CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsbesluit 2025-142B BP De Ruijterkade 5 - toelichting

RAAD 8 oktober 2025, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het bestemmingsplan De Ruijterkade 5 (VN2025-010387)29.276 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

3.4.4.2 Kantorenplan 2019-2026 Met het Kantorenplan 2019-2026 van september 2019 wordt aangesloten op de kantorenstrategie 2017, de Economie van Morgen (de ruimtelijke economische visie van Amsterdam, 2017) en de Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal 2050 (2019). Ook loopt het kantorenplan 2019-2026 vooruit op de omgevingsvisie van gemeente Amsterdam. Het doel van het Kantorenplan 2019-2026 is een uitgebalanceerde en toekomstbestendige kantorenmarkt waarin op korte en middellange termijn voldoende kwalitatieve woon-werkmilieus beschikbaar zijn voor de uitbreidingsvraag van 125.000 m² kantoor per jaar. Daarbij worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: Meer en sneller kantoren ontwikkelen om te voldoen aan de marktvraag; Toekomstbestendige kantoren: flexibel, efficiënt, bereikbaar en klimaatneutraal; Transformatie van monofunctionele kantoorlocaties met behoud van werk; Realiseren van gemengde woon-werkmilieus. Met de Kantorenstrategie 2017 is voldoende ruimte voor tenders en kantoorontwikkelingen op de juiste plekken in de stad mogelijk gemaakt. Echter de beschikbare gemeentelijke grond op OV-knooppunten is schaars. Als gevolg daarvan is de gemeente voor kantoorontwikkelingen in veel gevallen afhankelijk van marktpartijen met een grond- of erfpachtpositie, die mogelijkheden hebben voor transformatie, herontwikkeling en/of verdichting.

De behoefte aan kantoorruimte blijft hoog en het einde van de vraag naar vooral duurzame en goed OV-bereikbare kantoren is nog niet in zicht. Dit vraagt extra regie op het realiseren van nieuwe kantoren. De Westerdokskade heeft zich de afgelopen jaren in economische hoog- en laagconjunctuur bewezen als robuuste vestigingslocatie voor grote en kleine, nationale en internationale bedrijven. Conclusie Dit bestemmingsplan draagt bij aan het Kantorenplan 2019-2026.

bestemmingsplan_De Ruijterkade 5 (vastgesteld)

blz. 37

3.4.5

Detailhandelsbeleid

Amsterdam heeft de afgelopen jaren ingezet op het gezond houden van winkelgebieden en het beperken van de winkelleegstand. Met succes: de detailhandel functioneert redelijk tot uitstekend. Omzetten stijgen, het aantal banen groeit, relatief weinig winkels staan leeg en de winkelhuren ontwikkelen zich op de meeste plekken in de stad gunstig. Ondanks deze positieve ontwikkelingen, zijn er ook aandachtspunten voor winkels. Door veranderd consumentengedrag is er minder vraag naar winkels. Tegelijkertijd groeit het aantal inwoners en bezoekers en is er mogelijk meer behoefte aan winkels. Leegstand ligt nog op de loer in een aantal winkelgebieden. Ook de diversiteit van het winkelaanbod staat in sommige winkelstraten onder druk doordat het vooral gericht is op bezoekers. Het detailhandelsbeleid kan gebruikt worden voor het beoordelen van en/of het aanvragen van (omgevings)vergunningen voor (ver)bouw van winkelpanden. Ook geldt het als richtinggevend beleidskader voor het ontwerpen en actualiseren van bestemmingsplannen. Voor ontwikkelaars biedt het beleid duidelijkheid over waar de stad mogelijkheden ziet. Bij het uitwerken van plannen voor woningbouw wordt dit beleid gebruikt voor een zorgvuldige afweging of er meer winkels nodig zijn in de nieuwe woongebieden die in kaart zijn gebracht in Koers 2025 'Ruimte voor de stad'.

Het Detailhandelsbeleid 2018-2022 focust daarom 2 doelen: De mogelijkheid om lang leegstaande winkels of winkelgebieden zonder toekomstperspectief om te zetten naar andere commerciële functies, zoals een werkruimte voor zzp'ers, een lunchroom of een sportschool. De mogelijkheid dagelijkse boodschappen in de buurt te kunnen doen en keuze hebben uit verschillende aantrekkelijke winkelgebieden verspreid over de stad. Daarbij is er beperkt ruimte voor nieuwe winkels in sterke winkelgebieden en in gebieden waar genoeg woningen worden bijgebouwd. Deze doelstellingen vormen de basis voor de ruimtelijke ambities van Amsterdam voor winkels met dagelijkse en niet-dagelijkse inkopen. Om die ambities waar te maken in de verschillende delen van de stad, is Amsterdam verdeeld in drie zones. Dit zijn de kernzone de centrumzome en de stadszone. De Westerdokskade valt in de centrumzone. Hier is een ruim aanbod aan waren- en versmarkten, staanplaatsen en kiosken. Van belang is dat er clusterpunten van dagelijkse boodschappen in de stadsstraten zijn én ruimte is voor uitbreiding van supermarkten in kansrijke winkelgebieden. Naast gebiedsgericht beleid gelden er algemene beleidsregels voor alle winkelgebieden.

Hiervan is voor deze planontwikkeling relevant dat er een selectieve groei is van het aantal winkel(meters) ter voorkoming van winkelleegstand en er ruimte is voor horeca en mengformules in winkelgebieden. Verder geldt dat nieuwe plannen voor detailhandel aan de Regionale Adviescommissie Detailhandel (Adviescommissie Detailhandel Noord-Holland Zuid, hierna ADZ) dienen te worden voorgelegd. Deze commissie brengt verplicht advies uit aan Gedeputeerde Staten van Noord-Holland over gemeentelijke (ruimtelijke) plannen met een detailhandelscomponent groter dan 1500 m² winkelvloeroppervlak met uitzondering van plannen in bestaande winkelcentra groter dan 25.000 m² waarbij de ondergrens 3000 m² winkelvloeroppervlak is. In dit bestemmingsplan is geen zelfstandige detailhandel mogelijk gemaakt. Beleidsmatig wordt er geen groei van het draagvlak verwacht in het betreffende verzorgingsgebied. Op 550 meter loopafstand zijn al meerdere supermarkten gevestigd. Er is daarmee voldoende bestaand dagelijks aanbod in het verzorgingsgebied. Wel is een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid opgenomen voor niet zelfstandig toegankelijke detailhandel met een maximale oppervlakte van 50 m2. Hier kunnen werknemers en bezoekers van het gebouw gebruik van maken.

Een dergelijke niet zelfstandig toegankelijke detailhandelsvoorziening is aanvaardbaar, mits aan de voorwaarden van de binnenplanse Gemeente Amsterdam

blz. 38

afwijkingsbevoegdheid uit artikel 3.5.3 onder an wordt voldaan. Conclusie Dit bestemmingsplan is in overeenstemming met het detailhandelsbeleid 2018-2022. 3.4.6

Horecabeleid en uitvoeringsnotitie Horeca 2014

Dit jaar is het nieuwe horecabeleid vastgesteld. Uit eten, naar een café of ‘s nachts naar een club. Amsterdam zou Amsterdam niet zijn zonder horeca. Veel mensen vinden een baan in de horeca. En het is de plek waar ontmoetingen plaatsvinden. Amsterdam wil de horeca in de stad daarom koesteren. Ervoor zorgen dat de horeca nu en in de toekomst past in de omgeving, én dat er het er veilig is. In de afgelopen jaren is er flink wat veranderd in Amsterdam. De stad wordt voller en drukker. Er ontstaan nieuwe horecaconcepten. Er zijn meer bezoekers. En in buurten komen meer woningen. Ondernemers willen ondernemen en bewoners prettig wonen. Dat schuurt soms. Daarom zijn de afspraken en regels over de horeca in de stad vernieuwd. Naast veranderingen in de omgeving, vraagt de Omgevingswet van gemeenten om te gaan werken met het omgevingsplan. In zo’n omgevingsplan wordt bepaald welk type horeca past op welke plek. Het Horecabeleid 2025 is gemaakt om ervoor te zorgen dat dit in heel Amsterdam op een zelfde manier gebeurt: de afspraken zijn duidelijker en gelden voor de hele stad. De Uitvoeringsnotitie Horeca 2014 is vastgesteld door het dagelijks bestuur van stadsdeel Centrum. In de Uitvoeringsnotitie is aangegeven in welke gebieden verruiming van de mogelijkheden voor horeca mogelijk is. Het gaat dan om: verruiming van sluitingstijden.

uitbreiding van het aantal horecazaken in straten die een horeca-impuls kunnen gebruiken. ruimere horecamogelijkheden voor culturele instellingen. horecacategorieën in bestemmingsplannen. In stadsdeel Centrum wordt zeer terughoudend omgegaan met nieuwe horecamogelijkheden. Gelet echter op de specifieke locatie en de gewenste verlevendiging van (de plint van) het gebouw naar de omgeving, is in de planregels een afwijkingsbevoegdheid opgenomen om onder voorwaarden horeca IV mogelijk te maken (restaurant, koffie-, en theehuis, lunchroom, juicebar). Conclusie Dit bestemmingsplan is in overeenstemming met het horecabeleid. 3.4.7

Nota parkeernormen auto

In de Nota Parkeernormen Auto (vastgesteld op 8 juni 2017) zijn de nieuwe parkeernormen voor auto’s vastgesteld voor nieuwbouw en transformatieprojecten in de stad. De gemeente wil de stad bereikbaar en leefbaar houden met voldoende en aantrekkelijke openbare ruimte en meer ruimte voor de fietser en voetganger. Met de verwachte groei van de stad (woningen, kantoren etc.) is het noodzakelijk dat Amsterdam grenzen stelt aan het aantal geparkeerde auto’s in de openbare ruimte. Het belangrijkste uitgangspunt van de Nota is dan ook dat bewoners en werknemers bij nieuwbouw geen parkeervergunning voor het parkeren op straat krijgen. De parkeerbehoefte dient aldus op eigen terrein te worden opgevangen. In de Nota is een gebiedsindeling gegeven aangeduid als A, B en C gebieden. De Westerdokskade is aangemerkt als A-locatie. A-locaties kenmerken zich door een zeer goede bereikbaarheid per

bestemmingsplan_De Ruijterkade 5 (vastgesteld)

blz. 39

openbaarvervoer. Gebieden die dicht bij een intercitystation zijn gelegen worden als A-locatie aangemerkt. De belangrijkste uitgangspunten voor nieuwe bestemmingsplannen met betrekking tot nieuwbouw op A-locaties zijn, voor zover relevant voor dit bestemmingsplan: voor kantoren geldt een parkeernorm van maximaal 1 parkeerplaats per 250 m² brutovloeroppervlakte. bij het vaststellen van parkeernormen voor voorzieningen vormen de actuele kencijfers van de CROW het uitgangspunt, gecombineerd met actuele Amsterdamse gegevens over de verkeersgeneratie van specifieke functies op de betreffende locatie. Kortom voor voorzieningen is maatwerk vereist. Dit bestemmingsplan is in overeenstemming met de Nota Parkeernormen auto. In paragraaf 5.1 wordt hier verder op ingegaan. Conclusie Dit bestemmingsplan is in overeenstemming met de Nota parkeernromen auto. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 5.1. 3.4.8

Nota parkeernormen fiets en scooter

Op 15 maart 2018 heeft de Gemeenteraad de Nota parkeernormen fiets en scooter vastgesteld. Bij nieuw te bouwen woningen is de verplichting om een (fietsen)berging te realiseren vastgelegd in het Bouwbesluit 2012. Voor niet-woonfuncties moet de realisatie van fietsparkeervoorzieningen worden geregeld in bestemmingsplannen. De Nota dient ter onderbouwing van deze regeling in het bestemmingsplan. Op basis van de kencijfers van het landelijke kennisinstituut CROW zijn fietsparkeernormen ontwikkeld voor niet-woonfuncties. Voor niet-woonfuncties wordt het bovendien verplicht om voldoende en goede fietsparkeervoorzieningen te realiseren op eigen terrein. De parkeernormen zoals opgenomen in dit bestemmingsplan zijn in overeenstemming met de Nota parkeernormen fiets en scooter. In paragraaf 5.1 wordt daar verder op ingegaan. Conclusie Dit bestemmingsplan is in overeenstemming met de Nota parkeernromen fiets en scooter. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 5.1. 3.4.9

Duurzaamheid

De gevolgen van klimaatverandering zijn overal merkbaar, ook in Amsterdam. Tropische regenbuien, windhozen, hitte en droogte hebben nu al grote gevolgen voor onze stad, vooral voor de meest kwetsbare inwoners. Willen we dat huidige en toekomstige generaties verzekerd zijn van een gezonde, groene en weerbare stad, dan is snellere actie nodig. We moeten de stad en de bewoners beschermen tegen de onvermijdelijke gevolgen van de klimaatcrisis. Het college wil daarom de komende jaren optimaal gebruiken om de gestelde doelen op tijd te halen. De bestaande en nieuwe plannen voor een energiezuinige, gezonde, groene en weerbare stad hebben we samengevat in een plan van aanpak: Onze stad van morgen. Er gebeurt nu al heel veel om Amsterdam en de Amsterdammers voor te bereiden op klimaatverandering

Gemeente Amsterdam

blz. 40

en om de stad duurzamer te maken. Bijvoorbeeld door: wijk voor wijk aardgasvrij te maken waar mogelijk zonnepanelen op daken te leggen de openbare ruimte natuurinclusief in te richten steeds meer gebruikte materialen en grondstoffen opnieuw te gebruiken. Ondanks alle inspanningen liggen we helaas niet op koers. De klimaatverandering gaat sneller dan gedacht, daarom moeten we versnellen om onze doelen te halen. Klimaatdoelstellingen gemeente Amsterdam 2030 Volledig uitstootvrij verkeer binnen de bebouwde kom Volledig duurzame eigen organisatie 80 procent van de elektriciteit die huishoudens gebruiken opgewekt uit zonne- en windenergie 50 procent minder nieuwe grondstoffen 60 procent minder uitstoot CO2 in vergelijking met 1990 2040 Alle geschikte daken ingezet voor de opwek van zonne-energie 2050 Volledig voorbereid op klimaatverandering (‘klimaatadaptief’) Volledig klimaatneutraal, zonder CO2-uitstoot Volledig circulaire economie Met deze herontwikkeling wordt een bijgedrage geleverd aan duurzaamheidsdoelen. Een nadere toelichting over duurzaamheid is te vinden in paragraaf 4.8.

Conclusie De beoogde herontwikkeling zal een bijdrage leveren aan duurzaamheidsdoelen. In paragraaf 4.8 wordt dat nader toegelicht. 3.4.10 Schoonheid van Amsterdam Doel van deze welstandsnota is de inhoudelijke gronden van het welstandstoezicht helder onder woorden te brengen en inzichtelijk te maken wat de toetsingscriteria zijn waarop een bouwplan wordt beoordeeld. Een transparant welstandsbeleid is niet alleen wenselijk voor de bouwende partijen en de gemeente, maar ook voor de omwonenden en andere gebruikers van het plangebied.

In de welstandsnota 'De Schoonheid van Amsterdam' staan welstandscriteria en -kaders. Deze past de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit toe bij de beoordeling van bijvoorbeeld bouwplannen en reclame-uitingen op gebouwen. Een bouwwerk moet letterlijk 'wel staan'. Daarbij gaat het niet alleen om het ontwerp van een gebouw, maar ook of het gebouw past in zijn omgeving.

Voor elk gebied is het gewenste welstandsniveau aangegeven. Het welstandsniveau sluit zoveel mogelijk aan bij het gehanteerde ruimtelijk kwaliteitsbeleid en de gewenste ontwikkelingen.

bestemmingsplan_De Ruijterkade 5 (vastgesteld)

blz. 41

De Westerdokskade is in de welstandsnota De Schoonheid van Amsterdam 2016 (herziening april 2018) ondergebracht bij het ruimtelijke systeem De IJ-landen, gebiedstype Verstedelijkt havengebied (9a).

Afbeelding 3.3: De Schoonheid van Amsterdam-welstandsgebieden met paars De IJ-landen De Schoonheid van Amsterdam vormt het toetsingskader voor de bouwontwikkelingen. Bouwplannen worden aan de hand van het welstandskader getoetst door de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. Deze geeft in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning advies over het bouwplan op basis van dit welstandskader. Conclusie Het nog op te stellen bouwplan kan voldoen aan de welstandsnota De Schoonheid van Amsterdam.

Gemeente Amsterdam

blz. 42

bestemmingsplan_De Ruijterkade 5 (vastgesteld)

blz. 43

Hoofdstuk 4

Milieuaspecten

4.1

M.e.r.-beoordeling

4.1.1

Kader

Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieubelang een volwaardige plaats in bepaalde plan- en besluitvormingsprocessen te geven. In het milieueffectrapport (MER) worden de effecten van de beoogde ontwikkeling voor alle relevante milieuaspecten systematisch in beeld gebracht. Tevens wordt nagegaan of er alternatieven of maatregelen zijn waarmee eventuele negatieve effecten kunnen worden verminderd of voorkomen. Enerzijds maakt het opstellen van een MER de initiatiefnemer bewust van de milieugevolgen en anderzijds kan de overheid diverse milieugevolgen in samenhang met elkaar en op een voor de burger transparante wijze bij de besluitvorming betrekken. Het Besluit m.e.r. maakt onderscheid naar m.e.r.-plichtige activiteiten en m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten. Onderdeel C van de bijlage bij dit Besluit vermeldt voor welke activiteiten altijd verplicht een MER moet worden opgesteld, voordat een (m.e.r.-plichtig) besluit mag worden genomen. In onderdeel D is vermeld welke activiteiten beoordelingspichtig zijn. Voor dergelijke activiteiten moet het bevoegd gezag beoordelen of op basis van 'belangrijke nadelige gevolgen die de voorgenomen activiteit voor het milieu kan hebben', een m.e.r.- procedure noodzakelijk is. Uitgangspunt van de m.e.r.-beoordeling is het 'nee, tenzij'-principe.

Dat wil zeggen dat alleen een MER hoeft te worden opgesteld, wanneer er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. 4.1.2

Plangebied

Voor dit bestemmingsplan is een m.e.r.-beoordelingsnotitie opgesteld, die is opgenomen in bijlage 3 bij deze toelichting (Aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordeling ontwikkeling De Ruijterkade 5, Amsterdam, Tauw, 7 augustus 2023). Uit deze notitie blijkt dat de voorgenomen activiteit is opgenomen in bijlage D categorie 11.2 (stedelijk ontwikkelingsproject) van het Besluit m.e.r., maar onder de drempelwaarde blijft. Daarom moet voor de voorgenomen activiteit een m.e.r.-beoordeling worden uitgevoerd. De toetsing is gedaan aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III, EU richtlijn 2014/52/EU. Dit betreffen 1) de kenmerken van het project, 2) de plaats van het project en 3) de kenmerken van het potentiële effect. Uit de toetsing blijkt dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Opgemerkt wordt nog dat de m.e.r.-beoordeling is uitgevoerd op het grotere bouwvolume zoals dat in het ontwerpbestemmingsplan was opgenomen. De conclusie van de m.e.r.-beoordeling wijzigt echter niet als gevolg van het aangepaste, kleinere bouwvolume. Conclusie Belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen worden uitgesloten, zodat een m.e.r.-plicht niet aan de orde is.

Gemeente Amsterdam

blz. 44

4.2

Milieuzonering bedrijven

4.2.1

Kader

Bedrijven zijn milieubelastende bestemmingen die hinder ten opzichte van milieugevoelige bestemmingen (waaronder wonen) kunnen veroorzaken. Om deze hindersituaties te voorkomen dient bij een bestemmingsplan(wijziging) waarin milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen in elkaars nabijheid mogelijk worden gemaakt in principe uit te worden gegaan van scheiding van functies. Daartoe zijn in de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering (2009; hierna te noemen B&M) richtafstanden opgesteld. Deze afstanden geven voor verschillende functies aan op welke afstand geen hinder is te verwachten. De meer fijne afstemming voor de voorkoming van milieuhinder vindt vervolgens plaats in het kader van de Wet milieubeheer. Deze afstanden in B&M zijn naast de factoren aard en omvang van het bedrijf mede afhankelijk van de omgeving. Voor een rustige woonomgeving gelden andere afstanden (strengere eisen) dan voor andere gebieden, zoals drukke woonwijken, gemengde gebieden en landelijke gebieden. Een gemengd gebied in de zin van de VNG-brochure is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Het bestemmingsplangebied kan door de nabije aanwezigheid van een tramspoor, vaarwegen, autowegen en sterke functiemenging worden gekarakteriseerd als een gemengd gebied.

De richtafstanden die gelden ten opzichte van een rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap worden verlaagd indien sprake is van het omgevingstype gemengd gebied. 4.2.2

Plangebied

Met dit plan worden geen geluidsgevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt. Ook bevinden zich geen gevoelige functies, zoals woningen of scholen, in de directe omgeving van de nieuwbouw. Deze liggen op meer dan 100 meter van de planontwikkeling. Eventuele effecten vanwege de plantontwikkeling op de omgeving zijn daarom eveneens niet aan de orde. Er is dan ook geen reden om een bedrijven- en milieuzoneringsonderzoek uit te voeren. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de planontwikkeling.

4.3

Geluidhinder

4.3.1

Kader

Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag vooral in de Wet geluidhinder (Wgh). In de Wet geluidhinder (Wgh) zijn sinds het eind van de jaren '70 de wetten en regels voor het bestrijden en voorkomen van geluidhinder ten gevolge van wegverkeer, railverkeer en industrie vastgelegd. Hierin staat bijvoorbeeld wanneer de geluidbelasting moet worden getoetst. Daarnaast is vastgelegd hoeveel decibel geluid in deze situaties zijn toegestaan. Wanneer een overschrijding van de norm wordt geconstateerd bij de toetsing, moeten er maatregelen worden getroffen om de geluidbelasting terug te brengen. De akoestische berekeningen moeten voldoen aan de regels die zijn vastgelegd in Reken- en Meetvoorschriften.

bestemmingsplan_De Ruijterkade 5 (vastgesteld)

blz. 45

Indien een bestemmingsplan nieuwe geluidsgevoelige functies of nieuwe infrastructuur mogelijk maakt dient akoestisch onderzoek verricht te worden. Bestaande wegen, die niet zijn aangewezen als woonerf of 30 km-zone, hebben een wettelijke onderzoekszone. Indien binnen deze zone nieuwe geluidsgevoelige functies mogelijk worden gemaakt, dient met een akoestisch onderzoek aangetoond te worden dat er voldaan wordt aan de hoogst toelaatbare waarde van de Wgh. 4.3.2

Plangebied

Met dit plan worden geen geluidsgevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt. Ook bevinden zich geen gevoelige functies, zoals woningen of scholen, in de directe omgeving van de nieuwbouw. Deze liggen op meer dan 100 meter van de planontwikkeling. Eventuele effecten vanwege de plantontwikkeling op de omgeving zijn daarom eveneens niet aan de orde. Er is dan ook geen reden om een geluidsonderzoek uit te voeren. Conclusie Het aspect geluidhinder vormt geen belemmering voor de planontwikkeling.

4.4

Luchtkwaliteit

4.4.1

Kader

In de Wet Milieubeheer is het toetsingskader voor luchtkwaliteit vastgelegd. De manier waarop de luchtkwaliteit in acht moet worden genomen bij planvorming is geregeld in lid 1 van artikel 5.16 van de Wet Milieubeheer. Hierin wordt gesteld dat luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor doorgang van een project als: aannemelijk is gemaakt dat grenswaarden niet worden overschreden bij realisatie van het plan, zelfs indien het voorgenomen plan leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het plan, bij één of meerdere overschrijdingen van grenswaarden, niet in betekenende mate bijdraagt aan de toename van de concentraties van fijn stof en stikstofdioxide; als gevolg van positieve effecten van het plan en/of als gevolg van met het plan samenhangende maatregelen de kwaliteit van de lucht (elders) zodanig verbetert dat per saldo geen verslechtering optreedt (de zogenaamde saldobenadering), zelfs als bij realisatie van het plan één of meerdere overschrijdingen van grenswaarden plaatsvinden en het plan wel in betekenende mate bijdraagt aan de toename van de concentraties van fijn stof en stikstofdioxide.

Grenswaarden zijn daarbij gedefinieerd als een niveau dat op basis van wetenschappelijke kennis is vastgesteld teneinde schadelijke gevolgen voor de gezondheid en/of het milieu in zijn geheel te voorkomen, te verhinderen of te verminderen en dat binnen een bepaalde termijn moet worden bereikt en, als het eenmaal is bereikt, niet meer mag worden overschreden. In de ministeriële regeling “Regeling Beoordeling Luchtkwaliteit” (2007) zijn algemene regels opgenomen voor de wijze waarop de gevolgen van projecten op de luchtkwaliteit moet worden berekend. In stedelijke gebieden vormt het verkeer een belangrijke bron van luchtverontreinigende stoffen. Conform de regeling dient langs wegen in een stedelijke omgeving de concentratie van de verschillende stoffen te worden berekend met behulp van standaard rekenmethodes. In de regeling is ook per gemeente vastgelegd met welke getalswaarde de jaargemiddelde concentratie van fijn stof moet worden gecorrigeerd voor de aanwezigheid van zeezout. Voor de gemeente Amsterdam bedraagt deze correctie 6 µg/m³. Conform de regeling wordt het voor zeezout gecorrigeerde aantal overschrijdingen van de 24 uurgemiddelde concentratie fijn stof verkregen door het aantal berekende overschrijdingsdagen met zes dagen te verminderen.

Gemeente Amsterdam

blz. 46

Projecten die 'niet in betekenende mate' (NIBM) een bijdrage leveren aan de luchtverontreiniging, hoeven op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer niet individueel getoetst te worden aan de genoemde grenswaarden. Het is in dat geval voldoende om aan te tonen dat een voorgenomen ontwikkeling 'niet in betekenende mate' is. In de algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Met de inwerkingtreding van het NSL is het begrip 'niet in betekenende mate' (tijdelijk) gedefinieerd als 3% van de jaargemiddelde grenswaarde voor NO2 en PM10. Dit komt neer op een bijdrage van 1,2 µg /m³ voor beide componenten. Dit betekent dat als aangetoond kan worden dat een voorgenomen ontwikkeling niet meer dan 1,2 µg/m³ bijdraagt aan de jaargemiddelde concentratie van zowel PM10 als NO2, het project niet getoetst hoeft te worden aan de grenswaarden en inpasbaar is vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit. Gemeentelijk Actieplan Schone Lucht In april 2019 heeft de gemeente Amsterdam het Actieplan Luchtkwaliteit aangenomen. De gemeente Amsterdam werkt al meer dan tien jaar aan het verbeteren van de luchtkwaliteit in de stad. Dat heeft resultaat. De afgelopen jaren werd de luchtkwaliteit steeds verbeterd.

Amsterdam voldoet mede daardoor op de meeste plekken aan de Europese norm voor stikstofdioxide (NO2) en overal in de stad aan de normen voor fijnstof (PM10 en nog kleiner: PM2,5). Volgens deze Europese normen mag de gemiddelde jaarconcentratie van stikstofdioxide (NO2) op knelpunten niet boven de grenswaarde van 40,5 µg/m³ (40,5 microgram per kubieke meter) uitkomen. Voor fijnstof geldt een gemiddelde jaarconcentratie van maximaal 40,0 µg/m³ (voor PM10) en 25 µg/m³ (voor PM2,5). Wetenschappelijk onderzoek wijst echter uit dat de Europese normen onvoldoende bescherming bieden voor de gezondheid. De World Health Organization (WHO) streeft mede daarom naar lagere advieswaarden: een gemiddelde jaarconcentratie van fijnstof onder 20 µg/m³ (PM10) en 10 µg/m³ (PM2,5). De WHO-advieswaarde voor stikstofdioxide (NO2) is gelijk aan de EU-grenswaarde. Ambitieuze doelstelling Het actieplan gaat uit van een nieuwe mijlpaal: voldoen aan de WHO-advieswaarde voor luchtkwaliteit in 2030 voor fijnstof PM2,5, waarmee tevens wordt voldaan aan de (minder strenge) WHO-advieswaarde voor PM10. De doelstelling is ambitieus, want de WHO-advieswaarde voor fijnstof is twee keer zo streng als de EU-grenswaarde voor fijnstof. Met de juiste gezamenlijke inzet is het mogelijk om deze ambitie te halen. De missie: minder, slimmer en schoon Amsterdam groeit.

Meer bewoners, bezoekers en bedrijven betekent meer forenzen, meer auto's, fietsers en scooters. Voorspelling is dat het toenemend aantal bewoners, bedrijven, forenzen en bezoekers in de stad kan leiden tot 40% meer verplaatsingen in 2040. De druk van verkeer en vervoer heeft gevolgen voor de leefomgeving. De ruimte voor rust, stilte, ontspanning, voor groen of spelen op straat neemt steeds verder af. De balans tussen levendigheid en leefbaarheid wordt verstoord. Amsterdammers leven een jaar korter door de vaak ongezonde lucht in de stad. Zonder verkeer kan de stad niet. Bijvoorbeeld voor de bevoorrading van de stad. Anders kan het wel. De gemeente stimuleert verkeer en vervoer dat minder impact heeft op ruimte en gezondheid. Ze staat daarin niet alleen. Voor 70% van de reizen gebruiken bewoners, bezoekers en bedrijven hun benen, de fiets of het openbaar vervoer. In de stad is dat meestal de slimme en gezonde keuze. Voor die andere 30% van de verplaatsingen zet gemeente in op minder, slimmer en schoon verkeer. Minder voertuigen en kilometers in de stad en meer ruimte voor groen, spelen, recreatie en gezond verkeer. Dat streven leidt ertoe dat de auto minder ruimte krijgt en dat er parkeerplaatsen vervallen. bestemmingsplan_De Ruijterkade 5 (vastgesteld)

blz. 47

Maar ook dat er ruimte blijft voor de noodzakelijke verkeersstromen in de stad als de bevoorrading van winkels. De Agenda autoluw, het Programma fiets en ook het gemeentelijke parkeerbeleid geven hier invulling aan. Slimmer inrichten van de verkeersstromen maakt het makkelijker over te stappen van auto naar ov, fiets of e-brommer, bijvoorbeeld aan de rand van de stad. Amsterdammers en bezoekers worden verleid tot ander reisgedrag. Ze kunnen daarbij kiezen voor schone en volwaardige alternatieven als eBuurtHubs en Mobility as a Service. Zo beschikt iedere Amsterdammer over een vloot aan verkeersmogelijkheden, van deelauto tot deelfiets. Met goed geplaatste logistieke hubs worden vrachtwagens gestimuleerd goederen over te laden naar elektrische bestelwagens of e-vervoer per water. De programma's stedelijke logistiek en smart mobility kennen verschillende projecten om hier met innovatieve concepten invulling aan te geven. Schoon verkeer zet in op het verschonen van het resterende verkeer in de stad. Vanuit het centrum worden steeds meer delen van de stad en steeds meer vervoersoorten uitstootvrij. In praktijk zijn dat personenauto's, vracht- en bestelwagens en scooters die gebruik maken van accu's of van waterstof in combinatie met brandstofcellen. De berijders worden voor de overstap geholpen met subsidies en privileges.

De jaren 2020, 2022 en 2025 zijn belangrijke mijlpalen daarbij. Uitstootvrij leidt tot een aanzienlijke winst op de luchtkwaliteit en CO2. Dit Actieplan Schone Lucht geeft invulling aan deze laatste stap: schoon verkeer. Het Actieplan Schone Lucht leidt met de Agenda Autoluw en het programma smart mobility Amsterdam naar een samenhangend plan voor minder, slimmer en schoon verkeer in Amsterdam. 4.4.2

Plangebied

Er is onderzoek verricht naar de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit (Luchtkwaliteitsonderzoek ontwikkeling De Ruijterkade 5, Amsterdam, Tauw, 1 augustus 2023; zie bijlage 4). Uit dit onderzoek blijkt dat het project minder dan 1,2 ìg/m3 bijdraagt aan de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10. Het effect van de voorgenomen ontwikkeling op de luchtkwaliteit wordt daarmee beschouwd als niet 'niet in betekende mate' en is vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit wettelijk inpasbaar op basis van artikel 5.16 lid 1c van de Wet milieubeheer. Aanvullend heeft toetsing aan de WHO-advieswaarden plaatsgevonden. Ook hier is vastgesteld dat het effect van de voorziene ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Hiermee past het project binnen de ambitie die de gemeente Amsterdam heeft gesteld in het Actieplan Schone Lucht. Opgemerkt wordt nog dat het luchtkwaliteitsonderzoek is uitgevoerd op het grotere bouwvolume zoals dat in het ontwerpbestemmingsplan was opgenomen. De conclusie van het luchtkwaliteitsonderzoek wijzigt echter niet als gevolg van het aangepaste, kleinere bouwvolume. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de planontwikkeling.

Gemeente Amsterdam

blz. 48

4.5

Externe veiligheid

4.5.1

Kader

Bij externe veiligheid gaat het om het binnen aanvaardbare grenzen houden van risico's voor de omgeving van het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen), het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen, buisleidingen), het gebruik van luchthavens (zie §3.1.4 luchthavenindelingsbesluit Schiphol) en het gebruik van windmolens. Bij externe veiligheid risico's wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Groepsrisico Het groepsrisico drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Deze begrippen vullen elkaar aan; met het PR wordt de aan te houden afstand geëvalueerd tussen de risicovolle activiteit en kwetsbare functies, terwijl met het GR wordt beoordeeld of er een groot aantal slachtoffers kan vallen als gevolg van een ongeval. Voor het PR worden risiconormen gesteld in de vorm van grens- en richtwaarden waaraan getoetst moet worden bij vaststelling van bestemmingsplannen.

Voor het GR geldt geen norm; het bevoegd gezag moet afwegen of de gevolgen van een ongeval al dan niet aanvaardbaar zijn. Er is wel een oriëntatiewaarde vastgesteld die in het algemeen als acceptabel niveau geldt. Het bevoegd gezag dient het groepsrisico te verantwoorden, waarbij in ieder geval de mogelijkheden voor hulpverlening en rampbestrijding betrokken worden. De Veiligheidsregio dient in gelegenheid te worden gesteld om over deze aspecten advies uit te brengen. Regelgeving en beleid Het doel van het de regelgeving en beleid is: het beheersen, maar ook minimaliseren van de risico's voor de omgeving vanwege activiteiten met gevaarlijke stoffen en risico's rond luchthavens en het voorkomen van nieuwe knelpuntsituaties. De mogelijkheden voor het beperken van risico's bestaat uit twee soorten beleid: brongericht of omgevingsgericht. Brongericht beleid is gericht op maatregelen bij de bron en het verminderen van de kans van optreden en het effect van een incident. Omgevingsgericht beleid is gericht op terughoudendheid van het bouwen van kwetsbare bestemmingen in de omgeving van risicovolle activiteiten en transportassen van gevaarlijke stoffen. Om effectief omgevingsbeleid te kunnen voeren, is het noodzakelijk inzicht te krijgen in de locaties waar risicovolle objecten zijn en risicovolle activiteiten plaatsvinden. Daartoe heeft de provincie een risicokaart opgesteld.

De risicokaart geeft inzicht in de risico's in woon- en werkomgevingen. Op de kaart staan meerdere typen rampen, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. Deze gegevens zijn afkomstig van gemeenten, waterschappen, provincie en de Rijksoverheid. Risicovolle inrichtingen Voor risicovolle inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van toepassing. Voorbeelden van deze risicovolle bedrijven zijn LPG-tankstations, ammoniakkoelinstallaties en chemische fabrieken. Het Bevi is opgesteld om de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden

bestemmingsplan_De Ruijterkade 5 (vastgesteld)

blz. 49

blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven te beperken. De normstelling van het Bevi richt zich zowel op vergunningverlening als ruimtelijke ordening. In nieuwe situaties geldt voor het PR een grenswaarde van 10-6 voor kwetsbare objecten en een richtwaarde van 10-6 voor beperkt kwetsbare objecten. Dit betekent dat binnen de PR 10-6 contour van een Bevi-inrichting geen nieuwe kwetsbare objecten mogen worden opgericht. Indien binnen de contour beperkt kwetsbare objecten worden opgericht, moet het bevoegd gezag motiveren waarom dat wenselijk en aanvaardbaar is. Indien het bestemmingsplan de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar of een beperkt kwetsbaar object in het invloedsgebied toelaat, dient tevens het groepsrisico te worden verantwoord. Vervoer gevaarlijke stoffen over de weg, per spoorweg en binnenwateren De Wet vervoer gevaarlijke stoffen regelt de wijze van vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, per spoor en over de binnenwateren; hierin is onder andere vastgelegd welke stoffen behoren tot de categorie 'gevaarlijke stoffen' en dat het transport binnen de bebouwde kom zoveel mogelijk dient te worden vermeden. Om bij ruimtelijke ontwikkelingen het vervoer van gevaarlijke stoffen te laten voldoen aan de externe veiligheidsnormen moet het bevoegd gezag rekening houden met het PR en het GR. Per 1 april 2015 is de wet aangevuld met de regelgeving over het Basisnet.

De wetgeving over het Basisnet wordt ook wel "Wet Basisnet" genoemd en omvat een heel stelsel van wetten en regels die hun oorsprong hebben liggen in verschillende gebieden. De voornaamste die in dit verband van belang zijn, betreffen de volgende: Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs) Hierboven al genoemd: voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is de Wet Vervoer Gevaarlijke Stoffen de belangrijkste wet. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Voor ruimtelijke ordening in relatie tot de transportroutes geldt het Besluit externe veiligheid . Dit besluit is gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet milieubeheer. Regeling Basisnet In de Regeling Basisnet staat waar risicoplafonds liggen langs transportroutes en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkeling. Bouwbesluit Het aangepaste Bouwbesluit bevat regels rondom bouwen binnen Plasbrandaandachtsgebieden. Met de inwerkingtreding van het Basisnet is de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (cRNVGS) komen te vervallen. Het Basisnet heeft als doel een evenwicht voor de lange termijn te creëren tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen, de bebouwde omgeving en de veiligheid van mensen die wonen of verblijven dicht in de buurt van de infrastructuur waar dit vervoer plaatsvindt.

Het Basisnet stelt verder regels aan het vaststellen en beheersen van de risico's voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (vervoerskant). Het Basisnet beoogt aan de gemeenten duidelijkheid te bieden over de maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Die maximaal toelaatbare risico's worden met de bijbehorende risicozones voor alle relevante spoor-, weg- en vaarwegtrajecten in tabellen vastgelegd. Om bij ruimtelijke ontwikkelingen het vervoer van gevaarlijke stoffen te laten voldoen aan de externe veiligheidsnormen moet het bevoegd gezag rekening houden met het PR en het GR. Plasbrandaandachtsgebied (PAG) Een plasbrandaandachtsgebied is het gebied waar bij het realiseren van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten rekening dient te worden gehouden met de mogelijke gevolgen van een ongeval met brandbare vloeistoffen.

Gemeente Amsterdam

blz. 50

Buisleidingen Voor buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd, is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing. Op grond van het Bevb geldt voor de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar object dichtbij een dergelijke buisleiding, een grenswaarde van 10-6 per jaar voor het plaatsgebonden risico. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als richtwaarde. Indien het bestemmingsplan de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar of een beperkt kwetsbaar object in het invloedsgebied toelaat, dient tevens het groepsrisico te worden verantwoord. In onderstaande gevallen kan men volstaan met een zogenaamde lichte verantwoording, waarbij maatregelen ter beperking van het GR niet hoeven te worden onderzocht: het bestemmingsplan ligt buiten het 100%- letaliteitsgebied of bij toxische stoffen waarbij het plaatsgebonden risico kleiner dan 10-8 per jaar is of het groepsrisico is niet hoger dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde of de toename van het groepsrisico bij verwezenlijking van het bestemmingsplan is niet hoger dan 10%. Op grond van het Bevb is het tevens verplicht om in bestemmingsplannen de ligging van buisleidingen weer te geven. Hierbij wordt ook een belemmeringsstrook meegenomen, waarbinnen geen bouwwerken mogen worden opgericht.

Verder dienen bestemmingsplannen een vergunningstelsel in te stellen voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden binnen de belemmeringsstrook die de integriteit en werking van de buisleiding kunnen verhinderen. ADN, Richtlijn Vaarwegen en BPR Ingevolge het ADN en het Binnenvaart Politiereglement (BPR) moeten schepen met gevaarlijke stoffen, de zogenaamde kegelschepen, aparte opstel-, tevens wachtplaatsen krijgen. Een onderzoek van het maatgevende verkeersaanbod dient om de noodzaak van dergelijke plaatsen aan te tonen. Bij lage intensiteiten van kegelschepen kan met verkeersmanagement het ligplaats nemen op de wachtplaatsen voorkomen of beperkt worden, waardoor niet altijd een aparte ligplaats voor kegelschepen nodig is. De situering ervan is in het verlengde van de opstel- en wachtruimte of, als dit niet mogelijk is, aan de andere oever. Hierbij gelden minimale afstanden ten opzichte van andere schepen en bebouwing. In de Richtlijnen Vaarwegen 2017 staat in paragraaf 6.2.5 beschreven welke criteria van toepassing zijn bij het aanwijzen van kegelligplaatsen. De aard van de lading bepaalt het aantal te voeren blauwe kegels. De aan te houden minimumafstanden zijn beschreven in het ADN en overgenomen in het BPR.

Uitvoeringsbeleid Externe veiligheid Amsterdam Het Uitvoeringsbeleid Externe veiligheid Amsterdam (vastgesteld op 8 juni 2012 door burgemeester en wethouders) gaat nader in op de manier waarop Amsterdam omgaat met externe veiligheid in de besluitvorming. Het doel van Amsterdam is om risico's zoveel mogelijk te beperken. Dit kan via bronmaatregelen en ruimtelijke maatregelen. Bronmaatregelen zijn de meest effectieve maatregelen die kunnen worden genomen om het risico te beperken. De afgelopen jaren is er veel aandacht gegaan naar de reductie van risico's aan de bronkant. Hier was namelijk de meeste veiligheidswinst te behalen. Amsterdam continueert via dit uitvoeringsbeleid het bronbeleid door in te zetten op clustering van risicobedrijven in het havengebied. Dit betekent dat in nieuwe ruimtelijke besluiten buiten het westelijk havengebied geen ruimte wordt gegeven aan nieuwe risicobedrijven. Ook wordt gekeken of er alternatieven zijn voor transport van gevaarlijke stoffen dat door dicht bevolkt gebied gaat. Hierbij kan gedacht worden aan vervoer per water bestemmingsplan_De Ruijterkade 5 (vastgesteld)

blz. 51

in plaats van vervoer per spoor door de stad. Het uitvoeringsbeleid hanteert de lijn dat nieuwe overschrijdingen van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico slechts met expliciete toestemming van burgemeester en wethouders worden toegestaan. Reeds bekende overschrijdingen langs de A10 Zuid en West worden vooralsnog verantwoord geacht omdat er met het Rijk maatregelen zijn overeengekomen ter reductie van de risico´s. Om de risico's voor kwetsbare, minder zelfredzame groepen (kinderen, ouderen, zieken) te verminderen is het niet wenselijk dat deze groepen te dichtbij risicobronnen verblijven. Deze groepen zijn minder zelfredzaam in geval van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Concreet betekent dit dat in nieuwe ruimtelijke plannen een strook langs transportassen met structureel vervoer van gevaarlijke stoffen (rijkswegen 80 meter, enkele spoortrajecten 100 meter, hogedruk aardgasleidingen circa 25 tot 175 meter) en rond risicobedrijven wordt vrijgehouden van nieuwe kwetsbare, minder zelfredzame groepen. Afwijking is mogelijk mits door het bevoegd gezag expliciet is toegestaan. 4.5.2

Plangebied

Middels onderzoek is een risicobeoordeling uitgevoerd ten aanzien van het aspect externe veiligheid. Dit onderzoek is als bijlage 5 bij deze plantoelichting gevoegd (Onderzoek effecten Externe Veiligheid De Ruijterkade 5 te Amsterdam, Tauw, 1 juni 2023). Het doel van dit onderzoek is te bepalen of er vanuit dit thema belemmeringen en/of risico's zijn voor de invulling van het plangebied als kantoorgebouw nabij transportroutes. Het onderzoek is uitgevoerd op het grotere bouwvolume zoals dat in het ontwerpbestemmingsplan was opgenomen. De conclusie van het onderzoek wijzigt echter niet als gevolg van het aangepaste, kleinere bouwvolume. Uit het onderzoek blijkt dat de planlocatie ligt binnen het invloedsgebied van transportroutes van gevaarlijke stoffen over het spoor Duivendrecht – Amsterdam Singelgracht en het water (Het IJ). Vervoer van gevaarlijke stoffen over water Er is voor de vaarroute Het IJ geen sprake van een 10-6-contour die buiten de vaarweg zelf ligt. Het plaatsgebonden risico vormt derhalve geen belemmering voor de planlocatie. Ten aanzien van het groepsrisico is vastgesteld dat deze als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen over Het IJ ruimschoots lager ligt dan de oriëntatiewaarde. Daarnaast is geconcludeerd dat 10 % van de oriëntatiewaarde eveneens niet wordt overschreden. Het groepsrisico vormt geen belemmering voor de planlocatie.

Vervoer van gevaarlijke stoffen over de spoorweg De PR 10-6-risicocontour van het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor Duivendrecht – Amsterdam Singelgracht is niet buiten de spoorweg gelegen. Het plaatsgebonden risico van deze route vormt dan ook geen belemmering voor de planlocatie. Er is sprake van een overschrijding van de oriëntatiewaarde, derhalve is een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico vereist. Aangezien het beoogde plangebied gelegen is binnen het invloedsgebied van een transportroute van toxische en brandbare stoffen dient voor deze scenario's ook in te worden gegaan op artikel 7 van het Bevt. Geadviseerd is om bij deze verantwoording in overleg te treden met de Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland met betrekking tot zelfredzaamheid van de aanwezige personen in het toekomstige kantoorgebouw en bestrijdbaarheid van calamiteiten.

Gemeente Amsterdam

blz. 52

Afbeelding 4.1: Plangebied in rood aangegeven met EV-zones Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen binnen bebouwing en ontvluchten van het plangebied en zijn afhankelijk van het maatgevende scenario (brand, explosie en/of toxische wolk). Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. Ten aanzien van de zelfredzaamheid wordt opgemerkt dat in de invloedgebieden die gelegen zijn binnen het plangebied geen groepen voorkomen die als verminderd zelfredzaam aangemerkt dienen te worden. De aanwezige doelgroepen kunnen na waarschuwing het gebied zelfstandig verlaten. Daarnaast moet worden gekeken of zelfredding mogelijk is en of de fysieke eigenschappen van gebouwen en omgeving van invloed zijn op een optimale zelfredding. Vanuit de geschetste mogelijkheden is het dus van belang dat het plangebied de onderstaande aandachtpunten faciliteert: Alarmering: In geval van een calamiteit is een snelle alarmering van aanwezige personen binnen het effectgebied essentieel voor een goede zelfredzaamheid.

De invulling van de risicocommunicatie dient conform de Wet veiligheidsregio's door het bestuur van de Veiligheidsregio's uitgevoerd te worden. De veiligheidsregio ondersteunt en adviseert de gemeenten hierin in voorbereiding op een alarmering bij rampen. Vluchtmogelijkheden: Het plangebied is naar meerdere zijden te ontvluchten. Ontvluchten kan in alle gevallen van de risicobronnen af. Bij de inrichting van het plangebied dienen voldoende vluchtwegen aanwezig te zijn om het plangebied in geval van calamiteit te ontvluchten. De vluchtwegen dienen van de leiding af gericht te zijn. Schuilmogelijkheden: Voor nieuwe gebouwen die binnen het plangebied worden gerealiseerd, is het raadzaam rekening te houden met het verhogen van de brandwerendheid van de gevels aan de zijde van de transportroute. Hierdoor worden de gevolgen van hittebestraling beperkt. Daarnaast is raadzaam om in het gebouw waar personen zich langdurig (kunnen) bevinden afsluitbare ventilatie (met een druk op de knop) te realiseren om te voorkomen dat toxisch gas naar binnen wordt gezogen. Bestrijdbaarheid Om een calamiteit met gevaarlijke stoffen op het spoor Duivendrecht – Amsterdam Singelgracht snel te kunnen bereiken, gaat het om de mogelijkheden die hulpverleningsdiensten hebben.

Relevant aandachtspunt voor de bereikbaarheid is dat het plangebied en de wegen waarover de hulpdiensten aan moeten rijden voldoende breed en goed bereikbaar zijn. De bereikbaarheid van het bestemmingsplan_De Ruijterkade 5 (vastgesteld)

blz. 53

plangebied en de bluswater-voorziening moeten nog nader uitgewerkt worden. Bij de verdere uitwerking van het plan zal de Veiligheidsregio worden betrokken om mee te denken over: de situering van de bereikbaarheid en de situering en het soort/type bluswatervoorzieningen. Plasbrandaandachtsgebied Naast de normen voor het plaatsgebonden risico en de verantwoording van het groepsrisico is er ten aanzien van zeer brandbare vloeistoffen een extra veiligheidsambitie in het landelijk beleid gedefinieerd, gebaseerd op het scenario van een plasbrand. Hiervoor is een zone rond de transportroute gedefinieerd: het plasbrandaandachtsgebied (PAG), waarin rekening wordt gehouden met de effecten van een plasbrand. Voor de Rijksweg spoor Duivendrecht – Amsterdam Singelgracht (spoortraject 280) is er volgens het Basisnet sprake van een plasbrandaandachtsgebied. Dit houdt in dat voor een zone van 30 meter naast de infrastructuur aanvullende bouweisen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen gelden, op grond van paragraaf 2.3 van de Regeling Bouwbesluit 2012. Het plangebied bevindt zich op een afstand van circa 100 meter van de weg. Dit aspect vormt derhalve geen belemmering voor de planlocatie. De Brandweer Amsterdam-Amstelland heeft het onderzoek beoordeeld en hierover advies uitgebracht.

Dit advies is bijgevoegd als bijlage 6 bij deze plantoelichting (Advies bestemmingsplan Ruijterkade ihk Externe Veiligheid, Brandweer Amsterdam-Amstelland, 22 juni 2023). De Brandweer Amsterdam-Amstelland is akkoord met het onderzoek. Daarnaast staan zij achter de maatregelen en adviezen die zijn beschreven in de toelichting van het bestemmingsplan De Ruijterkade 5. Verantwoording groepsrisico Gezien het voorgaande is een verantwoording van het groepsrisico voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor Duivendrecht – Amsterdam Singelgracht verplicht. Bij deze risicobron kan een plasbrand, BLEVE (Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion) of toxisch scenario optreden. Voor wat betreft de zelfredzaamheid zijn de gewenste handelingsperspectieven in geval van een calamiteit (schuilen en/of vluchten) in het onderzoek beschreven. Voor wat betreft de bestrijdbaarheid is in het onderzoek beschreven welk aanvalsplan de brandweer kan hanteren. Bij de uitwerking van het bouwplan worden de maatregelen en adviezen betrokken die beschreven zijn in het onderzoek. Het groepsrisico is dan ook aanvaardbaar te achten. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de planontwikkeling.

4.6

Bodemkwaliteit

4.6.1

Kader

Het doel van de Wet Bodembescherming is het behoud en de verbetering van de milieuhygiënische bodemkwaliteit. In geval van graafwerkzaamheden is een bodemonderzoek aan de orde om te bepalen of eventuele vervuilde grond gesaneerd dient te worden. Ook als er sprake is van een functieverandering, dient in een aantal gevallen aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor de nieuwe functie. Voor het bestemmingsplan heeft dit voornamelijk betekenis voor zover nieuwe ontwikkelingen worden toegestaan. Daarnaast geldt dat de bodemkwaliteit invloed kan hebben op de financiële haalbaarheid als blijkt dat de bodem gesaneerd moet worden.

Gemeente Amsterdam

blz. 54

4.6.2

Plangebied

Er is onderzoek uitgevoerd naar de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied (Nader onderzoek voormalig vetgasfabriek De Ruijterkade 5 te Amsterdam, Tauw / HB Adviesbureau, 23 september 2022, kenmerk: R001-1279638MLX-V02-mwl-NL). Dit onderzoek is als bijlage 7 bij deze toelichting gevoegd. De aanleiding voor de uitvoering van het bodemonderzoek is de aanwezigheid van een geval van ernstige bodemverontreiniging en de wens van de gemeente Amsterdam om goed onderbouwd toe te werken naar een stabiele eindsituatie. Om het nader onderzoek richting te geven, is een conceptueel model opgesteld. Hieruit volgen een aantal onzekerheden die in het bodemonderzoek zijn onderzocht. Middels uit uitgevoerde bodemonderzoek is duidelijk geworden dat: Er geen sprake is van de aanwezigheid van een zaklaag ter plaatse van de voormalige vetgasfabriek. Momenteel is er geen verspreiding van verontreiniging in concentratie groter dan de I-waarde in de deklaag richting het IJ. Er worden vooral PAK in lagere concentraties aangetroffen in de zandige lagen op de De Ruijterkade en geen BTEX. Hierdoor is de verwachting dat de meeste verspreiding naar het IJ al heeft plaatsgevonden. Daarnaast is er een damwand geplaatst in de De Ruijterkade die verspreiding van verontreiniging richting het IJ verhinderd.

Er zijn geen aanwijzingen dat er voorkeursstroming heeft plaatsgevonden via het oude spoorbed. De rol en invloed van de drain in het freatische grondwater bij de damwand op De Ruijterkade is niet opgehelderd. Er is verontreiniging met BTEX en PAK aanwezig in het grondwater in het pleistocene pakket. De stromingsrichting van het grondwater is westelijk tot zuidelijk. Stroomafwaarts in westelijke en zuidelijke richting overschrijden de concentraties de S-waarde. Daar waar in het diepere grondwater een hoge concentratie aan aromaten waaronder benzeen is aangetroffen, is een ondiepe peilbuis geplaatst om te verifiëren of er mogelijk onaanvaardbare humane risico’s zijn als gevolg van uitdamping. In het ondiepe grondwater overschrijdt benzeen de S-waarde. Er wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van onaanvaardbare humane risico’s als gevolg van uitdamping. Op basis van het uitgevoerde onderzoek wordt geconcludeerd dat de verontreiniging in grond en grondwater met BTEX, PAK en minerale olie afkomstig van de voormalige vetgasfabriek een geval van ernstige bodemverontreiniging betreft. De omvang van de verontreiniging in het grondwater in concentraties groter dan de I-waarde wordt geschat op circa 40.000 m³. Deze verontreiniging leidt niet tot een onaanvaardbaar humaan, ecologische of verspreidingsrisico.

Op basis van dit onderzoek is in overleg getreden met het bevoegd gezag over het herzien van de beschikking ernst en spoed uit april 2008. Daarop is een nieuwe beschikking afgegeven, waarbij vastgesteld is dat er nog steeds sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Omdat er echter geen onaanvaardbare humane, ecologische en verspreidingsrisico’s zijn, wordt de sanering als niet spoedeisend beschouwd. Conclusie Er is sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Sanering is echter niet spoedeisend. Bij de uitvoering van de bouw wordt hiermee rekening gehouden, zodat de milieuhygiënische bodemkwaliteit niet aan de uitvoerbaaheid van het plan in de weg staat.

bestemmingsplan_De Ruijterkade 5 (vastgesteld)

blz. 55

4.7

Trillinghinder

4.7.1

Kader

Bij toetsing van hinder door trillingen wordt in Nederland doorgaans de SBR-richtlijn deel B gehanteerd, aangezien er geen wetgeving bestaat met daarin grenswaarden voor trillingshinder. De SBR-richtlijn deel B kent twee toetsingsgrootheden, namelijk Vmax en Vper. De Vmax representeert het maximale te verwachten trillingsniveau. De Vper is een periodiek trillingsniveau, wat wil zeggen een (energetisch) gemiddelde waarde over een beoordelingsperiode. De SBR-richtlijn maakt gebruik van streefwaarden. Over het algemeen is voor een mens een Vmax groter dan 0,1 voelbaar. De richtlijn geeft aan dat er bij nieuwbouw wordt voldaan aan de richtlijn als de Vmax-niveaus onder de streefwaarde A1 (0,1 voor woningen) liggen. Er wordt ook voldaan aan de richtlijn als de Vmax-niveaus hoger zijn dan de streefwaarde A1, maar onder de streefwaarde A2 (0,6 voor kantoren) én als Vper onder de streefwaarde A3 ligt (0,07 voor kantoren). T

Afbeelding 4.2: Gehanteerde streefwaarden volgend uit de SBR B (nieuwbouw) De SBR-richtlijn geeft waarden voor de kwalificatie van hinder voor weg- en railverkeer. Deze waarden zijn hieronder weergegeven. Bij de afweging van maatregelen kan hier rekening mee worden gehouden.

Afbeelding 4.3: Hinderkwalificatie voor weg- en railverkeer volgens SBR B bijlage V

Gemeente Amsterdam

blz. 56

4.7.2

Plangebied

Het gebied ligt naast het druk bereden spoor net ten westen van Amsterdam Centraal, waardoor hinder als gevolg van spoortrillingen niet op voorhand is uit te sluiten. Er is dan ook onderzoek verricht naar de gevolgen van het plan voor trillingshinder (Trillingsonderzoek Ruijterkade 5 Amsterdam, Cohere/Tauw, 14 juli 2023; bijlage 8). Met dit onderzoek is inzicht verkregen in welke trillingsniveaus in de omgeving optreden door het huidige spoorverkeer en is een doorkijk gegeven naar de toekomstige nieuwbouw met als doel mogelijke trillingshinder voor deze nieuwbouw te voorkomen. Het onderzoek is uitgevoerd op het grotere bouwvolume zoals dat in het ontwerpbestemmingsplan was opgenomen. De conclusie van het onderzoek wijzigt echter niet als gevolg van het aangepaste, kleinere bouwvolume. Uit het onderzoek blijkt dat er voor het toekomstige kantoorgebouw geen overschrijding van de SBR-richtlijn deel B wordt verwacht als gevolg van spoortrillingen. De gemeten trillingsniveaus in het huidige gebouw liggen laag en er is geen sprake van opslingering. Opslingering wordt ook niet in het toekomstige gebouw verwacht. Hoewel ook in het geval met vloeropslingering wordt voldaan aan de streefwaarde van de SBR-richtlijn, valt het aan te bevelen vloeropslingering te vermijden door met de eigenfrequentie van vloeren weg te blijven van 5 Hz.

Aanbevolen wordt hiermee in het ontwerp rekening te houden.

Afbeelding 4.3: Plangebied toekomstige ontwikkeling Ruijterkade 5

bestemmingsplan_De Ruijterkade 5 (vastgesteld)

blz. 57

Afbeelding 4.4: Sporen gezien vanuit verschillende posities. Vanaf buitenste spoor perron (linksboven), verhoogde ligging (rechtsboven), vanaf vijfde verdieping (onder). Conclusie Het aspect trillinghinder vormt geen belemmering voor de planontwikkeling.

4.8

Duurzaamheid

4.8.1

Kader

De wettelijke eisen over duurzaamheid zijn opgenomen in het Bouwbesluit. De gemeente mag deze wettelijke eisen niet uitbreiden met aanvullende eisen. Dit neemt niet weg dat de gemeente wel de ambitie heeft om alle ruimtelijke projecten duurzaam te ontwikkelen. Omgevingsvisie Amsterdam 2050 In de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 zijn de ambities voor een duurzame stad opgenomen. Amsterdam neemt met een ambitieuze inzet op klimaatneutraliteit, duurzame energie en een circulaire stad zijn verantwoordelijkheid in het tegengaan van klimaatverandering. Tegelijk dwingt de kwetsbare ligging tot een stevige inzet op klimaatadaptatie. De gevolgen van klimaatverandering zijn nu al merkbaar, met pieken in hitte en droogte, extremere neerslag en op termijn ook zeespiegelstijging. Het klimaatbestendig maken van de bestaande stad vraagt om meer ruimte voor bijvoorbeeld waterberging en verkoelend groen. Amsterdam levert een maximale bijdrage aan het behalen van de doelen van het Klimaatakkoord van Gemeente Amsterdam

blz. 58

Parijs. In de Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal 2050 staan de langetermijnvisie op de Amsterdamse energietransitie, de strategie en acties voor de korte termijn. Er worden vier transitiepaden beschreven: Gebouwde omgeving, Mobiliteit, Elektriciteit en Haven en industrie. In onder andere de Transitievisie warmte en de Regionale Energiestrategie (RES) krijgen deze activiteiten nader vorm. Ook de Strategie Amsterdam Circulair is hierbij van belang. Het Amsterdamse klimaatbeleid bestaat in hoofdlijnen uit de volgende elementen: Bij de gebouwde omgeving een verschuiving van aardgas naar duurzame warmte en elektriciteit. In 2040 moet Amsterdam aardgasvrij zijn. De wijkaanpak en het programma aardgasvrij leveren een flinke bijdrage: maximaal 400 kiloton minder CO2 . Bij mobiliteit een verschuiving van fossiele brandstoffen naar elektriciteit en invoering milieuzones: 500 kiloton minder CO2 . Bij industrie wordt de nationale trend gevolgd en wordt het Afval Energie Bedrijf (AEB) duurzamer gemaakt. Het AEB zet in op carbon capture storage (CCS) of usage (CCU). Dat betekent dat de CO2 uit de schoorsteen wordt afgevangen en getransporteerd voor ondergrondse opslag of hergebruikt voor chemie en tuinbouw. Besparing: 450 kiloton CO2 . Opwek van duurzame energie. Amsterdam doet een bijdrage met 127 megawatt windenergie in 2030; 550 MW zon in 2030 en 1.100 MW zon (= 640 hectare) in 2050.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16082402/1