Puccini Handboek Groen (2024).pdf
Tekst van het document
Doorwortelbaar volume (m3)
11 Bijlagen
Groenelement
9. Goede drainage en bewatering is essentieel. Drainage en bewateringssystemen zijn duur in aanleg en beheer, dit geldt ook voor handmatig watergeven met een waterwagen. Kijk eerst of er simpelere oplossingen te bedenken zijn voor omstandigheden met te veel water (bv. drainagerichel) of te weinig water (bv. beplanting toepassen met minder waterbehoefte). Als er ten behoeve van nieuwe plantvakken en bomen in de nazorgfase kunstmatig water gegeven moet worden, is het belangrijk om zoet water te gebruiken en in geen enkele situatie brak of zout water omdat dit schade aan de gewassen oplevert. In figuur 4.6 van Waternet is te zien waar zich zoet water bevindt met een laag chloridegehalte. Bepaal vooraf of het beschikbare water zout, brak of zoet (blauwe kleuren in de figuur) is en of het geschikt is voor het groenvoorzieningen en bomen. 10. Zorg ervoor dat het groen goed te beheren is en bereikbaar voor eventuele beheermachines (figuur 4.7). Stem de afstanden tussen bomen, randen en meubilair af op maaivoertuigen. Leg eventueel een werkpad aan (60 cm). Zie hiervoor ook de hoofdstukken over de verschillende beplantingstypen.
figuur 4.6 Zoet en zout water in de Amsterdamse grachten, waarbij de blauwe kleuren zoet water aangeven en de gele t/m roze kleuren brak en zout water aangeven (meting juli 2018, bron Waternet)
11. Plaats banken en andere objecten zoveel mogelijk in de verharding (figuur 4.8). Plaats banken met voorzieningen op een verhard tableau, bijvoorbeeld tegels of klinkers. 12. Hou langs strooiroutes rekening met strooizout. Over het algemeen kunnen bomen en vaste planten slecht tegen strooizout (dooizouten). Kies voor strooizoutbestendig sortiment (zie bijlage 11.1 t/m 11.4) naast strooiroutes. Of zorg voor 1 m afstand tussen de strooiroute en de beplanting. Bijvoorbeeld in de vorm van een werkpad, met afschot naar de goot. Wadi’s aanleggen kan prima langs strooiroutes. Voorkom, in die situatie, dat al het regenwater van de wegen in de wadi terecht komt. Piekbuien, die juist vaak in het zomerseizoen vallen, kunnen zonder problemen in wadi’s langs strooiroutes opgevangen worden.
figuur 4.7 Zorg ervoor dat het groen goed kan worden beheerd en
50 bereikbaar is
18. Hou er rekening mee dat het groen een leefgebied kan vormen voor dieren die een positieve invloed hebben, maar ook voor dieren die overlast kunnen veroorzaken (ratten, muggen of andere ziekte overdragende soorten). Voorkom dicht struikgewas nabij afvalverzamelpunten, omdat dit een schuilplek voor ratten vormt. Zorg dat zwerfafval makkelijk te verwijderen is uit de plantvakken.
figuur 4.8 Banken en andere objecten zoveel mogelijk in verharding plaatsen
11 Bijlagen
10 Water- en oeverbeplanting
09 Gras en ruigte
08 Kruidachtigen
07 Heesters, hagen, rozen en klimplanten
06 Bosplantsoen en struweel
15. Pas bij nieuwe aanplant van hagen en vaste planten op intensief gebruikte plekken tijdelijke bescherming toe, in de vorm van paal en draad, om inloop te voorkomen. Stem het sortiment goed af met de beheerder aan tafel. Er kan ook gekozen worden voor een hekwerk (eventueel met uitleg waarom het hekwerk er staat). Dit moet na bepaalde tijd weer weggehaald worden.
02 Doel en overtuigingen 01 Toelichting voor de Puccinimethode gebruiker
17. Kies aan de randen van speelplekken voor beplanting die snel sluit en sterk is. Voorzie de plantvakken van verhoogde randen om onder andere doorlopen en -rijden onmogelijk te maken. Zorg bij de uitgangen voor lage beplanting in verband met zicht van en op spelende kinderen en overig verkeer.
03 Groenkaart en tabel
14. Hou rekening met bestaande beplanting bij het ontwerpen van kabels en leidingen. Kabels en leidingen kunnen een haag of plantvak haaks kruisen. Plaats bij voorkeur geen kabels en leidingen onder plantvakken. Als de situatie niet anders toelaat, plaats de kabels en leidingen dan 0,5 m onder de wortels/maaiveld en gebruik soorten die ondiep wortelen. In hoofdstuk 5 Bomen, staat hoe kabels en leidingen toe te passen bij bomen. Voor wat betreft kabels en leidingen bij vaste planten, hagen of heesters hebben de beheerders van de kabels en leidingen eigen eisen ten aanzien van de diepteligging.
04 Basisprincipes
16. Hou bij hoeken, kruispunten en oversteekplekken rekening met de maximumhoogte van beplanting in de obstakelvrijezone (0,40 m) en in de transparante zone (0,75 m). Waar de obstakelvrije en transparante zone liggen, verschilt per type kruispunt. Vraag hierover advies bij een verkeerskundige.
05 Bomen
13. Zorg dat open, opgaande beplanting (bijvoorbeeld solitaire heesters zoals vlinderstruiken) in een onderbegroeiing staat van bodem bedekkende heesters of vaste planten. Hierdoor wordt de groei van onkruid en het inwaaien van zwerfvuil tot een minimum beperkt.
51
4.1.3 uitgangspunten voorbereiding en aanleg
7. Bij wijzingen aan het beplantingsplan, bijvoorbeeld door beperkte leverbaarheid van bepaalde soorten, stelt de werkvoorbereider of toezichthouder de ontwerper op de hoogte en legt een alternatieve soort voor.
1. Zorg bij aanleg van nieuw groen dat de beplanting en de bodem goed op elkaar afgestemd zijn en zorg in het plantvak voor de juiste bodemopbouw. Dit is locatieafhankelijk. Sommige bodems zijn al goed, andere moeten worden verbeterd. Bekijk de profielen in de factsheets bij de verschillende soorten beplanting in de specifieke hoofdstukken van het Handboek Groen.
8. Voor aanplant zijn de technische bepalingen van de UAV/Standaard, de UAV-gc of de raamcontracten van de gemeente Amsterdam van toepassing, afhankelijk van het soort project. Let op: • de afstemming tussen de diverse aannemers; • de controlemomenten; • het op de juiste plek aanplanten van het plantmateriaal.
2. Zorg bij de start van de aanleg dat er geen invasieve exoten aanwezig zijn.
9. Neem contact op met de contractmanager- of categoriemanager Groen voor het gebruik van stadsbrede raamovereenkomsten, die voor onderdelen verplicht zijn.
3. Voorkom structuurschade (verdichting, spoorvorming) aan de bodem. 4. Plant de juiste hoeveelheid planten per vierkante meter en op de juiste plantafstand. Dit voorkomt ‘overkoken’. Zet bij het planten van vaste planten en heesters de beplanting uit vanaf de rand en de hoek van het plant vak, en vul in principe aan in verspringend- of driehoeksverband. Beplanting bij de rand plant je op een halve plantdiameter (van de plant in volgroeide staat) (zie figuur 4.9). In de sortimentslijsten zijn aanbevelingen gedaan over plantafstanden in combinatie met plantmaat. Zie sortimentslijsten in de bijlage. 5. Gebruik bij voorkeur duurzaam gekweekte planten. Let daarbij op de door Amsterdam gebruikte keurmerken (zie inkoopbeleid Amsterdam, amsterdam.nl/ondernemen/inkoop-aanbesteden/inkoopbeleid/). 6. Een toezichthouder groen houdt toezicht op het grondwerk, tijdens aanleg, aanplant en tijdens de eerste jaren van het beheer door de aannemer (zie ook stroomschema in figuur 4.10). Deze toezichthouder spreekt en stuurt de aannemer aan. Daarnaast informeert de toezichthouder de tuinlieden voor een goede overdracht, ook bij het registreren en vervangen van uitgevallen planten.
figuur 4.9 Zet bij het planten van vasten planten en heesters de beplanting uit vanaf de rand en de hoek van het plantvak
52
02 Doel en overtuigingen 01 Toelichting voor de Puccinimethode gebruiker
4.1.4 uitgangspunten beheer 1. Beheer vindt plaats op basis van het gemeentelijke beheersysteem (GISIB), waarbij het vastgestelde beheerniveau in stand gehouden wordt binnen de afgesproken middelen.
03 Groenkaart en tabel
2. Stadswerken is op de hoogte van de afspraken rondom beheer door bewoners en spreekt bewoners aan als de afgesproken resultaten niet gehaald worden. 3. Bemest rozenvakken alleen als het nodig is. Bemest vaste plantenvakken minimaal twee keer per jaar. Bemest in gras alleen de bollenstroken indien nodig.
11 Bijlagen
10 Water- en oeverbeplanting
09 Gras en ruigte
08 Kruidachtigen
07 Heesters, hagen, rozen en klimplanten
06 Bosplantsoen en struweel
05 Bomen
04 Basisprincipes
4. Wanneer soorten uitvallen worden deze in principe een op een vervangen. Als de uitval zeer groot is, als gevolg van een ziekte of een plaag, kies dan, in overleg met de ontwerper, voor een andere soort.
53
4.2 Proces van eerste visie tot en met nazorg en beheer in de groenketen
•
Een goede inrichting van de (groene) openbare ruimte vereist goede afstemming tussen (groene) ontwerpers, (groene) werkvoorbereiders, (groene) toezichthouders en (groene) beheerders. Deze afstemming tussen ontwerp, aanleg en beheer is beschreven in de vijf overtuigingen van de Puccinimethode (zie paragraaf 2.2). Het proces is schematisch weergegeven in figuur 4.10. Daarin is te zien wie welke rol heeft, waar voor verantwoordelijk is en hoe iedereen samenwerkt.
•
4.4 Eetbaar groen Om de verbinding tussen bewoners, groen en voedsel te versterken en bewustwording van een gezonde leefomgeving en gezond voedsel te stimuleren, wordt bij de inrichting van groen waar passend en mogelijk eetbare plantensoorten uitgekozen. Eetbare plantensoorten kunnen bomen of heesters zijn die eetbare vruchten, noten of zaden dragen, maar denk ook aan eetbare klimplanten of kruiden. Eetbaar groen is niet overal wenselijk, bijvoorbeeld op locaties met bodemvervuiling. Beplanting van eetbaar groen is mogelijk op plekken die veilig te bereiken zijn, waarbij plukken of rapen geen schade levert aan omringende beplanting en waar gevallen vruchten of noten niet tot overlast zorgen. Eetbaar groen is goed toepasbaar op het niveau van buurtgroen, bijvoorbeeld als onderdeel van medebeheerprojecten, maar kan ook goed toegepast worden op educatieve locaties in parken en plantsoenen.
4.3 Particulier medebeheer 4.3.1 proces Medebeheer is een samenwerking tussen de gemeente en een andere partij, zoals: bewoners, ondernemers, corporaties en/of nonprofitorganisaties. Daarbij voert zo’n partij op vrijwillige basis een deel van de beheertaken uit in de openbare ruimte. Om dit mogelijk te maken, faciliteert de gemeente met kennis, materialen en eventueel fysieke aanpassingen in de openbare ruimte. Alle partijen hebben eigen taken en verantwoordelijkheden. De gemeente blijft altijd eindverantwoordelijk. Een initiatief vanuit de buurt om groen toe te voegen of iets anders te wijzigen aan de openbare ruimte moet worden voorgelegd aan het Toetsteam Openbare Ruimte en Mobiliteit. Deze toetst onder andere of de plannen niet ten koste gaan van doorloopruimte en/of cultuurhistorische kwaliteit.
4.3.2 inrichting en plantkeuze •
• •
Het is verplicht om de verspreiding van invasieve exoten tegen te gaan, door deze actief te verdelgen. Logischerwijs is het niet toegestaan om deze soorten aan te planten. Deze soorten zijn te vinden op de Unielijst. Zie: www.nvwa.nl/onderwerpen/invasieve-exoten/ unielijst-invasieve-exoten Chemische bestrijdingsmiddelen zijn niet toegestaan.
Het kweken van groente en fruit (een moestuin houden) kan in volle grond, tenzij verplicht bodemonderzoek aantoont dat dit niet mogelijk is. Dan moet het kweken van groente en fruit in bakken. Aanplant van bomen is niet toegestaan, met uitzondering van laag- en halfstam fruitbomen. Kerstbomen zijn dus ook niet toegestaan. Voor overige beplanting zijn bewoners vrij in de soortkeuze, wel wordt aangeraden gebruik te maken van de best-practice-lijsten, de soorten op deze lijsten hebben zich in Amsterdamse omstandigheden goed bewezen.
54
V&OR Assetmanagement beheercoördinator/BAT
Stadswerken Gebiedsbeheerder (toezicht dagelijks beheer)
Groenaannemer Aanleg en nazorg (bomen: 4 jaar, overig groen: 3 jaar)
Wie, wat en wanneer: ONTWERP VOORVERKENNING •
Ontwerper start met een voorverkenning (ruimtelijke kwaliteiten (o.a. cultuurhistorie), kansen en randvoorwaarden) met vakspecialistische inbreng van o.a. IB (aspecten bodem, water, duurzaamheid en groen)
•
•
Ontwerper maakt een ontwerp op basis van een plan van aanpak/nota van uitgangspunten, gebaseerd op bestaand beleid (zie paragraaf 3.2.1 algemene uitgangspunten Puccinimethode Handboek Groen) Ontwerper geeft in ontwerp aan waar welke beplanting toegepast wordt en houdt bij de sortimentskeus rekening met de standpaats en eigenschappen van de plant
DEF. BEPLANTINGSPLAN:
PLAN- en BEHEERKOSTENTOETS:
RUIMTELIJK (GROEN-)ONTWERP: •
Toets door beheercoördinator/BAT (let op beheerkostenstijging en areaaluitbreiding) Gebiedsbeheerder schakelt bij aanleg in bijzondere groene plekken (zie vloerkaart) altijd een vertegenwoordiger van dagelijks beheer in, bij overige projecten optioneel IB groenonderzoeken (bomen en natuur), grondwateranalyse en groeiplaatsanalyse en -principes
•
•
•
• •
Beplantingsplan samenstellen (zie paragraaf 3.2.2 uitgangspunten groenontwerp en beplantingsplan) Schakel indien nodig extra groen(ontwerp)- of cultuurhistorisch advies in Vaststellen groeiplaatscondities (randvoorwaarden) en -principes
VOORBEREIDING
• •
•
Afhankelijk van de contractwijze Bij RAW zet IB ontwerp en beplantingsplan om in werktekenigen, plantlijsten (juiste aantallen en de te veren kwaliteit) en bestek Bij UAVGC stelt IB vraagspecificaties op, waarbij marktpartijen verantwoordelijk zijn voor adequate uitvoering. IB daarop toe.
BEHEERPLAN INPUT:
CHECK CONTRACT: • • •
Ontwerper neemt contract en werktekening door met de werkvoorbereider Assetmanagement neemt contract en werktekening door met werkvoorbereider Werkvoorbereider geeft aan als er problemen zijn met het vertalen van het ontwerp naar het contract en werktekeningen.
•
AANBESTEDING
Ontwerper levert input qua eindbeeld en uitgangspunten In overleg met BAT check of beheer past binnen bestaande beheerkaders (norm). Voor plannen die daarvan afwijken kan er een beheerplan nodig zijn.
•
• •
SCHRIJVEN BEHEERPLAN: •
Het (groen-) werk wordt conform RAW of UAVGC aangelegd Borging (garantie) van aanplant (nazorg/inboeten/etc.) van het groen 1e 3 jaar (bomen 1e 4 jaar) wordt door marktpartij meegenomen in het contract, met daarop toezicht van IB
IB-adviseur verzorgt het beheerplan of heeft hier regie op Toets van beheerplan door gebiedsbeheerder
•
06 Bosplantsoen en struweel
BEPLANTINGSPLAN EN SPECIFICATIES VOOR CONTRACT
UITVOERING STARTBIJEENKOMST UITVOERING: Afhankelijk van contractvorm Bij RAW legt ontwerper plan uit aan projectleider uitvoering en groenaannemer hoe het plan in elkaar zit en wat de aandachtspunten zijn. Projectleider uitvoering maakt afspraken met uitvoerder over planning/ keuren plantmateriaal etc.
• De toezichthouder aanleg; - keurt grondwerk, - begeleidt het uitzetten van plantwerk, - keurt plantmateriaal, - eventuele wijzigingen in het ontwerp worden doorgesproken met ontwerper, etc. volgens contracteisen
START NAZORG: • • •
Voorschouw voor start in gebruikname met gebiedsbeheerder. Projectrealisatie en inkoop van IB levert het werk op aan groenaannemer conform contract Overzetten van gegevens in GISIB
•
Door groenaannemer conform contract
•
Bij RAW bestek door toezichthouder onder auspiciën au IB, Bij UAVGC is toezicht deel van het contract tot maximaal 4 jaar na oplevering, daarna overdracht naar V&OR
•
• •
TOEZICHT
•
Op basis van contract Bij RAW-bestek door toezichthouder IB (deze neemt na neemt na 1e, 2e en 3e groeiseizoen uitgevallen beplanting op, maakt en communiceert inboetlijsten met aannemer en haakt ontwerper aan om alternatieve soorten door te spreken). Bij UAVGC op basis van resultaatsverplichting, IB toetst op naleving
PROCESVERBAAL VAN IN BEHEERNAME •
Na verstrijken onderhoudscontract (na 3 en/of 4 jaar) neemt Stadswerken het project over in beheer.
figuur 4.10 Samenhang, ontwerp, aanleg en beheer schematisch weergegeven.
55
DAGELIJKS BEHEER DAGELIJKS BEHEER • •
Door Stadswerken Periodieke terugkoppeling van ervaringen (aanleg en beheer) tbv verbeteringen in ontwerp/ planproces
10 Water- en oeverbeplanting
INBOET OPNAME
BEHEER
11 Bijlagen
BEHEER
09 Gras en ruigte
08 Kruidachtigen
• •
UITVOERINGSBEGELEIDING EN TUSSENTIJDS TOEZICHT
02 Doel en overtuigingen 01 Toelichting voor de Puccinimethode gebruiker
IB Projectrealisatie en inkoop
03 Groenkaart en tabel
IB (Groen)adviseur/-specialist
07 Heesters, hagen, rozen en klimplanten
R&D Ontwerper
04 Basisprincipes
(rolverdeling en interactie van de verschillende betrokken partijen)
05 Bomen
Processchema, samenhang tussen ontwerp, aanleg en beheer
05
Bomen 56
02 Doel en overtuigingen 01 Toelichting voor de Puccinimethode gebruiker
Bomen
Perk-/struikrozen
Hagen * let op, alleen passend in bepaalde ruimtelijke systemen
Klimplanten in de openbare ruimte, uitgezonderd gevels
Wissel-/perkplanten
Gazon/bloemrijk gazon *wel toepasbaar bij verblijfsfunctie Blemrijk gras *let op hoogte Ruw gras *let op hoogte Ruigte *let op hoogte ruderale stadsruigte *let op hoogte
Bloemenlint/bijenidylle
water- en oeverbeplanting
+I
+
+
-
+I
-
-
-
+I
+I
-
-*
+
+
+
+
-
+
Straten <15 m
+
-
-
-
+
-
+
+/-*
-
+/-*
+
-
-
-
-
-
-
-
nvt
+
+
+
+
+
-
+
+/-*
-
+/-*
+
-
-*
+*
-
-
-
-
nvt
+
+
+
+
+
+
-
-
-
-
+
-
-
+*
+
+*
-
-
nvt
+
-
-
-
-
-
-
-
-
+/-**
-
-
-
-
-
-
-
-
+
+
-
-
-
+
-
+
+*
-
+/-**
+
-
+
+
+
-
-
-
+
+
-
-
-
+
+
-
+*
-
+/-*
+
-
+
+
+
-
+
+/-
+
Natuurlijke oevers
+I
-
+
+
-
+I
-
-
-
+/- I
+
-
-
+
+
+
-
-
+
Boomspiegels (gemeentelijk beheer)
-
-
-
-
+
-
-
-
-
+
+
-
-
-
-
-
-
-
-
Stadsgroen en bijzondere plekken
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ Passend beplantingstype voor het type openbaar groen - Minder passend beplantingstype voor het type openbaar groen +/- Het beplantingstype is voor dit type openbaar groen niet altijd geschikt. Een onderbouwing bij het toetsteam is gewenst. tabel 5.1 Uit beleidskader Puccinimethode: toepasbaarheid van bomen in de openbare ruimte
57
06 Bosplantsoen en struweel 07 Heesters, hagen, rozen en klimplanten 08 Kruidachtigen 09 Gras en ruigte 10 Water- en oeverbeplanting 11 Bijlagen
Straten >15 m incl. bermen, groenstroken, etc. Straten >15 m onderdeel van landschap Kades (binnen rijksbeschermde stadsgezichten) Kades (buiten rijksbeschermde stadsgezichten) Oevers (van oorsprong zachte/ flauwe oever)
05 Bomen
Struweel
+I
Vaste planten I=inheems * à l buurtpleinenpalet, bewuste uitzondering ** op kades in authentiek profiel alleen in boomspiegels Bolgewassen I=inheems
Bosplantsoen
Ecologisch groen
Heesters nb: hieronder verstaan we de uitheemse sierheesters,inheemse soorten zijn benoemd onder ‘struweel’ (Botanische) Rozen (vrijuitgroeiend) I=inheems
Openbaar groen v
Bomen I=inheems Fruitbomen (consumptiefruit) I=inheems
Beplantingstypen >
04 Basisprincipes
03 Groenkaart en tabel
In het Beleidskader Puccinimethode is vastgesteld (zie tabel 5.1) waar bomen in de openbare ruimte toegepast mogen worden.
5.1 Specifiek voor rijbeplanting langs grachten: • h.o.h. afstand tussen bomen is 8-14 m op grachten/kades waar geparkeerd wordt. • h.o.h. afstand tussen bomen mag kleiner op grachten/kades waar niet geparkeerd wordt.
Verschijningsvorm Bomen zijn een belangrijk element in het ontwerp en de (her)inrichting van de openbare ruimte. Soms gaat het om het integreren van bestaande bomen maar veelal moeten er nog (ontwerp) keuzes worden gemaakt voor nieuwe bomen. Bij deze keuzes spelen de ruimtelijke kwaliteiten (boom- soort, boomgrootte, boomhoogte, kroondiameter, rij of een lijnbeplanting) van de boomsoorten een rol en de eisen en randvoorwaarden op het gebied van bovengrondse en ondergrondse groeiomstandigheden. Verder is het belangrijk om bij de toepassing van boomsoorten te weten wat de stedenbouwkundige randvoorwaarden zijn, wat de cultuurhistorische context is en of de boom bijvoorbeeld onderdeel is van de Hoofdbomenstructuur (HBS), de Hoofdgroenstructuur, de Ecologische structuur Amsterdam (ESA), beschermd stadsgezicht of van een rijksmonument. Daarnaast is van belang te weten in welke mate en op welke wijze ze bijdragen aan biodiversiteit en klimaatadaptatie.
De keuze voor een rij of lijnbeplanting is afhankelijk van de stedenbouwkundige randvoorwaarden, de cultuurhistorische context en de ontwerpopgave (onder andere de uitgangspunten voor klimaatadaptatie). Iepenrijen langs de grachten zijn bijvoorbeeld onderdeel van het UNESCO Werelderfgoed en daardoor niet vervangbaar door andere boomsoorten in een rij of door een lijnbeplanting. Ook Plan Zuid en de Westelijke Tuinsteden hebben een van oudsher uitgekiend bomenplan zodat daarbij aansluiten van belang is. In gebieden waar een specifieke groene cultuurhistorische context ontbreekt, kunnen bomen heel goed in een lijn worden geplant. Let op dat bomenstructuren met één boomsoort over het algemeen kwetsbaarder zijn voor ziekten en plagen dan gemixte boombeplantingen (op het schaalniveau van de hele stad is die kwetsbaarheid vrij beperkt). Meerdere soorten wordt daarom aangeraden. Bij menging van boomsoorten moet er wel goed gekeken worden naar bijvoorbeeld groeisnelheid, kroonvorm en hoogte van de individuele boom, zodat de soorten elkaar niet gaan beconcurreren waardoor de beheerbaarheid in gevaar komt. In situaties waar wel gekozen wordt voor een monocultuur en ondergroei is mogelijk, dan wordt onderbegroeiing in de vorm van bloemrijk gras (zie Hoofstuk 10) aangeraden.
Het bloemrijke gras vormt onderdeel van de biotoop van insecten zoals zweefvliegen, sluipwespen en kevers die jagen op de plaagdieren in de bomen. De hoogte van de ondergroei ontmoedigt recreatie in de vorm van picknicken en spelen, waardoor de kans op aanraking met een plaag zoals de eikenprocessierups minder groot is.
5.1.1 toepassing in rij of lijn Bomen in een rij worden geplant met een gelijke plantmaat en staan min of meer op een gelijke plantafstand. In principe is de bomenrij van een gelijke soort of bestaat uit een mix van boomsoorten die een gelijk groeiritme en een gelijke kroonvorm hebben. Bomen in een rij (zie figuur 5.1) zijn: • van gelijke soort, • hebben gelijke maat/gelijke plantafstand (1e grootte 5-25 m uit elkaar, 2e en 3e grootte 5-10 m uit elkaar), • groeien met de kronen tegen elkaar. Bomen in een lijn staan op een wisselende plantafstand, bestaan uit verschillende boomsoorten en/ of worden geplant als enkel- en of meerstammig. Lijnbeplantingen strekken zich in het algemeen over grotere afstand uit dan bomenrijen. Bomen in een lijn (zie figuur 5.2) zijn: wisselend van soort, en/of maat, en/of plantafstand.
• • •
figuur 5.2 Bomen in een lijn
figuur 5.1 Bomen in een rij
58
04 Basisprincipes
De belangrijke aspecten van de verschijningsvorm van een boom zijn: grootte, kroonvorm, kroondichtheid, textuur en structuur. Deze vormaspecten kunnen worden ingezet bij het ontwerp. Locatie, plantafstand en beheer/snoeiwijze hebben een grote invloed op de verschijningsvorm van de boom. Zo zal een boomkroon boven een rijweg, vaarweg of een trambaan tot een bepaalde hoogte moeten worden opgekroond om geen overlast aan het verkeer te veroorzaken. Zie voor deze maten paragraaf 5.2.2 ‘afstand boom tot rijbaan’ en paragraaf 5.2.6 ‘afstand boom kadeconstructies en beschoeiingen’.
02 Doel en overtuigingen 01 Toelichting voor de Puccinimethode gebruiker
kroonvorm De kroonvorm bepaalt in belangrijke mate de toepassing en het gebruik van de boom. Er zijn verschillende kroonvormen zoals zuilvormig, rond, breed en piramidaal-ovaal (zie figuur 5.3). In een straat met een smal profiel komt een boom met een zuilvormige kroon beter tot zijn recht dan een boom met een brede kroon. Bomen met een brede kroon kunnen het beste worden toegepast in een straat of laan met een breder profiel. De kroonvorm bepaalt ook in belangrijke mate de onderlinge plantafstand. Zo kunnen bomen met een zuilvormige of piramidaal ovaalvormige kroon dichter op elkaar worden geplant dan bomen met een brede of ronde kroonvorm.
toepassing grootte, kroonvorm, kroondichtheid, textuur en structuur
03 Groenkaart en tabel
5.1.2
11 Bijlagen
10 Water- en oeverbeplanting
09 Gras en ruigte
08 Kruidachtigen
07 Heesters, hagen, rozen en klimplanten
06 Bosplantsoen en struweel
05 Bomen
grootte De boomgrootte is een maat voor de hoogte van de boom. We maken onderscheid in drie klassen: 1e, 2e en 3e grootte. Bomen van 1e grootte bereiken een hoogte van >15 m, bomen van de 2e grootte bereiken een hoogte van 10-15 m en bomen van de 3e grootte bereiken een hoogte van 6-10 m. Deze indeling, van 1e, 2e en 3e grootte, is belangrijk bij de keuze van bomen in het ontwerp in relatie tot bijvoorbeeld de breedte van het straatprofiel of de afstand tot de gevel. In bijlage 11.1 wordt een overzicht gegeven van welke bomen tot welke grootte behoren en staat de maximale hoogte van de boom na 25-30 jaar in meters vermeld. De maximumhoogte die een volgroeide boom kan bereiken is grotendeels afhankelijk van de groeiomstandigheden onder de grond.
figuur 5.3 Kroonvormen: zuilvormig, rond, breed en piramidaal
59
kroondichtheid Verder is van belang of de soort een open of dichtere kroon heeft (zie figuur 5.4). In het algemeen passen bomen met dichte kronen het beste in lanen, groenstroken en parken. In smalle straten zorgen ze snel voor overlast zoals weinig daglichttoetreding in de benedenwoningen. Deze klachten leiden vaak tot extra snoei waardoor de natuurlijke boomvorm verloren gaat. In straten en op drukke pleinen hebben bomen met een transparante kroon daarom de voorkeur.
figuur 5.4 Gesloten en open kroon
Haagbeuk, gesloten kroon
Trompetboom, open kroon
60
02 Doel en overtuigingen 01 Toelichting voor de Puccinimethode gebruiker
Berk, fijne textuur
Paardeastanje, grove textuur
61
11 Bijlagen
10 Water- en oeverbeplanting
09 Gras en ruigte
08 Kruidachtigen
07 Heesters, hagen, rozen en klimplanten
figuur 5.5 Fijne en grove textuur
06 Bosplantsoen en struweel
05 Bomen
04 Basisprincipes
03 Groenkaart en tabel
textuur De textuur van de boom wordt bepaald door de vorm en grootte van de bladeren. Kleine bladeren geven de boom een fijne textuur, grote bladeren zorgen voor een grove textuur (zie figuur 5.5).
structuur De takken bepalen in belangrijke mate de structuur van de boom. Staan de takken grillig verspreid of juist regelmatig, is er sprake van vergaffeling, waarbij geen van de takken domineert of juist sprake van een zware hoofdstam (zie figuur 5.6).
•
•
Vormaspecten als kroonvorm, kroondichtheid, textuur en structuur bepalen in belangrijke mate de toepassing en het gebruik van de boom. De locatie en beschikbare ruimte boven de grond, de plantafstand en het beheer/snoeiwijze hebben grote invloed op de verschijningsvorm van de boom.
figuur 5.6 Onregelmatige en regelmatige takkenstructuur
Acacia, onregelmatige takkenstructuur
Els, regelmatige takkenstructuur
62
straatprofielen en ontwerp Bij de afweging voor de boomgrootte in de straat moet rekening worden gehouden met de hoogte van de gevels. De bomen moeten in de volwassen fase in verhouding tot de gevels voldoende hoogte en volume bereiken. Bij bredere straten is meer keuzevrijheid over hoe de bomen onderling geplant kunnen worden (in een rij, twee rijen of als losse boombeplanting).
Randvoorwaarden
•
04 Basisprincipes
05 Bomen 06 Bosplantsoen en struweel 07 Heesters, hagen, rozen en klimplanten 08 Kruidachtigen 09 Gras en ruigte
•
10 Water- en oeverbeplanting
•
De bovengrondse groeiplaatsomstandigheden worden in belangrijke mate bepaald door het stedenbouwkundig plan of ontwerp, de breedte, inrichting en gebruik van de straat. De doorwortelbare ruimte (het beschikbare bodemprofiel) wordt bepaald door ligging van kabels en leidingen, de gemiddelde hoogste grondwaterstand/reductiezone en eventuele ondergrondse obstakels. De reductiezone is de vrijwel permanent met (grond-) water verzadigde bodemlaag die geen bodemzuurstof bevat Voorafgaande aan het toepassen van bomen in nieuwe of bestaande situaties (bij herinrichtingen) is onderzoek benodigd naar de bestaande bodem en grondwaterstand om randvoorwaarden op te stellen voor de inrichting van de groeiplaats. Voor maatvoering en eisen boven- en ondergrondse groeiplaatsomstandigheden zie paragraaf 5.4 aanleg.
11 Bijlagen
•
03 Groenkaart en tabel
Om bij nieuwe aanplant of vervanging een duurzame boomgroei te realiseren, is de keuze van de soort boom met bijbehorende groei-eisen, boomgrootte en kroonvorm en de technische randvoorwaarden van de boven- en ondergrondse groeiomstandigheden van groot belang. De bovengrondse groeiplaatsomstandigheden worden in belangrijke mate bepaald door het stedenbouwkundig plan of ontwerp, de breedte, inrichting en gebruik van de straat, straatmeubilair en lichtmasten. De beschikbare ondergrondse groeiplaatsruimte wordt bepaald door de gemiddelde hoogste grondwaterstand (reductiezone), de ruimte waar de kabels en leidingen liggen (of komen te liggen) en andere obstakels zoals wegtracés, laad- en losplekken en ondergrondse vuilcontainers. De reductiezone in de bodem is cruciaal. Boomwortels kunnen niet groeien in deze zone. De inrichtingsen dwarsprofielen in dit hoofdstuk geven oplossingsrichtingen en inrichtingsprincipes om schade aan bomen (takken en stam) te voorkomen. Deze maten zijn gebaseerd op CROW. De precieze maatregelen en techniek zijn maatwerk en mede afhankelijk van de lokale situatie en vragen daarom om onderzoek.
02 Doel en overtuigingen 01 Toelichting voor de Puccinimethode gebruiker
5.2
63
5.2.1 afstand boom tot gevel Bij het aanplanten van bomen is het belangrijk om voldoende afstand te houden tot de gevel. Deze afstand wordt bepaald door de grootte en kroonbreedte van de boom in de volwassen fase en de dichtheid van de kroon. Een dichte kroon van een paardenkastanje zal een ander effect hebben dan een transparante en open kroon van een valse acacia. Ook maakt de oriëntatie van de gevel uit, zijn het noord- of zuidgevels. Randvoorwaarde is dat de boomgroei niet leidt tot overlast/klachten en er regulier beheer kan worden uitgevoerd. Vuistregel is om bomen te planten op een afstand van minimaal 3 m van de gevel gerekend vanaf het hart van de boom (zie figuur 5.7). In smalle woonstraten < 20 m kunnen alleen bomen van de 1e grootte worden gebruikt met een zuilvormige of piramidale kroon. Ook kan er gekozen worden voor een kleiner formaat (2e of 3e grootte). Per locatie moet nagegaan worden welke boomsoort het beste past in de precieze maaiveldindeling.
Afstand tot gevel, met zuilvormige/piramidale boom (foto: Hans Kaljee)
figuur 5.7 Afstand 1e grootte boom tot gevel
64
02 Doel en overtuigingen 01 Toelichting voor de Puccinimethode gebruiker
5.2.2 afstand boom tot rijbaan profiel van vrije ruimte autoweg > 70 km/u
11 Bijlagen
10 Water- en oeverbeplanting
09 Gras en ruigte
08 Kruidachtigen
07 Heesters, hagen, rozen en klimplanten
06 Bosplantsoen en struweel
05 Bomen
04 Basisprincipes
03 Groenkaart en tabel
De minimale vereiste vrije doorgang van de boom boven de weg bedraagt bij een autoweg (>70 km/u) minimaal 4,60 m. Binnen 4,50 m vanaf de kantstreep mogen geen bomen staan (zie figuur 5.8).
figuur 5.8 Profiel van vrije ruimte bij autoweg > 70 km/u
65
profiel van vrije ruimte autoweg 50 - 70 km/u Bij wegen met een snelheidsregime van 50 - 70 km/uur is de minimale vrije doorgang 4,20 m. De afstand tussen hart boom en de wegkant/binnenkant opsluitband moet 1 m zijn (zie figuur 5.9).
Profiel van vrije ruimte autoweg 50 - 70 km/u (foto: Hans Kaljee)
figuur 5.9 Profiel van vrije ruimte bij autoweg 50 - 70 km/uur
66
02 Doel en overtuigingen 01 Toelichting voor de Puccinimethode gebruiker
profiel van vrije ruimte autoweg < 50 km/u
11 Bijlagen
10 Water- en oeverbeplanting
09 Gras en ruigte
08 Kruidachtigen
07 Heesters, hagen, rozen en klimplanten
06 Bosplantsoen en struweel
Profiel van vrije ruimte autoweg < 50 km/u (foto: Hans Kaljee)
05 Bomen
04 Basisprincipes
03 Groenkaart en tabel
Bij wegen met een snelheidsregime < 50 km/uur is de vrije doorgang 4,20 m en de afstand tussen het hart van de boom en de binnenkant van de opsluitband moet minimaal 0,50 m zijn (zie figuur 5.10).
figuur 5.10 Profiel van vrije ruimte bij autoweg < 50 km/uur
67
profiel van vrije ruimte vrij liggend fietspad, trottoir en parkeervak De vrije doorgang ter plaatse van vrij liggende fietspaden, trottoirs en parkeervakken moet minimaal 2,50 m zijn. In het geval parkeervakken worden gebruikt als laad- en losstrook voor vrachtauto’s geldt een vrije doorgang van 4,20 meter. De afstand tussen het hart van de boom en de binnenkant van de opsluitband van parkeerstrook of fietsstrook moet minimaal 0,50 m zijn (zie figuur 5.11).
Profiel van vrije ruimte fietspad (foto: Hans Kaljee)
figuur 5.11 Profiel van vrije ruimte bij fietspad, trottoir en parkeervak
68
02 Doel en overtuigingen 01 Toelichting voor de Puccinimethode gebruiker
profiel van vrije ruimte bij midden- of zijberm
11 Bijlagen
10 Water- en oeverbeplanting
09 Gras en ruigte
08 Kruidachtigen
07 Heesters, hagen, rozen en klimplanten
06 Bosplantsoen en struweel
Profiel van vrije ruimte bij middenberm (foto: Hans Kaljee)
05 Bomen
04 Basisprincipes
03 Groenkaart en tabel
De breedte van een open zij- of middenberm moet minimaal 2,00 m tussen de banden zijn om bomen te planten (zie figuur 5.12). Het streven is 2,5 – 3,0 m bermbreedte aan te houden (optimaal).
figuur 5.12 Profiel van vrije ruimte bij middenberm
69
5.2.3 bomen en parkeersituaties
afstand van > 0,50 m van geparkeerde auto tot boom
Bomen in parkeersituaties kunnen, als ze goed zijn ingepast, een grote bijdrage leveren tegen hittestress. Voor een optimale bijdrage tegen hittestress dekt de uiteindelijke kroon het parkeervak geheel af met schaduw. Voor maximale schaduw wordt aanbevolen om het aantal parkeerplaatsen tussen bomen te beperken en de boom te voorzien van voldoende substraat (zie factsheet 4, bomen in parkeervoorziening). • Langsparkeren maximaal 2-3 parkeerplaatsen tussen 2 bomen. • Schuinparkeren maximaal 2-4 parkeerplaatsen tussen 2 bomen. • Haaksparkeren maximaal 2-5 parkeerplaatsen tussen 2 bomen.
Bij alle parkeervarianten moeten de boomspiegels voldoende groot zijn. Zorg voor >0.50 m tussen achterkant auto en stam (zie figuur 5.13).
Voorkom dat bij in- en uitparkeren dat de stam geraakt wordt. Dit leidt tot beschadigingen die negatieve invloed hebben op de gezondheid van de boom. Je kunt schade voorkomen op verschillende manieren. Door bomen verhoogd aan te planten in zogenaamde ‘oren’ of ‘vakken’ (zie onderstaande foto). Bij bomen die à niveau met de geparkeerde auto’s staan aangeplant moeten verhoogde boomspiegels aangebracht worden (zie foto rechts). We passen in principe geen hit-me’s, paaltjes of hekjes toe.
Bomen in ‘oren’, verhoogd plantvak tussen parkeervakken (foto: Hans Kaljee)
70
figuur 5.13 Afstand tussen boom en geparkeerde auto
11 Bijlagen
10 Water- en oeverbeplanting
09 Gras en ruigte
08 Kruidachtigen
07 Heesters, hagen, rozen en klimplanten
06 Bosplantsoen en struweel
71 05 Bomen
Verhoogde boomspiegels bij parkeren à niveau en voldoende afstand tussen achterkant auto en stam (foto: Hans Kaljee) 04 Basisprincipes
03 Groenkaart en tabel
02 Doel en overtuigingen 01 Toelichting voor de Puccinimethode gebruiker
5.2.4 afstand boom tot lichtmasten, tram en spoorweg De standplaats van een boom wordt mede bepaald door lichtmasten, tramleidingen en -constructies en spoorwegen.
afstand boom tot lichtmasten De (plant)afstand van een boom tot hoge lichtmasten (hoogte > 6 m) moet 5 m zijn; bij lage lichtmasten (hoogte 3-6 m) minimaal 3 m (zie figuur 5.14). Bij bestaande bomen moeten nieuwe lichtmasten zoveel mogelijk midden tussen de bomen worden geplaatst. N.B. Feestverlichting in bomen wordt alleen in overleg met de beheerder van de boom opgehangen.
Afstand boom tot lichtmast (foto: Hans Kaljee)
figuur 5.14 Afstand boom tot lichtmast (verschillende hoogtes)
72
02 Doel en overtuigingen 01 Toelichting voor de Puccinimethode gebruiker
afstand boom tot tramleiding en -constructie
03 Groenkaart en tabel
Ten aanzien van het profiel van vrije ruimte in relatie tot bomenbeplanting gelden twee ontwerpvoorschriften: • De afstand tussen geleiders of bovenleidingconstructies en takken moet minimaal 2,50 m bedragen • Een trambaanconstructie moet gedurende de gehele levensduur op een minimale afstand van 1 m tot wortels van bomen en struiken liggen.
Profiel van vrije ruimte trambaan (foto: Hans Kaljee)
06 Bosplantsoen en struweel
afstand boom tot spoorweg
05 Bomen
04 Basisprincipes
Bij bomen langs een trambaan worden soorten van de 1e grootte gekozen, die goed beheerd/ gesnoeid kunnen worden en na verloop van tijd ruim boven de tramleidingen uitgroeien. De toe te passen boomsoorten moeten goed windbestendig zodat de risico’s op takbreuk bij harde wind minimaal zijn. Door gebruik te maken van een wortelscherm of -folie kan de ondergrondse groeiplaats aansluiten op de trambaanconstructie. Zie ook groeiplaatsprofiel 9 in paragraaf 5.4.3 voor meer technische details.
11 Bijlagen
10 Water- en oeverbeplanting
09 Gras en ruigte
08 Kruidachtigen
07 Heesters, hagen, rozen en klimplanten
De Spoorwegwet verbiedt bomen binnen een afstand van 11 m uit het hart van het buitenste spoor in een rechtstand voor metro en trein. Langs de binnenzijde van het spoor mogen in een boog binnen een afstand van 20 m geen bomen staan.
figuur 4.15 Profiel van vrije ruimte trambaan
73
5.2.5 afstand boom tot ondergrondse kabels en leidingen Afstand tot kabels en leidingen is belangrijk. Niet alleen om schade aan de ondergrondse infrastructuur te voorkomen maar ook om te voorkomen dat bij onderhoudswerkzaamheden aan kabels en leidingen het wortelpakket van de boom dusdanig beschadigd raakt dat dit tot sterfte van bomen en/ of gevaarlijke situaties leidt. Bomen met beschadigde zware wortels kunnen jaren later zomaar omvallen met alle gevolgen van dien. In Amsterdam hanteren we in situaties met bestaande bomen en nieuwe ondergrondse infra het algemene principe dat de grondverbeteringsstroken voor bomen worden gescheiden van de ondergrondse infratracés. Kabels en leidingen bundelen we zo veel mogelijk op een zo groot mogelijke afstand van de boom. Hierbij volgen we de voorschriften uit de Nadere regels van Werken in de openbare ruimte (WIOR) (zie: https://www.amsterdam.nl/verkeer-vervoer/ werken-in-de-openbare-ruimte-(wior)/nadere-regels-en-verordeningen-wior ) Zie ook onderstaande tabel 5.2 met het Uitlegschema Amsterdam. Het Uitlegschema is leidend. Als het plaatsen van bomen met de maatvoering uit de tabel niet lukt ga dan in overleg met de kabels- en leidingenbeheerder en zoek naar maatwerk of inpassingstechnieken.
Afstand boom tot ondergrondse kabels en leidingen (foto: Hans Kaljee)
Uitlegschema Amsterdam Asset
Beschrijving
Afstand tussen bomen en kabels & leidingen 3e grootte boom 2e grootte boom 1e grootte boom (6-10m) (10-15m) (>15m)
CAI/T
Telecom
1,00m
1,50m
2,00m
E (LS)*
Elektra laag- en middenspanning
distributie
1,00m
2,00m
2,00m
E (HS)*
Elektra Hoogspanning
transport
2,00m
2,00m
2,00m
DWA
Onderheid riool
transport
3,00m
4,00m
5,00m
Riool overig
distributie
1,00m
1,50m
2,00m
Warmte
HT/MT/LT
transport
1,00m
1,50m
2,00m
W
Drinkwater
transport
2,00m
2,00m
2,00m
G
Gas
transport
1,00m
2,0m
2,00m
O.A.T.
Ondergronds Afval Transport
transport
1,00m
1,50m
2,00m
Eén elektra tracé bestaat over het algemeen uit meerdere kabels. Tot soms wel meer dan 10 kabels tabel 5.2 Uitlegschema Amsterdam *
74
figuur 5.16 Bestaande infra met nieuwe bomen, dan is afstand boom tot leiding te verkleinen bij gebruik van wortelscherm of -folie
75
02 Doel en overtuigingen 01 Toelichting voor de Puccinimethode gebruiker 11 Bijlagen
10 Water- en oeverbeplanting
09 Gras en ruigte
08 Kruidachtigen
07 Heesters, hagen, rozen en klimplanten
06 Bosplantsoen en struweel
05 Bomen
04 Basisprincipes
Passages van kabels en leidingen tussen de bomen door, zoals huisaansluitingen, moeten midden tussen de bomen worden aangebracht via van tevoren aangebrachte voorzieningen zoals mantelbuizen. Als de ondergrondse ruimte beperkt is, kan een integraal leidingentracé (een bundeling van (transport-)leidingen op grote diepte en in het grondwater) onder bomenstroken aangelegd worden. Vanaf zogenoemde koppelvelden, bovengrondse werkruimte, kunnen tussentijds werkzaamheden aan de leidingen plaatsvinden zonder dat schade aan de bomen optreedt. De koppelvelden moeten zoveel mogelijk vrij van bomen blijven. Bij herinrichtingen met bestaande bomen moet, zo vroeg mogelijk in de planvorming, een Bomen Effect Analyse (BEA) plaatsvinden. Hiermee wordt bepaald of er conflicten zijn tussen kabels en leidingen en eventuele conflicten met het wortelgestel van bomen (in paragraaf 5.4.4 Bomen in bestaande situaties, wordt de BEA nader toegelicht).
03 Groenkaart en tabel
In overleg met nutsbedrijven kan worden besloten om: • Bestaande kabels en leidingen te laten liggen en niet op te graven ter voorkoming van wortelschade. • Nieuwe kabels en leidingen op grotere afstand van bomen aan te leggen dan het Uitlegschema Amsterdam (Nader regels van de WIOR) voorschrijft. • Bomen binnen enkele uren te verwijderen via de noodkapprocedure als er sprake is van ernstige wortelschade door calamiteiten met kabels en leidingen (ook hier geldt herplantplicht).
In situaties met bestaande ondergrondse infra en nieuwe bomen is het mogelijk om de bomen dichter op het ondergrondse infratracé aan te planten door gebruik te maken van een wortelscherm of -folie. Dit moet conform Uitlegschema Amsterdam en eventueel maatwerk na overleg met kabels en leidingenbeheerders. Let op, dat bij akkoord op het toepassen van scherm of folie, deze tot voorbij de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) wordt aangebracht (zie figuur 5.16).
5.2.6 afstand boom tot ondergrondse afvalcontainer De aanleg en het gebruik van ondergrondse afvalcontainers kan zorgen voor schade aan bovenen ondergrondse delen van bomen. In situaties waarbij een ondergrondse container bij nieuwe bomen geplaatst wordt, is de richtlijn dat deze, in het geval van een bomenrij, bij voorkeur midden tussen de bomen komt te staan, met de zijkant van het ondergrondse deel op tenminste 3,0 meter uit het hart van de boom. Bij situaties met een ondergrondse container op de minimale afstand van 3,0 meter is het van belang om te kiezen voor bomen van de 1e grootte die (redelijk) hard groeien zodat na verloop van tijd het legen van de containers onder de kronen plaatsvindt. Kleine of langzaam groeiende soorten zoals sierkers, haagbeuk of eik worden hier niet toegepast omdat deze gemakkelijker beschadigd raken. Let op dat de ondergrondse container invloed heeft op het doorwortelbaar volume. Zorg ervoor dat bomen naast containers voldoende doorwortelbaar volume behouden. Voor het legen van ondergrondse afvalcontainers is bovensgronds voldoende ruimte nodig (foto: Herman Best)
figuur 5.17 Bestaande boom en nieuwe ondergrondse afvalcontainer
76
02 Doel en overtuigingen 01 Toelichting voor de Puccinimethode gebruiker 11 Bijlagen
10 Water- en oeverbeplanting
09 Gras en ruigte
08 Kruidachtigen
07 Heesters, hagen, rozen en klimplanten
06 Bosplantsoen en struweel
05 Bomen
04 Basisprincipes
03 Groenkaart en tabel
In situaties met bestaande bomen is het belangrijk dat, voor de plaatsing van ondergrondse afvalcontainers, een BEA (Bomen Effect Analyse) wordt uitgevoerd. Op basis van kroonprojectie, verspreiding van het wortelgestel etc. kan dan de meest geschikte locatie voor de ondergrondse container worden bepaald. Mogelijke schade aan bomen (boven- en ondergronds) wordt op deze manier zoveel mogelijk voorkomen. Het gaat hier om locaties die buiten boomstructuren liggen of op ‘open plekken’ waar zich geen conflicten met boomwortels en kronen voordoen. Het is belangrijk bij de BEA en locatiekeuze een boomspecialist van IB te betrekken.
Afvalcontainer in een bomenrij (foto: Herman Best)
77
5.2.7 afstand boom tot kadeconstructies en beschoeiingen Het maken van een grachtenprofiel is een specifieke ontwerpopgave. Zie paragraaf 5.1.1. voor afstanden in het lengteprofiel (toepassing in rij of lijn). Hieronder staat de maatvoering voor het breedteprofiel beschreven. Ter plekke van kade- en walmuren moet de afstand tussen het hart van de boom en de binnenkant van de dekzerk minimaal 1 m zijn. Zodat de risico’s verminderd worden dat in de volwassen fase het wortelpakket de kade of walmuur schade toebrengt of ondermijnt. Zie figuur 5.18. Regulier beheer snoeit de bomen langs grachten en vaarten normaal gesproken zo dat ze niet gaan overhangen. In principe mogen de kronen alleen overhangen mits het waterverkeer niet wordt gehinderd.
Doorhangende boom (foto: Hans Kaljee)
figuur 5.18 Afstand boom tot gracht of kademuur
figuur 5.19 Afstand boom tot rand beschoeiing > 0,75, dan moet
78 onderlinge afstand tussen de bomen > 10 meter zijn
02 Doel en overtuigingen 01 Toelichting voor de Puccinimethode gebruiker
Zie voor afstanden van bomen tot water in de ecologische structuur 3.3 Hoe vergroen ik...Ecologisch groen.
figuur 5.20 Afstand boom tot beschoeiing met schouwruimte, dan kan onderlinge afstand tussen de bomen < 10 meter zijn
11 Bijlagen
10 Water- en oeverbeplanting
09 Gras en ruigte
08 Kruidachtigen
07 Heesters, hagen, rozen en klimplanten
06 Bosplantsoen en struweel
Bomen aan de gracht (foto: Hans Kaljee)
05 Bomen
04 Basisprincipes
03 Groenkaart en tabel
Ter plaatse van open bermen en taluds langs water moet rekening worden gehouden met voldoende ruimte voor de schouw (jaarlijkse controle) en onderhoud van de waterwegen. De keur van het waterschap (zie ook paragraaf 5.2.8. Afstand van boom tot waterkerende dijken) bepaalt dat: • Als de bomen op meer dan 10 m van elkaar staan, of solitair zijn geplaatst, de bomen op minimaal 0,75 m van de rand van de beschoeiing worden geplant (zie figuur 5.19). In dit geval wordt het onderhoud met machines tussen de bomen door uitgevoerd. • Als de bomen op minder dan 10 m van elkaar staan, er een obstakelvrije zone met een breedte van 3 m gehanteerd wordt, zodat er voldoende ruimte is voor onderhoudsmachines tussen kade en bomen (zie figuur 5.20). In sommige gevallen bepaalt de keur of er wel of geen opgaande beplanting langs watergangen geplant mag worden.
79
5.2.8 afstand boom tot waterkerende dijken De regels voor de bescherming van onder andere dijken zijn vastgelegd in de keur van een waterschap/hoogheemraadschap. Dit is belangrijk om te weten bij de aanplant van bomen op of in de buurt van waterkerende dijken. Ook Rijkswaterstaat heeft regels vastgesteld ten aanzien van dijken. Andere overheden, zoals de gemeente Amsterdam, hebben ook eisen en regels waar eerdergenoemde partijen zich aan moeten houden. Dat kan botsen. Aanplant van bomen op of nabij (verholen) dijken is mogelijk onder voorwaarden. Amsterdam ligt verdeeld over drie waterschappen: • Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV) • Hoogheemraadschap Van Rijnland • Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) Het waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV) heeft zijn uitvoeringsorganisatie ondergebracht in Waternet. AGV neemt de besluiten en stelt bijvoorbeeld de Keur en het beleid vast en Waternet handhaaft en voert uit.
Buiksloterdijk (foto: Daniëlle Niederer)
Neem bij plannen met bomen op dijken altijd contact op met Rijkswaterstaat of een van de waterschappen. • Bepaal met welk waterschap je te maken hebt of dat je met Rijkswaterstaat te maken hebt. • Bepaal of je te maken hebt met een primaire, secundaire of eventuele verholen dijk en bepaal de exacte ligging. • Let met je beplanting op dat je voorkomt dat boomwortels in dijken groeien en daarmee het theoretisch dijkprofiel aantasten. Boomwortels groeien over het algemeen niet dieper dan 80-100 cm. Het aanbrengen van een uitgekiende groeiplaats inclusief wortelwerende materialen, voorkomt dat wortels dijkprofielen aantasten. • Zorg ervoor dat de beplanting niet in de weg staat van onderhoud aan de dijk. Als het hoogheemraadschap vanuit het beheer van de dijken geen risico ziet voor bomen op een locatie, dan is het mogelijk om met een maatwerkbesluit af te wijken van de hiervoor genoemde regels.
80
Bij vervanging van iepen moeten iepen worden herplant (gebruik hiervoor de soorten op de best practice lijst). Dit is om de iepenpage, een beschermde dagvlinder, te behouden in Amsterdam. Bij voldoende aanwezigheid van iep kun je ook een linde (Tilia) kiezen, na overleg met een deskundig ecoloog.
Voor bomen in de HBS geldt bij aanplant en vervanging altijd een groeiplaatsverbetering met 2540 m3 doorwortelbaar volume. De stamomtrek van de te planten boom is minimaal 25-30 cm. Alleen in overleg met het Toetsteam OR&M kan worden afgeweken van de voorgestelde boomsoorten uit de lijst en de gestelde eisen ten aanzien van maat en de groeiplaatsverbetering.
Op overige locaties zoals parken, postzegelparkjes, etc. (in open grond situaties) zijn in beginsel alle bomen geschikt. Hou wel rekening met dat de gekozen boom geschikt is voor de aanwezige bodem, grondwaterstand en eventuele wind. Neem bij twijfel contact op met de boomspecialisten van het IB. Soorten die sowieso uitgesloten zijn vanwege ziekte- en takbreukgevoeligheid, staan onderaan bijlage 11.1.
• • •
Alle Amsterdamse organisaties maken gebruik van deze lijsten bij de planvorming, bij nieuwe aanplant en bij vervanging. In de Amsterdamse bomenlijst is een onderscheid gemaakt in bomen in de Hoofdbomenstructuur en de bomen daarbuiten. Aan de Amsterdamse bomenlijst zijn, naast de fysieke eigenschappen, ook de eigenschappen toegevoegd op het gebied van biodiversiteit en zogenaamde ecosysteemdiensten. Dit zijn de diensten en bijdragen die bomen leveren aan mens en dier. Denk aan het wegvangen van verontreinigingen zoals fijnstof en NOx/Ox, het vastleggen van CO2, het opvangen van neerslag, het beperken van opwarming en hittestress en tolerantie tegen droogte en/of wateroverlast.
•
09 Gras en ruigte
08 Kruidachtigen
•
10 Water- en oeverbeplanting
De Amsterdamse bomenlijst is niet statisch maar wordt actueel gehouden naar aanleiding van nieuwe boomziekten of nieuwe soorten. Bij nieuwe soorten is dan aangetoond (via een pilot of met voorbeelden van bomenstandplaatsen in vergelijkbare andere steden) dat deze soorten het goed doen in de Amsterdamse situatie en dat deze niet invasief zijn (volgens de Europese Unielijst invasieve soorten). Amsterdamse laan- en straatbomenlijst ‘best practice’ zie bijlage 11.1
11 Bijlagen
•
Hoofdboomstructuur in kaart zie: maps.amsterdam.nl/hbs/. De te gebruiken soorten in de HBS zijn vastgelegd zie bijlage 11.1. Voor bomen in de HBS geldt een groeiplaatsverbetering waarmee 25-40 m3 doorwortelbaar volume wordt gecreëerd en gestreefd wordt naar de maximale hoeveelheid van 40 m3. De stamomtrek van de te planten boom in de HBS is minimaal 25-30 cm. In principe bij vervanging dezelfde soort terugplanten. Let op bij iepen moet dat volgens de ontheffing iepenpage gemeente Amsterdam (Ontheffing en activiteitenplan iepenpage - openresearch.amsterdam).
02 Doel en overtuigingen 01 Toelichting voor de Puccinimethode gebruiker
Voor de Hoofdbomenstructuur (HBS) (zie p.18-19) is vastgesteld dat de te gebruiken soorten van de eerste grootte zijn (zie Beleidskader Puccinimethode). De soorten zijn vastgelegd in de Amsterdamse best practicelijst (bijlage 11.1). De meest voorkomende soorten in de hoofdbomenstructuur zijn iep, linde, plataan, es, populier, esdoorn, eik, kastanje, valse acacia en vleugelnoot. Zie ook kader ‘Belangrijkste straatboomsoorten in Amsterdam’ op de volgende pagina’s.
03 Groenkaart en tabel
Op basis van jaren ervaring met bomen qua groei, algehele conditie, groeiomstandigheden en veiligheid is een Amsterdamse best practice lijst samengesteld van bomen die goed te gebruiken zijn in de openbare ruimte van Amsterdam. Deze lijst beschrijft specifiek straat- en laanbomen. Bomen met een accentkleur ontbreken daarom grotendeels in deze lijst. Het is niet wenselijk om volledige straatprofielen te voorzien dit soort bomen. In overleg met BAP zijn deze soorten toepasbaar als accent.
04 Basisprincipes
sortiment voor de Hoofdbomenstructuur
05 Bomen
Sortimentstoepassing
06 Bosplantsoen en struweel
5.3.1
07 Heesters, hagen, rozen en klimplanten
5.3
81
Belangrijkste straatboomsoorten in Amsterdam Iep De iep is de meest gebruikte boom in Amsterdam. Binnen de Singelgracht is de iep de belangrijkste boom langs de grachten en zelfs onderdeel van het Unesco-Werelderfgoed. Buiten de Singelgracht is de iep veel aangeplant langs waterwegen, hoofdstraten en wegen. De monumentaaliep is vooral gebruikt in lange en smalle straten en als solitair of in kleine groepen in de 19e-eeuwse gordel en de Ring ’20’40. Om iepziekte te voorkomen, worden resistente rassen gebruikt. In sommige gevallen worden vanuit cultuurhistorisch oogpunt de oude, karakteristieke (maar vatbare) iepen nog toegepast. De iep is een snelle groeier, heeft een transparante kroon en verdraagt verharding en de stedelijke dynamiek goed. Er zijn meer dan tien verschillende resistente iepen die geschikt zijn voor het stedelijk gebied. Linde Na de iep is de linde de meest gebruikte boom. De linde is vooral toegepast langs lange, brede straten en wegen in Plan Zuid van de Ring ’20-’40, Watergraafsmeer en de westelijke tuinsteden. De linde is een gezonde boom en vrijwel alle soorten verdragen verharding. De linde is een uitmuntende drachtboom voor bijen. Er komen steeds meer linden bij die nauwelijks tot geen last hebben van het zogenaamde ‘druipen’ veroorzaakt door bladluizen.
Plataan De plataan is aangeplant langs de Singelgracht, Lijnbaansgracht, Plantage Middenlaan, Ceintuurbaan, Wibautstraat, IJburglaan, Kruislaan en langs de lanen in Buitenveldert. De plataan is verder gebruikt als pleinbeplanting, solitair en in groepen. Platanen groeien goed, verdragen verharding maar hebben wel de neiging om scheef te groeien, door wind of door groei naar licht. Voor locaties waar permanent de wind waait is een plataan minder geschikt. Es De es is verspreid door de stad aangeplant, maar ontbreekt binnen de Singelgracht. De boom komt voor in rijen, lanen, groepjes en als solitaire boom. In Buitenveldert, Watergraafsmeer en in de lobben van de naoorlogse stad is de es veel aangeplant in landschappelijke beplantingen. De es doet het vooral goed in open bermen langs water en matig in de verharding. De Fraxinus excelsior ‘Westhoff’s Glorie’ is de meest aangeplante soort. De es is zeer gevoelig voor de essentaksterfte en het is daarom belangrijk om de ontwikkeling bij te houden van de verschillinde soorten en bijbehorende gevoeligheid/resistentie. Door toepassing van veel rassen en cultuurvariëteiten is de ziekte in de stad beperkt aanwezig. Populier De verschillende rassen van de populier (Populus canadensis) zijn vooral aangeplant langs grote wegen in de naoorlogse stad en op het grensvlak van de stad met het landschap.
De boom staat verder langs sportvelden, volkstuinparken en vooral in grote open bermen. De rassen van de grauwe abeel (P. canescens) zijn veel toegepast in Zuidoost en de Italiaanse populier, vooral als solitair, is gebruikt in de Ring ’20-’40. Populieren stellen weinig eisen en groeien snel. Enkele cultuurvariëteiten van de Populus canadensis worden vanwege de takbreukgevoeligheid niet meer toegepast. Esdoorn De esdoorn is vooral te vinden in de naoorlogse stad. In winkelstraten of op pleinen is vaak de zilveresdoorn aangeplant vanwege de lichte open kroon. Een esdoorn heeft over het algemeen een ruime open standplaats nodig. De esdoorn verdraagt afhankelijk van de verschillende soorten en rassen de verharding en verdichting van de bodem matig tot goed. Enkele soorten verdragen harde wind slecht en zijn takbreukgevoelig. Eik De eik wordt vooral toegepast als laanboom (moeraseik langs Radioweg en zomereik langs de Gooiseweg) en in mindere mate als straatboom (Quercus robur ‘Fastigiate Koster') in de naoorlogse stad. Eiken slaan moeilijk aan en verdragen afhankelijk van de soorten en rassen verharding en verdichting slecht tot goed. De laatste jaren komt de Turkse eik of moseik (Q. cerris) in de belangstelling. De boom is gezond, groeit redelijk snel en is windvast.
Met de opkomst van de eikenprocessierups is de gemeente terughoudend met het aanplanten van eiken in de buurt van speelplekken, sportterreinen en winkelcentra. Zie voor minder gevoelige soorten bijlage 11.1. Paardenkastanje De paardenkastanje is vooral toegepast op pleinen en plantsoenen en weinig in straten. De boom verdraagt verdichting van de bodem matig. Op plekken met halfverharding of een pleinverharding (Kastanjeplein) groeien de bomen goed. De conditie van de paardenkastanje staat onder druk door de aantasting van de kastanjemineermot en de kastanjebloedingsziekte. Er zijn soorten, zoals Aesculus flava, die minder gevoelig zijn maar het aanbod op de boomkwekerijen is nog beperkt. 82
Linde
Plataan
Es
Populier
Esdoorn
Eik
Paardenkastanje
Vleugelnoot
83
02 Doel en overtuigingen 01 Toelichting voor de Puccinimethode gebruiker 11 Bijlagen
10 Water- en oeverbeplanting
09 Gras en ruigte
08 Kruidachtigen
07 Heesters, hagen, rozen en klimplanten
Iep
06 Bosplantsoen en struweel
05 Bomen
04 Basisprincipes
Valse acacia De verschillende rassen van de valse acacia (Robinia pseudoacacia) zijn vooral aangeplant in de straten van Plan Zuid en de Ring‘20-’40, maar ook in de naoorlogse stad zoals in de Westelijke Tuinsteden, Zuidoost en Buitenveldert. Valse acacia’s zijn gezonde en snelle groeiers, verdragen verharding uitstekend en zijn goed opgewassen tegen de stedelijke dynamiek. De valse acacia heeft een transparante kroon, bloeit uitbundig en is een goede drachtboom voor honingbijen. De bomen staan bekend vanwege het opdrukken van de verharding, maar het lijkt erop dat dit geen probleem vormt bij een optimale groeiplaatsinrichting.
03 Groenkaart en tabel
Vleugelnoot De vleugelnoot is vooral gebruikt op pleinen (Amstelveld, Krugerplein) en in straten in de Westelijke Tuinsteden en als solitairboom in plantsoenen, straathoeken en open plekken in de naoorlogse stad. De boom heeft een voorkeur voor een open standplaats, maar verdraagt verharding matig tot goed, afhankelijk van een groeiplaatsverbetering. De bomen staan bekend vanwege het opdrukken van de verharding, maar het lijkt erop dat dit geen probleem vormt bij een optimale groeiplaatsinrichting.
5.3.2 sortiment voor buiten de Hoofdbomenstructuur Bij sortimentskeuze voor projecten buiten de Hoofdbomenstructuur gebruiken we de vastgestelde soorten uit Amsterdamse laan- en straatbomenlijst (bijlage 11.1). In overleg met de beheerder en Toetsteam OR&M kan de ontwerper afwijken van de voorgestelde soorten. Bij het bepalen van het boomassortiment zijn veel afwegingen te maken. De soortkeuze wordt bepaald aan de hand van de eigenschappen van de boomsoort en de bijdragen aan de ecosysteemdiensten en de situatie van de beschikbare groeiplaats zoals de samenstelling van de bodem, het beschikbare bodemprofiel en de gemiddelde hoogste grondwaterstand. Bij parken en grotere plantsoenen spelen ook de ecologische waarde, het cultuurhistorische karakter of de monumentale status een rol. Voor bomen buiten de Hoofdbomenstructuur geldt bij aanplant en vervanging van bomen altijd een groeiplaatsverbetering met >25 m3 doorwortelbaar volume. De stamomtrek van de te planten boom is minimaal 20-25 cm.
• •
•
•
•
Bomen buiten de Hoofdbomenstructuur, berken in de Pieter Zeemanlaan (foto: Geert Timmermans)
De te gebruiken soorten zijn vastgelegd in de Amsterdamse straat- en laanbomen ‘best practice’ zie bijlage 11.1. Soortkeuze is afhankelijk de samenstelling van de bodem, het beschikbare bodemprofiel en de gemiddelde hoogste grondwaterstand en voor parken en plantsoenen ook van het cultuurhistorische karakter of de monumentale status. Voor bomen buiten de HBS geldt een groeiplaatsverbetering van >25 m3 doorwortelbaar volume. De stamomtrek van de te planten boom is minimaal 20-25 cm. Alleen in overleg met de Toetsteam OR&M kan worden afgeweken van de voorgestelde boomsoorten uit de lijst en de gestelde eisen ten aanzien van de groeiplaatsverbetering. Bij vervanging van iepen moeten iepen worden geplant.
84
02 Doel en overtuigingen 01 Toelichting voor de Puccinimethode gebruiker
5.3.3 sortiment voor de Ecologische structuur Amsterdam Voor het gebruik van beplanting in de Ecologische structuur Amsterda (ESA) zijn een aantal randvoorwaarden op het gebied van te gebruiken plantmateriaal en plantwijze.
Ecologische Structuur Amsterdam, Brettenzone (foto: Edwin van Eis)
• •
Natuurlijk plantverband Om de natuurbeleving te behouden en te versterken, worden bomen en heesters op onregelmatige afstand en in los verband aangeplant. Knotbomen zijn een uitzondering, deze mogen op rij geplant worden in cultuurrijke delen.
07 Heesters, hagen, rozen en klimplanten
•
ESA in kaart zie: maps.amsterdam.nl/ ecopassages/ Autochtoon plantmateriaal: www. rassenlijstbomen.nl/nl/Home/OverRassenlijst/Autochtone-herkomsten.htm
06 Bosplantsoen en struweel
05 Bomen
04 Basisprincipes
03 Groenkaart en tabel
Inheems plantmateriaal • Om de beplanting maximaal bij te laten dragen aan de doelstellingen van de ecologische structuur worden alleen inheemse soorten toegepast, die regionaal voorkomen en, waar mogelijk, soorten met autochtone eigenschappen. Soorten worden zo gekozen dat ze passen bij de natuurlijke omstandigheden van de standplaats, zoals: grondsoort, hoogste grondwaterstand en windzonbelasting. • In heemparken en natuurtuinen al dan niet gelegen binnen de ecologische structuur, worden inheemse vaste planten, bollen en stinzenplanten toegepast. • Er wordt in principe geen verbetering van de groeiplaats toegepast, tenzij de fysieke omstandigheden ertoe noodzaken, bijvoorbeeld als de bodem te arm is om groei mogelijk te maken. Soorten die in aanmerking komen voor toepassing in de ESA zijn in tabel 11.1 gemarkeerd met een ‘I’ (inheems).