Raadsbesluit 2024-159A Bijlage 1 Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam (Basisregeling) incl renvooi.pdf
Tekst van het document
Artikel 5.71 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 5.72 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 5.73 Gereserveerd [Gereserveerd]
Afdeling 5.8 OVERIGE REGELS OVER BOUWWERKEN Artikel 5.74 Voorgeschreven hoogte onderdoorgang Ter plaatse van de aanduiding 'minimum hoogte onderdoorgang' mogen de gronden tot een hoogte van de daar bepaalde waarde niet worden bebouwd, met uitzondering van de voor de hoger opgaande bebouwing benodigde ondersteuningsconstructies.
Artikel 5.75 Voorgeschreven ontsluiting autoparkeervoorziening Ter plaatse van de aanduiding 'ontsluiting parkeervoorziening' geldt dat een ontsluiting van een auto- of fietsparkeervoorziening uitsluitend is toegestaan ter plaatse van deze aanduiding.
Artikel 5.76 Aanwijzing niet-geluidgevoelige gevels met bouwkundige maatregelen
83
1.
De gevel ter plaatse van de aanduiding 'niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen' is een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen als bedoeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving.
2.
Totdat de in het eerste lid bedoelde aanduiding aan een locatie is gegeven, is als niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen als bedoeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving tevens aangewezen een gevel waarover met toepassing van artikel 4.51, tweede lid, in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken het voorschrift is verbonden dat het een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen is.
3.
Ter plaatse van de aanduiding 'geluidgevoelig gebouw met niet-geluidgevoelige gevel' dienen ter plaatse van de aanduiding 'niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen' aan een geluidgevoelig gebouw maatregelen te worden getroffen en in stand gehouden die: a. bestaan uit een uitwendige scheidingsconstructie die geen te openen delen bevat anders dan als onderdeel van een gemeenschappelijke doorgang; of b. borgen dat het geluid op de te openen delen in de uitwendige scheidingsconstructie die direct grenzen aan een verblijfsgebied niet hoger is dan de grenswaarde.
4.
Ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag met niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen' geldt dat het eerste lid alleen van toepassing is op de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen.
Hoofdstuk 6 AANLEGACTIVITEITEN (HET UITVOEREN VAN EEN WERK, GEEN BOUWWERK ZIJNDE, OF VAN EEN WERKZAAMHEID) Afdeling 6.1 ALGEMEEN Artikel 6.1 Toepassingsbereik 1.
Dit hoofdstuk heeft betrekking op het verrichten van een aanlegactiviteit.
2.
Onverminderd afdeling 4.2 is dit hoofdstuk onverkort van toepassing op de aangewezen activiteiten als die plaatsvinden in het kader van het realiseren van een bouwwerk.
Afdeling 6.2 VERGUNNINGPLICHTIGE AANLEGACTIVITEITEN TER PLAATSE VAN DE AANDUIDING 'BESCHERMINGSZONE ARCHEOLOGIE Artikel 6.2 Toepassingsbereik en oogmerk 1.
Deze afdeling is van toepassing op een aanlegactiviteit, voor zover die bestaat uit het verstoren van de bodem door: a. het uitvoeren van grondbewerkingen onder maaiveld of indien het water betreft dieper dan de waterbodem, waartoe onder meer wordt gerekend het ophogen, ontgraven, egaliseren, roeren en omwoelen van gronden; b. het aanbrengen van drainage; c. het aanleggen en verbreden van wateren; d. het wijzigen van het waterpeil; e. het aanbrengen van ondergrondse kabels, leidingen en andere infrastructurele voorzieningen; f. het verrichten van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem.
2.
Deze afdeling geldt ter plaatse van de aanduiding 'beschermingszone archeologie'.
3.
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het belang van het behoud van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische vindplaatsen.
Artikel 6.3 Vergunningplicht voor aangegeven aanlegactiviteiten Ter plaatse van de aanduiding 'beschermingszone archeologie' is het verboden zonder omgevingsvergunning een aanlegactiviteit archeologische beschermingszone te verrichten.
Artikel 6.4 Uitzonderingen op de vergunningplicht
84
1.
Het verbod, bedoeld in artikel 6.3, geldt niet als de bedoelde activiteiten het normaal onderhoud en beheer betreffen.
2.
Het verbod, bedoeld in artikel 6.3, geldt niet als de bedoelde activiteiten waren toegestaan voor het van kracht worden van dit regelonderdeel en reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit regelonderdeel.
3.
Het verbod, bedoeld in artikel 6.3, geldt niet als de daar bedoelde activiteiten plaatsvinden ter plaatse van de aanduiding 'maximum oppervlak vergunningvrije bodemverstoring', en het oppervlak van de bodemverstoring niet groter is dan de daar in vierkante meters bepaalde waarde.
4.
Het verbod, bedoeld in artikel 6.3, geldt niet als de daar bedoelde activiteiten plaatsvinden ter plaatse van de aanduiding 'maximum diepte vergunningvrije bodemverstoring', en de bodemverstoring niet dieper gaat dan de daar in meters bepaalde waarde.
Artikel 6.5 Beoordelingsregel Een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit archeologische beschermingszone wordt alleen verleend als het belang van het behoud van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten, bedoeld in artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, zich daartegen niet verzet.
Artikel 6.6 Aanvraagvereisten 1.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit archeologische beschermingszone wordt een archeologisch rapport verstrekt dat voldoet aan de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie en waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het college in voldoende mate is vastgesteld.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing indien het college reeds over voldoende informatie beschikt om de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in voldoende mate vast te stellen, en dit schriftelijk aan de aanvrager is medegedeeld. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit archeologische beschermingszone wordt deze schriftelijke mededeling verstrekt.
Artikel 6.7 Vergunningvoorschriften 1.
Met het oog op het belang van het behoud van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische vindplaatsen kunnen aan een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit archeologische beschermingszone voorschriften worden verbonden.
2.
Een voorschrift als bedoeld in het eerste lid kan in elk geval inhouden: a. de verplichting tot het doen van aanvullend archeologisch onderzoek; b. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische vindplaatsen fysiek worden behouden; c. de verplichting tot het indienen van een programma van eisen, met betrekking tot het onder a en b gestelde; d. de verplichting dat pas begonnen wordt met aanvullend archeologisch onderzoek, bedoeld onder a, nadat het college het programma van eisen, bedoeld onder c, heeft vastgesteld.
3.
Als aan de vergunning het voorschrift is verbonden tot het doen van aanvullend archeologisch onderzoek als bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt aan de vergunning tevens het voorschrift verbonden dat het college tijdens het aanvullend archeologisch onderzoek aanwijzingen kan geven over de uitvoering van het archeologisch onderzoek, en dat de aanwijzingen van het college in acht worden genomen.
Afdeling 6.3 VERGUNNINGPLICHTIGE AANLEGACTIVITEITEN TER PLAATSE VAN DE AANDUIDING 'BESCHERMINGSZONE BOVENGRONDSE HOOGSPANNINGSVERBINDINGEN' Artikel 6.8 Toepassingsbereik en oogmerk
85
1.
Deze afdeling is van toepassing op een aanlegactiviteit, voor zover die bestaat uit: a. het aanbrengen van bovengrondse constructies, installaties of apparatuur, niet zijnde bouwwerken, hoger dan vijf meter; b. het opslaan van stoffen die brandgevaarlijk zijn; c. het aanbrengen van hoogopgaande of diepwortelende beplanting en bomen; d. het wijzigen van het maaiveldniveau door ontgronding of ophoging.
2.
Deze afdeling geldt ter plaatse van de aanduiding 'beschermingszone bovengrondse hoogspanningsverbindingen'.
3.
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het belang van de bruikbaarheid van bovengrondse hoogspanningsverbindingen, waaronder de verbindingen, bedoeld in artikel
5.159 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Hierbij gaat het om de functionaliteit van de verbinding en daarmee de leveringszekerheid en betrouwbaarheid van de elektriciteitsvoorziening.
Artikel 6.9 Vergunningplicht voor aangegeven aanlegactiviteiten Ter plaatse van de aanduiding 'beschermingszone bovengrondse hoogspanningsverbindingen' is het verboden zonder omgevingsvergunning een aanlegactiviteit beschermingszone bovengrondse hoogspanningsverbinding te verrichten.
Artikel 6.10 Uitzonderingen op de vergunningplicht Het verbod, bedoeld in artikel 6.9, geldt niet als: a. de bedoelde activiteiten het normaal onderhoud en beheer betreffen; b. de bedoelde activiteiten waren toegestaan voor het van kracht worden van dit regelonderdeel en reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit regelonderdeel.
Artikel 6.11 Beoordelingsregels Een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit beschermingszone bovengrondse hoogspanningsverbinding wordt alleen verleend indien het belang, bedoeld in artikel 6.8, derde lid, zich daartegen niet verzet.
Artikel 6.12 Aanvraagvereisten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit beschermingszone bovengrondse hoogspanningsverbinding worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een omschrijving van de voorgenomen activiteiten en de effecten van de activiteiten op het functioneren van de hoogspanningsverbinding; b. de specifieke locatie waar het werk of de werkzaamheid zal worden uitgevoerd; c. de afmetingen van het werk of de omvang van de werkzaamheid; en d. de te gebruiken materialen.
Artikel 6.13 Advies netbeheerder Voordat wordt besloten over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit beschermingszone bovengrondse hoogspanningsverbinding wint het bevoegd gezag schriftelijk of elektronisch advies in bij de beheerder van het hoogspanningsnetwerk over de vraag of door de voorgenomen aanlegactiviteit het belang, bedoeld in artikel 6.8, derde lid, niet onevenredig wordt geschaad en welke voorwaarden indien nodig kunnen worden gesteld ter voorkoming van eventuele schade.
Artikel 6.14 Vergunningvoorschriften Met het oog op het belang, bedoeld in artikel 6.8, derde lid, kunnen aan een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit beschermingszone bovengrondse hoogspanningsverbinding voorschriften worden verbonden.
Afdeling 6.4 VERGUNNINGPLICHTIGE AANLEGACTIVITEITEN TER PLAATSE VAN DE AANDUIDING 'BESCHERMINGSZONE ONDERGRONDSE HOOGSPANNINGSVERBINDINGEN' Artikel 6.15 Toepassingsbereik en oogmerk 1.
86
Deze afdeling is van toepassing op een aanlegactiviteit, voor zover die bestaat uit: a. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen; b. het aanbrengen van verhardingen, wegen en paden; c. het indrijven van voorwerpen in de bodem; d. het aanleggen, verdiepen, verbreden en dempen van sloten, watergangen en andere waterpartijen; e. het uitvoeren van grondbewerkingen, zoals ontgronden, afgraven, egaliseren, diepploegen, woelen, mengen en ophogen van gronden; f. het opslaan van goederen, (brandbare)stoffen en/of materialen.
2.
Deze afdeling geldt ter plaatse van de aanduiding 'beschermingszone ondergrondse hoogspanningsverbinding'.
3.
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het belang van het doelmatig en veilig functioneren van ondergrondse hoogspanningsverbindingen.
Artikel 6.16 Vergunningplicht voor aangegeven aanlegactiviteiten Ter plaatse van de aanduiding 'beschermingszone ondergrondse hoogspanningsverbinding' is het verboden zonder omgevingsvergunning een aanlegactiviteit beschermingszone ondergrondse hoogspanningsverbinding te verrichten.
Artikel 6.17 Uitzonderingen op de vergunningplicht Het verbod, bedoeld in artikel 6.16, geldt niet als: a. de bedoelde activiteiten het normaal onderhoud en beheer betreffen; b. de bedoelde activiteiten waren toegestaan voor het van kracht worden van dit regelonderdeel en reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit regelonderdeel, of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde of verleende vergunning; c. graafwerkzaamheden als bedoeld in de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken
Artikel 6.18 Beoordelingsregels Een omgevingsvergunning voor een wordt alleen verleend indien het belang, bedoeld in artikel 6.15, derde lid, zich daartegen niet verzet.
Artikel 6.19 Aanvraagvereisten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit beschermingszone ondergrondse hoogspanningsverbinding worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een omschrijving van de voorgenomen activiteiten en de effecten van de activiteiten op het functioneren van de hoogspanningsverbinding; b. de specifieke locatie waar het werk of de werkzaamheid zal worden uitgevoerd; c. de afmetingen van het werk of de omvang van de werkzaamheid; en d. de te gebruiken materialen.
Artikel 6.20 Advies netbeheerder Voordat wordt besloten over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit beschermingszone ondergrondse hoogspanningsverbinding wint het bevoegd gezag schriftelijk of elektronisch advies in bij de beheerder van het hoogspanningsnetwerk over de vraag of door de voorgenomen aanlegactiviteiten het belang, bedoeld in artikel 6.15, derde lid, niet onevenredig wordt geschaad en welke voorwaarden indien nodig kunnen worden gesteld ter voorkoming van eventuele schade.
Artikel 6.21 Vergunningvoorschriften Met het oog op het belang, bedoeld in artikel 6.15, derde lid, kunnen aan een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit beschermingszone ondergrondse hoogspanningsverbinding voorschriften worden verbonden.
Afdeling 6.5 VERGUNNINGPLICHTIGE AANLEGACTIVITEITEN TER PLAATSE VAN DE AANDUIDING 'BELEMMERINGENGEBIED BUISLEIDING GEVAARLIJKE STOFFEN' Artikel 6.22 Toepassingsbereik en oogmerk 1.
87
Deze afdeling is van toepassing op een aanlegactiviteit, voor zover die bestaat uit: a. het ontgronden, vergraven, afgraven, egaliseren, diepploegen, woelen en mengen en ophogen van gronden; b. het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden, banen, parkeervoorzieningen en andere oppervlakteverhardingen;
c. d. e.
het aanleggen, verdiepen, verbreden en dempen van sloten, watergangen en overige waterpartijen; het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen, het bebossen en aanplanten van gronden en het rooien en/of kappen van bos of andere houtgewassen; het indrijven van voorwerpen in de bodem.
2.
Deze afdeling geldt ter plaatse van de aanduiding 'belemmeringengebied buisleiding gevaarlijke stoffen'.
3.
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op de veiligheid, integriteit en de werking van een buisleiding met gevaarlijke stoffen.
Artikel 6.23 Vergunningplicht voor het verrichten van activiteiten bij een buisleiding met gevaarlijke stoffen Ter plaatse van de aanduiding 'belemmeringengebied buisleiding gevaarlijke stoffen' is het verboden zonder omgevingsvergunning een aanlegactiviteit belemmeringengebied buisleiding met gevaarlijke stoffen te verrichten.
Artikel 6.24 Uitzondering op de vergunningplicht Het verbod, bedoeld in artikel 6.23, geldt niet voor: a. graafwerkzaamheden als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten; en b. werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden die in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde of verleende vergunning.
Artikel 6.25 Beoordelingsregel Een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit belemmeringengebied buisleiding met gevaarlijke stoffen wordt alleen verleend als door de in 6.22, eerste lid genoemde activiteiten de veiligheid, integriteit en werking van de leiding niet wordt geschaad.
Artikel 6.26 Aanvraagvereisten Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit belemmeringengebied buisleiding met gevaarlijke stoffen worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de aard, omvang en effecten van het werk of de werkzaamheid; b. de specifieke locatie waar het werk of de werkzaamheid zal worden uitgevoerd; c. de afmetingen van het werk of de omvang van de werkzaamheid; d. de te gebruiken materialen; e. in hoeverre sprake is van afvoer van grond naar een andere locatie; f. de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan voor het uitvoeren van het werk of de werkzaamheid.
Artikel 6.27 Advies leidingbeheerder Voordat wordt besloten over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit belemmeringengebied buisleiding met gevaarlijke stoffen wint het bevoegd gezag schriftelijk of elektronisch advies in bij de beheerder van de buisleiding over de vraag of door de voorgenomen aanlegactiviteiten het belang, bedoeld in artikel 6.22, derde lid, niet wordt geschaad en welke voorwaarden indien nodig kunnen worden gesteld ter voorkoming van eventuele schade.
Artikel 6.28 Vergunningvoorschriften Met het oog op het in artikel 6.22, derde lid, bedoelde belang kunnen aan de omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit belemmeringengebied buisleiding met gevaarlijke stoffen voorschriften worden verbonden.
Afdeling 6.6 VERGUNNINGPLICHTIGE AANLEGACTIVITEITEN TER PLAATSE VAN DE AANDUIDINGEN 'RIJKSBESCHERMD STADS- OF DORPSGEZICHT EN GEMEENTELIJK BESCHERMD STADS- OF DORPSGEZICHT'
88
Artikel 6.29 Toepassingsbereik en oogmerk 1.
Deze afdeling is van toepassing op een aanlegactiviteit, voor zover die bestaat uit het herinrichten of anderszins wijzigingen aanbrengen in de inrichting van het openbaar toegankelijke gebied waaronder wordt verstaan het: a. veranderen van bestaande wegprofielen door verbreden, verleggen, verharden van wegen en paden en/of wijziging van bestratingsmateriaal; b. veranderen van bestaande dijken, kaden en andere historische hoogteverschillen door ontgronden, verlagen, afgraven, ophogen of egaliseren van gronden en/of wijziging van bestratingsmateriaal; c. veranderen van bestaande groenstructuren door verwijderen en verleggen van groenvoorzieningen, anders dan bij wijze van verzorging; d. veranderen van bestaande waterstructuren door graven en/of dempen van waterlopen en waterpartijen.
2.
Deze afdeling is van toepassing ter plaatse van de gronden met de aanduiding 'rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht' en de aanduiding 'gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht'.
3.
Deze afdeling stelt regels met het oog op het behoud, de bescherming en het herstel van stads- en dorpsgezichten die van algemeen belang zijn vanwege hun schoonheid, onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang van de samenstellende onroerende zaken of hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde.
4.
Deze afdeling is ook van toepassing op gronden die met toepassing van hoofdstuk 5 van de Erfgoedverordening Amsterdam als gemeentelijk stads- of dorpsgezicht zijn aangewezen, zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de aanduiding 'gemeentelijk beschermd stadsof dorpsgezicht' is gegeven.
Artikel 6.30 Voorrangsbepaling met betrekking tot regels in het tijdelijk deel omgevingsplan Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' blijven de regels in deze afdeling buiten toepassing voor zover het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan een aanlegvergunningplicht ter bescherming van beschermd stads- of dorpsgezicht bevat. In dat geval zijn de regels in dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing.
Artikel 6.31 Vergunningplicht voor aangegeven aanlegactiviteiten Ter plaatse van de aanduiding 'rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht' en de aanduiding 'gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht' is het verboden zonder omgevingsvergunning een aanlegactiviteit beschermd stads- of dorpsgezicht te verrichten.
Artikel 6.32 Uitzonderingen op de vergunningplicht 1.
Het verbod, bedoeld in artikel 6.31, geldt niet als de bedoelde activiteiten het normaal onderhoud en beheer betreffen.
2.
Het verbod, bedoeld in artikel 6.31, geldt niet als de bedoelde activiteiten waren toegestaan voor het van kracht worden van dit regelonderdeel en reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit regelonderdeel.
Artikel 6.33 Beoordelingsregels Een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit beschermd stads- of dorpsgezicht wordt alleen verleend als activiteit niet leidt tot een onevenredige aantasting van het karakter van het beschermde stads- of dorpsgezicht.
Artikel 6.34 Aanvraagvereisten 1.
89
In of bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit beschermd stads- of dorpsgezicht worden, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de motivering voor het verrichten van de activiteit en een omschrijving van de gevolgen ervan voor het stads- of dorpsgezicht;
b. c.
2.
een situatietekening voorzien van een noordpijl, met de exacte locatie en omvang van de activiteit; plattegronden en doorsnedetekeningen met bestaande en nieuwe situatie waarbij de verschillen/ ingrepen duidelijk gemarkeerd zijn, inclusief hun exacte locatie en omvang.
Tekeningen, bedoeld in dit artikel, hebben een schaal die niet kleiner is dan: a. 1:2000, als het gaat om een situatietekening; b. 1:100, als het gaat om een funderingstekening of doorsnedetekening; en c. 1:50, als het gaat om een detailtekening.
Artikel 6.35 Vergunningvoorschriften Met het oog op het in artikel 6.29, derde lid, bedoelde belang kunnen aan een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit beschermd stads- of dorpsgezicht voorschriften worden verbonden.
Hoofdstuk 7 HET AANLEGGEN OF WIJZIGEN VAN EEN GEMEENTEWEG, WATERSCHAPSWEG OF LOKALE SPOORWEG, OF HET WIJZIGEN VAN GEBRUIK VAN EEN LOKALE SPOORWEG (GELUIDSBEOORDELING) Artikel 7.1 Toepassingsbereik 1.
Dit hoofdstuk is van toepassing op het geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen als gevolg van: a. de aanleg of wijziging van verharde gemeentewegen en waterschapswegen, niet zijnde een erf in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met een verwachte verkeersintensiteit van meer dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde; b. de aanleg of wijziging van lokale spoorwegen, voor zover die niet bij omgevingsverordening zijn aangewezen; en c. de wijziging van gebruik van een lokale spoorweg.
2.
Dit hoofdstuk is niet van toepassing op het geluid op een niet-geluidgevoelige gevel.
3.
Dit hoofdstuk geldt uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel vervallen'.
4.
In afwijking van het derde lid geldt dit hoofdstuk ook ter plaatse van het besluitgebied van een TAM-omgevingsplan, maar uitsluitend voor zover daarbij het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is komen te vervallen.
Artikel 7.2 Meet- en rekenbepalingen Op het bepalen van het geluid op een gevel zijn de meet- en rekenvoorschriften, gesteld bij en krachtens de Omgevingswet, van toepassing.
Artikel 7.3 Waar waarden gelden De waarden voor het geluid gelden: a. als het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel; b. als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw: op de locatie waar een gevel mag komen; c. in afwijking van onder a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen vandat woonschip of die woonwagen; en d. als het gaat om een geluidgevoelige ruimte: in de geluidgevoelige ruimte.
Artikel 7.4 Vergunningplicht voor het aanleggen of wijzigingen van een gemeenteweg, waterschapsweg of lokale spoorweg of het gebruik van een lokale spoorweg Het is verboden zonder omgevingsvergunning: a. een verharde gemeenteweg of waterschapsweg aan te leggen; b. een verharde gemeenteweg of waterschapsweg te wijzigen, voor zover die wijziging bestaat uit: 1. het verplaatsen van een of meer rijstroken met meer dan 2 m; 2. het verhogen of verlagen van de rijstroken met meer dan 1 m; 3. een toename van het aantal rijstroken, niet zijnde voorsorteerstroken en in- en uitvoegstroken;
90
4. 5. c. d.
e.
het vervangen van een wegdek door een minder stil wegdek; of het verwijderen van geluidbeperkende maatregelen bestaande uit werken of bouwwerken langs de weg. een lokale spoorweg aan te leggen; een lokale spoorweg te wijzigen, voor zover die wijziging bestaat uit: 1. het verplaatsen van een of meer sporen met meer dan 2 m; 2. het verhogen of verlagen van een of meer sporen met meer dan 1 m; 3. een toename van het aantal sporen; 4. het vervangen van een spoorconstructie door een minder stille spoorconstructie; of 5. het verwijderen van geluidbeperkende maatregelen bestaande uit werken of bouwwerken langs de spoorweg; of het gebruik van een lokale spoorweg te wijzigen, voor zover die wijziging leidt tot een toename van de geluidemissie met meer dan 1,5 dB door: 1. het verhogen van de maximumrijsnelheid; 2. het vervangen van spoormaterieel door minder stil spoormaterieel; of 3. het verhogen van de treinintensiteit, waaronder in elk geval ook wordt verstaan de intensiteit van (snel)tram of metro.
Artikel 7.5 Beoordelingsregels 1.
De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 7.4, wordt alleen verleend als: a. de activiteit in overeenstemming is met artikel 2.3; en b. het geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen, met het oog op de bescherming van de gezondheid, aanvaardbaar is.
2.
De beoordeling of het geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is, heeft uitsluitend betrekking op een geluidgevoelig gebouw dat geheel of gedeeltelijk ligt, of vanwege de voorgenomen omgevingsplanactiviteit (spoor)weg komt te liggen, in het geluidaandachtsgebied van de weg of lokale spoorweg waarop de voorgenomen omgevingsplanactiviteit (spoor)weg betrekking heeft.
3.
Bij de beoordeling of het geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is blijft buiten beschouwing: a. het geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar; b. het geluid op een niet-geluidgevoelige gevel.
Artikel 7.6 Omgevingsplanactiviteit (spoor)weg aanvaardbaar wanneer wordt voldaan aan de standaardwaarde 1.
Het geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen is aanvaardbaar als het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de standaardwaarde, bedoeld in tabel 7.6. Tabel 7.6: Standaardwaarde geluid op een geluidgevoelig gebouw per geluidbronsoort Geluidbronsoort
Standaardwaarde
Provinciale wegen en rijkswegen
50 Lden
Gemeentewegen en waterschapswegen
53 Lden
Lokale spoorwegen en hoofdspoorwegen
55 Lden 50 Lden
Industrieterreinen 40 Lnight
2.
91
Artikel 5.78m, derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 7.7 Wijziging van een (spoor)weg en wijziging gebruik ook aanvaardbaar als het geluid niet toeneemt Voor zover de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit (spoor)weg betrekking heeft op een wijziging van een gemeenteweg, waterschapsweg of een lokale spoorweg, is het geluid ook aanvaardbaar als het geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen na de wijziging niet hoger zal zijn dan het geluid op die geluidgevoelige gebouwen op het tijdstip van de wijziging.
Artikel 7.8 Overschrijding van de standaardwaarde of toename 1.
Wanneer het geluid op een geluidgevoelig gebouw hoger is dan de standaardwaarde, bedoeld in artikel 7.6 of de heersende waarde, bedoeld in artikel 7.7, kan het geluid aanvaardbaar zijn als: a. geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de hoogste van de in artikel 7.6 en 7.7 bedoelde waarden te voldoen; b. de overschrijding van de hoogste van de in artikel 7.6 en 7.7 bedoelde waarden door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt; en c. het geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 7.8, zoals opgenomen in het tweede lid. Tabel 7.8: Grenswaarde geluid op een geluidgevoelig gebouw per geluidbronsoort Geluidbronsoort
Grenswaarde
Provinciale wegen en rijkswegen
65 Lden
Gemeentewegen en waterschapswegen
70 Lden
Lokale spoorwegen en hoofdspoorwegen
70 Lden 60 Lden
Industrieterreinen 50 Lnight
2.
Geluidbeperkende maatregelen als bedoeld in het eerste lid worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan.
3.
Artikel 5.78n, derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 7.9 Overschrijding grenswaarde vanwege zwaarwegende belangen 1.
Dit artikel is alleen van toepassing ter plaatse van de aanduiding 'mogelijke toepassing overschrijding grenswaarde vanwege zwaarwegende belangen'.
2.
Wanneer het geluid op een gevel van een geluidgevoelig gebouw hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in artikel 7.8, eerste lid, onder c, kan het geluid aanvaardbaar zijn wanneer zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen dit rechtvaardigen.
Artikel 7.10 Beoordelen aanvaardbaarheid gecumuleerd geluid
92
1.
Bij de toepassing van de artikel 7.8 en 7.9 wordt de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op het geluidgevoelige gebouw beoordeeld.
2.
Bij het bepalen van het gecumuleerde geluid wordt in ieder geval betrokken: a. voor een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied van een weg, spoorweg of industrieterrein: het geluid door die geluidbronsoort; b. voor een geluidgevoelig gebouw binnen de 48 Lden geluidcontour of, voor zover de geldende geluidcontouren in Kosteneenheden zijn uitgedrukt, binnen de 20 Kosteneenheden
c.
3.
geluidcontour van een luchthaven waarvoor op grond van de Wet luchtvaart een luchthavenindelingbesluit, een luchthavenbesluit of een besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven is vereist: het geluid door luchtvaart; voor een geluidgevoelig gebouw waarop het geluid door een windturbine of een windpark op een industrieterrein hoger is dan 43 Lden: het geluid door die windturbine of dat windpark; en voor een geluidgevoelig gebouw waarop het geluid door een civiele buitenschietbaan, eenmilitaire buitenschietbaan of een militair springterrein op een industrieterrein hoger is dan 50 BS,dan: het geluid door die buitenschietbaan of dat springterrein.
Op het bepalen van het gecumuleerde geluid zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.
Artikel 7.11 Bepalen van gezamenlijk geluid Bij de toepassing van artikel 7.8 en 7.9 wordt het gezamenlijk geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen bepaald en in de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 7.4, vastgelegd.
Artikel 7.12 Vergunningvoorschriften Aan een in artikel 7.4 bedoelde omgevingsvergunning worden de voorschriften verbonden die nodig zijn met het oog op het voorkomen van een onaanvaardbare mate van geluid op geluidgevoelige gebouwen.
Artikel 7.13 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit (spoor)weg Bij een aanvraag om een in artikel 7.4 bedoelde omgevingsvergunning worden in elk geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een akoestisch onderzoek naar: 1. het geluid dat geluidgevoelige gebouwen binnen het geluidaandachtsgebied onmiddellijk voorafgaand aan de wijziging of aanleg van de weg of spoorweg ondervinden; 2. het geluid dat geluidgevoelige gebouwen binnen het geluidaandachtsgebied in de toekomst door de weg of spoorweg zouden ondervinden zonder de invloed van maatregelen die de geluidsbelasting beperken; 3. het geluid door andere wegen of niet te wijzigen delen van de weg, als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de wijziging van een weg zal leiden tot een toename van meer dan 2 dB van het geluid op geluidgevoelige gebouwen door die wegen of delen; 4. de doeltreffendheid van de in aanmerking komende geluidbeperkende maatregelen om te voorkomen dat het in de toekomst door de weg optredende geluid op de gebouwen, bedoeld onder 1°, de standaardwaarde, bedoeld in artikel 7.6, te boven zou gaan of om te voorkomen dat het geluid op geluidgevoelige gebouwen toeneemt ten opzichte van het geluid onmiddellijk voorafgaand aan de wijziging; b. een beschrijving van de voorgenomen maatregelen, bedoeld onder a, onder 4°; c.
een beschrijving van te treffen geluidwerende maatregelen aan gevels van gebouwen waarvoor het toekomstige geluid hoger wordt dan de standaardwaarde, bedoeld in artikel 7.6, of toeneemt ten opzichte van de heersende waarde bedoeld in artikel 7.7, voor zover nodig om te voldoen aan de grenswaarde, bedoeld in tabel 3.53 van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en d. bij een aanvraag waarop artikel 7.9 van toepassing is: een beschrijving van de zwaarwegende belangen waarop een beroep wordt gedaan.
Hoofdstuk 8 KOSTENVERHAAL Afdeling 8.1 Algemeen Artikel 8.1 Kostenverhaalsbijdrage Bij de aanvraag van een beschikking ten behoeve van het betalen van een kostenverhaalsbijdrage als bedoeld in art. 13.18 Omgevingswet worden de volgende gegevens verstrekt: a. het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; b. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto-vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; c. een situatietekening, plattegronden, gevels en doorsneden van de bestaande toestand en de nieuwe toestand; en d. gegevens en bescheiden welke samenhangen met de toetsing aan de regels voor het kostenverhaalsgebied.
93
Afdeling 8.2 Kostenverhaalsgebieden met een tijdvak [gereserveerd] [Gereserveerd]
Afdeling 8.3 Kostenverhaalsgebieden zonder tijdvak [gereserveerd] [Gereserveerd]
Hoofdstuk 9 MILIEUBELASTENDE ACTIVITEITEN Afdeling 9.1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 9.1 Toepassingsbereik Dit hoofdstuk is van toepassing op milieubelastende activiteiten.
Artikel 9.2 Voorrangsbepaling 1.
Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' zijn de regels in dit hoofdstuk niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan.
2.
Tenzij elders in dit omgevingsplan anders bepaald, zijn de regels in dit hoofdstuk niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan: a. een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; b. een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijk wordt.
Artikel 9.3 Oogmerken De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van veiligheid; b. het beschermen van de gezondheid; c. het beschermen van het milieu, waaronder: 1. het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; 2. het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen; 3. een doelmatig beheer van afvalstoffen; 4. het voorkomen of beperken van geluidhinder, trillinghinder, lichthinder en geurhinder; en d. het evenwichtig toedelen van functies aan locaties.
Artikel 9.4 Specifieke zorgplicht Degene die een milieubelastende activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 9.3, is verplicht: a. alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
Artikel 9.5 Maatwerk
94
1.
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over dit hoofdstuk.
2.
Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van dit hoofdstuk, tenzij elders in dit hoofdstuk anders bepaald. Van de artikelen 9.3, 9.4 en 9.12 kan niet worden afgeweken.
3.
Een maatwerkvoorschrift wordt gesteld met het oog op de belangen bedoeld in artikel 9.3.
4.
Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een milieubelastende activiteit zijn de instructieregels in paragraaf 5.1.4 en artikel 5.165 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.
5.
Bij het stellen van een maatwerkvoorschrift wordt rekening gehouden met het belang van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Artikel 9.6 Gegevens op verzoek 1.
Op verzoek van het bevoegd gezag worden de gegevens en bescheiden verstrekt: a. die nodig zijn om te beoordelen of kan worden voldaan aan de regels in dit hoofdstuk, waaronder een beschrijving van de aard en omvang van de activiteiten en processen en een situatieschets van de activiteit en de lozingspunten; b. die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften op grond van dit omgevingsplan voor de activiteit toereikend zijn gezien ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.
2.
Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.
Artikel 9.7 Informeren bij ongewoon voorval 1.
Het bevoegd gezag wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.
2.
Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het bevoegd gezag: a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan; b. informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen; c. andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en d. informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.
3.
Het eerste en tweede lid geldt niet voor ongewone voorvallen bij: a. milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. wonen, met uitzondering van activiteiten waarop afdeling 9.2 van toepassing is.
Artikel 9.8 Zelfstandige informatieplicht bij aanvraag omgevingsvergunning Bal-mba 1.
Als een aanvraag wordt ingediend voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in hoofdstuk 3 Besluit activiteiten leefomgeving wordt informatie verstrekt over de gevolgen van de activiteit op het gebied van geluid, geur en trilling en de maatregelen en voorzieningen die kunnen worden getroffen om deze gevolgen te voorkomen of beperken.
2.
De verstrekte informatie is voldoende om de beoordeling of wordt voldaan aan de regels van dit hoofdstuk, bedoeld in artikel 8.9, derde lid, Besluit kwaliteit leefomgeving, te kunnen maken.
3.
De informatie wordt gelijktijdig met het indienen van de aanvraag verstrekt aan het bevoegd gezag dat beslist op de aanvraag.
4.
Dit artikel is niet van toepassing op informatie die verstrekt moet worden op grond van artikel 7.27 van de Omgevingsregeling.
Artikel 9.9 gereserveerd [Gereserveerd]
Afdeling 9.2 MILIEUREGELS, ANDERS DAN LOZEN OF BODEMBEHEER Paragraaf 9.2.1 Algemene bepalingen
95
Artikel 9.10 Toepassingsbereik 1.
Afdeling 9.2 is van toepassing op milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 9.1, met uitzondering van: a. activiteiten bij wonen; b. het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein; c. een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht; d. verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen; e. een evenement: 1. waarover geluidregels zijn gesteld bij of krachtens de Algemene Plaatselijke Verordening; 2. dat ergens anders plaatsvindt dan op een locatie voor evenementen; of 3. dat geen festiviteit of ander evenement is als bedoeld in artikel 9.53, 9.54 of 9.55; f. bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen; g. lozingen; h. graven, saneren, toepassen van grond of baggerspecie en toepassen van bouwstoffen; en i. milieubelastende activiteiten die in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving als vergunningplichtig zijn aangewezen en op alle activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die: 1. rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of 2. elkaar functioneel ondersteunen.
2.
In afwijking van het eerste lid, onder a, is afdeling 9.2 wel van toepassing op het exploiteren van een beroep of bedrijf aan huis, tenzij het uitoefenen ervan uitsluitend uit administratieve werkzaamheden bestaat, en op andere activiteiten met een bedrijfsmatige omvang.
3.
In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder a, is artikel 9.203 van overeenkomstige toepassing voor zover propaan of propeen in een opslagtank wordt opgeslagen bij wonen.
4.
In afwijking van het eerste lid, onder i, is artikel 9.205 van overeenkomstige toepassing op milieubelastende activiteiten die in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving als vergunningplichtig zijn aangewezen.
Artikel 9.11 Gelijkstelling industrieterrein Wet geluidhinder Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld ook verstaan een op het tijdstip van inwerkingtreding van de wet aanwezig industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder, totdat de gemeenteraad, respectievelijk provinciale staten, op grond van artikel 2.11a van de wet bij omgevingsplan als omgevingswaarden geluidproductieplafonds heeft vastgesteld, respectievelijk op grond van artikel 2.12, derde lid, van de wet bij besluit als omgevingswaarden geluidproductieplafonds hebben vastgesteld rondom dat industrieterrein, en dat besluit in werking is getreden.
Artikel 9.12 Concretisering specifieke zorgplicht
96
1.
De plicht, bedoeld in artikel 9.4 houdt met betrekking tot activiteiten als bedoeld in artikel 9.10 in ieder geval in dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; b. alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen; c. de beste beschikbare technieken worden toegepast; d. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; e. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet; f. afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd; g. metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; h. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt, en gepresenteerd; i. voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en j. afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit.
2.
De plicht, bedoeld in artikel 9.4, houdt in ieder geval ook in dat:
a. b.
3.
de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit zo veel mogelijk worden voorkomen of beperkt; de duisternis en het donkere landschap worden beschermd in door het bevoegd gezag aangewezen gebieden.
Het eerste lid is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 9.13 Bebouwingscontour geur [gereserveerd] [Gereserveerd]
Artikel 9.14 gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 9.15 gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 9.16 gereserveerd [Gereserveerd]
Paragraaf 9.2.2 Activiteit-overstijgende milieuaspecten Subparagraaf 9.2.2.1 Energiebesparing [gereserveerd] Artikel 9.17 gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 9.18 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 9.19 gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 9.20 gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 9.21 gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 9.22 gereserveerd [Gereserveerd]
Subparagraaf 9.2.2.2 Zwerfafval Artikel 9.23 Opruimen zwerfafval Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen worden binnen een straal van 25 m rond de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, sport- of spelmaterialen, of andere materialen verwijderd die van de activiteit afkomstig zijn.
Artikel 9.24 gereserveerd [Gereserveerd]
97
Subparagraaf 9.2.2.3 Geluid Subsubparagraaf 9.2.2.3.1 Algemene bepalingen Artikel 9.25 Toepassingsbereik Subparagraaf 9.2.2.3 is van toepassing op het geluid door een activiteit als bedoeld in artikel 9.10, met uitzondering van: a. het met een verplaatsbaar mijnbouwwerk aanleggen, aanpassen, testen, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat of stimuleren van een voorkomen via een boorgat, bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. het geluid van spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen die onderdeel zijn van een hoofdspoorweg of een bij omgevingsverordening aangewezen lokale spoorweg, voor zover met dat geluid het geluidproductieplafond met toepassing van artikel 12.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving reeds is gewijzigd; c. windturbines; d. bovengrondse hoogspanningsverbindingen met een spanning van ten minste 110 kV.
Artikel 9.26 Meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit Onverminderd artikel 9.10 worden voor de toepassing van subparagraaf 9.2.2.3 als één activiteit beschouwd, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die: a. rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of b. elkaar functioneel ondersteunen.
Artikel 9.27 Gegevens en bescheiden op industrieterrein met geluidproductieplafonds
98
1.
Dit artikel is van toepassing op een activiteit op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld.
2.
Dit artikel is niet van toepassing op een activiteit waarvoor op grond van hoofdstuk 2, 3, 4 of 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving, artikel 9.28, of een ander artikel in deze afdeling een verplichting geldt om gegevens en bescheiden te verstrekken of een omgevingsvergunning aan te vragen voor het beginnen of wijzigen van die activiteit.
3.
Dit artikel is ook niet van toepassing op een activiteit waar: a. tussen 19.00 en 7.00 uur gemiddeld niet meer dan vier transportbewegingen per dag plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn; b. het mede op basis van de aard van de activiteit, niet aannemelijk is dat in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht het equivalente geluidsniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan: 1. 70 dB(A), als deze ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen; 2. 80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder 1; c. in de buitenlucht of op een open terrein geen muziek ten gehore wordt gebracht; d. in de buitenlucht geen oefenterrein voor motorvoertuigen aanwezig is; e. geen koelinstallatie aanwezig is die volgens de gebruiksaanwijzing behoort te zijn gevuld met meer dan 30 kg synthetisch koudemiddel; f. geen gemotoriseerde modelvliegtuigen, modelvaartuigen of modelvoertuigen in de open lucht worden gebruikt; g. geen parkeergelegenheid wordt geboden in een parkeergarage voor meer dan 30 personenauto’s; h.
geen noodstroomaggregaat aanwezig is dat meer dan 50 uren per jaar in werking is; en i. geen transformatoren met een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer, die zijn ondergebracht in een gesloten gebouw, worden gebruikt.
4.
Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende geluidbronnen en transportbewegingen; b. gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
c. d. 5.
1. de grenzen van het terrein; en 2. de ligging van de gebouwen; een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Artikel 9.28 Onderzoek en toezenden rapport 1.
In ieder geval in de volgende gevallen wordt er een geluidonderzoek verricht: a. als tussen 19.00 en 7.00 uur per dag gemiddeld meer dan vier transportbewegingen plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn, tenzij het gaat om het bieden van gelegenheid voor het tanken aan motorvoertuigen van derden of een activiteit waarvan horeca-activiteiten de kern vormen; b. als in de buitenlucht metalen in bulk worden overgeslagen of in de buitenlucht metalen mechanisch worden bewerkt; c. bij het reinigen van afvalwater door waterstraal- of oppervlaktebeluchters met een capaciteit van 120.000 of meer vervuilingseenheden; d. bij het neutraliseren van airbags of gordelspanners door deze te ontsteken; e. bij het vervaardigen van betonmortel of betonwaren; f. bij een binnenschietbaan als de afstand van de binnenschietbaan tot het dichtstbijzijnde geluidgevoelige gebouw kleiner is dan 50 m; en g. als het op basis van de aard van de activiteit aannemelijk is dat: 1. in enige ruimte op de locatie waar de activiteit wordt verricht, het equivalente geluidniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan: I.
70 dB(A), als die ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen; of II. 80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder I; of 2. in de buitenlucht of op een open terrein muziek ten gehore zal worden gebracht.
2.
Het gemiddelde aantal transportbewegingen is een gemiddelde gemeten over de periode van een jaar.
3.
Uit het rapport van het geluidonderzoek blijkt op grond van verrichte geluidsmetingen of geluidsberekeningen wat de geluidbelasting is en of daarmee aan de waarden, bedoeld in dit Omgevingsplan of de van toepassing zijnde geluidswaarden van de omgevingsvergunning of maatwerkvoorschrift wordt voldaan. In het rapport wordt aangegeven welke voorzieningen en/of maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat de waarden worden overschreden en wanneer deze worden getroffen.
4.
Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit als bedoeld in lid 1 wordt het rapport van het geluidonderzoek, bedoeld in dit artikel, verstrekt aan het bevoegd gezag.
5.
Dit artikel is niet van toepassing als artikel 9.8 van toepassing is.
Artikel 9.29 Onderzoek op verzoek 1.
De bevoegdheid om een maatwerkvoorschrift te stellen als bedoeld in artikel 9.5 houdt in ieder geval in dat het bevoegd gezag kan voorschrijven dat een geluidonderzoek wordt verricht.
2.
In het maatwerkvoorschrift wordt aangegeven binnen welke termijn het rapport van het geluidonderzoek wordt verstrekt aan het bevoegd gezag.
3.
Het rapport van het onderzoek bevat de informatie bedoeld in artikel 9.28, derde lid.
Artikel 9.30 Verstrekken gegevens bij gewijzigde uitvoering van een activiteit 1.
99
Ten minste vier weken voordat de activiteit als bedoeld in artikel 9.28 op een andere manier wordt verricht dan op grond van de gegevens in het rapport van het geluidonderzoek, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing bij activiteiten ten aanzien waarvan op grond van artikel 9.29 onderzoek is verzocht.
Artikel 9.31 Buiten beschouwing laten van geluidbronnen 1.
Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in deze subparagraaf, blijft buiten beschouwing: a. het geluid door de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval; b. onversterkt menselijk stemgeluid, tenzij het muziekgeluid is of daarmee is vermengd. c. het geluid voor het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten en lijkplechtigheden, en ook het geluid in verband met het houden van deze bijeenkomsten of plechtigheden.
2.
Bij het bepalen van het maximale geluidniveau (LAmax), bedoeld in subsubparagraaf 9.2.2.3.2 blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van: a. het komen en gaan van bezoekers bij een activiteit waarvan horeca-, sport- of recreatieactiviteiten de kern vormen; of b. het verrichten in de open lucht van sportactiviteiten of activiteiten die hiermee in nauw verband staan.
Artikel 9.32 Maatregelen of voorzieningen bij stomen van grond 1.
Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in deze subparagraaf, blijft het geluid veroorzaakt door het stomen van grond met een installatie van derden, buiten beschouwing.
2.
Bij het stomen van grond met een installatie van derden worden maatregelen of voorzieningen getroffen die betrekking hebben op: a. de periode waarin het stomen van grond plaatsvindt; b. de locatie waarop de installatie wordt opgesteld; en c. het aanbrengen van geluidbeperkende voorzieningen op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.
Artikel 9.33 Meet- en rekenbepalingen Op het bepalen van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) of het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in deze subparagraaf, is afdeling 6.2 van de Omgevingsregeling van toepassing.
Artikel 9.34 Vergunningplicht voor elektro- of verbrandingsmotoren en transformatoren 1.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een activiteit als bedoeld in artikel 5.78b, eerste lid, onder b en c van het Besluit kwaliteit leefomgeving te verrichten buiten een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafons als omgevingswaarden zijn vastgesteld.
2.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien: a. het geluid door die activiteit op 50 meter afstand van de begrenzing van de locatie waar de activiteit wordt verricht niet hoger is dan de waarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,Lt) bedoeld in tabel 9.42.a; en b. er geen significante geluidhinder wordt veroorzaakt op of in een geluidgevoelig gebouw. Hierbij wordt in ieder geval rekening gehouden met onderdeel 9.2.2.3.2 van dit omgevingsplan en paragraaf 5.1.4.2.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
3.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid worden de volgende gegevens verstrekt: a. de aard en omvang van de geluidemissies; b. de door de activiteit veroorzaakte geluidimmissie; en c. een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om geluidemissies te beperken.
Artikel 9.35 gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 9.36 gereserveerd [Gereserveerd]
100