CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsbesluit 2025-142B BP De Ruijterkade 5 - toelichting

RAAD 8 oktober 2025, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het bestemmingsplan De Ruijterkade 5 (VN2025-010387)29.276 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Samen levert dat 600 kiloton CO2 -besparing op. Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG) Tot 1 januari 2021 werden in het Bouwbesluit eisen gesteld aan de energiezuinigheid van nieuwe woningen en utiliteitsbouw. De belangrijkste eis daarvoor was de Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Met ingang van 1 januari 2021 moeten vergunningaanvragen voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Deze nieuwe bouwregels stellen eisen aan de maximale energiebehoefte, het fossiele energiegebruik en aan de opwek van hernieuwbare energie van gebouwen. Dit betekent dat bij nieuwe woningen en gebouwen niet alleen rekening moet worden gehouden met een goede isolatie van de gebouwschil en energiezuinige installaties, maar ook met de toepassing van duurzame energie. Duurzaam-herstelplan Amsterdam en de metropoolregio zijn hard geraakt door de coronacrisis. De economische recessie is voor de gemeente aanleiding geweest om de verschillende onderdelen van de Amsterdamse duurzaamheidsprogramma's tegen het licht te houden en te onderzoeken hoe de voorgenomen en ook mogelijk nieuwe duurzaamheidsmaatregelen een concrete bijdrage kunnen leveren aan economisch herstel op korte en middellange termijn, in termen van investeringen, werkgelegenheid en ook sociale effecten.

De uitkomsten van het onderzoek zijn in 2020 door het college vastgesteld in het 'Duurzaam-herstelplan'. De gemeente wil de verduurzaming in de stad versnellen. De versnelling vraagt om daadkrachtige samenwerking met bewoners, bedrijven, maatschappelijke partijen en kennisinstellingen. Alleen door samenwerking kan voldoende snelheid worden gemaakt in de energietransitie en in de verandering naar een circulaire economie. Het Duurzaam-herstelplan levert een economische impuls aan de verduurzaming van de stad door, langs de ingezette lijnen van de bestaande duurzaamheidsprogramma's, de gemeentelijke investeringen te versnellen.

bestemmingsplan_De Ruijterkade 5 (vastgesteld)

blz. 59

4.8.2

Plangebied

Duurzaamheid staat hoog op de agenda, zowel bij de erfpachter als bij de gemeente Amsterdam. De opgave is duidelijk. Amsterdam wil een groene, gezonde en duurzame stad zijn voor iedereen. Om de gemiddelde temperatuurstijging op aarde beperkt te houden, moet de CO2-uitstoot gereduceerd worden. De gemeente Amsterdam wil hier een voorloper in zijn. Deze plek aan het IJ is bij uitstek een plek waar zichtbaar kan worden bijgedragen aan deze ambitie en aan een groene gebouwde omgeving, zodat dit project een voorbeeld kan zijn voor de rest van de stad. Energie Bij het realiseren van een duurzaam nieuw kantoorgebouw is 'Paris proof' bouwen de ambitie. Uiteraard wordt er volledig gasloos gebouwd door de inzet van duurzame bronnen, zoals waar mogelijk een WKO. Ook valt te denken aan het gebruiken van het water van het IJ als energiebron. Zonnepanelen op het dak kunnen maximaal ingezet worden om de resterende energievraag tot een minimum te beperken. Aanvullend kunnen overige mogelijkheden worden onderzocht voor opwekking van energie, zoals het toepassen van zonnepanelen in de gevel, maar ook de inzet van windenergie aangezien het gebouw aan het IJ ligt. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de maximale bouwhoogte, de zichtbaarheid vanuit de binnenstad en het beschermde stadsgezicht.

Circulariteit Naast de energietransitie is ook het gebruik van hergebruikte en biobased materialen essentieel. Dit gaat verder dan alleen het materiaalgebruik. Het gaat bijvoorbeeld ook om inzicht bieden in het gebruikte materiaal door middel van goede documentatie in een materialenpaspoort en zoveel mogelijk adaptief en demontabel bouwen (losmaakbaarheid). Het bestaande gebouw biedt potentieel een bron van materialen voor hergebruik en recycling. Onderzocht kan worden in hoeverre de benodigde sloopwerkzaamheden op een circulaire wijze kunnen worden uitgevoerd. Er bestaat een ambitie om, waar mogelijk, met hout te bouwen. Door ontwikkelingen biedt het bouwen in hout steeds meer mogelijkheden. Doordat hout CO2 opslaat in plaats van uitstoot, kan daarmee bijgedragen worden aan een duurzame toekomst. Water en Klimaatadaptatie Klimaatverandering kan mogelijk een aantal risico's met zich meebrengen zoals wateroverlast, overstroming, hitte, watertekort, verzilting en verslechtering van de ecologische en chemische waterkwaliteit. Onderstaand zijn de risico's toegelicht en wordt omschreven welke maatregelen en voorzieningen getroffen kunnen worden om de risico's te voorkomen dan wel te beperken. Wateroverlast en overstroming Met steeds vaker extreem weer vraagt deze locatie aan het IJ extra aandacht voor klimaatadaptief bouwen.

Goede waterbuffering, het vasthouden en vertraagd afvoeren van water is daarom essentieel. De watertoets laat zien dat er mogelijk water op het perceel komt te staan bij een extreme bui van 70 mm of meer in twee uur. Dit lijkt echter geen grote hoeveelheid en is, in vergelijking met de directe omgeving, erg beperkt. In de toekomstige inrichting van het plangebied wordt hier rekening mee gehouden door de hoogtes in het gebied slim te ontwerpen zodat er geen directe wateroverlast ontstaat. Ook wordt bij de inrichting van de openbare ruimte in het plangebied voldoende waterbuffering gewaarborgd, net als dat daken ingezet kunnen worden voor waterretentie. Het uitgangspunt is dat gerichte, kleinschalige, fijnmazige maatregelen de stad regenbestendiger en tegelijkertijd aantrekkelijker en leefbaarder maken. Dit alles wordt zorgvuldig vormgegeven in samenspraak met de Gemeente Amsterdam

blz. 60

landschapsarchitect en ecoloog. Door de locatie aan het IJ is het plangebied mogelijk ook gevoelig voor overstromingsrisico's volgend uit het stijgende waterpeil. De watertoets, gebaseerd op gegevens van de klimaateffectatlas, laat zien dat er binnen een deel van het plangebied een extreem kleine kans op overstromingsrisico vanuit het IJ bestaat, waarbij een overstromingsdiepte tussen de 1,0 en 1,5 meter kan ontstaan aan de zijde van de De Ruijterkade. Ondanks de zeer geringe kans op overstromingsrisico (met een kans gelijk aan ongeveer 1 keer in de 100.000 jaar) vraagt dit om een integrale aanpak waarbij waterveiligheid wordt geïntegreerd in het ruimtelijke ontwerp, zowel in het gebouw als in de openbare ruimte. Onderdeel hiervan is dat essentiële gebouwinstallaties op voldoende hoogte worden gepositioneerd om zo bescherming tegen eventuele overstromingsrisico's te waarborgen. De uitwerking hiervan zal plaatsvinden tijdens de ontwerpfase. Hitte Het aantal warme dagen neemt toe. De Klimaateffectatlas laat zien dat de gevoelstemperatuur rondom het plangebied significant lager ligt dan in de rest van Amsterdam. Dit komt onder andere door de ligging aan het water en de aanwezigheid van de groenstrook tussen het plangebied en het spoor. Dit maakt het plangebied een erg aangename verblijfsplaats.

Het stedelijk hitte-eiland effect geeft het gemiddelde luchttemperatuurverschil tussen de stedelijke en omliggende landelijke gebieden weer. Door de ligging aan het water is dit verschil ook lager dan in het stadscentrum. Ondanks de beperkte hittestress in het plangebied zullen maatregelen in het ontwerp ingezet worden om dit verder te beperken. Hierbij kan gedacht worden aan vergroening van daken, gevels en buitenruimtes en het toepassen van waterretentiedaken wat een bijdrage kan leveren aan het duurzaam koelen van het gebouw. Watertekort De Klimaateffectatlas laat zien dat er binnen het plangebied geen risico is op tijdelijke oppervlaktewatertekorten. Verslechtering van de ecologische en chemische waterkwaliteit Bescherming en verbetering van de ecologische en chemische waterkwaliteit is een belangrijk doel van het waterbeheer. Om de ecologische kwaliteit verder te verbeteren wordt er binnen de inrichting gestreefd naar watersystemen die voldoende ruimte bieden voor natuurlijke processen en voor gezonde populaties van flora en fauna. Verzilting Verzilting is een klimaatrisico dat los staat van de ontwikkeling van De Ruijterkade. Conform de gegevens van Atlas Natuurlijk kapitaal is de verzilting in het plangebied beperkt doordat de zoet grondwater grens circa 25-50 meter onder het maaiveld ligt.

Groenvisie De locatie biedt tevens kansen voor natuurinclusief bouwen (ook onderdeel van de Groenvisie van de gemeente Amsterdam). Het daklandschap, de gevels en ruimte voor nestkasten worden zorgvuldig met een stadsecoloog vormgegeven. Diversiteit en ruimte voor groen zijn essentieel voor het bevorderen van biodiversiteit in de stad en aan het IJ, maar het helpt ook bij het koel houden van de omgeving en het gebouw ten tijde van hittestress. Passieve maatregelen in bijvoorbeeld het ontwerp van de gevel hebben hier ook sterk invloed op. Door dit goed vorm te geven, helpt het in het beperken van de energievraag van het gebouw.

bestemmingsplan_De Ruijterkade 5 (vastgesteld)

blz. 61

Mobiliteit De locatie biedt kansen om autogebruik te beperken en fietsgebruik en deelmobiliteit te stimuleren. Omdat de locatie dichtbij het Centraal Station ligt, zal deze locatie met name ruimte moeten bieden voor fietsen en scooters. Het aantal autoparkeerplekken voldoet aan de maximale norm voor dit gebied en deze worden zoveel mogelijk voorzien van laadplekken. Overige plekken zullen worden voorbereid op mogelijke laadfaciliteiten. Ook voor de fietsen en scooters worden voldoende laadplekken gerealiseerd. BREEAM / WELL BREEAM-NL is sinds 2009 de certificeringsmethode voor een duurzaam gebouwde omgeving en toetst het project op de werkelijke duurzaamheidsprestaties. Naast energie, focust BREEAM-NL zich op de effecten op gezondheid, landbouwgebruik & ecologie, materialen, management, vervuiling, transport, afval en water. De ambitie van het project gaat verder dan de gemeentelijke ambities, waarvoor de mogelijkheden tot het hoogst haalbare BREEAM-NL Outstanding niveau op zoveel mogelijk thema's zal worden onderzocht. Deze ambitie is zeer hoog maar past bij de opgaves waarvoor de stad Amsterdam staat. Omdat de ambities verder rijken dan BREEAM, en de focus ook op het gebruik van het gebouw ligt, bestaat ook de ambitie voor het behalen van een WELL Platinum certificering. Dit is het hoogst mogelijke label.

Conclusie De bij deze planontwikkeling voorgestane ambities dragen bij een groene, gezonde en duurzame stad.

Gemeente Amsterdam

blz. 62

bestemmingsplan_De Ruijterkade 5 (vastgesteld)

blz. 63

Hoofdstuk 5 5.1

Mobiliteit

5.1.1

Kader

Omgevingsaspecten

In deze paragraaf worden de beleidsstukken of besluiten genoemd, die direct aan de inrichting van het gebied ten behoeve van het verkeer ten grondslag liggen. Meerjarenplan Fiets (2017-2022) Het Meerjarenplan Fiets is er voor fietsers én een gezonde en bereikbare stad. De 53 maatregelen richten zich op drie pijlers: comfortabel doorfietsen, gemakkelijk fietsparkeren en fietsgedrag. In het Meerjarenplan Fiets en het kader fietsparkeren wordt ook aandacht gevraagd voor fietsparkeren. Nota Parkeernormen Fiets en Scooter In de Nota Parkeernormen Fiets en Scooter worden richtlijnen aangegeven voor het aantal benodigde parkeerplaatsen voor fiets en scooter. Meerjarenplan Verkeersveiligheid (2016-2021) Meer fietsers en voetgangers, meer mensen maken gebruik van het OV, minder auto's. Deze ontwikkelingen vragen om duidelijke keuzes op het gebied van verkeersveiligheid. Met het Meerjarenplan Verkeersveiligheid zet Amsterdam stevig in op het nog veiliger maken van de Amsterdamse straten, stoepen en fietspaden. Het meerjarenplan richt zich vooral op preventie en ongevallen bij kwetsbare groepen, gedragsverandering in het verkeer en ruimtelijke maatregelen die het verkeer veiliger maken. Nota Parkeernormen Auto In de nota zijn de parkeernormen voor auto’s vastgesteld. De parkeernormen worden bepaald door het gebiedstype en de functie (bijv. wonen, voorzieningen of kantoren).

Nieuw te bouwen appartementen krijgen op bepaalde plekken geen bijbehorende parkeervergunning meer voor parkeren op straat. Investeringsagenda Openbaar Vervoer (IAOV) In de IAOV worden trajecten aangeven waar het OV verbeterd moet worden. 5.1.2

Plangebied

Er is een verkeers- en parkeeronderzoek verricht dat inzichtelijk maakt wat de effecten zijn voor het verkeer en of het plan voldoet aan de parkeernormen voor auto, fiets en scooter. Dit onderzoek is als bijlage 9 bij deze toelichting gevoegd (Verkeers- en parkeeronderzoek herontwikkeling De Ruijterkade 5, gemeente Amsterdam, 30 mei 2023). Het onderzoek is uitgevoerd op het grotere bouwvolume zoals dat in het ontwerpbestemmingsplan was opgenomen. De conclusie van het onderzoek wijzigt echter niet als gevolg van het aangepaste, kleinere bouwvolume. Uit dit onderzoek blijkt dat de planontwikkeling geen nieuwe knelpunten oplevert en niet significant bijdraagt aan bestaande knelpunten voor wat betreft de doorstroming. Het aantal parkeerplaatsen blijft gelijk, waardoor de toename van het autoverkeer beperkt blijft. De belastingen op de kruispunten De Ruijterkade west – Droogbak, Droogbak – Nieuwe Westerdokstraat, Westerdoksdijk – Barentszplein en

Gemeente Amsterdam

blz. 64

Houtmankade – Tasmanstraat vormen in de huidige situatie al een knelpunt. Door aanpassing van de groentijden kan hier de doorstroming mogelijk nog worden verbeterd. Het aantal geplande autoparkeerplekken past binnen de parkeernorm. Voor fiets- en scoorterparkeren moet voldaan worden aan de Nota Parkeernormen Fiets en Scooter. Dit is zeker gesteld door in de regels op te nemen dat de omgevingsvergunning voor de bouw van het pand alleen wordt verleend als bij de aanvraag wordt aangetoond dat overeenkomstig de normen uit de Nota Parkeernormen Fiets en Scooter voldoende fiets- en scooterparkeervoorzieningen worden gerealiseerd.

Afbeelding 5.1: Studiegebied (rood) met locatie VMA-zone 71 (oranje) waarbinnen De Ruijterkade 5 ligt Conclusie Het aspect mobiliteit vormt geen belemmering voor de planontwikkeling.

5.2

Water

5.2.1

Kader

Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) Omdat water zich weinig aantrekt van landsgrenzen, zijn internationale afspraken nodig. Sinds eind 2000 is daarom de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht. Het doel van de KRW is dat uiterlijk in 2027 al het water in Europa schoon en gezond is. Dat is niet vrijblijvend: de KRW is Europese regelgeving die door alle lidstaten wettelijk is verankerd. De KRW is aangenomen in 2000 en kent drie uitvoeringsperioden: 2009-2015; 2016-2021 en 2022-2027. Om dit te bereiken moeten de landen van de Europese Unie een groot aantal maatregelen nemen.

bestemmingsplan_De Ruijterkade 5 (vastgesteld)

blz. 65

Enerzijds om de kwaliteit van de 'eigen' wateren op peil te brengen, anderzijds om ervoor te zorgen dat andere landen geen last meer hebben van de verontreinigingen die hun buurlanden veroorzaken. De uitvoering van de KRW schept de nodige verplichtingen en biedt tegelijkertijd voor Nederland ook veel mogelijkheden. Nederland ligt immers benedenstrooms en is voor zijn waterkwaliteit voor een belangrijk deel afhankelijk van het buitenland. Door de invoering van de richtlijn kunnen landen niet langer problemen van hun bord schuiven. Aan Nederland de opgave om de richtlijn goed en doelmatig uit te voeren. Waterwet De Waterwet stelt integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteembenadering' centraal. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Hierbij moet worden gedacht aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Hiernaast kenmerkt integraal waterbeheer zich ook door de samenhang met de omgeving. De Waterwet regelt het beheer van oppervlakte- en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) Het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) is vastgesteld op 18 maart 2022.

Op grond van Europese regelgeving en de nationale Waterwet zijn iedere 6 jaar nationale plannen voor water nodig. In het NWP komen het oude Nationaal Waterplan (voor beleid) en het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren (voor beheer) samen. In het NWP 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Het NWP 2022–2027 geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie waterveiligheid zoetwater en waterverdeling waterkwaliteit en natuur scheepvaart en de functies van de rijkswateren. Nationaal Bestuursakkoord Water In de aard en omvang van de nationale waterproblematiek doen zich structurele veranderingen voor. Klimaatveranderingen, zeespiegelstijging, bodemdaling en verstedelijking maken een nieuwe aanpak in het waterbeleid noodzakelijk. In februari 2001 sloten daarom Rijk, Interprovinciaal Overleg, Unie van Waterschappen en Vereniging van Nederlandse Gemeenten de Startovereenkomst Waterbeleid 21e eeuw.

Daarmee werd de eerste stap gezet in het tot stand brengen van de noodzakelijke gemeenschappelijke aanpak. Twee jaar later worden de resultaten van die samenwerking en van voortschrijdende kennis en inzicht neergelegd in dit Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW). Met dit NBW akkoord leggen de overheden vast op welke wijze, met welke middelen en langs welk tijdspad zij gezamenlijk de grote wateropgave voor Nederland in de 21e eeuw willen aanpakken. Het

Gemeente Amsterdam

blz. 66

akkoord benadrukt de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het op orde krijgen en houden van het totale watersysteem. Het geeft aan welke instrumenten ingezet worden om de opgave te realiseren, welke taken en verantwoordelijkheden iedere partij daarbij heeft en hoe partijen elkaar in staat willen stellen hun taken uit te voeren. Regionaal Waterprogramma Noord-Holland 2022-2027 Op 31 januari 2022 werd het Regionaal Waterprogramma Noord-Holland 2022-2027 vastgesteld door Provinciale Staten. Met dit programma wordt invulling gegeven aan het waterbeleid in de Omgevingsvisie NH 2050 voor zover het uitvoering van Europese richtlijnen over water betreft. Een goede waterkwaliteit, duurzaam voorraadbeheer en bescherming tegen overstroming zijn de centrale elementen van het programma. Voor de deelprogramma’s oppervlaktewater, grondwater en overstromingsrisico’s is uitgewerkt welke doelen de provincie wil bereiken en hoe hieraan een bijdrage wordt geleverd met een breed pakket aan maatregelen. Daarbij wordt extra aandacht besteed aan natuurgebieden, drinkwaterwinningen en zwemwateren, die volgens Europese richtlijnen worden beschermd vanwege de specifieke eisen die hier gelden. Omgevingsprogramma Riolering (OPR) 2022-2027 Het Omgevingsprogramma Riolering (OPR) 2022-2027 is geldig vanaf 25 maart 2022.

In het OPR is het beleid voor de gemeentelijke taken voor stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater opgenomen. Het programma is een uitwerking van de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 en is tot stand gekomen door de samenwerking tussen gemeente, Waternet en Amsterdam Rainproof. Het Omgevingsprogramma Riolering heeft als doel om de stad beter te laten omgaan met extreme neerslag. Tot 2021 was de norm dat we tenminste buien van 60 mm regenwater in een uur zonder schade kunnen verwerken. Omdat buien steeds extremer worden, is de norm nu verhoogd naar 70 mm in een uur. Voor vitale infrastructuur, zoals het elektriciteitsnetwerk en belangrijke toegangswegen bijvoorbeeld tot een ziekenhuis, hanteren we een hogere norm van buien van 90 mm in een uur. Om dit te bereiken moet de openbare ruimte zo worden ingericht dat deze bestand is tegen extreme buien, zowel boven als onder de grond. De hoofdstukken 4 en 5 van het Programma gaan hier specifiek op in. Waterbeheerprogramma (WBP) Elke zes jaar leggen waterschappen vast welke aanpak en welke maatregelen nodig zijn om de watertaken goed te kunnen uitvoeren. Dit gebeurt in het Waterbeheerprogramma (WBP), dat een instrument is onder de nieuwe Omgevingswet. In het WBP 2022-2027 maakt het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV) verbinding met het Waterbeheerplan 2016-2021, waarin woorden als waterbewustzijn en waterrobuust centraal stonden.

Dit volgende Waterbeheerprogramma stelt vast dat er een grote urgentie is om voortvarend in te zetten op concrete maatregelen voor een toekomstbestendig watersysteem. De aanleiding voor dit Waterbeheerprogramma AGV 2022-2027 is tweeledig: De nieuwe Omgevingswet, die in werking treedt op 1 juli 2022, stelt een Waterbeheerprogramma verplicht. Het huidige Waterbeheerplan AGV 2016-2021 verloopt in 2022. Het doel van dit Waterbeheerprogramma is inzicht geven in: De bestuurlijke ambitie van AGV voor de planperiode en daarna, ten aanzien van de grote maatschappelijke thema's waar Nederland voor staat. De Resultaten die AGV wil realiseren op het vlak van waterveiligheid, voldoende water, gezond bestemmingsplan_De Ruijterkade 5 (vastgesteld)

blz. 67

water, gezuiverd afvalwater, cultuurhistorie en recreatie. De maatregelen (Activiteiten) die AGV in de komende zes jaar gaat uitvoeren om die Resultaten te realiseren. Keur Het beheer van het water in de Amsterdamse binnenstad is in handen van Waternet, namens het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV). Het plangebied maakt deel uit van de Keur AGV 2019. De Keur is de waterschapsverordening van het waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV) / Hoogheemraadschap van Rijnland(HHR) / Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK). Zonder ontheffing op de Keur zijn werkzaamheden aan/op of in waterstaatkundige werken, watergangen en keringen verboden. De keur AGV is van toepassing op alle wateren, keringen en waterstaatkundige werken. Waternet, waarin de Dienst Waterbeheer en Riolering en het Waterleidingbedrijf zijn samengegaan, is de uitvoerende dienst voor dit Waterschap. Voor de gemeente Amsterdam voert Waternet de grondwaterzorgtaak uit, alsmede de afvalwaterinzameling, de drinkwaterlevering en het nautisch toezicht in de Amsterdamse grachten. 5.2.2

Plangebied

Er is onderzoek verricht naar de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding (Watertoets De Ruijterkade 5 te Amsterdam, Tauw, 1 augustus 2023; bijlage 10). Uit dit onderzoek blijkt het volgende. Het onderzoek is uitgevoerd op het grotere bouwvolume zoals dat in het ontwerpbestemmingsplan was opgenomen. De conclusie van het onderzoek wijzigt echter niet als gevolg van het aangepaste, kleinere bouwvolume. Maaiveldhoogte en bodemopbouw Het maaiveldniveau ligt overwegend op +2,0 m NAP en varieert binnen het plangebied van +0,5 tot +2,2 m NAP. Op basis van boringen uit eerder onderzoek ter plaatse van het plangebied volgt dat de bodemopbouw sterk heterogeen is. De bovenste 10 à 12 m -mv bestaat hoofdzakelijk uit klei, waarin echter ook zandige lagen en veenlagen worden aangetroffen. De doorlatendheid van de (zandige) toplaag is geschat op 0,5 tot 2,0 m/dag, waardoor infiltratie van hemelwater hier mogelijk is. Daar waar klei wordt aangetroffen is de doorlatendheid (veel) lager.

Gemeente Amsterdam

blz. 68

Afbeelding 5.2: Hoogtekaart van het plangebied (AHN4) Grondwater- en oppervlaktewatersituatie Op basis van informatie uit grondwatermetingen uit een eerder onderzoek en van Waternet volgt dat de grondwaterstand in het plangebied tussen de 0,7 tot 2,0 meter beneden het maaiveldniveau zit, op circa -0,2 à +0,2 m NAP (respectievelijk de ingeschatte GLG en GHG). Aangezien het maaiveldniveau in het plangebied enigszins varieert, varieert ook de ontwateringsdiepte. Oppervlaktewater is rondom het plangebied aanwezig. Ten oosten van het plangebied ligt het IJ en ten noordwesten en zuidoosten van het plangebied bevinden zich primaire watergangen. Allen hebben een jaarrond streefpeil van -0,40 m NAP. De ligging naast het IJ heeft een sterke invloed op de (stabiele) grondwaterstand in het plangebied. Hemelwater Op basis van de aangeleverde oppervlakten is een netto afname aan verhard oppervlak bepaald (circa -0,04 ha). Op basis van een bergingseis van 60 mm volgt een bergingsopgave van 229 m3 voor de verharding (dak, wegen, paden). Uitgangspunt is dat het toekomstig dakoppervlak als groendak wordt uitgevoerd (circa 2.300 m2) en minstens 137 m3 berging kan bieden. Dit leidt tot een resterende bergingsopgave van 92 m3 voor het plangebied. Om hier in te voorzien, kunnen verschillende bestemmingsplan_De Ruijterkade 5 (vastgesteld)

blz. 69

oplossingen of een combinatie van oplossingen worden toegepast. Daarbij kan gedacht worden aan: Wadi’s Infiltratiekratten Waterbergende fundering onder paden en/of wegen Gezien de voor infiltratie geschikte bodem, is het realiseren van de bergingsopgave goed mogelijk. Om zeker te stellen dat voldoende waterberging wordt gerealiseerd, is in de planregels opgenomen dat een omgevingsvergunning voor het bouwen alleen verleend kan worden als er voldoende waterberging gerealiseerd wordt en in stand wordt gehouden (artikel 3.2, onder a, sub 5). Afvalwater Op basis van de beoogde toename aan vloeroppervlak naar circa 23.700 m2 BVO is de toekomstige afvalwaterproductie geschat op maximaal 7,1 m3/uur. Er is aangenomen dat mogelijk groter waterverbruik van het commercieel oppervlak (1.200 m2 BVO) binnen deze maximale schatting valt. Het afvalwater wordt afzonderlijk van het hemelwater verzameld en verwerkt, en sluit aan op de bestaande riolering in De Ruijterkade. Visie Waterschap AGV Waterschap AGV geeft het advies om een minimale aanleghoogte van +2,0 m NAP aan te houden voor het plangebied, om te voorkomen dat er schade ontstaat bij hoog water en overstromingen. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de planontwikkeling.

5.3

Cultureel erfgoed

5.3.1

Kader

Bij cultuurhistorische waarden gaat het over sporen, objecten, patronen en structuren die zichtbaar of niet zichtbaar onderdeel uitmaken van onze leefomgeving en een beeld geven van een historische situatie of ontwikkeling. In veel gevallen bepalen deze cultuurhistorische waarden de identiteit van een plek of gebied en bieden ze aanknopingspunten voor toekomstige ontwikkelingen. Het is meestal niet nodig alle cultuurhistorische elementen aan te wijzen als beschermd monument of gezicht. Het is wel van belang dat cultuurhistorische waarden worden betrokken in de planvorming en worden meegewogen in de besluitvorming over de inrichting van een gebied. Wet op de archeologische monumentenzorg De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta (la Valetta). Het is een raamwet die regelt hoe rijk, provincie en gemeente bij hun ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is op 1 september 2007 in werking getreden. De wet beoogt het culturele erfgoed (en vooral het archeologische erfgoed) te beschermen. Erfgoedwet

Gemeente Amsterdam

blz. 70

De huidige juridische basis voor het omgaan met archeologische waarden en erfgoed is vastgelegd in de Erfgoedwet, d.d. 9 december 2015, in werking getreden op 1 juli 2016. Met de Erfgoedwet wil de overheid het cultureel erfgoed in Nederland beter beschermen. De wet vervangt onder meer de Monumentenwet 1988 en de Wet tot behoud van cultuurbezit. De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in 2024 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht van de Erfgoedwet, waardoor deze delen van de Monumentenwet 1988 ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met het erfgoed van nationaal belang wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarin heeft en hoe toezicht wordt uitgeoefend. De Erfgoedwet kent een aantal nieuwe bepalingen. Artikel16 van de Erfgoedwet stelt dat de gemeenteraad een erfgoedverordening kan vaststellen (lid 1). Deze betreft het beheer en behoud van cultureel erfgoed dat van bijzonder belang is voor die gemeente vanwege de cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis (lid 3).

Burgemeester en wethouders zijn verplicht een gemeentelijk erfgoedregister van aangewezen cultureel erfgoed bij te houden. De Provincie Noord-Holland en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed hebben voor wat betreft het aspect archeologie, formeel een adviserende en toetsende rol op basis van de Wet ruimtelijke ordening. De Erfgoedwet schrijft voor dat (toevals)vondsten moeten worden gemeld bij de minister. Deze verwittigt het Rijk. Indien tijdens de uitvoering van bouwwerkzaamheden vondsten worden gedaan waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat deze van archeologische waarde zijn, wordt dit aan Monumenten en Archeologie van de Gemeente Amsterdam gemeld. In overleg met de opdrachtgever kunnen dan maatregelen worden getroffen tot documentatie en berging van de vondsten. Besluit ruimtelijke ordening Op grond van artikel 3.1.6 lid 5 onder a van het Besluit ruimtelijke ordening (d.d. 17 juni 2011, stbl 5 juli 2011, nr 339) dient in de toelichting van een bestemmingsplan een beschrijving te worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Dit betekent dat de gemeente de cultuurhistorische waarden en aanwezige of naar verwachting aanwezige monumenten in kaart moet brengen.

Daarbij moet worden aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met deze waarden van de in het plan begrepen gronden. Erfgoedverordening Amsterdam Op 16 december 2015 is de Erfgoedverordening Amsterdam vastgesteld. Deze stedelijke verordening geldt voor heel Amsterdam en beschermt de boven- en ondergrondse cultuurhistorische waarden van de gemeente Amsterdam. Monumenten en Archeologie is in de Erfgoedverordening aangewezen als het stedelijk kennis- en expertisecentrum dat gemeentelijke diensten en de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit van de gemeente Amsterdam adviseert over de waarde van en de omgang met de onder- en bovengrondse cultuurhistorische waarden. Het belangrijkste motief van de Erfgoedverordening is het beschermen van de cultuurhistorische waarden binnen de gemeente Amsterdam. Daarom worden in de erfgoedverordening de volgende onderwerpen geregeld: bestemmingsplan_De Ruijterkade 5 (vastgesteld)

blz. 71

de aanwijzing van panden en objecten tot gemeentelijk monument; de aanwijzing van stads-en dorpsgezichten tot gemeentelijke stads-en dorpsgezichten; het vergunningenstelsel voor de gemeentelijke en beschermde monumenten; de inschakeling van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK) als adviesorgaan voor de aanwijzing tot gemeentelijk en beschermd (rijks)monument en gemeentelijk stads-of dorpsgezicht en de verlening van een vergunning voor gemeentelijke en beschermde (rijks)monumenten, Monumenten en Archeologie (MenA) levert daarvoor het ambtelijk advies. Deze inhoudelijke advisering door MenA ondersteunt de CRK om haar adviestaak uit te kunnen voeren op een wijze zoals is bedoeld in de Monumentenwet 1988 en in deze verordening; de regeling van bovengrondse cultuurhistorische waarden in bestemmingsplannen; eisen aan cultuurhistorisch onderzoek; eisen aan archeologisch onderzoek; de regeling van betreding in het belang van archeologisch onderzoek in het kader van een bestemmingsplan of een projectbesluit. In de artikelen 22 en 23 van de Erfgoedverordening staat aangegeven welke beschrijvingen in de toelichting van een bestemmingsplan dienen te worden opgenomen ten aanzien van bovengrondse cultuurhistorische waarden en ten aanzien van archeologische waarden. 5.3.2

Plangebied

5.3.2.1 Archeologie Voor het plangebied is al een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd (Archeologisch bureauonderzoek Bestemmingsplangebied Technisch Centrum en Tussen de Bogen, BO 19-055 Amsterdam 2019, Monumenten en Eracheologie). Deze is bijgevoegd als bijlage 11. Uit dit onderzoek blijkt dat de archeologische verwachtingswaarde laag tot negatief is. In de bedding van de voormalige IJ-bodem kunnen verzonken overblijfselen voorkomen die verband houden met de historische scheepvaart op het IJ vanaf de 13de eeuw. De enige samenhangende structuren zijn scheepswrakken, maar dit zijn geïsoleerde vindplaatsen met een lage trefkans. Ook kunnen losse vondsten en afval voorkomen die in de bedding zijn weggezonken. Delen van het IJ zijn vanaf de late 19de eeuw diepgaand uitgebaggerd en/of gedempt. Eventuele archeologische resten zijn daarbij verstoord geraakt. Voor het plangebied geldt dan ook een uitzondering van archeologisch vervolgonderzoek bij alle bodemingrepen. Wel geldt conform de Erfgoedwet een meldingsplicht. Indien tijdens de uitvoering van bouwwerkzaamheden vondsten worden gedaan waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat deze van archeologische waarde zijn, wordt dit aan Monumenten en Archeologie, Gemeente Amsterdam gemeld zodat in overleg met de opdrachtgever maatregelen getroffen worden tot documentatie en berging van de vondsten.

5.3.2.2 Cultuurhistorie De Ruijterkade is ontstaan met de bouw van de stationseilanden die tussen 1872 en ’77 aangelegd zijn om ruimte te bieden aan de nieuwe spoorweg- en haveninfrastructuur. Een groot deel van de bebouwing langs deze kade was al voor 1920 gesloopt ten behoeve van de bouw van een tweede kap voor het Centraal Station. Van de oorspronkelijke bebouwing (1890-1910) resteert in feite alleen nog maar het oostelijk deel van De Ruijterkade buiten het plangebied. De strook tussen De Ruijterkade en het spoor werd gaandeweg gevuld met nieuwe kantoorgebouwen, zoals het Havengebouw, een verzekeringskantoor/ kantoor voor de Kamer van Koophandel en het ProRail-gebouw. Op dit punt raakt het Westelijk Stationseiland aan Tussen de Bogen langs de Haarlemmer Houttuinen.

Gemeente Amsterdam

blz. 72

Cultuurhistorisch belangrijke waarden in de directe omgeving van het plangebied zijn het Havengebouw (gemeentelijk monument) met aanbouw en parkeerterrein. In het plangebied zelf zijn geen betekenisvolle elementen, structuren en bebouwing aanwezig. Voor een uitgebreidere toelichting wordt verwezen naar de ontstaansgeschiedenis in pargraaf 2.1. UNESCO Werelferfgoed Op onderstaande kaart is te zien dat het plangebied buiten de kernzone, maar binnen de bufferzone van het UNESCOgebied ligt.

Afbeelding 5.3 - Grachtengordel Amsterdam UNESCO Werelderfgoed: kern- en bufferzone Nieuwbouw is in de binnenstad vaak onderwerp van discussie. Het huidige welstandsbeleid ziet er voldoende op toe dat nieuwbouwplannen passen in de context van het beschermde stadsgezicht. Met de aanwijzing van de grachtengordel als Werelderfgoed behoren ook de Uitzonderlijke universele waarde en de authenciteit en integriteit tot de 'context' waarin nieuwbouwplannen moeten worden ingepast.

bestemmingsplan_De Ruijterkade 5 (vastgesteld)

blz. 73

UNESCO heeft specifieke aandachtspunten voor eigentijdse architectuur in het Vienna Memorandum en het Charter van Venetië (ICOMOS, UNESCO) geformuleerd. Voor UNESCO is de afleesbaarheid van de stad essentieel, hetgeen ook aansluit bij het eerdergenoemd criterium authenciteit. Eigentijdse architectuur dient in principe als zodanig herkenbaar te zijn. Artikel 21 van het Vienna Memorandum luidt namelijk: 'Met inachtneming van de uitgangspunten (volgens artikel 7 van dit Memorandum), moeten stedenbouw, hedendaagse architectuur en het behoud van de historische stedelijke land- schap alle vormen van pseudo-historisch ontwerp voorkomen, omdat dit een ontkenning vormt van zowel het historische als het hedendaagse. Een historische blik moet niet de andere verdringen, omdat de geschiedenis leesbaar moet blijven, terwijl het bereiken van samenhang van de cultuur door kwalitatieve interventies het ultieme doel is.' Voor UNESCO is het aspect 'visual impact' (visueel effect) van belang. Hedendaagse stedelijke ontwikkelingen, zoals hoogbouw en eigentijdse architectuur, kunnen van invloed zijn op stadssilhouetten, het daklandschap, zichtlijnen of doorzichten en de authenticiteit en integriteit van het historische stedelijke landschap bedreigen. Van deze ontwikkelingen kan vooral hoogbouw een groot visueel effect op de grachtengordel hebben.

Daarom heeft de gemeente Amsterdam hoogbouwbeleid ontwikkeld. Dit hoogbouwbeleid gaat uit van de internationaal voor het Werelderfgoed geldende charters en verdragen, waaronder het Charter van Washington en het Vienna Memorandum. Ook de inhoud van meer recente papers van het Werelderfgoed Comité en diens adviesorgaan ICOMOS over de maatschappelijke en culturele betekenis van het historische stedelijke landschap in relatie tot hedendaagse ontwikkelingen in stedenbouw en architectonisch ontwerp zijn hierin verwerkt. Hoogbouw mag alleen wanneer de uitzonderlijke universele waarde en de authenticiteit en integriteit niet in het geding komen. Concreet gaat het om de bescherming en instandhouding van bestaande zichtassen/doorzichten, stadssilhouetten en het daklandschap van de kernzone en de omringende bufferzone. De hoogbouwvisie, de regels en de verbeelding in de bestemmingsplannen voorzien in deze bescherming en instandhouding. In par. 5.5.2 wordt hier in het kader van het hoogbouwbeleid nader op ingegaan. Het UNESCO Werelderfgoed wordt niet aangetast door deze planontwikkeling. Dat wordt bevestigd door het advies van Bureau Werelderfgoed. Zie hiervoor ook paragraaf 2.3 van deze toelichting en bijlage 2 bij deze toelichting. Conclusie Vanuit het cultureel erfgoed zijn er geen belemmeringen voor de planontwikkeling.

5.4

Natuur

5.4.1

Kader

Vogelrichtlijn en Habitatirichtlijn De Vogelrichtlijn (Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand) is een richtlijn van de Europese Unie. Het doel is de bescherming, het beheer en de regulering van de in de lidstaten voorkomende vogels. De bescherming van soorten en de aanwijzing van beschermde gebieden voor specifieke soorten van Bijlage I en voor trekvogels zijn verwerkt in de Wet natuurbescherming.

Gemeente Amsterdam

blz. 74

De Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna) is ook een richtlijn van de Europese Unie. Het doel is bij te dragen aan het waarborgen van de biologische diversiteit in de lidstaten door bescherming van habitats en soorten die van Europees belang zijn. De bescherming van soorten uit bijlage IV en V en de aanwijzing van beschermde gebieden voor soorten uit bijlage II zijn verwerkt in de Wet natuurbescherming. Wet natuurbescherming In de Wet natuurbescherming staan beschermingsregels voor de Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. De Wet natuurbescherming geeft uitvoering aan de verplichtingen van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. In Noord-Holland bevinden zich verschillende Natura 2000-gebieden. Voor elk van deze gebieden is bepaald welke natuurlijke kenmerken beschermd zijn, behouden moeten blijven of uitgebreid moeten worden. Dit zijn de zogenaamde instandhoudingsdoelen. Het kan daarbij gaan om planten en om dieren. Indien een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt in of in de nabijheid van een Natura 2000 gebied, moet worden onderzocht of de ontwikkeling significante effecten heeft op de beschermde habitats in de natuurgebieden. Vrijwel alle in Nederland in de vrije natuur voorkomende flora en fauna is beschermd.

Dit betekent onder meer dat het verboden is om vogels, zoogdieren, amfibieën, reptielen en een aantal vissoorten te verstoren, te vangen of te doden en dat het verboden is om hun rust-, verblijf- en nestplaatsen uit te halen, te verwijderen of te vernielen. Wilde planten mogen niet worden uitgestoken. Het is mogelijk om vrijstelling of ontheffing te krijgen van deze verboden. Dat kan nodig zijn in het geval beschermde soorten schade aanrichten, zoals bijvoorbeeld gewasschade, schade aan de volksgezondheid of schade aan flora of fauna. Een ontheffing kan ook nodig zijn in het geval werkzaamheden moeten worden uitgevoerd, zoals bouwen, onderhoud, slopen of aanleg van infrastructuur. Als deze werkzaamheden gevolgen kunnen hebben voor beschermde planten- of diersoorten moet daarvoor bij de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord (OD NHN) een ontheffing worden aangevraagd. De aanvrager moet dan aantonen dat er geen andere bevredigende oplossingen bestaan dan het verstoren, verjagen, doden of vernielen van de betreffende flora of fauna. Tevens moet altijd worden aangetoond dat daarmee een in de wet genoemd belang is gemoeid. Een aanvraag om ontheffing van de verboden van de Wet natuurbescherming moet goed gemotiveerd zijn. Bij ontwikkelingen in een gebied of de sloop van gebouwen dient een natuurscan te worden uitgevoerd om de soorten en gebiedsstatus in kaart te brengen.

Rode lijstsoorten, landelijk beleid Nederland is op grond van internationale regelgeving verplicht om aandacht te besteden aan soorten die met uitsterven worden bedreigd of kwetsbaar zijn, ook als die niet specifiek worden beschermd door de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Dit volgt (onder meer) uit de artikelen 1 en 3 van het Verdrag van Bern. Tegen die achtergrond heeft Nederland ervoor gekozen om lijsten vast te stellen van deze met uitsterven bedreigde en kwetsbare soorten, zodat daar in het beleid door de verschillende overheden en natuurbeheerders rekening mee kan worden gehouden. De Rode Lijsten hebben via de AMvB Besluit Rode Lijsten flora en fauna een wettelijke status gekregen (ter implementatie van de artikelen 1 en 3 van het Verdrag van Bern).

bestemmingsplan_De Ruijterkade 5 (vastgesteld)

blz. 75

De Rode Lijsten flora en fauna omvatten verdwenen, ernstig bedreigde, bedreigde, kwetsbare en gevoelige planten en dieren in Nederland en zijn verdeeld over achttien soortgroepen. Zo bestaan er aparte lijsten voor bijvoorbeeld zoogdieren, vogels, bijen en vlinders. Deze lijsten worden periodiek vastgesteld aan de hand van twee criteria, te weten trend en zeldzaamheid. De Rode Lijsten hebben op zichzelf géén juridische status. In die zin dat het voorkomen van een soort op de Rode Lijst niet betekent dat er speciale beschermende bepalingen van kracht zijn (ABRvS 19 februari 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AF4760, r.o. 2.3.4.1.). Wél hebben de Rode Lijsten een belangrijke signaleringsfunctie voor het beleid. De Rode Lijsten worden gebruikt als indicatie voor de staat van de natuur en kunnen voor specifieke soorten op deze lijst van invloed zijn op het ten aanzien van die soorten te voeren beschermingsbeleid. Nationaal Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. De provincies zijn verantwoordelijk voor het Natuurnetwerk Nederland op het land. Ook alle grote wateren (grote rivieren, Deltawateren, IJsselmeergebied en Waddenzee) en de gehele Noordzee behoren tot het NNN.

Voor deze gebieden is het Rijk verantwoordelijk. Het Natuurnetwerk is de voortzetting van de Ecologische Hoofdstructuur. Deze werd in 1990 door het Rijk op kaart getekend. Het doel was en is om natuurgebieden te verbinden. Planten en dieren krijgen daarmee meer kans zich te verspreiden en voort te planten. Het is een belangrijk middel om de hoofddoelstelling van het natuurbeleid te bereiken: natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als essentiële bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving. Het NNN moet er onder meer toe bijdragen dat afspraken over het behoud en het herstel van biodiversiteit worden nagekomen. De verbindingen zijn grensoverschrijdend, als je uitzoomt zie je dat de verbindingen in Europa met elkaar zijn verbonden, zodat diersoorten zich vrij kunnen bewegen en vermengen over Europa en de grote natuurgebieden kunnen bereiken. De provincie staat nu voor de taak om het NNN in 2027 af te ronden. Het netwerk beslaat 56.500 hectare. Dat is zo’n 15% van het oppervlak van de provincie. Daarvan is ruim 90% inmiddels ingericht. Provincie en vele maatschappelijke en private partners werken nu aan de resterende 4.700 hectare. Amsterdams beleid In de Structuurvisie Amsterdam 2040 zijn de Ecologische structuur en Hoofdgroenstructuur voor Amsterdam vastgesteld.

Bij de vaststelling van de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 is bepaald dat de Hoofdgroenstructuur uit de Structuurvisie Amsterdam 2040 van kracht blijft tot vervangend beleid is vastgesteld. De Hoofdgroenstructuur bevat de minimaal benodigde hoeveelheid stedelijk groen en bijbehorende waterstructuren die we willen borgen. Niet al het groen in Amsterdam valt onder de Hoofdgroenstructuur. Het gaat om bestaand groen met een wijkoverstijgende functie. Dus niet om buurtparkjes, maar wél om de grotere stadsparken en stadsplantsoenen zoals het Nelson Mandelapark en het Wachterliedplantsoen. Daarnaast kan de waarde van een groengebied een reden zijn om het aan de Hoofdgroenstructuur toe te voegen. Denk hierbij aan waarde voor een klimaatbestendige stad, voor de gezondheid of voor de natuur. Om een groen netwerk te realiseren zijn verbindingen nodig. Daarom vallen ook die onder de Hoofdgroenstructuur. Zelfs smalle groene stroken kunnen voor het netwerk van groot belang zijn, zowel voor recreatie als voor flora en fauna. Zo zijn de taluds langs snel- of spoorwegen erg belangrijk voor dieren om zich van het ene naar het andere gebied te kunnen verplaatsen.

Gemeente Amsterdam

blz. 76

5.4.2

Plangebied

Er is een quickscan uitgevoerd naar de gevolgen van de planontwikkeling voor de natuurwaarden. De quickscan is bijgevoegd als bijlage 12 (Quickscan Natuur De Ruijterkade 5, Amsterdam, Idverde Advies, 25 april 2023) Uit de quickscan blijkt dat er nader onderzoek nodig is naar stikstofdepositie en het voorkomen van vleermuizen. Hieronder wordt ingegaan op de resultaten van de quickscan en de nadere onderzoeken naar de stikstofdepositie en het voorkomen van vleermuizen. 5.4.2.1 Natura 2000-gebieden De Natura 2000–gebieden die op de kortste afstand van het plangebied liggen, zijn het Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske (op ± 4,8 km) en het Markermeer & IJmeer (op ± 5,7 km). Uit het uitgevoerde onderzoek blijkt dat uitgesloten is dat het plan significante, negatieve gevolgen heeft ten opzichte van de referentiesituatie.

Afbeelding 5.3: Ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden. Bron: AERIUS Calculator Wel kan er stikstofdepositie op grote afstand optreden, veroorzaakt door de sloop- en bouwwerkzaamheden. Een negatief effect door uitstoot van stikstof is niet uit te sluiten. Er is daarom onderzoek verricht naar de gevolgen van stikstofuitstoot vanwege de planontwikkeling. Dit onderzoek is bijgevoegd als bijlage 13 (Stikstofdepositieonderzoek De Ruijterkade 5 Amsterdam, De Roever Omgevingsadvies, 4 juni 2025). Uit dit onderzoek blijkt dat er voor wat betreft de aanlegfase geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden ten opzichte van de referentiesituatie. In de gebruiksfase is de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol N/ha/jaar. Daarmee zijn er voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen negatieve effecten te verwachten op stikstofgevoelige natuur in Natura 2000-gebieden

bestemmingsplan_De Ruijterkade 5 (vastgesteld)

blz. 77

ten gevolge van het plan. 5.4.2.2 Natuurnetwerk Nederland Het plangebied overlapt niet met het Natuurnetwerk Nederland. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op ruim 4 km afstand (De Bretten). Significant negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden zijn daardoor uitgesloten. Conflicten met provinciaal natuurbeleid zijn daardoor niet aan te orde. 5.4.2.3 Hoofdgroenstructuur en Ecologische structuur gemeente Amsterdam De groene verbindingen (de ecologische structuur) zijn bedoeld om de groene gebieden met elkaar te verbinden en daarmee het leefgebied voor dier- en plantensoorten te vergroten. Een goede ecologische structuur is essentieel voor de biodiversiteit. De Amsterdamse ecologische structuur betreft een netwerk van zowel grote als kleine 'groene' en 'blauwe' gebieden en maakt het verbindende groene netwerk binnen de stad en de verbinding met het omringende landschap zichtbaar (Ecologische visie gemeente Amsterdam, d.d. 20 april 2012). De Hoofdgroenstructuur betreft alle groengebieden in de gemeente Amsterdam, inclusief parken en sportcomplexen. Ook voor deze gebieden geldt een nee, tenzij beleid. Het plangebied valt niet binnen de Ecologische structuur en de Hoofdgroenstructuur van de gemeente Amsterdam. De voorgenomen planontwikkeling is niet in conflict met bovengenoemde gemeentelijke groenstructuren.

Afbeelding 5.4: De ligging van de Hoofdgroenstructuur (licht groen) en Ecologische structuur (donk ergroen) van de gemeente Amsterdam t.o.v. het plangebied (rood) (bron: www.maps.amsterdam.nl).

Gemeente Amsterdam

blz. 78

5.4.2.4 Soortenbescherming De verspreidingsgegevens en het oriënterend veldbezoek geven een voldoende duidelijk beeld van het (mogelijk) voorkomen van vaatplanten, grondgebonden zoogdieren, broedvogels met jaarrond beschermde nesten, reptielen, amfibieën, vissen en ongewervelde diersoorten. Er is geen aanleiding tot het uitvoeren van een soortgericht onderzoek om het voorkomen van bovengenoemde soorten en soortgroepen en/of hun verblijfplaatsen nader vast te stellen. Wel blijkt uit de quickscan dat nader onderzoek nodig is naar de mogelijke effecten op potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen naast het pand. Uit dit onderzoek blijkt dat er geen verblijfplaatsen en/of andere essentiële functies voor vleermuizen aanwezig zijn binnen het plangebied en de directe omgeving (bijlage 14; Vleermuisonderzoek De Ruijterkade 5 te Amsterdam, Tauw, 17 oktober 2023). Verder moet in verband met mogelijk dan broedende vogels voorafgaand aan de sloopwerkzaamheden tijdens het reguliere broedseizoen (maart tot en met september) een aanvullende controle worden uitgevoerd. Ook dient naast beschermde soorten rekening gehouden te worden met algemeen voorkomende fauna. Voor deze soorten is de zorgplicht van toepassing, 5.4.2.5 Conclusie Vooralsnog zijn er geen dusdanige natuurwaarden aan de orde, die een belemmering voor de planvorming vormen.

5.5

Hoogbouw

5.5.1

Kader

Het Hoogbouwbeleid is op 27 juli 2024 vastgesteld door de gemeenteraad. Dit beleid bestaat uit regels op gebiedsniveau en principes op gebouwniveau. De regels op gebiedsniveau zijn opgenomen in de vorm van vier regimes. Naast de uitgangspunten die per regime zijn geformuleerd gelden voor elk plan de volgende punten: Hoogbouw respecteert de waarden en kwaliteiten van het UNESCO-gebied. Hoogbouw respecteert de waarden van de beschermde stads- en dorpsgezichten en van het ‘Aandachtsgebied van de Wederopbouw’. Hoogbouw moet passen in het ruimtelijke systeem. Voorafgaand aan elke hoogbouwontwikkeling wordt als onderdeel van het planvormingsproces een inpassingsstudie in de stad (op aspecten aangaande de stedenbouwkundige inpassing) en directe omgeving (op aspecten aangaande het bouwvolume zelf). Deze studie dient als randvoorwaarde voor de verdere ontwikkeling. Het betreft randvoorwaarden ten aanzien van de exacte situering, de maximale hoogtes, volume-opbouw en het aantal hoge gebouwen. In die inpassingsstudie komen daartoe de volgende aspecten aan bod: De impact op het stadslandschap. De impact op de directe omgeving (aangrenzend maaiveld en belendende de bebouwing). De impact op beschermde stadsgezichten. Het windklimaat. Schaduwval in de directe omgeving. Bezonning en privacy van omliggende woningen. De Ruijterkade 5 ligt in regime 4.

Dit regime geldt voor de beschermde stadsgezichten en de randen van

bestemmingsplan_De Ruijterkade 5 (vastgesteld)

blz. 79

de scheggen en het IJ.

Afbeelding 5.5: De Ruijterkade 5 ligt in regime 4 van het hoogbouwbeleid (bron: Hoogbouwbeleid Amsterdam). In de beschermde stadsgezichten (waaronder het UNESCO-gebied) is hoogbouw niet toegestaan. De maximale hoogte van nieuwe gebouwen is tot 1,25 keer de overwegende hoogte van de directe omgeving. Deze maximale hoogte wil niet zeggen dat deze hoogte overal is toegestaan. De gewenste hoogte in het grootste deel van deze gebieden is de huidige bouwhoogte. Afwegingen worden gemaakt op basis van dit Hoogbouwbeleid en op basis van overig beleid en bestemmingsplan/omgevingsplan dat van toepassing is. De 17e-eeuwse grachtengordel van Amsterdam binnen de Singelgracht staat sinds 2010 op de Werelderfgoedlijst van UNESCO. Met deze nominatie heeft de gemeente Amsterdam de verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat dit werelderfgoed zo authentiek en integer mogelijk blijft. Dat houdt in dat veranderingen in dit historisch gelaagde stadsbeeld door nieuwe bebouwing in de 2 kilometerzone rondom het Singelgrachtgebied niet mag worden aangetast. Dat wil zeggen: geen veranderingen in aanzicht vanuit de diverse zichtlijnen in het werelderfgoedgebied, namelijk de zichtlijnen richting het IJ, zichtlijnen vanuit het UNESCOgebied over de Amstel, maar ook richting het stedelijk weefsel van de Jordaan en verder.

De nieuwe bebouwing mag perspectivisch vanuit het UNESCO-gebied gezien niet hoger lijken dan de overwegende hoogte van de bebouwing in het UNESCO-gebied. Verder is de overwegende hoogte van de wanden aan de zuidelijke IJ-oever maximaal 30 meter met als uitzondering hogere en stevige gebouwen. Er zijn op het schaalniveau van het gebouw en het blok waarin het gebouw staat vier principes geformuleerd waar een hoog gebouw aan moet voldoen om tot een goed hoog gebouw te komen dat lang mee gaat: 1. Hoogbouw draagt bij aan de levendigheid van de openbare ruimte. 2. Het is fijn wonen en werken in hoogbouw. 3. Hoogbouw gaat lang mee.

Gemeente Amsterdam

blz. 80

4. Hoogbouw maakt op een mooie manier onderdeel uit van het stadssilhouet. Elk hoogbouwinitiatief (een gebouw hoger dan 30 meter) formuleert in de schetsontwerpfase per principe een visie die laat zien op welke manier hier invulling aan wordt gegeven. Daarbij is een aantal vuistregels opgenomen die kunnen worden gezien als een leidraad en kwaliteitsstandaard. De gebouwprincipes zijn algemeen beschreven en laten ruimte voor diverse soorten (innovatieve) oplossingen. 5.5.2

Plangebied

Het UNESCO Werelderfgoed wordt niet aangetast door deze planontwikkeling. Dat wordt bevestigd door het advies van Bureau Werelderfgoed (bijlage 1 bij deze toelichting). Zie hiervoor ook de paragrafen 2.3 en 5.3.2.2 van deze toelichting. Om alle relevante effecten van de hoogbouw in beeld te brengen, is er een hoogbouweffectrapportage (HER) uitgevoerd (De Ruijterkade 5 Amsterdam, Hoogbouweffectrapportage HER, april 2025, Stoneweg/CBRE/Cie.). Deze rapportage is bijgevoegd als bijlage 15 bij deze toelichting.

Afbeelding 5.6: De Ruijterkade gezien vanaf de Adam Toren (huidige situatie)

Afbeelding 5.7: Nieuw volume In de hoogbouweffectrapportage is de planontwikkeling beoordeeld op de volgende aspecten: 1. Landschappelijke inpassing: impact op het stadslandschap 2. Stedenbouwkundige inpassing: inpassing in de stedenbouwkundige structuur, met bijzondere aandacht op gebieden van cultuurhistorische waarden 3. Consequenties en hoogtebeperkingen van de nabijheid van Schiphol, straalpaden en zendstations 4. Windhinder in de directe omgeving 5. Schaduwwerking in de directe omgeving 6. Openbare ruimte en sociale veiligheid

bestemmingsplan_De Ruijterkade 5 (vastgesteld)

blz. 81

Landschappelijke en stedenbouwkundige inpassing Het volume is zodanig vormgegeven dat het niet storend zichtbaar is vanuit de hoofdgrachten van het UNESCO gebied. Het huidige volume voegt zich goed in de stedelijke wand van het Westelijk Stationseiland.

Afbeelding 5.7: Hoogterelatie van het voorkeursmodel met de binnenstad Consequenties nabijheid Schiphol Het Luchthavenindelingsbesluit Schiphol schrijft veiligheid- en gezondheidsregels voor over de bestemming en het gebruik van de gronden binnen het luchthavengebied en het beperkingengebied rondom Schiphol. Het plangebied ligt geheel binnen het beperkingengebied waarvoor een maximale bouwhoogte van 146 meter. Dit is gemeten ten opzichte van NAP. Het maaiveld van Schiphol ligt op -4 meter t.o.v. NAP. De beoogde ontwikkeling, met een maximale bouwhoogte van 31,5 meter, valt ruim onder de maximale toetshoogte van het Luchthavenindelingsbesluit Schiphol (2014). De Ruijterkade ligt verder ook niet in de nabijheid van straalpaden voor communicatieverkeer zodat er ook vanuit dat oogpunt geen beperking voor bouwhoogtes geldt.

Afbeelding 5.8: Toetshoogtes t.o.v. NAP Luchthavenindelingsbesluit Schiphol Windhinder Doormiddel van een windonderzoek is onderzocht wat het effect van de nieuwe ontwikkeling is op het windklimaat rondom het gebouw en de omgeving. Hierbij is gebruik gemaakt van de Nederlandse norm NEN 8100:2006 ‘windhinder en windgevaar in de gebouwomgeving’. Voor de berekening is alle omliggende bebouwing inclusief vegetatie binnen een straal van 300 meter meegenomen. Het complete

Gemeente Amsterdam

blz. 82

windonderzoek is in de HER als bijlage opgenomen. Het inpassen van het volume leidt tot lokaal windrijkere zones, maar deze vallen binnen acceptabele grenzen gezien het beoogde gebruik van de openbare buitenruimte. Er kan geconcludeerd worden dat het nieuwe volume beperkte invloed heeft op het lokale windklimaat en dat er na realisatie een acceptabel windklimaat zal heersen. Hierdoor zijn geen additionele maatregelen nodig om de heersende windcondities te verzachten. Schaduwwerking Er is geen wettelijk vastgestelde norm voor het aantal uren bezonning van verschillende bestemmingen. Om de gevolgen van de hoogbouw op de schaduwwerking te toetsen is een computersimulatie gemaakt voor de volgende data en tijdstippen: 21 maart: 11:00 – 13:00 – 15:00 – 17:00 21 mei: 11:00 – 13:00 – 15:00 – 17:00 21 juni: 11:00 – 13:00 – 15:00 – 17:00 21 september: 11:00 – 13:00 – 15:00 – 17:00 21 december: 11:00 – 13:00 – 15:00 – 17:00 De zonstand van 21 maart en 21 september is gelijk aan elkaar. Uit de bezonningsstudie kunnen de volgende conclusies worden getrokken: 15 maart en 15 september: Schaduwwerking treedt gedurende de dag op in het openbare gebied tussen het gebouw en het IJ. Tussen 13:00 en zonsondergang ligt het openbaar gebied volledig in de schaduw.

15 mei en 15 juni: De schaduwwerking op het openbare gebied en de kade van het IJ is beperkt en ligt in lijn met de schaduwwerking van de naastgelegen gebouwen. 15 december: Vanaf 13:00 neemt de schaduwval richting het IJ en het IJdock toe. Mogelijk zal de ontwikkeling in beperkte periode per dag schaduwwerking creëren op de gebouwen die op de kop van het IJdock liggen. De ontwikkeling leidt tot schaduwwerking in het openbare gebied. Echter de toename van de schaduwwerking zal beperkt zijn ten opzichte van de huidige situatie. Het huidige gebouw geeft al schaduwwerking met een bouwhoogte van 27 meter en een gelijke breedte. Op de kop van het IJdock bevinden zich geen residentiële functies, waardoor de potentiële schaduwwerking geen directe hinder oplevert. Daarnaast betreft het openbare gebied verkeersgebied, waar schaduwwerking ook geen directe hinder oplevert. Sociale veiligheid, uitzicht & privacy Bij hoogbouwontwikkelingen is het risico dat de plint voornamelijk ondersteunende functies zoals fietsenstallingen, in- en uitritten van de parkeergarage, liftenhal, bergingen en opslag huisvest, waardoor er weinig activiteit en daaruit volgend weinig sociale controle op de buitenruimte is. In het beoogde plan is het uitgangspunt dat de plint een actief programma krijgt welke (semi) publiek toegankelijk is.

Naast de kantoorfunctie, worden er publieke functies toegepast in de plint. De exacte invulling is nog niet bekend, maar er wordt gedacht aan kleinere horeca zaken, van een koffieconcept tot een grotere lunchroom of andere commerciële invulling zoals bijvoorbeeld een gym. Door het integreren van deze functies in de plint wordt de sociale veiligheid op maaiveld niveau gewaarborgd. Inpassing van een hoog gebouw kan hinder voor de omliggende bebouwing veroorzaken in de zin van verstoring van het uitzicht en inbreuk op de privacy. Het ligt voor de hand dat dit zo veel mogelijk moet worden voorkomen. Het gebouw wordt voornamelijk omgeven door kantoorgebouwen. De afstand van de

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16082402/1