Raadsbesluit 2024-159A Bijlage 1 Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam (Basisregeling) incl renvooi.pdf
Tekst van het document
Paragraaf 3.2.13 Ondergeschikte horeca-activiteiten [gereserveerd] [Gereserveerd]
Paragraaf 3.2.14 [gereserveerd] [Gereserveerd]
Hoofdstuk 4 ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT BOUWWERKEN Afdeling 4.1 ALGEMEEN Artikel 4.1 Toepassingsbereik Dit hoofdstuk is van toepassing op het verrichten van: a. een omgevingsplanactiviteit bouwwerken; b. een omgevingsplanactiviteit slopen.
45
Artikel 4.2 Meet en rekenregels 1.
Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' zijn de meeten rekenbepalingen zoals die zijn opgenomen in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing op de ruimtelijke regels over bouwwerken in dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan.
2.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden de waarden die daarin in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten: a. afstanden loodrecht; b. hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en c. maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 m buiten beschouwing blijven.
3.
Voor de toepassing van het tweede lid, aanhef en onder b, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is.
4.
Op het bepalen van de bruto-vloeroppervlakte is NEN 2580 van toepassing.
5.
Als in een regel een norm is gegeven die geldt ter plaatse van een aanduiding geldt de betreffende norm per afzonderlijk aanduidingsvlak.
6.
Op het bepalen van het geluid op een gevel zijn de meet- en rekenvoorschriften, gesteld bij en krachtens de Omgevingswet, van toepassing.
[Red: Artikel 22.5 verplaatst van paragraaf 22.2.2 naar afdeling 4.1. ]
Artikel 22.5 4.3 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil 1.
Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig: a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en b. het straatpeil is uitgezet.
2.
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over het eerste lid, waarmee kan worden afgeweken van het eerste lid.
Artikel 4.4 Overgangsrecht met betrekking tot gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten 1.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is.
2.
Het eerste lid is van toepassing: a. als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en b. als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of het omgevingsplan nog geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven.
Artikel 4.5 Overgangsrecht met betrekking tot rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten Artikel 4.13, derde lid, is van overeenkomstige toepassing op een activiteit als bedoeld in die artikelonderdelen die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, eerste lid, van
46
de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in dit omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.
Afdeling 4.2 OMGEVINGSPLANACTIVITEIT BOUWWERKEN Paragraaf 4.2.1 Algemeen Artikel 4.6 Toepassingsbereik Afdeling 4.2 is van toepassing op het verrichten van een omgevingsplanactiviteit bouwwerken.
Paragraaf 4.2.2 Vergunningplicht voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk Artikel 4.7 Vergunningplicht omgevingsplanactiviteit bouwwerken Het is verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit bouwwerken te verrichten.
Artikel 4.8 Algemene beoordelingsregel De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels over het verlenen van de omgevingsvergunning die in paragraaf 4.2.4 zijn gesteld.
Artikel 4.9 Algemene aanvraagvereisten omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten; b. het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; c. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto-vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; d. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop: 1. de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak; 2. de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde; 3. de wijze waarop de locatie wordt ontsloten; 4. de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en 5. het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk; e. de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen; en f. gegevens en bescheiden die samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische Adviescommissie in geval van een aanvraag voor een bouwactiviteit op een locatie waaraan een agrarische functie is toegedeeld.
Paragraaf 4.2.3 Bouwwerken waarvoor de vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet geldt, ruimtelijke regels over bouwwerken onverkort van toepassing Artikel 4.10 Toepassingsbereik
47
1.
In deze paragraaf worden bouwwerken aangewezen waarop de vergunningplicht, bedoeld in artikel 4.7, niet van toepassing is.
2.
Op bouwwerken waarop de vergunningplicht, bedoeld in artikel 4.7, niet van toepassing is, is artikel 5.6 onverkort van toepassing.
Artikel 4.11 Algemene afbakeningseisen 1.
Deze paragraaf is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.
2.
Bij de toepassing van deze paragraaf neemt het aantal woningen niet toe ten opzichte van het maximum aantal dat in het omgevingsplan is bepaald of, wanneer het maximum aantal woningen niet in het omgevingsplan is bepaald, passen de woningen voor wat betreft situering en omvang binnen het omgevingsplan.
Artikel 4.12 Uitzondering op de vergunningplicht omgevingsplanactiviteit bouwwerken, ruimtelijke regels over bouwwerken onverkort van toepassing 1.
48
Het verbod, bedoeld in artikel 4.7, geldt niet voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken als die activiteit betrekking heeft op: a. een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. op de grond staand; 2. gelegen in achtererfgebied; 3. op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied; 4. niet hoger dan 5 m; 5. de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; en 6. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte; b. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. op de grond staand; 2. niet hoger dan 5 m; en 3. de oppervlakte niet meer dan 70 m2; c. een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. regels over het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken als bedoeld in artikel 4.24 zijn, gelet op artikel 4.26, niet van toepassing; 2. voorzien van een plat dak; 3. gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m; 4. onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet; 5. bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; en 6. zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak; d.
een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. niet hoger dan 4 m; en 2. alleen functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens; e. een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning of woongebouw, als deze niet van een overkapping is voorzien; f. een erf- of perceelafscheiding, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m; 2. op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en 3. achter de lijn die langs de voorkant van dat gebouw evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied; g. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering, voor zover het gaat om: 1. een silo; of 2. een ander bouwwerk niet hoger dan 2 m; h. een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is; of i. een te veranderen bouwwerk, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte; 2. geen uitbreiding van het bouwvolume; 3. geen toename van de bouwhoogte; en
4.
j. k.
2.
geen bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen; een tuinhuis, kas of berging ter plaatse van de aanduiding ‘gebruiksdoel: volkstuinpark’; gewoon onderhoud in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument, voor zover detaillering, profilering en vormgeving van het bouwwerk niet worden gewijzigd.
Het eerste lid laat onverlet dat bij een omgevingsplanactiviteit bouwwerken die betrekking heeft op een bouwwerk, bedoeld in het eerste lid, voldaan moet worden aan artikel 5.6.
Artikel 4.13 Vanwege cultureel erfgoed geldende beperking op artikel 4.12, vergunningplicht artikel 4.7 van toepassing 1.
Op een omgevingsplanactiviteit bouwwerken die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is artikel 4.12, eerste lid, niet van toepassing, met uitzondering van het bepaalde onder k.
2.
Op een omgevingsplanactiviteit bouwwerken die wordt verricht bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is artikel 4.12, eerste lid, niet van toepassing, met uitzondering van het bepaalde in de aanhef en onder d tot en met i, van dat artikel.
3.
Op een omgevingsplanactiviteit bouwwerken die wordt verricht op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de aanduiding 'rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht' of 'gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht' is gegeven, is artikel 4.12, eerste lid, alleen van toepassing voor zover het gaat om: a. inpandige wijzigingen; b. een wijziging van een achtergevel of achterdakvlak, als die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; c. een bouwwerk op een gebouwerf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouwerf niet ook deel uitmaakt van het gebouwerf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; of d. een bouwwerk op een locatie die onderdeel is van openbaar toegankelijk gebied.
4.
Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' is artikel 4.12, eerste lid, aanhef en onder a en b, niet van toepassing als in het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan voor de locatie waarop de omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt verricht, regels zijn gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit.
5.
Het vierde lid is niet van toepassing als het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan een verbod bevat om grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit zonder omgevingsvergunning te verrichten waarop regels over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn.
Artikel 4.14 Bij strijd met ruimtelijke regels over bouwwerken geldt artikel 4.12 niet, vergunningplicht artikel 4.7 van toepassing Artikel 4.12 is uitsluitend van toepassing voor zover een omgevingsplanactiviteit bouwwerken in overeenstemming is met artikel 5.6.
Paragraaf 4.2.4 Beoordelingsregels, vergunningvoorschriften en aanvraagvereisten Subparagraaf 4.2.4.1 Algemeen Artikel 4.15 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken.
49
Subparagraaf 4.2.4.2 Beoordeling ruimtelijke regels over bouwwerken, afwijkmogelijkheden Subsubparagraaf 4.2.4.2.1 Toets aan ruimtelijke regels over bouwwerken Artikel 4.16 Beoordelingsregel met betrekking tot ruimtelijke regels over bouwwerken 1.
Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als de omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet in strijd is met artikel 5.6.
2.
Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt niet geweigerd op grond van het eerste lid, voor zover de omgevingsplanactiviteit bouwwerken passend is binnen: a. een verleende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit om af te wijken van ruimtelijke regels over bouwwerken; of b. een onder oud recht verleende omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht om af te wijken van ruimtelijke regels over bouwwerken.
3.
Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' wordt een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet geweigerd op grond van het eerste lid, als: a. in het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is bepaald dat bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van daarbij aangegeven regels; en b. het bevoegd gezag, gelet op artikel 22.281, van oordeel is dat de vergunning met toepassing van de onder a bedoelde regels kan worden verleend.
4.
In afwijking van de voorgaande leden wordt de omgevingsvergunning geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft voor de dag van ontvangst van de aanvraag: a. een ontwerp van een bestemmingsplan of van een inpassingsplan ter inzage is gelegd en de termijn voor de vaststelling van het bestemmingsplan of inpassingsplan ingevolge artikel 3.8, eerste lid, onder e, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; b. een bestemmingsplan of inpassingsplan is vastgesteld en de termijn voor de bekendmaking van het bestemmingsplan of inpassingsplan na de vaststelling ingevolge artikel 3.8, derde, vierde of zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; of c. een bestemmingsplan of inpassingsplan na vaststelling is bekendgemaakt, en het bestemmingsplan of inpassingsplan op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag nog niet in werking is getreden of in beroep is vernietigd.
Artikel 4.17 Specifieke beoordelingsregels bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing beschermd dorps- of stadsgezicht
50
1.
In aanvulling op artikel 4.16 wordt een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is: a. een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; of b. een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden.
2.
In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met een in voorbereiding zijnde wijziging van het omgevingsplan respectievelijk een in voorbereiding zijnde wijziging van het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht.
[Red: Artikel 22.32 verplaatst van subparagraaf 22.2.7.2 naar subsubparagraaf 4.2.4.2.1. ]
Artikel 22.32 4.18 Specifieke beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht 1.
In afwijking van artikel artikel 22.29, eerste lid4.16, aanhef en onder a eerste lid, kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.
2.
Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing: a. artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en c. artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Subsubparagraaf 4.2.4.2.2 Algemene mogelijkheid om bij omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken af te wijken van ruimtelijke regels over bouwwerken Artikel 4.19 Algemene mogelijkheid om bij omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken af te wijken van de ruimtelijke regels over bouwwerken Als een omgevingsplanactiviteit bouwwerken in strijd is met de ruimtelijke regels over bouwwerken, bedoeld in artikel 5.6, en een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken om die reden zou moeten worden geweigerd, kan die omgevingsvergunning in afwijking van artikel 4.16, eerste lid, toch worden verleend als de omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op: a. een bouwwerk, bedoeld in artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, voor zover dat vanwege artikel 2.30 van het Besluit bouwwerken leefomgeving niet vergunningvrij is toegestaan; b. een bouwwerk, bedoeld in artikel 4.12, voor zover daarop vanwege artikel 4.14 of artikel 4.13 de vergunningplicht, bedoeld in artikel 4.7, van toepassing is; c. een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits: 1. voor zover gelegen binnen de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen: I. niet hoger dan 5 meter; II. de oppervlakte niet meer dan 500 m2; en 2. voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen: I.
niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf, II. de oppervlakte niet meer dan 150 m2; d. een gebouw ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening als bedoeld in artikel 2.29, onder p, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, dat niet voldoet aan de in dat artikel genoemde eisen, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. niet hoger dan 6 m; en 2. oppervlakte niet meer dan 50 m²; e. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. niet hoger dan 10 m; en 2. de oppervlakte niet meer dan 50 m²; f. een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte aan of op een gebouw, een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw, de uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard dan wel voorzieningen gericht op het isoleren van een gebouw; g. een antenne-installatie, mits niet hoger dan 40 m; h. een installatie bij een glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder w, van de Elektriciteitswet 1998;
51
i.
een installatie bij een agrarisch bedrijf waarmee duurzame energie wordt geproduceerd door het bewerken van uitwerpselen van dieren tot krachtens artikel 5, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet aangewezen eindproducten van een krachtens dat artikellid omschreven bewerkingsprocedé dat ziet op het vergisten van ten minste 50 gewichtsprocenten uitwerpselen van dieren met in de omschrijving van dat procedé genoemde nevenbestanddelen; j. het gebruiken van gronden voor een niet-ingrijpende herinrichting van openbaar gebied: k. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, zoals gedenktekens, plastieken, straatmeubilair, vrijstaande muren, keermuren, trapconstructies, bebouwing ten behoeve van al dan niet ondergrondse afvalopslag, geluidwerende voorzieningen, steigers, duikers en andere waterstaatkundige werken, voor zover die niet reeds op grond van artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving zijn toegestaan; l. overschrijdingen van het bouwvlak, voor zover die in het belang zijn van een ruimtelijke en/of technisch beter verantwoorde plaatsing van bouwwerken, wegen en anderszins, of die noodzakelijk zijn in verband met de werkelijke toestand van het terrein, mits de overschrijding van het bouwvlak niet meer bedraagt dan 1 meter; m.
overschrijdingen van het bouwvlak ten behoeve van bordessen, erkers, galerijen, buitentrappen, pothuizen en andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen ter hoogte van de eerste bouwlaag, mits de overschrijding van het bouwvlak niet meer dan 3 meter bedraagt; n. overschrijdingen van het bouwvlak ten behoeve van luifels, erkers en andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen vanaf de tweede bouwlaag, mits de overschrijding van het bouwvlak niet meer dan 3 meter bedraagt; o. overschrijdingen van het bouwvlak ten behoeve van hijsinrichtingen voor zover deze de vrije doorgang van het verkeer niet belemmeren, en mits de overschrijding van het bouwvlak niet meer dan 2 meter bedraagt; p. overschrijdingen van de maximum bouwhoogte ten behoeve van dakopbouwen, hijsinrichtingen, trappenhuizen, liftinstallaties en andere technische installaties, schoorstenen, andere vergelijkbare bouwwerken en ondergeschikte delen van gebouwen, mits de overschrijding ten opzichte van de maximum bouwhoogte, bedoeld in de artikel 5.17, niet meer bedraagt dan 3 meter en deze worden gerealiseerd op tenminste een aan de hoogteoverschrijding gelijke afstand van elke dakrand.
Artikel 4.20 Beoordelingsregels van toepassing op artikel 4.19 1.
Aan artikel 4.19 wordt alleen toepassing gegeven als: a. de activiteit niet leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat; b. door de activiteit de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de locatie en de omgeving daarvan niet onevenredig wordt aangetast; c. het belang van het behoud van cultureel erfgoed zich daartegen niet verzet; d. de activiteit, voor zover het gaat om een activiteit als bedoeld in het eerste lid, onder a of b, niet plaatsvindt op een locatie als bedoeld in artikel 5.11; e. de activiteit, voor zover die leidt tot een overschrijding van de maximum bouwhoogtes zoals die zijn bepaald in het Luchthavenindelingbesluit Schiphol, in overeenstemming is met: 1. een door de verantwoordelijke minister afgegeven verklaring van geen bezwaar bij overschrijding van de toegestane bouwhoogte zoals bepaald in artikel 2.2.2 van dat besluit; of; 2. een door de Inspectie Leefomgeving en Transport afgegeven advies bij overschrijding van de toegestane bouwhoogte zoals bepaald in artikel 2.2.2a van dat besluit; f. de activiteit, voor zover die leidt tot een overschrijding van de maximum bouwhoogtes zoals die is bepaald in artikel 4.109, onder f, van de Omgevingsverordening Noord-Holland 2022, in overeenstemming is met door gedeputeerde staten afgegeven verklaring van geen bezwaar; en g.
het gebruik van het te bouwen bouwwerk in overeenstemming is met artikel 2.3.
2.
Aan artikel 4.19, aanhef en onder c, wordt geen toepassing gegeven als sprake is van strijd met een instructieregel, gesteld in hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, of in de provinciale omgevingsverordening.
3.
Bij de toepassing van artikel 4.19, wordt rekening gehouden met het belang van het voorkomen van hittestress, het behoud van groen, en het rainproof maken Amsterdam.
Artikel 4.21 Voorschriften Bij toepassing van artikel 4.19 kunnen aan de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken met het oog op de bescherming van de in artikel 4.20 bedoelde belangen voorschriften worden verbonden.
52
Artikel 4.22 Aanvraagvereisten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken dat slechts vergund kan worden met toepassing van artikel 4.19, worden die gegevens verstrekt die naar het oordeel van het bevoegd gezag nodig zijn om de beoordeling, bedoeld in artikel 4.20, te kunnen doen.
Artikel 4.23 Overige beoordelingsregels onverkort van toepassing, uitzonderingen 1.
Bij toepassing van artikel 4.19 zijn de overige in paragraaf 4.2.4 opgenomen beoordelingsregels onverkort van toepassing.
2.
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op een bouwwerk bedoeld in artikel 4.19, eerste lid, onder a of b, blijven in afwijking van het eerste lid de beoordelingsregels genoemd in de subparagrafen 4.2.4.3 tot en met 4.2.4.7 buiten toepassing.
Subparagraaf 4.2.4.3 Uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk Artikel 4.24 Beoordelingsregel met betrekking tot het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken 1.
De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, geen onaanvaardbare afbreuk doet aan een goede omgevingskwaliteit.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing als het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning toch moet worden verleend.
3.
Of sprake is van onaanvaardbare afbreuk aan een goede omgevingskwaliteit als bedoeld in het eerste lid wordt beoordeeld volgens de criteria van de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet.
4.
Voor zover nog geen beleidsregels als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet zijn vastgesteld, wordt de vraag of sprake is van onaanvaardbare afbreuk aan een goede omgevingskwaliteit als bedoeld in het eerste lid beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Artikel 4.25 Vergunningvoorschriften met betrekking tot het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen met betrekking tot het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk voorschriften worden verbonden die nodig zijn met het oog op het in artikel 4.24, eerste lid, genoemde belang.
Artikel 4.26 Gebieden en bouwwerken waarvoor geen regels over het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken gelden Voor zover in de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.24 , derde lid, of in de welstandsnota, bedoeld in artikel 4.24, vierde lid, gebieden of categorieën van bouwwerken zijn aangewezen waarvoor geen regels over het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken gelden dan wel geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn, dan wordt het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop dit van toepassing is geacht geen onaanvaardbare afbreuk te doen aan een goede omgevingskwaliteit.
Artikel 4.27 Aanvraagvereisten in verband met beoordeling van het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt voor de toetsing aan de regels over het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk, beoordeeld volgens de criteria, bedoeld in artikel 4.24, tenzij artikel 4.26 van toepassing is:
53
a. b. c. d.
tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past; principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk; kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking.
Subparagraaf 4.2.4.4 Bodemgevoelige gebouwen op een bodemgevoelige locatie Artikel 4.28 Toepassingsbereik 1.
Deze subparagraaf is alleen van toepassing voor zover de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie.
2.
Onder sanerende maatregel wordt in subparagraaf 4.2.4.4 verstaan: a. sanering als bedoeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving of de regels in paragraaf 9.4.2; of b. sanering waarop artikel 3.1 van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet van toepassing is en waarmee een vergelijkbaar saneringsresultaat wordt bereikt als bij toepassing van onderdeel a.
Artikel 4.29 Beoordelingsregels met betrekking tot bodemgevoelige gebouwen op bodemgevoelige locatie
54
1.
De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt voor zover de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, alleen verleend als: a. de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem: 1. niet wordt overschreden; of 2. wordt overschreden en het aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregel overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt getroffen; en b. het bevoegd gezag van oordeel is dat: 1. er geen verontreiniging van de bodem is die zodanig is dat schade te verwachten is voor de gezondheid van gebruikers van het gebouw; of 2. er een verontreiniging van de bodem is anders dan bedoeld in onderdeel a, aanhef en onder 2, die zodanig is dat schade te verwachten is voor de gezondheid van gebruikers van het gebouw, maar aannemelijk is dat met een of meer maatregelen de bodem of het gebouw geschikt kan worden gemaakt voor het beoogde gebruiksdoel.
2.
Van het overschrijden van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem is sprake als: a. voor tenminste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA, bij het Besluit activiteiten leefomgeving; of b. bij de aanwezigheid van PFAS in meer dan 25 m3 bodemvolume een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie: 1. 59 µg/kg ds bij PFOS; 2. 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of 3. 59 µg/kg ds bij overige PFAS.
3.
In afwijking van het tweede lid, aanhef en onder a, is ook sprake van overschrijding van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem bij 25m3 of minder bodemvolume als asbest aanwezig is en de gemeten concentratie hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA, bij het Besluit activiteiten leefomgeving.
4.
In afwijking van het tweede lid, aanhef en onder a, is ook sprake van overschrijding van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem als lood aanwezig is en: a. de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie meer dan 370 mg/kg ds is ongeacht het bodemvolume; en b. het gaat om een tuin of andere buitenruimte bij een woning, kinderdagverblijf of school.
Artikel 4.30 Vergunningvoorschriften met betrekking tot een bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: uitvoering sanering Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie waarop artikel 4.29, eerste lid, aanhef en onder a, onderdeel 2, van toepassing is, wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat voordat het bodemgevoelige gebouw, of een gedeelte daarvan, in gebruik wordt genomen: a. een sanerende maatregel is genomen; en b. het bevoegd gezag ten minste een week voor het in gebruik nemen wordt geïnformeerd over de manier waarop de sanerende maatregel is genomen.
Artikel 4.31 Vergunningvoorschrift met betrekking tot een bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: bodem of gebouw alsnog geschikt maken 1.
Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie waarop artikel 4.29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 2, van toepassing is, kan in ieder geval het voorschrift worden verbonden dat: a. voldoende ventilatievoorzieningen in het gebouw worden aangebracht; b. een dampdichte laag wordt aangebracht; c. een afdeklaag wordt aangebracht; of d. de grond wordt ontgraven.
2.
Als aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie een voorschrift als bedoeld in het eerste lid wordt verbonden, wordt ook het voorschrift verbonden dat ten minste een week voordat het bodemgevoelige gebouw of een gedeelte daarvan in gebruik wordt genomen het bevoegd gezag wordt geïnformeerd over de manier waarop de maatregelen zijn genomen.
Artikel 4.32 Aanvraagvereisten in verband met beoordeling bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie 1.
Als de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de resultaten van onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. als de waarde toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 4.29, tweede tot en met vijfde lid, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende maatregel wordt getroffen.
2.
In aanvulling op het eerste lid, onder a, wordt bij de aanwezigheid van asbestverdacht bouwof sloopafval of asbestverdacht recyclinggranulaat in de bodem, het resultaat van een onderzoek verstrekt dat is verricht overeenkomstig NEN 5897 voor zover sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal.
3.
In aanvulling op het eerste lid, onder a, wordt ter plaatse van de aanduiding 'uitgebreid bodemonderzoek bouwen bodemgevoelig gebouw' een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b Besluit activiteiten leefomgeving uitgevoerd, ongeacht de resultaten van het vooronderzoek als bedoeld in artikel 5.7a Besluit activiteiten leefomgeving.
4.
Het derde lid is niet van toepassing op een tijdelijk bouwwerk indien uit het vooronderzoek blijkt dat de locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een verkennend onderzoek als bedoeld in het derde lid niet rechtvaardigen.
5.
De resultaten van een bodemonderzoek worden ook verstrekt in het bestandsformaat XML.
Subparagraaf 4.2.4.5 Parkeernormering voor auto’s en normering voor fietsstalling Subsubparagraaf 4.2.4.5.1 Parkeernormering auto's
55
Artikel 4.33 Beoordelingsregel met betrekking tot het aantal parkeerplaatsen voor auto's 1.
De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als het aantal parkeerplaatsen voor auto’s dat op eigen terrein wordt gerealiseerd, gelet op het beoogd gebruik, bedoeld in artikel 4.9, onder b, en de omvang daarvan, in overeenstemming is met de parkeernormen, bedoeld in artikel 3.7.
2.
Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' wordt, in afwijking van het eerste lid, een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken alleen verleend als het aantal parkeerplaatsen voor auto’s dat op eigen terrein wordt gerealiseerd, gelet op het beoogd gebruik, bedoeld in artikel 4.9, onder b, en de omvang daarvan, in overeenstemming is met de in het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan opgenomen regels over parkeren.
3.
Voor zover een TAM-omgevingsplan regels bevat over het over het aantal stallingsplaatsen voor fietsen waaraan voldaan moet worden, wordt, in afwijking van het eerste lid, een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken alleen verleend als het aantal parkeerplaatsen voor auto’s dat op eigen terrein wordt gerealiseerd, gelet op het beoogd gebruik, bedoeld in artikel 4.9, onder b, en de omvang daarvan, in overeenstemming is met die afwijkende regels.
Artikel 4.34 Mogelijkheid om met een vergunningvoorschrift af te wijken van de van toepassing zijnde parkeernormen 1.
Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen voorschriften worden verbonden waarmee kan worden afgeweken van artikel 4.33 indien naar het oordeel van het bevoegd gezag: a. op andere wijze in voldoende mate in parkeergelegenheid wordt voorzien; b. sprake is van een legaal bestaand gebouw of van legaal bestaande gebouwde parkeervoorzieningen en het voldoen aan de parkeernorm op overwegende bezwaren stuit; of c. het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit, tot welke bijzondere omstandigheden in elk geval worden gerekend: 1. een te verwachten meer dan gemiddeld aantal gehandicapte gebruikers of bezoekers van het gebouw; 2. een te verwachten meer of minder dan gemiddeld aantal klanten of bezoekers.
2.
Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen de voorschriften verbonden worden die nodig zijn om het behoud van een passend aantal parkeerplaatsen te waarborgen.
Artikel 4.35 Aanvraagvereisten in verband met beoordeling normering autoparkeerplaatsen 1.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden gegevens en bescheiden verstrekt over de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein.
2.
Bij een verzoek dat betrekking heeft op het aan de vergunning verbinden van voorschriften als bedoeld in artikel 4.34, eerste lid, bevat de aanvraag tevens een motivering van specifiek dat verzoek.
Subsubparagraaf 4.2.4.5.2 Normering fietsstalling Artikel 4.36 Beoordelingsregel met betrekking tot het aantal stallingsplaatsen voor fietsen
56
1.
De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als het aantal stallingsplaatsen voor fietsen dat op eigen terrein wordt gerealiseerd, gelet op het beoogd gebruik, bedoeld in artikel 4.9, onder b, en de omvang daarvan, in overeenstemming is met de normen, bedoeld in artikel 3.13.
2.
Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' wordt, in afwijking van het eerste lid, een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken alleen verleend als het aantal stallingsplaatsen voor fietsen dat op eigen terrein wordt gerealiseerd, gelet op het beoogd gebruik, bedoeld in artikel 4.9, onder b, en de omvang daarvan, in overeenstemming is met de in het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan opgenomen regels stallingsplaatsen voor fietsen.
3.
Voor zover een TAM-omgevingsplan regels bevat over het over het aantal stallingsplaatsen voor fietsen waaraan voldaan moet worden, wordt, in afwijking van het eerste lid, een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken alleen verleend als het aantal stallingsplaatsen voor fietsen dat op eigen terrein wordt gerealiseerd, gelet op het beoogd gebruik, bedoeld in artikel 4.9, onder b, en de omvang daarvan, in overeenstemming is met die afwijkende regels.
Artikel 4.37 Mogelijkheid om met een vergunningvoorschrift af te wijken van de van toepassing zijnde normen voor fietsstalling 1.
Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen voorschriften worden verbonden waarmee kan worden afgeweken van artikel 4.36 indien naar het oordeel van het bevoegd gezag: a. het redelijkerwijs onmogelijk is om fietsstalling op eigen terrein te realiseren; en b. de impact van de stallingsbehoefte op de openbare ruimte klein is.
2.
Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen de voorschriften verbonden worden die nodig zijn om het behoud van een minimum aantal fietsstallingsplaatsen te waarborgen.
Artikel 4.38 Aanvraagvereisten in verband met beoordeling normering fietsstalling 1.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden gegevens en bescheiden verstrekt over de inrichting van parkeervoorzieningen en fietsstalling op het eigen terrein.
2.
Bij een verzoek dat betrekking heeft op het aan de vergunning verbinden van voorschriften als bedoeld in artikel 4.34, eerste lid, of artikel 4.37, eerste lid, bevat de aanvraag tevens een motivering van specifiek dat verzoek.
Subparagraaf 4.2.4.6 Windhinder en windgevaar Artikel 4.39 Beoordelingsregel windhinder en windgevaar bij hoogbouw (30 meter of hoger) 1.
De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor een bouwwerk van 30 meter of hoger wordt alleen verleend als het bouwwerk niet leidt tot onaanvaardbare windhinder of windgevaar.
2.
Of bij een voorgenomen bouwwerk van 30 meter of hoger sprake is van een onaanvaardbare windhinder of windgevaar wordt beoordeeld aan de hand van onderzoek waaruit blijkt in welke mate windhinder of windgevaar als gevolg van de beoogde bebouwing zal optreden. Op dit onderzoek is NEN 8100 van toepassing.
3.
Bij het in het tweede lid bedoelde onderzoek wordt in elk geval betrokken: a. de bebouwing die op het moment van de aanvraag in de directe omgeving van de beoogde bebouwing aanwezig is; en b. in de directe omgeving van de beoogde bebouwing te realiseren toekomstige bebouwing, waarvoor op het moment van de aanvraag reeds een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken is aangevraagd of verleend.
4.
Als er in de directe omgeving van het nieuw te bouwen bouwwerk ontwikkelingen zijn te verwachten waarvoor weliswaar nog geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken is aangevraagd, maar waarvan dit op korte termijn is te verwachten, kan het bevoegd gezag een maatwerkvoorschrift stellen dat ook die ontwikkelingen worden betrokken in het onderzoek.
Artikel 4.40 Beoordelingsregel windhinder of windgevaar bij laagbouw (lager dan 30 meter) 1.
57
De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor een bouwwerk lager dan 30 meter wordt geweigerd als er bij het bevoegd gezag een redelijk vermoeden bestaat dat de voorgenomen bebouwing zal leiden tot onaanvaardbare windhinder of windgevaar, waarbij het bevoegd gezag zich baseert op:
a. b.
de kenmerken en omstandigheden van het concrete geval, in het bijzonder de omvang van de voorgenomen bebouwing en de omgeving ter plaatse; en eerdere windhinderonderzoeken op of in de nabijheid van de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft, of de feitelijk bekende windhindersituatie ter plaatse.
2.
Als een redelijk vermoeden bestaat dat de voorgenomen bebouwing zal leiden tot onaanvaardbare windhinder of windgevaar, dan wordt dit aan de aanvrager meegedeeld, waarbij deze in de gelegenheid wordt gesteld binnen een daarbij te stellen redelijke termijn onderzoek te overleggen waaruit blijkt in welke mate windhinder of windgevaar als gevolg van de bebouwing zal optreden.
3.
Op het onderzoek, bedoeld in het tweede lid, is artikel 4.39, tweede tot en met het vierde lid, van overeenkomstige toepassing, zij het dat een maatwerkvoorschrift, bedoeld in artikel 4.39, vierde lid, direct bij de mededeling, bedoeld in het tweede lid, wordt gesteld.
Artikel 4.41 Vergunningvoorschriften met betrekking tot windhinder en windgevaar Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden de voorschriften verbonden die nodig zijn met het oog op het voorkomen van onaanvaardbare windhinder of windgevaar. Deze voorschriften kunnen betrekking hebben op: a. het nemen van windhinder beperkende maatregel in, op, aan of bij de bebouwing; en b. de vormgeving van bovengrondse bebouwing.
Artikel 4.42 Aanvraagvereisten in verband met beoordeling windhinder en windgevaar Als de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op een bouwwerk waarvoor een beoordeling op windhinder moet plaatsvinden worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: de onderzoeken, bedoeld in artikel 4.39 en artikel 4.40.
Subparagraaf 4.2.4.7 Geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden Artikel 4.43 Geografisch werkingsgebied 1.
Deze subparagraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'nadere afweging geluid bij bouwplan noodzakelijk'.
2.
Waar een TAM-omgevingsplan geldt, is deze subparagraaf van overeenkomstige toepassing, voor zover in dat TAM-omgevingsplan een locatie is aangeduid met de aanduiding 'nadere afweging geluid bij bouwplan noodzakelijk'.
Artikel 4.44 Toepassingsbereik 1.
Deze subparagraaf is alleen van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor zover de aanvraag betrekking heeft op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een geluidgevoelig gebouw.
2.
Voor de toepassing van deze subparagraaf wordt onder geluid uitsluitend verstaan het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen.
3.
Bij de toepassing van deze subparagraaf blijft een beoordeling van het geluid van de geluidbronsoort Industrieterreinen buiten toepassing voor zover het gaat om geluid van industrieterreinen waarvoor nog geen geluidproductieplafonds als bedoeld in artikel 2.11a of 2.12a van de Omgevingswet zijn vastgesteld.
Artikel 4.45 Meet- en rekenbepalingen Op het bepalen van het geluid op een gevel zijn de meet- en rekenvoorschriften, gesteld bij en krachtens de Omgevingswet, van toepassing.
Artikel 4.46 Waar waarden gelden De waarden voor het geluid gelden: a. als het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel; b. als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw: op de locatie waar een gevel mag komen;
58
c. d.
in afwijking van onder a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen vandat woonschip of die woonwagen; en als het gaat om een geluidgevoelige ruimte: in de geluidgevoelige ruimte.
Artikel 4.47 Beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken geluidgevoelig gebouw De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als het geluid op de gevel van het geluidgevoelige gebouw, met het oog op de bescherming van de gezondheid, aanvaardbaar is.
Artikel 4.48 Geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar wanneer wordt voldaan aan de standaardwaarde 1.
Het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw is aanvaardbaar als het geluid op het geluidgevoelig gebouw niet hoger is dan de standaardwaarde, bedoeld in tabel 4.48: Tabel 4.48: Standaardwaarde geluid op een geluidgevoelig gebouw per geluidbronsoort Geluidbronsoort
Standaardwaarde
Provinciale wegen en rijkswegen
50 Lden
Gemeentewegen en waterschapswegen
53 Lden
Lokale spoorwegen en hoofdspoorwegen
55 Lden 50 Lden
Industrieterreinen 40 Lnight
2.
Artikel 5.78t, tweede tot en met vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn van overeenkomstige toepassing.
3.
Voor een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onder b of d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan het gebruik in de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten: a. gelden de waarden in Lnight niet; en b. wordt in tabel 4.48 gelezen voor «Lden»: »Lde».
4.
Voor een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onder b of d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan het gebruik in de avondperiode en de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten: a. gelden de waarden in Lnight niet; en b. wordt in tabel 4.48 gelezen voor «Lden»: «Lday».
Artikel 4.49 Overschrijding van de standaardwaarde 1.
Wanneer het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw hoger is dan de in artikel 4.48 bedoelde standaardwaarde, kan het geluid aanvaardbaar zijn als: a. geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen; b. de overschrijding van de standaardwaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt; en c. het geluid op het geluidgevoelige gebouw niet hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 4.49. Tabel 4.49: Grenswaarde geluid op een geluidgevoelig gebouw per geluidbronsoort
59
Geluidbronsoort
Grenswaarde
Provinciale wegen en rijkswegen
60 Lden
Gemeentewegen en waterschapswegen
70 Lden
Lokale spoorwegen en hoofdspoorwegen
65 Lden 55 Lden
Industrieterreinen 45 Lnight
2.
Geluidbeperkende maatregelen als bedoeld in het eerste lid worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan.
3.
Als de aanvraag betrekking heeft op een gebouw of gedeelte van een gebouw waar bewoning is toegestaan, en geluidbeperkende maatregelen om aan de standaardwaarden te voldoen gelet op het tweede lid niet doelmatig of bezwaarlijk zijn, is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als elke afzonderlijke woning beschikt over een geluidluwe gevel waarop ten hoogste de standaardwaarde, bedoeld in artikel 4.48, is berekend.
4.
Als de aanvraag betrekking heeft op een gebouw of gedeelte van een gebouw waar bewoning is toegestaan, en geluidbeperkende maatregelen om aan de standaardwaarden te voldoen gelet op het tweede lid niet doelmatig of bezwaarlijk zijn, en niet elke afzonderlijke woning beschikt over een geluidluwe gevel waarop ten hoogste de standaardwaarde, bedoeld in artikel 4.48, is berekend, kan sprake zijn van een aanvaardbare geluidbelasting als: a. elke afzonderlijke woning beschikt over een bijna-geluidluwe gevel; en b. zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen dit rechtvaardigen.
5.
Artikel 5.78u, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving is van overeenkomstige toepassing.
6.
Voor een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onder b of d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan het gebruik in de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten: a. gelden de waarden in Lnight niet; en b. wordt in tabel 4.49 gelezen voor «Lden»: »Lde».
7.
Voor een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onder b of d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan het gebruik in de avondperiode en de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten: a. gelden de waarden in Lnight niet; en b. wordt in tabel 4.49 gelezen voor «Lden»: «Lday».
Artikel 4.50 Overschrijding grenswaarde bij zeehavengebonden activiteiten
60
1.
Dit artikel is alleen van toepassing ter plaatse van de aanduiding 'mogelijke toepassing overschrijding grenswaarde geluid bij zeehavengebonden activiteiten'.
2.
Wanneer het geluid op een geluidgevoelig gebouw in het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein waarop zeehavengebonden activiteiten noodzakelijkerwijs in de openlucht worden verricht, hoger is dan de in artikel 4.49, eerste lid, onder c, bedoelde grenswaardwaarde, kan het geluid aanvaardbaar zijn als: a. deze waarde niet meer dan 5 dB hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in artikel 5.78u van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. het geluid op het gebouw in belangrijke mate wordt bepaald door die zeehavengebonden activiteiten; en c. het gebouw wordt toegelaten: 1. in het kader van een herstructurering of planmatige verdichting van een voorafgaand aan de wijziging van het omgevingsplan bestaand gebied met overwegend gebouwen met een woonfunctie;
2.
3. 3.
aansluitend op een op het tijdstip van de wijziging van het omgevingsplan bestaand aaneengesloten gebied met overwegend gebouwen met een woonfunctie en als alleen sprake is van een beperkte uitbreiding van dat gebied; of in een gebied dat wordt getransformeerd.
Artikel 4.49, derde en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4.51 Overschrijding grenswaarde; niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen 1.
Wanneer het geluid op een geluidgevoelig gebouw hoger is dan de in artikel 4.49, eerste lid, onder c, bedoelde grenswaarde, kan de geluidbelasting aanvaardbaar zijn als aan de gevel van het geluidgevoelige gebouw waarop de grenswaarde wordt overschreden, bouwkundige maatregelen kunnen worden getroffen die: a. bestaan uit een uitwendige scheidingsconstructie die geen te openen delen bevat anders dan als onderdeel van een gemeenschappelijke doorgang; of b. borgen dat het geluid op de te openen delen in de uitwendige scheidingsconstructie die direct grenzen aan een verblijfsgebied niet hoger is dan de grenswaarde.
2.
Bij de toepassing van het eerste lid wordt aan de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken in elk geval het voorschrift verbonden dat de in het eerste lid bedoelde gevel een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen is.
3.
Artikel 4.49, derde en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4.52 Overschrijding grenswaarde – maatregelen 1.
De artikelen 4.50 en 4.51 worden alleen toegepast als: a. geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de grenswaarde, bedoeld in artikel 4.49, eerste lid, onder c, te voldoen; en b. de overschrijding van de grenswaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt.
2.
Geluidbeperkende maatregelen als bedoeld in het eerste lid worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan.
Artikel 4.53 Belang van een geluidluwe gevel 1.
Bij de toepassing van artikel 4.49 wordt het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel betrokken.
2.
Bij de toepassing van de artikelen 4.50 en 4.51 wordt rekening gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel.
Artikel 4.54 Beoordelen aanvaardbaarheid gecumuleerd geluid
61
1.
Bij de toepassing van de artikelen 4.49, 4.50 en 4.51 wordt de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op het geluidgevoelige gebouw beoordeeld.
2.
Bij het bepalen van het gecumuleerde geluid wordt in ieder geval betrokken: a. voor een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied van een weg, spoorweg ofindustrieterrein: het geluid door die geluidbronsoort; b. voor een geluidgevoelig gebouw binnen de 48 Lden geluidcontour of, voor zover de gelden de geluidcontouren in Kosteneenheden zijn uitgedrukt, binnen de 20 Kosteneenheden geluidcontour van een luchthaven waarvoor op grond van de Wet luchtvaart een luchthavenindelingbesluit, een luchthavenbesluit of een besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven is vereist: het geluiddoor luchtvaart; c. voor een geluidgevoelig gebouw waarop het geluid door een windturbine of een windpark op een industrieterrein hoger is dan 43 Lden: het geluid door die windturbine of dat windpark; en d. voor een geluidgevoelig gebouw waarop het geluid door een civiele buitenschietbaan, een militaire buitenschietbaan of een militair springterrein op een industrieterrein hoger is dan 50 BS, dan: het geluid door die buitenschietbaan of dat springterrein.
3.
Op het bepalen van het gecumuleerde geluid zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.
Artikel 4.55 Bepalen van gezamenlijk geluid Bij de toepassing van de artikelen 4.49, 4.50 en 4.51 wordt het gezamenlijk geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen bepaald en in de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken vastgelegd.
Artikel 4.56 Vergunningvoorschriften Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden de voorschriften verbonden die nodig zijn met het oog op het voorkomen een onaanvaardbare mate van geluid op het geluidgevoelig gebouw.
Artikel 4.57 Aanvraagvereisten in verband met beoordeling geluidgevoelige gebouwen Als de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied, wordt een rapport verstrekt: a. waaruit de mate van geluid op de gevel van het geluidgevoelige gebouw blijkt; en b. waarin, indien nodig in verband met een overschrijding van de standaardwaarde, inzicht wordt gegeven in de maatregelen die worden genomen met het oog op de bescherming van de gezondheid.
Subparagraaf 4.2.4.8 Grondwatereffecten bij ondergrondse gebouwen Artikel 4.58 Geografisch werkingsgebied 1.
Deze subparagraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel vervallen'.
2.
Waar een TAM-omgevingsplan geldt, is deze subparagraaf van overeenkomstige toepassing
Artikel 4.59 Toepassingsbereik en oogmerk 1.
Deze subparagraaf is van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor zover de activiteit betrekking heeft op het bouwen van een ondergronds gebouw.
2.
De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op het voorkomen van onaanvaardbare grondwatereffecten op de omgeving als gevolg van het bouwen en in stand houden van een ondergronds gebouw.
Artikel 4.60 Begripsbepalingen, specifiek van toepassing op deze subparagraaf
62
1.
Bij de toepassing van deze subparagraaf wordt onder peil verstaan: a. voor gebouwen direct grenzend aan de weg: de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang; b. voor gebouwen waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang tot het perceel waar het gebouw zich op bevindt.
2.
Bij de toepassing van deze subparagraaf wordt onder deklaag verstaan: de bovenste bodemlaag die in de laatste ca. 10.000 jaar is ontstaan en die tevens de ophooglaag bevat die door de mens is aangebracht voor bijvoorbeeld woningbouw.
3.
Bij de toepassing van deze subparagraaf wordt onder geohydrologisch rapport verstaan: het resultaat van een geohydrologisch onderzoek neergelegd in een rapport met daarin de eigenschappen en kenmerken van het grondwatersysteem op een bepaalde locatie. In het geohydrologisch rapport worden in ieder geval in beeld gebracht: a. de bodemopbouw; b. de doorlatendheid (k-waarde) van de bodem; c. de grondwaterfluctuatie; d. de grondwaterstroming;
e. f. g.
de gevolgen voor het grondwatersysteem door de voorgenomen activiteit; de mitigerende maatregelen om grondwaterneutraal te kunnen bouwen; en voor de ondergrondse bouwwerken in de gebieden zoals aangewezen in de aanvraagvereisten: een geotechnisch onderdeel in het geohydrologisch onderzoek, waarin het risico op opbarsten en/of de deklaag zijn onderzocht.
4.
Bij de toepassing van deze subparagraaf wordt onder grondwaterneutraal bouwen verstaan: het bouwen van een ondergronds gebouw waarbij de stand en stroming van het grondwater buiten het perceel waarop het ondergronds gebouwis geprojecteerd niet of nauwelijks veranderen, waar mogelijk zal verbeteren, en geen negatieve grondwatereffecten optreden. Tot negatieve effecten worden in ieder geval gerekend risico's op opbarsten van de deklaag, welvorming, grondwateroverlast en grondwateronderlast.
5.
Bij de toepassing van deze subparagraaf wordt onder ontwateringsdiepte verstaan: de maaiveldhoogte in meters ten opzichte van NAP minus de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) in meters ten opzichte van NAP.