CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

rapport van verhalen naar verbalen.pdf

Raadscommissie Algemene Zaken 14 oktober 2021, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Bestuurlijke reactie op rapport Van verhalen naar verbalen, aanpak ondermijning in Noordzeekanaalgebied (ZD2021-012804)35.645 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Tevens is er een aantal haven specifieke partners verbonden aan dit project (zie verder paragraaf 5.3 van dit rapport). Gezien de verschillende vormen van ondermijnende drugscriminaliteit in havens, en specifiek in het NZKG, alsmede de aanpak ervan in dat gebied, is op te maken dat ondermijnende drugscriminaliteit en de aanpak ervan iets doen met het NZKG. Het NZKG zou tot op zekere hoogte als een broedplaats bestempeld kunnen worden voor allerlei soorten vormen van ondermijnende drugscriminaliteit, in het bijzonder maritieme smokkel van met name cocaïne. Maar wat dienen we onder ‘ondermijnende drugscriminaliteit’, en breder, ‘ondermijning’, te verstaan en welk begrip hanteren wij in dit onderzoek?

33

2

2.3

Context en kadering van ondermijnende drugscriminaliteit in het NZKG

Wat is ‘ondermijning’?

Er is veel aandacht voor het thema ‘ondermijning’, dat een relatief nieuw maar veelgebezigd begrip is geworden in het veiligheidsdomein (Boutellier et al. 2020). Wanneer de politie erover spreekt, wordt gewaarschuwd voor een vergaande ‘vermenging van de bovenwereld en de onderwereld’ die ‘ons allemaal raakt’ en het Openbaar Ministerie maakt zich ernstig zorgen over een soort criminaliteit die maatschappelijke structuren of het vertrouwen daarin schaadt (ibid.). Na tien jaar aanpak van ‘ondermijning’ is nog steeds geen echt meetbaar resultaat terug te vinden (Kootstra & Muntz 2019). Sterker nog: ‘Er is ondermijningsmoeheid aan het ontstaan,’ zoals Hoogenboom tegen onderzoeksplatform Follow the Money zei (De Koning 2019 – online bron). Bruijn (2019) noemt de aanpak van ondermijning een verkapte ‘war on drugs’. Wij beschouwen ‘ondermijning’ als een sensitizing concept (Blumer 1954) en passen het daarmee toe als een begrip dat niet alleen wetenschappers maar ook de samenleving, in het bijzonder politici, beleidsmakers en journalisten attendeert op verschijnselen waarvoor speciale aandacht nodig is. In die betekenis is het begrip zonder meer succesvol te noemen en kunnen we spreken van ‘ondermijnisering’ (Boutellier 2019), als een vorm van securitisering van de maatschappij (Buzan, Wæver & De Wilde 1998; Schuilenburg 2017).

In het maatschappijbrede en abstract, vindt er dus iets plaats, maar het komt erop aan vervolgens wel zo concreet mogelijk te worden, zowel in de diagnose als in de aanpak van ondermijning (Boutellier et al. 2020). Vooral via opsporingsonderzoeken ontstaat dan zicht op wat gaande is (Kruisbergen et al. 2012). Relevant hier is hoe dat de minister van Justitie en Veiligheid spreekt over ‘ondermijnende criminaliteit’: Ondermijnende criminaliteit is misdaad die de burger bedreigt en de buurt besmet. Ondermijnende criminaliteit is misdaad die georganiseerd en welbewust gewone mensen in hun degelijke bestaan omstrengelt. De onderwereld die de bovenwereld aantast (minister van Justitie en Veiligheid, Ferdinand Grapperhaus, 21 juni 2018 – online bron). De liquidatie van advocaat Derk Wiersum is een voorlopig dieptepunt door de ondermijnende criminaliteit. Voor het eerst is in Nederland een advocaat vermoord om zijn formele rol in een strafproces in het kader van de georganiseerde drugscriminaliteit. ‘Een aanslag op onze rechtsstaat’, aldus minister Grapperhaus. De liquidatie zette de zaak nog meer op scherp. Algauw deden er rigoureuze plannen de ronde: hogere bedragen voor kroongetuigen, de inrichting van een nieuwe ‘narcobrigade’ en oproepen aan de consument om geen drugs meer te gebruiken (Boutellier 2019).

Het gevolg is de oprichting van een Multidisciplinair Interventie Team (MIT) dat de komende jaren uitgroeit tot een team van ongeveer vierhonderd extra specialisten om de aanpak van georganiseerde ondermijnende criminaliteit te versterken. Ondanks de goede bedoelingen moeten we wel realistisch blijven denken – er zijn geen silver bullets voor een alomvattend én niet te vatten probleem dat in de loop van decennia groeide (Boutellier 2019).

34

Wat is ‘ondermijning’?

2.3

Het woord ‘ondermijning’ zorgt namelijk voor verwarring, met als gevolg dat het overal en nergens over gaat. Georganiseerde criminaliteit is niet een primair onderdeel van ondermijning, maar eerder de organisatie die zit achter misdaad dat een ondermijnend effect lijkt te hebben op de samenleving (Boutellier, Hermans & Van de Plas 2019; Huisman & Kleemans 2017). Criminaliteit wordt ondermijnend genoemd zodra legale markten, branches en structuren misbruikt worden ten behoeve van illegaal (geldelijk) gewin (Tops & Tromp 2017). Denk bijvoorbeeld aan het witwassen van illegaal verkregen geld in de reguliere economie of via illegale handelingen druk uitoefenen op functionarissen om bepaalde corrupte handelingen te verrichten of niet te verrichten (Tops & Tromp 2019). Daarbij moet met name worden gedacht aan de wereld van drugsproductie en -handel, het dumpen van afval, het witwassen van de bedragen die daarin omgaan (zoals de Amsterdamse horeca) (Tops & Tromp 2020), het inzetten van jonge drugskoeriers, het intimideren en corrumperen van regulerende professies (politie, douane, advocaten) (Eski & Buijt 2014) en van bestuurlijke processen (druk op gemeenteraden of bedreiging van burgemeesters) (Boutellier et al. 2019). Ondermijning schurkt zodoende aan tegen het begrip georganiseerde misdaad, waarbij het vooral om de effecten op de reguliere samenleving gaat (Van der Steen et al.

2016). Door de verwarring wordt het concept ondermijning geproblematiseerd, ook in onderzoek naar havengerelateerde criminaliteit en -beveiliging (Staring et al. 2019; Struiksma et al. 2020). Er lijkt geen vaste definitie gegeven te kunnen worden van ondermijning. Het begrip wordt zelfs omschreven ‘als potpourri van uiteenlopende problemen’ en ‘vormt eerder een hinderpaal voor een gerichte aanpak’, waarbij ‘de vraag op[komt] wat de toegevoegde waarde is van het concept ondermijning ten opzichte van het begrip georganiseerde criminaliteit’ (Salet et al. 2019, p. 1733). Ondermijning als begrip verdient daarom verscherping om er wetenschappelijk onderzoek naar te kunnen doen en uiteindelijk een heldere praktische implementatie voor de aanpak ervan te geven. Maar dat alles wel met inachtneming van hoe ondermijning op verschillende manieren geïnterpreteerd kan worden door zowel de wetenschappers, de beleidsmakers als de politieagent op straat. We moeten er iets mee kunnen én over kunnen blijven nadenken – dat in circulaire zin. Vandaar dat voor dit onderzoek het begrip ondermijning afgebakend is door inspiratie te ontlenen uit situationele criminaliteitspreventieliteratuur aan de ene kant (zodat we er wat mee kunnen), en door lessen en waarschuwingen uit literatuur over securitisering aan de andere kant (zodat we erover kunnen blijven nadenken).

In de situationele criminaliteitspreventie (SCP)- theorie gaat het erom zo delict-specifiek mogelijk te worden wanneer een veiligheidsfenomeen bestudeerd wordt. Als dergelijke specificiteit ontbreekt, blijven specifieke maatregelen en handelingsperspectieven namelijk uit (Clarke 2009; 1983), ook ten aanzien van georganiseerde (drugs)criminaliteit (Kleemans 2017a 2017b; Von Lampe 2011). De SCP-theorie heeft een sterke verklaringskracht van criminaliteit omdat het de situationele context centraal stelt, in plaats van alleen de dader; het versmallen van die interpretatie van plaats en context kan leiden tot een verminderde verklaringskracht (Kleemans 2017a, p. 2). Daarom stelt SCP dat inzicht in situaties en

35

2

Context en kadering van ondermijnende drugscriminaliteit in het NZKG

dadermotivaties samen (ten opzichte van elkaar) bestudeerd moeten worden, zonder daarbij te vervallen in ‘het steeds smaller interpreteren van het theoretische begrip “situationele context” tot het uiteindelijk niet meer is dan een (X,Y)-coördinaat’ (ibid., p. 3). Daarom is het zaak om ‘ondermijning’ specifiek genoeg te conceptualiseren waarbij rekening gehouden wordt met hoe de (criminaliteit)situatie zélf ingebed is in bepaalde sociale, culturele, economische en politieke contexten (Edwards & Levi 2008, p. 368; Von Lampe 2011, p. 158). Tegelijkertijd dient de begripsvorming van ‘ondermijning’ in essentie altijd betwist te blijven worden, en vandaar dat we voor dit onderzoek ondermijning, net zoals het begrip ‘veiligheid’ (Buzan 1991: 7), als een ‘wezenlijk betwist begrip’ hanteren (‘essentially contested concept’ in Gallie 1955). Net zoals veiligheid namelijk, maar in veel kortere tijd, heeft ondermijning ‘zoveel betekenissen en connotaties [gekregen] dat het moeilijk – zo niet onwenselijk – is om tot een waterdichte definitie te komen’ waar te statische opvattingen een dialoog over ‘ondermijning’ ons in de weg zouden staan (Van Steden 2008, p. 1).

Hoewel er met moeite een vinger gelegd kan worden op ‘veiligheid’, weet iedereen wel ongeveer wat ermee wordt bedoeld (ibid.), maar bij ‘ondermijning’ lijkt dat veel minder het geval (Huisman 2017), in het bijzonder wanneer het gaat om de juridische implementatie ervan (Tuk & Vols 2018). Misschien nog wel veel meer dan bij veiligheid hebben we bij ondermijning te maken met te veel definitieonduidelijkheid (Salet et al. 2019) en dat manifesteert zich (daarom) in nog meer preoccupatie met het te (be)noemen en (be)grijpen. Ofwel, we zijn in de ban van een ondermijningsobsessie (Eski & Boelens 2019, p. 193193): niemand weet wat het is, waardoor iedereen denkt te (willen) weten wat het is. Die obsessie weerspiegelt zich in hoe ‘iedereen overgevoelig [lijkt] ten opzichte van alles en iedereen, wat zich laat vertalen in de bedreven politiek rondom en politisering van ondermijning’ (ibid.). Het ligt dus in de aard van (het) ondermijning(sconcept) om allerlei partijen aan te trekken die vanuit de eigen visie een (be)grip willen krijgen en geven, zoals dat met veiligheid gebeurt (Zedner 2009). Het is zoals met licht dat motten aantrekt; hoe meer motten erop afkomen des te minder fel het brandt, en meer motten op steeds minder fel licht afkomen (Eski 2016, p. 43).

Of het nu markt-, handhavingsof wetenschappelijke partijen zijn; hoe vaker, en hoe meer partijen ‘ondermijning’ definiëren, des te meer onduidelijkheid, des te meer definities door meer partijen, des te meer onduidelijkheid, ad infinitum. Ondermijning mobiliseert dus partijen, want het trekt aan – en tegelijkertijd frustreert het de gemobiliseerde partijen. Dit is een zeer vicieuze werking van het ondermijningsconcept, waar we zo veel mogelijk rekening mee hebben geprobeerd te houden. Het begrip ondermijning kenmerkt zich dus als een voortslepende maar nooit afgeronde definitiekwestie, waarbij definitiepogingen tot definitieonduidelijkheid van ondermijning leiden. Deze fluïde betekenis van het ondermijningsframe kan als katalysator functioneren voor ‘intensievere en ruimere inzet van huidige bevoegdheden en […]

36

Wat is ‘ondermijning’?

2.3

dat kan voor rechtsstatelijke problemen zorgen’ (Tuk & Vols 2018, p. 1711). Ondermijning is dus, in zekere zin, een zelfondermijnend en potentieel gevaarlijk begrip. Gezien deze aard van het ondermijningsbegrip en in het specificeren van ondermijning tot bepaalde vormen ervan, zoals bij SCP (Clarke 2009 1983; Edwards & Levi 2008; Kleemans 2017a 2017b; Von Lampe 2011), onderschrijven we dat het ondermijningsbegrip altijd geconceptualiseerd moet worden met een notie van wat mensen in naam van ‘ondermijning’ doen, of in ieder geval denken te doen. Daarom is het dus zaak dat er gefocust wordt op het beleid en de praktijk rondom de aanpak van ondermijning hoe daarover wordt gedacht en vorm aan wordt gegeven (vgl. Valverde 2011, p. 5). In dit verband wordt gesproken over ‘ondermijnisering’ (Boutellier 2019), waarbij het, zoals bij securitisering, gaat om ondermijning als politiserende speech act (Boutellier et al. 2020), ook in de havens (Eski 2016; Cowen & Bunce 2006). Daarom was de verwachting dat het in het NZKG bij ondermijnisering niet alleen zou gaan over ondermijning en de aanpak ervan als fenomenen an sich, maar ook – vanuit de sociaal-constructivistische leer bezien – om het verbeelden en concretiseren van deze fenomenen.

We hebben daarom het ondermijningsbegrip gebruikt om te begrijpen wie wat doet onder het mom van ‘ondermijning’ – wie dus ondermijniseert – in het NZKG, met betrekking tot welke problemen en bedreigingen, voor wie dat wordt gedaan, en waarom, en met welke resultaten en in welke omstandigheden (vgl. Buzan et al. 1998, p. 32). Het gaat in dit onderzoek dus om wat de respondenten vinden van ondermijning (als begrip) en hoe zij daaraan vormgeven, ook in de aanpak. Het gaat dan vervolgens ook om wat ondermijning en de aanpak ervan ons vertelt over de politie en betrokken partijen in het NZKG. Ofwel, het gaat dus eveneens om de sociale, culturele, juridische en politiek-economische contexten waarbinnen ondermijning geconstrueerd en geconcretiseerd wordt (vgl. Browning & McDonald 2011, p. 251). Het bestuderen van ondermijning en ondermijnisering in de haven, zoals securitisering in de haven (Cowen & Bunce 2006, p. 436), betreft in deze studie daarom ook het doorgronden van de grotere institutionele logica’s die op de achtergrond een belangrijke rol vervullen in de ondermijningsaanpak en soms kunnen botsen met elkaar (Friedland & Alford 1991; Greenwood et al. 2011; Thornton et al. 2012). Daarbij speelt dat dergelijke (botsingen tussen) institutionele logica’s in relatie tot de professionele (groeps)identiteit zich ontwikkelen (Lok 2010).

Ook bij de politie op organisatorisch en individueel niveau wordt namelijk identiteit ontleend uit de eigen institutionele logica’s; logica’s die overeenkomen of juist conflicteren met andere institutionele logica’s binnen de eigen organisatie en van andere organisaties (Terpstra & Salet 2019). Ter illustratie hier even plat gezegd: als politie wil je ‘boeven vangen’ en als douane wil je ‘geld vangen’, en dat zijn (soms botsende) institutionele logica’s die zorgen voor een identiteit als politieagent en als douanier. ‘Ondermijning’ heeft op die manier als begrip aan ons laten zien waar overeenkomsten en fricties tussen verschillende institutionele logica’s kunnen zitten, en hoe die vanuit de achtergrond van invloed waren op de respondenten als veiligheidsprofessionals (Rowley & Weldes 2012). De institutionele logica’s, hun gerelateerde identiteiten en de

37

2

Context en kadering van ondermijnende drugscriminaliteit in het NZKG

botsingen daartussen waren bij de respondenten merkbaar in hun verbeelding van ondermijning, alsmede in hun beleving van de samenwerkingsaanpak en informatiedeling. In deze verkennende empirische studie naar ondermijning en de aanpak ervan ging het daarom niet per se om een ‘ware’ betekenis van het ondermijningsconcept te vinden, maar om het erkennen en bestuderen van het wezenlijk betwisten van het concept, en de uitwerking ervan op en invulling eraan door veiligheidsprofessionals in het NZKG. De veiligheidsprofessionals van deze studie zijn de onderzochte respondenten bij politie en betrokken partijen, waaronder het Openbaar Ministerie, de Douane, FIOD, private beveiligers, en gemeenten, maar ook samenwerkingsverbanden, zoals het RIEC Amsterdam-Amstelland en RIEC Noord-Holland. Hoe kijken zij tegen ondermijning en de aanpak ervan aan? Wat is hun rol, volgens henzelf? En hoe wordt dat door hen beleefd in relatie tot ingewikkelde verbanden tussen ondermijning en andere grensoverschrijdende fenomenen (Goldstein 2010, p. 489), zoals de transnationale drugssmokkel? Valt er wat te zeggen over eventuele sociale interacties tussen organisaties en (sub)culturele componenten in de samenwerking (vgl. Konopinski 2008), waarin ondermijning en de aanpak ervan culturele betekenis krijgt (Ochs 2010, p.

4)? In deze studie ligt er daarom ook een focus op hoe de ondermijning en de aanpak ervan interacteert met de kijk op ondermijning en de handhavingsbeleving van de respondenten (ibid. 14). Tijdens de dataverzameling in het veld, voornamelijk gedurende interviews en participerende observaties (en wat minder met de enquête en gedurende de dossieranalyse), hebben we dus ook gelet op retoriek en verbeelding, alsmede op praktische invulling aan de ondermijningsaanpak (ibid. 42). Om deze reden is de empirische verkenning in zekere zin een beproeving van, contrast met, correctie op, al dan niet afwijzing van, de hier gepresenteerde kadering van ondermijning. Want ook de respondenten van deze studie, zoals elke andere veiligheidsactor, ontwikkelen hun eigen (theoretische) kijk op ondermijning en handelen daarnaar. Die kijk en dat handelen hoeven niet per se overeen te komen met een bepaalde theorie of ideologie (Rowley & Weldes 2012, p. 524). Wij hebben er daarom bewust voor gekozen om het ambigue en contextuele van ondermijning te erkennen en er mee te werken, wat zowel recht doet aan ondermijning als wezenlijk betwist begrip (Van Steden 2008), als dat het de eerdergenoemde aanbeveling van continue dialoog en reflectie ter bevordering van kennisvorming in acht neemt (Bottoms 2007, p. 113).

Daarvoor hebben we wel een concretiserende conceptuele slag gemaakt voor dit onderzoek door het vizier scherp te stellen en te richten op specifiek de ambiguïteit van (het discours rondom) ondermijning als ‘drugsindustrie en alle illegale activiteiten daaromheen’ (Boutellier et al. 2020, p. 13), in dit geval in het NZKG. Vandaar dat we in relatie tot deze studie spreken over ondermijnende drugscriminaliteit. Die ambigue veelheid aan contextuele aspecten, individuele standpunten en het samenspel daarvan in het domein van de ondermijnende drugscriminaliteit en aanpak ervan in het NZKG, hebben wij als een caleidoscoop toegepast. Met die calei-

38

Wat is ‘ondermijning’?

2.3

doscoop zijn we namelijk gaan kijken naar en in het NZKG om er verhalen te verzamelen en praktijken te documenteren. Daarbij ging ook aandacht uit naar institutionele logica’s die op de achtergrond aanwezig en soms (schijnbaar) tegenstrijdig waren; tegenstrijdigheid die juist in de maritieme transportsector eerder is geobserveerd (vgl. Cowen & Bunce 2006; Eski 2016). Dergelijke caleidoscopische aandacht doet ertoe, omdat met begrip van die complexe en dieperliggende aspecten, inzicht verschaft wordt in… …[d]e manier waarop de verschillende actoren een begrip definiëren en karakteriseren, is relevant voor [wetenschappelijk] onderzoek [naar ondermijning]. De invulling die zij hieraan geven, houdt immers verband met de manier waarop zij over de oorzaken ervan nadenken. Op zijn beurt heeft dat een impact op de keuzes die binnen criminaliteitspreventie en -controle worden gemaakt (Staring et al. 2019, p. 15). Als de verbeelding en (coöperatieve) aanpak van ondermijnende drugscriminaliteit in het NZKG (schijnbaar) tegenstrijdig wordt ingevuld, kan dat tot vicieuze, misschien wel desastreuze, paradoxen leiden.

Door het verkennen en begrijpen van respondenten in hun verbeelding en beleving van ‘ondermijning’, en samenwerking en informatiedeling in de aanpak ervan, hebben we enkele neigingen van (paradoxale) zelfondermijning weten bloot te leggen, waartoe wij aanbevelingen doen; aanbevelingen die gericht zijn op voorkoming van het paradoxale in de aanpak van ondermijnende drugscriminaliteit en ter bevordering van (keuzes rondom) ondermijningsaanpak, samenwerking en informatiedeling. Voordat we toekomen aan de inhoudelijke behandeling van onze bevindingen vanaf hoofdstuk 4 tot en met 6, staan we in het volgende hoofdstuk eerst nog even stil bij de onderzoeksmethoden.

39

3.1

3

Onderzoeksopzet

In dit hoofdstuk beschrijven we onze onderzoeksopzet, waarbij we ingaan op de gekozen methodologie, welke respondenten we hebben benaderd en welke onderzoeksmethoden we hebben gebruikt. Ook staan we kort stil bij de data-analyse. 3.1

Methoden

Om de onderzoeksvragen te beantwoorden, is gebruikgemaakt van een literatuurstudie, interviews, een enquête en dossieronderzoek. Het uitgangspunt van onze methodologie vormt het verkrijgen en (interpretatief) begrijpen van verhalen van de respondenten (Weber 1980), alsook de manier waarop praktische invulling werd gegeven aan die verhalen. Het zijn namelijk juist die verhalen die iets laten zien over de invulling van het begrip ‘ondermijning’ en de manier van aanpak van ondermijnende drugscriminaliteit in de praktijk. Kortom, de verhalen van de respondenten zeggen iets over de formulering en uitvoering van de strategie-als-praktijk (Brown & Thompson 2013). In het onderzoek hebben we daarom helder proberen te krijgen waar – volgens de respondenten – de moeilijkheden, overeenkomsten en verschillen zitten ten aanzien van ondermijnende drugscriminaliteit in het NZKG en de aanpak ervan. Hiermee verkregen wij inzicht in de betekenis die respondenten geven aan en ontlenen uit werkprocessen, alsook in de manier waarop zij hun besluiten maken (Ardley 2006). 3.1.1

Literatuur- en documentenstudie

Om meer inzicht te krijgen in ondermijnende drugscriminaliteit in de Nederlandse havengebieden, en met name het NZKG, is het onderzoek gestart met (en daarna voortdurende) literatuur- en documentenstudie, waarvan hoofdstuk 2 in principe de verslaglegging vormt. Daarbij keken we onder andere naar literatuur over de stromen en processen waarlangs ondermijnende activiteiten (kunnen) plaatsvinden in de haven en de facilitators die daarbij een rol spelen. De gebruikte literatuur was afkomstig onder andere uit stukken die enkelen van onze onderzoekers eerder schreven, en gevonden stukken die op diverse manieren (bijvoorbeeld door het gebruik van diverse zoektermen, of de sneeuwbalmethode) via internet naar boven kwamen. Verder is relevante documentatie bestudeerd over het NZKG, zoals overzichtsstudies, criminaliteitsbeelden, jaarcijfers en beleidsdocumenten. Ook is een inventaris gemaakt van nieuwsberichten en andere soorten media. Eveneens is relevante theorie rondom veiligheid/securitisering en ondermijning/ondermijnisering bestudeerd.

41

3

Onderzoeksopzet

3.1.2

Interviews met politie en betrokken partijen

Het hart van dit onderzoek ligt in de 51 semigestructureerde interviews. Het grootste deel van de respondenten is werkzaam binnen de politieorganisatie van de eenheden Amsterdam en Noord-Holland. Daarbinnen is gefocust op de uitvoering van de aanpak van ondermijnende drugscriminaliteit in het NZKG. Via onze adoptanten hebben wij de meesten van hen benaderd. Het andere deel van de respondenten werkt voor andere publieke partijen of voor publiek-privaat/private partijen. De laatstgenoemden zijn geworven door aan het einde van onze uitgezette enquête (hierover later meer) te vragen of zij openstonden voor een interview. Een aantal respondenten liet de gegevens achter, waardoor wij een telefonisch interview met hen konden afnemen. In de tabel Respondenten wordt een overzicht van alle respondenten gegeven.

Tabel 1 Respondenten Interviews met politie en betrokken publiek en/of private partijen (N=51)1: Publieke partijen (N=34): • Politie Amsterdam (N=12) • Politie Noord-Holland (N=9) • Politie Dienst Landelijke Recherche (N=2) • Politie Dienst Landelijke Informatie-organisatie (N=1) • Maritieme Politie (N=1) • Belastingdienst (N=1) • Douane (N=1) • FIOD (N=1) • RIEC Amsterdam-Amstelland (N=3) • OM Amsterdam (N=1) • Omgevingsdienst (N=1) • Gemeente (N=1) Publiek-privaat/private partijen (N=17): • Havenautoriteit (N=4) • Havenbedrijven (N=13) 1 Voor een uitgebreide participantenlijst, zie Bijlage 1.

Tijdens elk interview is gebruikgemaakt van een topiclijst die is opgesteld op basis van de onderzoeksvragen en inzichten uit de literatuur. Voor de interviews met publieke partijen werd een andere topiclijst gebruikt dan voor de interviews met publiek-privaat/private partijen. In de interviews met de eerstgenoemden, werd met name ingegaan op de verkenning van en de kennis over ondermijning in het NZKG en de samenwerking met ketenpartners. Tijdens de semigestructureerde interviews met publieke partijen werden met alle respondenten steeds alle kernthema’s besproken uit de topic­ lijst, maar de verdere invulling van het interview werd bepaald door de aard, functie en kennis van de respondent. De ervaringen en perspectieven van de respondent over de besproken thema’s stonden centraal tijdens de interviews. Tijdens de interviews met publiek-privaat/private partijen gingen we met name in op de ervaringen van respondenten met ondermijnende drugscriminaliteit in het NZKG, alsook op hun mening over de manier van de aanpak ervan. De mate waarin de thema’s

42

3.1

Methoden

uit de topiclijst werden besproken met de respondenten, hing af van het feit óf ze ooit te maken hebben gehad met ondermijnende drugscriminaliteit. Een aantal van de respondenten gaf namelijk aan dat ondermijnende activiteiten niet voorkwamen in dat gebied waardoor het interview vrij snel ten einde kwam. De meeste interviews zijn face to face afgenomen. Door de coronacrisis waren wij genoodzaakt om een aantal interviews met publieke partijen en alle interviews met publiek-privaat/private partijen telefonisch dan wel via Microsoft Teams af te nemen. Bijna alle interviews zijn met schriftelijke dan wel mondelinge toestemming van de respondent, opgenomen met een voicerecorder. Vervolgens zijn de interviews woordelijk getranscribeerd. Een aantal interviews is niet opgenomen, maar is wel direct uitgewerkt aan de hand van de aantekeningen van de onderzoekers. Alle transcripten zijn geanalyseerd door middel van Atlas.ti Cloud waarop paragraaf 3.3.1 dieper ingaat. 3.1.3

Participerende observaties

Tijdens het onderzoek hebben we op verschillende momenten (N=11) participerende observaties gedaan. Zo woonden we om te beginnen de voorbereidingen van verschillende integrale één-overheid-optredens in het NZKG bij, alsook de optredens zelf en de evaluaties ervan. Concreet ging het om de voorbereidingen, uitvoering en evaluatie van twee actiedagen in het industrieel gebied van de haven van Amsterdam. Tijdens een actiedag voert de Politie Amsterdam controles uit in de haven van Amsterdam. Dit doet zij in samenwerking met de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM), Landelijke Eenheid, Inspectie SZW, Douane, Gemeente Amsterdam, NVWA en de omgevingsdienst NZKG. Het doel van de integrale optredens tijdens de actiedagen is een veiliger en integer ondernemingsklimaat te creëren voor alle bedrijven, in dit geval, binnen het Westelijk Havengebied van Amsterdam. De doelen voor de samenwerkingspartners zijn het verbeteren van hun informatiepositie en zicht krijgen op bedrijfsactiviteiten en op bedrijven en gebruikers van bedrijfsgebouwen. Aan die actiedagen gaat een aantal voorbereidende overleggen vooraf. Ook dergelijke overleggen woonden we bij.

Tijdens de participatie aan de actiedagen en de voorbereidende en evaluerende overleggen ervan deden de onderzoekers bevindingen op over de integrale aanpak van ondermijnende drugscriminaliteit én het als één overheid willen optreden tegen ondermijnende drugscriminaliteit. Specifiek observeerden de onderzoekers de wijze waarop de aanwezige partijen met elkaar interacteerden. Naast de actiedagen en de voorbereidingen en evaluaties ervan, is driemaal een structureel overleg ‘Ondermijning in het Amsterdamse Havengebied’ bijgewoond. In 2020 werd op initiatief van het havenbedrijf Amsterdam een groepje bij elkaar getrommeld om de bredere ondermijning in het Amsterdamse Havengebied aan te pakken. De groep bestond uit medewerkers van het RIEC en de Politie Amsterdam, en iemand van het havenbedrijf. De overleggen waren oriënterend van aard en gingen over de wijze waarop de samenwerking tussen de aanwezige partijen vormgegeven kan worden.

43

3

Onderzoeksopzet

Echter is het slechts bij drie overleggen gebleven. Dit komt omdat het onderwerp ‘ondermijning’ reeds wordt meegenomen in CNB-verband (Centraal Nautisch Beheer Noorzeekanaalgebied). Er is ook een het Directeuren Overleg Veiligheid Noordzeekanaal (DOVN) bijgewoond waar naast de politie-eenheid Amsterdam en politie-eenheid Noord-Holland, het Havenbedrijf Amsterdam, Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied, Rijkswaterstaat, Veiligheidsregio Kennemerland, Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland, Veiligheidsregio Zaanstreek-Waterland, brandweer, Openbaar Ministerie en de gemeenten Amsterdam, Beverwijk, Haarlemmermeer, Velsen en Zaanstad in participeren. Tot slot is een training voor toekomstige PFSO’s bijgewoond. Dat gaf inzicht in de manier waarop toekomstige PFSO’s voorbereid worden op de gevoeligheid van de haven voor ondermijnende drugscriminaliteit. Tijdens de verschillende observaties maakten de onderzoekers aantekeningen over bijvoorbeeld het verloop van een actiedag (wie doet wat, waarom en wanneer) of de besproken onderwerpen tijdens een overleg. De observaties hadden als doel om de verhalen die verteld werden tijdens de interviews over de aanpak van ondermijnende drugscriminaliteit tegen het licht van de praktijk te houden. De observaties illustreerden daarmee de verhalen van de respondenten. 3.1.4

Enquête

Naast de bovenstaande kwalitatieve methoden hebben we ook aan kwantitatieve datavergaring gedaan, door het uitzetten van een anonieme online-enquêtelijst onder de havenbedrijven die werkzaam zijn binnen het NZKG. Via respondenten van de benaderde havenautoriteiten hebben we havenbedrijven kunnen bereiken. Alleen al via de ‘ondernemersportal’ zijn er een kleine vijfhonderd dienstverleners in, rond of in relatie tot het NZKG te vinden. Dat gaat van logistieke of maritieme dienstverleners tot aan rederijen, ladingsdiensten of bouw- en aannemersbedrijven. Deze dienstverleners zijn de ogen en oren van het maritiem en industrieel landschap van het NZKG. Het doel van het uitzetten van een enquête onder deze dienstverleners was tweeledig. Enerzijds ging het om informatievergaring van ondernemers en dienstverleners in de private sector die (waarschijnlijk) dagelijks te maken hebben met de operationele kant van het gebied. Zij kunnen vanuit onderbuikgevoelens of uit hun ondernemersomgeving signalen anoniem en niet-herleidbaar naar onafhankelijke onderzoekers doorspelen. Anderzijds was het van belang elke vorm van aandacht naar ondermijnende drugscriminaliteit in het NZKG in kaart te brengen, en te peilen wat de bewustwording is bij ondernemers, en hoe zij denken over de zichtbaarheid van de politie en andere overheidspartijen die ondermijnende drugscriminaliteit aanpakken.

Het was nog maar de vraag hoeveel respons we zouden krijgen van de private partijen.2 In totaal is naar 220 2

44

De ervaring van onze contactpersonen die eerder enquêtes hebben verstuurd naar havenbedrijven is dat de respons normaliter teleurstellend laag kan zijn (soms tot nog geen 10% iets invult).

3.1

Methoden

havenbedrijven de enquête verstuurd, waarvan tien niet afgeleverd zijn door niet kloppende gegevens. Uiteindelijk hebben er van de 210 bereikte partijen 57 gereageerd. In de enquêtelijst hebben we ook het kwalitatieve element van open vragen gezet, waar soms uitgebreid op geantwoord is. Daarnaast hebben we via de lijst iedere invuller gevraagd om contactdetails achter te laten, indien zij openstonden voor een vervolginterview waarop uiteindelijk 14 respondenten van de havenbedrijven hebben gereageerd. De resultaten van de enquête zijn voornamelijk verwerkt in paragraaf 5.5 over de publiek-private samenwerking tussen de politie en betrokken partijen in de handhaving, en de havenfaciliteiten. 3.1.5

Dossierstudie

In de laatste fase van het onderzoek hebben we nog enkele dossiers kunnen bestuderen van politiezaken van de Politie Amsterdam. In eerste instantie zouden elf dossiers onderzocht worden, maar dit zijn er uiteindelijk acht geworden. De reden hiervoor is dat een aantal zaken nog niet afgerond was waardoor de onderzoekers deze niet mochten meenemen in de dossierstudie. De acht dossiers zijn fysiek bestudeerd, alsook door het gebruik van SUMM-IT. Dit is het digitale landelijke opsporingssysteem van de politie waarin informatie en intelligence beschikbaar zijn, zoals omschreven in art. 9 Wet politiegegevens. Dan moet gedacht worden aan processen-verbaal met informatie over locaties, voertuigen, vaartuigen, gegevens van verdachten, maar ook aan netwerkoverzichten van CSV’s, getuigenverklaringen, en andere relevante door de recherche verzamelde gegevens. Tijdens het analyseren zijn wij geassisteerd door politiemedewerkers. Dit was zeer gunstig, want gedurende het inkijken van de dossiers konden de onderzoekers vragen stellen. Waar mogelijk werden onderdelen van de dossiers verduidelijkt, wat het begrip van de dossiers en daarmee de politiezaken rondom ondermijnende drugscriminaliteit verrijkte. Er moet met klem benadrukt worden dat dit onderdeel van de empirische verkenning een kleinere vangst aan data heeft opgeleverd in vergelijking met de andere onderdelen.

Tijdsdruk is ontstaan door onduidelijkheid rondom het vragen van toestemming om de dossiers in te zien. Hoewel de dossierstudie tot beperkte maar interessante inzichten heeft geleid, was de weg ernaartoe als een aal bij de staart hebben: erg lastig. En misschien wel onnodig lastig. In nauwe samenwerking met vertegenwoordiging van de eenheden Politie Amsterdam en Politie Noord-Holland zijn de onderzoekers ruim een jaar bezig geweest met het verkrijgen van toestemming om politiedossiers in te zien. Meerdere pogingen om dit te regelen hebben plaatsgevonden. Los van de onduidelijkheid die er heerste over bij welke instantie we moesten zijn om de toestemming te krijgen, en in welk format, was er vooral een inhoudelijk punt wat precies de in paragraaf 2.3 omschreven onduidelijkheid rondom het ondermijningsbegrip betrof. Door de toestemming verlenende instantie werd geadviseerd om eerst interviews af te nemen met de politie over ‘ondermijning’, maar dat mocht niet over specifieke zaken

45

3

Onderzoeksopzet

betreffende ‘ondermijning’ gaan. Door de informatie uit dergelijke interviews zou een beter beeld ontstaan van zaken die betrokken konden worden in de dossieranalyse. Tijdens de interviews konden de onderzoekers dan namelijk vragen naar concrete(re) steekwoorden en zoekterminologie om uiteindelijk tot de voor hen relevante dossiers te komen. Daarbij werd in eerste instantie gedacht dat we aan de hand van die steekwoorden de juiste onderzoeksinformatie uit het incidentenregistratiesysteem Basisvoorziening Handhaving (BVH) wilden gaan halen. Dat betrof echter art. 8 Wet Politiegegevens waar we niet naar op zoek waren. De toestemming verlenende instantie wees erop dat de onderzoekers tijdens die oriënterende interviews bij algemeenheden moeten blijven; op het moment dat we bij de interviews meer willen inzoomen op, bijvoorbeeld, persoonsgegevens of tot de persoon herleidbare gegevens, wilde de toestemming verlenende instantie daarvoor graag een nieuw voorstel ontvangen waarin wij specifiek maakten waar we naar op zoek waren. De moeilijkheid in het zoeken naar dossiers zat dus vooral in de heersende onduidelijkheid van het ondermijningsbegrip zélf. Waar van ons verwacht werd dat we met uiteenlopende steekwoorden tot dossiers zouden komen, was het nu juist de bedoeling om in een aantal dossiers ‘gegooid’ te worden en zelf onze weg en concretisering daarin te vinden.

Dit is uiteindelijk wel gelukt, mede door verschillende telefonische contactmomenten met de toestemming verlenende instantie. Er is ook gesuggereerd aan de toestemming verlenende instantie om eens van gedachten te wisselen met de onderzoekers over de manier waarop ‘ondermijning’ de verwerking van toestemmingsverzoeken voor dossierinzage bemoeilijkt, en wat daaraan gedaan zou kunnen worden. Vooralsnog is daar geen opvolging van gekomen. De onderzoekers hebben ook, en tevergeefs, geprobeerd de FIOD mee te laten werken door toegang te verkrijgen tot hun dossiers. De FIOD wees de onderzoekers op het feit dat er eerst toestemming moest komen van de toestemming verlenende instantie. Daarna zou de FIOD kunnen inventariseren in welke van de dossiers zij inzage zouden willen verlenen. Het was belangrijk dat er eerst toestemming was van de toestemming verlenende instantie voor de politiedossiers, want dan is er namelijk een rechtsgrond voor inzage. Maar dan nog, werd ons duidelijk gemaakt, is het vervolgens aan de FIOD zelf om te bepalen of er ook daadwerkelijk inzage wordt gegeven en in welke dossiers, of er nu een rechtsgrond is of niet.

We kunnen onszelf het volgende afvragen: als er (nog) geen sprake is van één overheid (in de uitvoering), in hoeverre is onderzoek náár één overheid realistisch te noemen? Want in onderzoek naar één overheid zou namelijk ook toegang tot één overheid mogelijk moeten zijn. Als er een rechtsgrond is voor onderzoek bij één partij van die éne overheid, zou die rechtsgrond moeten leiden tot medewerking van andere partijen in wetenschappelijk onderzoek naar henzelf. Recentelijk is onder meer de toegang voor onderzoekers tot één overheid (en haar dossiers) kritisch besproken tijdens een ronde­ tafelgesprek in de Tweede Kamer over gefrustreerd onderzoek naar corruptie en criminaliteit in de haven van Rotterdam (Tweede Kamer 2021). Er is zodoende publieke en politieke aandacht voor de toegangsproblematiek door een onnodige krampachtige

46

3.2

Triangulatie

houding van verschillende veiligheidsactoren. Het is zodoende zaak dat toegankelijkheid voor onderzoekers in het veiligheidsdomein vergemakkelijkt wordt. 3.2

Triangulatie

In dit onderzoek is getrianguleerd, waarbij de zwaktes van de ene methode worden opgevangen door de sterktes van de andere methode (Johnson, Onwuegbuzie & Turner 2007). Voor dit onderzoek hebben we op verschillende manieren getrianguleerd (vgl. Denzin 2009). Ten eerste, methodisch, omdat we interviews, observaties en enquêtes hebben gecombineerd. Daarnaast hebben we een kwalitatieve thematische dossieranalyse gedaan van relevante politiezaken. De enquête werd gecombineerd met de interviews én dossieranalyse om met name onderzoeksvraag 1 te beantwoorden (‘Wat is de aard van ondermijnende drugscriminaliteit in het NZKG en wat wordt er onder “ondermijning” verstaan door politie en betrokken partijen die verantwoordelijk zijn voor de aanpak ervan in het NZKG?’). De observaties en interviews werden gecombineerd om vooral de overige twee onderzoeksvragen te beantwoorden (‘Welke samenwerking is er en hoe wordt daaraan vormgegeven door politie en betrokken partijen?’ en ‘Ten aanzien van die samenwerking, hoe beschouwen en concretiseren politie en betrokken partijen, in het bijzonder, informatiedeling?’). Verder hebben we aan onderzoekstriangulatie gedaan, wat wil zeggen dat we met meerdere onderzoekers het onderzoeksveld zijn ingegaan en tussentijds met elkaar een empirisch-analytisch voortschrijdend inzicht in de data ontwikkeld hebben (Fusch, Fusch & Ness 2018, p. 22).

Daarbij is voortdurend gestreefd naar het verrijken van dat voortschrijdend inzicht met theorie, en andersom, om zo een synthese te vormen van beide (Bottoms 2007). Dat inzicht is óók tussentijds met mensen uit de politiepraktijk, die soms ook respondent waren, gedeeld en besproken ter bevordering van de onderzoeksvaliditeit (vgl. Van Thiel 2014, p. 163-164). Triangulatie bewoog ons op deze wijze ertoe niet alleen kritisch naar de praktijk te kijken, maar de praktijk ook kritisch naar ons en het onderzoek te laten kijken (vgl. Denzin 2012, p. 85-86). Op deze wijze hebben we geprobeerd een (zelf)kritische, heldere en betrouwbare dataverzameling te doen ten aanzien van hoe er in het NZKG tegen ondermijnende drugscriminaliteit en de aanpak wordt aangekeken en hoe er vorm aan wordt gegeven. 3.3

Data-analyse

De verzamelde verkregen data uit de verschillende bronnen zijn in eerste instantie apart geanalyseerd en pas daarna aan elkaar gerelateerd.

47

3

Onderzoeksopzet

3.3.1

Kwalitatieve data-analyse

Interviews Het analyseren van de afgenomen interviews is gedaan met behulp van de online-variant van het kwalitatieve data-analyse softwareprogramma Atlas.ti, namelijk Atlas.ti Cloud.3 Het heeft ongeveer dezelfde functies als de offline variant. Het grote voordeel van het werken in de cloud-omgeving van Atlas.ti is dat elke onderzoeker van het onderzoeksteam gedurende het analyseerproces directer op de hoogte blijft van welk empirisch-analytisch voortschrijdend inzicht de andere onderzoekers aan het ontwikkelen zijn. Anders gezegd, men hoeft elkaar niet apart op te zoeken om samen naar de stukken te kijken. Dat kan dus digitaal. In de beginfase van de analyse kwamen onderzoekers echter nog wel fysiek bij elkaar om de interviews te coderen aan de hand van het eerste analyseerschema. De onderzoekers konden dan, indien nodig, overleggen wanneer een bepaalde code aan een stuk tekst gehangen moest worden of wanneer een code niet goed paste bij een stuk tekst waardoor een nieuwe code ontwikkeld kon worden. Dit bevorderde de eerste coderingsslag op de data. Het kwalitatief data-analyseren in de cloud-omgeving is zodoende aan te raden, ook omdat het Denzins onderzoekers­ triangulatie (2009) sterker maakt, en daarmee de validiteit van de data an sich.

De eerste stap van de analyse betrof het organiseren en voorbereiden van de ruwe, ongestructureerde data voor de analyse aan de hand van een stappenplan (Creswell 2003). Vervolgens werden fragmenten uit de transcripten gecodeerd aan de hand van een analyseerschema. Dat schema omvatte thema’s die meestal logisch tot stand kwamen. In afbeelding 1 wordt een overzicht gegeven van de ‘codes’ – ofwel thema’s – die we verbonden aan fragmenten van data. De grootste codegroepen vormden ‘Samenwerking’, daarna ‘Aanpak ondermijning’ en vervolgens ‘Conceptualisering/begrip ondermijning’. Daaruit zijn de voornaamste thema’s, en uiteindelijk in dit rapport de hoofdstukken, voortgekomen. Alle (sub)codes (N=257) zijn eveneens axiaal gecodeerd: de codes zijn vergeleken en daar waar mogelijk samengevoegd tot een overkoepelende code, waaruit inzicht ontstond in denkpatronen, mechanismen en processen, die uit de interviews zijn voortgekomen (De Vaus 2013). Met de restcodegroepen, zoals ‘Commercie vs. veiligheid’, is achteraf nog nagegaan in hoeverre zij de hoofdcodegroepen konden verrijken met fragmenten uit interviews of uit veldnotities.

3

48

Zie deze website voor meer informatie: https://atlasti.com/cloud/.

3.3

Data-analyse

Codes Havenpolitie vs. Politie

8

Initiatief vs. Reactief

10

Commercie vs. Veiligheid

10

Leiddinggevend vs. Uitvoerend

17

Functie respondent

19

Kenmerken havengebied

24

Begrip ondermijning

73

Aanpak ondermijning

77

Samenwerking

88 0

10

20

30

40

50 60

70

80

90 100

Afbeelding 1

Participerende observaties De verkregen informatie uit de participerende observaties werd niet systematisch geanalyseerd. Bij de observaties is geen gebruikgemaakt van een observatieformulier. Dat kon ook niet, omdat de meeste observaties van elkaar verschilden in aard (bijvoorbeeld actiedag versus een overleg). Daarbij dienden de participerende observaties als illustraties van de verhalen van de respondenten. Indien respondenten dus onderwerpen aanhaalden die terug te vinden waren in de informatie uit de observaties, relateerden we deze aan elkaar. Als respondenten het bijvoorbeeld hadden over samenwerking met andere partijen, bekeken we onze eigen aantekeningen van de observatie van een actiedag waarbij diverse partijen samenwerkten, en wat die lieten zien over samenwerking. 3.3.2

Kwantitatieve data-analyse

Enquête Voor het analyseren van de enquête hebben we geen gebruikgemaakt van een softwareprogramma zoals SPSS of R. De respondenten vulden namelijk de enquête in via Google Forms. Google Forms geeft de ingevulde antwoorden anoniem terug aan de onderzoekers en maakt daarbij automatisch cirkeldiagrammen waarin wordt aangegeven hoeveel procent van de respondenten een bepaalde antwoordcategorie heeft ingevuld. De enquête had een exploratief doel en gaf een beeld van hetgeen de respondenten aan ondermijnende activiteiten dachten te zien en horen in het NZKG. De verzamelde informatie uit de enquête had niet als doel om een hypothese te testen of verbanden te leggen tussen variabelen. Om die reden hebben we geen gebruikgemaakt van softwareprogramma’s zoals SPSS of R die vaak gebruikt worden voor dergelijke

49

3

Onderzoeksopzet

doeleinden. De beelden die zijn gegenereerd met de diagrammen zijn gebruikt ter verrijking van de kwalitatieve data. Dossierstudie Voor de analyses van de dossiers is wederom geen systematische aanpak gehanteerd, mede gezien het zeer kleine aantal dossiers waartoe we toegang hebben kunnen verkrijgen. Wel hebben we iets kunnen zeggen over de aard en de verscheidenheid aan vormen van ondermijnende drugscriminaliteit in het NZKG. De onderzoekers letten daarbij ook erop of de volgende zaken terugkwamen in de zaken, namelijk welke facilitators van ondermijnende activiteiten betrokken waren, locaties, wat voor soort verbanden er bestonden in de CSV’s, en hoe de aanpak van de politie met eventuele partners eruitzag. 3.4

Onderzoeksbeperkingen

Zoals eerder beschreven, zorgt de triangulatie voor een hogere betrouwbaarheid en validiteit van de onderzoeksresultaten (Ihantola & Kihn 2011). Echter, onze onderzoeksmethodes kennen ook hun beperkingen. Om te beginnen is het de vraag in hoeverre we ‘de aard van ondermijnende drugscriminaliteit in het NZKG’ daadwerkelijk hebben kunnen doorgronden. De constructvaliditeit van het onderzoek is daarom aangetast. Dat is geen verrassing, aangezien er nog veel onduidelijkheid bestaat rondom het concept ‘ondermijning’ en de definitie ervan. Daarnaast is ‘de aard van ondermijnende drugscriminaliteit in het NZKG’ veelal gebaseerd op onderbuikgevoelens en niet op harde cijfers. Dat maakt dat het construct lastig te onderzoeken is, maar dat was ook niet het hoofddoel van dit onderzoek. Verder zijn met name mensen van Politie Amsterdam en Politie Noord-Holland gesproken. Hierdoor kunnen de resultaten mogelijk niet gegeneraliseerd worden naar overige eenheden en/of samenwerkingspartijen en -verbanden. Daarnaast leverden de interviews met respondenten werkzaam voor een publiek-privaat/private partij niet altijd bruikbare informatie op. Dit kwam omdat zij – naar eigen zeggen – nooit met ondermijnende of criminele activiteiten in aanraking waren gekomen en ook niet het idee hadden dat hun collega’s in de buurt daarmee te maken hebben gehad.

De vraag blijft dan: ‘Is het er niet volgens hen omdat zij het niet zien, of zien zij het niet omdat het er niet is?’ Als we uitgaan van de signalen van ondermijnende activiteiten die de politie krijgt, kunnen we stellen dat het er wel is, maar niet altijd gezien wordt in het NZKG. Ook is een deel van de interviews online dan wel telefonisch afgenomen. Doordat de onderzoekers tijdens die gesprekken lichaamstaal misten, ontbrak er een belangrijk deel van de communicatie. Wel hadden de onderzoekers het idee dat zij door middel van doorvragen het maximale uit de interviews haalden; nogmaals, het grootste deel van de 51 interviews is wél face to face afgenomen. De observaties zijn niet gestructu-

50

Subconclusie

3.5

reerd vastgelegd en geanalyseerd. Dat heeft ertoe geleid dat we niet alle informatie hebben meegenomen uit die observaties. Wel moet worden opgemerkt dat de observaties, zoals eerder aangegeven, ter illustratie van de verhalen van de respondenten hebben gediend. Tot slot hebben we voor de dossieranalyse slechts acht dossiers bestudeerd, waardoor informatie verkregen uit de dossierstudie niet rijk is. Zoals eerder aangegeven, dat kleine aantal is met name veroorzaakt door de lastigheid in het verkrijgen van toegang tot die dossiers, alsook in het vinden van ‘ondermijningsdossiers’ relevant voor ons onderzoek. 3.5

Subconclusie

We hebben in dit hoofdstuk uiteengezet waarom en met welke methodologie we het onderzoeksveld zijn opgegaan. Daarnaast is duidelijk geworden welke respondenten we spraken tijdens de interviews en wat voor participerende observaties we hebben ondernomen. Verder hebben we via een enquête respons gekregen vanuit havenbedrijven, om ook hun visie op ondermijnende drugscriminaliteit (en de aanpak) in kaart te brengen. Als laatste hebben we bestudeerd hoe ‘ondermijning’ zich vertaalt naar de ‘papieren werkelijkheid’ van de politiedossiers; een werkelijkheid waar men als wetenschappelijke buitenstaander niet zo snel in komt. De data zijn op verschillende wijzen geanalyseerd. De ene keer meer gestructureerd dan de andere keer. De geanalyseerde data is aan elkaar gerelateerd, ofwel getrianguleerd. Uit de data-analyse van de interviews zijn verschillende hoofdcodegroepen voortgevloeid, die de resultaten vormen van de empirische verkenning. Namelijk, allereerst, wat er onder het begrip ‘ondermijning’ wordt verstaan door de respondenten en hoe zij het praktische invulling geven en zouden willen geven. Daar zal het volgende hoofdstuk over gaan. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op hoe respondenten de samenwerking in de aanpak van ondermijnende drugscriminaliteit beleven en bewerkstelligen.

Wat vinden zij ervan, wat ontbreekt er, wat kan beter, en welke harmonie en/of welk conflict speelt/spelen er in die samenwerking? In hoofdstuk 6 zal beschreven worden hoe zij informatiedeling percipiëren en vormgeven, en hoe het de bestrijding van ondermijnende drugscriminaliteit bevordert al dan niet dwarsboomt.

51

4.1

4

Ondermijningsbeelden en -verbeelding

In dit hoofdstuk gaan we in op wat de hoofdrolspelers vinden van ‘ondermijning’ en de aanpak van ondermijnende drugscriminaliteit in het NZKG. Wat voor ondermijningsbeelden worden er opgemaakt, hoe kijken zij naar ondermijnende drugscriminaliteit, en in hoeverre beïnvloedt het hun begrip ervan en waakzaamheid ertegen? Maar voordat we daarop ingaan, volgt eerst een kernachtige weergave van de dossierstudie die we hebben gedaan van de politiezaken met art. 9 Wpg-gegevens, en waarvoor we in SUMM-IT en fysiek materiaal hebben gekeken. 4.1

Ondermijning geverbaliseerd

Hoewel verhalen het vooralsnog winnen van verbalen, wil dat niet zeggen dat er niets gebeurt aan ondermijnende criminele activiteiten in het NZKG. Vanuit de respondentenpopulatie hebben we meegekregen dat in 2019 en 2020 op de projectcode ‘ondermijning’ er slechts tien incidenten geregistreerd stonden, maar waarvan de meeste locaties niet vallen onder de werkzaamheid van het formele havengebied van Amsterdam en Noord-Holland. Wat opvalt, is dat onder die projectcode ‘ondermijning’ delicten vallen die onder andere te maken hebben met (soft)drugs en witwassen, en te categoriseren zijn in meer generieke delictssoorten, zoals verkeerszaken, bedreiging en andere soort ‘verdachte situaties’. Gesteld kan worden dat in vergelijking met de Noord-Nederlandse havens, waar niets gebeurt (Struiksma et al. 2020) en met de Rotterdamse havens waar veel meer gebeurt (Eski & Buijs 2017; Staring et al. 2019), het NZKG zich in een tussenpositie bevindt: er vindt voornamelijk ondermijnende drugscriminaliteit plaats. In het bijzonder de cocaïnesmokkel teistert het NZKG.

Gezien de verbeeldingskracht die gecreëerd kan worden door historisch-criminologische werken, zoals dat van Fijnaut en Roks (2021) over de Rotterdamse haven, de recherche en zware misdaad in de jaren zestig tot en met de jaren negentig, volgt hier een zeer kleine geschiedenis van cocaïnesmokkel in het NZKG vanaf de jaren negentig tot en met nu. Op 28 februari 1990 is in een loods in IJmuiden 2658 kilo cocaïne ontdekt in vaten passievruchten afkomstig uit Colombia, beter bekend als de ‘Holle Vaten’-zaak (Rijksrecherche Fort-Team 1996). In de jaren negentig was het NZKG een vrijhaven voor de zogenaamde TACO-bende (TA(ssen) en CO(ntainers)) die ongeveer 70.000 kilo marihuana en 800 kilo cocaïne via de Amsterdamse haven in containers zouden hebben ingevoerd (Moll 1996). Saillant detail is dat de cocaïne in sporttassen

53

4

Ondermijningsbeelden en -verbeelding

zat, bovenop de reguliere lading, die door havenarbeiders uit ‘ripcontainers’ gehaald werden. Dit is een methode waar de World Customs Organization twaalf jaar later in 2008 pas over sprak, en waarvan zaken ook rond die tijd in de Rotterdamse haven begonnen te spelen (Eski & Buijs 2014). Sindsdien zijn er niet meer zodanig grote hoeveelheden in het NZKG ontdekt. Pas twintig jaar later lijkt er zich weer een toename in cocaïnesmokkel te manifesteren. In 2008 wordt 150 kilo cocaïne ontdekt in de haven van Amsterdam door het Douane Duikersteam, onder een schip uit Colombia (Havenkrant 2009, p. 4). In september 2012 ontdekt hetzelfde team, en weer in de Amsterdamse haven, 60 kilo cocaïne onder een vrachtschip, eveneens afkomstig uit Zuid-Amerika (Het Parool 2012). Dan wordt in 2015 wederom in de Amsterdamse haven 2 kilo cocaïne aangetroffen (Tweede Kamer 2016, p. 1). In datzelfde jaar zou nog eens 300 kilo in de Amsterdamse haven zijn ontdekt (Saerens 2015). Op zondag 16 december 2018, tijdens een controle door de Douane, is in de haven van Amsterdam 70 kilo cocaïne gevonden op een schip afkomstig uit Brazilië (NU.nl 2018). Niet lang daarna, op 3 februari 2019, vindt de politie 400 kilo cocaïne in een loods in IJmuiden (Nieuwsblad IJmuiden 2019).

Ongeveer een jaar later vindt de Douane op 6 januari 2020 in IJmuiden 110 kilo cocaïne op een uit Colombia afkomstig kolenschip, waarbij drie verdachten waren opgepakt (De Telegraaf 2020). Kort erna, op 28 februari 2020, werd een vaartuig afkomstig uit Brazilië ontdekt dat 37 kilo cocaïne de Mercuriushaven in Amsterdam binnengesmokkeld had (Moleman 2020). Er zou tussen 2015 en 2020 in totaal 1416 kilo cocaïne in beslag zijn genomen in de haven van Amsterdam, met in 2020 een uitschieter van 1300 kilo cocaïne (AT5 2021). Deze aanhoudende trend van ondermijnende drugscriminaliteit, weliswaar in kleinere proporties dan in de Rotterdamse haven, zetten we hier af tegen de resultaten uit een verdiepende dossierstudie van acht politiezaken en bijbehorende dossiers. Er wordt dus niet een volledig beeld van de omvang van de geregistreerde criminele ondermijning in het NZKG hier gepresenteerd – maar dat zou wel mogen plaatsvinden. Wat hier wel volgt, is een eerste schets van de aard van ondermijnende elementen van georganiseerde (drugs)criminaliteit in het NZKG, en wat dat betekent voor met name de opsporing. Daarnaast, deze schets zegt iets in het bijzonder over Politie Amsterdam (aangezien zij de dossiers in hebben laten zien) en dat zij maar zwakke signalen binnenkrijgen van ‘ondermijning’. Dat komt omdat CSV’s er alles aan doen om zo min mogelijk signalen uit te zenden.

CSV’s hebben meer capaciteit om ‘under the radar’ te blijven dan dat de politie heeft om ondermijnende drugscriminaliteit op hun radar te kunnen signaleren. De dossierstudie heeft in zekere zin inzichtelijk gemaakt hoe de stromen tussen de boven- en onderwereld lopen en waar ze elkaar treffen, in zowel het NZKG als daarbuiten. Ook werd duidelijk in welke mate er sprake is van parallelle samenlevingen en hoe zij in ondermijnende (drugs)criminaliteit via sociale netwerken soms een rol kunnen spelen (Lam et al. 2018). Naast de media kunnen we ook op basis van de beperkte dossierstudie vooropstellen dat ondermijnende drugscriminaliteit in het NZKG plaatsvindt – de sporadische

54

Ondermijning geverbaliseerd

4.1

zwakke signalen komen nauwelijks binnen, maar ze kómen binnen; dit is een belangrijk punt. In alle bestudeerde politiezaken ging het om drugssmokkel, in het bijzonder cocaïnesmokkel. Dat ging echter om kleine hoeveelheden (van 100 tot 250 kg) die sporadisch binnenkwamen, althans, in vergelijking met de hoeveelheden in de Rotterdamse haven (500 tot 5000 kg) die soms wekelijks binnenkomen (OM Rotterdam 2019). In een enkele zaak werden ook wapens aangetroffen. In vier van de acht zaken was er duidelijk gebruikgemaakt van cacaotransport, via schepen vanuit Zuid-Amerika die aanmeren in het NZKG. In een aantal zaken bleek dat de verschillende voertuigen niet altijd op naam stonden van de verdachten en/of handlangers. Dat wil zeggen dat voertuigregistratie gebruikt werd om minder zichtbaar te blijven. En dat wil ook zeggen dat de recherche na het nodige zoekwerk het wel ontdekt. Banden met de georganiseerde misdaad vanuit het buitenland, zoals Italiaanse en, breder, Oost-Europese maffiaorganisaties, zijn duidelijk aanwezig. Dit is soms terug te vinden in de familiale banden, maar ook in minder hechte, ad-hocrelaties die er bestaan binnen de netwerken. Verder viel op dat er een link is tussen het NZKG en de Rotterdamse haven, in die zin dat er containers bestemd waren voor een Amsterdams havengebied.

Het NZKG vormt daarmee een criminele uitwijkhaven voor CSV’s die voornamelijk via de Rotterdamse haven hun cocaïne binnenkrijgen. Dit geeft aan dat grote bekende ‘drugshavens’, zoals Rotterdam en Antwerpen, in ongewilde competitie aan het raken zijn met kleinere, vooralsnog minder bekende en gebruikte transportknooppunten (vgl. Eski & Kankaras 2015). Toch heerst er bij de havenfaciliteiten nog altijd het idee dat het NZKG onbelangrijk is als drugshaven. Een respondent gaf in de enquête onder de havenfaciliteiten het volgende aan: Als een veilige goed gestructureerde haven waar dagelijks met veel inzet en plezier wordt gewerkt door een enthousiaste groep havenarbeiders en ondernemers bij professionele bedrijven. De Amsterdamse haven is een van de veiligste havens ter wereld, waar we trots op kunnen zijn.4 Meer dan de helft gaf aan niets gezien te hebben in het NZKG dat verdacht overkwam (zie afbeelding 2).

4

Dit zijn de respondenten vanuit de havenbedrijven die de enquête hebben ingevuld. Ook de open vragen hebben geen respondentennummer wegens anonimiteitsvoorwaarden gesteld aan de enquête.

55

4

Ondermijningsbeelden en -verbeelding

Heeft u in het NZKG weleens iets verdachts gezien waarbij u het gevoel had dat het niet klopte? 7% Nee 35%

58%

Ja Weet ik niet

Afbeelding 2

Sterker nog, gezien dit (foutieve) beeld en gezien het mediabeeld en op basis van de dossierstudie, blijkt dat het NZKG als criminele uitwijkhaven júíst belangrijk is, of in ieder geval bijzonder snel aan het worden is, omdat het (nog) een kleine speler lijkt te zijn in, met name, de drugscriminaliteit. De vraag werpt zich dan op in hoeverre het imago van het NZKG als relatief onschuldige haven (drugs)criminaliteit dáárom aantrekt? Wat daarnaast opviel, is dat de ondermijningsactiviteiten die gecamoufleerd moeten worden, tijd en geld kosten. Er zit namelijk veel voorbereidend werk in criminele ontplooiing en CSV’s bezitten een lange adem. Als crimineel kun je simpelweg niet uit het niets beginnen met het smokkelen van drugs. Er moet een vestigingsadres zijn, mensen moeten in dienst staan die in hun legale bezigheden kunnen voorzien van relevante diensten en informatie, en op papier moet dat allemaal volgens de regels zijn. Echter, in de haven is niet zomaar een spookwoning gevonden; dat vereist administratief vernuft en dus een legale specialist. Er wordt geconstateerd dat sporadisch sportscholen in het havengebied worden geopend, wat niet de meest logische plek is volgens de respondenten. Aan dergelijke sportscholen maar ook andere ‘niet-logische’ bedrijven in de haven wordt echter pas aandacht besteed zodra er signalen binnenkomen.

Voor die tijd mogen de politie en partners niets ondernemen. Daarnaast is de connectie van de haven met, bijvoorbeeld, de stadsomgeving als gebieden daaromheen een zeer belangrijk gegeven. In de overgang van de haven naar de stad vindt de stroom van het witwassen plaats. Het zwarte geld als opbrengst van drugssmokkel wordt in de havengebieden witgewassen via aangeboden fictieve diensten en producten in het legale circuit (bijvoorbeeld fictief internetverbruik, fictieve beltegoeden). Naast sportscholen ín de haven, gaat het dan ook om ondernemingen,

56

Tussen overal en nergens: onbegrip voor het ondermijningsbegrip

4.2

zoals restaurants en andere soorten eetgelegenheden, kapperszaken, zonnestudio’s, groentewinkels en nagelverzorgers in de stad. Hoewel contant geld nog altijd geprefereerd wordt in crimineel samenwerkingsverband, moet dat een keer de legale economie in, en malafide ondernemers zijn creatief ‘om omzet goed te praten’ van die verschillende ondernemingen in de haven en de stad. Alhoewel de haven dankzij een hypercomplexe infrastructurele omgeving een perfecte dekmantel vormt voor criminele activiteiten, moeten criminelen veel hobbels omzeilen om legitiem te lijken. Zij dienen met legitieme actoren samen te werken om de uiteindelijke georganiseerde criminaliteit zo onzichtbaar mogelijk te laten voltrekken. De uitdaging voor CSV’s is dus zo onopvallend en netjes mogelijk over te komen, en ervoor te zorgen zo min mogelijk signalen af te geven. Als reflectie op de dossierstudie en ten aanzien van hoe respondenten tegen het thema ‘ondermijning’ aankijken, wordt duidelijk dat het denken in termen van ‘ondermijning’ de opsporing bemoeilijkt. Als je met ‘ondermijning’ in het hoofd in politiesystemen gaat zoeken, is het makkelijk om connecties te maken tussen verdachten in verschillende zaken. Voordat je het weet, is heel crimineel Nederland te verbinden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10613468/1