Raadsbesluit 2024-159A Bijlage 1 Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam (Basisregeling) incl renvooi.pdf
Tekst van het document
Artikel 4.61 Meet- en rekenregels 1.
De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) wordt berekend: a. bij een meetfrequentie van twee keer per maand over het gemiddelde van de drie hoogste grondwaterstanden in een hydrologisch jaar (1 april tot en met 31 maart) waarbij deze jaargemiddelden weer over een periode van 8 jaar worden gemiddeld; b. door middel van hoogfrequente metingen (minimaal 1 meting per dag) waarbij de 93,75ste percentiel wordt berekend over minimaal 3 (kalender)jaren; of c. door middel van laagfrequente metingen (minimaal vijf maal per jaar) waarbij het gemiddelde van de twee hoogste metingen per 2 (kalender)jaren over 10 jaar wordt gemiddeld.
2.
De gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) wordt berekend: a. bij een meetfrequentie van twee keer per maand over het gemiddelde van de drie laagste grondwaterstanden in een hydrologisch jaar (1 april tot en met 31 maart) waarbij deze jaargemiddelden weer over een periode van 8 jaar worden gemiddeld; b. door middel van hoogfrequente metingen (minimaal 1 meting per dag) waarbij de 6,25ste percentiel wordt berekend over minimaal 3 (kalender)jaren; of c. door middel van laagfrequente metingen (minimaal vijf maal per jaar) waarbij het gemiddelde van de twee laagste metingen per 2 (kalender)jaren over 10 jaar wordt gemiddeld.
Artikel 4.62 Beoordelingsregel met betrekking tot grondwatereffecten bij ondergrondse gebouwen
63
1.
De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een ondergronds gebouw, alleen verleend, als de activiteit niet leidt tot onaanvaardbare grondwatereffecten op de omgeving.
2.
Van onaanvaardbare grondwatereffecten op de omgeving is sprake als: a. de gemiddelde grondwaterstroming (debiet) op de grenzen van het perceel waarop het ondergronds gebouw is geprojecteerd met meer dan 5% verandert door de aanleg van het ondergronds gebouw; b. op de grenzen van het perceel waarop het ondergronds gebouw is geprojecteerd de gemiddelde grondwaterstand meer dan 0,05 m verandert of de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) meer dan 0,02 m stijgt of de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) meer dan 0,02 m daalt; c. risico’s op opbarsten van de deklaag of welvorming zich voordoen; of d. er een deklaag resteert van minder dan 1,5 m dikte vanwege de risico’s op opbarsten en welvorming.
3.
Het tweede lid, onder a en b, is niet van toepassing indien de ontwateringsdiepte op de grenzen van het perceel waarop het ondergronds gebouw is geprojecteerd kleiner is dan 0,90 m en vergroting van de ontwateringsdiepte door een lagere gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) mogelijk is, mits op de grenzen van het perceel waarop het ondergronds gebouw is geprojecteerd voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. het debiet mag niet meer dan 5% afnemen en niet meer dan 100% toenemen; b. de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) mag niet meer dan 0,02 meter dalen; en c. de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) daalt.
4.
Of een ondergronds gebouw leidt tot onaanvaardbare grondwatereffecten op de omgeving wordt beoordeeld: a. voor ondergrondse gebouwen met een totale bruto-vloeroppervlakte van maximaal 300 m2 en een maximale bouwdiepte van 4 meter: aan de hand van de Beleidsregel Grondwaterneutrale Kelders Amsterdam; b. voor ondergrondse gebouwen met een totale bruto-vloeroppervlakte van meer dan 300 m2 of een bouwdiepte van meer dan 4 meter: op basis van een geohydrologisch onderzoek.
Artikel 4.63 Vergunningvoorschriften met betrekking tot grondwatereffecten bij ondergrondse gebouwen Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden de voorschriften verbonden die nodig zijn met het oog op het voorkomen van onaanvaardbare grondwatereffecten op de omgeving.
Artikel 4.64 Aanvraagvereisten met betrekking bouwwerken, bedoeld in artikel 4.62, vierde lid, onder a
64
1.
Bij om aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken ten behoeve van een bouwwerk, bedoeld in artikel 4.62, vierde lid, onder a, worden op een detailtekening op schaal de volgende gegevens verstrekt: a. peil aan straatzijde in m NAP; b. maaiveldniveau achterzijde in m NAP; c. gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) en gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) op de grenzen van het perceel in m NAP; d. onderkant bestaand ophoogzand in m NAP; e. diepte ondergronds gebouw (niveau onderkant vloer) in m NAP; f. diepte ondergronds gebouw (onder peil) in m; g. oppervlak ondergronds gebouw in m2; h. dwarsdoorsnedes ondergronds gebouw.
2.
Zo nodig worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken ten behoeve van een bouwwerk, bedoeld in artikel 4.62, vierde lid, onder a, tevens de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een detailtekening op schaal, met daarop aangegeven: 1. dikte grondverbetering (minimaal 0,20 m) in m; 2. geometrie grondverbetering; 3. doorlatendheid grondverbetering onder vloer of naast ondergronds gebouw in m/dag; 4. geometrie en uitvoeringswijze (reparerend) getrokken damwanden; 5. geometrie gaten in damwanden: diameter, aantal, hart op hart-afstand, aanlegdiepte bovenkant gat in m NAP, cumulatief oppervlak; 6. geometrie vulling cannelures: doorlatendheid, niveau boven- en onderkant in m NAP, aantal cannelures dat gevuld wordt; 7. geometrie verticale grondverbetering kolommen: doorlatendheid, niveau boven- en onderkant in m NAP, lengte x breedte x hoogte; 8. geometrie intreevoorzieningen; 9. geometrie buizen/bypass: diameter, aantal, cumulatief oppervlak; 10. buizen/bypass: locatie en specificatie van inspectie-/onderhoudsputten; 11. breedte tussen ondergrondse gebouwen in m; 12. locatie hulpmiddelen die achterblijven (werkvloer, plinten, damwanden, etc.); b. een onderhoudsplan, tenzij de maatregel onderhoudsvrij is.
Het onderhoudsplan beschrijft welke onderhoudsvoorzieningen worden aangelegd, hoe en wanneer het onderhoud plaatsvindt en indien van toepassing het functioneren van de maatregel in de tijd.
3.
In afwijking van het eerste lid wordt ter plaatse van de aanduiding 'aanvraagvereiste kelder (standstill)' bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken ten behoeve van een bouwwerk, bedoeld in artikel 4.62, vierde lid, onder a, ongeacht de omvang van het ondergronds gebouw, een geohydrologisch onderzoek verstrekt. Artikel 4.65 is op dat geohydrologisch onderzoek van overeenkomstige toepassing.
4.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken ten behoeve van een bouwwerk, bedoeld in artikel 4.62, vierde lid, onder a, worden ter plaatse van de aanduiding 'aanvraagvereiste kelder (opbarstbeheersmaatregelen)' tevens de volgende (geotechnische) gegevens en bescheiden verstrekt: a. een detailtekening op schaal, met daarop aangegeven:
1. 2. 3.
b.
c.
afmetingen en ontgravingsniveau van de bouwput; wijze van ontgraving: in een damwandkuip, in bekisting of in open ontgraving; grondwaterstand- en stijghoogtewaarnemingen in de betreffende zandlagen, inclusief het eerste watervoerende pakket (pleistocene zandlaag); 4. bodemopbouw tot in het eerste watervoerende pakket (pleistocene zandlaag); 5. diepe mechanische boringen en/of sonderingen op het perceel van het ondergronds gebouw; 6. bepaling van het volumiek gewicht per bodemlaag; evenwichtsberekeningen, uitgevoerd volgens de rekenmethodiek in paragraaf 10.2 (bezwijken door opdrijven) uit NEN 9997-1+C2:2017, “Geotechnisch ontwerp van constructies - Deel 1: Algemene regels” (Eurocode 7 [EC7-NL]), inclusief een veiligheidsfactor voor de rekenwaarde van de neerwaartse gronddruk van 0,9 (NEN9997-1+C2:2017 Tabel A.15 - Partiële factoren op belastingen); een beschrijving en berekening van beheersmaatregelen (spanningsbemaling, aanpassing ontgraving etc.).
Artikel 4.65 Aanvraagvereisten met betrekking bouwwerken, bedoeld in artikel 4.62, vierde lid, onder b
65
1.
Bij om aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken ten behoeve van een bouwwerk, bedoeld in artikel 4.62, vierde lid, onder b, wordt een geohydrologisch onderzoek verstrekt waarin de grondwatereffecten van het ondergronds gebouw op de omgeving naar het oordeel van het college in voldoende mate zijn vastgesteld.
2.
Bij het in het eerste lid bedoelde geohydrologisch onderzoek worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. tekening(en) en dwarsdoorsnedes op schaal met huidige en toekomstige bouwwerken (bovengronds en ondergronds); b. een beschrijving en tekening dimensies huidige en toekomstige bouwwerken, bovengronds en ondergronds (lengte en breedte in m, oppervlak in m2, diepte in m NAP en diepte in m ten opzichte van peil); c. peil aan straatzijde (zie begrip peil) in m NAP; d. onderkant bestaand ophoogzand in m NAP; e. ligging huidige en toekomstige perceelsgrenzen; f. een beschrijving van de lokale bodemopbouw; g. boorbeschrijvingen en/of sonderingen op en rond het te bebouwen perceel; h. gehanteerde grondwaterstandgegevens en hieruit afgeleide GLG, Gemiddelde Grondwaterstand en GHG-waarden en gradiënten; i. gehanteerde stijghoogtes in het eerste watervoerend pakket; j. een beschrijving van gebruik van damwanden tijdens en na de bouw; k. bij de berekeningen gehanteerde bodemparameters en randvoorwaarden (doorlatendheid van de bodem, grondwateraanvulling uit neerslag, oppervlaktewaterpeilen, vaste grondwaterstanden en stijghoogtes); l. berekende hoeveelheid grondwater die gemiddeld in de huidige situatie in de zandige ophooglaag onder het perceel doorstroomt; m.
berekende hoeveelheid grondwater die gemiddeld in de toekomstige situatie (met ondergronds bouwwerk) in de zandige ophooglaag onder het perceel doorstroomt; n. mate van afwijking van grondwaterstroom (debiet) in de toekomstige situatie op eigen perceel van de huidige grondwaterstroom; o. een beschrijving van de mitigerende maatregelen en berekening van het effect van deze maatregelen op de GLG, Gemiddelde Grondwaterstand en GHG op de grenzen van het perceel bij: 1. het huidige klimaat; 2. het klimaat van 2050 (KNMI klimaatscenario Wh2050); p. een tekening en dwarsdoorsnedes van de mitigerende maatregel; q. een onderhoudsplan, tenzij de maatregel onderhoudsvrij is. Het onderhoudsplan beschrijft welke onderhoudsvoorzieningen worden aangelegd, hoe en wanneer het onderhoud plaatsvindt en indien van toepassing het functioneren van de maatregel in de tijd.
3.
Bij om aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken ten behoeve van een bouwwerk, bedoeld in artikel 4.62, vierde lid, onder b, worden zo nodig in een geohydrologisch onderzoek tevens de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. maaiveldniveau achterzijde in m NAP; b. aanwezigheid van polderriolen;
c. d. e. f. g. h. i. j. k. 4.
dikte, geometrie en doorlatendheid van de grondverbetering onder vloer of naast ondergronds gebouw; geometrie gaten in damwanden: diameter, aantal, h.o.h.-afstand, aanlegdiepte bovenkant gat in m NAP, cumulatief oppervlak; geometrie vulling cannelures: doorlatendheid, niveau boven- en onderkant in m NAP, aantal cannelures dat gevuld wordt; geometrie verticale grondverbetering kolommen: doorlatendheid, niveau boven- en onderkant in m NAP, lengte x breedte x hoogte; geometrie intreevoorzieningen; geometrie buizen/bypass: diameter, aantal, cumulatief oppervlak; buizen/bypass: locatie en specificatie van inspectie-/onderhoudsputten; breedte tussen ondergrondse gebouwen; locatie hulpmiddelen die achterblijven (werkvloer, plinten, damwanden, en dergelijke).
In het geotechnisch onderdeel van het in het eerste lid bedoelde geohydrologisch onderzoek worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. afmetingen en ontgravingsniveau van de bouwput; b. wijze van ontgraving: in een damwandkuip, in bekisting of in open ontgraving; c. stijghoogtewaarnemingen in de betreffende zandlagen, inclusief het eerste watervoerende pakket (pleistocene zandlaag); d. bodemopbouw tot in het eerste watervoerende pakket (pleistocene zandlaag); e. diepe mechanische boringen en/of sonderingen op het perceel van het ondergronds gebouw; f. bepaling van het volumiek gewicht per bodemlaag; g. evenwichtsberekeningen, uitgevoerd volgens de rekenmethodiek in paragraaf 10.2 (bezwijken door opdrijven) uit NEN 9997-1+C2:2017, “Geotechnisch ontwerp van constructies - Deel 1: Algemene regels” (Eurocode 7 [EC7-NL]), inclusief een veiligheidsfactor voor de rekenwaarde van de neerwaartse gronddruk van 0,9 (NEN9997-1+C2:2017 Tabel A.15 - Partiële factoren op belastingen); h. beschrijving en berekening van beheersmaatregelen (spanningsbemaling, aanpassing ontgraving etc.); i. uitvoeringswijze bij (reparerend) trekken van damwanden; j. beschrijving met lokale boringen/sonderingen die aantoont dat minimaal 1,5 m deklaag resteert onder de vloer van het ondergronds gebouw.
Subparagraaf 4.2.4.9 Beperkt kwetsbare gebouwen in een beperkingengebied plaatsgebonden risico Artikel 4.66 Geografisch werkingsgebied 1.
Deze subparagraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'beperkingengebied plaatsgebonden risico'.
2.
Waar een TAM-omgevingsplan geldt, is deze subparagraaf van overeenkomstige toepassing, voor zover in dat TAM-omgevingsplan een locatie is aangeduid met de aanduiding 'beperkingengebied plaatsgebonden risico'.
Artikel 4.67 Toepassingsbereik Deze subparagraaf is alleen van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor zover: a. de aanvraag betrekking heeft op een beperkt kwetsbaar gebouw ter plaatse van de aanduiding 'beperkingengebied plaatsgebonden risico'; en b. het beperkt kwetsbaar gebouw geen functionele binding heeft met de activiteit waarvoor de aanduiding 'beperkingengebied plaatsgebonden risico' is opgenomen.
Artikel 4.68 Beoordelingsregels met betrekking tot beperkt kwetsbare gebouwen in een beperkingengebied plaatsgebonden risico 1.
66
De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als: a. zwaarwegende economische of maatschappelijke redenen dit rechtvaardigen; b. alle redelijke maatregelen om de gevolgen van een ramp te bestrijden zijn getroffen; en c. er voldoende mogelijkheden zijn voor personen om zich in veiligheid te brengen in geval van een ramp bij de activiteit met het beperkingengebied.
2.
Bij het beoordelen van de aanvraag om de vergunning wordt rekening gehouden met het advies van de veiligheidsregio.
3.
De omgevingsvergunning wordt in elk geval geweigerd als het beperkt kwetsbare gebouw geheel of gedeeltelijk staat ter plaatse van de aanduiding 'plaatsgebonden risico 10-5 windturbine'.
Artikel 4.69 Vergunningvoorschriften met betrekking tot beperkt kwetsbare gebouwen in een beperkingengebied plaatsgebonden risico Aan de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen voorschriften worden verbonden ter bescherming van beperkt kwetsbare gebouwen.
Artikel 4.70 Aanvraagvereisten in verband met de beoordeling van beperkt kwetsbare gebouwen ter plaatse van de aanduiding 'beperkingengebied plaatsgebonden risico' Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken die betrekking heeft op een beperkt kwetsbaar gebouw ter plaatse van de aanduiding 'beperkingengebied plaatsgebonden risico' worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de zwaarwegende gewichtige economische of maatschappelijke redenen voor de realisatie van het beperkt kwetsbare gebouw of het gebruik van de gronden; b. alle redelijke maatregelen die worden getroffen om de gevolgen van een ramp te bestrijden; en c. de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen in geval van een ramp
Subparagraaf 4.2.4.10 Zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen in een beperkingengebied vuurwerk [gereserveerd] Artikel 4.71 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 4.72 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 4.73 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 4.74 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 4.75 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 4.76 Gereserveerd [Gereserveerd]
Subparagraaf 4.2.4.11 Zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen in een beperkingengebied ontplofbare stoffen [gereserveerd] Artikel 4.77 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 4.78 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 4.79 Gereserveerd [Gereserveerd]
67
Artikel 4.80 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 4.81 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 4.82 Gereserveerd [Gereserveerd]
Subparagraaf 4.2.4.12 Bouwen ter plaatse van de aanduiding aanduiding 'belemmeringengebied buisleiding gevaarlijke stoffen' Artikel 4.83 Geografisch werkingsgebied en oogmerk 1.
Deze subparagraaf is van toepassing ter plaatse van de gronden met de aanduiding 'belemmeringengebied buisleiding gevaarlijke stoffen'.
2.
Waar een TAM-omgevingsplan geldt, is deze subparagraaf van overeenkomstige toepassing, voor zover in dat TAM-omgevingsplan een locatie is aangeduid met de aanduiding 'belemmeringengebied buisleiding gevaarlijke stoffen'.
3.
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op de veiligheid, integriteit en de werking van een buisleiding met gevaarlijke stoffen.
Artikel 4.84 Beoordelingsregel, vergunningvoorschriften 1.
De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als de veiligheid van de in artikel 4.83, tweede lid bedoelde buisleiding niet wordt geschaad.
2.
Voordat wordt besloten over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wint het bevoegd gezag schriftelijk of elektronisch advies in bij de beheerder van de in het tweede lid bedoelde buisleiding over de vraag of door de voorgenomen omgevingsplanactiviteit bouwwerken de veiligheid van de buisleiding wordt geschaad en welke voorschriften indien nodig kunnen worden gesteld ter voorkoming daarvan.
3.
Met het oog op de waarborging van de veiligheid van de in het tweede lid bedoelde buisleiding kunnen aan de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voorschriften worden verbonden.
Artikel 4.85 Aanvraagvereisten Als deze subparagraaf van toepassing is, worden bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de aard, omvang en effecten van het bouwwerk; b. de specifieke locatie waar het bouwwerk wordt gerealiseerd; c. de functie of het beoogd gebruik van het bouwwerk; d. de afmetingen van het werk of de omvang van de werkzaamheid; e. de te gebruiken materialen; f. in hoeverre sprake is van afvoer van grond naar een andere locatie; g. de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan voor het uitvoeren van het bouwwerk.
Subparagraaf 4.2.4.13 Toets aan overige regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken Artikel 4.86 Toets aan overige regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als de omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet in strijd is met: a. paragraaf 4.4.2; en b. paragraaf 22.2.3.
68
Subparagraaf 4.2.4.14 Overige vergunningvoorschriften en aanvraagvereisten Artikel 4.87 Vergunningvoorschriften met betrekking tot de situering van vluchtwegen Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen tevens voorschriften worden verbonden met betrekking tot de situering van vluchtwegen, voor zover uitvoering ervan redelijkerwijze mogelijk is en dit blijkens een advies van de Veiligheidsregio nodig is ter vergroting van de zelfredzaamheid van gebruikers van de bouwwerken.
Artikel 4.88 Aanvraagvereisten in verband met beoordeling hemelwaterberging 1.
Als de aanvraag om omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op een bouwwerk waarop paragraaf 4.4.2 van toepassing is, dan worden de gegevens en bescheiden verstrekt waaruit blijkt dat aan dat onderdeel wordt voldaan.
2.
De gegevens en bescheiden betreffen in ieder geval: a. een overzichtstekening en een profieltekening met maatvoering en hoogtes op schaal, welke aangeeft wat de verschillende dakoppervlakken en locatie van de te treffen maatregelen zijn; b. een systeembeschrijving, in de vorm van tekst of een schematische weergave, welke aangeeft hoe de verschillende dakoppervlakken worden verbonden met de maatregelen voor hemelwaterverwerking; en c. een totaalberekening welke aantoont hoe de hemelwaterbergingseis wordt behaald door het opgeven van de toe te passen producten onder vermelding van fabricaat en model en/of materiaal, zoals grind- of grondsoort.
Artikel 4.89 Overgangsbepaling: vergunningvoorschriften over archeologische monumentenzorg 1.
Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' geldt dat als dat in het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is bepaald, aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken in het belang van de archeologische monumentenzorg voorschriften kunnen worden verbonden.
2.
Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken die van invloed is op een archeologisch monument kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg in ieder geval voorschriften worden verbonden, die inhouden een plicht tot: a. het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in situ kunnen worden behouden; b. het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; c. het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties; en d. het verrichten van een opgraving of een archeologische begeleiding op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met artikel 5.4, eerste en tweede lid, van de Erfgoedwet.
Artikel 4.90 Overige gegevens en bescheiden Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden de overige gegevens en bescheiden verstrekt die naar het oordeel van het bevoegd gezag nodig zijn voor toetsing aan dit omgevingsplan.
Afdeling 4.3 OMGEVINGSPLANACTIVITEIT SLOPEN Paragraaf 4.3.1 Vergunningplicht omgevingsplanactiviteit slopen ter plaatse van beschermd stads- of dorpsgezicht Artikel 4.91 Toepassingsbereik en oogmerk
69
1.
Paragraaf 4.3.1 is van toepassing op het verrichten van een omgevingsplanactiviteit slopen binnen een beschermd gezicht.
2.
Paragraaf 4.3.1 geldt ter plaatse van de gronden met de aanduiding 'rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht' of 'gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht'.
3.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het behoud, de bescherming en het herstel van stads- en dorpsgezichten die van algemeen belang zijn vanwege hun schoonheid, onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang van de samenstellende onroerende zaken of hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde.
4.
Deze paragraaf is ook van toepassing op het slechts gedeeltelijk afbreken van een bouwwerk dat plaatsvindt in het kader van het veranderen van een bestaand bouwwerk. Deze paragraaf is daarop, onverminderd afdeling 4.2, onverkort van toepassing.
5.
Deze paragraaf is van toepassing onverminderd sloopvergunningplichten, opgenomen in een ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan.
6.
Deze paragraaf is ook van toepassing op gronden die met toepassing van hoofdstuk 5 van de Erfgoedverordening Amsterdam als gemeentelijk stads- of dorpsgezicht zijn aangewezen, zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de aanduiding 'gemeentelijk beschermd stadsof dorpsgezicht' is gegeven.
Artikel 4.92 Uitgestelde toepassing Deze paragraaf wordt toegepast met ingang van de dag dat artikel 21 van de Erfgoedverordening Amsterdam vervalt.
Artikel 4.93 Vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit slopen binnen een beschermd gezicht 1.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit slopen binnen een beschermd gezicht te verrichten.
2.
Voor zover de activiteit betrekking heeft op het gedeeltelijk afbreken van een bouwwerk, geldt het in het eerste lid bedoelde verbod uitsluitend voor zover het afbreken betrekking heeft op delen van de gevel en de dakvorm die zijn gericht naar openbaar toegankelijk gebied, waaronder mede worden begrepen wegen en paden bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer.
Artikel 4.94 Uitzonderingen op de vergunningplicht Het verbod, bedoeld in artikel 4.93, geldt niet als de omgevingsplanactiviteit slopen binnen een beschermd gezicht was toegestaan voor het van kracht worden van deze paragraaf en reeds in uitvoering is op het tijdstip van het van kracht worden van deze paragraaf.
Artikel 4.95 Beoordelingsregels 1.
De in artikel 4.93 bedoelde omgevingsvergunning wordt alleen geweigerd als, gelet op de beeldbepalende waarde van het bouwwerk of de onderdelen daarvan, de omgevingsplanactiviteit slopen binnen een beschermd gezicht naar het oordeel van burgemeester en wethouders leidt tot een onevenredige aantasting van het belang, genoemd in artikel 4.91, derde lid.
2.
Van een onevenredige aantasting van het in artikel 4.91, het derde lid, genoemde belang kan in elk geval sprake zijn als naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk is dat op de plaats van het af te breken bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.
Artikel 4.96 Advies gemeentelijke Commissie Omgevingskwaliteit Amsterdam
70
1.
De gemeentelijke Commissie Omgevingskwaliteit Amsterdam, bedoeld in 17.9 van de Omgevingswet, wordt in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit slopen binnen een beschermd gezicht.
2.
Op de advisering van de gemeentelijke Commissie Omgevingskwaliteit Amsterdam is de Verordening op de Commissie Omgevingskwaliteit Amsterdam (2023) onverkort van toepassing.
Artikel 4.97 Aanvraagvereisten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de een omgevingsplanactiviteit slopen binnen een beschermd gezicht worden, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag, de volgende gegevens en bescheiden: a. een nadere bepaling van de cultuurhistorische waarde van het te slopen bouwwerk of onderdelen daarvan aan de hand van een bouwhistorische opname; b. gegevens waaruit blijkt dat het aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.
Artikel 4.98 Vergunningvoorschriften Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit slopen binnen een beschermd gezicht worden de voorschriften verbonden die nodig zijn met het oog op het beschermen van het in artikel 4.91, het derde lid, genoemde belang.
Paragraaf 4.3.2 Vergunningplicht omgevingsplanactiviteit slopen geluidwerende eerstelijnsbebouwing [gereserveerd] Artikel 4.99 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 4.100 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 4.101 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 4.102 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 4.103 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 4.104 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 4.105 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 4.106 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 4.107 Gereserveerd [Gereserveerd]
Afdeling 4.4 OVERIGE REGELS OVER BOUWWERKEN EN ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT BOUWWERKEN Paragraaf 4.4.1 Repressief toezicht op het uiterlijk van bouwwerken met het oog op een goede omgevingskwaliteit
71
Artikel 4.108 Repressief toezicht op het uiterlijk van bouwwerken met het oog op een goede omgevingskwaliteit 1.
Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met een goede omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de criteria van de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet: a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om: a. een aangewezen gebied of bouwwerk als bedoeld in artikel 4.26; b. een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn.
3.
Totdat beleidsregels als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet zijn vastgesteld, geldt overeenkomstig artikel 4.114 Invoeringswet Omgevingswet de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel gold tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet, als de beleidsregels, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 4.109 Maatwerkvoorschriften Het bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen over artikel 4.108.
Paragraaf 4.4.2 Hemelwaterafvoer bij bouwwerken Artikel 4.110 Toepassingsbereik 1.
Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen en in stand houden van een gebouw, ongeacht of daarvoor de vergunning geldt, bedoeld in artikel 4.7.
2.
Deze paragraaf is van toepassing op: a. nieuwe gebouwen; b. bestaande gebouwen indien na 11 mei 2021: 1. een ingrijpende renovatie als bedoeld in het artikel 5.20, vijfde lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving is uitgevoerd of wordt uitgevoerd; 2. aan het gebouw één of meer bouwlagen, een kelder of een souterrain is toegevoegd of wordt toegevoegd; of 3. het bebouwde oppervlak is uitgebreid of wordt uitgebreid.
3.
In afwijking van het tweede lid is deze paragraaf niet van toepassing op gebouwen waarvoor: a. voor 11 mei 2021 een omgevingsvergunning voor bouwen is aangevraagd; of b. voor 22 juni 2021 selectieprocedures voor gronduitgifte zijn gestart of overeenkomsten zijn aangegaan waaruit de intentie tot (her)ontwikkeling van een gebouw blijkt.
Artikel 4.111 Begripsbepaling
72
1.
Bij de toepassing van paragraaf 4.4.2 wordt onder centraal besturingssysteem verstaan: een systeem dat op basis van actuele neerslagvoorspellingen, de vulling van de hemelwaterberging en de condities van het stedelijk watersysteem, de lediging van de hemelwaterberging regelt.
2.
Bij de toepassing van paragraaf 4.4.2 wordt onder groen dak verstaan: een doelbewust hoofdzakelijk met planten begroeid dak.
3.
Bij de toepassing van paragraaf 4.4.2 wordt onder hergebruiksysteem verstaan: een systeem waarmee het opgevangen hemelwater wordt hergebruikt voor andere dan drinkwater toepassingen.
4.
Bij de toepassing van paragraaf 4.4.2 wordt onder verhard oppervlak verstaan: oppervlak voorzien van verhardingen (o.a. daken, wegen, verharde terreinen, etc.), zodanig dat hemelwater van dit oppervlak niet in de bodem kan infiltreren.
Artikel 4.112 Verbod op lozen zonder waterberging 1.
Het is verboden om vanaf een gebouw hemelwater in het openbaar riool of op de openbare ruimte, anders dan het oppervlaktewater, te lozen, tenzij een hemelwaterberging is aangebracht en in stand wordt gehouden.
2.
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor zover een bestaand gebouw als bedoeld in artikel 4.110, tweede lid, onder b, onderdeel 1 of 2, niet bestand is tegen het aanbrengen van een hemelwaterberging op dat gebouw en er rond dat bestaande gebouw geen of onvoldoende oppervlak aanwezig is om in hemelwaterberging te voorzien.
3.
Het verbod, bedoeld in het eerste lid geldt niet voor tijdelijke gebouwen, met een instandhoudingstermijn van maximaal 10 jaar, mits: a. geen toename ontstaat van het al aanwezige verhard oppervlak; of b. het tijdelijke gebouw niet bestand is tegen het aanbrengen van een hemelwaterberging op dat gebouw en er rond het tijdelijke gebouw geen of onvoldoende oppervlak aanwezig is om in hemelwaterberging te voorzien; of c. sprake is van een bouwkeet.
Artikel 4.113 Vereisten hemelwaterberging 1.
Een hemelwaterberging als bedoeld in artikel 4.112: a. heeft ten minste een capaciteit van 60 liter per m2 bebouwd oppervlak; b. loost maximaal 1 liter per m2 bebouwd oppervlak per uur op een openbaar riool; en c. is na 60 uur leeg.
2.
Een hemelwaterberging met hergebruiksysteem: a. heeft ten minste een capaciteit van 105 liter per m2 bebouwd oppervlak; b. loost maximaal 1 liter per m2 bebouwd oppervlak per uur op een openbaar riool; c. is na 70 uur voor ten minste 33% leeg en na 14 dagen voor ten miste 66%; en d. leegt het restant op basis van het gebruik van het hergebruiksysteem.
3.
Voor een waterberging met een centraal besturingssysteem geldt alleen het vereiste uit het eerste lid, onder a.
4.
Het eerste lid is niet van toepassing op een gebouw dat zonder omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kan worden gebouwd mits het is voorzien van een groen dak met een minimale waterbergingscapaciteit van 30 liter per m2.
5.
In geval van uitbreiding van het bebouwd oppervlak van een bestaand gebouw als bedoeld in artikel 4.110, eerste lid onder b, onderdeel 3, wordt bij de toepassing van dit artikel onder bebouwd oppervlak het bebouwd oppervlak van de uitbreiding verstaan.
6.
Het geborgen hemelwater wordt in de ondergrond geïnfiltreerd. Als dat niet of maar deels mogelijk is, kan in het openbare riool worden geloosd.
7.
Het hemelwater dat na toepassing van het eerste, tweede of derde lid niet kan worden geborgen, kan worden geloosd in het openbare riool of op de openbare ruimte.
Afdeling 4.5 AANWIJZINGEN VOORSCHRIFTENGEBIEDEN, BEDOELD IN PARAGRAAF 4.2.14 VAN HET BESLUIT BOUWWERKEN LEEFOMGEVING Artikel 4.114 Aanwijzing brandvoorschriftengebied Ter plaatse van de aanduiding 'brandvoorschriftengebied' geldt dat de gronden zijn aangewezen als brandvoorschriftengebied als bedoeld in artikel 5.14, eerste en tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Artikel 4.115 Aanwijzing explosievoorschriftengebied Ter plaatse van de aanduiding 'explosievoorschriftengebied' geldt dat de gronden zijn aangewezen als explosievoorschriftengebied als bedoeld in artikel 5.14, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
73
Hoofdstuk 5 RUIMTELIJKE REGELS OVER BOUWWERKEN Afdeling 5.1 ALGEMEEN Artikel 5.1 Toepassingsbereik Dit hoofdstuk is van toepassing op de omgevingsplanactiviteit bouwwerken en bevat regels over bouwwerken.
Artikel 5.2 Beperking geografisch toepassingsbereik (overgangsbepaling) Afdeling 5.5 tot en met afdeling 5.8 zijn uitsluitend van toepassing ter plaatse van de aanduiding ruimtelijke regels tijdelijk deel vervallen.
Artikel 5.3 Meet- en rekenregels Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden de volgende meet- en rekenbepalingen gehanteerd: a. de waarden die daarin in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten: 1. afstanden loodrecht; 2. hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en 3. maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 m buiten beschouwing blijven; b. voor de toepassing van onderdeel a wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is; c. de bruto-vloeroppervlakte van een bouwwerk: met toepassing van NEN 2580; d. de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; e. de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil of, wanneer dat in de regels is bepaald, vanaf N.A.P., tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; f.
de verticale bouwdiepte van een gebouw: vanaf het peil tot aan de onderzijde van de onderste bouwlaag; g. als in een regel een norm is gegeven die geldt ter plaatse van een aanduiding, dan geldt de betreffende norm per afzonderlijk aanduidingsvlak; h. de ashoogte van een windturbine: vanaf het peil tot aan het hart van de rotor-as van de windturbine; i. de tiphoogte van een windturbine: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van de wiek van de windturbine.
Artikel 5.4 Voorrangsbepaling met betrekking tot meet- en rekenbepalingen tijdelijk deel omgevingsplan Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' zijn de meet- en rekenbepalingen zoals die zijn opgenomen in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing op de ruimtelijke regels over bouwwerken in dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan.
Artikel 5.5 Overgangsrecht met betrekking tot rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten Artikel 5.10, aanhef en onder b, is van overeenkomstige toepassing op een activiteit als bedoeld in die artikelonderdelen die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in dit omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.
Afdeling 5.2 ALGEMEEN VERBOD BOUWWERKEN TE BOUWEN, IN STAND TE HOUDEN EN TE GEBRUIKEN IN STRIJD MET RUITMELIJKE REGELS OVER BOUWWERKEN
74
Artikel 5.6 Vangnetbepaling ruimtelijke regels bouwwerken 1.
Het is verboden een bouwwerk te bouwen, in stand te houden en te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de in dit hoofdstuk opgenomen ruimtelijke regels over bouwwerken.
2.
Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' geldt in afwijking van het eerste lid dat het verboden is een bouwwerk te bouwen, in stand te houden en te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met afdeling 5.3 of met in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan opgenomen ruimtelijke regels over bouwwerken en het gebruik daarvan.
3.
In aanvulling op het eerste en tweede lid is het daar waar een TAM-omgevingsplan is vastgesteld en in werking is getreden verboden een bouwwerk te bouwen, in stand te houden en te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de daarin opgenomen ruimtelijke regels over bouwwerken en het gebruik daarvan.
Afdeling 5.3 BOUWWERKEN DIE IN BEGINSEL OVERAL ZIJN TOEGESTAAN Artikel 5.7 Algemene afbakeningseisen 1.
Deze paragraaf is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.
2.
Bij de toepassing van deze paragraaf neemt het aantal woningen niet toe ten opzichte van het maximum aantal dat in het omgevingsplan is bepaald of, wanneer het maximum aantal woningen niet in het omgevingsplan is bepaald, passen de woningen voor wat betreft situering en omvang binnen het omgevingsplan.
Artikel 5.8 Bouwwerken die ruimtelijk zijn toegestaan Ongeacht het bepaalde in afdeling 5.5 tot en met afdeling 5.8 zijn de volgende bouwwerken toegestaan: a. een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als voldaan wordt aan de volgende eisen: 1. op de grond staand; 2. gelegen in het achtererfgebied; 3. op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied; 4. de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; 5. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte; 6. voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan: I. 5 m; II. 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en III. het hoofdgebouw; 7. voor zover op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw: I. als het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding daarvan hoger is dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3; en II. functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw; 8.
de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied niet meer dan: I. bij een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied; II. bij een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2 , vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2; en III. bij een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2 , vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2; en 9. uitbreiding van of gelegen aan of bij een hoofdgebouw, anders dan: I. een woonwagen;
75
II.
b.
een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit of de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand te hebben hersteld; of III. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden; een erf- of perceelafscheiding, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. hoger dan 1m maar niet hoger dan 2m; 2. op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de erf- of perceelafscheiding in functionele relatie staat; en 3. achter de lijn die langs de voorkant van dat gebouw evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied.
Artikel 5.9 Bijbehorend bouwwerk in bijzondere gevallen Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 5.8, onder a, bestaat uit een deel dat op meer, en een deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen zonder een inwendige scheidingsconstructie tussen beide delen, is op het deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen artikel 5.8, onder a, onder 7, onder ii, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5.10 Beperkingen vanwege cultureel erfgoed 1.
Artikel 5.8 is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a. in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument; of b. op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de aanduiding 'rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht' of de aanduiding 'gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht' is gegeven.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is.
3.
Het tweede lid is van toepassing: a. als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en b. als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of het omgevingsplan nog geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven.
Artikel 5.11 Beperkingen vanwege externe veiligheid
76
1.
Artikel 5.8, aanhef en onder a, is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a. ter plaatse van de aanduiding 'beperkingengebied plaatsgebonden risico'; b. ter plaatse van de aanduiding 'belemmeringengebied buisleiding gevaarlijke stoffen'; c. ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringsgebied vuurwerk'; d. ter plaatse van de aanduiding 'explosieaandachtsgebied vuurwerk'; e. ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringsgebied ontplofbare stoffen voor civiel gebruik'; f. ter plaatse van de aanduiding 'civiel explosieaandachtsgebied'.
2.
Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' is artikel 5.8 , aanhef en onder a, niet van toepassing als de activiteit wordt verricht: a. op een locatie waar de activiteit op grond van het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan niet is toegestaan vanwege het overschrijden van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als gevolg van de aanwezigheid van een locatie voor een vergunningplichtige milieubelastende activiteit, transportroute of buisleiding of vanwege de ligging in een belemmeringenstrook voor het onderhoud van een buisleiding; b. op een locatie binnen een afstand als bedoeld in: 1. artikel 4.421, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, van dat artikel van toepassing is; 2. artikel 4.472c, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
3.
c.
artikel 4.484, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 4. artikel 4.524, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is; 5. artikel 4.532, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 6. artikel 4.542, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 7. artikel 4.866, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is; 8. artikel 4.899, eerste lid, onder b, of derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 9. artikel 4.905, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is; 10. artikel 4.914, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 11.
artikel 4.962, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 12. artikel 4.963, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 13. artikel 4.1008, eerste lid, onder b, of tweede lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, het tweede lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is; of 14. artikel 4.1101, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is; of op een locatie binnen een afstand als bedoeld in: 1. artikel 4.1042, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving; 2. bijlage VIII, onder A en B, bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; 3. artikel 4.1051, eerste lid, aanhef en onder b, en tweede lid, aanhef en onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover de afstand, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, tweede lid, aanhef en onder b, of derde lid van dat artikel van toepassing is; of 4. bijlage IX, onder A tot en met C bij het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Artikel 5.12 Beperkingen op aangewezen locaties 1.
Artikel 5.8, aanhef en onder a, is niet van toepassing ter plaatse van de aanduiding 'beperkingen erfbebouwing'.
2.
Artikel 5.8, aanhef en onder a, is niet van toepassing ter plaatse van de aanduiding 'beschermingszone bovengrondse hoogspanningsverbindingen'.
3.
Ter plaatse van een in de Omgevingsregeling aangewezen reserveringsgebied voor de uitbreiding of aanleg van een autoweg, autosnelweg of hoofdspoorweg, bedoeld in artikel 5.33 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is artikel 4.12 niet van toepassing.
Artikel 5.13 Beperkingen vanwege strijdigheid met tijdelijk deel omgevingsplan Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' is artikel 5.8, aanhef en onder a, niet van toepassing, voor zover in het daar geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is bepaald, of uit de daarin opgenomen regels volgt, dat de gronden niet dienen te worden beschouwd als erf in de zin van artikel 1 van bijlage II behorende bij het voorheen geldende Besluit omgevingsrecht.
Afdeling 5.4 GEBRUIK VAN BOUWWERKEN Artikel 5.14 Bouwwerken uitsluitend toegestaan ten behoeve van het gebruiksdoel Bouwwerken mogen uitsluitend worden gebruikt op een wijze die in overeenstemming is met: a. een ter plaatse geldend gebruiksdoel als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid; b. de ter plaatse geldende bestemming, bedoeld in artikel 2.3, tweede lid;
77
c. d.
een verleende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit om af te wijken van de regels over gebruik, bedoeld in artikel 2.3; een verleende omgevingsvergunning om af te wijken, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Afdeling 5.5 GEBOUWEN Artikel 5.15 Waar bovengrondse gebouwen zijn toegestaan 1.
Een bovengronds gebouw is, tenzij elders anders is bepaald, uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak'.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op bestaande bordessen, erkers, galerijen, luifels, buitentrappen, pothuizen en balkons en andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, voor zover die legaal zijn gerealiseerd. Deze mogen in stand worden gehouden en binnen de bestaande afmetingen worden vernieuwd.
Artikel 5.16 Waar ondergrondse gebouwen zijn toegestaan en tot welke verticale bouwdiepte 1.
Een ondergronds gebouw is uitsluitend toegestaan voor zover het een legaal gebouwd bestaand ondergronds gebouw betreft, met de bestaande omvang en bestaande verticale bouwdiepte ervan als maximum omvang en maximum verticale bouwdiepte.
2.
In afwijking van het eerste lid zijn ondergrondse gebouwen ook toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'ondergronds gebouw toegestaan'.
3.
Ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwdiepte ondergronds gebouw' geldt in aanvulling op het tweede lid als maximum verticale bouwdiepte de daar bepaalde waarde in meters.
4.
Ter plaatse van de aanduiding 'maximum oppervlakte ondergronds gebouw' geldt in aanvulling op het tweede lid als maximum oppervlakte van een ondergronds gebouw de daar bepaalde waarde.
Artikel 5.17 Bouwhoogte van gebouwen 1.
Tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald, is voor een bovengronds gebouw de bestaande bouwhoogte ervan de maximum bouwhoogte.
2.
In afwijking van het eerste lid is ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte gebouw' de maximum bouwhoogte van een gebouw in meters de daar bepaalde waarde.
3.
In afwijking van het eerste lid is ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte gebouw t.o.v. NAP' de maximum bouwhoogte van een gebouw in meters de daar bepaalde waarde, gemeten ten opzichte NAP;
4.
Ter plaatse van de aanduiding 'minimum bouwhoogte gebouw' is de minimum bouwhoogte van een gebouw in meters de daar bepaalde waarde.
Artikel 5.18 Goothoogte van gebouwen 1.
Tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald, is voor een legaal gebouwd bestaand gebouw de bestaande goothoogte de goothoogte.
2.
In afwijking van het eerste lid is ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte' de maximum goothoogte van een gebouw in meters de daar bepaalde waarde.
Artikel 5.19 Minimale hoogte van de eerste bouwlaag
78
1.
Ter plaatse van de aanduiding 'minimum hoogte eerste bouwlaag' is de minimale hoogte van de eerste bouwlaag, gemeten vanaf de vloer van de eerste bouwlaag tot aan de bovenkant vloer van de tweede bouwlaag, in meters de daar bepaalde waarde.
2.
Indien de vloer van de eerste verdieping onder het aangrenzend maaiveld ligt, wordt in afwijking van het eerste lid gemeten vanaf aangrenzende maaiveld tot aan de bovenkant vloer van de tweede bouwlaag.
Artikel 5.20 Voorgeschreven gevelrooilijn 1.
Ter plaatse van de aanduiding 'voorgeschreven rooilijn' geldt voor bovengrondse gebouwen dat de gevel aan de zijde ter plaatse van de aanduiding 'rooilijn' in die lijn dient te staan.
2.
Ter plaatse van de aanduiding 'voorgeschreven rooilijn (minimum %)' geldt voor bovengrondse gebouwen dat de gevel aan de zijde ter plaatse van de aanduiding 'rooilijn' voor minimaal het daar bepaalde percentage in die lijn dient te staan.
Artikel 5.21 Bebouwd oppervlak (percentage) 1.
Ter plaatse van de aanduiding 'minimum bebouwingspercentage' is het minimum bebouwingspercentagevan bovengrondse gebouwen de daar bepaalde waarde.
2.
Ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage' is het maximum bebouwingspercentage van bovengrondse gebouwen de daar bepaalde waarde.
Artikel 5.22 Bebouwd oppervlak (m2) 1.
Ter plaatse van de aanduiding 'minimum bebouwd oppervlak' is het minimum bebouwd oppervlak van bovengrondse gebouwen in vierkante meters de daar bepaalde waarde.
2.
Ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwd oppervlak' is het maximum bebouwd oppervlak van bovengrondse gebouwen in vierkante meters de daar bepaalde waarde.
Artikel 5.23 Bruto-vloeroppervlakte bebouwing (m2) 1.
Ter plaatse van de aanduiding 'minimum bruto-vloeroppervlakte gebouwen' is de minimum bruto-vloeroppervlakte van gebouwen in vierkante meters de daar bepaalde waarde.
2.
Ter plaatse van de aanduiding 'maximum bruto-vloeroppervlakte gebouwen' is de maximum bruto-vloeroppervlakte van gebouwen in vierkante meters de daar bepaalde waarde.
3.
Ter plaatse van de aanduiding 'minimum bruto-vloeroppervlakte bebouwing' is de minimum bruto-vloeroppervlakte van bovengrondse gebouwen in vierkante meters de daar bepaalde waarde.
4.
Ter plaatse van de aanduiding 'maximum bruto-vloeroppervlakte bebouwing' is de maximum bruto-vloeroppervlakte van bovengrondse gebouwen in vierkante meters de daar bepaalde waarde.
Artikel 5.24 Tuinhuizen, kassen en bergingen op volkstuinparken
79
1.
In afwijking van artikel 5.15 geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: volkstuinpark' dat per volkstuin één tuinhuis, één kas en één berging is toegestaan.
2.
In afwijking van artikel 5.17 gelden ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: volkstuinpark' voor de in het eerste lid bedoelde gebouwen de volgende maximum bouwhoogtes: a. voor een tuinhuis: 3,5 meter; b. voor een kas: 2,5 meter; c. voor een berging: 3 meter.
3.
Ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: volkstuinpark' is het maximum bebouwd oppervlak per volkstuin: a. voor een tuinhuis: tien procent van het oppervlak van de volkstuin; b. voor een kas: vier procent van het oppervlak van de volkstuin; c. voor een berging: twee procent van het oppervlak van de volkstuin.
4.
Ter plaatse van de aanduiding 'nutstuinpark' geldt in afwijking van het eerste lid dat tuinhuizen niet zijn toegestaan.
5.
In afwijking van het derde lid is het maximum bebouwd oppervlak per nutstuin: a. voor een kas: zes procent van het oppervlak van de volkstuin; b. voor een berging: drie procent van het oppervlak van de volkstuin.
6.
In afwijking van het tweede tot en met vierde lid is voor een tuinhuis, een kas of een berging, die op het moment van inwerkingtreding van dit artikel feitelijk is gerealiseerd, de gerealiseerde bouwhoogte en oppervlakte ervan de maximum bouwhoogte en oppervlakte.
Artikel 5.25 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 5.26 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 5.27 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 5.28 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 5.29 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 5.30 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 5.31 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 5.32 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 5.33 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 5.34 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 5.35 Gereserveerd [Gereserveerd]
Afdeling 5.6 BOUWWERKEN GEEN GEBOUWEN ZIJNDE Artikel 5.36 Bouwwerken geen gebouwen zijnde (algemeen)
80
1.
Tenzij elders anders is bepaald, bedraagt de maximum bouwhoogte van een bouwwerk geen gebouw zijnde 1 meter.
2.
Ter plaatse van de aanduiding 'afwijkende maximum bouwhoogte bouwwerken geen gebouw zijnde' is, in afwijking van het eerste lid, de maximum bouwhoogte van een bouwwerk geen gebouw zijnde de daar bepaalde waarde.
3.
In afwijking van het eerste lid zijn bouwwerken geen gebouwen zijnde ter plaatse van de aanduiding 'bouwwerken geen gebouw zijnde niet toegestaan' niet toegestaan, met uitzondering van bestaande bouwwerken geen gebouwen zijnde, voor zover die legaal zijn gebouwd.
Artikel 5.37 Artistieke kunstwerken Ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte artistiek bouwwerk' is een artistiek kunstwerk toegestaan met als maximum bouwhoogte de daar bepaalde waarde.
Artikel 5.38 Infrastructurele en waterbouwkundige kunstwerken Ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte infrastructureel kunstwerk' is een infrastructureel en waterbouwkundig kunstwerk toegestaan met als maximum bouwhoogte de daar bepaalde waarde.
Artikel 5.39 Erfafscheidingen In afwijking van artikel 5.8, onder b, geldt ter plaatse van de aanduiding 'afwijkende hoogte erfafscheiding' als maximum bouwhoogte van een erf- of perceelafscheiding de daar bepaalde waarde.
Artikel 5.40 Specifieke bouwwerken op sportterreinen 1.
Lichtmasten op sportterreinen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'maximum hoogte lichtmast', met als maximum bouwhoogte de daar bepaalde waarde.
2.
Ballenvangers, duckouts, doelen en overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, uitgezonderd tribunes, die nodig zijn voor de sportbeoefening zijn op sportterreinen toegestaan in een omvang die naar algemene maatstaven gebruikelijk is.
Artikel 5.41 Bouwwerken geen gebouwen zijnde ten behoeve van hoogspanningsverbindingen 1.
Ter plaatse van de aanduiding 'beschermingszone bovengrondse hoogspanningsverbindingen' zijn bouwwerken geen gebouwen zijnde ten behoeve van hoogspanningsverbindingen toegestaan met een maximum bouwhoogte van 3 meter.
2.
Ter plaatse van de aanduiding 'maximum hoogte hoogspanningsmast' is een hoogspanningsmast toegestaan met als maximum bouwhoogte de daar bepaalde waarde.
Artikel 5.42 Bruggen [gereserveerd] [Gereserveerd]
Artikel 5.43 Vlaggenmasten [gereserveerd] [Gereserveerd]
Artikel 5.44 Aanlegsteigers [gereserveerd] [Gereserveerd]
Artikel 5.45 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 5.46 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 5.47 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 5.48 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 5.49 Gereserveerd [Gereserveerd]
81
Artikel 5.50 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 5.51 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 5.52 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 5.53 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 5.54 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 5.55 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 5.56 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 5.57 Gereserveerd [Gereserveerd]
Afdeling 5.7 BIJZONDERE BOUWWERKEN Artikel 5.58 Windturbines 1.
In afwijking van artikel 5.15 zijn windturbines ter plaatse van de aanduiding 'windturbine toegestaan'. Windturbines zijn uitsluitend daar toegestaan.
2.
Ter plaatse van de aanduiding 'maximum ashoogte windturbine' is een windturbine toegestaan met als maximum ashoogte de daar bepaalde waarde.
3.
De maximum tiphoogte van een windturbine is de ter plaatse van de aanduiding 'maximum tiphoogte windturbine' bepaalde waarde.
Artikel 5.59 Tribunes In afwijking van artikel 5.15 is een tribune toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte tribune', met als maximum bouwhoogte de daar bepaalde waarde. Een tribune is uitsluitend daar toegestaan.
Artikel 5.60 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 5.61 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 5.62 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 5.63 Gereserveerd [Gereserveerd]
82
Artikel 5.64 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 5.65 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 5.66 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 5.67 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 5.68 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 5.69 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 5.70 Gereserveerd [Gereserveerd]