CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

TKN 1 - Ruimtelijke Ordening (30) 2. nota vooroverleg BP en MER Strandeiland V_def_incl bijlagen.pdf

Raadscommissie Ruimtelijke ordening 13 januari 2021, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van het collegebesluit inzake het vrijgeven voor terinzagelegging van de concept MER en Passende beoordelingen en ontwerpbestemmingsplan Strandeilanden hogere waarden Wet geluidhinder voor het ontwerpbestemmingsplan Strandeiland (ZD2020-0132128.807 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

4.2 Reactie en verwerking Algemeen De commissie MER stelt dat realisatie van het ‘Stedenbouwkundigplan Strandeiland’ uit november 2019 zowel positieve als negatieve effecten heeft vergeleken met het bestemmingplan uit 2009. Positieve effecten treden bijvoorbeeld op voor vervoer per fiets. Ook op het gebied van duurzaam ruimtegebruik, duurzame energie en klimaatadaptatie scoort het nieuwe plan beter dan het oude plan. Het Stedenbouwkundig plan heeft een beperkt negatief effect op de waterkwaliteit van het IJmeer en het binnenwater (risico op algenvorming). Landschappelijk treden negatieve effecten op door de toegenomen bouwhoogte (van 35 naar 60 meter) en dit effect is ook van verder weg zichtbaar. Negatieve effecten voor (beschermde) vogels kunnen optreden als gevolg van de aanwezigheid van waterrecreatie en door oppervlaktewaterlozingen door de warmte-koude opslag (WKO). De Commissie is van oordeel dat MER goed leesbaar is en de informatie goed toegankelijk gepresenteerd. Wel signaleert zij nog een aantal inhoudelijke tekortkomingen. Zij acht deze informatie essentieel voor het volwaardig meewegen van het milieubelang bij de besluitvorming over het bestemmingsplan. Het gaat om de volgend punten:

30

Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid

Versie definitief Oktober 2020

Nota vooroverleg BP en MER Strandeiland

Onderbouwing woningbouwopgave De Commissie adviseert in een aanvulling op het MER en voordat besloten wordt over het bestemmingsplan, een nadere onderbouwing te geven van de woningbouwopgave op Strandeiland. De Commissie geeft daarbij aan om een beschouwing op te nemen over bestaande trends in de woningbouwopgave en onzekerheden daarin. Reactie gemeente Binnen de regio en zeker binnen de gemeente Amsterdam is sprake van een niet-aflatende druk op de woningmarkt. Om deze reden is in 2016 Koers 2025 vastgesteld, die beoogt de woningbouwproductie in de gemeente te versnellen. Het is daarbij de ambitie om tot 2025 50.000 woningen binnen de stadsgrenzen van Amsterdam te bouwen. Volgens Koers 2025 'Ruimte voor de stad' is Strandeiland daarbij één van de aangewezen plekken waar dit kan worden gerealiseerd. Het bestemmingsplan maakt maximaal 8.000 woningen mogelijk waarmee invulling wordt gegeven aan Koers 2025. Voor een nadere invulling en onderbouwing van het woon programma dat voor Strandeiland is beoogd, wordt verwezen naar 'Provinciale Woonvisie 2010-2020', Koers 2025 'Ruimte voor de stad' en de Woonagenda 2025 die zijn samengevat in de toelichting van het bestemmingsplan.

Daarbij is opgemerkt dat het woningbouwprogramma voor Strandeiland (zoals dit is neergelegd in hoofdstuk 4 van het in 2019 vastgestelde stedenbouwkundige plan) uitgaat van het realiseren van een woonprogramma waar in de gemeente Amsterdam grote behoefte aan bestaat; betaalbaar wonen voor gezinnen. Dit is ook in paragraaf 3.1.4 van de toelichting nader gemotiveerd. Voor wat betreft de onzekerheden in de trends en ontwikkelingen in de woningmarkt wordt opgemerkt dat de ontwikkeling van Strandeiland een periode van 20 jaar beslaat. Het is onvermijdelijk dat gedurende deze periode wijzigingen zullen optreden in de vraag naar woningen. Strandeiland heeft voldoende maat om – zo nodig- in andere woning typologieën te voorzien. Voor zover het gaat om de effecten van het uitbreken van de corona-crisis, is het op dit moment te vroeg om te bepalen of, en zo ja hoe, er sprake is van blijvende effecten op de woningmarkt. De gemeente Amsterdam is van mening dat de woningbouwbehoefte in ruime mate is aangetoond en de MER op dit punt niet hoeft te worden aangevuld. Daarnaast wordt bestemmingsplan en MER geïntegreerd. In de toelichting van het bestemmingsplan is de woningbehoefte aangetoond.

Onderbouwing behoefte jachthaven De Commissie adviseert in een aanvulling op het MER en voordat besloten wordt over het bestemmingsplan een nadere onderbouwing te geven van de keuzes die zijn gemaakt voor de jachthaven qua grootte, locatie en inrichting, mede in relatie tot de natuurdoelstellingen die zijn geformuleerd voor het IJmeer/Markermeer.

31

Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid

Versie definitief Oktober 2020

Nota vooroverleg BP en MER Strandeiland

Reactie gemeente Behoefte pleziervaart IJburg Bij de ontwikkeling van IJburg 1ste fase bleek dat de nieuwe bewoners graag willen beschikken over een pleziervaartuig. Met als gevolg dat de verenigingshaven op het Haveneiland direct een lange wachtlijst had van gegadigden voor een ligplaats. Ook bij de aanleg van aanlegsteigers bij woningen bleek de vraag naar ligplaatsen vele malen groter dan aanvankelijk was voorzien. Ter illustratie wordt opgemerkt dat er bij de haven op IJburg 1 thans een wachtlijst is van 100 ligplaatsen, met een beschikbaarheid van 120 ligplaatsen. Bij de planvorming voor Strandeiland wordt rekening gehouden met circa 500 – 800 ligplaatsen. De verwachting is dat het feitelijke aantal ligplaatsen wordt bepaald door de beschikbaarheid van fysieke ruimte voor ligplaatsen en niet door het aantal gegadigden. Gezien de ervaring met IJburg 1ste fase wordt verwacht dat de vraag het aantal beschikbare ligplaatsen ver zal overstijgen. De vraag naar ligplaatsen wordt mede onderbouwd doordat de projectteams Centrumeiland en Strandeiland momenteel al meerdere malen per maand de vraag krijgen van huidige en/of toekomstige bewoners wanneer en waar er ligplaatsen beschikbaar kom en of ze alvast op een wachtlijst kunnen.

In tegenstelling tot de eilanden van de 1ste fase biedt het Strandeiland niet of nauwelijks gelegenheid voor het aanleg van steigers of het afmeren van vaartuigen in buitendijks water. Beleidsmatig is al langer rekening gehouden met de havenontwikkeling van een jachthaven op Strandeiland. In de Structuurvisie Amsterdam 2040 is in beleidsmatige zin de ambitie uitgesproken dat de waterrecreatie wordt versterkt: “ Het groen en water in en rondom de stad wordt aantrekkelijker gemaakt door het investeren in de beleving en gebruiksmogelijkheden van het groen en van het water in en om de stad. Dit betekent onder andere het herinrichten van de koppen van de scheggen, het aanleggen van jachthavens en zwemplekken en het investeren in bestaande parken in de stad en het verbeteren van recreatieve routes tussen groengebieden en blauwe gebieden.” In de Watervisie Amsterdam 2040, vastgesteld in 2016 wordt deze opgave verder uitgewerkt vanuit de gedachte dat Amsterdam een kruispunt is in het netwerk van waterrecreatie: “Het is dus geen wonder dat Amsterdam tientallen goed bezette jachthavens heeft. Er zijn wachtlijsten voor vaste plekken en het aantal passantenplekken is onvoldoende.

De afgelopen jaren zijn er diverse nieuwe jachthavens in de stad bijgekomen en bij een groeiend aantal inwoners is de verwachting dat er ook de komende decennia vraag is naar nieuwe jachthavens in de stad en regio. We willen de recreatievaart meer ruimte geven door de ontwikkeling van nieuwe jachthavens met een goede verbinding per openbaar vervoer met het centrum. Bijvoorbeeld bij het Zeeburgereiland en IJburg 2. “

32

Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid

Versie definitief Oktober 2020

Nota vooroverleg BP en MER Strandeiland

Afbeelding Watervisie Amsterdam IJmeer, IJburg en Zeeburgereiland: doorontwikkeling stedelijk watersport en recreatiecluster

In het programma Waterrecreatie en ecologie wordt opgemerkt dat de ambitie om op Zeeburgereiland te voorzien in een nieuw waterrecreatieprogramma niet mogelijk bleek. Waterrecreatie op Zeeburgereiland is niet gewenst wegens de daar geplande overige ontwikkelingen en vanwege het feit dat hier primaire waterkeringen aanwezig zijn. Daarmee staat ten behoeve van de realisatie van de eerder genoemde ambities alleen nog de ontwikkeling van een nieuwe haven op IJburg 2 overeind. Voor wat betreft de natuurdoelstellingen die geformuleerd zijn voor het IJmeer/Markermeer geldt dat de haven zoals die nu in het bestemmingsplan is opgenomen, geen nadelige effecten heeft op de natuurdoelstellingen, zoals ook blijkt uit de passende beoordeling.. Typering pleziervaart IJburg In vergelijking met de klassieke jachthavens rond het IJmeer/Markermeer kent IJburg een ander segment pleziervaart en ander vaargedrag. Kenmerkend voor IJburg vormt het gebruik van kleine open sloepen. Motorkajuit- of zeilkajuitboten zijn op IJburg sterk ondervertegenwoordigd. Daarbij is ook het aantal zeilboten met een staande mast, door de aanwezigheid van de vele vaste bruggen, beperkt tot verenigingshaven achter de schutsluis op het Haveneiland. Ook bij de ontwikkeling van het Strandeiland blijven ligplaatsen voor zeilboten met een staande mast beperkt tot het water direct achter de schutsluis.

In tegenstelling tot andere havens in het Marker-/IJmeer zijn nagenoeg alle ligplaatsen voor pleziervaartuigen voor de bewoners van IJburg. Op IJburg wordt geen ruimte geboden aan ligplaatsen voor bewoners uit de rest van de gemeente, de regio of overige geïnteresseerden. Vaargedrag en sturen op gewenst vaargedrag De ruime vertegenwoordiging van open sloepen verklaart ook het vaargedrag. Pleziervaartuigen op IJburg worden primair gebruikt voor korte dagtochten in de directe nabijheid van IJburg. Met goed weer wordt soms een bezoek gebracht aan Pampus of wordt een bezoek gemaakt aan het centrum voor een rondje over de grachten. Voor IJburg voor de IJburgbaai (tussen Haveneiland en Strandeiland) en de Diemerlagune (tussen Haveneiland en de Diemerzeedijk). De pleziervaart van IJburg ondervindt veel overlast van waterplanten. Hierdoor wordt vaarrecreatie in de directe omgeving van IJburg sterk belemmerd en beperkt. In de

33

Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid

Versie definitief Oktober 2020

Nota vooroverleg BP en MER Strandeiland

monitoringsgegevens van RWS zijn de gebieden zichtbaar waar veel overlast is van waterplanten. De overlast van waterplanten wordt benut voor het sturen op gewenst vaargedrag. Zo wordt de IJburgbaai vrij gehouden van waterplanten om recreanten te verleiden daar te varen in plaats van het nabij gelegen Natura 2000 gebied. Naast de eerder genoemde vaardoelen vormen Muiden en Weesp nu en bij de ontwikkeling van Strandeiland een geschikt vaardoel. Hoewel het water tussen IJburg en Muiden geen Habitatrichtlijn gebied is heeft de gemeente wel de ambitie om een smalle vaarverbinding tussen IJburg en Muiden te markeren waarbij waterplanten in de vaarweg worden verwijderd. Op deze wijze wordt pleziervaart eveneens verleid om niet uit te waaieren maar in de vaarweg te blijven. Er is al contact gelegd met de provincie en RWS om deze verbinding op te nemen in het reguliere maaibeheer. Emissievrij varen Met de vaststelling van de gemeentelijke Nota Varen – deel 1 (2019) en deel 2 (2020) is een ambitie bepaald voor emissievrij varen. In 2025 dient al het vaarverkeer in het Centrum emissievrij te varen. In 2030 geldt deze verplichting ook voor de rest van de gemeente (met uitzondering van haven en doorgaande vaarwegen). Op basis van deze ambitie geldt voor al het binnen- en buitendijkse water bij IJburg dat in 2030 al het vaarverkeer tot aan de gemeentegrens emissievrij moet varen.

Gezien de transformatie naar emissievrij varen wordt verwacht dat het type vaartuig en het vaargedrag bij IJburg verder zal veranderen. Meer open sloepen, kortere tochten en minder snelle motorboten. Overzicht huidige en toekomstige jachthavens IJburg - HSBC Van oudsher is er een haven van Holland Sport op het Zeeburgereiland. In verband met werkzaamheden aan de waterkering wordt de haven 100 meter verplaatst naar een nieuwe locatie met minder ligplaatsen. Naar verwachting blijft het nautisch gebruik gelijk. - IJburg 1 Naast de verenigingshaven op het Haveneiland zijn er honderden ligplaatsen voor kleine pleziervaartuigen grenzend aan woningen of kleine steigers. - Strandeiland (binnendijks) Voor het binnenwater van het Strandeiland is de ambitie voor 500-800 ligplaatsen. Het gebruik zal hoofdzakelijk bestaan uit kleine open sloepen. In het eerste deel achter de schutsluit is ruimte voor enige zeilschepen en grotere vaartuigen. - Strandeiland (buitendijks) Voor de insteekhaven aan de Noordoostzijde van het Strandeiland is het misschien een mogelijkheid om op termijn ruimte te bieden voor een gering aantal ligplaatsen voor grotere zeiljachten. Vooralsnog is dit idee niet opgenomen in planvorming of bestemmingsplan. - Centrumeiland (buitenhaven) Voor het Centrumeiland is voor de besloten zijde aan de IJburgbaai wel vaker nagedacht over een mogelijkheid voor een haven.

Indien deze haven op termijn wordt ontwikkeld wordt verwacht dat het programma afwijkt van de bestaande havens van IJburg. Deze haven kan bijvoorbeeld een geschikte ligplaats vormen voor bestaande IJsselmeercharters die nu vanuit het overvolle havengebied in het Centrum worden verdreven. Ook kan het ruimte bieden aan ligplaatsen t.b.v. de recreatieve veerverbindingen. Zo liggen de vaartuigen van de Pampusveer nu achter de schutsluis van het Haveneiland. Dergelijke functies kunnen echter beter direct in het buitendijkse water liggen.

34

Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid

Versie definitief Oktober 2020

Nota vooroverleg BP en MER Strandeiland

Effectenafweging duurzaamheidsmaatregelen De Commissie adviseert in een aanvulling op het MER en voordat besloten wordt over het bestemmingsplan alle mogelijke maatregelen te beschrijven die een bijdrage kunnen leveren aan het realiseren van de ambities ‘energieneutraal/energieleverend’. ‘circulair’ en ‘klimaatbestendig’. Beschrijf de bijdrage aan het doelbereik en de omgevingseffecten en -risico’s van ieder van deze maatregelen. Zet het doelbereik en de omgevingseffecten en -risico’s van de mogelijke maatregelen tegen elkaar af in een matrix. Onderbouw op basis daarvan de keuze voor de gekozen maatregelen. Reactie gemeente Op dit punt is er een verschil van inzicht tussen het bevoegd gezag en de commissie. Het basisuitgangspunt van de MER Strandeiland is de gedachte dat lopende de ontwikkeling van Strandeiland wordt ingezet op de realisatie van hetgeen op dat moment technisch, financieel en juridisch maximaal haalbaar is voor het realiseren van de duurzaamheidsambities. In het MER Strandeiland wordt dit beschreven als het ‘groeimodel’. De werkwijze aan de hand van dit model is een bewuste keuze geweest vanwege de looptijd van de ontwikkeling (20 jaar), de gewenste flexibiliteit in de ontwikkeling van Strandeiland en het snelle tempo van innovaties op het gebied van duurzaamheid.

Naar de mening van het bevoegd gezag is het –gegeven deze uitgangspuntenop dit moment onmogelijk om de effecten van alle (potentiele) duurzaamheidsmaatregelen in beeld te brengen en onderling af te wegen zonder te stranden in hypothetische uitwerkingen die in de praktijk niet, of niet voldoende toepasbaar en/of toetsbaar blijken te zijn. Een ander risico bij deze aanpak is dat de effecten van innovaties, niet, niet juist, of onvolledig in beeld worden gebracht en gewogen. Desalniettemin heeft het bevoegd gezag naar aanleiding van de een gelijkluidende aanbevelingen van de commissie op de Notitie Reikwijdte en detailniveau in 2019 onderzocht of het mogelijk is tot het operationaliseren van de omgevingseffecten te komen die in onderlinge samenhang kan worden gewogen en gemonitord. Het bevoegd gezag heeft uiteindelijk gekozen voor een aanpak, zoals hieronder nader wordt toegelicht. De duurzaamheidsambities voor Strandeiland zijn in het MER vertaald naar concrete maatregelen, die op Strandeiland kunnen worden toegepast. Deze maatregelen zijn terug te vinden in hoofdstuk 2 (tabel 2.2) en bijlage 2 van het MER. De duurzaamheidsambities voor Strandeiland zijn weloverwogen en integraal vertaald, passend bij de ontwikkeling.

De maatregelen komen voort uit recent vastgestelde beleidsdocumenten, zoals de Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal 2050 (2020), Strategie Amsterdam Circulair 2020 – 2025 (2020), Regionale energiestrategie (2020), Strategie Klimaatadaptatie (2020) en de Actieplan Schone lucht (2019). In het MER is onderscheid gemaakt tussen: - duurzaamheidsmaatregelen die in het ontwerp van Strandeiland (SP 2019) zijn meegenomen, zoals de vierkante meters gebruiksgroen en ecosysteemgroen (groennorm), mobiliteitshubs (schone lucht), het straatprofiel en de waterbergende parken en pleinen (Rainproof);

35

Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid

Versie definitief Oktober 2020

Nota vooroverleg BP en MER Strandeiland

-

duurzaamheidsmaatregelen die op korte termijn worden gerealiseerd, zoals de warmte koude opslag, nieuwe sanitatie en natuurinclusief en circulair bouwen; - duurzaamheidsmaatregelen die op lange termijn worden gerealiseerd, zoals energieleverend, 100% circulair materiaalgebruik en een Smart Grid Systeem. Naar de maatregelen is reeds onderzoek verricht, zoals de onderzoeken ‘Duurzaam Strandeiland’ van Consortium Witteveen + Bos (2019), de Energie Quickscan van TU Delft (2019), Energieopwek Strandeiland van Witteveen + Bos en Spectrol (2020), Flexopties Strandeiland van CE Delft (2020) en Vertaling duurzaamheidsambities naar Ruimtelijke Kwaliteit van Bureau SLA, Zwarte Hond (2020). In deze onderzoeken zijn verschillende maatregelen (en varianten) tegen elkaar afgewogen op basis van doelbereik en risico’s. Op basis van de onderzoeken is een keuze gemaakt voor een selectief aantal maatregelen voor Strandeiland. De effecten van deze maatregelen zijn in hoofdstuk 10 van het MER beoordeeld en geborgd in het bestemmingsplan, de bouwenveloppen, het inrichtingsplan en het BLVC-kader. Om de lange termijn ambities, zoals energieleverend en 100% circulair, op Strandeiland te verwezenlijken worden de gekozen maatregelen aangescherpt en/of nieuwe maatregelen toegevoegd. Om hier goed zicht op te krijgen wordt een duurzaam Strandeiland gemonitord (hoofdstuk 13 van het MER).

Op basis van de monitoringsresultaten kan nader onderzoek plaatsvinden naar (nieuwe) maatregelen. Uit deze monitoringsresultaten komt namelijk naar voeren hoe ‘duurzaam’ Strandeiland is en welke maatregelen nog nodig zijn. Hoe dit onderzoek precies gaat plaatsvinden wordt vormgegeven in het nader op te stellen monitoringsplan van Strandeiland. Het is aldus een bewuste keuze om dit onderzoek niet op voorhand in het MER uit te voeren, maar te wachten op de monitoringsresultaten voor een duurzaam Strandeiland. Om een beter overzicht te geven van alle korte en lange termijn maatregelen die (mogelijk) binnen Strandeiland worden toegepast wordt het MER aangevuld met een roadmap. In deze roadmap worden de maatregelen schematisch samengevat en in tijd afgezet, zodat inzichtelijker is wanneer welke maatregelen op Strandeiland worden toegepast om aan de (lange termijn) ambitie te voldoen. Mobiliteit Terugdringen autoverkeer De ambitie van de gemeente Amsterdam is om op termijn een volledig emissievrije stadswijk te realiseren met maximaal 30% van alle verplaatsingen per auto. Dat betekent onder meer dat nieuwe ontwikkelingen qua mobiliteit, zoals het elektrisch rijden, MaaS, ontwikkeling van hubs en snelfietsroutes, actief bevorderd moeten worden.

Uit het MER blijkt dat de modal-split in de referentiesituatie (inclusief BP 2009), in fase 1 en in fase 2 steeds identiek zal zijn: 36% reist in de genoemde situaties per auto. In de toelichting bij het bestemmingsplan is opgemerkt dat de afstand tussen Strandeiland en andere delen van de stad relatief groot is en daarom het aandeel autogebruik relatief hoog blijft. Niet is onderzocht of met extra (brede) snelfietspaden, beter openbaar vervoer (met meer lijnen, hogere frequenties en minder vertragingen) en overig flankerend beleid (o.a. stimulering gedragsverandering) de gemeentelijke mobiliteitsambitie wél bereikt kan worden.

36

Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid

Versie definitief Oktober 2020

Nota vooroverleg BP en MER Strandeiland

Reactie gemeente Het stimuleren van gedragsverandering en andere “zachte” maatregelen kan tot op heden nog niet onderbouwd gemodelleerd worden. Het uitgangspunt is dat 36% van de verplaatsingen door middel van de auto plaats zal vinden zonder gedragsverandering. De door de commissie MER genoemde verkeerskundige maatregelen zijn expliciet opgenomen in het mobiliteitsplan Zeeburgereiland en IJburg. Hierin wordt juist ingezet op het verbeteren van fietsroutes, en openbaar vervoer (tram en HOV bus) en een gedragsverandering richting andere vormen van vervoer dan autovervoer. De aanname is dat met flankerend beleid dit percentage zal dalen. In het kader van de monitoring van het bestemmingsplan en de MER wordt bezien of de beoogde gedragsverandering wordt bereikt of dat aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn. Modellering verkeer De commissie MER merkt op dat in het mobiliteitsonderzoek gebruik is gemaakt van het verkeersmodel VMA. Niet geheel duidelijk is welke aannames en maatregelen rond mobiliteitstransitie in de stadsregio hierin zijn meegenomen. Zo is bijvoorbeeld niet beschreven welke aspecten uit de studie naar mobiliteitshubs zijn meegenomen en of de inhoud van het Mobiliteitsplan Zeeburgereiland en IJburg (2018) onderdeel van het planvoornemen vormt. Reactie gemeente De uitgangspunten van het VMA zijn vastgelegd in de bijsluiter van het model.

Deze bijsluiter is als bijlage opgenomen in het bestemmingsplan. De resultaten van het onderzoek naar mobiliteitshubs zijn niet meegenomen, omdat deze niet gesimuleerd kunnen worden. De harde maatregelen uit het Mobiliteitsplan Zeeburgereiland en IJburg zijn wel meegenomen in de simulaties. Hiervan is een opsomming gegeven in bijlage 1 van de verkeersnotitie. Daarbij wordt opgemerkt dat het mobiliteitsplan een resultante is van een integrale gewogen afweging van gemeentelijk en regionaal verkeersbeleid. Hiervoor wordt verwezen naar hoofdstuk 1 van het mobiliteitsplan Zeeburgereiland en IJburg. Maatregelen mobiliteitsontwikkeling De Commissie adviseert in een aanvulling op het MER en voordat besloten wordt over het bestemmingsplan een mogelijk maatregelenpakket voor de mobiliteitsontwikkeling te ontwikkelen en te onderzoeken of daarmee de doelstelling van vermindering van het autoverkeer wél kan worden bereikt. Geef een inschatting welke gezondheidswinst met dit pakket bereikt wordt via de samenhangende verbetering van de luchtkwaliteit en vermindering van de geluidbelasting. Reactie gemeente In het proces om te komen tot het Mobiliteitsplan Zeeburgereiland en IJburg, is een groot aantal varianten onderzocht, juist om te komen tot de ideale mix van maatregen om de mobiliteit in het gebied op een duurzame en toekomst vaste manier vorm te geven.

De meest optimale variant is opgenomen in het mobiliteitsplan. Voor de uitgevoerde onderzoeken wordt verwezen naar hoofdstuk 2 van het mobiliteitsplan. Ten aanzien van de doelstelling van verminderging van het autoverkeer worden alle wijzen van vervoer anders dan de auto geoptimaliseerd en worden maatregelen getroffen die zien op gedragsverandering van de autogebruiker.

37

Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid

Versie definitief Oktober 2020

Nota vooroverleg BP en MER Strandeiland

Verplaatsing en bereikbaarheid buiten het plangebied De Commissie stelt voorts dat naast de in het MER betrokken beoordelingscriteria voor verkeer ook de (regionale) bereikbaarheid in relatie tot de mobiliteitskeuzen en het bereiken van de mobiliteitsdoelen van betekenis is. Denk aan de mate waarin vanuit Strandeiland arbeidsplaatsen in de regio per openbaar vervoer, auto of fiets binnen bepaalde tijdsklassen bereikbaar zijn, hoeveel toekomstige bewoners binnen bijvoorbeeld een half uur met het openbaar vervoer gebieden in de (binnen)stad kunnen bereiken, en het aantal mensen dat gebruik maakt van de verschillende vervoersmodaliteiten. Onderzoek naar deze geografische bereikbaarheid geeft breed inzicht in verplaatsingsgedrag en de mogelijke bereikbaarheidsknelpunten buiten het plangebied en ook bij andere wegbeheerders. De Commissie adviseert om in verdere uitwerking van de plannen deze vorm van bereikbaarheid nader te onderzoeken en de resultaten te betrekken bij de verdere planvorming voor regionale en lokale mobiliteits- en bereikbaarheidsmaatregelen. Reactie gemeente Bij het opstellen van het Mobiliteitsplan Zeeburgereiland en IJburg is ook onderzoek gedaan naar de bereikbaarheid van andere gebieden en functies. Dit is beschreven in hoofdstuk 3 van het mobiliteitsplan.

Ook bij de verdere uitwerking van maatregelen zal dit een rol spelen.De door de commissie genoemde aspecten zijn beschouwd waarbij er geen aanleiding is te veronderstellen dat de gehanteerde uitgangspunten in het mobiliteitsplan niet correct zijn. Doorstroming In het MER is aandacht gegeven aan doorstroming en verkeersafwikkeling op Strandeiland en de toeleidende wegenstructuren. Voor de belangrijkste kruispunten is de verkeersafwikkeling voor de referentie, fase 1 en fase 2 in beeld gebracht door middel van IC-verhoudingen. Daaruit blijkt dat zowel in de ochtendspits als de avondspits en zowel in de referentiesituatie, fase 1, als fase 2 overbelasting op een aantal kruispunten zal plaatsvinden. Hierbij is opgemerkt dat die overbelasting door verkeersregeltechnische maatregelen opgelost kan worden. Dit is echter in het MER niet aannemelijk gemaakt. Bovendien is de kwaliteit van de afwikkeling op de totale streng van elf kruispunten niet onderzocht.

Een ernstige overbelasting op één van de kruispunten kan immers op de gehele route een grote negatieve doorwerking op de doorstroming hebben De Commissie adviseert verder in een aanvulling op het MER en voordat besloten wordt over het bestemmingsplan de toekomstige doorstroming op de totale route van de A10 in het noordwesten tot de A9 in het zuidoosten in een dynamische verkeerssimulatie te onderzoeken en de noodzakelijke maatregelen voor een goede verkeersafwikkeling in beeld te brengen. Reactie gemeente Juist om de bereikbaarheid van het gehele gebied te borgen is het mobiliteitsplan opgesteld. In dit mobiliteitsplan is de bereikbaarheid van het gehele gebied integraal onderzocht. Hierbij is er ook gekeken naar de doorstroming van de gehele streng. De route via de IJburglaan is de meest directe en logische route naar de A10. In het mobiliteitsplan zijn drie projecten opgenomen voor een betere doorstroming tussen Strandeland en de A10 via deze route. Het betreft de projecten Cruciale Mijl (A3), Extra rijstrook toerit A10 (westzijde) (A4) en Extra rijstrook afrit A10 (oostzijde) en extra strook richting Zeeburgereiland (A6). Het project

38

Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid

Versie definitief Oktober 2020

Nota vooroverleg BP en MER Strandeiland

Cruciale Mijl adresseert de belangrijkste knelpunten op deze route. Het scheiden van de tram en verkeersstromen bij de aansluiting op de A10 is onderdeel van dit project. Mogelijke oplossingen zijn een ongelijkvloerse kruising van de tram met de oprit naar de A10 en het verleggen van de tram naar de noordzijde van de IJburglaan. Ook de verbreding van de bruggen naar Steigereiland (Enneüs Heermabrug en de brug van Steigereiland naar Haveneiland) zijn onderdeel van dit project. Het project zit nu in fase twee van het Plan en Besluitvormingsproces Infrastructuur van de gemeente Amsterdam (PBI fase 2). Besluitvorming wordt verwacht in 2021. De geplande realisatie van de Cruciale Mijl is voorzien in het tijdvak 2024-2027. Over de realisatie van de extra rijstrook op de op- en afrit zijn periodiek gesprekken met Rijkswaterstaat. Hierover is nog geen uitvoeringsplanning vastgesteld. Het is voordehand liggend dat de realisatie in samenhang wordt uitgevoerd met de uitvoering van de Cruciale Mijl. De andere route tussen Strandeiland en de A10 loopt via de A1. Voor beide routes is de capaciteit van de kruispunten vanaf Strandeiland op de Muiderlaan en Pampuslaan van belang. Voor deze kruispunten zijn ruimtereserveringen gemaakt gebaseerd op de verkeersafwikkeling van de vervoersvraag bij volledige realisatie van Strandeiland.

Leefomgeving en gezondheid De Commissie signaleert terecht dat als gevolg van het voornemen bestaande woningen met een geluidbelasting boven de 73 dB in aantal toenemen. Dit is in het MER niet beschouwd. En deze categorie woningen komt ook ten onrechte niet terug als GES-score 8 (‘zeer onvoldoende’). In het MER en het bestemmingsplan zijn ook geen maatregelen genoemd welke genomen moeten worden om bij bestaande woningen aan de ontheffingswaarde van de Wet geluidhinder (63 dB) te kunnen voldoen. De Commissie adviseert in een aanvulling op het MER en voordat besloten wordt over het bestemmingsplan aan te geven welke maatregelen bij bestaande woningen nodig zijn om aan de ontheffingswaarde van de Wet geluidhinder te kunnen voldoen. De Commissie constateert in de beschrijving van de gevolgen voor de leefomgeving en gezondheid nog een aantal inconsistenties en onjuistheden. Reactie gemeente De Commissie signaleert juist dat, als gevolg van het voornemen, de bestaande ‘woningen’ met een geluidbelasting boven de 73 dB niet worden beschouwd in de GES en in het MER. Dit komt, omdat er in de praktijk geen bestaande woningen zijn met een geluidbelasting boven de 73 dB. Door Cauberg Huygens (d.d. 29 april 2020) is een rekenmethode gehanteerd, waarbij in eerste instantie de geluidbelaste oppervlakte is berekend in de bestaande situatie.

Vervolgens is deze oppervlakte verdeeld over de contouren van de GES-scores 1 tot en met 8. Op basis van deze oppervlakte en contouren is het aantal woningen per GES-score berekend. Echter, dit is een theoretische berekening; niet het gehele geluidbelaste oppervlak bestaat uit woningen. Een deel hiervan betreft ook openbare ruimte, meetpunten direct gelegen aan de weg. Om de GES scores van de bestaande woningen in de praktijk te bepalen, is een vervolganalyse uitgevoerd. In deze vervolganalyse (opgenomen in rapport Sweco d.d. 19 juni 2020) is op basis van de geluidsberekeningen én BAG-gegevens de daadwerkelijke GES scores van de woningen bepaald. Met behulp van de BAG-gegevens was namelijk de locatie van de woningen exact te bepalen. Uit deze vervolganalyse blijkt dat geen enkele bestaande woning een geluidbelasting boven de 73 dB heeft.

39

Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid

Versie definitief Oktober 2020

Nota vooroverleg BP en MER Strandeiland

Tabel 9.15 in het MER is geactualiseerd aan de hand van een uitgevoerde vervolganalyse. De inconsistenties en onjuistheden waarnaar de Commissie refereert worden waar nodig gecorrigeerd. Natuur Oeverzones De Commissie signaleert dat in het MER de gevolgen voor de natuur en Natura 2000-gebieden vooral kwalitatief zijn ingeschat en dat kwantitatieve analyses van de effecten nagenoeg ontbreken. Zo wordt bijvoorbeeld verondersteld dat de aanleg van de oeverzone zal leiden tot meer waterplanten en meer vis, en dus tot meer foerageergebieden voor visetende watervogels, zoals visdief, zwarte stern, nonnetje en aalscholver. Er ontbreken echter studies uit het IJsselmeergebied waaruit blijkt dat deze veronderstelling klopt. De Commissie is van oordeel dat het omgekeerde ook beredeneerd kan worden, namelijk dat een toename van helder water, moerasvegetatie en waterplanten tot een afname leidt aan spiering, wat een belangrijke prooisoort is voor onder andere visdief, zwarte stern, nonnetje en zaagbek die leeft in open water zonder waterplanten, en daarmee een afname van geschikt leefgebied voor deze soorten. De conclusie dat de aanleg van de oeverzone een positief effect heeft op genoemde visetende watervogels acht de Commissie onvoldoende onderbouwd. Reactie gemeente In het Deelrapport Natuur staat: “Andere soorten, waaronder spiering, zullen afnemen bij toename van waterplanten.

Gezien het geringe areaal ten opzichte van het gehele Markermeer & IJmeer van ondiepten zal die bijdrage aan alternatieve vissoorten zonder aanvullende maatregelen niet substantieel zijn, omdat deze minder goed beschikbaar zijn.” Met de redenatie van de Commissie is daarom al rekening gehouden in het onderzoek zoals dit ook is opgenomen in het deelrapport. Het nut van oevers met moeras en waterplanten is veelvuldig onderzocht. Bijvoorbeeld in onderstaande onderzoeken. In al deze onderzoeken was de conclusie dat de natuurvriendelijke oevers met waterplanten een (sterk) positief effect hadden op de visstand. Op basis van al deze onderzoeken wordt door RWS ook in het IJsselmeergebied ingezet op meer van dergelijke oeverbiotopen als opgroeigebieden voor vis. Dat de Commissie het gebrek aan studies in het IJsselmeergebied als kritiekpunt heeft opgenomen kunnen wij niet volgen. De Commissie geeft hier verder ook geen onderbouwing voor. • Herder J.E. & J. Kranenbarg, 2018. Effectiviteit van natuurvriendelijke oevers voor vis in het Omval-Kolhorn Kanaal. RAVON rapportnummer 2017-052. • Rutjes, P., 2017. KRW visstandonderzoek HHNK. Rapport-nummer: 20160617/rap01, ATKB. • Rutjes, P. & M. Koole, 2010. KRW visstandbemonstering in vierwaterlichamen HHNK, 2009. Rapportnummer: 20090319/Rapp 001, ATKB. • Rutjes, C., M. de la Haye, R. Geene en M. Soesbergen, 2009.

Van scheepvaartkanaal naar visbiotoop. Visionair 12, juni 2009 pagina 28-31.

40

Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid

Versie definitief Oktober 2020

Nota vooroverleg BP en MER Strandeiland

• Van Ballaer, B., Van Liefferinge, C., Backx, H., Van Pelt, D. en Meire, P., 2010. Evaluatie van vooroevers langs het Zeekanaalin Grimbergen: opstellen en uitvoeren van een monitorings programma voor natuurvriendelijke oevers langs het Zee - kanaal in Grimbergen Tenslotte staat in het deelrapport met literatuurbron onderbouwd dat vogels ook op andere vissoorten foerageren (Noordhuis et al., 2014). Strandeiland kan daarom wel degelijk bijdragen aan verbetering, maar belangrijker, het leidt zeker niet tot een verslechtering voor visetende vogels. Invloed watervogels Ook veronderstelt de Commissie dat extra verstoring door geluid en beweging als gevolg van de toename van bootverkeer en recreatie op het IJmeer, Gooimeer, Eemmeer en IJsselmeer, en het op termijn wellicht ook instellen van kitesurfzones8, geen invloed heeft op de aanwezigheid van watervogels. Dit omdat er weinig overlap zou zijn tussen het vaar- en 40 recreatieseizoen en de aanwezigheid van watervogels. De Commissie constateert dat daarbij niet is ingegaan of de schaarsheid van watervogels in juli-oktober en april-mei in de huidige situatie mogelijk het gevolg is van de waterrecreatie in de huidige situatie. Als dat het geval is, kan een verdere toename van vaarverkeer, naar het oordeel van de Commissie, namelijk wel degelijk tot een significant negatief effect leiden.

Tot deze conclusie komt Alterra ook in een eerdere studie van de effecten van de uitbreiding van jachthavens waar het vaarverkeer gemodelleerd is ten opzichte van de verspreiding en aantallen vogels. Zo zijn de piekaantallen van beschermde soorten aanwezig na afloop van het broedseizoen van mei tot en met juli. Dat overlapt behoorlijk met het vaarseizoen. Daar komt bij dat de Commissie signaleert dat de waterrecreatiesector het seizoen graag nog verlengd ziet. De Commissie signaleert dat in het MER niet is beschreven hoe het rietmoeras dat wordt aangelegd het beste gerealiseerd kan worden met de huidige graasdruk van grauwe ganzen 20 in de Bocht om de Oost. Zij beveelt aan om bij verdere uitwerking van de plannen hier aandacht aan te geven. Reactie gemeente De gemeente Amsterdam merkt op dat sinds het uitkomen van deze rapporten aanmerkelijke meer informatie beschikbaar is gekomen. In 2017 is het Natura 2000-beheerplan vastgesteld. Hierin is rekening gehouden met de best beschikbare wetenschappelijke kennis over waterrecreatie en verstoring van vogels. In het beheerplan zijn belangrijke habitats en de verspreiding van vogelaantallen in kaart gebracht. Op basis daarvan zijn de voor vogels belangrijke gebieden bepaald én waar nodig zijn maatregelen genomen om deze tegen verstoring te beschermen zoals een vaarverbod.

De Passende beoordeling waterrecreatie IJburg fase 2 Strandeiland, heeft al deze informatie gebruikt om tot een onderbouwde conclusie te komen dat gelet op de ligging van de voor vogels belangrijke gebieden en de te verwachten toename in waterrecreatie geen significante effecten optreden. Deze conclusie is dus mede gebaseerd op het feit dat de natuur die watervogels aantrekt aan de zijde van Strandeiland ligt; aan die zijde is ook een vaarverbod opgenomen.

41

Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid

Versie definitief Oktober 2020

Nota vooroverleg BP en MER Strandeiland

Ten aanzien van het aanleggen van rietmoeras in relatie tot de grauwe ganzen wordt geconcludeerd dat het voor de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000 gebied, waar dit rietmoeras overigens geen onderdeel van uit gaat maken, niet relevant is. Bij de uitvoering van deze werkzaamheden wordt uiteraard in overleg met gespecialiseerde ecologen bekeken op welke wijze het rietmoeras het beste aangelegd kan worden, zonder dat de grauwe gans dit teniet gaat doen. Invulling rietmoeras De Commissie adviseert in een aanvulling op het MER en voordat besloten wordt over het bestemmingsplan onderzoek te doen naar de mogelijke gevolgen van de aanleg van de oeverzone en van extra bootverkeer en recreatie voor (beschermde) habitats en soorten. Presenteer daarbij kaarten met de ligging van de verschillende habitats en de verspreiding van vogelaantallen in het studiegebied, als ook waar welke type en hoeveel recreatie zal plaatsvinden. Beschouw welke habitats en populaties, waar doelen voor gelden, beïnvloed kunnen worden door recreatie, en of voor deze habitats en soorten een behoud- of verbeterdoelstelling geldt. Maak in de presentatie helder onderscheid tussen de effecten zelf en de beoordeling daarvan.

Onderbouw dat met mitigerende maatregelen negatieve effecten zodanig beperkt kunnen worden dat er geen effecten resteren die de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staan, dan wel de zogeheten ADCtoets met succes doorlopen kan worden. Reactie gemeente Wij zijn het met de Commissie eens dat hier aandacht voor nodig is. Er is dan ook een passende beoordeling waterrecreatie opgesteld, waar de Commissie ook kennis van heeft kunnen nemen. Hieruit is gebleken dat er geen significant negatieve effecten optreden. Dit wordt verder uitgewerkt in inrichtings- en beheerplannen. Dit hoeft niet in het bestemmingsplan geregeld te worden. De gemeente Amsterdam ziet daarom geen aanleiding tot aanpassingen, aanvulling of herziening van de conclusies zoals deze zijn neergelegd in het natuuronderzoek en de passende beoordeling. Monitoring De Commissie adviseert, aanvullend op wat al is aangegeven in het MER, ook de effecten van recreatie op de natuurwaarden te monitoren en te evalueren. Reactie gemeente Dit wordt opgenomen in de monitoringsaanpak.

42

Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid

Versie definitief Oktober 2020

Nota vooroverleg BP en MER Strandeiland

Binnengekomen reacties

43

Dag Mireille, Ik heb er schuin even doorheen gekeken, met name voor wat betreft verkeer in relatie tot Diemen. Ik zag in de toelichting staan dat de Overdiemerweg dit jaar open gaat, dat is inderdaad in uitvoering. Daar stond ook dat al in 2021 er een vrije busbaan komt tussen de Fortdiemerdamweg en de P+R Muiden. Dat lijkt mij wat te snel. We hebben nu overleg over het eerste deel tussen de Fortdiemerdamweg en de Pampusweg. Besluiten moeten echter nog worden genomen en daarna worden uitgevoerd. Bij voorzieningen viel me op dat bij de gebruiksbepalingen bij detailhandel wordt aangegeven dat detailhandel in volumineuze goederen niet is toegestaan (art. 31.7.3). In de begripsbepalingen in art. 1 komt dit echter niet terug, dat lijkt me wel raadzaam zodat duidelijk is wat hieronder wordt verstaan. Groeten, Peter van de Mortel <Peter.van.de.Mortel@diemen.nl> Van: Tiekstra, Mireille Verzonden: woensdag 19 augustus 2020 08:56 Aan: Peter van de Mortel CC: Anke Pet Onderwerp: RE: Overleg ex artikel 3.1.1. OBP IJburg 2e fase, Strandeiland Beste Peter en Anke, Hierbij nogmaals de downloadlink naar de stukken. Ik verneem uw reactie graag spoedig. Met vriendelijke groeten, Mireille Tiekstra 06-10826086 Klik hier om bijlagen te downloaden.

Van: Peter van de Mortel [mailto:Peter.van.de.Mortel@diemen.nl] Verzonden: dinsdag 18 augustus 2020 17:20 Aan: Tiekstra, Mireille CC: Anke Pet Onderwerp: FW: Overleg ex artikel 3.1.1. OBP IJburg 2e fase, Strandeiland

Dag Mireille, De mail is bij ons verkeerd binnen gekomen en blijven liggen, de we transfer link is verlopen, zijn de stukken nog ergens digitaal in te zien? Met vriendelijke groet,

Peter van de Mortel Gemeente Diemen Van: Tiekstra, Mireille <M.Tiekstra@amsterdam.nl> Verzonden: dinsdag 18 augustus 2020 10:21 Aan: Markus, Jacqueline <J.Markus@amsterdam.nl>; 'info@almere.nl' <info@almere.nl>; Bestuurssecretariaat Diemen <bestuurssecretariaat@diemen.nl>; 's.woudstra@muiden.nl' <s.woudstra@muiden.nl>; Frank, Mariëlle <M.Frank@amsterdam.nl>; Piepers, Patricia <P.Piepers@amsterdam.nl>; Sloot, Brigitte <B.Sloot@amsterdam.nl>; 'tanya.vanhuissteden@flevoland.nl' <tanya.vanhuissteden@flevoland.nl>; Rijksdienst voor het cultureel erfgoed (info@cultureelerfgoed.nl) <info@cultureelerfgoed.nl>; office@brandweeraa.nl; c.mars@brandweeraa.nl; 'amsterdam@fietsersbond.nl' <amsterdam@fietsersbond.nl>; 'info@weesp.nl' <info@weesp.nl>; christien.zeck@odnzkg.nl; Boubaouch, Abdenassar <Abdenassar.Boubaouch@odnzkg.nl> CC: Fijma, Eelco <eelco.fijma@amsterdam.nl>; Bosman, Eva <Eva.Bosman@amsterdam.nl>; Vocht, Marlies de <M.de.Vocht@amsterdam.nl>; Imambaks, Rachel <R.Imambaks@amsterdam.nl> Onderwerp: RE: Overleg ex artikel 3.1.1. OBP IJburg 2e fase, Strandeiland Geachte heer mevrouw, Onderstaande mail hebt u een aantal weken geleden van ons ontvangen. We hebben van u geen reactie ontvangen binnen de gestelde termijn. Mocht u alsnog bezig zijn met een reactie, dan wel alsnog reactie willen indienen, dan verzoek ik u met spoed contact met mij op te nemen.

In overleg kan gekeken worden of het nog mogelijk is om binnen de planning uw reactie mee te nemen. Reacties op deze mail zie ik dan ook graag deze week tegemoet. Met vriendelijke groeten, Mireille Tiekstra Jurist Strandeiland 06-10826086 Van: Markus, Jacqueline Verzonden: maandag 6 juli 2020 15:15 Aan: 'info@almere.nl'; 'secretariaat@diemen.nl'; 's.woudstra@muiden.nl'; Frank, Mariëlle; Piepers, Patricia; Sloot, Brigitte; Bestuursondersteuning SDO; Waternet; Vincent Dijkdrenth; 'wnn-ruimtelijkeplannen@rws.nl'; 'tanya.vanhuissteden@flevoland.nl'; Rijksdienst voor het cultureel erfgoed (info@cultureelerfgoed.nl); office@brandweeraa.nl; c.mars@brandweeraa.nl; 'mer@eia.nl'; 'amsterdam@fietsersbond.nl'; Woudenberg, Fred; 'info@weesp.nl'; 'ro.loket@liander.nl'; christien.zeck@odnzkg.nl; Boubaouch, Abdenassar CC: Fijma, Eelco; Bosman, Eva; Tiekstra, Mireille; Vocht, Marlies de Onderwerp: Overleg ex artikel 3.1.1. OBP IJburg 2e fase, Strandeiland Geachte heer/mevrouw, Hierbij stuur ik u, daartoe gemachtigd door de Wethouder voor de Ruimtelijke Ordening van Amsterdam, in het kader van het overleg ex artikel 3.1.1. Besluit ruimtelijke ordening, het voorontwerpbestemmingsplan IJburg 2 e fase – Strandeiland. Vanwege de grootte van de bestanden worden deze toegezonden via de onderstaande WE TRANSFER link: https://we.tl/t-YFz6E2SgvZ

Houd u er rekening mee dat de link vanaf verzending nog 7 dagen te downloaden is. Uw schriftelijke reactie ontvangen wij graag binnen 6 weken na dagtekening van deze e-mail. U kunt uw reactie mailen naar: m.tiekstra@amsterdam.nl Voor vragen over het voorontwerpbestemmingsplan kunt u contact opnemen met m.tiekstra@amsterdam.nl

Met vriendelijke groet, Jacqueline Markus Juridische ondersteuning R&D Senior secretaresse Team Juridische Planvorming Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid M 06 26729148 j.markus@amsterdam.nl Afwezig: woensdagmiddag Let op! Bij bezoek aan de gemeente Amsterdam dient u in het bezit te zijn van een geldig legitimatiebewijs.

Hoi Mireille, Al eerder reageerde ik op de 75 % versie van het ontwerp BP, de Mer en de waterparagraaf. Zie bijlagen. Hierbij de reactie op de nieuwe 100% versies van juli 2020: Mer Er wordt nog vrij vaak de naam Middeneiland gebruikt. Ook als het gaat om de kengetallen van de eilanden. Ook is er een verouderde afbeelding opgenomen, zie bladzijde 54. Blz 55: hoofdstuk over de Waterkeringen bevat ook info over het Middeneiland, dit is dus achterhaald. Bestemmingsplan Deze opmerking is al eerder gegeven: De norm voor het afvoeren van het opgevangen hemelwater naar het openbare gebied staat op 2,5 l/m2/uur. Dit is in strijd met de eis uit de nieuwe Hemelwaterverordening die 1 l/m2/uur aangeeft. Toelichting BP Hoofdstuk 16: teksten vergelijkbaar met waterparagraaf, geen opmerkingen. Waterparagraaf: Niet al mijn opmerkingen zijn verwerkt. Vooral de onderstaande zijn van belang: Figuur 3-1 (profiel waterkering); Bas Molenkamp en ik hebben deze besproken en wij hebben een voorstel opgestuurd naar Franco Pantano. Ik vind het profiel verwarrend omdat de kruinbreedte niet gedefinieerd is maar er wel een afstand van 5 m is genoemd. Dat zou de kruinbreedte moeten zijn. Figuur 3-3 (ligging RKL): waarom is het profiel bij de Makerskade en bij Oosterend smaller dan de rest? Dit komt niet overeen met de half en verholen traces die wij nu kennen.

Hier kan beter per dijkvak een breedte van de kernzone en beschermingszone worden aangegeven.

Met vriendelijke groet, Kevin Wijtenburg Adviseur Water en Ruimte Waternet, Afd. Waterplannen en Besturing Mobiel: +316 52 53 44 99 Korte Ouderkerkerdijk 7 Postbus 94370, 1090 GJ Amsterdam Waternet.nl Werkdagen: maandag t/m donderdag

Hoi Baukje, Via Marina Gaton kreeg ik een link met daarin de stukken (BP + Mer) van het Strandeiland. Hier volgt mijn beoordeling (in aanvulling op de email van maikel). Mer In paragraaf 5.5 “Mitigerende en compenserende maatregelen” ivm waterkwaliteit staan de volgende punten:  Doorspoelen van het binnenmeer met IJmeerwater, wanneer concentraties nutriënten en/of algen oplopen;  Stroming in het binnenmeer creëren. Hiermee wordt het wenselijke biotoop van de (blauw)algen verstoord; Ik neem aan dat deze punten niet meer ter discussie staan en eruit worden gehaald? Op blz 70 staat: “Op Buiteneiland, Centrumeiland en Strandeiland wordt geen intern oppervlaktewater aangelegd en wordt het hemelwater grotendeels geïnfiltreerd (infiltratie-eis van 93%)” Dit is uiteraard niet correct en moet worden aangepast. In de rest van het document is het wel duidelijk dat er binnenwater komt op Strandeiland. BP regels: De norm voor het afvoeren van het opgevangen hemelwater naar het openbare gebied staat op 2,5 l/m2/uur. Dit is in strijd met de eis uit de nieuwe Hemelwaterverordening die 1 l/m2/uur aangeeft. BP Toelichting Op blz 12 staat de dubbelbestemming Waterkering niet genoemd als zijnde een nog uit te werken bestemming. Dit zou wel moeten. Blz 124 begint de waterparagraaf. De tekst is van het Centrumeiland.

Ik begreep dat de waterparagraaf maandag wordt opgestuurd, klopt dat? Blz 127: dimensionering gemaal; volgens mij moet dat nog worden uitgezocht klopt dat? Ook hoe wij hier om gaan in de tijdelijke situatie. Tekening NL.IMRO.0363.M1901BPSTD-VO01-23-1-2020_MTI Op deze tekening staat de dubbelbestemming Waterkering niet aangegeven. Als er nog meer stukken bekeken moeten worden (uiteraard de waterparagraaf) dan hoor ik het graag. Met vriendelijke groet, Kevin Wijtenburg Adviseur Water en Ruimte Waternet, Afd. Waterplannen en Besturing Mobiel: +316 52 53 44 99 Korte Ouderkerkerdijk 7 Postbus 94370, 1090 GJ Amsterdam Waternet.nl

Werkdagen: maandag t/m donderdag

Van: Dijkstra, Baukje Verzonden: maandag 9 maart 2020 10:59 Aan: Blaauw, Maikel ; Wijtenburg, Kevin Onderwerp: waterparagraaf Strandeiland ( SE) boor BP Beste Maikel en Kevin, Ik ben de waterparagraaf voor het bestemmingsplan SE aan het opstellen. Deze moet (voor mij) 20 maart af, zodat mijn collega’s daarna alles stukken kunnen samenvoegen om het daarna het bestemminsplan in een vooroverleg te bespreken. Is het wat om de waterparagraaf eind deze week/ begin volgende week te bekijken? Volgens de waterwet/watertoets moet hier ook een stuk over afvalwater in. Moet ik hiervoor Rick Nijman contacteren? Nautiek weet ik niet zeker of dat er in moet, moet ik daar Erik Boontjes voor vragen? Met vriendelijke groet, Baukje Dijkstra Adviseur Water Ingenieursbureau Gemeente Amsterdam M 06-12354861 E b.dijkstra@amsterdam.nl

Werkdagen: ma, di, do en vrij

Beste Baukje, Allereerst complimenten voor de waterparagraaf. In grote lijnen is het compleet en ziet het er goed uit. Van Rick Nijman begreep ik dat de uitwerking van het binnenwater in relatie met het maaiveld en grondwater momenteel nog plaatsvindt. Daarover heb ik je afgelopen maandag al gemaild. Het lijkt mij goed om dat kritisch te volgen en voor een robuuste en duurzame oplossing te kiezen. Op de Mer en het bestemmingsplan had ik al op 11 maart een reactie naar je toegestuurd. Vanuit Leidingwerken van Waternet ontvang je separaat een reactie m.b.t. de rwzi, afvalwater, hemelwater, nieuwe sanitatie etc. Hieronder de reacties t.a.v. het watersysteem: - Blz 4: watertype is M11; ik heb de vraag of dit het juiste type is bij Jasper Stroom neergelegd maar nog geen reactie ontvangen. Hebben jullie dat afgestemd? In het begin was er sprake van een M6b-type. - Blz 4: als maatregelen staat dat het verboden is om stoffen te brengen in een oppervlaktewater. Een belangrijke verandering is dat lozingen onder de Omgevingswet toegestaan zijn, tenzij anders is bepaald. De regulering wordt daarmee omgedraaid: een lozing is alleen verboden als dat bij AMvB bepaald is. Als de lozing niet verboden is zullen er in de meeste gevallen wel regels en zorgplichten gelden. Dus een algemeen verbod zoals dat hier staat is er straks niet meer.

- Blz 7: aandachtspunten mbt grondwater, staat in de buitenlucht geen uitlogende materialen; ik zou zeggen in de buitenschil van gebouwen geen uitlogende materialen. - Blz 18 onderaan met info over de referentiekruinlijn; Bas Molenkamp en ik hebben deze besproken en Bas heeft een voorstel opgestuurd naar Franco Pantano. Ik vind het profiel verwarrend omdat de kruinbreedte niet gedefinieerd is maar er wel een afstand van 5 m is genoemd. Dat zou de kruinbreedte moeten zijn. Blz 22 figuur 3: waarom is het profiel bij de Makerskade en bij Oosterend smaller dan de rest? Hier kan beter per dijkvak een breedte van de kernzone en beschermingszone worden aangegeven. - Blz 24: kelders tot NAP -1 en buiten keurprofiel; dit moet zijn buiten het profiel van vrije ruimte. - Blz 28: alinea over aanleg WKO-systeem; ik mis hier nog de uitleg over de aanleg van de bronnen van de wko. Tijdens de aanleg ontstaat er veel afvalwater, zogeheten ontwikkelwater. Tijdens halfjaarlijkse onderhoud aan de bronnen ontstaat ook veel afvalwater. Voorkeursvolgorde is het terugbrengen in de bodem en dan pas op oppervlaktewater. Het terugbrengen in de bodem moet via een retourbron. Is zo een retourbron al bepaald en vastgelegd? Zo nee, waar brengt men dit dan terug in de bodem? Of toch alles lozen op RWS-water? Dat zou ingaan tegen het standstillbeginsel.

- Hoofdstuk Nautiek: ik neem aan dat Amsterdam (Rob Staal verwacht ik) dit zelf beoordeeld? Aanvullende opmerking t.a.v. de waterkeringen; de exacte hydraulische randvoorwaarden zijn nog niet vastgesteld begreep ik. Dat betekent dat de kruinhoogten nog niet definitief zijn. Verzoek aan Franco Pantano om die hydraulische randvoorwaarden met Waternet te delen om het te kunnen beoordelen. Met vriendelijke groet, Kevin Wijtenburg

Adviseur Water en Ruimte Waternet, Afd. Waterplannen en Besturing Mobiel: +316 52 53 44 99 Korte Ouderkerkerdijk 7 Postbus 94370, 1090 GJ Amsterdam Waternet.nl Werkdagen: maandag t/m donderdag

Van: Dijkstra, Baukje Verzonden: maandag 23 maart 2020 18:12 Aan: Wijtenburg, Kevin CC: Blaauw, Maikel Onderwerp: waterparagraaf SE voor BP voorlopige versie (in een WEtransferLINK) Beste Kevin, Hierbij de link van de voorlopige waterparagraaf voor SE voor het bestemmingsplan. https://we.tl/t-66fwYGAz0w Het is een voorlopige versie. Hij gaat dus nu nog rond op het IB en wordt hier en daar nog aangepast. Als je opmerkingen hebt, kun je deze naar mij sturen en verwerk ik ze in de waterparagraaf. Met vriendelijke groet, Baukje Dijkstra Adviseur Water Ingenieursbureau Gemeente Amsterdam M 06-12354861 E b.dijkstra@amsterdam.nl

Werkdagen: ma, di, do en vrij

Reactie Rijkswaterstaat op Ontwerp Bestemmingsplan Strandeiland Nienke Siekerman, RWS MN 31-8-2020 Toelichting  I.r.t. de uitwisseling tussen het binnen- en buitenwater stemmen wij graag nog nader met u af n.a.v. de verdere afstemming vanuit het project Strandeiland met Waternet t.a.v. het binnenwater.  Blz. 30: o Hier wordt gesproken over de oostpunt van Buiteneiland als zoeklocatie voor Kitesurfen. Dit maakt formeel geen onderdeel uit van dit bestemmingsplan. Er lijken echter in dit gebied geen geschikte locaties voor kitesurfen voorhanden vanuit het oogpunt van veiligheid en ecologie. Als er desondanks wordt gestreefd naar een vestiging, zijn er vergunningen Bpr en Wnb noodzakelijk.  Blz. 31: o Hier staat dat er naar verwachting na 2028 maatregelen nodig zijn aan de Ring A10. Het betreft hier met name de op- en afritten van de S114 met de A10. o Hier staat dat het streven is om verspreid over het eiland meerdere collectieve mobiliteitsvoorzieningen – de zogenoemde ‘buurthubs’ – te realiseren. In verband met de te verwachten verkeerseffecten wordt RWS hier graag bij betrokken.  Blz. 32/33: o Geef hier bij de opmerkingen over het doortrekken van de tramlijn en een intensievere ontsluiting naar Almere/Weesp en Amsterdam/Bijlmer helder aan welke plannen al concreet zijn en waar nog besluitvorming over moet plaatsvinden.  Blz.

38:  Aangegeven wordt dat de monitoringsresultaten aangeven dat de mosselbanken zich goed ontwikkelen. In H15 lijkt echter een afname zichtbaar. In de randmeren is in 2020 een forse achteruitgang gebleken van de mosseldichtheid. Het is dan ook van belang dat de mosselbanken bij IJburg gemonitord blijven worden in het kader van de effectiviteit van deze compensatiemaatregel.  “Betreffende de muiderbuurt is gekozen voor een natuurlijk zandlandschap”. Vraag is wat hiermee precies bedoeld wordt en hoe dit samengaat met de riet- en waterplantenvegetatie die hier gepland staat. Zie ook opmerking i.r.t. benoemde ‘zachte’ oever bij passage over waterkwaliteit binnenwater in Waterparagraaf (bijlage 8).  Hier wordt ingegaan op rieteilandjes voor de zuidzijde van ‘het Oog’. I.h.k.v. de BPRWtoets zijn echter ook afspraken gemaakt over riet voor het grootste deel van de zuidelijke buitenoever ter vereffening van negatieve effecten. Dat wordt hier verder niet meer genoemd. Verzoek dit in het bestemmingsplan expliciet op te nemen.  Er wordt gesproken over ‘Tijdelijke natuur’.

Is er al meer te zeggen over wat hier precies voorzien is, op welke wijze en voor hoe lang? Welke effecten worden er verwacht voor welke soorten? En hoe wordt er rekening gehouden met broed- en rustseizoenen?  Het stuk natuur dat op de verbeelding aan de noordoostkant van Strandeiland opgenomen is wordt in deze passage niet toegelicht. Verzoek een toelichting hierop op te nemen in de plantekst.  Blz. 56-57 – kopje Natura 2000-bufferzone:  De eerste alinea van deze paragraaf is lastig te begrijpen. Wat is de bedoeling van deze passage? Is er hier sprake van handelingen die door de provincie als uitzondering op het verbod benoemd zijn?  Blz. 97: o Inzet van oppervlaktewater voor aquathermie is vergunningplichtig. De gemeente dient de benodigde onderzoeken hiervoor bij een vergunningaanvraag te overleggen. Hierover is de gemeente al geïnformeerd.  Blz. 105 en 106: o Verzoek om hier de meest recente ontwikkelingen op te nemen n.a.v. het recente advies van commissie d’Hooghe over de oeververbindingen over het AmsterdamRijnkanaal en Noordzeekanaal. o De kaart uit het Mobiliteitsplan Update 2019 is inmiddels achterhaald en kan voor verwarring zorgen.

Hier staat (blz. 105): Het toevoegen van een HOV-verbinding tussen Zeeburgereiland en de Indische Buurt over de Amsterdamsebrug. Dit is bij de huidige brug niet mogelijk in verband met de belasting van HOV (trillingen) op de brug als een tramverbinding wordt overwogen. o Hier staat (blz. 106). De verbreding van de toerit aan de westzijde van de A10 op het Zeeburgereiland lijkt onvermijdelijk. Een betere afwikkeling van het verkeer van de toerit aan de oostzijde van de A10 is ook onvermijdelijk om terugslag op de A10 te voorkomen. Blz. 145 en 146: o I.r.t. vervoer van gevaarlijke stoffen over de binnenwateren: Dit heb ik intern nog nagevraagd. Reactie op dit punt volgt. Blz. 165 - Hoofdstuk 15: o In het begin van H15 wordt gesproken over externe effecten. Goed om in de conclusies op te nemen of hier wel of geen sprake van is. Blz. 180 - Waterparagraaf (16.4): o Zie opmerkingen op bijlage 8 hieronder. Verzoek om deze punten bij verwerking ook aan te passen in paragraaf 16.4 van de waterparagraaf in de Toelichting. o

 

Bijlage 8 – Waterparagraaf  Blz. 6 en blz 16 – Waterkwaliteit buitenwater: o Hier staat dat IJburg Strandeiland ligt in een Natura-2000 gebied. Dit klopt niet. Er is wel sprake van een naastgelegen N2000-gebied. o Hier ontbreekt het feit dat Strandeiland in een KRW-waterlichaam ligt. Daar liggen ook doelen op, en ook een verbod op achteruitgang. Verzoek dat toe te voegen.  Blz. 6 – Waterkwaliteit binnenwater: o Hier wordt gesproken over een watersysteemanalyse. Wat wordt hiermee bedoeld?  Blz. 10 – Afvalwater / Blz 32 – Paragraaf 5.3 en 5.4 / Toelichting blz 36, 136 en 185/186: o Er wordt gesproken over lokale zuivering. Onduidelijk is waar het afvalwater dat hier vandaan komt naartoe gaat. Waar wordt het water geloosd? Hier is eerder reeds contact over geweest met RWS, waarbij de beperkingen van lozing op het IJmeer benoemd zijn. Verzoek hierover nader in contact te treden met RWS.  Blz. 11 en blz. 37: o Blz. 11: Hier wordt gesproken over lozing van hemelwater op de openbare ruimte. Wat wordt hiermee bedoeld? Komt dit hemelwater dan in het binnenwater of buitenwater terecht? o Blz. 37: Betreft hetzelfde onderwerp als in de samenvatting op pg. 11. Hier wordt echter niet gesproken over lozing op de openbare ruimte. Verzoek dit eenduidig te vermelden en bij lozing op de openbare ruimte aan te geven in hoeverre dit af kan stromen richting oppervlaktewater.  Blz. 12 en blz.

40 – Nautiek: o Aanleg en onderhoud van de verbinding naar strandeiland op nautisch vlak is de verantwoordelijkheid van de organiserende partij. Onderhoud van geulen van en naar de havenkommen ligt niet bij het Rijk. Er dient bij het aansluiten van de geul rekening gehouden te worden met de zichtlijnen en bebouwing conform richtlijnen vaarwegen 2020 (recente update van 2017). o Er staan nog geen expliciete afmeting opgevoerd voor de vaarwegen en voor sluis- en brugontwerp. Geadviseerd wordt om de afmetingen (ook de breedte) te toetsen aan de richtlijnen vaarwegen 2020. Voor het varen buiten de wijk moet uitgegaan worden van de condities die op het IJsselmeergebied gelden. Daarbij dient de voorhaven zo ingericht te worden dat de sluis veilig gepasseerd kan worden zonder de hoofdgeul te hinderen.  Blz. 17 – tevens blz. 182 uit Toelichting: o Hierin wordt gerefereerd naar de ‘zachte’ zuidoever met brede rietstroken en waterplanten, die zorgt voor het zuiveren van het oppervlaktewater. Het is onduidelijk op het hier gaat om de zuidoever van het binnenwater of om de zuidoever van Strandeiland (waar dan water geloosd wordt richting het IJmeer?). Verzoek dit te verduidelijken. In het geval het hier gaat om de zuidoever van Strandeiland (dus aan het IJmeer) dan verzoeken we hiervoor nog nader contact met RWS op te nemen i.v.m.

de vraag of een zuiverende werking van de buitendijkse zuidoever samen gaat met de doelstelling om dit gebied te gebruiken ter compensatie voor het verlies aan ecologisch relevant areaal vanuit de BPRW-toets. o Hier worden als laatste 3 maatregelen genoemd, waarbij de effectiviteit voor ons niet helder is. Waarom wordt gedacht aan de toepassing van ijzerhoudend zand? De ruimte

op het Strandeiland is te klein voor helofytenfilters en daarnaast is de vraag of deze filters gezien de lage belasting van het water met N en P zeer effectief zullen zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9577573/3