CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Schriftelijke bijdrage dhr. Harry Moeskops inzake Hoofdgroenstructuur Kadoelerscheg - een groene long in Amsterdam-Noord

Raadscommissie Mobiliteit, Openbare ruimte en Water 16 januari 2025, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Inspreekmoment Publiek25.748 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Figuur 4-11. Biotopen deelgebied 3; Kadoelenweg en De Bongerd.

4.3.2

Belang deelgebied binnen de Kadoelerscheg

Binnen het deelgebied Kadoelenweg/De Bongerd is een verscheidenheid aan biotopen aanwezig. Door de variatie aan biotopen en overgangen daartussen is het aantal soorten dat hier is aangetroffen ook automatisch hoger, met name op De Bongerd. Een groot deel van de vegetatie is hier aangeplant. De grote diversiteit in soorten en hoogtes van aangeplante vegetatie maakt (volks)tuinen vaak tot een zeer geschikte foerageer- en rustplaats voor flora en fauna. De bermen en rietruigten die door het deelgebied lopen vormen leefgebied voor veel (vooral kleinere) organismen, maar ook groene verbindingszone door het verder vooral bebouwde/verharde deelgebied. Binnen het deelgebied ligt ook de tennisclub. De omzooming van het terrein bestaat uit hoog opgaande bomen en riet langs de slootkanten. Door het gebruik als sportpark met verlichting gaat wel een deel van de potenties van het bosstruweel verloren. Lichtschuwe dieren zullen het gebied minder gebruiken zoals bijvoorbeeld vleermuizen van de Myoten-groep (water- en meervleermuis). In het deelgebied worden zo nu en dan kwetsbare rode-lijst soorten waargenomen. Een voorbeeld is de veenhommel, welke gevonden is op Tuinpark De Bongerd. Het betrof een mannetje, waarschijnlijk een zwervend

Kadoelerscheg: een groene long in Amsterdam-Noord

29

exemplaar. Toch is de waarneming zeer bijzonder; de soort is in Nederland sterk afgenomen en komt vooral voor in voormalige hoogveengebieden, heideterreinen en langs bosranden. In zeekleigebieden worden ze nauwelijks gevonden. Volgens het Nederlands soortenregister mijdt de soort agrarische graslanden en stedelijk gebied. Een andere rode-lijstsoort welke binnen de Kadoelerscheg voornamelijk op Tuinpark De Bongerd is waargenomen, betreft de ransuil. De soort is ook roepend en parend waargenomen op het tuinpark; wat een indicatie is voor de aanwezigheid van een nest in de buurt. Ransuilen zijn afhankelijk van bosschages en broeden het liefste in naaldbomen, maar kunnen ook andersoortige bomen gebruiken indien geschikte nesten aanwezig zijn. Jagen doen ze op open plekken, zoals een veld, langs bermen en kaalgeslagen delen bos. De populatie ransuilen binnen Nederland is sinds de jaren 70 drastisch achteruitgegaan. Het beschermen en behouden van (potentiële) nestlocaties, zoals dichtere bosschages, boomrijen en voornamelijk naaldbomen is daarom van groot belang.

4.4 Deelgebied 4: Kadoelenweg (even)/ Wilmkebreek/ Zijkanaal I Dit deelgebied betreft de Wilmkebreek en een gedeelte van Zijkanaal I, inclusief de Landsmeerderdijk en de daaraan gelegen woningen. Van dit deelgebied is de Wilmkebreekpolder onderdeel van de Hoofdgroenstructuur. Zijkanaal I is geen gegraven kanaal, maar is onderdeel van het oorspronkelijke IJ dat bij de droogmaking van de Noorder IJpolder in 1972 werd overgelaten zodat de Oostzaner Overtoom over water verbonden bleef. Het verbindt dus de voormalige Overtoom bij Oostzanerwerf met het IJ. Het meest opvallend binnen dit deelgebied is de Wilmkebreekpolder, een kleine polder van zo’n 20 hectare groot. De polder is al bijna 400 jaar oud. Binnen de A10 is dit de enige locatie waar nog een agrarisch bedrijf actief is. Dankzij agrarisch natuurbeheer en extensieve beweiding is het een aantrekkelijk broed- en foerageergebied voor vele soorten (weide)vogels. Dankzij verzet van buurtbewoners zijn tot op heden alle grootstedelijke plannen voor woningbouw en wegenaanleg binnen de polder verworpen. De polder maakt deel uit van het provinciaal monument De Waterlandse Zeedijk en is onderdeel van de Hoofdgroenstructuur van Amsterdam. Er is een actieve vereniging actief namelijk de Vereniging tot Behoud van de Wilmkebreekpolder.

Doel van de vereniging is het volgende: ‘De vereniging heeft ten doel om de Wilmkebreekpolder in Amsterdam-Noord met zijn rijke cultuurhistorie, grote landschappelijke waarde en bijzondere natuurwaarden te behouden als een open, onbebouwd graslandschap” (www.wilmkebreek.nl). De polder is waarschijnlijk ecologisch het best onderzocht deel binnen de gemeente Amsterdam. Om de weidevogels (nesten en pullen) te beschermen wordt elk broedseizoen een vossenraster geplaatst. Deze moet naast vossen ook de vele huiskatten uit de polder houden. Jaarlijks wordt de vogelstand en nog veel meer gemonitord. Van alle onderzoeken wordt verslag gedaan, deze jaarrapportages zijn te raadplagen op de website van de vereniging.

Kadoelerscheg: een groene long in Amsterdam-Noord

30

Figuur 4-12. Wilmkebreekpolder, natuurparel in de stad, met op de achtergrond een deel van de bebouwing aan de Kadoelenweg/Stoombootweg.

4.4.1

Biotopen en voorkomende soorten

Verharding, wonen en tuinen De Kadoelenweg zelf is volledig verhard er is geen wegberm aanwezig. De voortuinen van de woningen vormen echter groene eilandjes langs de Kadoelenweg. Aan de zuidkant loopt direct een watergang met aan beide kanten zeer steile oevers met een rechte beschoeiing. Het water zelf is troebel en er is geen of weinig sprake van onderwaterbegroeiing of drijvende vegetatie. Naast vissen en enkele watervogels wordt hier verder geen grote soortenrijkdom verwacht. De woningen aan de zuidelijke kant van de Kadoelenweg beschikken over een (voor Amsterdamse begrippen) diepe achtertuin die uitkijkt over de Wilmkebreekpolder. Door de diversiteit aan beplanting, schuurtjes, houtstapels, vogelhuisjes, vijvertjes en andere elementen in de tuinen worden deze goed bezocht door vele diersoorten. Nergens anders binnen de deelgebieden van de Kadoelerscheg zijn bijvoorbeeld zoveel waarnemingen gedaan van amfibieën als bruine kikker, kleine watersalamander en bastaardkikker/groene kikker. Er is een verschil in bouwjaar tussen de verschillende rijen woningen aan de Kadoelenweg. Een gedeelte van de woningen aan de oostzijde van de Wilmkebreekpolder is al in 1920 gerealiseerd.

Gebouwbewonende diersoorten als huismus, spreeuw, gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis zijn waargenomen in de straat en hebben hun verblijfplaats ongetwijfeld ergens in de bewoning gelegen aan de Kadoelenweg. De vegetatie in de tuinen is, afhankelijk van de eigenaar, een combinatie van inheemse kruidachtige planten of juist (uitheemse) sierplanten. Bij de juiste inrichting en beheer kunnen tuinen heel veel natuurwaarden opleveren. Een mooi voorbeeld is de tuin van Henk van Alst. Hij heeft zelf in zijn achtertuin alleen al in 2024 (juni) circa 600 waarnemingen gedaan met een grote verscheidenheid aan soorten. Eerder dit jaar publiceerde hij Insectentuin, verslag van een vijfjarige fotografische inventarisatie van insecten en geleedpotigen in z’n tuin. Dit verslag laat de verscheidenheid aan biodiversiteit in de stad zien. Dit laat zien en geeft aan dat ook (achter)tuinen een belangrijk onderdeel zijn van de Nederlandse natuur. Bij elkaar genomen beslaan alle tuinen in Nederland zo’n 56.000 hectare aan oppervlakte. Dit is circa 10 keer groter dan het totale oppervlak van de Veluwe Polderlandschap De Wilmkebreekpolder ligt tussen de bebouwing van Kadoelen en een deel van de Landsmeerderdijk in. Sinds 2011 wordt in het gebied agrarisch natuurbeheer toegepast, waardoor het slechts matig bemest wordt. Hierdoor is geleidelijk een gevarieerd kruidenrijk grasland ontstaan.

Omdat de percelen met de meeste kruiden ook het verst verwijderd zijn van de bebouwing, zijn ze bijkomstig ook het meest in trek als broedplaats voor weidevogels als grutto, kievit en tureluur.

Kadoelerscheg: een groene long in Amsterdam-Noord

31

In totaal zijn 13 vogelsoorten broedend vastgesteld in de polder in 2023. De polder wordt daarnaast ook het gehele jaar bezocht door vogelsoorten die hier rusten of foerageren. Het is ook de enige plek binnen de Kadoelerscheg waar een rugstreeppad is waargenomen. Tussen 2011 en 2014 zijn waarnemingen bekend van roepende exemplaren vanuit de polder. In 2021 zou (weer) een individu gezien zijn, maar deze waarneming kon niet worden gevalideerd. Verder is het gebied qua vegetatie uniek. Onder invloed van het zout in de bodem en het kwelwater zijn zoutminnende soorten als heen en moeraszoutgras aanwezig. Bepaalde plekken staan in de winter soms langdurig onder water, wat een specifieke flora oplevert waaronder goudknopje, moeraskers en spiesmelde. De bodem van de polder bestaat voornamelijk uit slecht doorlatende klei (de toplaag van veen is grotendeels weggespoeld bij eerdere dijkdoorbraken) en is voedselrijk. Water Het Zijkanaal I vormt de verbinding tussen het IJ en het Twiske, die doorloopt richting de voormalige Oostzaner Overtoom bij Oostzanerwerf. Het is geen gegraven kanaal, maar een deel van het oorspronkelijke IJ dat bij de droogmaking van de Noorder IJpolder werd overgelaten. Over het voorkomen van soorten in het kanaal is weinig bekend/gepubliceerd. Het water is diep en er is weinig tot geen drijvende of ondergedoken vegetatie aanwezig.

Al sinds 2011 zijn problemen aanwezig met vervuiling in het zijkanaal. Zo nu en dan wordt een hoeveelheid olie/diesel op de wateroppervlakte gemeld, vooral in perioden van hevige regenval. Het is tot op heden onbekend waar dit precies vandaan komt. De regionale waterkering rond de Wilmkebreekpolder bestaat uit de Oostzanerdijk, de Landsmeerderdijk, stuk dijk langs Klein Kadoelen, de Kadoelenweg en de Stoombootweg. Het water van de Wilmkebreekpolder is niet van al te hoge kwaliteit, de watergangen zijn erg ondiep en slibrijk. De sloten bevatten weinig waterplanten en het water zelf is troebel door de vele aanwezige karpers. Enkel de kwelsloot welke onder de Landsmeerderdijk langs loopt, bevat veenwortelig kroos en gewoon sterrenkroos.

Figuur 4-13. Biotopen deelgebied 4; Kadoelenweg (even)/ Wilmkebreek/ Zijkanaal I.

Kadoelerscheg: een groene long in Amsterdam-Noord

32

4.4.2

Belang deelgebied binnen de Kadoelerscheg

Hoogtepunt in dit deelgebied is de Wilmkebreekpolder. Deze polder is uniek binnen de ring van Amsterdam en heeft een hoge cultuurhistorische- landschappelijke- en natuurwaarde. De Wilmkebreekpolder vormt een toevluchthaven voor verschillende rode-lijst vogelsoorten. Sommige soorten zijn doortrekkers of wintergasten, maar een deel komt ook voor als broedvogel. Denk aan de grutto, tureluur en visdief. De boerenzwaluw komt in de lente- en zomermaanden ook veel voor in de Wilmkebreekpolder. Door de aanwezigheid van vee in de polder zijn er veel insecten beschikbaar, die door de zwaluwen uit de lucht geplukt worden. Een andere bijzondere rodelijstsoort in het deelgebied is de haas; een soort die anders (vrijwel) niet in dichtbevolkt gebied voorkomt, maar in het kleinschalige polderlandschap zijn heil vindt. Daarom is het van groot belang dat het gebied in de oorspronkelijke vorm behouden blijft en dat bewoners en over de dijk langsfietsende en wandelende bezoekers hier van het oude landschap kunnen genieten met de daarbij behorende vogelstand. Het Zijkanaal I vormt, wanneer de verbinding met het Twiske wordt hersteld, een belangrijke verbinding voor vis tussen het buitengebied (’t Twiske), de Kadoelerbreek en uiteindelijk ook het IJ.

4.5 Deelgebied 5: Nieuwe Gouw/Banne II Het deelgebied Nieuwe Gouw/ Banne II ligt tussen het water van de Nieuwe Gouw en Banne Noordwest in. Het is een groengebied doorsneden met verschillende watergangen. Het groen binnen het deelgebied is in de gemeentelijke Hoofdgroenstructuur meegenomen als ruigtegebied/struinnatuur. Het heeft een parkachtige structuur mede door de lanen die er zijn en het sportpark met o.a. voetbal, hockeyvelden en roeivereniging. Het noorden van het gebied wordt begrensd door de A10, terwijl het zuiden wordt begrensd door de IJdoornlaan. Ten zuiden van de sportvelden in het zuiden van het gebied is een manage aanwezig met omliggende rietruigten, hier is nog mooi het oude landschap en de geschiedenis te zien.

Figuur 4-14. Fietspad met aan beide kanten een bomenlaan, gelegen tussen de sportvelden en Buiksloot.

4.5.1

Biotopen en voorkomende soorten

Sportpark Eén van het meest in het oog springende onderdelen van het deelgebied zijn de sportparken. Een groot deel van de Kadoelerscheg bestaat uit sportvelden (o.a. voetbal en hockey). Deels zijn het nog echte grasvelden maar veel velden zijn omgevormd naar zijn kunstgrasvelden en watervelden (met verhard schuimbetonnen onderlaag).

Kadoelerscheg: een groene long in Amsterdam-Noord

33

Rondom de sportvelden en langs de buitenranden van het park zijn groenstroken en bomenrijen aanwezig. De breedte en natuurlijkheid van de beplanting wisselt sterk, bepaalde delen zijn heel natuurlijk bestaande uit rietruigte met wilgen en elzen die langzaam overgaand in de oeverbegroeiing. Andere delen zijn strak ingepland met vrijstaande bomen. In een ruiger deel is hier de steenmarter langs de oevers van de Nieuwe Gouw vastgelegd (zie paragraaf 5.2). Ook zijn er groeiplaatsen van de brede wespenorchissen aanwezig.

Figuur 4-15. Rietruigten aan de zuidelijke kant van de sportvelden.

Bomen, bosschages en struwelen Een groot deel van het gebied is rijk aan bomen, spontaan ontwikkeld of aangeplant. De bomen behoren zowel bij het sportpark, zoals hierboven beschreven, dan wel dat er een bomenrij dwars door het gebied heen loopt. Ook is er in het noordoosten van het deelgebied een eiland aanwezig waar struwelen en bosopslag zich ‘ongehinderd’ kunnen ontwikkelen. Verschillende soorten profiteren hiervan. Denk bijvoorbeeld aan dagvlinders als atalanta, bont zandoogje, dagpauwoog en kleine vos. Het gebied is matig voedselrijk tot voedselrijk. De verschillende waardplanten van deze soorten doen het daarom dus goed. Overige lagere begroeiingen Er is een grote variatie aan moeras, riet(ruigten), bosschages aanwezig maar ook droge graslanden langs o.a. de fietspaden aanwezig. De aanwezige kruidenrijke graslanden die worden aangetroffen zijn allemaal zeer geschikt voor vlinders, bijen en andere insecten. Soorten als icarusblauwtje, gehakkelde aurelia, verschillende soorten witjes, aardhommels en weidehommels profiteren van het nectar aanbod. Ook de aanwezigheid van de sabelsprinkhanen hier is een goed teken.

Kadoelerscheg: een groene long in Amsterdam-Noord

34

Figuur 4-16. Weidehommel (links) en het Bont zandoogje.

Water Het gebied ligt volledig ingesloten tussen de Nieuwe Gouw aan de westzijde en aan de oostzijde de Banne (incl. watergang). De vele natuurlijke en ruige oevers met schietwilgen en rietkragen geven het gebied karakter. In de watergangen zijn veel soorten water- en rietvogels aanwezig, waaronder kuifeend, krakeend, fuut, waterral en ook de IJsvogel. De IJsvogel nestelt zelfs binnen het deelgebied, namelijk in een kluit van een omgevallen boom die aan de westkant van de sportvelden van de Nieuwe Gouw ligt. Voor vleermuizen zijn deze watergangen en begroeide oevers belangrijk foerageergebied, ze fungeren tevens als vliegroute voor Water- en Meervleermuis.

Figuur 4-17. Biotopen deelgebied 5; Nieuwe Gouw/Banne II .

Kadoelerscheg: een groene long in Amsterdam-Noord

35

4.5.2

Belang deelgebied binnen de Kadoelerscheg

Binnen het deelgebied zijn verschillende soorten biotopen aanwezig. Het grootste gedeelte van het gebied wordt gebruikt door de sportparken met kunst(gras)velden. Dit maakt dat het gebied groener (op de kaart) lijkt dan dat deze in werkelijkheid zijn. De omzoming van het sportpark, de ruige eilandjes en de veenmosrietlandjes in het zuiden van het gebied hebben de grootste waarden. De bosschages langs de sportparken, langs de ringweg en de waterkanten zijn de groene schakel binnen de Kadoelerscheg, ze verbinden de verschillende gebieden met elkaar en de Nieuwe Gouw vormt de verbinding met het veenweidelandschap buiten de ring. De bosschages vormen het leefgebied voor vele soorten vogels en zoogdieren waaronder de steenmarter die hier is vastgesteld tijdens het veldonderzoek (zie paragraaf 5.2). De ruigtes binnen dit deelgebied zijn onderdeel van de gemeentelijke Hoofdgroenstructuur.

4.6 Deelgebied 6: Nieuwe Gouw West Deelgebied de Nieuwe Gouw West bestaat uit de Nieuwe Gouw inclusief de Kadoelerbreek en de oostzijde van de Kadoelenweg. De Kadoelerbreek is één van de meertjes die zijn ontstaan door dijkdoorbraken van de zeedijk langs het IJ. Het gebied begint in het noorden met de lus van de afrit van de A10. Via het water van de Nieuwe Gouw en de IJdoornlaan loopt het gebied door richting het zuiden. Ter hoogte van de sportparken wordt het gebied breder inclusief de brede wegbermen van de IJdoornlaan. Vanaf deze locatie loopt het gebied van de Kadoelenweg tot aan het Vikingpad. De Landsmeerderdijk in het zuiden van het deelgebied vormt de grens van het gebied. Het deelgebied wordt gekenmerkt door de oude veenstroom met brede rietkragen, bloemrijke graslanden en bomen/struwelen. Daarnaast ligt er ook nog een Tuinparken (Nutstuinen van Tuinpark De Bongerd) en woningen binnen het gebied.

4.6.1

Biotopen en voorkomende soorten

Water De dooradering van De Nieuwe Gouw en de Kadoelerbreek is het belangrijkste biotoop binnen dit gebied. Het water in de Nieuwe Gouw is onderdeel van de Waterlandse boezem, een groot boezemsysteem met verschillende dorpen en polders daarin die de waterkwaliteit beïnvloeden. Naast het vroegere gemaal, die niet meer in werking is, bevindt zich het (nieuwe) schroefgemaal waarmee water vanuit de Kadoelerbreek (en daarmee de gehele boezem) naar Zijkanaal I wordt gepompt. Daar is ook een aparte vissluis, waar veel waarnemingen zijn gedaan van migrerende vissen, zoals de aal. Dit is een generalist en komt in veel verschillende watertypen voor. Daarnaast worden ook veel kolblei, brasem, snoekbaars, grondels en stekelbaarzen gevonden in de wateren van dit deelgebied.

Kadoelerscheg: een groene long in Amsterdam-Noord

36

Figuur 4-18. Aal en Baars (foto's van Koen van Tilburg, 2024).

Graslanden en bermen Het deelgebied kent relatief veel graslanden en bermen waaronder wegbermen met een zandige ondergrond, het zand is gebruikt om het talud van de IJdoornlaan te vormen. Hierdoor zijn andere soorten planten aanwezig dan elders in de Scheg. De combinatie van zand (inclusief kalk), droge tot vochtige bodem en de aanwezigheid van zout zorgt dat hier meer kustplanten voorkomen waaronder duinkruiskruid en moeraswespenorchis. Op enkele plekken in de berm op grotere afstand van de IJdoornlaan is sprake van een lichte verarming van de voedselrijkdom. Hier maken algemene grassoorten als witbol plaats voor een meer kritische grassoort als reukgras. Daarnaast zijn er veel planten te vinden met een grotere nectarproductie, zoals klavers en duizendblad. Insecten als kleine vuurvlinder, icarusblauwtje en kustsprinkhaan profiteren hiervan. Ook zijn soorten die meer op veen voorkomen binnen de graslanden. De aanwezigheid van de vegetatiegroep moeras en natte pionierplanten is dan ook heel hoog binnen dit gebied. Kijk bijvoorbeeld naar het voorkomen van de veenmol, maar ook naar de aanwezigheid van planten die zeer nat moeten staan, als moerasspirea, oeverzegge, ruige zegge en gele lis.

Aan de waterkant van de Kerkesloot, ten oosten van de nutstuinen, bevindt zich een veldje waar verschillende zeldzame orchideeën groeien, zoals grote keverorchis, gevlekte orchis en bijenorchis. Ook de zeldzame kleine karthuizerslak, een pioniersoort, is hier tijdens een veldbezoek gevonden. De soort komt voor op dijken en taluds die zijn opgehoogd met kalkrijk zand.

Figuur 4-19. Grote keverorchis en kleine karthuizerslak aangetroffen in deelgebied de Nieuwe Gouw

Kadoelerscheg: een groene long in Amsterdam-Noord

37

Bomen, bosschages en struwelen Tot slot staan er ook vrij veel grote bomen (vaak abelen) en struwelen (o.a. schietwilg) binnen dit deelgebied in de wegberm en langs de rietoevers. Deze onttrekken vaak het zicht richting de breek. De bosschages vormen een belangrijk leefgebied voor verschillende soorten bosvogels waaronder de grote bonte specht. Veel van de bomen en bosschages staan direct aan de randen van het water, waardoor geleidelijke overgangen richting een oevervegetatie mist. Vlinders als Atalanta en Bont zandoogje profiteren van de aanwezige bosschages en bosranden. Veel van het hogere groen binnen het gebied valt te typeren als moerasbossen. Het water is geschikt om te foerageren voor vleermuizen afkomstig uit de omgeving. Denk hierbij aan laatvlieger die halverwege de bomen en langs de rietranden kan jagen. De beschutte en donkere wateren vormen geschikt foerageergebied voor watergebonden vleermuissoorten als water- en meervleermuis.

Figuur 4-20. Biotopen deelgebied 6; Nieuwe Gouw West.

4.6.2

Belang deelgebied binnen de Kadoelerscheg

De waarde van het gebied kenmerkt zich mede doordat het een duidelijke groenblauwe ader door de Kadoelerscheg heen vormt, van noord naar zuid. De Nieuwe Gouw is een brede watergang, met rietoevers en met bomen begroeide oevers door het midden van de Kadoelerscheg. De waterkanten zijn vaak ruig begroeid; soms met rietlanden en soms met flink dichte bosschages en (braam)struwelen. Brede begroeide waterkanten met een diversiteit in oeverbegroeiing is hier ecologische waardevol en niet alleen voor foeragerende vleermuizen, grondgebonden zoogdieren, riet- en watervogels, maar ook voor (jonge) amfibieën en vissen die aan de waterkanten een schuilplaats en foerageergebied vinden. De kleine karthuizerslak (een rode-lijst soort) is een vrij zeldzame pioniersoort die vooral voorkomt in het duingebied en in rivierduinen. Door verstedelijking is de soort sterk afgenomen. De omstandigheden in het graslandje tussen de IJdoornlaan en de nutstuinen blijken echter goed geschikt voor de soort. Deze locatie wordt ook wel het ‘orchideeënveldje’ genoemd, omdat hier verschillende soorten tot bloei komen. Zo ook de rode-lijst soorten brede orchis en moeraswespenorchis. Beide orchis-soorten zijn gevoelig voor vermesting, ontwatering,

Kadoelerscheg: een groene long in Amsterdam-Noord

38

verschraling en verlies van leefgebied. De brede orchis is bekend van taluds van sloten. De moeraswespenorchis is een stuk zeldzamer. De soort komt vooral voor in natte duinvalleien en blauwgraslanden en is in het binnenland zeer zeldzaam. Om de soorten te behouden mag er geen bodemverstoring plaatsvinden en ook dient tijdens het maaien rekening gehouden te worden met de bloeitijd van de orchideeën.

4.7 Deelgebied 7: Kadoelerbreek en Buiksloterbreek De Kadoelerbreek en Buiksloterbreek zijn meertjes die zijn ontstaan door dijkdoorbraken van de oude zeedijk langs het IJ. De Buiksloterbreek is omgevormd tot het Buiksloterbreekpark. Het gebied typeert zich door z’n parkachtige structuren, waarbij het soms doet denken aan de Engelse landschapsstijl. Er liggen diverse wandelpaden en fietspaden door het park heen, ook zijn er hoogteverschillen in het park. Het is een afwisselend gebied waar gesloten bosschages en bosopstanden afgewisseld worden met doorkijkjes over waterpartijen en graslanden. Aan de noordkant ligt een openbaar sportveld. De begroeiing in het park is weelderig, kent een natuurlijke oorsprong en heeft het karakter van een stadsjungle. Het beheer is grotendeels extensief en er zijn mooie overgangen (mantel- en zoomvegetaties) tussen de open graslanden en de houtopstanden. In het park zijn enkele eilanden aanwezig waarop natuurlijke natte moerasbosjes zich hebben ontwikkeld. De eilandjes, rietruigten en groenstroken zijn onderdeel van de gemeentelijke Hoofdgroenstructuur.

Figuur 4-21. Een van de gedeelten van het Buiksloterbreekpark. Er lopen veel paden en bruggetjes op speelse wijze door het park heen.

De Kadoelerbreek wordt omzoomd door een rietzoom, restanten van veenmosrietlanden en moerasbos. De breek heeft nu een belangrijke waterstaatkundige functie. Het Gemaal Kadoelen is het belangrijkste gemaal van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier om de gehele Waterlandse boezem op peil te houden. Via het gemaal wordt overtollig water uitgeslagen op het Zijkanaal I. In het noorden van het gebied ligt tegen de IJdoornlaan aan een klein eilandje met veenmosrietland die in 2024 door de gemeente Amsterdam is vrijgemaakt van de ruige opslag.

Kadoelerscheg: een groene long in Amsterdam-Noord

39

Figuur 4-22. Kadoelerbreek, gezien vanaf het fietspad (Vikingpad). Het veenmosrietlandje op de voorgrond is in 2024 vrijgemaakt van bosschages en rietruigte.

4.7.1

Biotopen en voorkomende soorten

Water Ook binnen dit deelgebied is water één van de dragende structuren. Het water in het Buiksloterbreekpark is helder in vergelijking met het water in de Kadoelerbreek, hier zijn ook meer waterplanten aanwezig waaronder sterrekroos en gele plomp. Uit de libellenmonitoring komt het Buiksloterbreekpark naar voren als het gebied met de meeste soorten. Verschillende soorten vissen, zoals stekelbaarzen en grondels, worden binnen het gebied aangetroffen en bij het gemaal aangetroffen. Dit zijn soorten die in brak water voor kunnen komen. Ook worden blankvoorn, rietvoorn en bittervoorn gevonden in de wateren in het deelgebied. Voorns jagen veelal op zicht op watervlooien en muggenlarven. De aanwezigheid van blankvoorn en rietvoorn duiden op een goede doorzicht en aanwezigheid van voedsel voor andere soorten vissen en vogels. Het oppervlaktewater is van belang voor allerlei watervogels, ganzen, fuut maar ook kenmerkende soorten als ijsvogel is hier aanwezig. Bomen en struwelen In het Buiksloterbreekpark zijn veel natuurlijke overgangen tussen bosvakken via mantel en zoomruigte naar graslanden. De aanwezigheid van deze natuurlijke overgang is ideaal en resulteert in een hoge soortendiversiteit. De insectenrijkdom binnen het totale deelgebied is hoog.

In totaal zijn er circa 19 verschillende dagvlinders waargenomen, waarbij vooral eikenpage, koninginnenpage en boomblauwtje eruit springen. Struiksprinkhanen worden hier ook vaak in het najaar aangetroffen in de zomen binnen het deelgebied. In het Buiksloterpark zijn eilandjes aanwezig waar (grauwe) ganzen broeden en waarin de bomen worden gebruikt als rustplaats voor aalscholvers, ook ijsvogels zijn hier te horen en te zien. Ook halsbandparkieten (een exoot) zijn talrijk aanwezig in het park, het vele dode hout levert geschikte broedplaatsen op voor deze holenbroeder.

Kadoelerscheg: een groene long in Amsterdam-Noord

40

Figuur 4-23. Smalle snipperpadjes ‘spannende’ padjes in het Buiksloterbreekpark, rechts een beeld van een mantel-zoom overgang tussen grasveld en bos, voor biodiversiteit waardevol overgangsgebieden.

De verbindende zone tussen het Buiksloterpark en de Kadoelerbreek is de groenzone onderlangs de Buiksloterdijk. Dit is een mooi afwisselend groene ruige zone waarin bramenstruwelen, spontaan opgekomen (wilgen)bosjes met daarin veel dood hout en beheerde graslanden elkaar afwisselen. Midden in de stad broedt hier een roofvogel zoals de sperwer. Graslanden Een groot gedeelte van het gebied tussen de Kadoelerbreek en Buiksloterbreek bestaat uit extensief beheerde graslanden en gazon (Figuur 4-24). Vaak worden ze een- of tweemaal gemaaid waardoor het kruidenrijke ruigere graslanden zijn met o.a. distels en brandnetels. Dit is het enige gebied in de Kadoelerbreek waar konijnen voorkomen, tijdens het cameraval onderzoek zijn ze op beeld gezet. De graafsporen en latrines zijn echter ook duidelijk zichtbaar in de zone langs de Buiksloterdijk en nabij de aanwezige bramenstruwelen. In het Buikslotenpark zijn ook delen aanwezig die als gazon worden beheerd omdat ze een recreatieve sportfunctie hebben. In dit deelgebied zijn in de afgelopen vijf jaar de meeste plantensoorten. Dit kan op twee manieren verklaard worden. Het gebied is gemakkelijk toegankelijk voor mensen waardoor meer waarnemingen worden vastgelegd en het gebied is zo divers qua biotopen dat er meer soorten voorkomen. Aan de waterkant langs het Vikingpad is o.a. het zeldzame zomerklokje aangetroffen.

Figuur 4-24. Beelden van open gebied tussen de Kadoelerbreek en Buiksloterbreek. Ruige grasbermen met informele wandelpaadjes wisselen elkaar af met delen met gazonbeheer.

Riet(ruigtes) Langs de Kadoelerbreek liggen diverse rietlanden met daarin hoog opgaande schietwilgen. Het rietland aan de noordzijde, grenzend aan de IJdoornlaan is in het (recente) verleden door de gemeente onder handen genomen om de rietverruiging tegen te gaan. Op zichzelf is dit een vrij bijzonder gebiedje. Zeker ten opzichte van de overige

Kadoelerscheg: een groene long in Amsterdam-Noord

41

(gemaaide) graslanden in de omgeving. Op locaties zoals deze waar meer (overjarig) riet kan groeien, kunnen libellensoorten als vroege glazenmaker en vuurjuffer floreren. Dit zijn typische soorten die meer in venen, vennen en regenwater gevoerde sloten en vijvers kunnen voorkomen als het water maar (matig) voedselrijk is. Ze hebben verlandingszones nodig en een redelijke tot goede waterkwaliteit. Het opgaande natte wilgenbos nabij het gemaal is de enige locatie in de Scheg waar naast grote bonte specht, halsbandparkiet en diverse struweelvogels, de nachtegaal in het voorjaar te horen is. Ook de Cetti’s zanger is hier aanwezig, maar deze soort komt verspreid voor in de Scheg.

Figuur 4-25. Uitzicht over rietlanden van de Kadoelerbreek vanuit het uitzichtpunt, rechts beeld van moerasbos langs de breek met veel ondergroei van bramen.

Kadoelerscheg: een groene long in Amsterdam-Noord

42

Figuur 4-26. Biotopen deelgebied 7; Kadoelerbreek en Buiksloterbreek 01.

Figuur 4-27. Biotopen deelgebied 7; Kadoelerbreek en Buiksloterbreek 02.

Kadoelerscheg: een groene long in Amsterdam-Noord

43

4.7.2

Belang deelgebied binnen de Kadoelerscheg

Dit meest zuidelijke deelgebied is ook een van de meest nauwe gedeelten van de Kadoelerscheg. Omsloten met bebouwing, waarvan het nieuwste deel; ‘’Oeverzone’, gelegen aan de westzijde van Zijkanaal I, momenteel nog in aanbouw is. Het zijkanaal, samen met de groenstrook gelegen tussen het Vikingpad en de Buiksloterdijk vormen nog een laatste groenblauwe ader richting het IJ. Het Zijkanaal is door zijn omvang zowel voor vissen als vleermuizen (het vormt zowel een foerageergebied als een vliegroute) van groot belang. De aan het Vikingpad gelegen groenstrook (welke op het smalste gedeelte slechts zo’n 120 meter breed is) bevat voor een gedeelte dichte bosschages en struwelen waar diersoorten hun schuilplaats kunnen vinden en waarlangs ze van de Kadoelerbreek en noordelijkere gelegen delen richting het Buiksloterbreekpark kunnen migreren. De nachtegaal is een rode-lijst soort die binnen Noord-Holland vooral binnen de duinstrook gevonden wordt en veel minder in het binnenland. Dit komt omdat de soort sterk afhankelijk is van dicht struikgewas, in combinatie met een (het liefst dikke) strooisel laag. Iets wat binnen stedelijk gebied vrijwel niet voorkomt door het opruimgedrag van de mens. Binnen de Kadoelerscheg is door verspreidingsgegevens van de nachtegaal te zien waar de vegetatie het meest ongerept is; namelijk het moerasbos langs het Vikingpad.

Kadoelerscheg: een groene long in Amsterdam-Noord

44

5 Biodiversiteit 5.1 Hoe groot is de biodiversiteit Na de veldbezoeken in de verschillende deelgebieden van de Kadoelerscheg, waarbij zowel op de omgeving als voorkomende soorten is gelet, zijn nog verscheidene aanvullende onderzoeken naar bepaalde soortgroepen uitgevoerd. De conclusie die uit de onderzoeken getrokken kan worden, is dat de in de Kadoelerscheg voorkomende dier- en plantsoorten typerend zijn voor wat wij ‘’stadsnatuur’’ noemen. Dit zijn niet per se hele zeldzame of bijzondere soorten voor Nederlandse begrippen, maar soorten die zich uitstekend aangepast hebben aan de specifieke milieus die voorkomen in steden. Dit is echter geen negatief iets. Er is al veel onderzoek uitgevoerd naar soorten in steden. Volledige lijsten bestaan (nog) niet, maar wel is duidelijk dat er binnen Nederland vele (nieuwe) soorten (planten, dieren, vogels) voorkomen die kenmerkend zijn voor en afhankelijk zijn van het stedelijk gebied. Dit worden cultuurvolgers genoemd. Het meest duidelijke voorbeeld hiervan zijn de gierzwaluw en slechtvalk, die binnen Nederland volledig afhankelijk zijn van nestplaatsen in en op bebouwing. Andere vogelsoorten zijn door de jaren heen van gedrag veranderd en steeds minder schuw geworden voor de mens, waardoor ze steeds vaker in en om stedelijk gebied voorkomen. Denk hierbij aan de merel, sperwer, aalscholver, blauwe reiger en Turkse tortel.

Het konijn en ook egel zijn soorten die méér in stedelijk gebied en aangrenzende parken en tuinen voorkomen dan in omliggende veenweidegebieden. Ook onder de planten bestaan veel zogezegde cultuurvolgers en soorten die specifiek in de bebouwde omgeving voorkomen. Ook zijn er in stedelijk gebied veel nieuwkomers uit zuidelijke streken omdat het stedelijk gebied veelal warmer is dan het landelijk gebied. De rijke structuren en verschillende biotopen binnen de Kadoelerscheg bieden een structuurrijk stadslandschap. De oude veenstromen, breken, bossen, struwelen, rietlanden, polder, dijken, graslanden en bebouwing wisselen elkaar continu af. Dit biedt volop kansen voor verschillende soorten om zich te vestigen en te handhaven in de Scheg. Het behoud en verbeteren van het huidige areaal van groen in de Kadoelerscheg is daarom van groot belang. In dit hoofdstuk wordt toegelicht welke soorten zijn aangetroffen tijdens zowel de gebiedsbezoeken en veldinventarisaties als tijdens de excursies en later uitgevoerde aanvullende soortonderzoeken. Ook is voor het volledige overzicht van aangetroffen soorten in de Kadoelerscheg en de deelgebieden gebruik gemaakt van bestaande betrouwbare bronnen zoals de uitdraai van de NDFF (Nationale Database Flora en Fauna) en ingevoerde waarnemingen van enthousiaste bewoners van Kadoelen.

Figuur 5-1 toont het aantal waarnemingen per deelgebied in de afgelopen 5 jaar. Per deelgebied, met uitzondering van het deelgebied 1, is dit jaar een sterk toename te zien als gevolg van de vele activiteiten die dit jaar in de Scheg zijn uitgevoerd. Het aantal waarnemingen in de Wilmkebreekpolder blijft ongeveer gelijk en op een hoog niveau als gevolg van de monitoring naar weidevogels die daar al jarenlang loopt.

Kadoelerscheg: een groene long in Amsterdam-Noord

45

1800

2019

1600

2020

1400

2021

1200 1000

2022 2023 2024

800 600 400 200 0

Figuur 5-1. Aantal waarnemingen van soorten in de NDFF over de afgelopen 5 jaar (opname oktober 2024). In 2024 is een sterke stijging te zien van het aantal opgeslagen waarnemingen, terwijl het jaar nog niet voorbij is.

5.2 Resultaten aanvullende soortenonderzoeken In alle zeven de deelgebieden zijn gebiedsbezoeken uitgevoerd door bewoners en ecologen. Tijdens deze bezoeken zijn zoveel mogelijk soorten van alle soortgroepen vastgelegd. Naast vogels waren dit voornamelijk zichtwaarnemingen van planten en ongewervelden. De aanvullende onderzoeken naar specifieke soorten zijn uitgevoerd op locaties met de grootste potenties en op zoveel mogelijk locaties verspreid over de hele Kadoelerscheg.

5.2.1

Marters

Binnen de begrenzing van de Kadoelerscheg zijn in totaal 3 wildcamera’s geplaatst op zes verschillende locaties, elke camera heeft minimaal 4 weken op eenzelfde plek gestaan. Het voornaamste doel was om hiermee grondgebonden zoogdieren op beeld te krijgen, met in het bijzonder beschermde soorten, namelijk de marterachtigen. Uiteindelijk zijn met de cameravallen twee verschillende soorten marters waargenomen, namelijk de hermelijn en steenmarter. De hermelijn is éénmaal vastgelegd op het talud van de A10, de steenmarter is op diverse dagen waargenomen op locatie 4 en 5, waarschijnlijk hetzelfde dier dat hier een vast territorium heeft (Tabel 5-1). Overeenkomst tussen deze locaties is dat ze nabij de A10 liggen aan de buitenrand van de Kadoelerscheg. Helaas zijn er geen marters vastgelegd dieper in de Kadoelerscheg bijvoorbeeld in het Kadoelerbreek. Een uitgebreide toelichting van het cameraonderzoek met foto’s met alle waargenomen diersoorten is te vinden in bijlage 2.

Kadoelerscheg: een groene long in Amsterdam-Noord

46

Tabel 5-1: Zoogdieren waarnemingen op verschillende locaties (Figuur 3-1 en paragraaf 3.3.1). Soortnaam

Locatie 1

Locatie 2

Locatie 3

Steenmarter Hermelijn

X

Egel

X

Bosmuis

X

X

Bruine rat

X

X

Huisspitsmuis Konijn

Locatie 4

Locatie 5

X

X

X X

X

Locatie 6

X X

X

X

X

X

X

X

X

X

Conclusie Uiteindelijk zijn met de cameravallen twee verschillende martersoorten vastgesteld. Namelijk de hermelijn en steenmarter. De hermelijn is binnen Amsterdam een zeer zeldzame verschijning. Er zijn waarnemingen in stadsdelen met meer groen in combinatie met rommelige hoekjes. Voorbeelden hiervan zijn meerdere waarnemingen in de Lange Bretten, de Afrikahaven en Sciencepark. Binnen de ring wordt de soort verder zeer sporadisch gezien. De soort komt vooral voor in het polderlandschap rondom de bebouwde kom van Amsterdam. De steenmarter kwam vroeger in vrijwel geheel Nederland voor; in het begin van de tweede helft van de vorige eeuw was de verspreiding van de soort teruggedrongen tot Oost-Nederland en Zuid-Limburg, maar het areaal breidt zich tegenwoordig weer snel uit. In Amsterdam dook de steenmarter in 2011 pas weer voor het eerst op en sindsdien worden ze mondjesmaat waargenomen. Omdat de soort nachtactief is, hebben waarnemingen met name betrekking op verkeersslachtoffers of ze zijn het resultaat van een onderzoek met een cameraval. De enige inheemse zoogdiersoort die bij alle struikrovers en wildcamera’s is langsgekomen, is de bosmuis. Deze soort komt algemeen en talrijk voor in Nederland en dus ook binnen Amsterdam en Kadoelerscheg. Ondanks de naam bosmuis komt de soort ook voor in open terreinen, zolang er maar voldoende dekking is.

Ook de bruine rat en huisspitsmuis komen redelijk algemeen voor in Kadoelerscheg. De aanwezigheid van voldoende muisachtigen in een gebied is zeer belangrijk voor marterachtigen, omdat dit een belangrijk deel van hun dieet vormt. De wilde populaties van zowel het Europees konijn als de West-Europese egel gaan achteruit. Beide soorten zijn dan ook opgenomen op de Nederlandse rode lijst van kwetsbare diersoorten. Egels komen met name voor in groene dorpen en stadranden, konijnen kunnen zich handhaven in stadsparken en bedrijfsterreinen binnen de bebouwde kom. In de groenstrook tussen het Vikingpad en de Buiksloterdijk komt een kleine populatie voor.

5.2.2

Waterspitsmuis en Noordse woelmuis

Met een boot is binnen de Kadoelerscheg gezocht naar voor Noordse woelmuis en waterspitsmuis geschikte locaties. Natte oevers en rietlandjes die bij voorkeur volledig omsloten zijn door water vormen een geschikt biotoop voor de zeldzame Noordse woelmuis. Op geschikte locaties is gezocht naar sporen van deze soorten: latrines (hoopjes uitwerpselen) of holen. Latrines werden helaas niet aangetroffen, maar wel veel holen. Van zowel de wanden van holen als geschikte (flauw aflopende) waterkanten zijn daarom een twintigtal bodemmonsters genomen. Deze monsters zijn opgestuurd naar Datura, een laboratorium gespecialiseerd in eDNA-analyses. De resultaten van het e-DNA-onderzoek bleek bij alle verschillende locaties waar bodemmonsters zijn genomen, negatief. Er is dus geen e-DNA van de waterspitsmuis noch van de Noordse woelmuis aangetroffen in de monsters (Tabel 5-2).

Kadoelerscheg: een groene long in Amsterdam-Noord

47

Figuur 5-2. Een van de vele muizenholen op het eiland bij de Kadoelerbreek.

Figuur 5-3. Het zoeken naar latrines en geschikte oeverkanten om te bemonsteren viel soms niet mee.

Tabel 5-2: resultaten van het eDNA-onderzoek zoals aangeleverd door het laboratorium.

Monsternummer 6002801 6002805 6002470 6002811 6002824 6002827

Locatie Eiland ten noorden van A10 Oever Kerkesloot Eiland Nieuwe Gouw Eilandje Kadoelerbreek Eiland ten noorden van A10 Oever Kerkesloot

Type Bodem Bodem Bodem Bodem Bodem Bodem

Te onderzoeken soort Waterspitsmuis Waterspitsmuis Waterspitsmuis Waterspitsmuis Noordse woelmuis Noordse woelmuis

Resultaat qPCR-analyse 0/12 0/12 0/12 0/12 0/12 0/12

Conclusie De natte eilandjes en oevers binnen Kadoelerscheg lijken qua biotoop niet geschikt voor de waterspitsmuis of Noordse woelmuis. Hoewel er wel enkele kleinere gedeelten bestaan met een geschikte oeverbegroeiing, zoals bij de Kadoelerbreek, zijn de meeste eilandjes en natte oevers binnen Scheg té verruigd, waarbij riet en grassen (het voedsel van de noordse woelmuis) plaats hebben gemaakt voor dichte struwelen van veelal bramen. De Noordse Woelmuis is voor het laatste vastgesteld in 2007, dit jaar zijn op de meest geschikte locaties eDNA monsters genomen. Geconcludeerd kan worden dat op de bemonsterde locaties de soort niet voorkomt. Of de soort helemaal uit de Scheg is verdwenen is niet zeker, duidelijk is wel dat het biotoop van de soort onder druk staat door verbossing en verruiging van geschikte oevers en eilandjes. De waterspitsmuis komt normaal voor in en langs schoon, niet te voedselrijk water met een behoorlijk ontwikkelde watervegetatie. Het water in de Scheg is overwegend troebel en bevat weinig tot geen ondergedoken of drijvende watervegetatie en voldoet dus niet aan de habitatseisen van de waterspitsmuis. Bij de Kadoelerbreek werden veel muizenholen gezien. Mogelijk komen hier de meer algemene soorten woelmuizen voor, zoals de rosse woelmuis.

5.2.3

Vleermuizen

Een groot deel van de geluiden opgenomen bij de Kadoelerbreek zijn afkomstig van de gewone dwergvleermuis, gevolgd door de ruige dwergvleermuis. Enkele keren is de meervleermuis vastgelegd. Andere te verwachten soorten, waaronder rosse vleermuis en laatvlieger kwamen niet of nauwelijks naar voren in de analyse. Het Twiske biedt vleermuizen een plaats om voedsel te zoeken en om langs te navigeren naar andere gebieden. De batlogger die hier een avond is opgehangen heeft zo’n duizend geluidsopnamen gemaakt. Naast vele gewone en ruige dwergvleermuizen zijn hier ook enkele keren de rosse vleermuis en watervleermuis vastgelegd. Tabellen met uitgebreide informatie over de waarnemingen zijn te vinden in bijlage 3.

Kadoelerscheg: een groene long in Amsterdam-Noord

48

Conclusie De Kadoelerscheg heeft wel een divers aanbod in bebouwing waar vleermuizen kunnen verblijven. Het is daarom logisch dat gebouwbewonende vleermuissoorten het meest zijn waargenomen. De gewone dwergvleermuis was prominent aanwezig gedurende beide avonden dat de batloggers hebben gehangen. Op plaats twee staat de ruige dwergvleermuis. Deze verblijft zowel in bebouwing als bomen en is een soort die graag in waterrijke gebieden verblijft. Andere soorten die gehoord zijn betreffen de meervleermuis en watervleermuis, welke boven het wateroppervlakte jagen. De watervleermuis is een boombewonende soort die zich vooral thuis voelt bij beschut water en ouder bos, wat het interessant maakt dat deze soort voorbij kwam vliegen. De meervleermuis is een gebouwbewonende soort en kan vanaf zijn verblijf wel 10-20 kilometer vliegen naar geschikt jachtgebied. De tijd dat de meervleermuizen langs vlogen, nl. vroeg op de avond, maakt het aannemelijk dat deze individuen in Amsterdam verblijven en de watergangen gebruiken als vliegroute naar de jachtgebieden buiten de stad. Als de circa 15 waarnemingen elk een individu betreft, is dat een flink aantal meervleermuizen die verblijven in de stad hebben. Grote en oude bomen met geschikte holtes zijn schaars in de Kadoelen.

Dit is terug te zien in het geringe aantal waargenomen watervleermuizen en rosse vleermuizen en het ontbreken van andere soorten die bomen overdag gebruiken als verblijfplaats. Van de laatvlieger was gehoopt dat deze meer op de batlogger terug te horen was, maar dat bleek niet het geval. De Laatvlieger is een schaarse soort in het stedelijk gebied, die bij eerder uitgevoerd vleermuisonderzoek wel binnen de Kadoelenscheg is waargenomen.

5.2.4

Dagvlinders en libellen

Voor het inventariseren van dagvlinders en libellen in de Kadoelerscheg zijn in totaal 13 veldbezoeken uitgevoerd in vier verschillende deelgebieden (3, 5, 6 en 7). Een kaart met de afgelegde routes is te vinden in bijlage 4. Er zijn bij de onderzoekronden in totaal 14 soorten dagvlinders vastgesteld (Figuur 5-4) en 17 soorten libellen (Figuur 5-5). Tabellen met alle waarnemingen van vlinders en libellen per deelgebied zijn te vinden als tabellen als onderdeel van bijlage 4. Van dagvlinders zijn de grootste aantallen geteld in deelgebied 3 (Kadoelenweg en De Bongerd), ook de soortendiversiteit is hier het grootst. Dit is het resultaat van de aanwezige bloem- en kruidenrijke oevers en groenstroken binnen het Tuinpark, in combinatie met een verscheidenheid aan inheemse als uitheemse plantsoorten, struiken en bomen in de vele tuinen. Deelgebieden in de openbare ruimte bevatten veel minder bloemrijke graslanden en dit resulteert in een afname van het waarnemingen van alle vlindersoorten.

Kadoelerscheg: een groene long in Amsterdam-Noord

49

Dagvlinders binnen de Kadoelerscheg 80

Som van aantal

70

60 50 40 30 20

Totaal

10 0

Dagvlindersoort Figuur 5-4. Totaal aantal van de waargenomen dagvlindersoorten in de Kadoelerscheg.

De meeste waarnemingen van libellen werden gedaan in deelgebied 7 (Kadoelerbreek/Buiksloterbreek/Het IJ). Hier zijn in totaal 116 verschillende individuen waargenomen. Dit is logisch; het gebied is rijk aan water en heeft verschillende typen oeverbegroeiing. Het lantaarntje is in alle deelgebieden verreweg de meest voorkomende soort, gevolgd door de gewone oeverlibel.

Libellen binnen de Kadoelerscheg 600 500

Som van aantal

400 300 200 100

Totaal

0

Libellensoort Figuur 5-5. Aantal waargenomen libellen per soort in de Kadoelerscheg.

Kadoelerscheg: een groene long in Amsterdam-Noord

50

Conclusie Tijdens het aflopen van de vier onderzoekstrajecten binnen de deelgebieden van de Kadoelerscheg zijn alleen (vrij) algemene dagvlinder- en libellensoorten waargenomen die vaker aangetroffen worden bij watergangen in een stedelijke omgeving. Het is moeilijk om op basis van deze waarnemingen iets te zeggen over de kwaliteit van de vegetatie of het water in het gebied. Ontbrekende algemene soorten als platbuik (libel) en oranjetipje (vlinder) kunnen verklaard worden door de late start van inventarisaties in het seizoen. De soorten libellen die veel aangetroffen zijn, zijn niet heel veeleisend qua waterkwaliteit, stromingssnelheid of voedselrijkdom. Libellen die meer afhankelijk zijn van drijvende waterplanten (o.a. azuurwaterjuffer en grote roodoogjuffer) komen aanmerkelijk minder voor binnen het plangebied. Dit komt overeen met het beeld van de watergangen binnen de Kadoelerscheg, welke overwegend vrij zijn van watervegetatie. De meest interessante vlinderwaarneming is de Argusvlinder, een tegenwoordig zeldzame vlinder die gebonden is aan oude bloemrijke graslanden. Ook het hooibeestje en Icarusblauwtje zijn afhankelijk van kruidenrijke graslanden. Ze zijn incidenteel waargenomen. Talrijkste soort is het bont zandoogje, een soort die in parken en groenstroken zijn plek vindt. Een opmerkelijke afwezige tijdens het lopen van de vlinderroutes is de citroenvlinder.

Dit is een algemene vlindersoort met een lange vliegtijd; toch is deze niet waargenomen op de trajecten. De soort is in 2024 wel door bewoners waargenomen in tuinen aan de Kadoelenweg.

5.2.5

Nachtvlinders

Binnen de Kadoelerscheg zijn in 2024 ruim 1300 nachtvlinderwaarnemingen ingevoerd. Dit is inclusief waarnemingen van de nachtvlinderkaravaan en de nachtvlinderonderzoeken op Tuinpark De Bongerd en het gemaal aan de Kadoelerbreek. Dit heeft geresulteerd tot een behoorlijke lijst van 265 verschillende soorten, waarvan ook enkele zeldzaamheden. Een kleine greep uit de bijzondere soorten: de absintmonnik, witkraagrietboorder, luciferbladroller en de prachtmot. Conclusie Het is positief dat zoveel nachtvlindersoorten voorkomen in de Kadoelerscheg. De soortgroep is enorm belangrijk in het ecosysteem. Ze zijn bijvoorbeeld een bestuiver van bloemen en een belangrijke bron van voedsel voor vogels en vleermuizen. De rupsen zijn tevens grazers, wat een grote invloed heeft op vegetatie. We weten nog nauwelijks hoe belangrijk die invloed is. Nachtvlinders hebben dus een centrale plek in ecosystemen. Nauwkeurig hun aantalsveranderingen volgen door in de komende jaren onderzoek te blijven doen naar nachtvlinders is dan ook nodig om te begrijpen hoe het met de soortgroep gesteld is.

5.3 Gidssoort per gebied Per deelgebied binnen de Kadoelerscheg is een gidssoort gekozen. Dit zijn opmerkelijke, bijzondere of zeldzame soorten die in het betreffende deelgebied voorkomen of die passen bij de in het deelgebied voorkomende kenmerkende biotoop voor de gidssoort.

5.3.1

Deelgebied 1: Buiten de ring

Otter Voor de gidssoorten wordt niet alleen gekeken naar soorten die al zijn aangetroffen en dus met zekerheid in de Kadoelerscheg voorkomen, maar ook naar soorten waarvoor binnen de Scheg potentieel leefgebied aanwezig is. Zo ook de otter. In de jaren tachtig was de soort volledig uitgestorven binnen Nederland, maar sinds de herintroductie in 2002 breidt de otter zich vrij snel uit over een groot deel van het land. Zo ook Noord-Holland. De soort is zich aan het uitbreiden en komt ook voor langs de oostelijke en zuidoostelijke rand van Amsterdam. Hoe mooi zou het zijn als de otter op termijn ook de Kadoelerscheg weten te bereiken? Vanuit Waterland en de uitgestrekte natuurgebieden daarin zoals het Ilperveld is het slechts een paar kilometer afstand richting de rietlanden van de Kadoelerscheg. De vis en (vele) Amerikaanse rivierkreeften bieden een overvloedig buffet voor de otter. Om deze redenen is de otter gidssoort van deelgebied 1, de poort richting de Scheg binnen de ring.

Kadoelerscheg: een groene long in Amsterdam-Noord

51

5.3.2

Deelgebied 2: Twiske en Marssloot

Meervleermuis De meervleermuis is een betrekkelijk zeldzame vleermuissoort, waarvan het zwaartepunt van de Europese populatie in noordwest Nederland ligt. Verblijfplaatsen maar ook functioneel leefgebied van deze soort beschermen is dus van groot belang voor de soort. Meervleermuizen jagen tot op grote afstand van hun verblijfplaats. Ze kunnen hiervoor elke nacht tot wel 20 kilometer afleggen. Ze gebruiken tijdens hun reis vooral watergangen als kanalen, beken en brede vaarten als vliegroute waaronder het Twiske. Watergangen met zo min mogelijk verlichting erlangs en fysieke onderbrekingen zijn van belang voor deze soort. De meervleermuis is een passende gidssoort voor de oude veenstroom Twiske en Marssloot.

5.3.3

Deelgebied 3: Kadoelenweg en De Bongerd

Gewone pad Hoewel de naam anders doet vermoeden, is de gewone pad tegenwoordig toch steeds minder gewoon. In de afgelopen 15 jaar is de hoeveelheid gewone padden binnen Nederland met 60% afgenomen. Naast klimaatverandering hebben ook intensivering van landbouw, verlies en versnippering van leefgebied en de afname van insecten een groot decimerend effect op de populatie. Het is een typische soort van kleinschalig, gevarieerd landschap waar ook geschikte voortplantingswateren aanwezig zijn. Ze schuwen de mens daarnaast niet en komen daarom ook voor in tuinen, parken en ruderale terreinen. Omdat dit deelgebied twee soorten typisch paddengebied omvat, namelijk de vele particulieren tuinen met vijvers én het Tuinpark, is de gewone pad gidssoort van deelgebied 3.

5.3.4

Deelgebied 4: Kadoelenweg, Wilmkebreek en Zijkanaal I

Grutto Als enige nog overgebleven polder binnen de ringweg biedt de Wilmkebreekpolder een thuis aan verschillende soorten weidevogels. Een uniek broedplaats zo midden in de bebouwing van een grote stad als Amsterdam. Zelfs de tot nationale vogel uitgeroepen grutto strijkt hier elk jaar weer neer; een weidevogel waarvan de populatie de afgelopen decennia een significante afname kent. Het symbool voor de Wilmkebreekpolder dat nog is behouden als polder en zo een klein toevluchtsoord voor weidevogels vormt. Het kon niet anders dan dat de grutto daarom de gidssoort is geworden van deelgebied 4.

5.3.5

Deelgebied 5: Nieuwe Gouw en Banne II

Bever De eilandjes, de ruige oevers met wilgen en elzen, dit is het leefgebied van de bever! De bever is een van de Nederlandse successoorten, na het uitsterven en het uitzetten van de soorten in de jaren negentig heeft de soort zich verspreid door het gehele land. De soort blijkt flexibel, veel minder schuw dan gedacht en kan zich ook prima in stedelijk gebied ophouden. Ruige delen stadsnatuur met watergangen, (riet)ruigtes en voldoende bomen zoals in deelgebied 5 zijn een typische plek waar de bever zich nog wel eens zou willen vestigen in de nabije toekomst. De bever is daarom gidssoort van deelgebied 5.

5.3.6

Deelgebied 6: Nieuwe Gouw West

Grote keverorchis Mooie rietoevers, slootkanten en schrale grasbermen. Met aangepast (berm)beheer zijn ook in het stedelijk gebied mooie botanische waarden te behouden en te ontwikkelen. In dit deelgebied is er ruimte voor én zijn locaties die daarvan het voorbeeld zijn, botanische rijke bermen en oevers met meerdere soorten orchideeën. Derhalve is het behouden en verder uitbreiden van dit soort locaties belangrijk. De grote keverorchis is vrij algemeen in Zuid-Limburg, Oost-Nederland en in het duingebied. Elders is de soort (zeer) zeldzaam. Bijzonder dus dat de soort in de stadsnatuur van Amsterdam tot groei en bloei komt. Om deze reden is de grote keverorchis de gidssoort van deelgebied 6.

Kadoelerscheg: een groene long in Amsterdam-Noord

52

5.3.7

Deelgebied 7: Kadoelerbreek en Buiksloterbreek

Sperwer Tot nog niet zo lang geleden leefde de ooit schuwe sperwer vooral in bos en halfopen landschap, jagend op kleine zangvogels als huismus en spreeuw. O.a. door afname van deze soorten op het platteland heeft de sperwer de afgelopen jaren steeds meer zijn toevlucht gezocht in stedelijk gebied, waar ze vooral vaak gezien worden tijdens hun jacht op zangvogels in achtertuinen. Het broeden doen ze het liefste wel op plekken met voldoende beschutting, zoals dichte bosschages. Het moerasbos bij de Kadoelerbreek is hiervoor een ideale plek gebleken. De sperwer staat symbool voor dieren die zich aanpassen aan stadsnatuur en is daarom de gidssoort van deelgebied 7.

Kadoelerscheg: een groene long in Amsterdam-Noord

53

6 Ecologische verbindingen en aanwezige knelpunten 6.1 Verbindingen in de Kadoelerscheg 6.1.1

Verbindingen en knelpunten van en naar het buitengebied

De bestaande ecologische verbindingen tussen de Kadoelerscheg en de omliggende natuurgebieden, zoals de Landsmeerderpolder en het Twiske, zijn van cruciaal belang voor het behoud van biodiversiteit en het versterken van ecosystemen in de Kadoelerscheg (zie Figuur 6-1). Deze verbindingen vormen niet alleen een schakel tussen stad en natuur, maar spelen ook een essentiële rol in het ecologische evenwicht. Corridors tussen het buitengebied en de stad dragen bij aan een natuurlijke en gebalanceerde waterhuishouding, genetische uitwisseling tussen populaties van soorten en het vormen van een aaneengesloten leefgebied waar soorten zich door kunnen verplaatsen. Uiteraard vormt de ringweg A10 een grote en stevige barrière tussen het polderlandschap en de Kadoelerscheg. Ecologische verbindingen die onder de weg door lopen bestaan vooral uit (brede) watergangen. Watergebonden soorten zoals vissen, aquatische ongewervelden, weekdieren en watervegetatie kunnen zich hier probleemloos verplaatsen en/of verspreiden. Voor zoogdieren, reptielen en amfibieen is oversteken minder voor de hand liggend. De meeste ruimte onder die viaducten van de ringweg is in beslag genomen door autowegen, fietspaden of kale bermen, daarnaast zijn ze sterk verlicht. De bermen zijn soms verrijkt als ecopassage met stortstenen (het geval bij de Zuideinde, Nieuwe Gouw en het Noordhollandsch kanaal).

In de nachtelijke uren zullen vooral soorten als muisachtigen en marterachtigen hier kunnen passeren. Hierbij moet wel opgemerkt worden dat veel onderdoorgangen momenteel nog verlicht zijn, wat ongunstig is voor veel soorten. Hierdoor kan het in praktijk zo zijn dat passages slechter worden gebruikt, dan verwacht kan worden. Er zijn ook passages onder de A10 door zonder voorzieningen voor fauna, dit geldt voor het fietstunneltje bij de Noorderbreedte en de duikers op Figuur 6-3.

Figuur 6-1. Verbindingen in de Kadoelerscheg. Aangegeven routes van grondgebonden dieren en vleermuizen. Water is voor vissen ook toegankelijk. Daarnaast zijn de passages waar te nemen voor de verschillende soorten binnen de Kadoelerscheg.

Kadoelerscheg: een groene long in Amsterdam-Noord

54

6.1.2

De Kadoelerscheg als één gebied

Binnen de Kadoelerscheg zelf bestaan verschillende speciale voorzieningen om de fysieke barrieres tussen de deelgebieden te beperken. Er zijn echter ook knelpunten die ervoor zorgen dat het net geen aaneengesloten gebied vormt voor (een gedeelte van) in de Scheg voorkomende grondgebonden soorten. Voor vliegende soorten, namelijk vogels die niet aan water gebonden zijn en vleermuizen, zijn lijnvormige landschapselementen het meest belangrijk. Boomlanen, aansluitende bosschages en parken, rietkragen en begroeide dijklichamen spelen hierbij de grootste rol. Deze elementen helpen deze soorten niet alleen met de oriëntatie tijdens de vlucht en foerageren op insecten, maar ook bieden ze voor vogels een schuilmogelijkheid, foerageergebied en eventueel zelfs een biotoop om tot broeden te komen. De Kadoelerscheg bevat meerdere parkachtige landschappen zoals het Buiksloterbreekpark, het gebied rondom de Kadoelerbreek en de bosschages rondom het sportpark en langs de A10. De voornaamste aaneengesloten bomenlaan staat langs een fietspad welke parallel loopt aan het Vikingpad. Deze groenstrook zou bijna aansluiten aan de bosschages aan de Kadoelerbreek, die het volgende deelgebied in de Scheg vormt, maar deze verbinding wordt onderbroken door de IJdoornlaan, inclusief naastgelegen fietspaden en (strak gemaaide) bermen.

Een ander voorbeeld van een onderbreking in de groene verbindingen tussen deelgebieden is de Landsmeerderdijk. Een deel van de dijk bevat een bomenrij, maar op enkele plekken op de dijk bestaan grote happen waar enkel gras aanwezig is. Het deel bij de Wilmkebreekpolder dient vrij te blijven van bomen vanwege de weidevogels in de polder. Voor diersoorten die zowel in het water als op de oevers leven zoals watervogels, amfibieën en ringslang bestaan barrieres uit watergangen of oeverzones die niet met elkaar verbonden zijn, het ontbreken van natuurlijke oevers of de aanwezigheid van een harde en/of steile beschoeiing. Op plaatsen waar het ontbreekt aan natuurlijke oevers, dient gekeken te worden of het realiseren hiervan haalbaar en realistisch is. Zo ja, dan is het omvormen hiervan een belangrijke schakel in het vormen van een groot aaneengesloten netwerk aan begroeide oeverzones welke door jagende en trekkende vleermuizen, rietvogels en watervogels gebruikt kunnen worden. Tevens helpt dit semi-aquatische soorten, zoals amfibieën, ringslang en bijvoorbeeld eenden om op normale wijze de waterkant op te komen en weer af te gaan. In onderstaande hoofdstuk 6.2 worden locaties met dit soort beschoeiingen meer uitgebreid besproken. Voor vissen is het grootste probleem in verbindingen tussen deelgebieden het ontbreken van een verbinding tussen watergangen.

Het voornaamste voorbeeld hiervan binnen de Kadoelerscheg is de barriere tussen het Twiske en het Zijkanaal I. Het realiseren van een vispassage tussen het Twiske en Zijkanaal I staat al in de planning door de gemeente Amsterdam. De datum of jaartal van uitvoering is echter (nog) onbekend. Een locatie waar wel een vispassage is aangebracht is die het concertgemaal langs de Kadoelerbreek. Met gebruik van een camera worden hier veel volwassen alen gezien die de vispassage gebruiken tijdens hun trek. De overige watergangen binnen de Kadoelerscheg, behoudens die in de dieper gelegen Wilmkebreekpolder, zijn allemaal met elkaar verbonden en zo vormen ze voor vissen een groot aaneengesloten leefgebied.

6.1.3

Lichtvervuiling

Wereldwijd zijn er steeds minder gebieden waar het ’s nachts nog echt donker is. Ook in Nederland wordt het op veel plekken niet meer donker ‘s nachts, het is zelfs een van de meest verlichte landen ter wereld. Openbare verlichting vervult een belangrijke functie op het gebied van sociale- en verkeersveiligheid. Bewoners dienen zich in de openbare ruimte, ook na het invallen van de duisternis, behaaglijk en veilig te voelen. Het continu laten branden van lichten kost echter veel energie, en is ook niet altijd en overal gewenst. Zo heeft kunstlicht ’s nachts een verstorende werking op het normaal functioneren van mensen, dieren en planten. Bij het plaatsen of vervangen van verlichting in de stad dient daarom rekening gehouden te worden met lichtgevoelige beschermde diersoorten zoals vleermuizen en marterachtigen. Hierbij kan gedacht worden aan de keuze voor de juiste lichtkleur, lichtintensiteit/-sterkte, de wijze en hoogte waarop een lichtbron schijnt, maar bijvoorbeeld ook de duur waarop een plek verlicht wordt (continue of dynamisch middels sensoren). Omdat géén verlichting vanuit ecologisch oogpunt het meest gewenst is, kan gekeken worden of er verlichte plaatsen zijn die eigenlijk niet verlicht zouden hoeven worden. Als deze donker gelaten kunnen worden, heeft

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14958612/1