CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

rapport van verhalen naar verbalen.pdf

Raadscommissie Algemene Zaken 14 oktober 2021, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Bestuurlijke reactie op rapport Van verhalen naar verbalen, aanpak ondermijning in Noordzeekanaalgebied (ZD2021-012804)35.645 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Daar zitten vaak snel zwakke schakels tussen, want dergelijke connecties zijn niet te staven: koppelingen van aanwijzingen, voertuigen, panden, etc. en de genetwerktheid erachter zijn juridisch onhoudbaar. Er moet dus opgepast worden wanneer de politie denkt in termen van ‘ondermijning’, want het leidt tot te vlugge en illegitieme verdachtmaking, werd ons duidelijk gemaakt. Kortom, het denken in termen van ‘ondermijning’ kan leiden tot vergaande incriminatie (‘heel Nederland kan dan een CSV worden’, zoals één respondent aangaf), waar de respondenten dan wel weer waakzaam voor zijn. Het toont aan dat het ondermijningsbegrip de registratie, verdere opsporing en in politiesystemen kruisvergelijkingen ervan, in de weg kan zitten. Sterker nog, het wordt duidelijk dát er feitelijke ondermijnende drugscriminaliteit, concreet cocaïnesmokkel, plaatsvindt maar lijkt niet te (mogen) bestaan, omdat het niet duidelijk is of het ondermijning betreft. Hier doet dan de kromme situatie zich voor waarin door de ‘speech act’ rondom ondermijning (Boutellier et al. 2020), men ‘speechless’ achterblijft en allesbehalve ‘act’. De praktijk raakt dus verlamd door conceptuele onduidelijkheid en definitiekwesties, waarin respondenten vrij snel tussen overal en nergens tevergeefs (moeten gaan) zoeken naar een ondermijningsbegrip, wat bij henzelf weer tot onbegrip leidt. 4.2

Tussen overal en nergens: onbegrip voor het ondermijningsbegrip Ondermijning is op dit moment hot, hot, hot. Iedereen heeft het erover, maar men kijkt nog te ouderwets naar de criminaliteit (Respondent (R)1, RIEC Amsterdam-Amstelland).

57

4

Ondermijningsbeelden en -verbeelding

En het was nu net de bedoeling van ‘ondermijning’, waar iedereen wat van vindt (Boutellier 2019), ook in het NZKG, om op een nieuwe manier naar criminaliteit te kijken. De Nationale Politie raadt aan dat we ‘ondermijning [moeten] zien als het constante gebeuk van georganiseerde criminaliteit (onderwereld) op onze samenleving (bovenwereld)’ (Politie.nl 2020 – online bron). Zo zijn er nog veel meer definities maar het begrip blijft vaag, zoals in hoofdstuk 2 duidelijk werd. Want ‘de speech act “ondermijning” […] gaat overal en nergens over’ en mag weliswaar ‘een mobiliserende politieke impact’ hebben (Boutellier et al. 2020, p. 11), maar in de uitvoering van de aanpak van ondermijnende drugscriminaliteit in het NZKG helpt het begrip niet tot nauwelijks. Een belangrijke rode draad in de gesprekken met respondenten is die van de onduidelijkheid over ‘ondermijning’ als nieuwe veiligheidsstrategie. Het gaat ook volgens de respondenten in deze studie inderdaad overal en nergens over. De mobiliserende impact die door ‘ondermijning’ beleidsmatig en politiek geëffectueerd wordt (Boutellier et al. 2020), wordt niet zo ervaren door de respondenten. Sterker nog, de respondenten beseffen dat het begrip (beleidsmatig) kan mobiliseren en potentie heeft, maar het is vervolgens lastig daar een concrete vertaalslag aan te geven naar de praktijk: Wat is ondermijning? Ondermijning is heel ruim.

Maar als je roept: ‘Laten we coca­ ïnesmokkel aanpakken’, dan verlies je al negen van de tien mannen omdat ze denken van: ‘Dat pakken we toch al aan?’. Maar als je roept ‘Laten we ondermijning aanpakken’, dan is iedereen heel geïnteresseerd, terwijl die cocaïnesmokkel daar ook onder valt. Het concept ondermijning verbindt op de één of andere manier: men wil samenwerking op dat gebied. Op het gebied van ondermijning is het heel erg zoeken wat je moet doen (R14, Maritieme Politie). Er mankeert nogal wat aan het begrip, volgens de respondenten, om er vervolgens strategisch adequaat en operationeel efficiënt op in te zetten. Uit de verschillende interviews blijkt dat in de praktijk maar moeilijk een definitie gegeven kan worden van ‘ondermijning’: Verder is het belangrijk om dat stukje duidelijkheid; het concreter maken van ondermijning. Het begrip is gewoon te vaag (R10, Politie Noord-Holland). Het definitieprobleem zorgt voor een verlangen naar concretisering die onverzadigd blijft. Respondenten gaan dan zelf maar het begrip invullen: Ondermijning is een containerbegrip. Ik maakte het altijd concreet, bijvoorbeeld cocaïnesmokkel over water. Je moet het zo concreet mogelijk benoemen: waar heb je het nou over bij ondermijning? (R11, Politie Amsterdam). Een collega van R11 impliceert dat duiding van het ondermijningsbegrip zou moeten beginnen bij de politieopleidingen:

58

Een spookjacht op maritieme smokkel

4.3

Ook bij opleidingen wordt het begrip ondermijning niet goed uitgelegd. […] Ondermijning is prachtig, maar wat bedoel je? Maak het concreet: we gaan op zoek naar hennepkwekerijen, malafide taxibedrijven, alle risicoschepen controleren, etc. (R8, Politie Amsterdam). Het is een ouderwets gevoel van aanbod-gestuurde modus operandi. De respondenten hebben echter meer nodig dan dat, maar krijgen het niet. De wens naar afbakening alvorens ‘ondermijning’ aan te pakken is sterk onder de respondenten, zoals duidelijk wordt gemaakt door de volgende respondent: Vroeger spraken we over georganiseerde misdaad, maar de politie kreeg het niet voor elkaar om de criminelen allemaal te pakken te krijgen. Dus iemand heeft het briljante idee gekregen om dat nu ‘ondermijning’ te noemen, dan zijn we van de georganiseerde misdaad af. […] Binnen dit containerbegrip moet een afbakening gemaakt worden (R23, Gemeente). Daarnaast, het begrip… … ‘ondermijning’ niet lijkt te werken, tenzij het een Nederlandstalig gebied is. Nederland is eigenlijk al internationaal met alle gemeentes en bestuurders. Laat staan dat het ergens anders gebeurt. […] Taal lijkt niet overeen te komen met elkaar (R28, Politie Noord-Holland).

De afwezige afbakening en het gevoel te hebben ergens tussen overal en nergens ‘ondermijning’ proberen te definiëren, duiden en bestrijden, hebben als gevolg dat respondenten het begrip zelf gaan invullen vanuit de praktijkervaring. Het invullen vanwege de begripsonduidelijkheid, vis-à-vis het vormgeven van het begrip ‘ondermijning’, vindt plaats met behulp van wat de respondenten weten, vermoeden, horen (van collega’s) en signaleren rondom specifiek de georganiseerde ondermijnende drugscriminaliteit en de oorzaken ervan. Respondenten doen dat aan de hand van verhalen die rondgaan over ‘ondermijning’ in de haven en die: a) deels voortkomen uit concrete rechercheonderzoeken, b) deels uit gedeelde ‘van horen zeggen’-politiepraat, en c) deels uit de media (vgl. Hulst 2013; Smith, Pedersen & Burnett 2014). In dit geval gingen de verhalen van de respondenten over maritieme smokkel en notoire anonieme industriegebieden. 4.3

Een spookjacht op maritieme smokkel

In de praktijk reduceren respondenten de complexiteit van ‘ondermijning’ door onderscheid te maken tussen ‘maritiem’ en ‘industrie’. Bij ‘maritiem’ wordt dan concreet gesproken over maritieme smokkel van drugs, wapens en mensen door visserijgemeenschappen. Voor wat betreft ‘industrie’ gaat het om anonieme industriegebieden in het

59

4

Ondermijningsbeelden en -verbeelding

havengebied die in de praktijk weinig met een haven te maken hebben. Een respondent zei hierover: Het is niet altijd makkelijk om dat te doen. Met de visserij was dat makkelijk want die vissers hebben het moeilijk en we weten dat ze al benaderd zijn door criminelen. […] Heel veel criminaliteit in de haven heeft weinig met de maritieme sector te maken. Heel veel criminaliteit in het havengebied is industriegebiedcriminaliteit. Ik hamer altijd om dat onderscheid te maken tussen: maritieme wereld en industriewereld (R11, Politie Amsterdam). De respondenten verstaan onder maritieme smokkel vooral de betrokkenheid van visserij in drugsmokkel en mensensmokkel, terwijl bij ondermijnende drugscriminaliteit in industriegebieden met name de anonimiteit van het NZKG, wietteelt, arbeidsuitbuiting (zoals illegale prostitutie), witwassen en vastgoedcriminaliteit benoemd werden. Waar het bij industriegebieden vooral gaat om snelle winsten door controles uit te voeren, vereist maritieme smokkel, volgens respondenten, een langere adem en zullen snelle winsten uitblijven. Denk aan controles op zee, het kanaal en bij de standplaatsen van jachthavens. Maritieme smokkel gebeurt onder andere op kades waar schepen aanmeren vanaf internationale vaarwateren.

Momenteel is het devies onder respondenten dat er écht wel cocaïne en mensen gesmokkeld worden, want het wordt geconstateerd, maar tegelijkertijd wordt vrijwel niets gevonden. De aandacht ligt daar nog niet goed genoeg op. Het blijft dus bij onderbuikgevoelens. Enkele respondenten beschrijven hoe het komt dat zij vrijwel nooit drugs tegenkomen, en als er al wat binnenkomt, het sporadisch en in kleine hoeveelheden gebeurt: Voor een deel weet ik dat er specifiek een persoon is die veel heeft verdiend met hennepkwekerijen in het havengebied. In Den Helder zijn er aanwijzingen dat mensen met maritieme smokkel geld hebben verdiend en dat geld niet kunnen uitgeven en daarmee stenen kopen [vastgoed]. […] Verder is er recentelijk een incident geweest waarbij tassen aan boord lagen van een boot die uit Zuid-Amerika kwam. Een scheepje van de [XXXX] kwam aan en dat is er eentje die activiteiten uitvoert voor een schip dat in de haven ligt. Waarschijnlijk moesten de mensen aan boord van dat scheepje de drugs van die boot afhalen. […] Wij hebben uiteindelijk die drugs onderschept. Ondanks dat wij die drugs in beslag hadden genomen, zijn er tot drie keer toe mensen aan boord van dat schip geweest, omdat ze nog niet wisten dat wij het in beslag hadden genomen. Dit weten we omdat we meldingen kregen van de kapitein die zei dat er mensen aan boord waren die er niet horen te zijn.

[…] We hadden wel bedacht dat zulke dingen spelen in de haven, maar nog niet gezien (R19, Politie Noord-Holland).

60

Een spookjacht op maritieme smokkel

4.3

Hoewel er dus signalen zijn, vragen politiemensen zich af of de focus op primair drugssmokkel wel juist is, en waarom de aanpak zich niet meer op mensensmokkel zou moeten richten: Ik vind dat de verdovende middelen moeten worden vrijgegeven, dan kunnen wij ons bezighouden met andere dingen: zedenzaken, mensensmokkel. Mensen worden als vee in een auto gestopt. Ik kan me daar niet mee bezighouden omdat ik bezig ben met drugssmokkel. Het is een illusie om verdovende middelen uit de wereld te krijgen. Verdovende middelen komen veruit het vaakst voor. We hebben ook te maken met mensensmokkel omdat er veel mensen naar Engeland willen. Mensensmokkel vind ik veel erger dan drugssmokkel. Ik heb daar [mensensmokkel] meer moeite mee, met name hoe de mensen behandeld worden. Maar de verdovende middelen zijn het meest ondermijnend. Met alle respect: als jij je neus vol douwt met coke, doe je dat toch echt zelf. Het is het gevolg, verdovende middelen hebben de grootste gevolgen op het ondermijningsgebied. We moeten niet alleen naar het vervoer van drugs kijken, maar ook naar de financiële stromen. Men weet vaak wie de criminelen zijn, maar men zegt: ‘politie gaat er toch niets mee doen’. Dat is ook ondermijnend, naar de overheid (R35, Politie Noord-Holland). Of zoals een respondent van Politie Amsterdam aangeeft: Drugs vervoeren is wel heel erg slachtofferloos.

Waarom maken we ons druk [om iemand] in de wijken die twintig gram op zak heeft en niet degenen die het invoeren? In de wijk vindt de overlast plaats, maar in de haven ben je eigenlijk slachtofferloos (R30, Politie Amsterdam). De focus van ondermijningsbeleid op maritieme smokkel van drugs is volgens de respondenten dus ergens een afleiding van de politieaandacht voor mensensmokkel. Kenmerkend voor maritieme mensensmokkel in de havens worden de ‘gebruikelijke’ ondermijnende activiteiten weerspiegeld in, bijvoorbeeld, ‘rare’ vaarbewegingen van sommige zeilschepen. Er wordt echter vrijwel nooit iets gevonden of iemand aangehouden en gearresteerd. Op camera’s wordt gezien dat, bijvoorbeeld, vier mensen aan wal komen, waarvan er drie over het hek gaan en er één achterblijft. Die ene persoon die achterblijft, is degene die de mensensmokkel zou faciliteren, gaf R19 aan. Maar met maritieme smokkel is het lastig in te grijpen, zei een andere respondent: Als je de Noordzee dichtgooit met zand, dan is er geen maritieme smokkel meer. Mensen­smokkel gebeurt hier ook. Ze huren een zeilboot, gaan naar een verhuurbedrijf en zeggen: ‘we willen een zeilboot huren’. Simpel voorbeeld om dat tegen te gaan: bij verhuurbedrijf zeggen dat je alleen met pin kunt betalen en niet met cash want dan kun je gegevens terughalen.

Je kunt nog een barrière opleggen: extra controleren van mensen die aan boord zitten, net zoals bij Schiphol. Of bij de aanschaf van een satelliettelefoon: legitimatie aan laten hangen. Als ik die voorbeelden noem, zegt men: ‘oké,

61

4

Ondermijningsbeelden en -verbeelding

oké ik snap het’, maar houd je daarmee heel het proces tegen? (R35, Politie Noord-Holland) In het invullen en concretiseren van maritieme smokkel, spelen onderbuikgevoelens een rol: Laatst is er een casus geweest die gedraaid heeft in XXXX. Het ging om een bootje dat op een strand aanspoelde en men wist niet wat men ermee moest. Ons onderbuikgevoel dacht: hier is meer aan de hand in het kader van smokkel, en met name mensen­ smokkel (R14, Maritieme Politie). Nu bleek naderhand dat er inderdaad sprake was van mensensmokkel. Dezelfde soort onderbuikgevoelens speelt ook ten aanzien van ondermijnende drugscriminaliteit in de anonieme industriegebieden 4.4

Anonimiteit en onzichtbaarheid in industriegebieden

De industriegebieden worden door criminelen met name gebruikt vanwege de anonimiteit en onzichtbaarheid. Door die onzichtbaarheid blijft het voor de gesproken politiemensen veelal bij vermoedens van ondermijnende drugscriminaliteit: In IJmuiden zit een chapter van Hells Angels maar we zien niks van die lui. Het zou uniek zijn als ze zich alleen bezig zouden houden met postzegels verzamelen. Maar we zien het niet, dus we doen iets verkeerd (R19, Politie Noord-Holland). In de gesprekken met voornamelijk de politie wordt duidelijk dat er een gevoel van onmacht heerst. In sommige gevallen geven respondenten zichzelf, al dan niet de organisatie, de schuld van het niet helder krijgen van het begrip ‘ondermijning’ en vervolgens niet zichtbaar krijgen van (erg zwakke signalen van) bepaalde ondermijnende activiteiten. Zij hebben het gevoel achter de feiten aan te lopen. Het leidt tot een soort ongeloof, zoals R29 van Politie Amsterdam uitte: ‘de cijfers zijn er niet, maar buikgevoel wel. […] Het kan niet zo zijn dat het in Rotterdam en Antwerpen zit en niet in Amsterdam’. Van het uit onmacht duiden en bestrijden van ondermijnende drugscriminaliteit in het NZKG, wordt duidelijk dat respondenten vooral moeite hebben met de anonimiteit die het industriële havengebied heeft.

Volgens hen draagt die anonimiteit bij aan de al bestaande onzichtbaarheid en ongrijpbaarheid van ondermijnende drugscriminaliteit in de haven (vgl. Eski 2016a, p. 191-195; Zaitch 2002, p. 111): Volgens mij hebben havens [...] een natuurlijke aantrekkingskracht op een segment van de bevolking dat enige vrijheid in de interpretatie van regelgeving niet schuwt.

62

Anonimiteit en onzichtbaarheid in industriegebieden

4.4

[...] Waarom daar? Kenmerken NZKG, kwetsbare locaties, toezicht, opsporing (R26, Politie Noord-Holland). Ook de grootte van het NZKG en haar haventerreinen, en de hoeveelheid havenfaciliteiten en -bedrijven zorgen voor meer anonimiteit dan in een stad, werd aangegeven: De haven leent zich om anoniem je ding te doen. En er is moeilijk zicht op te krijgen. Er zijn relatief veel bedrijven (R32, Politie Amsterdam). Die bedrijven zitten, op papier, samen in zogenaamde verzamelgebouwen, soms met ‘misschien wel 22 ondernemingen [die] achter gesloten deuren [zitten]’ (R30, Politie Amsterdam). Het gebruik van deze manier van geregistreerd staan, is volgens de respondenten een typisch ondermijnend element dat gebruikt wordt voor ondermijnende drugscriminaliteit. Daardoor worden dergelijke gebouwen verdacht en de bewegingen die er voorkomen ook: Verzamelgebouwen zitten in de haven. […] Er zit een hek om de haven, maar de haven is groot hè. Je vraagt je dan af: wat hoort er dan echt bij de haven? Er zijn schemerige gebieden. Er gaat verkeer in, maar wat moet iemand daar ’s avonds doen? (R14, Maritieme Politie). Door onoverzichtelijk veel bedrijven, verspreid over een onoverzienbaar groot gebied, is het vrijwel onmogelijk ‘met alle ondernemers contacten [te] hebben, we hebben 2200 ondernemers’, geeft R30 van Politie Amsterdam aan.

En een andere respondent van Politie Noord-Holland, R19, verklaart hetzelfde: In Amsterdam zitten bedrijfsverzamelgebouwen en daar zitten om de haverklap hennepkwekerijen, drugslaboratoria. Voor de vastgoedmensen maakt het niet uit aan wie ze verhuren, want ze willen hun geld verdienen. Het zeehavengebied in Amsterdam is heel uitgestrekt dus daar val je niet echt op. Dat is hetzelfde als je in de polder in boerderijen drugs aantreft. Je hebt niet direct buren die zicht hebben op je erf. In IJmuiden is er ook sprake van onzichtbaarheid en anonimiteit, daar zitten veel oude industrieterreinen. Die gebieden raken dus allemaal onbewoond, waardoor het minder publiek toegankelijk is en dan kun je veel dingen doen zonder dat dat gezien wordt (R19, Politie Noord-Holland). Zaitch (2002) beschrijft in zijn onderzoek dat de haven van Rotterdam als transnationaal knooppunt dient voor de internationale cocaïnehandel. Mede doordat het veel anonimiteit en ongrijpbaarheid biedt aan de georganiseerde misdaad, leidt dat bij de respondenten van dit onderzoek soms tot enige onmacht (vgl. Eski 2016b). Ook de wisseling in de bezetting van (met name kleinere) bedrijfspanden in het NZKG, de pandgebruikers/-beheerders maken het gebied vrijwel oncontroleerbaar:

63

4

Ondermijningsbeelden en -verbeelding

Men weet dan gewoonweg niet wat er zich afspeelt achter de gevels van de panden. Van tijd tot tijd [...] telkens weer verrassingen [...] in de vorm van een xtc-lab, hennepkwekerijen, illegale bedrijfsvoeringen en huisvestingen (bewoning), niet-vergunde bouwactiviteiten en administratieve overtredingen van diverse wetgeving (R26, Politie Noord-Holland). Het is de haven die unieke kansen biedt aan de ondermijnende drugscriminaliteit in vergelijking met andere gebieden. Sterker nog, enkele respondenten gaven aan dat in het bijzonder het NZKG veel meer ondermijnende drugscriminaliteit aantrekt dan de Rotterdamse of Antwerpse haven, omdat die havens duidelijkere begrenzingen hebben. In het NZKG liggen de woonwijken tegen de haven aan en zelfs ín de haven: Door die vervlechting is het moeilijk om het havengebied te onderscheiden. En dat maakt het ook moeilijk (R23, Gemeente). Kortom, de grootte van de haven, de hoeveelheden bedrijven en vluchtige doorloop van ze, en dat zij en masse in verzamelgebouwen geregistreerd staan in het NZKG, brengen vermoedens teweeg dat ondermijnende drugscriminaliteit onzichtbaar is en blijft. Daarom zou ondermijnende drugscriminaliteit als eerste agendapunt geprioriteerd moeten worden en opvolging verdienen. Dat laatste gebeurt echter niet genoeg, wat bij veel respondenten tot verbijstering en zelfs frustratie leidt. 4.5

Lage prioriteit en weinig opvolging

Terwijl we tijdens een actiedag in het NZKG mee waren met Politie Amsterdam, maar ook de FIOD, het Havenbedrijf en de Inspectie Leefomgeving, werd die middag aangekondigd dat het Team Bestrijding Ondermijning van de Dienst Infrastructuur, Politie Amsterdam door capaciteitstekorten zou worden opgeheven (Tieleman & Voskuil 2020). Ter plekke gaven respondenten aan dat daardoor de aanpak van ondermijnende drugscriminaliteit tot een utopie verwordt, want ‘we lopen al achter de feiten aan’, werd gezegd. Er werd ook aangegeven dat het niet alleen belangrijk is om prioriteiten te stellen, maar ook goed is na te denken wie in teams worden gezet en al werkzaam zijn in het havengebied. De reorganisatie van de Dienst Infrastructuur van de Politie Amsterdam heeft volgens respondenten grote zorgen met zich meegebracht, waarbij ze vrezen voor hoe een ‘willekeurige’ politieagent uit een basisteam nu zou moeten afgaan op meldingen uit de haven terwijl niet iedere politieagent met hetzelfde oog kijkt naar de haven. Die politieagenten met affiniteit en ervaring in de haven zien signalen die een ‘normale’ stadswijkagent niet zou zien. Dat zorgt ervoor dat ondermijnende drugscriminaliteit nóg ongrijpbaarder wordt, volgens respondenten.

Enkele respondenten maakten deel uit van het Team Bestrijding Ondermijning en voor hen is het volledig onbegrijpelijk dat juist dít team ermee moet stoppen, juist omdat zo de ondermijnende drugscriminaliteit vrij spel wordt geboden. Daarnaast, het tast de geloofwaardigheid van de eigen organisatie aan:

64

Lage prioriteit en weinig opvolging

4.5

De aparte club die ondermijning bestrijdt is opgeheven sinds kort. Daarnaast wordt team Water-Havens ook gereorganiseerd binnenkort. We gaan alleen nog een team ‘Water’ worden en het industriegebied gaat naar de basisteams. Dat zal voor mij effecten hebben. De effecten van de reorganisatie zullen groot zijn. Het wisselen van leidinggevenden gebeurt al veel, maar als de teams ook steeds aan het wisselen zijn, vraag ik me af in hoeverre de politie betrouwbaar is om mee samen te werken (R20, Politie Amsterdam). We hebben nu bij Politie Amsterdam een reorganisatie. Haven is mindere prioriteit. Amsterdamse Eenheid wil geen aparte dienst meer die alleen in de haven zit. Haven verdwijnt op de achtergrond. Als [Landelijke Eenheid] kun je daar denk ik wel een sterkere rol spelen. Er is nu veel kennisvernietiging, veel mensen die weggaan en ergens anders solliciteren en je maakt het criminelen makkelijker. Gezien de groei van de economie en globalisering zal dat havengebied steeds belangrijker worden. […] We kunnen als politie de haven niet belangrijk maken: het is een neerwaartse spiraal. Het is geen prioriteit, want er gebeurt niks en we zien niks, dus er is geen prioriteit. Terwijl je onderbuikgevoel wel zegt dat er iets mis is, bijvoorbeeld activiteiten midden in de nacht met loodsen, hekken die kapot zijn (R27, Politie Amsterdam).

Deze vicieuze cirkel van deprioritering van de aanpak van ondermijnende drugscriminaliteit wordt ook in de Noord-Nederlandse zeehavens en transportknooppunten in Noord-Brabant en Zeeland geobserveerd bij en door handhavende partijen (Eski et al. 2020; Struiksma et al. 2020; Van Nimwegen et al. 2021). Alleen door te blijven kijken en zoeken in de havens, vind je wat, zo is de gedachte. Dat komt omdat de haven een heel ander terrein is dan een normale woonwijk: Het komt erop neer dat je naar het [haven]gebied moet kijken. Daar is een heel andere dynamiek. De dingen die het meebrengt [zijn] anders van omvang en aard dan bijv. haven Rotterdam. De handhaving wordt ook op een ander vlak toegepast. Daar [laat men] steken vallen. De overheid heeft een terugtrekkende beweging gemaakt t.a.v. nautisch gerelateerde dingen (R32, Politie Amsterdam). Door ondermijnende drugscriminaliteit niet te prioriteren en door minder aanwezigheid in het NZKG, wordt het gebied extra aantrekkelijk voor CSV’s, gaf R34 van de Omgevingsdienst aan. In het bijzonder drugssmokkel via het water wordt dan aangetrokken, werd verteld: Er was een melding van een lege container bij een bedrijf in XXXX waarin drugs aangetroffen waren. Die container kwam uit XXXX. Daar heb je wel een link met het NZKG en de ondermijnende activiteiten.

En via het water komt veel binnen, maar we zijn een basisteam, dus we moeten ons toezicht verdelen over al onze inwoners. De haven krijgt niet de prioriteit (R22, Politie Noord-Holland).

65

4

Ondermijningsbeelden en -verbeelding

Bij de Politie Amsterdam werd verklaard dat, omdat Amsterdam slechts als cultuurstad en niet als havenstad bekendstaat, de prioritering in de aanpak anders is: In Amsterdam is er nog geen besef dat haven Amsterdam bij de top zes grootste havens van Europa hoort en de grootste cacaohaven heeft. Amsterdam profileert zich niet als een havenstad zoals Rotterdam en Antwerpen. Er is geen bewustzijn van belang en grootte van haven Amsterdam. Wij zijn een stad van toerisme, media, culturele en creatieve sector, geen stad van de havens (R27, Politie Amsterdam). Zo werd aangegeven door twee respondenten van de Landelijke Eenheid, R2, werkzaam bij de Dienst Landelijke Informatieorganisatie en R3, werkzaam bij de Dienst Landelijke Recherche, dat bij kleinere partijen cocaïne het makkelijker is om het via andere logistieke manieren te laten plaatsvinden. Zo is volgens hen de veiligheidscultuur in Amsterdam minder ontwikkeld dan in de haven van Rotterdam. Als controles harder worden, dan wordt het op zee overgebracht en dan zie je dat andere havens aantrekkelijker worden, zoals jachthavens. Invloed op die jachthavens is daarmee wel van belang. Jachthavens zijn in handen van criminelen of groepen die tegen het criminele circuit aanhangen.

Het wordt duidelijk dat door die beeldvorming van Amsterdam als niet per se een havenstad, het moeilijk is om politieagenten bereid te krijgen voor het NZKG. De stad Amsterdam wordt namelijk als belangrijker beleefd, terwijl de haven als belangrijk voor de stad gezien zou moeten worden en dus prioriteit verdient: Jaren geleden was er maar één wijkagent in dit gebied. Dat was gek, want we zijn zo belangrijk voor regio Amsterdam. Na een zware lobby is ervoor gekozen om meer mensen op dat havengebied te zetten. […] Team Haven werd ondergebracht bij team Infra. […] We hebben niet alleen de zeehaven, maar ook het binnenwater van Amsterdam. Heel veel collega’s zijn geneigd om de stad in te gaan, en aan het havengebied wordt pas aandacht besteed als er een melding komt (R30, Politie Amsterdam). Het vicieuze aan het deprioriteren van de aanpak in de haven van bovenaf is dat het vervolgens onderop leegloopt. Als vanuit de leiding ondermijnende drugscriminaliteit niet als prioriteit gezien wordt, waarom zou het dan op operationeel niveau wel als prioriteit gezien moeten worden, vragen de respondenten in de uitvoering zich af. Op die manier blijft het NZKG volgens hen (nog) anoniem(er dan andere havens), omdat er gedeprioriteerd wordt, maar ook omdat er nauwelijks tot geen opvolging plaatsvindt vanuit de handhaving.

Dat gebeurt zelfs niet als er concrete signalen komen over georganiseerde, ondermijnende drugscriminaliteit terwijl die signalen al zo sporadisch zijn: Er zijn hennepplantages gevonden in panden in de haven en vervolgens wordt dat niet opgepakt. […] Ik zie veel controles van boten en dan voldoen ze bijvoorbeeld niet aan

66

Lage prioriteit en weinig opvolging

4.5

bepaalde zaken en dan zie ik heel vaak dat men zegt: ‘het klopt niet, maar vaar maar verder’. Waar ik naartoe wil, is dat er veel meer opvolging komt op zulke zaken. Ik merk dat team Water-Havens moeilijk te activeren is. Ze doen wel hun dingetjes qua controle en handhaving, maar qua ondermijning kan daar winst behaald worden. Er zijn veel meer dingen mogelijk. Dat gaan we voor het hele havengebied an sich toepassen […] Volgens mij gebeurt het niet echt; de aanpak. Maar ik hoop dat nu we werken met portefeuillehouders, dat wel beter wordt opgepakt. Er zijn genoeg signalen, maar je moet het ook wel willen zien. Het ligt eraan hoe je kijkt naar de haven en [gaat] kijken naar bijv. auto’s die staan op doodlopend stuk weg en [gaat] denken: ‘dat klopt niet’ (R36, Politie Amsterdam). Door het nauwelijks tot niet prioriteren en ook door het niet doorpakken, voelt de aanpak voor respondenten als ‘dweilen met de kraan open’. Door de lage tot niet-bestaande prioritering en het nauwelijks opvolgen van signalen kan de politie slechts zichtbare en makkelijk inwisselbare individuen uit de georganiseerde ondermijnende drugscriminaliteit oppakken. Echter, de ondermijnende structuren blijven bestaan, zo vinden respondenten.

Om de uiterlijke schijn om te zetten in daadwerkelijke slagkracht moet de politie niet uitsluitend doen aan handhaving als bezigheidstherapie – er moet richting een eindpunt gewerkt worden van géén ondermijnende drugscriminaliteit meer, aldus R2 en R3. Daarbij is het zaak dat meer naar het totaalplaatje gekeken gaat worden, in plaats van gefabriceerde onderscheiden te gaan maken, zoals R1 uitlegt: Om een voorbeeld te geven van investeringen in vastgoed in de haven: bij deze [Paki­ staanse] netwerken heb ik gezien dat ondernemingen die mij opvielen vanuit importactiviteiten voor o.a. toko’s in Amsterdam-Zuidoost ook te linken waren aan smokkelactiviteiten via de passagiersstromen en die onder andere loodsen/pandjes bezaten in de Amsterdamse haven. Daar waar processen als smokkel door middel van slikkers, vracht door lucht en over zee uit elkaar getrokken worden in onze praktijk, omdat we er ooit voor gekozen hebben om eenieder verantwoordelijk te maken voor een deelproces, zie je dat je veel beter zicht krijgt op de ondermijningsaspecten wanneer je het geheel overziet. Je begint met een ‘simpele’ slikker op een luchthaven en komt uit in investeringen in o.a. een havengebied. Ben destijds naarstig op zoek geweest naar experts die met mij mee konden denken over al die Pakistanen die huiseigenaren werden terwijl ze nog maar twee jaar in NL zaten.

Maar niemand kon me verder helpen omdat Pakistanen alleen in beeld kwamen met ondergronds bankieren en that’s it. Dit was 2015. We leven nu in 2019 en ik laat aan jouw verbeelding over, hoeveel investeringen er intussen gedaan zijn in onze legale wereld (R1, RIEC Amsterdam-Amstelland). Dergelijke overzichten van het geheel worden wel degelijk gemaakt, vertelt een respondent:

67

4

Ondermijningsbeelden en -verbeelding

Dat [dan] de ondermijningsagenda zou kunnen werken, maar je moet het wel anders doen. Politie is geneigd om vanuit subjecten te werken, maar dat doen wij in ons project niet: we werken uit gebeurtenissen. Dat werkt veel beter (R10, Politie Noord-Holland). Bij het in beeld brengen van ondermijnende drugscriminaliteit dient men thema-overstijgend te worden. In interviews werd meerdere malen aangegeven om criminele zaken als netwerken te gaan zien, waar criminelen actief zijn, en wie daarbinnen wat precies doet. Daarbij moet gelet worden op wat voor onroerend goed deze mensen hebben, en welke invloed er uitgeoefend wordt op rechtspersonen, en hoe je daar dan weer achter komt. Kortom, er dient zicht verkregen te worden op netwerken van families, vrienden, rechtspersonen, bankrekeningen, ondernemingen en de groeimodellen die worden gehanteerd door de netwerken – dit alles bezien vanuit strategische grondposities. Om meer van dergelijke totaalplaatjes te maken en te doorgronden, is niet alleen prioriteit en opvolging nodig, maar ook betere samenwerking beargumenteren de respondenten, waarover het volgende hoofdstuk gaat. 4.6

Subconclusie

In ons onderzoek wordt duidelijk dat respondenten moeite hebben met het begrip ‘ondermijning’, maar dat zij tegelijkertijd wel sterk alert zijn op ondermijnende elementen en de onzichtbaarheid die hiermee gecreëerd wordt voor criminele en malafide praktijken. Dat besef ten aanzien van ondermijnende onzichtbaarheid en ongrijpbaarheid, frustreert de handhaving, in het bijzonder in de uitvoering op straat en bij de recherche. Kortom, de term ‘ondermijning’ en de aanpak werkt weliswaar beleidsmatig, maar de abstractie van ‘ondermijning’ in de praktijk frustreert. Het kan professionals in de uitvoering zelfs verlammen, omdat ‘ondermijning’ over van alles en niets gaat. Terwijl er wel feitelijke ondermijnende drugscriminaliteit plaatsvindt in het NZKG. Dus hoewel door de term ‘ondermijning’ de overheid meer integraal is gaan denken als één overheid, vragen professionals zich af waar de ondermijningsaanpak in het havengebied zich concreet op moet richten. Maar ook of de verschillende disciplines – van uitvoeringsdiensten tot aan inspecties – er wel hetzelfde onder verstaan. De geconstateerde operationele frustratie wordt versterkt door al heersende frustratie over de onaantastbaarheid van ondermijnende havengerelateerde drugscriminaliteit (‘we krijgen er maar geen zicht en greep op’).

Ofwel, onduidelijkheid over het concept ‘ondermijning’, inmiddels erkend in de literatuur (Boutellier et al. 2020), had (volgens beleidsmakers) tot een eenduidige aanpak moeten leiden. Echter, juist in de vertaalslag ervan naar de praktijk leidt het tot een te uiteenlopend begrip van fenomenen, tot deprioritering en vage casuïstiekbepaling, en tot onduidelijke samenwerkingsverbanden. In het extreemste geval leidt het tot een gevoel van onmacht bij respondenten. Dit alles tezamen wordt in de samenwerkingsaanpak van ondermijnende drugscriminaliteit in het NZKG verder gecompliceerd omdát de haven en ‘het maritieme’ op zich al een hypercomplex domein vormen met vrijwel perfecte broeiomstandigheden voor ondermijnende drugscriminaliteit.

68

5.1

5

Samenwerkingsrealiteit en -tegenstrijdigheid

In dit hoofdstuk gaan we in op de samenwerkingsrealiteit en -tegenstrijdigheid onder de respondenten in de handhaving, waarbij wordt nagegaan hoe samenwerking zich verhoudt tot (het) ondermijning(sbegrip). Ook wordt stilgestaan bij welke motivatie er is voor het samenwerken en wat dat voor invloed heeft. Daarnaast wordt besproken wat er zoal ondernomen wordt aan samenwerkingsinitiatieven, -projecten en -verbanden. Als laatste wordt ingegaan op de rol van regievoering (en het gemis ervan) in de samenwerking en hoe publiek-private samenwerking zich manifesteert. 5.1

Samen tegen ondermijning, ondermijning tegen samenwerking?

In het vorige hoofdstuk werd duidelijk dat het begrip ‘ondermijning’ tot veel onduidelijkheid en onbegrip leidt. Het bewerkstelligt onder de respondenten een verlangen naar en concretisering van het begrip, waardoor er vervolgens een eigen interpretatie en invulling aan gegeven wordt. Net zo goed als dat het de eigen verbeelding verwart en vertroebelt, gooit het ondermijningsbegrip ook roet in het eten qua samenwerking: ‘Samen werken’ kan iedereen, maar ‘samenwerken’ is een probleem, want dan moet je gemeenschappelijke problematiek weten te vinden en kijken naar: wat is het [ondermijnings]beeld van mij en wat is het [ondermijnings]beeld van de ander? Dat heb ik in mijn achterhoofd gehouden. […] Op het onderwerp ‘ondermijning’ ben ik erachter gekomen dat wat voor mij als politie heel logisch is, niet voor mijn collega’s zo is. Zij hebben een andere kijk op het woord ‘veiligheid’ waardoor we elkaar niet raakten. […] Definities vinden we lastig, want ondermijning is ongrijpbaar. Als je blijft steken in definities, en in ‘onzichtbaar’ en ‘is het wel mijn probleem’…, dan komt er niets van (R29, Politie Amsterdam).

Naast de politie, gaven ook andere partijen, zoals het Havenbedrijf, aan dat er gedeelde onduidelijkheid heerst over het begrip ‘ondermijning’: De samenwerkende partijen denken van elkaar ook dat men niet weet wat ondermijning nu precies is, laat staan hoe een effectieve integrale aanpak ervan kan uitzien (R9, Havenbedrijf).

69

5

Samenwerkingsrealiteit en -tegenstrijdigheid

De integrale aanpak kan dus gedwarsboomd worden door integrale onduidelijkheid over begripsbepaling. Zodoende, al bij de aanvang van samenwerking ‘Welk probleem delen we eigenlijk?’, werkt het ondermijningsbegrip niet verhelderend voor de samenwerkingsoriëntatie. Terwijl het begrip juist in de uitvoering toch zou moeten mobiliseren – dat is waar de aanpak zich moet concretiseren. Het uitblijven van die concretisering van samenwerking door integrale onduidelijkheid is volgens de respondenten de oorzaak voor ontbrekende regievoering: Afgelopen jaren ben ik heel erg betrokken geweest met ondermijningsprojecten en overal in het land werd of Ondermijning genoemd, of Maritieme smokkel. Ik heb toen gesprekken gevoerd met diverse partijen over: ‘Hoe kunnen we hier nou coördinatie over krijgen?’. Ieder gebied loopt tegen problemen aan op ondermijnings- en smokkelgebied, maar wat is de verbindende factor? (R14, Maritieme Politie). Een partij die regie pakt of durft te pakken, is maar moeilijk aan te wijzen en partners in de strijd tegen ondermijnende drugscriminaliteit blijven daarom vooral naar elkaar kijken: Het onderwerp [ondermijning] is van niemand en daarmee van iedereen. Bij NCTV heeft het ook jaren geduurd om een convenant te krijgen om informatie te kunnen delen. […] Het heeft met belangen te maken. […] ‘Terrorisme’ en ‘radicalisering’ zijn ook vage begrippen.

NCTV zegt: ‘We hebben een coördinator nodig’. ‘Ondermijning’ kan hetzelfde probleem hebben: coördinatie vanuit ministeries is niet een OM-dingetje, maar gaat over de ministeries heen (R28, Politie Noord-Holland). Dit geldt niet alleen voor de politie, maar ook bij andere partners, zoals het Havenbedrijf: Partijen kijken veel naar elkaar maar er gebeurt niks. Bijvoorbeeld, DNKG [Directeurenoverleg Noordzeekanaalgebied] directeuren voelden ineens dat er wat gedaan moest worden met ondermijning, maar men weet nog steeds niet wat er mee gedaan moet worden […] Het is niet goed duidelijk wat het Havenbedrijf ermee moet op dit moment. […] Er wordt ook vooral naar de politie en gemeente gekeken vanuit het Havenbedrijf, terwijl de gemeente nu juist weer kijkt naar het Havenbedrijf wanneer het gaat om de aanpak van ondermijnende havencriminaliteit (R9, Havenbedrijf). Door regieloosheid blijft het thema ‘ondermijning’ in de samenwerking ‘zeuren’: Heel veel ondermijnende aspecten kunnen doorjakkeren, omdat niemand zich verantwoordelijk voelt voor die onderwerpen; ze [samenwerkingspartners] willen wel betrokken worden maar zich niet verantwoordelijk voelen (R25, Politie Amsterdam).

70

Samen tegen ondermijning, ondermijning tegen samenwerking?

5.1

Alles tezamen leidt het tot een samenwerking(srealiteit) die vanaf het begin al dreigt te vervallen in (operationele) vervaging van probleemeigenaarschap: van ‘niet mijn zorg’ tot aan ‘kijken naar elkaar’. Er lijkt daarmee een diffusie van verantwoordelijkheid te heersen bij de betrokken professionals en de respondenten bij de politie gaan in plaats van samen op eigen initiatief aanpakken: Als je gaat vragen bij de gemeente is nog niet duidelijk wie daar moet handhaven. Omgevingsdienst krijgt opdracht van stadhuis om dat te dogen, maar wij als politie hebben daar last van. Wij zeggen dan als politie: we bezoeken die panden wel. Maar dat is niet onze taak. Dat is ingewikkeld: wie is waar verantwoordelijk voor. Daar faciliteer je bepaalde dingen mee. Dat vind ik gewoon slecht. De gemeente is ook een beetje tegenstrijdig; Havenbedrijf is een beetje gemeente. Dat maakt het ingewikkeld. Het Havenbedrijf heeft financiële belangen en dat is tegenstrijdig met de aanpak van criminaliteit (R36, Politie Amsterdam). Het op eigen houtje opereren kan leiden tot hoe dat kleine, niet goed zichtbare ondermijnende drugscriminaliteit wel gesignaleerd wordt, maar mede door te hoge caseload en daarmee gepaard gaande te hoge werkdruk, niet genoeg geprioriteerd wordt om samen daarop structureel op te volgen: Er is zoveel te doen in Amsterdam, maar zo weinig capaciteit.

De haven zal niet snel prioriteit krijgen omdat er weinig over gemeld wordt. Voor de FIOD geldt: we draaien een zaak als het een goede zaak is waar wij onze meerwaarde in kunnen zetten. We zijn een kleine club. Het is dus continu nadenken: wat weegt zwaarder. Het is continu keuzes maken. Een onderbuikgevoel met: ‘het zal niet kloppen’, dat gaan we niet zo snel oppakken. Kom dan maar eerst met heldere signalen (R38, FIOD). Dergelijke demotivatie kan van negatieve invloed zijn op, bijvoorbeeld, bewijsvergaring. Bewijsgebrek, in het bijzonder voor de politie, kan in extreme gevallen leiden tot een opschorting van een zaak. Dat komt onder andere doordat vanuit het bewijsgebrek door de politie geanticipeerd wordt dat een officier van Justitie er niet genoeg heil in zou zien zitten: Veel strandt omdat je te maken hebt met een officier [van Justitie] die naar verschillende belangen kijkt. Mijn idee is ook dat de officier een inschatting maakt van: ‘wordt dit een hoofdpijndossier?’. Zo krijg je vaker een ‘nee’ dan een ‘ja’ (R27, Politie Amsterdam). Kortom, ‘ondermijning’ als begrip werkt de integrale samenwerking in de aanpak ervan al vanaf het begin af aan tegen. Dat gebrek aan probleemeigenaarschap, regie over wie wat bepaalt en welke visie de hoofdzakelijke is, remmen de aanpak van ondermijnende drugscriminaliteit in het NZKG.

Politie en partners trekken zich sneller terug in de eigen organisatie en, daarmee, in de eigen visies op ondermijnende drugscriminali-

71

5

Samenwerkingsrealiteit en -tegenstrijdigheid

teit en aanpak ervan. Die toevlucht in de eigen ideeën heeft als gevolg een (nog meer) verbrokkelde, ongecoördineerde en niet zo innovatieve samenwerking (Torfing 2019). Deze observatie staat haaks op hoe respondenten, vooral bij de politie, wel heel graag partijen samenbrengen en íets willen doen samen. 5.2

De ijzeren wil tot samenbrengen en samen iets doen

De integrale onduidelijkheid over het ondermijningsbegrip dwarsboomt deels samenwerking. Toch houden respondenten (stug) vol te willen samenwerken in de aanpak van ondermijnende drugscriminaliteit, en wel om verschillende redenen: In beginsel is samenwerken leuk: jij weet iets, ik weet iets, laten we het samen leggen. En dat moet je wel willen. Daar hoort ook het ontwikkelen van een nieuwe werkwijze en strategie bij (R37, RIEC Amsterdam-Amstelland). In het bijzonder samenwerking op uitvoerend niveau wordt belangrijk gevonden en gewild, maar dat is vooralsnog niet goed op orde: Toen bespraken we dat we vooral op operationeel niveau elkaar moesten vinden [nl. douane, FIOD, en politie]. En zodra we iets van ondermijnende criminaliteit tegen zouden komen, zouden we dat naar RIEC Amsterdam-Amstelland brengen. Echter is dat nooit gebeurd. Of dat komt omdat het niet gezien wordt, of omdat de verbinding niet lekker is, dat weet ik niet. […] In het RIEC-verband konden we er toen geen vinger achter krijgen, en ik heb het idee dat dat nu ook niet is. Het zit ’m niet in de wil (R38, FIOD). Men ervaart ook een dergelijke sterke wil tot samenwerken, omdat anders, zo wordt gevreesd, ondermijnende drugscriminaliteit niet aangepakt wordt door te weinig capaciteit: Capaciteitsgebrek nodigt wel uit tot creativiteit. Je kunt bijvoorbeeld meer gaan samenwerken met private partijen in de haven.

Dus daar kan op ingezet worden (R38, FIOD). Voor de samenwerking is wel eerst een duidelijke definitiebepaling nodig: Wat is er nodig voor aanpak ondermijning? Commitment van alle partijen, een afbakening van wat je wel en niet doet en je dan beperken tot die taken die je hebt afgebakend. Verdeling van rollen en taken is nu een issue: dat begint bij de definitie van ondermijning. Binnen dit containerbegrip moet een afbakening gemaakt worden. En daarna moeten we kijken: wat kunnen we wel of niet doen met deze club mensen om dit aan te pakken (R23, Gemeente).

72

De ijzeren wil tot samenbrengen en samen iets doen

5.2

Het commitment, waar R23 naar verwijst, zagen we terugkomen in het eerste Structurele Overleg Ondermijning (SOO). Daar kwamen ideeën op tafel over het ondertekenen van een ‘intentieverklaring’ om dat commitment voor structurele overleggen vast te leggen; het waren vooral de politieagenten die graag het structurele als garantie zouden willen zien. Er is van die verklaring nooit meer iets gekomen, want de SOO’s werden na vier keer geannuleerd. In de wil tot samenwerking zit volgens Boutellier et al. (2019) ook het durven te proberen en experimenteren met samenwerken, onder andere door middel van projecten op te zetten en daartoe initiatief te nemen. Respondenten geven aan dat het NZKG van groot maatschappelijk en economisch belang is, waarin zowel publieke als private partijen dat samen moeten willen en durven: Je moet durven investeren op een paar onderwerpen die laaghangend fruit kunnen zijn. Maar dat moet je wel willen en kunnen organiseren. Succes dwing je af. Wat ik zie en ervaar is dat we snel terugvallen op waar we primair voor zijn en we moeilijk over grenzen heen willen kijken en in kansen willen denken. Daar zijn wel stappen gezet, maar mijn persoonlijke ambitie was wel hoger (R29, Politie Amsterdam).

Ook de volgende respondent voert veel projecten uit in het NZKG en voor wie het gevoelsmatig een kwestie van vallen en opstaan is: Accepteer dat je nooit het probleem in kaart brengt, maar experimenteer met innovatieve methodieken en ga aan de slag. Criminelen krijgen pas last als we er iets aan gaan doen. Vertrouwen in het team; collegialiteit brengt je verder. Je moet elkaar helpen. Wat zijn de symptomen, oorzaken, onderliggend probleem en wat is eigenlijk onze onderzoeksvraag/probleemstelling. Dat is ongelooflijk ingewikkeld met verschillende partijen. […] Durf met aannames te werken. Ga op je bek, maar experimenteer. Practice what you preach! (R11, Politie Amsterdam). De wil tot samenwerken gaat gepaard met een realistisch gedachtegoed dat overheidspartijen elkaar nodig hebben en het niet alleen kunnen. In de motivatie zit eveneens een ambitie tot preventieve afschrikking, ‘want iets doen is beter dan niets doen’, lijkt het gedachtegoed van respondenten. Anders, zoals criminoloog Fijnaut aangaf betreffende het stopzetten van een anti-corruptiebeleid in het anti-drugsteam Kali in de Antwerpse haven (Attilah 2020 – online bron), ‘geef je je lot in handen van zij die het meest gewelddadig opereren in de haven. […] Je zegt eigenlijk: ‘Kom maar binnen met die cocaïne’. Vandaar dat er in het NZKG de noodzaak ook gevoeld wordt om te samenwerken.

Zoals meerdere respondenten herhaaldelijk zeggen: Een goede samenwerking is noodzakelijk. […] Vanuit die samenwerking kan ook initiatief genomen worden om naast de bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handha-

73

5

Samenwerkingsrealiteit en -tegenstrijdigheid

ving alternatieve middelen in te zetten om overtreders tot de orde te brengen (R26, Politie Noord-Holland). Het gaat dan niet alleen om afschrikken, maar ook om innoveren op juridisch vlak. Daarnaast, vanwege de hypercomplexiteit van havengebieden en de uiterst gefragmenteerde bestuurlijke inrichting van het NZKG, is het extra belangrijk – zeker in vergelijking met de Rotterdamse haven – samen te werken in de aanpak van ondermijnende drugscriminaliteit. Daarmee verwordt integrale samenwerking voor respondenten vooral een kwestie van het aanpakken van het versnipperde handhavingslandschap van het NZKG. Daarbij moet wel duidelijk blijven dat het doel blijft het aanpakken van ondermijnende drugscriminaliteit: Je doet het met z’n allen, dus je moet met z’n allen de eer delen. […] Maar ja, ik denk van: als ze maar gepakt worden. Of dat nou door ons is gedaan, de FIOD of de douane, dat boeit mij niet (R30, Politie Amsterdam). Maar dat hoofddoel staat vanwege de hypercomplexiteit van havengebieden en de gefragmenteerde bestuurlijke inrichting van het NZKG onder druk: In Rotterdam heb je een zeehavenpolitie. Amsterdam heeft dat georganiseerd in de Dienst Infrastructuur. Daardoor krijg je niet de specialisatie zoals in andere regio’s. In Amsterdam heb je meerdere portefeuilles in één dienst, maar je hebt wel te maken met meerdere overheden.

Als je dat allemaal meeweegt, krijg je een versnipperde aanpak en problemen in het registratiesysteem. Bijvoorbeeld, gemeente Zaandam pakt zaken in het havengebied anders aan dan gemeente Velsen. Dat zorgt voor allerlei uitdagingen waardoor je [jezelf] afleidt van de hoofdtaak: hoe pakken we criminaliteit aan en ondermijning in de haven. Wij krijgen veel op ons bordje als politie, terwijl we het niet kunnen aanpakken (R27, Politie Amsterdam). Er moet opgepast worden dat het doel, namelijk de aanpak, niet het middel wordt en samenwerken niet het doel wordt (vgl. Grodal & O’Mahony 2015). Een van de respondenten gaf blijk van een heroriëntatie door de doel-middelomwisseling, zoals hoe er overdreven veel aandacht is voor het niet genoeg informatiedelen met elkaar: Toezicht wordt door diverse partijen uitgevoerd. In de haven van IJmuiden kunnen wij ambtenaren van Zeehaven IJmuiden NV, de gemeente, provincie, omgevingsdienst, ISZW, NVWA, ILenT, brandweer, politie en douane aantreffen, elk belast met een vorm van toezicht of handhaving, zonder dat zij op de hoogte zijn van elkaars activiteiten. Resultaten van toezicht worden ook (te) weinig gedeeld […] Mijn ervaring is destijds geweest dat men [samenwerking] best een sympathieke gedachte vindt, maar dat de uitvoering al snel gefrustreerd werd door individuele belangen van de diverse partners.

Men wil graag eigen boontjes doppen en zit niet te wachten op bemoeienis of inmenging van, bijvoorbeeld, de politie (R26, Politie Noord-Holland).

74

Het (bewust)zijn van één overheid: samenwerkingsinnovatie, frustratie en amateurisme

5.3

Enigszins gekscherend gezegd, bestaat er een soort integrale ‘Fear Of Missing Out’ (FOMO) die redelijk argwanend en frustrerend kan werken op de samenwerking. In sommige gevallen kan het leiden tot het weerhouden van samenwerking: Ik merk bij overleggen soms wel terughoudendheid. Wij als politie hebben vaak een andere beleving bij dingen. Bij de gemeente probeer ik ook bewustzijn te creëren dat je niet iedereen overal kunt inschrijven. Gemeente is vooral servicegericht en wij als politie hebben een andere kijk op dingen. Huurders worden niet gecheckt. Gemeenten moeten aan de bel trekken om verdachte huurders te screenen. Zo kun je van tevoren veel meer uitsluiten. [….] Ik ben destijds bij die [SOO] bijeenkomst geweest maar heb er niks meer van gehoord (R36, Politie Amsterdam). Vanwege de doel-middelomwisseling denken respondenten sneller een terugtrekkende beweging te zien van andere partijen richting hun eigen organisatie(belangen). Men denkt tegengewerkt te worden. Daardoor zijn zij kritischer over de samenwerkingsbereidheid van andere organisaties en veel meer dáár mee bezig dan met het aanpakken van ondermijnende drugscriminaliteit zelf: Samenwerken is ongelooflijk lastig. Iedereen denkt vanuit z’n eigen organisatie. De politie moet vaak direct acteren. De Belastingdienst gaat vaak twee weken rondlopen, nadenken, een plan maken en dan pas wat doen.

De politie wil het liefst gisteren al aan de slag zijn. Elkaar vinden is iets waar we tegenaan lopen. […] FIOD was vroeger gesloten, langzamerhand komen we open, maar een deel van de mensen hier zeggen ‘we kunnen het wel zelf ’. Sommigen vinden het al lastig om met de eigen collega’s samen te werken, laat staan met mensen van een andere organisatie (R38, FIOD). Kort samengevat, er is een sterke wil tot samenwerken aanwezig onder de respondenten. In sommige gevallen lijkt de wil zo groot dat de aanpak van ondermijnende drugscriminaliteit ondergeschikt is aan de samenwerking. Die wil tot samenwerking leidt dan onbedoeld soms tot (te) hoge verwachtingen van elkaar, fricties en zelfs terughoudendheid, juist omdat iedereen te veel bezig is met elkaars (on)wil tot samenwerken. 5.3

Het (bewust)zijn van één overheid: samenwerkingsinnovatie, frustratie en amateurisme

Wat in de voorgaande paragraaf al naar voren kwam, is dat met betrekking tot de ijzeren wil tot samenwerken, het een kwestie is van verwezenlijking, daadwerkelijk iets doen: ‘niet lullen, maar poetsen’, zoals ze dat in Rotterdam zeggen, en zo ook in het NZKG. Overigens, het is niet zo dat in het (obsessief) willen samenwerken in projecten en initiatieven men zomaar lukraak ergens in duikt. In het zoeken naar gewillige individuen en samenwerkingsdoeleinden wordt geleerd van voorgaande initiatieven:

75

5

Samenwerkingsrealiteit en -tegenstrijdigheid

We hebben nu die Quadrivium-actie5 in stukken gehakt en die willen we uitrollen. Harlingen is daar heel ver in. Zij pakken een paar keer per jaar die actie op om de zee te verbinden tot aan de haven. Dat willen we in [de havens van] Amsterdam en IJmuiden ook gaan uitrollen. Een tijd terug ben ik daar bij de teamchef geweest en de teamchef had niet echt het idee dat de haven van politie was, in plaats van de waterpolitie [die niet meer bestaat]. Een paar maanden terug hebben we de eerste besprekingen gehad met de wijkagenten van de Marechaussee en politie om verbinding te zoeken met de ‘zee’ (R14, Maritieme Politie). Op basis, en met kennis, van acties, zoals Quadrivium, wordt samen al het een en ander ondernomen. Verschillende projecten en initiatieven hebben gelopen of lopen nog steeds in het NZKG, namelijk: het project Maritieme Smokkel (Politie Noord-Holland); het project Fabricius waaruit het Haventeam IJmuiden (Politie Noord-Holland) is voortgekomen; en het Team Water-Havens (Politie Amsterdam) dat onder andere verantwoordelijk is voor de actiedagen in het Amsterdamse havengebied. Hier volgt een overzicht van de projecten met daarin opgenomen de ervaringen van verscheidene respondenten die betrokken zijn (geweest) in de projecten en/of teams.

Project Maritieme Smokkel Het project Maritieme Smokkel richt zich op de aanpak van maritieme smokkel via de binnen- en buitenhavens van Noord-Holland, door van reactief en repressief optreden de slag te maken naar gezamenlijke, proactieve aanpak op fenomeenniveau. Daarbij staan centraal het terugdringen van drugssmokkel, integriteit van de visserijbranche en criminele aankopen van vastgoed in havengebieden. Het project Maritieme Smokkel hecht veel waarde aan het proberen van nieuwe methoden en leren over wat werkt en wat niet. Uitproberen, experimenten, innoveren en mogen falen zijn centrale kenmerken van de vernieuwende methode van werken, aldus de projectleiders. Het project zet in op voorlichting, training en netwerkbijeenkomsten, het verstevigt de samenwerking in breder verband dan de RIEC-partners en het vergroot de bestuurlijke weerbaarheid. Ook zijn diverse coaches van het Organized Crime Fieldlab actief die de individuele deelnemers in het traject begeleiden in het samenwerken. De teams werken aan de hand van de strategische driehoek van publieke waarden van Moore (2013) en verder worden behaalde resultaten aan de hand van Rijker Verantwoorden verantwoord. In dit project zijn bijna vijftig professionals betrokken, verdeeld over drie multidisciplinaire autonoom opererende teams die actief zijn op het gebied van jachthavens, visserij en vastgoed in Noord-Holland.

Daaronder vallen het OM, de NVWA, Douane, Kustwacht, Politie, KMar, FIOD, RIEC, Belastingdienst, diverse gemeenten en de provincie. Betrokkenen in het project Maritieme Smokkel zijn overwegend positief over de ontwikkeling en voortzetting van het project. De focus ligt duidelijk op drie thema’s en 5

76

‘Tal van overtredingen bij bedrijvencomplex Westpoort’ (Het Parool, 2019): https://www.parool.nl/nieuws/ tal-van-overtredingen-bij-bedrijvencomplex-westpoort~b7eddcd6/.

Het (bewust)zijn van één overheid: samenwerkingsinnovatie, frustratie en amateurisme

5.3

specifieke groepen, zoals de vissersgemeenschap. Daarmee wordt het project in eerste instantie als succesvol beschouwd, omdat het project het begrip ‘ondermijning’ concretiseert door afbakening. Er zijn politieonderzoeken bij elkaar gebracht over ‘subjecten’ (lees: individuen), zoals scheepsbemanning. Aan de hand van, wat heet, informatieonderzoeken (met bijbehorende opsporingsbevoegdheden), is het doel echter niet het aanhouden van deze mensen, maar voornamelijk het in beeld brengen van logistieke maritieme smokkelprocessen en cruciale rollen: ‘die informatie kan wel handig zijn, want nu weten we niet of het een probleem is’ (R10, Politie Noord-Holland). Op basis van die informatie is een beeld gecreëerd van maritieme smokkel in een deel van het NZKG, in het bijzonder IJmuiden en Den Helder. Alle vermoedens rondom maritieme smokkel als ondermijnende drugscriminaliteit werden onderbouwd, werd verklaard. De analyse van de verschillende politieonderzoeken leidde tot een overzicht van rond de vijftig à zestig mensen die aan maritieme smokkel deden in Noord-Holland: Het doel is het crimescript vullen. Want wij willen het proces van ongeregelde vaart in kaart brengen: vanaf de cocaïneplant tot aan de neus. […] Er [zijn] drie integrale [project Maritieme Smokkel] teams opgericht op visserij, op onroerend goed en op jachthavens.

Als wij als opsporingsonderzoek iets gaan onderzoeken, moet het wel in verhouding staan tot de andere teams. We hebben dus die vijftig à zestig geselecteerd door te zoeken naar verbanden binnen onze teams (R35, Politie Noord-Holland). Het project Maritieme Smokkel richt zich zodoende vooralsnog met name op samen (in)zicht en greep krijgen. Integrale samenwerking middels integraal optreden is nog niet evident, zoals dat bij het project Fabricius wel is, mede door overgang van het project naar het Haventeam IJmuiden. Fabricius/Haventeam IJmuiden (Politie Noord-Holland) Het project Fabricius had tot doel het havengebied van IJmuiden veilig en schoon te maken. Onderdeel daarvan was het herkennen van ondermijnende drugscriminaliteit en van barrières ervoor. De informatiepositie in IJmond zou niet goed genoeg zijn geweest, omdat er geen duidelijk beeld was van wat er speelt aan ondermijnende drugscriminaliteit in het gebied. In het project stonden drie werkgroepen centraal die aan de hand van informatie, communicatie en in de operatie aan de slag zijn gegaan. De werkgroepen waren multidisciplinair en bestonden uit vertegenwoordigers van onder andere OM, politie, gemeente, Belastingdienst, Koninklijke Marechaussee en Douane. Daarboven werd strategisch overleg georganiseerd.

Uit het project is het Haventeam IJmuiden voortgekomen dat onder andere zorgt voor integrale controles, en overleg pleegt ter bevordering van zicht op ondermijnende drugscriminaliteit. Betrokken respondenten in project Fabricius en/of het Haventeam IJmuiden waren over het algemeen positief over het initiatief:

77

5

Samenwerkingsrealiteit en -tegenstrijdigheid

Vanuit mijn rol bij DRIO (Dienst Regionale Informatie Organisatie) zit ik ook bij het havenoverleg IJmuiden. Dat is een voortzetting van project Fabricius. Fabricius had als doel ondermijning te herkennen en barrières te herkennen. We zitten slecht in informatiepositie in IJmond en daardoor hebben we niet een goed beeld van wat daar speelt. We proberen dit nieuw leven in te blazen. We zijn in december [2019] […] bij elkaar geweest, daarbij zat in plaats van de douane de gemeente Velsen. We moeten iets anders bedenken om zicht te krijgen (R19, Politie Noord-Holland). In het project is flink wat tijd en geld geïnvesteerd, wat zijn vruchten heeft afgeworpen. Vandaar dat een langdurige voortzetting wenselijk was en het als Haventeam IJmuiden is doorgezet. Dat team kreeg als opdracht om ‘de boel recht te zetten in de haven’ (R23, Gemeente). Het Haventeam heeft rondgekeken of er elders in Nederland voorbeelden waren van dergelijke teams, maar die waren er niet, zo werd verklaard. Het Haventeam IJmuiden handelt proactief: Van tijd tot tijd werden in de IJmuidense haven zgn. ‘witte-vlekkenprojecten’ gehouden, waarbij telkens weer verrassingen opdoken in de vorm van een xtc-lab, hennepkwekerijen, illegale bedrijfsvoeringen en huisvestingen (bewoning), niet vergunde bouwactiviteiten en administratieve overtredingen van diverse wetgeving (R26, Politie Noord-Holland).

Er ontstond een private samenwerking via BIZ (bedrijven-investeringszone), waarvan IJmuiden als eerste havengebied in Nederland een BIZ kreeg. Er werden zaken over cameratoezicht geregeld en er werden afspraken gemaakt met politie en gemeente voor zogenaamde ‘schoon, heel en veilig’ bedrijven. Dat betekent dat cameratoezicht en behulpzaamheid van de BIZ-bedrijven in samenwerking met boa’s en collega’s werk uit handen hebben genomen van het Haventeam IJmuiden. Daardoor had het ‘minder te doen’ en is ‘dat haventeam de laatste drie à vier jaar […] uit elkaar aan het vallen’, verklaart R23 (Gemeente). Begin 2019 heeft het Haventeam IJmuiden de focus gelegd op de hoeveelheid garagebedrijven in het havengebied. Daarbij werden gegevens over geregistreerde auto-gerelateerde bedrijven (bijv. autospuiterijen, autoverkoop, garagebedrijven, e.d.) aangevuld met gemeentelijke gegevens. Die werden dan weer geanalyseerd om een beeld van risicobedrijven te krijgen. Deze waren deels onaangekondigd gecontroleerd maar er waren geen overtredingen met betrekking tot, bijvoorbeeld, milieuwetgeving geconstateerd. Daarnaast is in het kader van de aanpak een nieuwe bedrijfslijst opgemaakt op basis van locaties met onbekend gebruik, waar ooit een bedrijf gevestigd is geweest, of dat het bedrijf failliet is gegaan, verhuisd of beëindigd en of er geen nieuw bedrijf is gevestigd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10613468/1