Schriftelijke bijdrage dhr. Harry Moeskops inzake Hoofdgroenstructuur Kadoelerscheg - een groene long in Amsterdam-Noord
Tekst van het document
Kadoelerscheg
een groene long in Amsterdam-Noord Onderzoek naar de ecologische waarden en verbindingen binnen de Kadoelerscheg te Amsterdam November 2024
Inhoudsopgave 1
INLEIDING ................................................................................................................................................. 7 1.1 1.2 1.3 1.4
2
DE KADOELERSCHEG ................................................................................................................................. 9 2.1 2.2 2.3
3
HOE GROOT IS DE BIODIVERSITEIT .................................................................................................................. 45 RESULTATEN AANVULLENDE SOORTENONDERZOEKEN ........................................................................................ 46 GIDSSOORT PER GEBIED ............................................................................................................................... 51
ECOLOGISCHE VERBINDINGEN EN AANWEZIGE KNELPUNTEN ................................................................ 54 6.1 6.2
7
DEELGEBIED 1: BUITEN DE RING.................................................................................................................... 21 DEELGEBIED 2: TWISKE EN MARSSLOOT ......................................................................................................... 24 DEELGEBIED 3: KADOELENWEG EN DE BONGERD.............................................................................................. 27 DEELGEBIED 4: KADOELENWEG (EVEN)/ WILMKEBREEK/ ZIJKANAAL I .................................................................. 30 DEELGEBIED 5: NIEUWE GOUW/BANNE II ...................................................................................................... 33 DEELGEBIED 6: NIEUWE GOUW WEST ........................................................................................................... 36 DEELGEBIED 7: KADOELERBREEK EN BUIKSLOTERBREEK...................................................................................... 39
BIODIVERSITEIT ...................................................................................................................................... 45 5.1 5.2 5.3
6
LITERATUURONDERZOEK .............................................................................................................................. 16 GEBIEDSBEZOEKEN FLORA EN FAUNA .............................................................................................................. 16 GERICHT NADER ONDERZOEK NAAR SOORTEN ................................................................................................... 16
BESCHRIJVING VAN DE KADOELERSCHEG IN 7 DELEN ............................................................................. 21 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7
5
LIGGING EN BEGRENZING VAN DE SCHEG EN DEELGEBIEDEN .................................................................................. 9 HISTORIE SCHEGGEN EN KADOELERSCHEG ....................................................................................................... 11 BELEIDSKADER AMSTERDAM (NOORD) ........................................................................................................... 15
WERKWIJZE ONDERZOEKEN ................................................................................................................... 16 3.1 3.2 3.3
4
AANLEIDING ................................................................................................................................................ 7 DOEL ......................................................................................................................................................... 7 ONDERZOEKSVRAGEN ................................................................................................................................... 8 KERNBEGRIPPEN........................................................................................................................................... 8
VERBINDINGEN IN DE KADOELERSCHEG ........................................................................................................... 54 KNELPUNTEN IN DE VERBINDINGEN TUSSEN DE DEELGEBIEDEN ............................................................................. 56
VISIE OP DE SCHEG ................................................................................................................................. 64 7.1 7.2 7.3
AANBEVELINGEN ........................................................................................................................................ 64 BEHEER VAN HET GEBIED.............................................................................................................................. 68 AANBEVELINGEN VERVOLGONDERZOEK(EN) ..................................................................................................... 69
LITERATUUR ................................................................................................................................................... 70 BIJLAGE 1: RODE LIJST SOORTEN PER DEELGEBIED. ........................................................................................ 71 BIJLAGE 2: RESULTATEN CAMERAVAL-ONDERZOEK........................................................................................ 76 BIJLAGE 3: RESULTATEN VLEERMUISONDERZOEK .......................................................................................... 81 BIJLAGE 4: DAGVLINDER – EN LIBELLENONDERZOEK ...................................................................................... 83
Kadoelerscheg: een groene long in Amsterdam-Noord
3
Kadoelerscheg: een groene long in Amsterdam-Noord Onderzoek naar de ecologische waarden en verbindingen in de Kadoelerscheg te Amsterdam
Projectleider
Martijn Korthorst
Auteurs
Kim Bobeldijk, Ton Kusters, Kevin Raatjes & Martijn Korthorst
Kwaliteitscontrole
Martijn Korthorst
Opdrachtgever
Bewonersgroep Adviesgroep Kadoelerscheg
Financier
Gemeente Amsterdam
Datum publicatie
14-11-2024
Hoofdfoto’s Afbeeldingen
Kevin Raatjes Tom Jongeling Natuurlijke zaken, tenzij anders vermeld.
Contactpersonen opdrachtgever
Harry Moeskops, Floor Hallema
Projectnummer
M-24-50512
Wijze van citeren
Bobeldijk, K., Kusters, A.J.M., Raatjes, K.N. & Korthorst, M. (2024). Kadoelerscheg: een groene long in Amsterdam-Noord. M24-50512. Natuurlijke Zaken, Heiloo.
Druk
EPS Amsterdam, 90 exemplaren
© Natuurlijke Zaken De zakelijke dienstverlening van Landschap Noord-Holland Postbus 222
088-0064400
1850 AE, Heiloo
www.natuurlijkezaken.nl
Kadoelerscheg: een groene long in Amsterdam-Noord
4
Samenvatting De Kadoelerscheg is een van de zogenaamde scheggen van Amsterdam. Een scheg bestaat uit een aaneenschakeling van natuur- en groengebieden als een groene uitsparing in de stad. Bij stadsuitbreidingen in het verleden werden de Amsterdamse scheggen vrijgehouden van nieuwbouw zodat bewoners van de nieuwe woonwijken dicht bij het groen zouden wonen. Van de oorspronkelijke Kadoelerscheg als beoogde groene long van de stad is veel verloren gegaan aan het eind van vorige eeuw en begin van deze eeuw. Op verzoek en initiatief van een betrokken groep bezorgde bewoners in Amsterdam-Noord is dit onderzoek, met financiering van Amsterdam Aanpak Noord uitgevoerd. Het doel van het onderzoek en deze rapportage is om de Kadoelerscheg als aaneengesloten ecologisch gebied te beschrijven, te (h)erkennen en de waarden en functie van het gebied te onderbouwen. De vraagstelling was welke biotopen en landschapstypen aanwezig zijn binnen de Kadoelerscheg, welke ecologische knelpunten aanwezig zijn, hoe de ecologische samenhang van de Scheg is en hoe de samenhang hersteld en versterkt kan worden. Uniek aan de Kadoelerscheg is de groenblauwe dooradering die noord-zuid georiënteerd is, met de oude veenstromen het Twiske, Nieuwe Gouw, de oude Kadoelerbreek, Buiksloterbreek, de Wilmkebreekpolder in het noorden en de Waterlandse Zeedijk in het zuiden.
Deze landschappen binnen de Kadoelerscheg zijn uniek en cultuurhistorisch waardevol. Ze huisvesten verscheidene biotopen en kennen een interessante biodiversiteit. Rietkragen, eilandjes, ruigten en bosjes langs de wateren. De breken in de Scheg zijn ecologisch interessant voor o.a. water- en rietvogels, insecten en zoogdieren. In de Scheg is de Wilmkebreekpolder gelegen, een unieke weidepolder met broedende weidevogels in het voorjaar (kievit, grutto, tureluur). Langs de Nieuwe Gouw zijn botanische interessante oevers en graslanden aanwezig. Cameraval onderzoek heeft aangetoond dat zowel de hermelijn als de steenmarter in de Scheg voorkomt, het gebied is daarnaast rijk aan vleermuizen. De oude veenstromen en bomenlanen in het gebied zijn van belang voor vleermuizen om zich te oriënteren en om langs te foerageren. Met eDNA is onderzocht of de Noordse woelmuis nog voorkomt in de Kadoelerscheg, helaas is de aanwezigheid niet vastgesteld, ook de watersplitsmuis is niet aangetoond met het eDNA onderzoek. Tot slot zijn aanbevelingen geformuleerd voor het behoud, aanhelen en versterken van de Kadoelerscheg. Het is van belang om bij beleidsafwegingen en ontwikkelingen de Kadoelerscheg als één planologische eenheid te beschouwen binnen de stad Amsterdam. Planologisch is (nog) niet de gehele Scheg onderdeel van de Hoofdgroenstructuur (HGS) van Amsterdam.
De vigerende HGS bevat geen water, in de nieuwe HGS wordt water wel opgenomen. In de indeling van de Scheg, zoals staat weergegeven in Figuur 2-1, wordt water wel meegenomen als (belangrijk) onderdeel. Daarnaast is het Twiske, de Marssloot en de stedelijke bebouwing een onderdeel van de Scheg in dit onderzoek. Andere belangrijke aanbevelingen zijn om op een aantal specifieke locaties oeverbegroeiing langs de Nieuwe Gouw te herstellen. Verder wordt het zinvol geacht om meer bomen en bosschages in het gebied te ontwikkelen, bijvoorbeeld door bestaande bosrijke delen (Buiksloterbreek, Kadoelerbreek) aan elkaar te vlechten. De groene beleving is belangrijk voor de gezondheid van bewoners. Het groen in de Kadoelerscheg bevordert ontspanning, buitensport en sociale cohesie. Tegelijkertijd speelt het ook een rol in de klimaatadaptatie door het verlichten van hitte-eilanden en het helpen met waterberging in een stedelijke omgeving. Samenvattend, de Kadoelerscheg heeft zowel ecologische als sociale waarde voor de stad. Het behoud van dit gebied is essentieel voor de biodiversiteit, het welzijn van de bewoners en de klimaatbestendigheid van Amsterdam-Noord. Het versterken van de natuurwaarden, het verbeteren van ecologische verbindingen en het betrekken van bewoners in het beheer zijn belangrijke pijlers voor de toekomst van de Kadoelerscheg.
Kadoelerscheg: een groene long in Amsterdam-Noord
5
Woord vooraf In juni 2020 heeft het Stadsdeel Noord de Integrale Landschapskaart Noord vastgesteld. In deze Integrale Landschapskaart zijn de belangrijkste dragende structuren benoemd. Deze integrale landschappelijke structuren zijn: de Waterlandse Zeedijk en de Noordhollandsch Kanaalzone als landschapspark; het IJ-oeverpark als doorgaande openbare route aan het IJ; bij Landelijk Noord en Polders & bedijkingen de landschappelijke karakteristieken behouden en versterken. Deze structuren zijn op afzonderlijke structuurkaarten in de Integrale Landschapskaart vastgelegd. Op 14 december 2021 heeft het Dagelijks Bestuur van stadsdeel Noord opdracht gegeven voor het opstellen van een Structuurkaart Ecologie. De Structuurkaart Ecologie Amsterdam-Noord is door het Dagelijks Bestuur vastgesteld als onderdeel van de Integrale Landschapskaart Noord. Het Dagelijks Bestuur van Noord heeft de wens geuit de Integrale Landschapskaart tweejaarlijks te actualiseren. De Structuurkaart Ecologie kan dan samen met de eerdere vier structuurkaarten worden geïntegreerd. Het eindrapport Kadoelerscheg vormt belangrijke input voor een nadere uitwerking, verdieping en actualisering van de Structuurkaart Ecologie en beoogt daarmee bij te dragen aan de actualisering van de Integrale Landschapskaart.
De bevindingen en aanbevelingen uit het rapport kunnen worden gebruikt bij de discussie over het beheer en ruimtelijke ontwikkelingen in het gebied. Het grondgebied van de Kadoelerscheg - zoals die door ons is gedefinieerd - is voor meer dan 60% opgenomen in de HoofdGroenStructuur van Amsterdam zoals die in 2011 is vastgesteld door de Raad. De overige 40% van de door ons gedefinieerde scheg wordt in beslag genomen door stedelijke (woon)bebouwing en (hoofd-) infrastructuur. Dankwoord Met grote dank aan alle vrijwilligers, bewoners(-organisaties) van Amsterdam-noord/Kadoelen en medewerkers van de gemeente Amsterdam welke actief hebben bijgedragen aan de onderzoeken en de totstandkoming van dit onderzoeksrapport. Anne van Abcoude, Ahmed Achlal, Tirsa Brunt, Michiel de Goeje, Edo Goverse, Casper de Groot, Ineke Grosmann, Fred Haaijen, Marjolein van Heemstra, Ria van Heusden, Marjolein Hund, Ursula Jansen, Boyd, Norma en Maro de Jong, Mattijs Kalkman, Marijn, Marieke Oomen, Han Pennekamp, Ruud Repko, Rosemarijn Schulte, Sarah Payton, Menno Schilthuizen, Joost Verbeek en alle andere personen, die we vergeten zijn te noemen.
Gemeente Amsterdam met in het bijzonder Liesbeth Timmermans (Aanpak Noord), Eline Kanters (gebiedsmakelaar), Roy Veldhuizen (stadsecoloog) en Brahim Abid (stadsdeelvoorzitter) Namens de Adviesgroep bewoners Kadoelerscheg en adviseurs: Henk van Alst, Marga Bögels, Norbert Daemen, Floor Hallema, Harry Moeskops, Tello Neckheim, Koen van Tilburg, Nynke de Vries en Peter Wouterse
Kadoelerscheg: een groene long in Amsterdam-Noord
6
1 Inleiding De Kadoelerscheg is een van de zogenaamde scheggen van Amsterdam. Een scheg bestaat uit een aaneenschakeling van natuur- en groengebieden als een groene uitsparing in de stad. Bij stadsuitbreidingen in het verleden werden de Amsterdamse scheggen vrijgehouden van nieuwbouw zodat bewoners van de nieuwe woonwijken dicht bij het groen zouden wonen. Echter, door bebouwing en stadsuitbreidingen, vooral aan het einde van de 20e en begin van de 21e eeuw, is de Kadoelerscheg, net als veel andere scheggen, sterk aangetast. De Kadoelerscheg maakt deel uit van de Waterlandscheg, aan de noordzijde van Amsterdam, en is ecologisch verbonden met de veenweidegebieden ten noorden van de stad. De Waterlandscheg, met duizenden sloten, plassen en oude veenstromen kan gezien worden als een levensader voor het noordelijk deel van de stad en haar bewoners. Tot halverwege de vorige eeuw was de Scheg nog een agrarisch veenweidelandschap met lintbebouwing, maar door de toenemende druk van bebouwing en andere ontwikkelingen is veel van het oorspronkelijke landschap verloren gegaan. De vraag blijft in hoeverre de Scheg nog als groene long functioneert, nu de druk op dit gebied net als op de andere scheggen in Amsterdam hoog is.
1.1 Aanleiding De Kadoelerscheg is een deel van de Waterlandsscheg ten noorden van het IJ en gelegen binnen de ring A10. De Scheg maakt onderdeel uit van de Hoofdgroenstructuur van Amsterdam, ze is ecologisch verbonden met de scheggenstructuur van Amsterdam en met het ten noorden van de stad gelegen veenweidegebieden in het bijzonder. In de Scheg zijn sinds de jaren ’90 vier nieuwe woongebieden ontwikkeld. Dit zijn Twiske Oost, Buiksloterbreek, Twiske Zuid en de nieuwbouw Klein Kadoelen. Daarnaast zijn de historische linten op verschillende plaatsen verdicht door sloop-nieuwbouw en uitbreiding van woningen. In diezelfde periode zijn in de Scheg een aantal maneges neergestreken met de bijbehorende bebouwing, een botenloods voor een kanovereniging, een sportpark, een tenniscomplex en een skatepark. Daarnaast is in die periode de IJdoornlaan, inclusief benzinestation en een vestiging van Mc Donalds gebouwd. Tot slot is, ten behoeve van woningbouw op de oorspronkelijke locatie, Tuinpark De Bongerd naar de Scheg verplaatst. Naast alle ruimtebeslag door de voorzieningen, wordt de druk op de buitenruimte ook groter door de toename in het aantal bewoners van het gebied.
1.2
Doel
Vanwege de grote druk op de Kadoelerscheg en de ontwikkelingen in het verleden zijn er zorgen bij bewoners over het voortbestaan van de Kadoelerscheg als één geheel. De bewoners willen graag inzicht in de samenhang van de Kadoelerscheg én hoe deze beter beschermd en hersteld kan worden. Daarnaast willen ze graag inzicht in de ecologische samenhang van het gebied en de aanwezige biodiversiteit en ten slotte een overkoepelende (ecologische beheer) visie. In dit rapport wordt verslag gedaan van het onderzoek dat in 2024 op initiatief van en samen met bewoners in de Kadoelerscheg is uitgevoerd. Uitgebreid wordt de gehele samenhang van de Kadoelerscheg geanalyseerd inclusief een analyse van de aanwezige knelpunten in de samenhang en de biodiversiteit per deelgebied. Het uiteindelijke doel van het project is de (h)erkenning en een visie op de Kadoelerscheg als aaneengesloten ecologisch gebied. Met een begrijpelijk geschreven ecologisch rapport over de Scheg is er een instrument waarmee bewoners de gemeente Amsterdam in de uitvoering van haar ecologische taken kunnen toetsen en kunnen meepraten over ecologische gewenste en ongewenste ontwikkelingen.
Kadoelerscheg: een groene long in Amsterdam-Noord
7
1.3
Onderzoeksvragen
Door de bewonersgroep zijn in verschillende onderzoeksvragen opgesteld. Deze vragen worden in de rapportage beantwoord. • Hoe is de samenhang van het gebied? Welke ecologische knelpunten kunnen aangewezen worden binnen de Kadoelerscheg? Hoe kan de samenhang verbeterd worden? • Welke biotopen, landschapstypen en soorten zijn aanwezig binnen de Kadoelerscheg? • Wat is de aanwezige biodiversiteit en welke gidssoorten zijn aan te wijzen voor de verschillende deelgebieden binnen de Scheg? • Hoe kunnen bewoners en gebruikers van het gebied meer betrokken worden bij de bescherming van het gebied?
1.4 Kernbegrippen In dit rapport worden verschillende begrippen gebruikt met de volgende definitie: •
Biodiversiteit: biodiversiteit is kortweg de verscheidenheid aan leven in een bepaald gebied. Het begrip omvat alle soorten planten, dieren en micro-organismen, maar ook de enorme genetische variatie binnen die soorten en de variatie aan ecosystemen waar ze deel van uitmaken – van amfibieënpoel tot compleet bos.
•
Biotoop: een biotoop is een geografisch begrensd landschap of deel van een landschap, met één of meerdere vegetatietypes. Binnen een biotoop kunnen diverse habitats voorkomen.
•
Gidssoort: een aanwezige dier- of plantensoort waar extra focus op wordt gelegd in het beheer en het beleid. Vaak een soort die goed tot de verbeelding spreekt
•
Ecosysteem: een samenhang van organismen die in een bepaald leefgebied voorkomen. Reactie op elkaar is afhankelijk van zowel biotische als abiotische factoren en zijn met elkaar in evenwicht.
•
Ecologie: Specialisatie binnen de biologie die zich richt op de studie van ecosysteem en de daarmee samenhangende balans tussen planten en dieren.
•
Habitat: een habitat omvat alle mogelijke plaatsen waar een bepaald organisme in voor kan komen, omdat deze plaatsen voldoen aan de eisen en toleranties die dat organisme stelt om te kunnen overleven, groeien en zich voort te planten.
•
Mantelzoomstructuur: een ecologisch goede bosrand bestaat uit een mantel en een zoom. De mantel is een struik- of hakhout zone. De zoom is een zone met ruigtekruiden.
•
Scheg: afkorting voor ‘Kadoelerscheg’, wanneer aangegeven met een hoofdletter.
Kadoelerscheg: een groene long in Amsterdam-Noord
8
2 De Kadoelerscheg De Kadoelerscheg is een deel van de Waterlandsscheg ten noorden van het IJ en gelegen binnen de ring A10. De Scheg maakt voor een deel onderdeel uit van de Hoofdgroenstructuur van Amsterdam. De Scheg is ecologisch verbonden met de scheggenstructuur van Amsterdam en met het ten noorden van de stad gelegen veenweidegebieden in het bijzonder. De begrenzing van de Scheg, zoals in dit onderzoek is gebruikt, is weergegeven in Figuur 2-1. De begrenzing kent geen juridische status en is ook nergens anders hard vastgelegd als een entiteit. Deze begrenzing is door de bewonersgroep adviesgroep Kadoelerscheg bepaald vanuit oogpunt van ecologische verbindingen in combinatie met de aanwezige (historische) groene structuren binnen het gebied. In deze studie is het gebied om praktische reden opgedeeld in 7 deelgebieden, die in hoofdstuk 4 en bij de uitwerking apart worden besproken. Tot halverwege vorige eeuw was de Kadoelerscheg nog één agrarisch veenweidelandschap met alleen lintbebouwing daarin. Er is veel verloren gegaan, verschillende deelgebieden binnen de Scheg zijn grotendeels gecultiveerd en bebouwd geraakt.
2.1 Ligging en begrenzing van de Scheg en deelgebieden In het westen wordt de Kadoelerscheg begrensd door het Twiske en aangrenzende oevers. Dit is een oude veenstroom die oorspronkelijk afwaterde op het IJ. In het zuiden wordt de grens gevormd door het Zijkanaal I. Hier grenst het gebied direct aan het IJ en de Kadoelerscheg vormt daardoor een directe verbinding tussen het IJ en Waterland. In het zuidoosten wordt het gebied begrensd door de Buiksloterbreek. De Buiksloterbreek is bij de bouw van de Banne omgevormd tot een park. Het park maakt onderdeel uit van de Scheg. In het oosten ligt de grens langs de tocht langs de woonwijk De Banne II. Deze grens is gekozen omdat hier een waterscheiding loopt. Deze peilscheiding is voor een deel duidelijk herkenbaar doordat die gevormd is door een dijk met laanbeplanting. In het noorden is er bewust voor gekozen om ten oosten van de Nieuwe Gouw een deel van de grond buiten de Ringweg A10 dat grenst aan de Ouwe Helling en loopt tot de gemeentegrens, op te nemen in de Scheg. Deze keuze is gemaakt omdat een eventueel volgend ecologisch onderzoek gaat over de Noordhollandsche Kanaalscheg waar de Ouwe Helling deel van uitmaakt. Op deze manier ontstaat er een verbinding tussen de scheggen. In noordelijke richting wordt de grens gevormd door de ring A10.
Bij de aanleg van de A10 is bij Koninklijk Besluit vastgelegd dat de brug over het Twiske zodanig moest worden ontworpen dat er voldoende ruimte is voor een goede ecologische verbinding, waaruit blijkt dat al in het verleden het belang van de verbinding tussen IJ en Waterland werd onderkend en dat er kennelijk zorg bestond over het voortbestaan van deze verbinding. Het gebied is groot en als gevolg van de invloed van verstedelijking versnipperd geraakt. Het te onderzoeken gebied is opgedeeld in zeven deelgebieden die samen een duidelijk groene long vormen, de Kadoelerscheg! De deelgebieden zijn als volgt, zie Figuur 2-1. 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Buiten de Ring Twiske en Marssloot Kadoelenweg (oneven) en De Bongerd Kadoelenweg (even), Wilmkebreek en Zijkanaal I Nieuwe Gouw en de Banne II Nieuwe Gouw West Kadoelerbreek en Buiksloterbreekpark
Kadoelerscheg: een groene long in Amsterdam-Noord
9
Figuur 2-1. Ligging van de Kadoelerscheg in Amsterdam Noord met daarin de indeling in 7 deelgebieden.
Kadoelerscheg: een groene long in Amsterdam-Noord
10
2.2 Historie scheggen en Kadoelerscheg De Kadoelerscheg heeft een bijzondere vormingsgeschiedenis. Lang is het onderdeel geweest van één van de zeearmen die Noord-Holland kende, namelijk het Oer-IJ. Deze arm liep globaal van de Overijsselse Vecht tot aan IJmuiden en later Castricum aan Zee. Tot in de Middeleeuwen heeft deze zeearm in verbinding gestaan met de zee. Achter de zeeduinen is een veenlandschap ontstaan door de verminderde invloed van de zee. Toen het OerIJ niet meer aangesloten was aan de zee, hielp het Oer-IJ het veengebied te ontwateren. Vanuit deze tijdsperiode (Middeleeuwen) zijn de geologische ondergrondkaarten bekend (Figuur 2-2). Hierop valt duidelijk waar te nemen dat de Kadoelerscheg gescheiden wordt door een tweetal verschillende ondergronden, namelijk het kustveen in het noorden en de getijdenafzettingen in het zuiden. Dit laat duidelijk zien tot waar het Oer-IJ invloed had tot binnen het gebied. Na deze periode (Middeleeuwen) kreeg de mens het gebied meer in z’n macht en werd er begonnen aan ontginningen. Grote delen van de Kadoelerscheg zijn ontgonnen. Figuur 2-3 laat duidelijk zien dat de Kadoelerscheg gelegen is aan een oude zeedijk waarbij de Scheg echt als oud land geldt, ten opzichte van Tuindorp Oostzaan, wat recenter is ingepolderd.
Eind jaren 20 van vorige eeuw werd de eerste stedelijke bebouwing gerealiseerd in de Noorder IJpolder, namelijk Tuindorp Oostzaan (Figuur 2-4). Daarvoor was Kadoelen en de gehele omgeving een uitgestrekt polderlandschap met enkele hoeves. In de decennia hierna werd het gebied in een rap tempo volgebouwd. In de jaren 70 was bijna niets meer over van het polderlandschap (Figuur 2-5) en in de jaren 80 werd de Kadoelen definitief van het polderlandschap gescheiden door de realisatie van de A10 (Figuur 2-6). In de laatste decennia zijn delen van de Nieuwe Gouw /Banne II aangelegd (Figuur 2-7). Het oude landschap, is bijna verloren gegaan, behoudens de Wilmkebreekpolder en enkele oude veenstromen en oeverlandjes in het gebied. De Kadoelerscheg maakt volledig deel uit van Amsterdam-Noord met de A10 als harde grens (Figuur 2-8).
Figuur 2-2. Geologische kaart van de Kadoelerscheg (Dinoloket, 2021).
Kadoelerscheg: een groene long in Amsterdam-Noord
11
Figuur 2-3. Topografische kaart Kadoelerscheg 1901 (Topotijdreis, n.b.). Wilmkebreekpolder is zichtbaar en de oude veenstromen.
Figuur 2-4. Topografische kaart Kadoelerscheg 1955 (Topotijdreis, n.b.).
Kadoelerscheg: een groene long in Amsterdam-Noord
12
Figuur 2-5. Topografische kaart Kadoelerscheg 1970 (Topotijdreis, n.b.). Kaart vlak voordat bouw A10 gestart werd.
Figuur 2-6. Topografische kaart Kadoelerscheg 1995 (Topotijdreis, n.b.). A10 is een feit, grote stadsuitbreidingen krijgen vorm.
Kadoelerscheg: een groene long in Amsterdam-Noord
13
Figuur 2-7. Topografische kaart Kadoelerscheg 2005 (Topotijdreis, n.b.).
Figuur 2-8. Topografische kaart Kadoelerscheg 2015 (Topotijdreis, n.b.).
Kadoelerscheg: een groene long in Amsterdam-Noord
14
2.3 Beleidskader Amsterdam (Noord) Noord is een natuurgebied waar ook mensen wonen. Zo luidt de prikkelende stelling van de samenstellers van het boek “Het Wilde Noorden”. Noord is ook een gebied waar steeds méér mensen komen wonen. Nieuwe gebouwen, voor woningen en bedrijven, maar ook nieuwe wegen en voorzieningen. Door de groei van Noord is de extra aandacht voor het groen en de ecologie hard nodig. Amsterdam vindt het belangrijk dat bij de grote bouwopgaven het versterken van de groen-, water- en ecologische structuren hand in hand gaan. Amsterdams groenbeleid staat beschreven in de in 2020 vastgestelde Groenvisie 2050, de in 2022 vastgestelde Omgevingsvisie Amsterdam 2050 en het Beleidskader en Toetskaart Hoofdgroenstructuur. De Groenvisie schetst een beeld van Amsterdam als groene stad en hoe die zich tussen nu en 2050 kan ontwikkelen. Amsterdam als groene leefbare stad voor mens en dier. Er worden vier hoofdredenen genoemd om in te zetten op groen, namelijk: gezondheid, sociaal welzijn, klimaatadaptatie en natuur/biodiversiteit. De Groenvisie 2050 vormde op haar beurt weer de input voor de Omgevingsvisie van Amsterdam die op 8 juli 2022 door de gemeenteraad van Amsterdam is vastgesteld. In de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 wordt gesproken over ‘Groeien binnen grenzen’ en ‘Rigoureus vergroenen’.
Voor het groen wordt ingezet op een uitbreiding en versterking van de Hoofdgroenstructuur (HGS) van Amsterdam. Binnen het vigerende Hoofdgroenstructuur van Amsterdam, zoals weergegeven in Figuur 2-9, is geen water openomen. Er wordt gewerkt aan een (nieuwe) groenblauw netwerk op de schaal van de stad. Dit wordt verder uitgewerkt in het nieuwe Beleidskader en Toetskaart voor de Hoofdgroenstructuur. Ten opzichte van de in dit onderzoek beschouwde Kadoelerscheg ontbreekt o.a. het deelgebied Twiske en Marssloot op de kaart van de HGS. Op basis van de geldende ‘Beleidskader Hoofdgroenstructuur’ moeten initiatieven in de Hoofdgroenstructuur worden getoetst aan de inpasbaarheid en een ecologische QuickScan vereist alsmede een advies van de Technische Adviescommissie bestaande uit biologen, ecologen, landschapsarchitecten, stedenbouwkundigen, klimaatdeskundige, sociaalgeografen.
Figuur 2-9. Hoofdgroenstructuur (HGS) van de gemeente voor Amsterdam-Noord / Kadoelerscheg. De ingekleurde delen maken onderdeel uit van de HGS (Bron: Gemeente Amsterdam).
Kadoelerscheg: een groene long in Amsterdam-Noord
15
3 Werkwijze onderzoeken Om inzicht krijgen in de biodiversiteit en natuurwaarden van de Kadoelerscheg zijn samen met de adviesgroep, bewoners en ecologen diverse fases doorlopen en onderzoeken uitgevoerd in 2024. Na het literatuuronderzoek is gestart met gebiedsbezoeken per deelgebied om een algehele indruk te krijgen van de aanwezige flora en fauna in een deelgebied. Op basis van de gebiedsbezoeken is gericht nader onderzoek uitgevoerd naar een aantal soortgroepen (marters, noordse woelmuis, waterspitsmuis en vleermuizen). Om inzicht te krijgen in de aanwezigheid van vlinders en libellen zijn vlinder- en libellenroutes gelopen. In de volgende paragrafen wordt elk werkstap kort toegelicht.
3.1 Literatuuronderzoek Om een eerste inzicht te krijgen in de biodiversiteit in de verschillende deelgebieden, is een bureaustudie uitgevoerd naar het voorkomen van flora en fauna in de 7 deelgebieden. Digitale bronnen als NDFF.nl (laatste 5 jaar), de digitale viewer van de gemeente Amsterdam en onderzoeksrapporten zijn geraadpleegd dan wel opgevraagd. De resultaten hiervan zijn gebruikt bij het uitwerken van dit rapport om inzicht te gegeven in de biodiversiteit per deelgebied en de Kadoelerscheg als geheel.
3.2 Gebiedsbezoeken flora en fauna Per deelgebied zijn de interessantste delen tweemaal bezocht. Dit is gedaan om (aanvullend op de al ingevoerde en bekende waarnemingen) inzicht te krijgen in de hier voorkomende flora en fauna. Doel van deze gebiedsbezoeken is om een zo’n breed mogelijk inzicht te krijgen in aanwezige flora, fauna en biotopen en om dit vast te leggen. Het veldwerk voor de gebiedsbezoeken is uitgevoerd door ecologen van Natuurlijke zaken in de periode april – juni 2024 gezamenlijk met geïnteresseerde bewoners en leden van de bewonersgroep. Per deelgebied is de tijd zo efficiënt mogelijk ingezet om zoveel mogelijk kennis te vergaren. Tijdens bezoeken zijn de soorten digitaal vastgelegd in waarneming.nl en aangetroffen biotopen/landschapselementen vastgelegd zodat er een breed overzicht ontstaat in de voorkomende soorten. Bij deze terreinbezoeken zijn zo veel als mogelijk en beschikbaar (deskundige) buurtbewoners betrokken. Resultaat van deze bezoeken zijn de soortentabellen per deelgebied en de ecologische beschrijvingen van de deelgebieden.
3.3 Gericht nader onderzoek naar soorten Om meer inzicht in specifieke soorten te krijgen zijn naast de gebiedsbezoeken ook gerichte soortonderzoeken uitgevoerd. Tijdens de verschillende bezoeken aan de deelgebieden van de Kadoelerscheg konden al veel dieren plantsoorten waargenomen worden. Denk aan planten, vogels, amfibieën, insecten, weekdieren en andere ongewervelden. Dit zijn ook de soortgroepen die het meeste worden waargenomen door mensen, omdat ze tijdens de dag kunnen worden waargenomen op zicht of geluid. Meerdere soortgroepen zijn echter niet tijdens daglicht te onderzoeken of zonder speciale apparatuur vast te stellen. Nacht actieve zoogdieren zijn schuw en leven een verborgen leven. Vleermuizen zijn daarnaast niet zonder speciale apparatuur van elkaar te onderscheiden voor de gemiddelde persoon. Het is wel belangrijk om te weten welke van deze soorten voorkomen in de Kadoelerscheg. Het zijn vaak soorten die bepaalde eisen aan hun leefomgeving hebben en daarom een indicatorsoort zijn voor het voorkomen van bepaalde biotopen en de kwaliteit hiervan. Ook is een deel van deze soorten (zeer) zeldzaam. Marterachtigen, zeldzame muizen en vleermuizen zijn streng beschermd onder de omgevingswet. De hermelijn, wezel, bunzing, noordse woelmuis, laatvlieger en tweekleurige vleermuis staan tevens op de Nederlandse rode lijst van bedreigde diersoorten.
De noordse woelmuis en meervleermuis vallen ook nog eens onder de Europese habitatrichtlijn. De bescherming van deze soorten betreft voornamelijk hun vaste rust- en verblijfplaatsen. Als de Kadoelerscheg een onderdeel is van hun leefgebied, is dat een reden om dit gebied zo goed mogelijk te behouden en te beschermen.
Kadoelerscheg: een groene long in Amsterdam-Noord
16
Voor de soortgroepen grondgebonden zoogdieren (marterachtigen, noordse woelmuis en waterspitsmuis) en vleermuizen dient onderzoek uitgevoerd te worden met speciale onderzoeksmethoden en apparatuur. Voor marterachtigen is gebruik gemaakt van camera’s met bewegings- en warmtesensoren (zie Figuur 3-1 voor locatie). Zeldzame muissoorten kunnen worden vastgesteld door hun DNA te vinden in sporen langs de waterkant (zie Figuur 3-1 voor locatie). Vleermuizen zijn weer het best vast te stellen en te determineren door hun hoogfrequente sonar-geluiden op te vangen met een vleermuisdetector. Om al deze redenen en in samenspraak met de bewonersgroep adviesgroep Kadoelerscheg is daarom beslist dat de volgende soortgroepen nader onderzocht dienen te worden: marterachtigen, noordse- en waterspitsmuis en vleermuizen. Tevens is aanvullend nog een onderzoek uitgevoerd naar de in het gebied voorkomende vlinder- en libelsoorten. Deze soorten zijn vaak een indicator voor de kwaliteit van de natuur in een gebied.
Figuur 3-1. Locaties gericht nader onderzoek soorten.
3.3.1
Marters
Leven er marterachtigen in de Kadoelerscheg? Zo ja, welke soorten en waar komen ze dan voor? Dat was een onderzoeksvraag van de adviesgroep. Marters zijn in de Omgevingswet aangemerkt als beschermde soorten, de rust- en verblijfplaatsen en het leefgebied hebben een beschermde status. De bunzing en hermelijn staan daarnaast als ‘kwetsbaar’ vermeld op de Rode lijst van Zoogdieren, de wezel staat hierin vermeld als ‘gevoelig’. Marters kunnen verdeeld worden in ‘de kleine marterachtige’ (wezel, hermelijn en bunzing) en overige soorten als steenmarter, boommarter en otter. Het gaat niet goed met de kleine marterachtigen in Nederland, ze hebben o.a. last van versnippering en aantasting van het (kleinschalige) landschap. De aanwezigheid van één of meerdere van deze soorten geeft inzicht in de waarde van het gebied en de verbondenheid van Scheg als geheel. Om inzicht te krijgen in het voorkomen van marters is een onderzoek met cameravallen uitgevoerd, de focus lag daarbij op de drie kleine marterachtigen. De cameravallen leggen echter alle soorten vast die voor de camera verschijnen, dus ook egels, konijnen, ratten, vogels, (huis)katten en muizen. Het nader onderzoek heeft plaatsgevonden door middel van het plaatsen van drie struikrovers ® en een cameraval. Deze zijn gedurende de actieve periode van kleine marters (juni - september) voor een aaneengesloten periode van 4 weken op zes
Kadoelerscheg: een groene long in Amsterdam-Noord
17
verschillende geschikte locatie in de Kadoelerscheg geplaatst. De opstellingen zijn frequent gecontroleerd (ongeveer elke 10 dagen, afhankelijk van aantal opnames) op resultaten en functioneren. Het uitzoeken van geschikte locaties voor de camera’s bleek een uitdaging. De potentie als foerageergebied of looproute voor grondgebonden zoogdieren moest hoog zijn. Ook diende het locaties te zijn waar de cameravallen niet opvielen voor voorbijgangers, om de kans op diefstal of vandalisme te minimaliseren. Locaties waar gemaaid werd of zou worden tijdens de onderzoeksperiode, vielen ook af. Een derde uitdaging was de vegetatie; de camera’s moeten stabiel kunnen staan en voldoende zicht hebben op de omgeving voor de lens; zonder al te veel begroeiing die de zichtbaarheid belemmerde of de camera te veel af zou laten gaan (zoals in de wind wuivende grassen of overhangende takken). Ondanks dit alles is het gelukt om zes mooie locaties te vinden voor de uitvoering van het cameraval-onderzoek.
De volgende locaties zijn onderzocht; 1) Langs de geluidsschermen van de A10 in het verlengde van de Kadoelenweg; 2) Op het terrein van Tuinpark De Bongerd, langs het pad in het Kabouterland; 3) Een moerasbosje aan de zuidkant van de Kadoelerbreek, net ten oosten van het (concert)gemaal; 4) In een (vervallen) populierenbosje langs de A10; in het verlengde van het fietspad nabij de Achtersteven; 5) Langs de Nieuwe Gouw naast de sportvelden van S.V. Kadoelen; 6) Te midden van bosschages van het park in het Buiksloterbreekpark. De resultaten van het onderzoek zijn uitgewerkt in hoofdstuk 5.2.1 en uitgebreid toegelicht in bijlage 2.
Figuur 3-2. Struikrover nabij de oever van Nieuwe Gouw naast de sportvelden van S.V. Kadoelen, rechts een cameraval in de stadsjungle van Buiksloterbreekpark.
3.3.2
Noordse woelmuis en waterspitsmuis
De Noordse woelmuis is een Europees beschermde Habitatrichtlijnsoort en tevens de enige endemische diersoort van Nederland. De waterspitsmuis, een zeldzame en in Nederland beschermde soort, is een indicatorsoort voor goede waterkwaliteit. Ze zijn namelijk afhankelijk van schoon en niet te voedselrijk water met een ontwikkelde watervegetatie en ruige oevers. Beide soorten zijn kenmerkende soorten van het oude veenweidelandschap dat ten noorden van de stad aanwezig is, hier komen de soorten voor in o.a. de (Natura 2000) natuurgebieden. Interessant is om te onderzoeken of deze soorten (nog) in de Kadoelerscheg voorkomen, aangezien de eventuele aanwezigheid van waarde is voor de bescherming van het leefgebied van deze soorten en daarmee de Kadoelerscheg. De Noordse woelmuis is in 2007 door Fred Haaijen gevangen op 2 locaties in de Kadoelerscheg. Op de oostoever van de Nieuwe gouw ter hoogte van de manege en op het natuureiland oostelijk van SV Kadoelen (bron Fred Haaijen, NDFF.). Waarnemingen van de waterspitsmuis binnen de Scheg zijn niet bekend. Muizenonderzoek wordt bij voorkeur in het najaar (half augustus tot eind oktober) uitgevoerd. In deze periode zijn de populatiedichtheden van muizen het grootst en daardoor heeft deze periode de meeste kans om een soort ook daadwerkelijk aan te treffen.
Kadoelerscheg: een groene long in Amsterdam-Noord
18
Beide soorten kunnen worden vastgesteld door middel van live-traps, e-DNA of braakbalonderzoek. Het onderzoek is uitgevoerd op basis van onderzoek naar e-DNA. Er zijn diverse oever- en bodemmonsters op geschikte locaties (oevers Nieuwe Gouw, Kadoelerbreek, De Bongerd en rietlandjes net buiten de A10) verzameld. Deze methode is diervriendelijk en levert het gewenste resultaat. De monsters zijn met de boot op half augustus door Natuurlijke Zaken verzameld op geschikte oevers, eilandjes en rietlanden. Verwerking van de monsters heeft plaatsgevonden op een laboratorium in Wageningen. De analyse geeft inzicht in de aanwezigheid van e-DNA sporen van de soorten en daarmee of de soort er voorkomt of niet. De resultaten die hieruit gekomen zijn, zijn te vinden in hoofdstuk 5.2.2.
3.3.3
Vleermuizen
In het voorjaar van 2024 is een vleermuisroute afgelegd op de fiets. Hierbij is in de avond en nacht gezocht naar overvliegende en foeragerende vleermuizen, om een globaal idee te krijgen van welke soorten in de Kadoelerscheg voorkomen. Om enig inzicht te krijgen in het gebruik van vliegroutes van vleermuizen heeft in het najaar een vliegrouteonderzoek plaatsgevonden, specifiek naar het gebruik van de grote wateren als vliegroute door o.a. meer- of watervleermuis. Gedurende twee nachten is een batlogger geplaatst langs zowel de Nieuwe Gouw als het Twiske om inzicht te krijgen in passerende vleermuizen. De batloggers namen de gehele nacht het ultrasoon geluid van (passerende en foeragerende) vleermuizen op. De opgenomen informatie is achteraf met het programma Batexplorer geanalyseerd en verwerkt in grafieken (soorten, aantallen, tijdstippen van passeren etc.). De resultaten van dit onderzoek zijn te vinden in hoofdstuk 5.2.3 en bijlage 3.
3.3.4
Dagvlinders en libellen
Dagvlinders bestuiven bloemen, en de rupsen, poppen en vlinders vormen een belangrijk deel van het dieet van verschillende diersoorten. Libellen zijn rovers en dragen bij aan het onder controle houden van aantallen kleine insecten, maar ook vormen ze zelf voedsel voor dieren. Naast het nut van deze dieren, zijn het ook belangrijke indicatoren. Door hun gevoeligheid voor veranderingen in de omgeving, kan het voorkomen of juist ontbreken (of verdwijnen) van soorten aangeven hoe goed of slecht het met de natuur gesteld is. Bij vlinders zegt het voorkomen of ontbreken van soorten vooral iets over het voorkomen van de plantsoorten waar de rupsen van afhankelijk zijn. Het voorkomen van veel verschillende libellensoorten duidt op veel variatie in water- en oevervegetatie en een goede waterkwaliteit. Het ontbreken van bepaalde vlinder- of libellensoorten kan helpen bij het opstellen van doelen voor natuurbeheer. Het monitoren van soorten is gedaan aan de hand van landelijke meetmethoden in het kader van het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM). Per soortgroep is een gestandaardiseerde methode opgesteld voor het uitzetten van een route en voor de telling zelf. Het gaat hierbij om het tellen van het aantal individuen (abundantie). Het onderzoek naar dagvlinders en libellen is uitgevoerd in vier aangrenzende deelgebieden binnen de Kadoelerscheg.
Het gaat hier om De Bongerd, Nieuwe Gouw/Banne II, Nieuwe Gouw West en deelgebied Kadoelerbreek en Buiksloterbreek. In deze gebieden zijn vegetaties aanwezig die voor zowel dagvlinders als libellen geschikt zijn als leef- en/of foerageergebied. Per deelgebied zijn per telling twee routes gelopen, één route voor de dagvlinders en één route voor de libellen. In elk deelgebied zijn uiteindelijk in totaal circa 11 tellingen uitgevoerd verspreid over de periode half mei – half september tijdens gunstige weersomstandigheden (zonnig, droog en weinig wind). De resultaten van dit soortonderzoek zijn beschreven in hoofdstuk 5.2.4. en bijlage 4
3.3.5
Nachtvlinders
Van de meer dan 2.300 soorten vlinders die voorkomen in Nederland, zijn er slechts 53 dagactief. Het grootste deel bestaat uit macro- of micro-nachtvlinders. Deze zijn vaak (niet altijd) minder fel gekleurd dan dagactieve vlinders, en vallen hierdoor minder op. Doordat ze nachtactief zijn worden ze ook minder vaak gezien door mensen. De soortgroep is gelukkig wel makkelijk te inventariseren. Met een emmer of kist, uitgerust met felle UVa-Ledlamp, kunnen de dieren gelokt en gevangen worden tijdens de nachtelijke uren. In de ochtend kunnen de dieren vervolgens op naam gebracht worden en weer vrijgelaten.
Kadoelerscheg: een groene long in Amsterdam-Noord
19
Binnen de Kadoelerscheg zijn op verschillende plaatsen en manieren nachtvlinderonderzoeken uitgevoerd. Net als in 2023 is dit jaar weer een Nachtvlinderkaravaan gehouden in Amsterdam-Noord. Hierbij konden bewoners zich gratis aanmelden en voor een nacht een LED-emmer in hun tuin of op hun balkon plaatsen. De nachtvlinderval reisde vervolgens van deelnemer naar deelnemer. De waargenomen soorten zijn met behulp van Obsidentify gedetermineerd en in kaart gebracht. Aanvullend is op 30 juni 2024 een nachtvlindernacht gehouden bij het gemaal aan de Kadoelerbreek. Hierbij werd gebruik gemaakt van een LED-emmer, twee lakens en een nachtvlinderval in de vorm van een kist, alles uitgerust met UV LED-lampen om de dieren te lokken. Belangrijke onderzoekvoorwaarden waren de temperatuur (minimaal 10 graden), de windsnelheid (maximaal windkracht 3) en het ontbreken van neerslag.
Kadoelerscheg: een groene long in Amsterdam-Noord
20
4 Beschrijving van de Kadoelerscheg in 7 delen Wat zijn de grenzen, waarden en kenmerken van de Kadoelerscheg? Figuur 4-1 toont de gehele Kadoelerscheg en de aanwezig biotopen zoals beschouwd in dit onderzoek. Voorgaande vraag is per deelgebied uitgewerkt, per deelgebied zijn de biotopen en de waarden beschreven. In de beschrijving wordt tevens ingegaan op een aantal soorten die aangetroffen zijn of aanwezig zijn binnen deze gebieden. Vervolgens worden de ecologische waarden van het deelgebied beschreven.
Figuur 4-1. Biotopen binnen de Kadoelerscheg. In onderstaande pagina's wordt per deelgebied de biotopen behandeld, maar deze kunnen niet los van elkaar gezien worden.
4.1 Deelgebied 1: Buiten de Ring Buiten de Ring bevindt zich een deel van de Kadoelerscheg dat ten noorden van de A10 is gelegen. Het is (nog) geen onderdeel van de Hoofdgroenstructuur. Dit deelgebied laat zien ‘hoe het vroeger was’. Een open veenweidelandschap, weidevogels, smalle kavels met koeien of schapen, afgewisseld met rietlanden. Het gebied is te bereiken via de fietstunnel aan de Noorderbreedte. Ook kan het fietspad (Pieter Weerstpad) parallel aan de Weersloot vanuit het westen gevolgd worden tot in het deelgebied. Op de percelen direct langs de A10 staan verspreid wat kleinere tot middelgrote bomen (wilgen, elzen) in oevers en rietlanden. Met het slotenpatroon en de omgeving heeft het iets weg van een klein Twiske, behoudens het dominante snelweg geluid. De rietoevers, rietpartijen en ruigte zijn een belangrijke waarde van dit deelgebied.
Kadoelerscheg: een groene long in Amsterdam-Noord
21
Figuur 4-2. Uitzicht over het deelgebied ‘buiten de ring’ vanaf de fietsbrug ten noorden van de Noorderbreedte. Vanuit de drukte in de stad betreed je opeens een open agrarisch veenweidelandschap.
Figuur 4-3. Een van de watergangen. Een deel van de rietlanden (hier rechts op beeld) bestaat uit bosopslag.
4.1.1
Biotopen en voorkomende soorten
Biodiversiteit betreft de verscheidenheid (variatie) en hoeveelheid tussen ecosystemen, soorten en genen binnen deze soorten. Soortenrijkdom alleen is dus geen maat om de biodiversiteit te meten. De aanwezigheid van biotopen in en tussen gebieden op korte afstand is vaak een teken dat de soortendichtheid groot is. Om deze reden worden onderstaand per deelgebied alle aanwezige biotopen onafhankelijk van elkaar behandeld. Rietruigte Het meest aanwezige of zichtbare biotoop binnen dit deelgebied is rietruigte in samenhang met het water. De rietruigte loopt over in de bermvegetatie van de A10 (zowel van de A10 als naastgelegen fietspad en delen naast beschoeiing). De meest aanwezige vegetatiegroepen binnen het gebied zijn die van droge storingsmilieus, graslanden en zomen en ruigten. Te denken valt aan soorten als akkervergeet-mij-nietje, bijvoet, melkdistel, gewone hoornbloem, duizendblad, herik, riet, watermunt en zachte ooievaarsbek. De voedselrijkdom is vrij rijk, de aanwezigheid van soorten als herik en moerasmelkdistel doet vermoeden dat de ondergrond niet zuur is. Watervogels als grauwe gans, krakeend, visdief, fuut, meerkoet, watersnip (rode lijst- soort) en wilde eend zijn hier te vinden. Dit zijn vogels die vaak op weilanden en akkerlanden gevonden kunnen worden. In de rietvegetatie zijn kenmerkende soorten als Cetti's zanger, rietzanger en kleine karekiet te vinden.
Ook roofvogels als buizerd, bruine kiekendief en torenvalk komen voor in dit deelgebied om te foerageren. Daarnaast is duidelijk
Kadoelerscheg: een groene long in Amsterdam-Noord
22
waar te nemen dat meer soorten uit de bebouwde omgeving ook aanwezig zijn op de grens tussen platteland en stad zoals soorten als ekster, houtduif en kauw. Water Het andere aanwezige biotoop binnen het deelgebied Buiten de Ring is water. Binnen het poldergebied behorende bij Landsmeer zijn de sloten en de daarbij behorende verkaveling een historische verschijning. Het poldergebied behoort tot een groot peilgebied ‘Waterlandse boezem’ dat aaneengesloten is met het Natura 2000-gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld en het Twiske. Alleen het Twiske heeft zijn eigen peilgebied. De aanwezigheid van vissoorten als bittervoorn, rietvoorn en vetje zijn een indicatie dat het water vegetatierijk is en dat er voldoende begroeiing in de oeverzone aanwezig is.
Figuur 4-4. Biotopen in deelgebied 1; Buiten de Ring.
4.1.2
Belang deelgebied binnen de Kadoelerscheg
Als een overgangsgebied tussen stad en veenweidelandschap, is het deelgebied Buiten de Ring waardevol. Daarnaast is het ten opzichte van de omgeving een waardevol perceel doordat het zich als een rietland aan het ontwikkelen is. Het perceel is behoudens een olifantenpadje niet recreatief ontsloten.
Kadoelerscheg: een groene long in Amsterdam-Noord
23
4.2 Deelgebied 2: Twiske en Marssloot Deelgebied het Twiske ligt in de westzijde van de Kadoelerscheg. Het is geen onderdeel van de gemeentelijke Hoofdgroenstructuur (Figuur 2-9). Het Twiske is een oude veenstroom, de natte veenweidegebieden waterde vroeger via deze veenstroom af richting het (Oer)IJ. Het deelgebied staat in verbinding met het recreatiegebied Het Twiske, aangemerkt als recreatie- en natuurgebied en een typisch Noord-Hollands veenplassengebied in de Zaanstreek. Het Twiske stroomt onder de A10 door, de Kadoelerscheg in. Het noordelijke gedeelte van het deelgebied heeft nog een relatief natuurlijk beeld. De veenstroom is circa 25 meter breed. De veenstroom wordt aan de oostzijde geflankeerd door natuurlijke oevers met lokaal een rietzoom overgaand in grasbermen. De westzijde is ruiger met o.a. met wilgen en elzen begroeide eilandjes. Via de Marie Thomas Tonnonbrug loopt het deelgebied in zuidelijke richting door. Hier wordt het Twiske steeds smaller en blijft er steeds minder ruimte over voor een natuurlijke oeverbegroeiing en bomen en struwelen. Nog ten noorden van de Stentorstraat ligt een kleine lus binnen het deelgebied met natuurlijke begroeide oevers die overgaat in de Marssloot, een sloot die richting de Adrianus van Waertweg loopt. De oevers van de Marssloot zijn grotendeels gecultiveerd.
In het oostelijk deel grenzen aan de noordzijde particuliere tuinen direct aan de waterkant. Aan de zuidzijde heeft aan aantal inwoners aan de voorzijde van hun woning de gemeentegrond in het verleden in gebruik genomen als overtuin. De Marssloot wordt meerdere keren doorsneden door wegen, de sloot is niet meer herkenbaar als een geheel. Het zuidelijk deel van het Twiske vernauwt zich tot minder dan 10 meter. De westzijde is dicht bebouwd tot aan de watergang, met zelfs metalen damwanden als begrenzing van het water. Het Twiske en de aangrenzende groene zoom eindigt bij de Oostzanerdijk. Ter hoogte van huisnummer 38 op de Oostzanerdijk bevond zich in het verleden een sluis waarmee het Twiske en het IJ/ Zijkanaal I met elkaar in verbinding stonden. Tegenwoordig bevindt zich hier een elektrische gemaal, zonder vispassage. Rond dit gemaal is de Oostzanerdijk onbebouwd.
Figuur 4-5. Een oorspronkelijk beeld van het Twiske ter hoogte van de Halteriastraat (oostzijde Twiske, kijkrichting noord).
Kadoelerscheg: een groene long in Amsterdam-Noord
24
4.2.1
Biotopen en voorkomende soorten
Bossen en struwelen In het noordelijke gedeelte van het deelgebied liggen twee met wilgen, populieren elzen en essen begroeide eilanden. De eilandjes zijn ‘ontsnapt’ aan regulier groenbeheer, de begroeiing is weelderig en waarschijnlijk geheel spontaan opgekomen. Elders in het deelgebied zijn verschillende groenstructuren waaronder bij het landschap passende rijen knotwilgen. De bosjes vormen het biotoop voor bos- en struweelvogels zoals gaai, zanglijster, grote bonte specht, houtduif en zangvogels als tjiftjaf, zwartkop en boomkruiper. Ook zijn er door de connectie met het water andere soorten vogels aanwezig die meer in rietlanden voorkomen, zoals Cetti’s zangers en rietzangers. De aanwezigheid van bomen, struwelen en een relatief hoge voedselrijkdom is gunstig voor vlindersoorten als atalanta, kleine vos en bont zandoogje. Waardplanten van deze soorten zijn o.a. brandnetel en kropaar en witbol. Bont zandoogje is daarbij echt een soort die voornamelijk in bosranden en open bossen en parken aangetroffen wordt. Ook worden in dit deelgebied nachtvlinders aangetroffen die direct verbonden zijn aan de aanwezigheid van (oude) bomen, namelijk de groene eikenbladroller en de populierenpijlstaart. Een leuke en bijzondere soort is de zwartkopvuurkever. Dit insect komt voor in bosrijke omgevingen.
De larven leven 2 tot 3 jaar van predatie op de larven van boktorren en wormen die zich voeden met rottend hout. Graslanden Veel delen die direct naast het water liggen en waar geen bomen en struwelen op staan, vallen onder de vegetatietypes van voedselrijke graslanden en bermen (Figuur 4-6). Dit valt onder andere op te maken uit de aanwezige algemene plantensoorten die specifiek op dit soort plekken staan. Het gaat hier o.a. om akkerdistel, fluitenkruid, heermoes, herderstasje, kropaar en paarse dovennetel. Veel plantensoorten die hier voorkomen zijn nectarplanten die gedurende de seizoenen nectar leveren aan verschillende soorten vlinders, zweefvliegen en bijen.
Figuur 4-6. Noordzijde deelgebied Twiske en Marssloot. Aan de linkerzijde zijn de met bos begroeide eilandjes waar te nemen. De onderdoorgang onder de ring is ruim opgezet en vormt geen barrière voor fauna, ook voor recreanten is dit een aangename route om de drukte van de stad achter je te laten.
Water Het laatste aanwezige biotoopsoort binnen het deelgebied Twiske en Marssloot is het water. Het water in deze omgeving heeft nog een zoute nalevering. Het Twiske stond in directe verbinding met de wateren rondom het Twiske, namelijk de Grote Braak, Kleine Braak en de Kerke Braak (anno 1749). Dit was een periode dat een zeedijk het poldergebied afsloot van het zeewater van het IJ. Het was destijds een van de grotere/ belangrijkere sloten m.b.t. ontwatering en turfwinning in het gebied. Vissen die hier voorkomen in het water zijn onder andere brasem, grondels en snoeken. De aanwezigheid van een snoek is positief teken voor het gebied. De soort jaagt voornamelijk door middel van zicht op aanwezige witvissen, welke vaak bodemwoelend zijn en het water
Kadoelerscheg: een groene long in Amsterdam-Noord
25
vertroebelen. Door deze vertroebeling gaat de aanwezigheid van waterplanten achteruit. Deze combinatie van troebel water en afwezigheid van waterplanten is voor een snoek desastreus.
Figuur 4-7. Waterriet, gele lis en begeleidend hoog opgaand groen langs het zuidelijk deel van het Twiske.
Figuur 4-8. Biotopen deelgebied 2; Twiske en Marssloot.
Kadoelerscheg: een groene long in Amsterdam-Noord
26
4.2.2
Belang deelgebied binnen de Kadoelerscheg
Als een overgangsgebied tussen stad en buiten de ring gelegen veenweidegraslanden is het Twiske van grote waarde. Het Twiske is de nog historische groenblauwe verbinding tussen de stad en het buitengebied. Met name het noordelijke deel heeft daarnaast recreatieve waarden doordat je gemakkelijk al wandelend in het groen langs de veenstroom de stad uit (of in) kunt wandelen of fietsen. Er zijn substantiële oppervlakte bosjes, rietoevers en eilandjes aanwezig in het Twiske, die vormen o.a. rust- en broedplaatsen voor bos, - struweel en watervogels. Ook voor zoogdieren zijn dergelijke linten van belang als leefgebied (marters), voor vleermuizen vormt het optimaal foerageergebied en wordt het gebruikt als vliegroute. De aanwezigheid van staand dood hout op de eilandjes is een biotoop van belang dat niet veel aanwezig is in de stad. Dergelijke elementen zorgen voor een hogere diversiteit aan soorten (insecten, schimmels) in het gebied en zijn derhalve waardevol.
4.3 Deelgebied 3: Kadoelenweg en De Bongerd Deelgebied 3 loopt vanaf de A10 en de afslag richting het zuiden, via De Bongerd en het sportpark (tennisbaan), tot aan de Kadoelerbreek. De westzijde van de Kadoelenweg behoort ook nog het deelgebied, dit is voornamelijk bebouwd. Tussen de Kadoelenweg en de woonhuizen ligt een sloot (de vroegere Gouwsloot) die met beschoeiing is afgewerkt, de sloot maakt onderdeel uit van de Waterlandse Boezem. De Kadoelenweg maakt verder deel uit van de ringvormige regionale waterkering rondom de Wilmkebreekpolder (evenals de Stoombootweg). Het Tuinpark De Bongerd is het kloppende groene hart van dit deelgebied en tevens onderdeel van de gemeentelijke Hoofdgroenstructuur. Het gebied bevat een groot gedeelte van de oude (lint)bebouwing van de Kadoelen. De Kadoelenweg was voor de aanleg van de A10 dan ook een belangrijke ontsluitingsweg. Dat is nog gedeeltelijk terug te zien in de loop van de weg. In tegenstelling tot De Bongerd en de directe omgeving is hier weinig groen aanwezig, behoudens in enkele particuliere tuinen. De Bongerd is te bereiken via een laan van abelen. Het Tuinpark bestaat uit diverse eilanden die via een tweetal grotere watergangen gescheiden van elkaar zijn. Rondom deze watergangen en rondom de randen van het gebied is ruimte gelaten voor natuurlijke (riet)oevervegetaties.
Direct ten oosten van De Bongerd ligt de Amsterdamse Tennis Club Kadoelen. Dit is een terrein dat omzoomd is door water, bomen, riet en de IJdoornlaan. Dit deel van het deelgebied is door de omzooming groen, de felle verlichting in de avond is niet gunstig voor soorten die daar gevoelig voor zijn. Aan de A10-zijde staan hogere bomen, struwelen en rietruigte die het geluid van de snelweg enigszins dempen. Delen van de watergangen aan de noordzijde zijn afgesloten van de waterloop en omgevormd tot amfibieënpoelen.
Figuur 4-9. Typisch beeld van de Kadoelenweg, inclusief sloot met beschoeiing.
Kadoelerscheg: een groene long in Amsterdam-Noord
27
4.3.1
Biotopen en voorkomende soorten
Verharding, wonen en tuinen Een flink deel van dit deelgebied (Kadoelenweg) is verhard, er is nauwelijks openbaar groen aanwezig. Er is weinig overgang tussen tuinen, opritten, weg en water. In de tuinen is flora en fauna aanwezig zoals elders in het stedelijk gebied. De verharde oeverwanden worden door sommige plantensoorten, als eikvaren, gebruikt, er zijn weinig natuurlijke oevers aanwezig. Graslanden Binnen het deelgebied liggen veel (half)verhardingen en de daarbij behorende bermen. Dit maakt dat het aantal soorten dat bij graslanden (en storingsmilieu) hoort hier relatief hoog is. Soorten als fluitenkruid, klimopereprijs, gewone veldsla, kruldistel, veldzuring, margriet en kropaar wijzen hier direct op. De voedselrijkdom in het gebied is ook relatief hoog waardoor deze soorten hier logischerwijs verwacht kunnen worden. Een overgang naar nattere delen en soorten is echter ook zeer duidelijk aanwezig getuigen de aanwezigheid van andere soorten zoals pinksterbloem.
Figuur 4-10. V.l.n.r.: ruige zegge, ijle dravik, oeverspringer en bospiraat.
Riet(ruigten) Zoals eerder is aangegeven zijn er op De Bongerd veel overgangen van graslanden naar rietruigte inclusief moerassoorten. Voorkomen van riet, rietgras, rietzwenkgras, dotterbloem, bevertjes, heen, moerasspirea, gewone vogelmelk, valeriaan, pinksterbloem en verschillende soorten (gevlekte/riet/moeras) orchissen tonen dit aan. Bij elkaar genomen zijn deze overgangen binnen De Bongerd ecologisch interessant en biedt het leefgebied aan een verscheidenheid aan soorten. Dit is ook terug te zien in de variatie aan dag- en nachtvlinders die hier (door Harry Moeskops) zijn gevonden. In totaal betreft dit in de afgelopen 5 jaar circa zo’n 114 soorten. Ook vele soorten graslandvlinders vinden hun weg naar De Bongerd toe. Denk hierbij aan bruin zandoogje, distelvlinder, gehakkelde aurelia, distelvlinder, icarusblauwtje en kleine parelmoervlinder. Uit de vlindermonitoring is naar voren gekomen dat hier de meeste soorten voorkomen (zie bijlage 4). Dit gebied is verder in trek bij amfibieën. Dit komt door de combinatie van de velde watergangen met natuurlijke oevers, (riet)ruigte en geschikt landbiotoop met veel rommelhoekjes en geschikte overwinteringsplaatsen. Bastaard kikkers en bruine kikkers zijn talrijk aanwezig. Bossen en struwelen In het deelgebied zijn hoog opgaande bomen aanwezig en de soortenvariatie op De Bongerd is groot.
Het gaat om zowel hoge bomen langs de sportvelden als lagere bomen langs de A10 en in De Bongerd. Dagvlindersoorten als atalanta, bont zandoogje, kleine vos en boomblauwtje zijn hier direct of indirect van afhankelijk en worden daarom in het gebied gezien. Hier staan bomen die die tegen natte omstandigheden kunnen, dan wel die ondiep
Kadoelerscheg: een groene long in Amsterdam-Noord
28
wortelen om niet (altijd) met hun wortels in het water te moeten staan. Het zijn veelal aangeplante bomen(rijen). Alleen ter hoogte van het terrein van de gemeente Amsterdam (nabij ingang De Bongerd) is een meer natuurlijke (onbeheerd) bosje aanwezig. Langs de Kadoelenweg broedt een ooievaar in een laanboom, De Bongerd is de enige locatie in de Scheg waar afgelopen jaren met enige regelmaat een ransuil is waargenomen. Water Het water in De Bongerd staat (in)direct in contact met het water in de omgeving, zoals de Nieuwe Gouw en daarmee de Waterlandse boezem. Waterlelies en gele plomp zijn aanwezige in de watergang van De Bongerd. Daarnaast worden vissoorten waargenomen als blankvoorn en rietvoorn. Voorns jagen veelal op zicht op watervlooien en muggenlarven. De aanwezigheid van blankvoorn en rietvoorn duidt op een goed doorzicht van het water.