatschappelijke kosten;
Erosie: Als het werk op een fundering op palen staat kan erosie gaan optreden wanneer er ruimte onder de fundering ontstaat, waar water met zand in gaat stromen;
Inspectie en onderhoud: bebouwing dichtbij de waterkering kan inspectie en onderhoud door het waterschap bemoeilijken.
Toelichting Beleidsregel 1.1 De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de Waterschapsverordening.
Beleidsregels AGV
versie mei 2020
Pagina 10 van 111
-
ad a en b: Vanwege de risico’s zijn werken alleen toegestaan in de kernzone of in beschermende gronden, als er geen alternatief is en als de aanvrager kan aantonen dat het werk niet kan omvallen, omwaaien of verzakken;
− −
ad c: Ook moet het werk geen belemmering vormen voor toekomstige dijkversterkingen;
ad d: De kruin moet vrij blijven tot een breedte van 3 meter vanaf de referentielijn om de kering bereikbaar te houden voor onderhoudsmaterieel en tijdens calamiteiten;
−
ad e en f: Het werk (inclusief de fundering) mag niet komen te liggen in het leggerprofiel en het profiel van vrije ruimte. Het leggerprofiel is de (driedimensionale) vorm en hoogte die de
waterkering minimaal moet hebben om de veiligheid te garanderen. Het profiel van vrije ruimte is
een reservering om in de toekomst de waterkering te kunnen onderhouden, ook met de verwachte (klimatologische) ontwikkelingen. Alleen als er sprake is van een vergrote kernzone in het vlakke achterland achter de teen is het wel mogelijk om een werk te plaatsen in het profiel van vrije ruimte van een waterkering.
Beleidsregel 1.2: funderingspalen Beleidsregel 1.2: aanbrengen van funderingspalen De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor het aanbrengen van funderingspalen binnen de
kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen en van half-verholen waterkeringen en
in de kernzone van verholen waterkeringen wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: -
-
De oogmerken als bedoeld in artikel 2.3.1.2 van de Waterschapsverordening;
De specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.3.1.3van de Waterschapsverordening,
waarbij rekening wordt gehouden met de volgende afwegingen en maatstaven: a) b) c)
d) e)
De funderingspalen kunnen in de kernzone geplaatst wanneer er geen aanvaardbaar alternatief is buiten de kernzone; en
In het talud van waterkeringen wordt geen gebruik gemaakt van houten palen met betonnen
opzetters; en
Er wordt geen gebruik gemaakt van palen met vergrote paalvoet; en Er worden alleen grondverdringende palen toegepast; en
Het aanbrengen van funderingspalen binnen de kruin is in beginsel niet verenigbaar met de
oogmerken en de specifieke zorgplichten.
Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor waterkeringen richten zich met name op het waarborgen van de stabiliteit van de kering. Het aanbrengen van funderingspalen door heien kan invloed hebben op de stabiliteit van een kering, omdat heien trillingen veroorzaakt. Daarbij kunnen de volgende mechanismen een rol spelen: -
Zetting: Trillingen kunnen leiden tot beweging in de ondergrond. Er kan zetting en verdichting van de grond optreden, waardoor de kering lager wordt;
Beleidsregels AGV
versie mei 2020
Pagina 11 van 111
-
-
Vermindering draagkracht: Ook kan trilling tot gevolg hebben dat de draagkracht van bepaalde
bodemlagen vermindert, met name vochtige, slappere lagen (‘drijfzandvorming’). Dit alles kan de stabiliteit van de kering in gevaar brengen;
Doorboring waterafsluitende lagen: Daarnaast is een risico van heien dat doorboring van
waterafsluitende lagen kan plaatsvinden. Onder een afsluitende, slecht doorlatende laag kan een
waterover- of onderdruk aanwezig zijn. Na perforatie van de afsluitende laag kan het water door
de perforatie gaan stromen. Dit kan leiden tot andere waterspanningen in grondlagen, wat nadelig
kan zijn voor de stabiliteit van de waterkering. Het ontstaan van een wel is daar een voorbeeld van.
Toelichting Beleidsregel 1.2 De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de Waterschapsverordening. Deze beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht. −
ad a en b: In het talud van de waterkering mogen houten palen met betonnen opzetters (een
betonnen stuk aan de bovenkant van de heipaal) niet worden gebruikt, omdat deze de horizontale gronddruk, die in een talud aanwezig is, niet aankunnen. De palen kunnen afbreken en het werk kan van de palen af gaan schuiven; −
ad c: Ook palen met vergrote paalvoet mogen niet worden gebruikt, omdat er bij het heien dan een soort schacht ontstaat met ruimte rondom de paal. Zeker als de paal waterdoorlatende lagen doorsnijdt, kan hierin kortsluiting tussen watervoerende lagen optreden;
−
ad d: De reden om alleen grondverdringende palen toe te staan is dat deze als het ware klem in de grond geslagen worden, waarbij geen holle ruimten ontstaan. Grondverdringende palen zijn onder meer betonpalen, stalen buispalen of schroefpalen;
−
ad e: In de kruin mogen geen funderingspalen worden aangebracht. De reden dat heien in de kruin niet wenselijk is, is dat heien gebeurt met als doel een gebouw of constructie stevig te kunnen plaatsen. Dergelijke constructies zijn moeilijk te verwijderen als dat nodig is voor bijvoorbeeld ophogen van een waterkering.
Beleidsregel 1.3: opritten en bruggen Beleidsregel 1.3: aanleggen, vervangen en verwijderen van opritten en bruggen naar woningen, panden en percelen nabij waterkerende dijklichamen en half-verholen keringen
De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor het aanleggen, vervangen en verwijderen van opritten, waaronder ook bruggen ten behoeve van toegang naar woningen, panden en percelen bij
waterkerende dijklichamen en half-verholen waterkeringen wordt alleen verleend als het verenigbaar is
met: -
-
De oogmerken als bedoeld in artikel 2.3.1.2 van de Waterschapsverordening;
De specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.3.1.3 van de Waterschapsverordening;
waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaarden en maatstaven:
Beleidsregels AGV
versie mei 2020
Pagina 12 van 111
a)
De oprit blijft zoveel mogelijk buiten het leggerprofiel. Wanneer het een brug betreft, blijft deze
b)
De oprit of brug wordt niet groter aangelegd dan strikt noodzakelijk is voor de toegang tot
c)
buiten het leggerprofiel; en
woning, pand of perceel en het uitgangspunt is niet meer dan 1 oprit of brug per woning, pand of perceel;
In het geval van een brug voldoet deze aan de geldende veiligheidsnormen voor de betreffende
waterkering en de geldende NEN-normen en handreikingen, zoals thans het Technisch Rapport Waterkerende Grondconstructies (TAW, 2001) en Addendum (TAW/ENW, 2007).
Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor waterkeringen richten zich op het goed kunnen
functioneren van de kering. Opritten en bruggen bij waterkerende dijklichamen kunnen een probleem zijn voor de veiligheid van de waterkering. Daarbij kunnen de volgende mechanismen een rol spelen: -
Schade aan de dijk: De opritten en bruggen verstoren het dijkprofiel en de kleikap die aanwezig is
-
Belemmering voor beheer en onderhoud: Bruggen zijn relatief grote werken die een belemmering
op de dijk;
kunnen vormen voor het beheer en onderhoud aan de waterkering.
Toelichting Beleidsregel 1.3 De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de Waterschapsverordening. Deze beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht. −
ad a: Voor bruggen geldt dat zij altijd buiten het leggerprofiel moeten blijven, omdat zij anders een belemmering vormen voor het beheer en onderhoud van de waterkering;
−
ad b: Uitgangspunt is dat er vergunning wordt verleend voor niet meer dan één oprit of brug per woning, bedrijf of stuk landbouwgrond;
−
ad c: Een brug moet uiteraard voldoen aan de eisen uit de van toepassing zijnde leidraden voor veilige aanleg van bruggen en veilige waterkeringen.
Beleidsregel 1.4: windturbines Beleidsregel 1.4: oprichten windturbine De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor het oprichten van een windturbine nabij
waterkerende dijklichamen en half-verholen waterkeringen wordt alleen verleend als het verenigbaar is
met: -
-
De oogmerken als bedoeld in artikel 2.3.1.2 van de Waterschapsverordening;
De specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.3.1.3 van de Waterschapsverordening,
Beleidsregels AGV
versie mei 2020
Pagina 13 van 111
waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaarden en maatstaven: a)
De bouwlocatie bevindt zich zo ver uit de teen dat de windturbine (inclusief de wieken) niet geheel
b)
De windturbine (inclusief fundering) staat buiten de beschermingszone.
of gedeeltelijk op de kering kan vallen; en
Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor waterkeringen richten zich met name op de stabiliteit en
het functioneren van de waterkering. Een windturbine kan een gevaar zijn voor de waterkering. Daarbij kunnen de volgende mechanismen een rol spelen: -
-
Verzakking door gewicht: Een windturbine wordt gebruikt om windenergie om te zetten in
elektriciteit. Er zijn grote krachten in het spel die invloed kunnen hebben op de waterkering. Het gaat zowel om het gewicht van de windturbine zelf;
Beschadiging door trillingen: als om krachten die op de turbine, en via de turbine op de
waterkering werken door het opvangen van de wind. Trillingen tijdens storm en blikseminslag, en
ook trillingen als gevolg van de voortdurende windbelasting kunnen leiden tot beschadiging van de dijkbekleding of tot afschuiven van het talud van de kering. Dit kan ertoe leiden dat de stabiliteit en daarmee de veiligheid van de waterkering afneemt.
Beleidsregels De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de Waterschapsverordening. Deze beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht. −
ad a: De windturbine moet zo geplaatst worden dat hij bij omvallen niet op de kering kan vallen, dit geldt ook voor de wieken;
−
ad b: Binnen de kern- en beschermingszone van de kering is het niet toegestaan een windturbine
te plaatsen, met name vanwege de risico’s van trillingen door de grote krachten die werken op een windturbine.
Beleidsregel 1.5: windmolens Beleidsregel 1.5: herbouwen windmolen
De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor het herbouwen van een windmolen in de
beschermingszone van waterkerende dijklichamen wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: -
-
De oogmerken als bedoeld in artikel 2.3.1.2 van de Waterschapsverordening;
De specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.3.1.3 van de Waterschapsverordening,
waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaarden en maatstaven:
Beleidsregels AGV
versie mei 2020
Pagina 14 van 111
a)
De vervangende windmolen wordt op de bestaande fundering geplaatst, de fundering wordt niet
b)
De vervangende windmolen veroorzaakt geen toename van de belasting van de fundering of de
c)
uitgebreid;
waterkering;
De fundering is stabiel.
Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht Met ‘windmolen’ bedoelen we een klassieke molen, zoals een poldermolen of korenmolen. De essentie van deze beleidsregel is dat de situatie niet verslechtert ten opzichte van de situatie vóór de vervanging van de windmolen.
Toelichting Beleidsregel 1.5 De uitleg en afweging van de beoordelingsregels met betrekking tot de activiteit leidt tot de conclusie
dat het belangrijk is de verstoring van de waterkering zo beperkt mogelijk te houden. Dat kan door de oude fundering te gebruiken.
Beleidsregels AGV
versie mei 2020
Pagina 15 van 111
2. Beleidsregels voor waterkerende werken en inlaten in waterkeringen 2.1. Reikwijdte De beleidsregels in dit hoofdstuk hebben betrekking op de beoordelingsregels voor
omgevingsvergunningen of maatwerkvoorschriften voor het aanleggen en aanpassen van waterkerende
werken en inlaten in waterkerende dijklichamen, half-verholen en verholen waterkeringen. De
beleidsregels gaan over sluizen en gemalen, bijzondere waterkerende constructies, kunstwerken met afsluitmiddelen en inlaten.
Waterkerende werken en inlaten zijn constructies die deel uitmaken van de waterkering, met of zonder beweegbare onderdelen (afsluitmiddelen). Ze bevinden zich bijvoorbeeld op de kruising van een waterkering met een water-, verkeers- of spoorweg, tram- of metrolijn. Er zijn verschillende typen waterkerende kunstwerken: -
Kunstwerken die gewoonlijk gesloten zijn en alleen open gaan als er iemand of iets doorheen
-
Kunstwerken die gewoonlijk open zijn en alleen dicht gaan als dit voor bescherming tegen
-
moet. Voorbeelden: schutsluis, uitwateringssluis, inlaatsluis, gemaal;
overstroming bij hoge (buiten)waterstanden noodzakelijk is. Voorbeelden: keersluis, afsluitbare duiker, coupure, afsluitmiddelen in tunnels;
Kunstwerken zonder beweegbare onderdelen. Voorbeelden zijn: kistdammen, diepwanden en constructies om een niveauverschil in het maaiveld op te vangen (keermuren en -wanden,
kademuren).
Bij een inlaatwerk gaat het om een buisleiding door een waterkering, voor het inlaten van
oppervlaktewater. Dit gebeurt voor het op peil houden van het polderwaterniveau en ook voor het op peil houden van de waterstand binnen hoogwatervoorzieningen rondom bebouwing in polders. Het risico van kunstwerken is dat ze relatief veel onderhoud nodig hebben. Bovendien zijn
kunstwerken met beweegbare delen meer slijtagegevoelig dan waterkeringen zonder beweegbare
delen. Daarmee vormen kunstwerken een risicofactor voor de veiligheid van de kering. Daarnaast is
ook het onderhoud van kunstwerken duur. Vanwege de risico’s en kosten stelt AGV voorwaarden aan
de vergunningen voor aanleggen en aanpassen van waterkerende werken en inlaten bij waterkeringen en beschermende gronden.
De volgende beleidsregels kunnen mede van toepassing zijn: -
-
-
Hoofdstuk 1
Hoofdstuk 4
Hoofdstuk 6
Werken op of bij waterkeringen
Beschoeiingen en damwanden bij waterkeringen Graven in of nabij waterkeringen
2.2. Vergunningplichtige gevallen In de volgende paragrafen van de Waterschapsverordening zijn de vergunningplichtige gevallen aangewezen.
Paragraaf 2.3.2: Aanwijzing vergunningplichtige gevallen in waterkerende dijklichamen. Paragraaf 2.3.3: Aanwijzing vergunningplichtige gevallen in half-verholen waterkeringen. Paragraaf 2.3.4: Aanwijzing vergunningplichtige gevallen in verholen waterkeringen. Paragraaf 2.3.5: Aanwijzing vergunningplichtige gevallen beschermende gronden.
Beleidsregels AGV
versie mei 2020
Pagina 16 van 111
2.3.
Meldplichtige en informatieplichtige gevallen
In de afdeling 3.2 van de Waterschapsverordening zijn de activiteiten aangewezen waarvoor een
meldplicht of informatieplicht geldt. Voor deze activiteiten zijn tevens activiteitgerichte specifiek zorgplichten opgesteld. De beleidsregels zijn van toepassing bij de beoordeling van
maatwerkvoorschriften in aanvulling of afwijking van de activiteitgerichte specifieke zorgplichten in afdeling 3.2 van de Waterschapsverordening.
De beleidsregels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de beoordeling van maatwerkvoorschriften in
aanvulling of afwijking van de activiteitgerichte specifieke zorgplichten in: - Paragraaf 3.2.14 Peilafwijkingen.
2.4. Beleidsregels voor waterkerende werken en inlaten in waterkeringen De beleidsregels geven uitleg over de toepassing van artikel 2.3.1.2 en 2.3.1.3 van de
Waterschapsverordening en over de afweging van belangen en vaststelling van feiten, met betrekking tot de werken bedoeld in dit hoofdstuk.
Beleidsregel 2.1: sluizen en gemalen Beleidsregel 2.1: sluizen en gemalen De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor het aanleggen of aanpassen van sluizen en gemalen in de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen, half-verholen en
verholen waterkeringen en in beschermende gronden wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: -
-
De oogmerken als bedoeld in artikel 2.3.1.2 van de Waterschapsverordening;
De specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.3.1.3 van de Waterschapsverordening,
waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaarden en maatstaven: a)
De aanleg of aanpassing is in beginsel niet verenigbaar met de oogmerken en specifieke
b)
Als ondanks beleidsregel a) een beroep wordt gedaan op zwaarwegende redenen van openbaar
zorgplichten.
belang als bedoeld in artikel 2.5.1.1.5 van de Waterschapsverordening wordt in ieder geval het volgende meegewogen:
-
-
-
Het ontwerp voldoet aan de geldende veiligheidsnormen voor de betreffende kering; en
Het ontwerp voldoet aan de daarvoor geldende NEN-normen en handreikingen, zoals thans de
Leidraad Kunstwerken (ENW, 2017); en
Het kunstwerk is voldoende sterk, stabiel en duurzaam; en
Het ontwerp wordt gedimensioneerd op het profiel van vrije ruimte.
Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor waterkeringen richten zich op de stabiliteit en het goed
functioneren van waterkeringen. Sluizen en gemalen vormen een risico voor een waterkering. Daarbij kunnen de volgende mechanismen een rol spelen:
Beleidsregels AGV
versie mei 2020
Pagina 17 van 111
-
Slijtage: Sluizen en gemalen bevatten beweegbare delen en zijn daarom meer aan slijtage onderhevig dan waterkeringen zonder beweegbare delen. De ontwerplevensduur van de
beweegbare delen is meestal korter dan die van het waterkerende kunstwerk zelf. Ze moeten -
periodiek worden geïnspecteerd, beproefd en onderhouden en vragen veel aandacht en zorg.
Hogere faalkans: Vanwege de beweegbare onderdelen heeft een waterkerend kunstwerk vrijwel
altijd een hogere faalkans dan een ‘normale’ waterkering. Het aantal waterkerende kunstwerken in een dijkring moet dan ook zoveel mogelijk beperkt blijven omdat ze vaak de zwakke schakel in
-
een dijkring vormen.
Verkeerde bediening: Ook wanneer sluiting van beweegbare delen afhankelijk is van menselijk handelen vergroot dat de faalkans.
Toelichting Beleidsregel 2.1 De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de Waterschapsverordening. Deze beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht. −
ad b: Uiteraard moet het ontwerp deugdelijk zijn en voldoen aan de geldende normen en richtlijnen.
De afmetingen van de sluis of het gemaal moeten zodanig zijn dat het nu water kan keren, maar ook in de toekomst, als de waterkering wellicht hoger of sterker moet worden vanwege bijvoorbeeld
zeespiegelstijging. De ontwerper moet hier rekening mee houden door uit te gaan van het profiel van vrije ruimte van de waterkering.
Beleidsregel 2.2: bijzondere waterkerende constructies Beleidsregel 2.2: bijzondere waterkerende constructies zonder beweegbare onderdelen De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor het aanleggen of aanpassen van bijzondere
waterkerende constructies zonder beweegbare onderdelen in de kernzone en beschermingszone van
waterkerende dijklichamen, half-verholen en verholen waterkeringen en beschermende gronden wordt
alleen verleend als het verenigbaar is met: -
-
De oogmerken als bedoeld in artikel 2.3.1.2 van de Waterschapsverordening;
De specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.3.1.3 van de Waterschapsverordening,
waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaard en maatstaf: a)
De aanleg of aanpassing is in beginsel niet verenigbaar met de oogmerken en specifieke
b)
Als ondanks beleidsregel a) een beroep wordt gedaan op zwaarwegende redenen van openbaar
zorgplichten;
belang als bedoeld in artikel 2.5.1.1.5 van de Waterschapsverordening wordt in ieder geval het
volgende meegewogen: -
Het ontwerp voldoet aan de daarvoor geldende NEN- normen en handreikingen, zoals CURHandboeken, het Technisch Rapport Waterkerende Grondconstructies (TAW, 2001) en
Beleidsregels AGV
versie mei 2020
Pagina 18 van 111
Addendum (TAW/ENW, 2007), het Technisch Rapport Kistdammen en Diepwanden in -
Waterkeringen (TAW, 2004);
De constructie voldoet aan de geldende veiligheidsnormen voor de betreffende kering.
Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor waterkeringen richten zich op de stabiliteit en het
functioneren van de waterkering. Hoewel deze constructies in principe bedoeld zijn om de waterkering te versterken, kunnen ze een risico vormen voor de waterkering. Daarbij kunnen verschillende mechanismen een rol spelen:
Waterkerende constructies kunnen het waterkerend vermogen van de waterkering nadelig beïnvloeden als ze niet goed zijn ontworpen of uitgevoerd. -
Verzakking door gewicht: Door het gewicht van de constructie kan zetting optreden waardoor de
-
Doorboring waterafsluitende lagen: Er kan doorboring van waterafsluitende lagen plaatsvinden
-
dijk onder de minimaal benodigde hoogte kan zakken;
zodat water omhoog komt, waardoor de kering instabiel wordt;
Erosie: Er kunnen holtes of erosiegeulen ontstaan waar water door gaat stromen en erosie op gaat treden.
Hogere kosten beheer en onderhoud: Bovendien zijn dergelijke constructies in het algemeen ook duurder in het beheer en onderhoud dan een waterkering die bestaat uit een grondlichaam.
Toelichting Beleidsregel 2.2 De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de Waterschapsverordening. Deze beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht. −
ad b: AGV verleent alleen vergunning voor dergelijke constructies als het ontwerp deugdelijk is en voldoet aan de geldende normen en richtlijnen.
Beleidsregel 2.3: kunstwerken met afsluitmiddelen Beleidsregel 2.3: kunstwerken met afsluitmiddelen De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor het aanleggen of aanpassen van kunstwerken met afsluitmiddelen (afsluitbare duikers, coupures en afsluitmiddelen in tunnels) in de kernzone en
beschermingszone van waterkerende dijklichamen, half-verholen en verholen waterkeringen en in
beschermende gronden wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: -
-
De oogmerken als bedoeld in artikel 2.3.1.2 van de Waterschapsverordening;
De specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.3.1.3 van de Waterschapsverordening,
Beleidsregels AGV
versie mei 2020
Pagina 19 van 111
waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaarden en maatstaven: a)
De aanleg of aanpassing is in beginsel niet verenigbaar met de oogmerken en specifieke
b)
Als ondanks beleidsregel a) een beroep wordt gedaan op zwaarwegende redenen van openbaar
zorgplichten;
belang als bedoeld in artikel 2.5.1.1.5 van de Waterschapsverordening wordt in ieder geval het
volgende meegewogen: -
De constructie voldoet aan de geldende veiligheidsnormen voor de betreffende waterkering;
Het ontwerp voldoet aan de daarvoor geldende NEN-normen en handreikingen zoals bedoeld in beleidsregel 2.2.
Motivering De voorwaarden voor kunstwerken met afsluitmiddelen zijn vergelijkbaar met die voor bijzondere waterkerende constructies, om gelijke redenen.
Beleidsregel 2.4: Inlaten Beleidsregel 2.4:
Inlaten
De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor het aanbrengen of aanpassen van inlaten in de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen, half-verholen en verholen
waterkeringen en in beschermende gronden wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: -
-
De oogmerken als bedoeld in artikel 2.3.1.2 van de Waterschapsverordening;
De specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.3.1.3 van de Waterschapsverordening,
waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaarden en maatstaven: a)
Er is een noodzaak voor het aanbrengen of aanpassen van inlaat;
c)
De inlaat bestaat uit duurzame materialen;
b) d) e) f)
Inlaten (buisleidingen) voldoen aan geldende NEN-normen; en
Aan de hoogwaterzijde is de inlaat voorzien van een duurzaam en deugdelijk afsluitmiddel, dat
altijd voor het waterschap goed bereikbaar is en door 1 persoon te bedienen en af te sluiten is; en De inlaat wordt zodanig geconstrueerd dat stroming van water langs de inlaatleiding voorkomen wordt;
Het aanbrengen of aanpassen van een inlaat in/door directe waterkerende dijklichamen door
middel van boren of persen is in beginsel niet verenigbaar met de oogmerken en specifieke
zorgplichten.
Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor waterkeringen richten zich op het functioneren van de
waterkering. Een inlaat kan een risico vormen voor een waterkering. In principe brengt elke inlaat een
Beleidsregels AGV
versie mei 2020
Pagina 20 van 111
negatief effect voor de waterkering met zich mee doordat deze een bijdrage levert aan de totale faalkans van de waterkering.
Toelichting Beleidsregel 2.4 De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de Waterschapsverordening. Deze beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht. − −
ad a: De inlaat moet noodzakelijk zijn;
ad b en c: De inlaat moet deugdelijk zijn, dat wil zeggen: voldoen aan de geldende NEN-normen en bestaan uit duurzame materiale;
−
ad d: Aan de hoogwaterzijde moet de inlaat goed en makkelijk afsluitbaar zijn: bij hoogwatersituaties of calamiteiten moet het waterschap snel kunnen handelen;
−
ad e: Het is belangrijk om te voorkomen dat er vanaf de hoogwaterkant water langs de inlaatleiding kan stromen. Gebruikelijk is hiervoor de inlaatleiding aan de hoogwaterzijde te voorzien van een kwelscherm of kleikist;
−
ad f: Deze methode brengt te veel risico’s met zich mee voor de stabiliteit van de kering. Bij het boren of persen kunnen holle ruimten ontstaan in de dijk, met name wanneer er puin in de dijk aanwezig is. Holle ruimten vergroten de kans op kwel en piping.
Beleidsregels AGV
versie mei 2020
Pagina 21 van 111
3. Beleidsregels voor wegen en verkeersvoorzieningen op waterkeringen
3.1. Reikwijdte Deze beleidsregels hebben betrekking op de beoordelingsregels voor omgevingsvergunningen en
maatwerkvoorschriften voor wegen en verkeersvoorzieningen op of nabij waterkerende dijklichamen,
half-verholen en verholen waterkeringen. De beleidsregels gaan over wegen, over bruggen, tunnels en
aquaducten en over verkeersdrempels en verkeersplateaus.
Deze beleidsregels gelden niet voor hectometerpalen, dijkpalen en verkeersborden. Op die activiteiten zijn van toepassing de beleidsregels in Hoofdstuk 1, Werken op of bij waterkeringen. De volgende beleidsregels kunnen mede van toepassing zijn: − − −
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 6
Waterkerende werken en inlaten in waterkeringen;
Graven en grond verstoren in of nabij waterkeringen;
Hoofdstuk 10 Werken in of nabij oppervlaktewaterlichamen.
3.2. Vergunningplichtige gevallen In de volgende paragrafen van de Waterschapsverordening zijn de vergunningplichtige gevallen aangewezen.
Paragraaf 2.3.2: Aanwijzing vergunningplichtige gevallen waterkerende dijklichamen. Paragraaf 2.3.3: Aanwijzing vergunningplichtige gevallen half-verholen waterkeringen. Paragraaf 2.3.4: Aanwijzing vergunningplichtige gevallen verholen waterkeringen. Paragraaf 2.3.5: Aanwijzing vergunningplichtige beschermende gronden.
3.3. Meldplichtige en informatieplichtige gevallen In de afdeling 3.2 van de Waterschapsverordening zijn de activiteiten aangewezen waarvoor een
meldplicht of informatieplicht geldt. Voor deze activiteiten zijn tevens activiteitgerichte specifiek zorgplichten opgesteld.
De beleidsregels in dit hoofdstuk zijn van toepassing bij de beoordeling van maatwerkvoorschriften in aanvulling of afwijking van de activiteitgerichte specifieke zorgplichten in: Paragraaf 3.2.7:
Wegen op waterkeringen.
Artikel 3.2.15.1:
Plaatsen van straatvoorzieningen.
3.4. Beleidsregels voor wegen en verkeersvoorzieningen op waterkeringen De beleidsregels geven uitleg over de toepassing van artikel 2.3.1.2 en 2.3.1.3 van de
Waterschapsverordening en over de afweging van belangen en vaststelling van feiten, met betrekking tot de werken bedoeld in dit hoofdstuk.
Beleidsregels AGV
versie mei 2020
Pagina 22 van 111
Beleidsregel 3.1: wegen Beleidsregel 3.1: wegen op waterkeringen
De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor het aanleggen, verzwaren of verbreden van
wegen in de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen, half-verholen en verholen waterkeringen en in beschermende gronden wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: − −
De oogmerken als bedoeld in artikel 2.3.1.2 van de Waterschapsverordening;
De specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.3.1.3 van de Waterschapsverordening,
waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaarden en maatstaven: a)
De verwachte verkeersbelasting overschrijdt de maximaal toegestane belasting van 13 kN/m2 over
b)
Bij toenemende verkeersbelasting en opwaardering naar een hogere verkeersklasse wordt de
c) d) e)
een breedte van 2,5 meter niet;
stabiliteit van de waterkering niet in gevaar gebracht; en
Bij de aanleg van een nieuwe weg of verbreding of verzwaring van een bestaande weg blijft de weg inclusief de verkeersvoorzieningen buiten het leggerprofiel;
Bij de aanleg van een nieuwe weg of verbreding of verzwaring van een bestaande weg komt de weg niet binnen 20 jaar door verkeersbelasting en inklinking binnen het leggerprofiel te liggen; Als ondanks beleidsregel c) en d) een beroep wordt gedaan op zwaarwegende redenen van
openbaar belang als bedoeld in artikel 2.5.1.1.5van de Waterschapsverordening wordt in ieder geval het volgende meegewogen: −
Afspraken over beheer en onderhoud van de weg in relatie tot de waterkering worden vastgelegd in een beheerovereenkomst.
Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor waterkeringen richten zich op de stabiliteit en het
functioneren van de waterkering. Voor de bereikbaarheid van de waterkering en voor het ontsluiten van
bebouwde gebieden zijn wegen, bijbehorende op- en afritten en verkeersvoorzieningen zoals drempels en dergelijke nodig. Deze kunnen een negatief effect op de waterkering hebben. Hierbij spelen diverse mechanismen een rol: −
Zetting: Door het gewicht van de weg, de verkeersvoorzieningen en het verkeer dat over de weg
rijdt kan zetting optreden in de waterkering. Dit kan slecht zijn voor de stabiliteit van de kering, en de kering kan zakken tot onder de minimaal vereiste hoogte. −
Doorsnijding ondoorlatende laag: De afsluitende laag op het buitentalud van de waterkering kan
‘lek raken’ bij de aanleg van een weg. De meeste waterkeringen zijn voorzien van een afsluitende
laag op het buitentalud, die er voor zorgt dat water uit de boezem niet de dijk in kan stromen. Dit zorgt er voor dat de stand van het grondwater in de waterkering laag blijft. Als de aanleg van de weg leidt tot doorsnijding van deze ondoorlatende laag dan zal de grondwaterstand in de
waterkering hoger worden. Er kunnen natte plekken ontstaan, die de kering instabiel maken. −
Erosie: Het gebruik van wegen en paden kan leiden tot extra erosie van de kruin en het binnentalud. Bijvoorbeeld door het optreden van spoorvorming bij onverharde wegen,
Beleidsregels AGV
versie mei 2020
Pagina 23 van 111
verslechtering van de grasmat langs de weg door bijvoorbeeld uitwijkend verkeer, parkeren en het strooien van zout. Dit tast de dijk aan en ook kan de kruinhoogte hierdoor afnemen.
Toelichting Beleidsregels 3.1 De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de Waterschapsverordening. Deze beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht. −
ad a: De verwachte verkeersbelasting mag de maximaal toegestane belasting van 13 kN/m2 over een breedte van 2,5 meter niet overschrijden;
−
ad b: Bij stabiliteitsberekeningen moet de aanvrager rekening houden met toekomstige
ontwikkelingen, waarbij de verkeersbelasting kan toenemen door meer verkeer uit bijvoorbeeld een nieuwe woonwijk. In dat geval moet de dijk nog steeds stabiel blijven. De aanvragen moet dat aantonen aan de hand van de geldende normen; −
ad c en d: Een weg moet buiten het leggerprofiel blijven. Dit is het deel van de waterkering dat
minimaal nodig is voor een veilige dijk. Ook op langere termijn (20 jaar), rekening houdend met inklinking, moet dat nog steeds het geval zijn.
Beleidsregel 3.2: bruggen, tunnels of aquaducten Beleidsregel 3.2: brug, tunnel of aquaduct De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor het aanleggen van een brug, tunnel of een
aquaduct en de onderdoorgang eronder in de kernzone en beschermingszone van waterkerende
dijklichamen, half-verholen en verholen waterkeringen en in beschermende gronden wordt alleen verleend als het verenigbaar is met:
− −
De oogmerken als bedoeld in artikel 2.3.1.2 van de Waterschapsverordening;
De specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.3.1.3 van de Waterschapsverordening,
waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaarden en maatstaven: a)
De aanleg van een brug, tunnel of aquaduct en de onderdoorgang is in beginsel niet verenigbaar
b)
Als ondanks beleidsregel a) een beroep wordt gedaan op zwaarwegende redenen van openbaar
met de oogmerken en specifieke zorgplichten;
belang als bedoeld in artikel 2.5.1.1.5 van de Waterschapsverordening wordt in ieder geval het
volgende meegewogen: − −
Het ontwerp voldoet aan de geldende veiligheidsnormen voor de betreffende kering; en
Het ontwerp voldoet aan de daarvoor geldende NEN-normen en handreikingen, zoals thans het Technisch Rapport Waterkerende Grondconstructies (TAW, 2001) en Addendum (TAW/ENW, 2007); en
−
In geval van een tunnel onder de kering of een onderdoorgang van een aquaduct worden de
in- en uitrit boven kruinhoogte aangelegd. Het ontwerp en de berekeningen dienen te worden uitgevoerd volgens de daarvoor geldende NEN-normen en handreikingen, zoals thans het
Beleidsregels AGV
versie mei 2020
Pagina 24 van 111
Technisch Rapport Waterkerende Grondconstructies (TAW, 2001) en Addendum (TAW/ENW,
2007), het Technisch Rapport Kistdammen en Diepwanden in Waterkeringen (TAW, 2004); en −
Indien de in- en uitrit van de tunnel of het aquaduct niet op kruinhoogte aangelegd kan worden, wordt een noodkering aangelegd.
Let op. Beleidsregel 3.2 is niet van toepassing op kleine bruggen als toegang naar een enkele woning, pand of perceel. In die gevallen is beleidsregel 1.3 van toepassing.
Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor waterkeringen richten zich op de stabiliteit en het
functioneren van de waterkering. Bruggen en tunnels kunnen een risico vormen voor de waterkering. Ze kruisen vaak niet alleen wateren, maar ook de waterkeringen die langs het water liggen. In- en
uitritten komen vaak onder de dijk te liggen. Het komt dan ook regelmatig voor dat bruggen, tunnels
en aquaducten en hun fundering in de beschermingszone van een waterkering moeten liggen. Dit kan problemen opleveren voor de waterkering. Daarbij spelen diverse mechanismen een rol: −
Omhoog komen grondwater: De fundering van het kunstwerk kan een waterafsluitende laag
perforeren waardoor grondwater dat zich onder druk onder deze laag bevindt door de perforatie omhoog komt. Als deze stroming sterk genoeg is kan zand mee gaan stromen, hetgeen de stabiliteit van de kering ondermijnt; −
Holtes onder de fundering: Een brug op palen kan kortsluiting tussen verschillende watervoerende lagen tot gevolg hebben doordat water langs de palen gaat stromen, waardoor er holtes onder de fundering ontstaan;
−
Overstroming: Een tunnel gaat onder dijken en het daartussen liggende water door. Bij instorting of lekkage van de tunnel kan het water de tunnelbak instromen. Als de in- en uitgang van de
tunnel te laag liggen, kan dit leiden tot overstromingen in het gebied naast de dijken. Ook voor aquaducten bestaat een kans op overstromingsgevaar indien de constructie bezwijkt. Daarom moeten de toe- of uitritten altijd boven kruinhoogte liggen.