Raadsbesluit 2024-159A Bijlage 1 Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam (Basisregeling) incl renvooi.pdf
Tekst van het document
24
Artikel 2.167 Beperking met betrekking tot opslag Opslag is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch bedrijfsperceel'.
Artikel 2.168 Beperking met betrekking tot paardenbakken 1.
Paardenbakken zijn uitsluitend toegestaan ten behoeve van het agrarisch bedrijf, en uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch bedrijfsperceel'.
2.
Ter plaatse van de aanduiding 'maximum oppervlak paardenbak' is de maximum brutovloeroppervlakte van de paardenbak de daar bepaalde waarde.
Artikel 2.169 Beperking met betrekking tot de teelt van ruwvoedergewassen De teelt van ruwvoedergewassen is toegestaan tot maximaal 10% van de gronden behorende bij een agrarisch bedrijf waarbij de gronden duurzaam in gebruik zijn en de teelt bedoeld is voor de eigen bedrijfsvoering. Tot gronden die duurzaam in gebruik zijn behoren zowel de gronden die in eigendom zijn als gronden die langdurig via huur of pacht deel uitmaken van het bedrijf.
Artikel 2.170 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 2.171 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 2.172 Gereserveerd [Gereserveerd]
Subparagraaf 2.3.12.2 Gewassenteelt in de open lucht Artikel 2.173 Toepassingsbereik 1.
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: gewassenteelt in de open lucht'.
2.
Deze subparagraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: gewassenteelt in de open lucht'.
Artikel 2.174 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: gewassenteelt in de open lucht', toegestaan gebruik De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: gewassenteelt in de open lucht' hebben als gebruiksdoel gewassenteelt in de open lucht, en mogen worden gebruikt voor het uitoefenen van een agrarisch bedrijf gericht op het telen van gewassen in de open lucht, niet zijnde bosbouw, sier- en fruitteelt.
Artikel 2.175 Beperking met betrekking tot opslag Opslag is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch bedrijfsperceel'.
Artikel 2.176 Beperking met betrekking tot teeltondersteunende voorzieningen Het aanbrengen en aangebracht houden van teeltondersteunende voorzieningen is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘agrarisch bedrijfsperceel’.
Artikel 2.177 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 2.178 Gereserveerd [Gereserveerd]
25
Artikel 2.179 Gereserveerd [Gereserveerd]
Subparagraaf 2.3.12.3 Glastuinbouw Artikel 2.180 Toepassingsbereik 1.
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruiksdoel van de locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: glastuinbouw'.
2.
Deze subparagraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: glastuinbouw'.
Artikel 2.181 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: glastuinbouw', toegestaan gebruik De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: glastuinbouw' hebben als gebruiksdoel glastuinbouw, en mogen worden gebruikt voor het uitoefenen van een agrarisch bedrijf in de vorm van glastuinbouw.
Artikel 2.182 Beperking met betrekking tot kassen Een kas is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'kas toegestaan'.
Artikel 2.183 Beperking met betrekking tot teeltondersteunende voorzieningen Het aanbrengen en aangebracht houden van teeltondersteunende voorzieningen is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘agrarisch bedrijfsperceel’.
Artikel 2.184 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 2.185 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 2.186 Gereserveerd [Gereserveerd]
Paragraaf 2.3.13 Water Artikel 2.187 Toepassingsbereik 1.
Deze paragraaf is van toepassing op het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: water'.
2.
Deze paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: water'.
Artikel 2.188 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: water', toegestaan gebruik
26
1.
De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: water' hebben als gebruiksdoel waterberging, waterhuishouding en het realiseren, in stand houden en gebruiken van watervoorzieningen, waaronder in ieder geval worden begrepen sloten, vijvers, vaarten, kanalen, grachten, plassen, waterwegen en overige waterpartijen.
2.
Tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald zijn de gronden ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: water' in elk geval bedoeld voor het realiseren van de volgende voorzieningen, bouwwerken en andere werken: a. bruggen; b. beschoeiingen, (aanleg)steigers, en daarmee vergelijkbare werken en bouwwerken en overige naar aard en omvang ondergeschikte werken en bouwwerken; c. groenvoorzieningen van ondergeschikte omvang; d. nutsvoorzieningen en ondergrondse infrastructurele voorzieningen;
e.
waterstaatkundige werken.
3.
Bij het realiseren van de in het tweede lid bedoelde voorzieningen, bouwwerken en andere werken worden de bepalingen zoals elders in dit omgevingsplan gesteld, voor zover die op de desbetreffende activiteiten van toepassing zijn, in acht genomen.
4.
Gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: water' mogen worden gebruikt op een wijze die gelet op de inrichting passend is.
Artikel 2.189 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 2.190 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 2.191 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 2.192 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 2.193 Gereserveerd [Gereserveerd]
Paragraaf 2.3.14 Verkeer Subparagraaf 2.3.14.1 Algemene regels over het gebruiksdoel verkeer Artikel 2.194 Toepassingsbereik 1.
Deze paragraaf is van toepassing op het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: verkeer'.
2.
Deze paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: verkeer'.
Artikel 2.195 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: verkeer', toegestaan gebruik
27
1.
De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: verkeer' hebben als gebruiksdoel het realiseren, in stand houden en gebruiken van wegen, stationsvoorzieningen, spoorwegen, metrolijnen, trambanen, woonerven, parkeervoorzieningen, voet- en fietspaden en pleinen.
2.
Tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald zijn de gronden ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: verkeer' in elk geval bedoeld voor het realiseren van de volgende voorzieningen, bouwwerken en andere werken: a. bruggen en duikers, de tot de wegen of paden behorende bermen, taluds en zijkanten, waterstaatkundige en civieltechnische (kunst)werken, alsmede de aan de wegen liggende parkeerplaatsen; b. beschoeiingen, (aanleg)steigers, en daarmee vergelijkbare ondergeschikte werken en bouwwerken en overige naar aard en omvang ondergeschikte werken en bouwwerken; c. groenvoorzieningen en watervoorzieningen; d. nutsvoorzieningen en ondergrondse infrastructurele voorzieningen.
3.
Bij het realiseren van de in het tweede lid bedoelde voorzieningen, bouwwerken en andere werken worden de bepalingen zoals elders in dit omgevingsplan gesteld, voor zover die op de desbetreffende activiteiten van toepassing zijn, in acht genomen.
4.
Gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: verkeer' mogen worden gebruikt op een wijze die gelet op de inrichting passend is.
Artikel 2.196 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 2.197 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 2.198 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 2.199 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 2.200 Gereserveerd [Gereserveerd]
Subparagraaf 2.3.14.2 Aanvullende regels over waar wegen en spoorwegen zijn toegestaan Artikel 2.201 Beperkende regels over wegen 1.
Een rijbaan is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'weg toegestaan'.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een erf in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, of als een maximumsnelheid geldt van 30km/u.
3.
Ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal rijstroken' bedraagt het maximum aantal rijstroken dat is toegestaan de daar bepaalde waarde.
Artikel 2.202 Beperkende regels over spoorwegen Spoorwegen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'spoorweg toegestaan'.
Artikel 2.203 Beperkende regels over tram- en metrolijnen 1.
Bovengrondse metrolijnen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bovengrondse metro toegestaan'.
2.
Ondergrondse metrolijnen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'ondergrondse metro toegestaan'.
3.
Tramlijnen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'tram toegestaan.
Artikel 2.204 Vergunningplicht voor het aanleggen of wijzigen van gemeentewegen en waterschapswegen Onverminderd deze subparagraaf is op het aanleggen of het wijzigen van een gemeenteweg, een waterschapsweg of een lokale spoorweg en op het wijzigen van het gebruik van een lokale spoorweg hoofdstuk 7 onverkort van toepassing.
Subparagraaf 2.3.14.3 Aanvullende regels over publiektoegankelijke parkeervoorzieningen en fietsstalling Artikel 2.205 Publiektoegankelijke parkeervoorzieningen
28
1.
Gebouwde publiektoegankelijke parkeervoorzieningen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'gebouwde publiektoegankelijke parkeervoorziening'.
2.
Ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein' moeten de gronden worden ingericht en gebruikt als parkeerterrein.
3.
Ter plaatse van de aanduiding 'minimum aantal publiektoegankelijke parkeerplaatsen' bedraagt het minimum aantal parkeerplaatsen dat in ieder geval beschikbaar dient te zijn voor publiektoegankelijk gebruik de daar bepaalde waarde.
4.
Ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal publiektoegankelijke parkeerplaatsen' bedraagt het maximum aantal parkeerplaatsen dat publiektoegankelijk mag zijn de daar bepaalde waarde.
Artikel 2.206 Publiektoegankelijke fietsstalling 1.
Ter plaatse van de aanduiding 'publiektoegankelijke (brom)fietsstalling' moet een publiektoegankelijke (brom)fietsstalling worden gerealiseerd en in stand gehouden.
2.
Ter plaatse van de aanduiding 'minimum aantal publiektoegankelijke fietsstallingsplaatsen' bedraagt het minimum aantal fietsstallingsplaatsen dat in ieder geval beschikbaar dient te zijn voor publiektoegankelijk gebruik de daar bepaalde waarde.
Paragraaf 2.3.15 Groen Artikel 2.207 Toepassingsbereik 1.
Deze paragraaf is van toepassing op het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: groen'.
2.
Deze paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: groen'.
Artikel 2.208 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: groen', toegestaan gebruik 1.
De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: groen' heeft als gebruiksdoel het realiseren, in stand houden en gebruiken van groenvoorzieningen in de open lucht, waaronder in ieder geval worden begrepen (bos)parken, plantsoenen en open speelplekken, met de daarbij behorende waterpartijen.
2.
Tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald zijn de gronden ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: groen' mede bedoeld voor het realiseren van de volgende voorzieningen, bouwwerken en andere werken: a. voet- en fietspaden, speelplekken en speelvoorzieningen, straatmeubilair, objecten van beeldende kunst, en overige naar aard en omvang ondergeschikte bouwwerken en verhardingen; b. faciliteiten en bouwwerken in de openbare ruimte ten behoeve buitensportactiviteiten, zoals skateboarden, panna, freestyle footbal en urban sport parcours; c. vijvers, sloten, waterlopen, waterwegen en overige waterpartijen met bijbehorende beschoeiingen, (aanleg)steigers, bruggen en daarmee vergelijkbare naar aard en omvang ondergeschikte werken en bouwwerken die zich verdragen met het in het tweede lid, gestelde doel; d. nutsvoorzieningen en ondergrondse infrastructurele voorzieningen; e. waterstaatkundige werken.
3.
Bij het realiseren van de in het tweede lid bedoelde voorzieningen, bouwwerken en andere werken worden de bepalingen zoals elders in dit omgevingsplan gesteld, voor zover die op de desbetreffende activiteiten van toepassing zijn, in acht genomen.
4.
Gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: groen' mogen worden gebruikt op een wijze die gelet op de inrichting passend is.
Artikel 2.209 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 2.210 Gereserveerd [Gereserveerd]
29
Artikel 2.211 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 2.212 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 2.213 Gereserveerd [Gereserveerd]
Paragraaf 2.3.16 Hoogspanningsverbinding Artikel 2.214 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het gebruiksdoel ter plaatse van de volgende aanduidingen: a. 'gebruiksdoel: bovengrondse hoogspanningsverbinding van tenminste 220 kV'; b. gebruiksdoel: ondergrondse hoogspanningsverbinding van tenminste 220 kV; c. 'gebruiksdoel: bovengrondse hoogspanningsverbinding van 110 kV of 150 kV'.
Artikel 2.215 Gebruiksdoel bovengrondse hoogspanningsverbinding met een spanning van ten minste 220 kV De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: bovengrondse hoogspanningsverbinding van tenminste 220 kV' hebben als gebruiksdoel een bovengrondse hoogspanningsverbinding van 220kV en hoger, en mogen worden gebruikt voor een bovengrondse hoogspanningsverbinding van 220kV en hoger, met inbegrip van de daarmee verbonden schakel- en transformatorstations en andere voor die hoogspanningsverbinding noodzakelijke hulpmiddelen.
Artikel 2.216 Gebruiksdoel ondergrondse hoogspanningsverbinding met een spanning van ten minste 220 kV De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: ondergrondse hoogspanningsverbinding van tenminste 220 kV' hebben als gebruiksdoel een ondergrondse hoogspanningsverbinding van 220kV en hoger, en mogen worden gebruikt voor een ondergrondse hoogspanningsverbinding van 220kV en hoger, met inbegrip van de daarmee verbonden schakel- en transformatorstations en andere voor die hoogspanningsverbinding noodzakelijke hulpmiddelen.
Artikel 2.217 Gebruiksdoel bovengrondse hoogspanningsverbinding met een spanning van 110 kV of 150 kV De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: bovengrondse hoogspanningsverbinding van 110 kV of 150 kV' hebben als gebruiksdoel een bovengrondse hoogspanningsverbinding van 110 kV of 150 kV, en mogen worden gebruikt voor een bovengrondse hoogspanningsverbinding van 110 kV of 150 kV, met inbegrip van de daarmee verbonden schakel- en transformatorstations en andere voor die hoogspanningsverbinding noodzakelijke hulpmiddelen.
Artikel 2.218 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 2.219 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 2.220 Gereserveerd [Gereserveerd]
Paragraaf 2.3.17 Buisleiding met gevaarlijke stoffen
30
Artikel 2.221 Toepassingsbereik en oogmerk 1.
Deze paragraaf is van toepassing op het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: buisleiding met gevaarlijke stoffen'.
2.
Deze paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: buisleiding met gevaarlijke stoffen'.
3.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld in verband met het externe veiligheidsrisico van de buisleiding met gevaarlijke stoffen voor de omgeving.
Artikel 2.222 Gebruiksdoel van locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: buisleiding met gevaarlijke stoffen' De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: buisleiding met gevaarlijke stoffen' hebben als gebruiksdoel buisleiding gevaarlijke stoffen, en mogen worden gebruikt als tracé van een buisleiding met gevaarlijke stoffen.
Artikel 2.223 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 2.224 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 2.225 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 2.226 Gereserveerd [Gereserveerd]
Paragraaf 2.3.18 Ambulante handel, anders dan venten Artikel 2.227 Toepassingsbereik 1.
Deze paragraaf is van toepassing op het gebruiksdoel van locaties met de aanduiding 'gebruiksdoel: ambulante handel'.
2.
Deze paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: ambulante handel'.
Artikel 2.228 Gebruiksdoel van gronden ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: ambulante handel' De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: ambulante handel' hebben als gebruiksdoel ambulante handel, en mogen worden gebruikt ten behoeve van ambulante handel.
Artikel 2.229 Maatwerkvoorschriften Het bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen over de uitoefening van ambulante handel om onaanvaardbare hinder voor het woon- en leefklimaat tegen te gaan.
Artikel 2.230 Waar markten zijn toegestaan 1.
Een dagmarkt is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'dagmarkt'.
2.
Een weekmarkt is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'weekmarkt'.
3.
Een periodieke markt is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'periodieke markt'.
Artikel 2.231 Waar staan- of ligplaatsen ambulante handel buiten de markt zijn toegestaan Ambulante handel vanaf een staan- of ligplaats ambulante handel is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'staan- of ligplaats ambulante handel buiten de markt'.
31
Artikel 2.232 Maximum aantal marktplaatsen, staan- of ligplaatsen buiten de markt 1.
Ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal marktplaatsen' is het maximum aantal marktplaatsen de daar bepaalde waarde.
2.
Ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal staan- of ligplaatsen ambulante handel' is het maximum aantal staan- of ligplaatsen ambulante handel de daar bepaalde waarde.
Artikel 2.233 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 2.234 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 2.235 Gereserveerd [Gereserveerd]
Paragraaf 2.3.19 Volkstuinpark Artikel 2.236 Toepassingsbereik van de regels over 'volkstuinpark' 1.
Deze paragraaf is van toepassing op het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: volkstuinpark'.
2.
Deze paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: volkstuinpark'.
Artikel 2.237 Gebruiksdoel van gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: volkstuinpark' De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: volkstuinpark' hebben als gebruiksdoel volkstuinpark en mogen worden gebruikt ten behoeve van een volkstuinpark.
Artikel 2.238 Gebruik van een gebouw als verenigingsgebouw Het gebruik van een gebouw voor ontmoeting en administratie is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'verenigingsgebouw'.
Artikel 2.239 Gebruik van een gebouw als gemeenschappelijk gebouw Het gebruik van een gebouw voor stalling en opslag van gemeenschappelijke machines en voorraden is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'gemeenschappelijk gebouw'.
Artikel 2.240 Beperking met betrekking tot overnachten 1.
Overnachten is uitsluitend toegestaan op de eigen volkstuin.
2.
Ter plaatse van de aanduiding 'overnachten niet toegestaan' is overnachten niet toegestaan.
Artikel 2.241 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 2.242 Gereserveerd [Gereserveerd]
Artikel 2.243 Gereserveerd [Gereserveerd]
Paragraaf 2.3.20 Horecazaak [gereserveerd] [Gereserveerd]
32
Paragraaf 2.3.21 Darkstore [gereserveerd] [Gereserveerd]
Paragraaf 2.3.22 Evenementenlocaties en gebouwen, bedoeld voor het houden van evenementen [gereserveerd] [Gereserveerd]
Paragraaf 2.3.23 Kampeerterrein en vakantiepark [gereserveerd] [Gereserveerd]
Paragraaf 2.3.24 Vergader- en congresfaciliteit [gereserveerd] [Gereserveerd]
Hoofdstuk 3 OVERIGE REGELS OVER HET GEBRUIK VAN GRONDEN EN BOUWWERKEN Afdeling 3.1 ALGEMEEN Artikel 3.1 Toepassingsbereik De regels in dit hoofdstuk hebben betrekking op het gebruik van gronden en bouwwerken.
Artikel 3.2 Meet- en rekenregels 1.
Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' zijn de meeten rekenbepalingen zoals die zijn opgenomen in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing op de ruimtelijke regels over gebruik in dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan.
2.
Op het bepalen van de bruto-vloeroppervlakte is NEN 2580 van toepassing.
3.
Op het bepalen van het geluid op een gevel zijn de meet- en rekenvoorschriften, gesteld bij en krachtens de Omgevingswet, van toepassing.
Afdeling 3.2 ALGEMENE REGELS VAN RUIMTELIJKE AARD OVER GEBRUIK VAN GRONDEN EN BOUWWERKEN Paragraaf 3.2.1 Algemeen Artikel 3.3 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken.
Paragraaf 3.2.2 Inrichten en gebruik van bij een hoofdgebouw behorend erf en erfbebouwing Artikel 3.4 Voorrangsbepaling met betrekking tot regels in het tijdelijk deel omgevingsplan of een TAM-omgevingsplan
33
1.
Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' blijven de regels in deze paragraaf buiten toepassing voor zover het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan afwijkende regels over hetzelfde onderwerp bevat. In dat geval zijn de regels in dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing.
2.
Ter plaatse van het besluitgebied van een TAM-omgevingsplan, waarbij het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is komen te vervallen, blijven de regels in deze paragraaf buiten toepassing voor zover het TAM-omgevingsplan afwijkende regels over hetzelfde onderwerp bevat. In dat geval zijn de regels in dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing.
Artikel 3.5 Inrichting en gebruik van het bij een hoofdgebouw behorend erf, erfbebouwing 1.
Het gebruik van het bij een hoofdgebouw behorend erf is in overeenstemming met een in afdeling 2.3 aan een locatie gegeven gebruiksdoel.
2.
Onder het gebruik van een bij een hoofdgebouw behorend erf dat in overeenstemming is met een in afdeling 2.3 aan een locatie gegeven gebruiksdoel wordt verstaan een inrichting en gebruik op een wijze die naar algemene maatstaven als een normale inrichting en gebruik van het bijbehorende erf wordt beschouwd.
3.
Ter plaatse van de aanduiding 'tuin' geldt, in afwijking van het tweede lid, dat een bedrijfsmatig gebruik van het bijbehorend erf niet is toegestaan. Onder bedrijfsmatig gebruik wordt in ieder geval begrepen het gebruik voor opslag.
Paragraaf 3.2.3 Parkeernormering voor auto’s en normering voor fietsstalling Subparagraaf 3.2.3.1 Parkeernormering auto's Artikel 3.6 Voorrangsbepaling met betrekking tot regels in het tijdelijk deel omgevingsplan of een TAM-omgevingsplan 1.
Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' blijven de regels in deze paragraaf buiten toepassing voor zover het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan afwijkende regels over hetzelfde onderwerp bevat. In dat geval zijn de regels in dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing.
2.
Ter plaatse van het besluitgebied van een TAM-omgevingsplan, waarbij het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is komen te vervallen, blijven de regels in deze paragraaf buiten toepassing voor zover het TAM-omgevingsplan afwijkende regels over hetzelfde onderwerp bevat. In dat geval zijn de regels in dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing.
Artikel 3.7 Van toepassing zijnde parkeernormen 1.
Voor de toepassing van deze subparagraaf zijn de geldende parkeernormen over het aantal parkeerplaatsen voor auto’s dat bij het gebruik van gronden en bouwwerken feitelijk op eigen terrein beschikbaar is en moet blijven ten behoeve van dat gebruik de normen zoals opgenomen in bijlage IV.
2.
Ter plaatse van de aanduiding 'A-locatie (parkeernormering)' gelden de in bijlage IV aangegeven normen voor een A-locatie.
3.
Ter plaatse van de aanduiding 'B-B-locatie (parkeernormering)' gelden de in bijlage IV aangegeven normen voor een B-locatie.
4.
Ter plaatse van de aanduiding 'C-locatie (parkeernormering)' gelden de in bijlage IV aangegeven normen voor een C-locatie.
5.
In afwijking van het eerste lid geldt ter plaatse van de aanduiding 'aantal autoparkeerplaatsen' de daar bepaalde waarde als norm voor het aantal parkeerplaatsen dat op eigen terrein feitelijk beschikbaar moet zijn.
Artikel 3.8 Geen aanpassingsplicht voor legaal bestaande situaties Voor een legaal bestaande situatie geldt dat bij ongewijzigd gebruik van gronden en bouwwerken het aantal parkeerplaatsen dat feitelijk aanwezig is op het moment dat deze subparagraaf in werking treedt niet in overeenstemming hoeft te worden gebracht met de normen als bedoeld in artikel 3.7.
Artikel 3.9 Regels bij het binnenplans wijzigen van bestaand gebruik 1.
34
Onverminderd artikel 2.3 is het verboden het bestaand gebruik te wijzigen naar een andere vorm van gebruik, wanneer het aantal feitelijk beschikbare parkeerplaatsen op eigen terrein niet in overeenstemming is of wordt gebracht met de voor het nieuwe gebruik geldende parkeernorm.
2.
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt alleen voor zover het gaat om een van de volgende wijzigingen: a. een wijziging van wonen naar een ander gebruik dan wonen; b. een wijziging van zakelijke en administratieve dienstverlening naar een ander gebruik dan zakelijke en administratieve dienstverlening; c. een wijziging van een vorm van gebruik, niet zijnde wonen of zakelijke en administratieve dienstverlening, naar wonen of zakelijke en administratieve dienstverlening.
Artikel 3.10 Regels over het wijzigen van het aantal parkeerplaatsen op eigen terrein 1.
Het is verboden het aantal parkeerplaatsen, dat op eigen terrein feitelijk beschikbaar is, te wijzigen.
2.
Het is eerste lid is niet van toepassing als: a. het aantal parkeerplaatsen dat feitelijk beschikbaar komt op eigen terrein passend wordt of blijft binnen de voor het legaal bestaand gebruik geldende parkeernorm; b. het aantal parkeerplaatsen dat feitelijk beschikbaar komt op eigen terrein meer aansluit bij de voor het legaal bestaand gebruik geldende parkeernorm.
3.
De uitzondering, bedoeld in het tweede lid, geldt niet ter plaatse van de aanduiding 'aantal autoparkeerplaatsen'. Daar dient het aantal parkeerplaatsen dat op eigen terrein feitelijk beschikbaar is te blijven voldoen aan de daar bepaalde waarde.
Artikel 3.11 Maatwerkvoorschrift met betrekking tot het aantal parkeerplaatsen 1.
Het bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen waarmee kan worden afgeweken van artikel 3.9 en artikel 3.10, indien naar het oordeel van het bevoegd gezag: a. op andere wijze in voldoende mate in parkeergelegenheid wordt voorzien; b. sprake is van een legaal bestaand gebouw of van legaal bestaande gebouwde parkeervoorzieningen en het voldoen aan de parkeernorm op overwegende bezwaren stuit; of c. het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit, tot welke bijzondere omstandigheden in elk geval worden gerekend: 1. een te verwachten meer dan gemiddeld aantal gehandicapte gebruikers of bezoekers van het gebouw; 2. een te verwachten meer of minder dan gemiddeld aantal klanten of bezoekers.
2.
Aan het in het eerste lid bedoelde maatwerkvoorschrift kunnen de voorschriften worden verbonden die nodig zijn om het behoud van een passend aantal parkeerplaatsen te waarborgen.
3.
Bij een verzoek tot het geven van een maatwerkvoorschrift worden in elk geval de volgende gegevens verstrekt: a. het planologisch gebruik dat plaatsvindt en de omvang daarvan, en het aantal feitelijk beschikbare parkeerplaatsen dat daarbij op eigen terrein aanwezig is; b. een omschrijving van de beoogde wijziging waarop verzoek tot het geven van een maatwerkvoorschrift betrekking heeft; en c. een motivering van het verzoek.
Subparagraaf 3.2.3.2 Normering fietsstalling Artikel 3.12 Voorrangsbepaling met betrekking tot regels in het tijdelijk deel omgevingsplan of een TAM-omgevingsplan
35
1.
Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' blijven de regels in deze paragraaf buiten toepassing voor zover het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan afwijkende regels over hetzelfde onderwerp bevat. In dat geval zijn de regels in dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing.
2.
Ter plaatse van het besluitgebied van een TAM-omgevingsplan, waarbij het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is komen te vervallen, blijven de regels in deze paragraaf buiten toepassing voor zover het TAM-omgevingsplan afwijkende regels over hetzelfde onderwerp bevat. In dat geval zijn de regels in dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing.
Artikel 3.13 Van toepassing zijnde normen voor fietsstalling 1.
Voor de toepassing van deze subparagraaf zijn de geldende fietsstallingsnormen over het aantal plaatsen voor fietsstalling dat bij het gebruik van gronden en bouwwerken minimaal feitelijk beschikbaar moet zijn ten behoeve van dat gebruik de normen zoals opgenomen in bijlage V.
2.
Ter plaatse van de aanduiding 'Zone 1: hoge stallingsnorm fiets' gelden de bijlage V aangegeven normen voor Zone 1: hoog fietsgebruik.
3.
Ter plaatse van de aanduiding 'Zone 2: gemiddelde stallingsnorm fiets' gelden de in bijlage V aangegeven normen voor Zone 2: gemiddeld fietsgebruik.
4.
Ter plaatse van de aanduiding 'Zone 3: lage stallingsnorm fiets' gelden de in bijlage V aangegeven normen voor Zone 3: laag fietsgebruik.
5.
In afwijking van het eerste lid geldt ter plaatse van de aanduiding 'minimum aantal fietsstallingsplaatsen' de daar bepaalde waarde als norm voor het minimum aantal plaatsen voor fietsstalling dat op eigen terrein feitelijk beschikbaar moet zijn.
Artikel 3.14 Geen aanpassingsplicht voor legaal bestaande situaties Voor een legaal bestaande situatie geldt dat bij een ongewijzigd gebruik van gronden en bouwwerken het aantal plaatsen voor fietsstalling dat feitelijk aanwezig is op het moment dat deze subparagraaf in werking treedt, niet in overeenstemming hoeft te worden gebracht met de normen, bedoeld in artikel 3.13.
Artikel 3.15 Regels bij het binnenplans wijzigen van bestaand gebruik In aanvulling op artikel 2.3 is het verboden het bestaand gebruik te wijzigen naar een andere vorm van gebruik, wanneer het aantal feitelijk beschikbare plaatsen voor fietsstalling op eigen terrein niet in overeenstemming is of wordt gebracht met de voor het nieuwe gebruik geldende fietsstallingsnorm.
Artikel 3.16 Regels over het wijzigen van het aantal plaatsen voor fietsstalling op eigen terrein Het is verboden het aantal feitelijk beschikbare plaatsen voor fietsstalling op eigen terrein te verminderen, tenzij voldaan blijft worden aan de minimum norm, bedoeld in artikel 3.13.
Artikel 3.17 Maatwerkvoorschrift met betrekking tot het aantal fietsstallingsplaatsen 1.
Het bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen waarmee wordt afgeweken van artikel 3.15 voor zover sprake is van een wijziging van gebruik naar een andere vorm van gebruik, niet zijnde wonen, en naar het oordeel van het bevoegd gezag: a. op andere wijze in voldoende mate in stallingsgelegenheid wordt voorzien; b. het redelijkerwijs onmogelijk is om fietsstalling op eigen terrein te realiseren; of c. de impact van de stallingsbehoefte op de openbare ruimte klein is.
2.
Aan het in het eerste lid bedoelde maatwerkvoorschrift kunnen de voorschriften worden verbonden die nodig zijn om het behoud van een passend aantal plaatsen voor fietsstalling te waarborgen.
3.
Bij een verzoek tot het geven van een maatwerkvoorschrift worden in elk geval de volgende gegevens verstrekt: a. het planologisch gebruik dat plaatsvindt en de omvang daarvan, en het aantal feitelijk beschikbare plaatsen voor fietsstalling dat daarbij aanwezig is; b. een omschrijving van de beoogde wijziging waarop het verzoek tot het geven van een maatwerkvoorschrift betrekking heeft; en c. een motivering van het verzoek.
Paragraaf 3.2.4 Ondergeschikt kantoorgebruik
36
Artikel 3.18 Voorrangsbepaling met betrekking tot regels in het tijdelijk deel omgevingsplan of een TAM-omgevingsplan 1.
Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' blijven de regels in deze paragraaf buiten toepassing voor zover het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan afwijkende regels over hetzelfde onderwerp bevat. In dat geval zijn de regels in dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing.
2.
Ter plaatse van het besluitgebied van een TAM-omgevingsplan, waarbij het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is komen te vervallen, blijven de regels in deze paragraaf buiten toepassing voor zover het TAM-omgevingsplan afwijkende regels over hetzelfde onderwerp bevat. In dat geval zijn de regels in dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing.
Artikel 3.19 Ondergeschikt kantoorgebruik 1.
Het inrichten en in gebruik te nemen van bedrijfsruimte voor ondergeschikt kantoorgebruik is toegestaan, maar uitsluitend onder de volgende voorwaarden: a. het gaat om niet-zelfstandige kantoorruimte die ondersteunend is aan de eigen bedrijfsuitoefening; en b. tot een maximum van 30% kantoorvloer per bedrijf, gerekend over het totaal brutovloeroppervlakte aan bedrijfsgebouwen.
2.
Het percentage kantoorvloer wordt bepaald over het totaal bruto-vloeroppervlakte aan bedrijfsgebouwen. Ruimten voor algemeen gebruik zoals gangen, toiletruimten, trappenhuizen, verblijfsruimte en dergelijke worden naar evenredigheid toegekend aan de ondergeschikte kantoorruimte en overige bedrijfsruimte, waarbij de verdeling op basis van vierkante meters plaatsvindt.
3.
Ter plaatse van de aanduiding 'afwijkend maximum percentage ondergeschikt kantoorvloer' geldt in afwijking van het eerste lid, onder b, als maximum percentage kantoorvloer per bedrijf de daar bepaalde waarde, gerekend over het totaal bruto-vloeroppervlakte aan bedrijfsgebouwen.
4.
Ter plaatse van de aanduiding 'uitzondering maximum percentage ondergeschikt kantoorvloer' is het in het eerste lid, onder b, genoemde maximum percentage niet van toepassing op bedrijven die zich uitsluitend of overwegend bezighouden met opslag in de open lucht.
Paragraaf 3.2.5 Ondergeschikte detailhandel Artikel 3.20 Voorrangsbepaling met betrekking tot regels in het tijdelijk deel omgevingsplan of een TAM-omgevingsplan 1.
Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' blijven de regels in deze paragraaf buiten toepassing voor zover het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan afwijkende regels over hetzelfde onderwerp bevat. In dat geval zijn de regels in dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing.
2.
Ter plaatse van het besluitgebied van een TAM-omgevingsplan, waarbij het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is komen te vervallen, blijven de regels in deze paragraaf buiten toepassing voor zover het TAM-omgevingsplan afwijkende regels over hetzelfde onderwerp bevat. In dat geval zijn de regels in dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing.
Artikel 3.21 Ondergeschikte detailhandel
37
1.
Op een locatie waar gelet op afdeling 2.3 detailhandel niet is toegestaan, is het uitoefenen van ondergeschikte vormen van detailhandel toegestaan, maar uitsluitend als: a. de uitoefening van ondergeschikte detailhandel plaatsvindt binnen een ambachtelijk bedrijf, consumentgerichte dienstverlening, alcoholvrije horeca of een culturele instelling; b. het assortiment ligt in het verlengde van de onder a bedoelde bedrijfsuitoefening; en c. het gaat om maximaal 20% van de bruto-vloeroppervlakte van het onder a bedoelde bedrijf, tot een maximum van 50 m2.
2.
De omvang van de ondergeschikte detailhandel wordt bepaald door het deel van het brutovloeroppervlak van een gebouw dat daadwerkelijk wordt gebruikt voor verkoopdoeleinden.
3.
Het bevoegd gezag kan over het eerste lid een maatwerkvoorschrift geven en daarbij afwijken van het eerste lid, onder c, maar uitsluitend als: a. de omvang van de niet-zelfstandige detailhandel ondergeschikt blijft aan de in het eerste lid bedoelde bedrijfsuitoefening; en b. het voldoen aan het bepaalde in het eerste lid door bijzondere omstandigheden niet op overwegende bezwaren stuit.
4.
Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift wordt inzicht gegeven in: a. de beoogde aard en omvang van de niet-zelfstandige detailhandel en de aard en omvang van de gehele bedrijfsuitoefening; b. de bijzondere omstandigheden, bedoeld in het derde lid, onder b.
Paragraaf 3.2.6 Het wijzigen van het gebruik van een gebouw naar een geluidgevoelige functie Artikel 3.22 Geografisch werkingsgebied 1.
Deze paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'nadere afweging geluid bij gebruikswijziging noodzakelijk'.
2.
Waar een TAM-omgevingsplan geldt, is deze subparagraaf van overeenkomstige toepassing, voor zover in dat TAM-omgevingsplan een locatie is aangeduid met de aanduiding 'nadere afweging geluid bij gebruikswijziging noodzakelijk'.
Artikel 3.23 Toepassingsbereik 1.
Deze paragraaf is van toepassing op het wijzigen van het gebruik van een gebouw naar een: a. woonfunctie of nevengebruiksfuncties daarvan; b. onderwijsfunctie of nevengebruiksfuncties daarvan; c. gezondheidszorgfunctie met bedgebied of nevengebruiksfuncties daarvan; of d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied of nevengebruiksfuncties daarvan, uitsluitend voor zover het met de wijziging beoogde gebruik niet in strijd is met artikel 2.3.
2.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder geluid uitsluitend verstaan het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen.
3.
Bij de toepassing van deze subparagraaf blijft een beoordeling voor de geluidbronsoort Industrieterreinen buiten toepassing voor zover het gaat om industrieterreinen waarvoor nog geen geluidproductieplafonds als bedoeld in artikel 2.11a of 2.12a van de Omgevingswet zijn vastgesteld.
4.
Deze paragraaf is niet van toepassing als de wijziging van gebruik reeds betrokken is bij een verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, een verleende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, of een verleende omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Artikel 3.24 Meet- en rekenbepalingen Op het bepalen van het geluid op een gevel zijn de meet- en rekenvoorschriften, gesteld bij en krachtens de Omgevingswet, van toepassing.
Artikel 3.25 Waar waarden gelden De waarden voor het geluid gelden: a. als het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel; b. als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw: op de locatie waar een gevel mag komen; c. in afwijking van onder a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen vandat woonschip of die woonwagen; en d. als het gaat om een geluidgevoelige ruimte: in de geluidgevoelige ruimte.
38
Artikel 3.26 Vergunningplicht omgevingsplanactiviteit wijziging gebruik naar geluidgevoelige functie Het is verboden zonder omgevingsvergunning het gebruik van een gebouw te wijzigen naar een: a. woonfunctie of nevengebruiksfuncties daarvan; b. onderwijsfunctie of nevengebruiksfuncties daarvan; c. gezondheidszorgfunctie met bedgebied of nevengebruiksfuncties daarvan; of d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied of nevengebruiksfuncties daarvan.
Artikel 3.27 Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit wijziging gebruik naar geluidgevoelige functie De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.26, wordt alleen verleend als: a. het met de wijziging beoogde gebruik niet in strijd is met artikel 2.3; en b. het geluid op de gevel van het geluidgevoelig gebouw, met het oog op de bescherming van de gezondheid, aanvaardbaar is.
Artikel 3.28 Wijziging gebruik naar geluidgevoelige functie aanvaardbaar wanneer wordt voldaan aan de standaardwaarde 1.
Van een aanvaardbaar geluid op de gevel van het geluidgevoelig gebouw is in elk geval sprake als het geluid op de gevel niet hoger is dan de standaardwaarde, bedoeld in tabel 3.28: Tabel 3.28: Standaardwaarde geluid op een geluidgevoelig gebouw per bronsoort Geluidbronsoort
Grenswaarde
Provinciale wegen en rijkswegen
50 Lden
Gemeentewegen en waterschapswegen
53 Lden
Lokale spoorwegen en hoofdspoorwegen
55 Lden 50 Lden
Industrieterreinen 40 Lnight
2.
Artikel 5.78t, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving is van overeenkomstige toepassing.
3.
Voor een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onder b of d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan het gebruik in de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten: a. gelden de waarden in Lnight niet; en b. wordt in tabel 3.28 gelezen voor «Lden»: »Lde».
4.
Voor een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onder b of d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan het gebruik in de avondperiode en de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten: a. gelden de waarden in Lnight niet; en b. wordt in tabel 3.28 gelezen voor «Lden»: «Lday».
Artikel 3.29 Overschrijding van de standaardwaarde 1.
39
Wanneer het geluid op de gevel van het geluidgevoelig gebouw hoger is dan de in artikel 3.28 bedoelde standaardwaarde kan het geluid aanvaardbaar zijn als: a. geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen; b. de overschrijding van de standaardwaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt; en c. het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 3.29:
Tabel 3.29: Grenswaarde geluid op een geluidgevoelig gebouw per bronsoort Geluidbronsoort
Grenswaarde
Provinciale wegen en rijkswegen
60 Lden
Gemeentewegen en waterschapswegen
70 Lden
Lokale spoorwegen en hoofdspoorwegen
65 Lden 55 Lden
Industrieterreinen 45 Lnight
2.
Geluidbeperkende maatregelen als bedoeld in het eerste lid worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan.
3.
Als de aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.26, betrekking heeft op een gebouw of gedeelte van een gebouw waar bewoning is toegestaan, en geluidbeperkende maatregelen om aan de standaardwaarden te voldoen, gelet op het bepaalde in het tweede lid niet doelmatig of bezwaarlijk zijn, is sprake van een aanvaardbare geluidbelasting als elke afzonderlijke woning beschikt over een geluidluwe gevel waarop ten hoogste de standaardwaarde, bedoeld in artikel 3.28, is berekend.
4.
Als de aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.26, betrekking heeft op een gebouw of gedeelte van een gebouw waar bewoning is toegestaan, en geluidbeperkende maatregelen om aan de standaardwaarden te voldoen gelet op het bepaalde in het tweede lid niet doelmatig of bezwaarlijk zijn en niet elke afzonderlijke woning beschikt over een geluidluwe gevel waarop ten hoogste de standaardwaarde, bedoeld in artikel 3.28, is berekend, kan sprake zijn van een aanvaardbare geluidbelasting als: a. elke afzonderlijke woning beschikt over een bijna-geluidluwe gevel; en b. zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen dit rechtvaardigen.
5.
Artikel 5.78u, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving is van overeenkomstige toepassing.
6.
Voor een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onder b of d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan het gebruik in de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten: a. gelden de waarden in Lnight niet; en b. wordt in tabel 3.29 gelezen voor «Lden»: »Lde».
7.
Voor een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onder b of d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan het gebruik in de avondperiode en de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten: a. gelden de waarden in Lnight niet; en b. wordt in tabel 3.29 gelezen voor «Lden»: «Lday».
Artikel 3.30 Belang van een geluidluwe gevel Bij de toepassing van artikel 3.29 wordt het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel betrokken.
Artikel 3.31 Beoordelen aanvaardbaarheid gecumuleerd geluid
40
1.
Bij de toepassing van artikel 3.29 wordt de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op het geluidgevoelige gebouw beoordeeld.
2.
Bij het bepalen van het gecumuleerde geluid wordt in ieder geval betrokken:
a. b.
c.
d.
3.
voor een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied van een weg, spoorweg ofindustrieterrein: het geluid door die geluidbronsoort; voor een geluidgevoelig gebouw binnen de 48 Lden geluidcontour of, voor zover de geldendegeluidcontouren in Kosteneenheden zijn uitgedrukt, binnen de 20 Kosteneenheden geluidcontourvan een luchthaven waarvoor op grond van de Wet luchtvaart een luchthavenindelingbesluit, eenluchthavenbesluit of een besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven is vereist: het geluiddoor luchtvaart; voor een geluidgevoelig gebouw waarop het geluid door een windturbine of een windpark op eenindustrieterrein hoger is dan 43 Lden: het geluid door die windturbine of dat windpark; en voor een geluidgevoelig gebouw waarop het geluid door een civiele buitenschietbaan, eenmilitaire buitenschietbaan of een militair springterrein op een industrieterrein hoger is dan 50 BS,dan: het geluid door die buitenschietbaan of dat springterrein.
Op het bepalen van het gecumuleerde geluid zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.
Artikel 3.32 Bepalen van gezamenlijk geluid Bij de toepassing van artikel 3.29 wordt het gezamenlijk geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen bepaald en in de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.26, vastgelegd.
Artikel 3.33 Vergunningvoorschriften 1.
Aan de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.26, worden de voorschriften verbonden die nodig zijn met het oog op het voorkomen van onaanvaardbare geluidhinder.
2.
Voor zover de in het eerste lid bedoelde voorschriften betrekking hebben op het nemen van bouwkundige maatregelen, waarvoor op grond van hoofdstuk 4 een vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken geldt, dan is hoofdstuk 4 op het verrichten van die omgevingsplanactiviteit bouwwerken onverkort van toepassing.
Artikel 3.34 Aanvraagvereisten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.26, wordt een rapport verstrekt: a. waaruit de mate van geluid op de gevel van het geluidgevoelige gebouw blijkt; en b. waarin, indien nodig in verband met een overschrijding van de standaardwaarde, inzicht wordt gegeven in de maatregelen die worden genomen met het oog op de bescherming van de gezondheid.
Paragraaf 3.2.7 Huisvesting in verband met mantelzorg Artikel 3.35 Vergunningplicht huisvesting in verband met mantelzorg in een bestaand bouwwerk 1.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bestaand bouwwerk te gebruiken voor huisvesting in verband met mantelzorg.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing voor zover een gebouw voor het moment dat dit artikel in werking is getreden rechtmatig is gebouwd en in gebruik is genomen voor huisvesting in verband met mantelzorg.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing ter plaatse van de aanduiding 'huisvesting mantelzorg toegestaan'.
4.
Het eerste lid is niet van toepassing ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen', voor zover huisvesting in verband met mantelzorg op grond van het nog geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is toegestaan.
Artikel 3.36 Beoordelingsregels 1.
41
De in artikel 3.35, eerste lid, bedoelde omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. het gebouw rechtmatig is gebouwd; b. het geluid op het gebouw, met het oog op de bescherming van de gezondheid, aanvaardbaar is; en
c.
42
het gebruik van het bestaande bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg niet leidt tot beperkingen bij de bestaande uitoefening van milieubelastende activiteiten, bedoeld in afdeling 9.2.
2.
Op de aanvraag en de beoordeling of het geluid op het gebouw, met het oog op de bescherming van de gezondheid, aanvaardbaar is, is paragraaf 3.2.6 van overeenkomstige toepassing, zij het dat de in in artikel 3.35, eerste lid, bedoelde omgevingsvergunning niet wordt geweigerd wegens strijd met artikel 2.3, eerste of tweede lid.
3.
De in artikel 3.35, eerste lid, bedoelde omgevingsvergunning wordt in afwijking van het eerste lid geweigerd als de activiteit wordt verricht: a. ter plaatse van de aanduiding 'beperkingengebied plaatsgebonden risico'; b. ter plaatse van de aanduiding 'belemmeringengebied buisleiding gevaarlijke stoffen'; c. ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringsgebied vuurwerk'; d. ter plaatse van de aanduiding 'explosieaandachtsgebied vuurwerk'; e. ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringsgebied ontplofbare stoffen voor civiel gebruik'; f. ter plaatse van de aanduiding 'civiel explosieaandachtsgebied'.
4.
Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' wordt de in artikel 3.35, eerste lid, bedoelde omgevingsvergunning in afwijking van het eerste lid geweigerd als de activiteit wordt verricht: a. op een locatie waar de activiteit op grond van het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan niet is toegestaan vanwege het overschrijden van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als gevolg van de aanwezigheid van een locatie voor een vergunningplichtige milieubelastende activiteit, transportroute of buisleiding of vanwege de ligging in een belemmeringenstrook voor het onderhoud van een buisleiding; b. op een locatie binnen een afstand als bedoeld in: 1. artikel 4.421, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, van dat artikel van toepassing is; 2. artikel 4.472c, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 3. artikel 4.484, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 4. artikel 4.524, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is; 5.
artikel 4.532, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 6. artikel 4.542, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 7. artikel 4.866, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is; 8. artikel 4.899, eerste lid, onder b, of derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 9. artikel 4.905, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is; 10. artikel 4.914, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 11. artikel 4.962, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 12. artikel 4.963, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 13.
artikel 4.1008, eerste lid, onder b, of tweede lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, het tweede lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is; of 14. artikel 4.1101, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is; of c. op een locatie binnen een afstand als bedoeld in: 1. artikel 4.1042, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving; 2. bijlage VIII, onder A en B het Besluit kwaliteit leefomgeving; 3. artikel 4.1051, eerste lid, aanhef en onder b, en tweede lid, aanhef en onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover de afstand, bedoeld in het eerste lid,
4.
aanhef en onder b, tweede lid, aanhef en onder b, of derde lid van dat artikel van toepassing is; of bijlage IX, onder A tot en met C bij het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Artikel 3.37 Aanvraagvereisten 1.
Op een aanvraag voor een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, is artikel 3.34 van overeenkomstige toepassing.
2.
In aanvulling op het eerste lid wordt bij de aanvraag om omgevingsvergunning een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur verstrekt, waaruit de behoefte aan mantelzorg blijkt.
Paragraaf 3.2.8 Het wijzigen van een buisleiding met gevaarlijke stoffen, de druk of de vervoerde stof Artikel 3.38 Vergunningplicht voor het wijzigen van een buisleiding met gevaarlijke stoffen, de druk of de vervoerde stof Het is verboden zonder omgevingsvergunning de leiding, de druk of de vervoerde stof te wijzigen voor zover de wijziging leidt tot een wijziging van het aandachtsgebied bedoeld in artikel 5.12 en 5.13 Besluit kwaliteit leefomgeving.
Artikel 3.39 Beoordelingsregel omgevingsvergunning buisleiding gevaarlijke stoffen 1.
De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.38, wordt alleen verleend als de nodige maatregelen worden getroffen om ongevallen met een buisleiding met gevaarlijke stoffen te voorkomen en de eventuele gevolgen van ongevallen voor de omgeving te beperken.
2.
Bij de toepassing van het eerste lid wordt in ieder geval rekening gehouden met de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door de buisleiding voor beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties binnen een brandaandachtsgebied, een explosieaandachtsgebied en een gifwolkaandachtsgebied, voor zover dat gebied niet is gelegen binnen een risicogebied externe veiligheid.
3.
Op de beoordeling, bedoeld in het tweede lid zijn de artikelen 5.12 en 5.13 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.
4.
Bij het beoordelen van de aanvraag om de omgevingsvergunning wordt rekening gehouden met het advies van de veiligheidsregio.
Artikel 3.40 Aanvraagvereisten 1.
Bij de aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 3.38 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een beschrijving van de voorgenomen wijziging; en b. de resultaten van de berekeningen van: 1. de afstand vanaf de buisleiding tot waar het plaatsgebonden risico ten hoogste 1 op de 1.000.000 per jaar is; en 2. de afstand voor het brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied, bedoeld in artikel 5.12 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
2.
Op het berekenen van het brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied is artikel 4.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub ii van de Omgevingsregeling van toepassing.
Artikel 3.41 Vergunningvoorschriften Met het oog op het in artikel 2.221, derde lid, bedoelde belang kunnen aan de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.38, voorschriften worden verbonden tot het beschermen van de fysieke leefomgeving van de buisleiding.
Paragraaf 3.2.9 Wijzigen gebruik van ambachtelijke bedrijven
43
Artikel 3.42 Geografisch werkingsgebied, toepassingsbereik en oogmerk 1.
Deze paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'vergunningplicht bij wijziging ambachtelijk bedrijf'.
2.
Waar een TAM-omgevingsplan geldt, is deze subparagraaf van overeenkomstige toepassing, voor zover in dat TAM-omgevingsplan een locatie is aangeduid met de aanduiding 'ambachtelijk bedrijf'.
3.
Deze paragraaf is van toepassing op het wijzigen van een legaal bestaand gebruik als ambachtelijk bedrijf naar een ander gebruik, uitsluitend voor zover het met de wijziging beoogde gebruik niet in strijd is met artikel 2.3.
4.
Deze paragraaf heeft het doel een divers functieaanbod te garanderen en ambachtelijke bedrijven te behouden in centrumgebieden waar de druk op de leefbaarheid groot is.
Artikel 3.43 Vergunningplicht wijziging ambachtelijke bedrijf naar ander gebruik Het is verboden zonder omgevingsvergunning het bestaand gebruik te wijzigen van een ambachtelijk bedrijf naar ander gebruik.
Artikel 3.44 Beoordelingsregel De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. de beoogd ander gebruik niet in strijd is met artikel 2.3; en b. het beoogd ander gebruik bijdraagt aan een divers en lokaal aanbod aan voorzieningen, passend bij het karakter van het gebied.
Artikel 3.45 Aanvraagvereiste Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.43het tweede lid wordt in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een beschrijving van het bestaande gebruik; b. een beschrijving van de voorgenomen gebruik; c. een onderbouwing in welke mate het voorgenomen gebruik bijdraagt aan het aanbod aan voorzieningen als bedoeld in artikel 3.44, onder b.
Paragraaf 3.2.10 Beperkingen voor beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen in een beperkingengebied plaatsgebonden risico Artikel 3.46 Geografisch werkingsgebied en oogmerk 1.
Deze paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'beperkingengebied plaatsgebonden risico'.
2.
Waar een TAM-omgevingsplan geldt, is deze subparagraaf van overeenkomstige toepassing, voor zover in dat TAM-omgevingsplan een locatie is aangeduid met de aanduiding 'beperkingengebied plaatsgebonden risico'.
3.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld om kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare gebouwen te beschermen.
Artikel 3.47 Verbod gebruik kwetsbaar gebouw 1.
Het is verboden om een gebouw te gebruiken als een kwetsbaar gebouw.
2.
Het verbod geldt niet voor kwetsbare gebouwen die functionele binding hebben met de activiteit waarvoor de aanduiding 'beperkingengebied plaatsgebonden risico' is opgenomen.
Artikel 3.48 Vergunningplicht wijziging naar beperkt kwetsbaar gebouw 1.
44
Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten: a. het wijzigen van het gebruik van een gebouw of een deel van een gebouw dat geen kwetsbaar, beperkt kwetsbaar of zeer kwetsbaar gebouw is naar een gebruik als beperkt kwetsbaar gebouw; b. het wijzigen van het gebruik van een beperkt kwetsbaar gebouw naar een andere beperkt kwetsbare gebruiksfunctie waardoor het aantal aanwezige personen toeneemt.
2.
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor een beperkt kwetsbaar gebouw dat functionele binding heeft met de activiteit waarvoor de aanduiding 'beperkingengebied plaatsgebonden risico' is opgenomen.
Artikel 3.49 Beoordelingsregels 1.
De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.48, eerste lid, wordt alleen verleend als: a. de wijziging naar een beperkt kwetsbaar gebouw niet in strijd is met artikel 2.3; b. zwaarwegende economische of maatschappelijke redenen dit rechtvaardigen; c. alle redelijke maatregelen om de gevolgen van een ramp te bestrijden zijn getroffen; en d. er zijn voldoende mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen in geval van een ramp bij de activiteit met het beperkingengebied.
2.
Bij het beoordelen van de aanvraag om de omgevingsvergunning wordt rekening gehouden met het advies van de veiligheidsregio.
3.
In aanvulling op het eerste lid geldt dat de omgevingsvergunning niet wordt verleend indien het beperkt kwetsbare gebouw geheel of gedeeltelijk staat ter plaatse van de aanduiding 'plaatsgebonden risico 10-5 windturbineplaatsgebonden risico 10-5 windturbine'.
Artikel 3.50 Vergunningvoorschriften Aan de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.48, eerste lid, kunnen voorschriften worden verbonden ter bescherming van beperkt kwetsbare gebouwen.
Artikel 3.51 Aanvraagvereisten Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.48, eerste lid, voor het toelaten van een beperkt kwetsbaar gebouw worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de zwaarwegende economische of maatschappelijke redenen voor de realisatie van het beperkt kwetsbare gebouw of het gebruik van de gronden; b. alle redelijke maatregelen die worden getroffen om de gevolgen van een ramp te bestrijden; en c. gegevens over de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen in geval van een ramp bij de activiteit met het beperkingengebied.
Paragraaf 3.2.11 Beperkingen voor zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen en kwetsbare en beperkt kwetsbare locaties in een beperkingengebied vuurwerk [gereserveerd] [Gereserveerd]
Paragraaf 3.2.12 Beperkingen voor zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen en kwetsbare en beperkt kwetsbare locaties in een beperkingengebied ontplofbare stoffen [gereserveerd] [Gereserveerd]