Puccini Handboek Groen (2024).pdf
Tekst van het document
Bloemrijk gras en ruigte Bloemrijke graslanden en ruigten moeten minimaal 75% van de tijd worden beschenen door de zon.
08 Kruidachtigen
•
Oevers in de ESA In ecologische waardevolle gebieden worden bomen in de buurt van water zo aangeplant dat de negatieve effecten van de boom (bladval in het water en schaduwwerking) geminimaliseerd worden. De minimale afstand tussen de aan te planten boom en de waterlijn wordt berekend door de hoogte van de boom (in volwassen toestand) te vermenigvuldigen met de plantafstandsfactor (zie tabel 5.3).
N, NO, O NW
Richting waterloop
N-Z
Z, ZO, ZW
1
1
NO-ZW
0,5
1
NW-ZO
1
1
O-W
0,5
1,4
tabel 5.3 plantafstandsfactor bomen tot waterlijn
85
W
11 Bijlagen
Oeverligging
10 Water- en oeverbeplanting
09 Gras en ruigte
•
5.3.4 toepassing van verhoogde plantvakken Bomen planten we bij voorkeur in de volle grond. Er zijn echter situaties waar vanwege de ondergrondse infrastructuur en/of de hoge grondwaterstand geen of beperkte ruimte in de ondergrond aanwezig is voor bomen en grondverbetering. Terwijl er wel een wens is voor bomen. In die situaties kan, in overleg met de groenbeheerder en eventueel netwerkbeheerder(s), nagegaan worden of het haalbaar is bomen in verhoogde plantvakken toe te passen. De toepassing en haalbaarheid is altijd maatwerk en afhankelijk van de maat het vak, de porositeit (doorlatendheid) van de bodem van de bak en de grondwaterstand. Met name de porositeit bepaalt in hoeverre het grondwater via capillaire werking bij de boomwortels terecht kan komen. Verhoogde plantvakken (zie figuur 5.21) zijn precies zoals de naam zegt, plantvakken die ten opzichte van het maaiveld verhoogd zijn aangelegd. Het zijn als het ware opgetilde plantvakken met direct contact met de ondergrond. De rand om het plantvak kan vaak worden gebruikt als zitplek. Het beschikbare doorwortelbaar volume binnen het plantvak is essentieel voor het slagen van de boombeplanting. Hoe groter de bakken, hoe eenvoudiger dit is. Afhankelijk van de hoogte-, breedte- en lengtemaat (aantal m3 beschikbare groeiruimte) van opgetilde plantvakken zijn eventueel bomen van 1e of 2e grootte haalbaar.
Boom in verhoogd plantvak (foto: Geert Timmermans)
figuur 5.21 Verhoogd plantvak, bomen tot 1e grootte mogelijk
figuur 5.22 Boombak met poreuze bodem
86
Hoe lang water in een wadi kan staan is mede afhankelijk van de toegepaste soorten. Geadviseerd wordt dat de wadi binnen 24 tot maximaal 48 uur weer droog is. De bodem (klei, veen, zand, of combinaties) en de wortels van de vegetatie zijn met name belangrijk voor de infiltratiecapaciteit. Het water gaat via de wortels naar de bodem (percolatie) en wordt via de bodem gevoerd naar het grondwater (infiltratie). Indien de bestaande bodem een slechte infiltratiecapaciteit heeft (<0,5 m/dag) kan bodemverbetering worden toegepast. Bij bodemverbetering is het belangrijk dat deze wordt afgestemd met de vegetatie in de wadi. Eventueel moeten er waterbeheervoorzieningen, zoals greppels en drains, toegepast worden om het water snel genoeg af te voeren.
Het beplanten van wadi’s met bomen, eventueel in combinatie met vaste planten of heesters, heeft voordelen. Water wordt door de bomen opgenomen en verdampt, de (boom)wortels dragen er aan bij dat water sneller in de bodem infiltreert. Bomen die geschikt zijn voor aanplant in wadi’s moeten bestand zijn tegen tijdelijke overstroming (24-48 uur) én tijdelijke droogte. Een ander voordeel van het beplanten van wadi’s in vergelijking tot een gras- of kruidvegetatie is dat er veel minder snel bodemverdichting optreedt wat gunstig is voor de infiltratiesnelheid. Geschikte bomen voor wadi’s zijn in bijlage 11.1 aangegeven en moeten zowel natte als droge bodems verdragen.
Wadi, Domenico Scarlattilaan (foto: Ton Muller)
87
02 Doel en overtuigingen 01 Toelichting voor de Puccinimethode gebruiker 03 Groenkaart en tabel 11 Bijlagen
10 Water- en oeverbeplanting
09 Gras en ruigte
In situaties, met bestaande bomen, is het belangrijk de wadi’s zo te ontwerpen en positioneren dat wortelschade zoveel mogelijk wordt voorkomen. Betrek een groenspecialist die aan de hand van een bodem- en bewortelingsonderzoek kan bepalen op welke veilige afstand kan worden ontgraven. Bij boomsoorten waarbij de wortels niet langer dan 24 uur onder water kunnen staan is het beste om de wadi om de wortelzone heen te positioneren. In nieuwe situaties is het belangrijk een optimale groeiplaats aan te leggen voor de vegetatie. Om een optimale groeiplaats te creëren is het belangrijk dat inzicht wordt gegeven in de grondwaterstand en de bodem. Eventueel is bodemverbetering nodig om een optimale groeiplaats te creëren. Bij de bodemverbetering is het belangrijk dat wordt gekeken naar het humusgehalte en het
04 Basisprincipes
Voor bomen in of vlak naast een wadi is het van belang hoe lang het water maximaal in de wadi blijft staan, hierbij is de infiltratiecapaciteit van belang. Als het water te lang in de wadi blijft staan: • gaat de organische stof in bodem verrotten; • nemen de boomwortels geen zuurstof meer op; • sterft uiteindelijk de beplanting.
05 Bomen
Voor nieuwe wadi’s met een multifunctioneel karakter is het belangrijk dat bomen en heesters op hogere delen van de wadi komen te staan. Dit kan boven het talud van een wadi zijn, maar bijvoorbeeld ook op een terp in de wadi. In paragraaf 5.4.3 groeiplaatsprincipe 8 is een wadi weergegeven met toepassing van bomen en mengbeplanting. In die situatie is het van belang dat er een voldoende dikke groeilaag van minimaal 0,5 m boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand aangebracht wordt bij aanplant van bomen. Hiermee wordt voldoende doorwortelbaar volume gecreëerd en staan de bomen niet met hun wortelkluiten in het water. De leeflaag kan na piekbuien tijdelijk met water zijn gevuld, maar moet binnen 24-48 uur weer droog zijn. In alle situaties met bestaande en/of nieuwe bomen is het belangrijk om vooraf een bodem- en bewortelingsonderzoek en een hydrologische analyse uit te voeren.
06 Bosplantsoen en struweel
Een wadi is een verlaging in het maaiveld met als primaire functie om het water tijdelijk te bergen en te infiltreren naar de bodem. Naast deze primaire functie is het voordeel van een wadi dat deze multifunctioneel is, door ook bij te dragen aan biodiversiteit, bodemleven, esthetiek en eventueel recreatie. Een goede inrichting van de boven- en ondergrond is belangrijk voor een wadi. Net zo essentieel is het beheer, hier valt of staat een wadi mee. Een beheerplan opstellen in samenwerking met een groen- en beheeradviseur geeft hier ondersteuning in.
07 Heesters, hagen, rozen en klimplanten
lutumgehalte. Voor infiltratie is het beste om deze parameters zo laag mogelijk te houden: • Humusgehalte 1. voor gazon en bloemrijkgras idealiter 3-5% 2. voor bomen en mengbeplanting idealiter 6-9% • Lutumgehalte (fijnstof, gronddeeltjes kleiner dan 2 µm) <1%
sortiment voor wadi’s
08 Kruidachtigen
5.3.5
5.3.6 De bodemopbouw is afhankelijk van de benodigde grondwaterhuishouding en die kan worden bepaald door middel van een niet-stationaire berekening van de grondwateraanvulling, waarbij rekening wordt gehouden met de KNMI klimaatscenario’s zodat de grondwaterhuishouding ook in de toekomst blijft voldoen.
sortiment voor daken van tunnels en parkeergarages In Amsterdam worden in toenemende mate bomen en groenvoorzieningen op daken van parkeergarages en tunnels aangelegd. In de meeste situaties is sprake van intensief gebruik van de openbare ruimte op het dak en wordt gestreefd naar een optimaal eindbeeld met een volwassen, gezonde beplanting. Om dit eindbeeld te bereiken, is een goed doordachte groeiplaatsinrichting van cruciaal belang, laat een expert daarom op tijd aansluiten. Het gewicht van de boom is cruciaal in verband met draagkracht van daken. Plaatsing van bomen op een bestaand dak zal dus vooraf berekend moeten worden en op basis daarvan moet worden beoordeeld of aanplant van bomen haalbaar is. Eventueel kunnen bomen op een cruciale stevige plek zoals ter hoogte van een ondersteunende pilaar worden geplant. In het geval van een nieuw te realiseren dak kan met het gewicht van bomen rekening worden gehouden.
In paragraaf 5.4.3 groeiplaatsprincipe 7 staat de opbouw van bomen op daken van tunnels en parkeergarages. Zie ook bijlage 11.5 voor een uitgebreide beschrijving van de aanleg van een groeiplaatsinrichting voor dakbeplantingen.
Om een standaard groeiplaats te creëren zijn de volgende zaken van belang: • De dikte van de totale bodemopbouw op het dak is minimaal 1,0 meter en bij voorkeur 1,5 meter of meer als dat nodig is voor de benodigde grondwaterhuishouding om een natte en droge periode te kunnen overbruggen. • Op daken moet bij aanplant altijd ondergrondse kluitverankering worden toegepast. • Een hydrologisch (grondwater) onderzoek moet uitwijzen of het grondwater in de nieuwe situatie onder of boven het dakniveau komt te staan. • Op locaties waar het grondwater (periodiek) boven het dakniveau komt te staan, wordt een waterafvoerende laag op het dak aangelegd waarmee de grondwaterstand kan worden gereguleerd. Vanwege kans op droogtestress is de bepaling van de dikte van de waterafvoerende laag en instelhoogte van de drainage cruciaal, zodat de begroeiing een droge periode kan overbruggen. • Op locaties waar het grondwater permanent onder het dakniveau komt te staan (hangwaterprofiel) kan overwogen worden op het dak een waterbuffersysteem aan te leggen van bijvoorbeeld kratten voorzien van capillaire conen en een doek dat water capillair kan laten opstijgen richting het substraat.
88
2. Ontwatering In Amsterdam is vooral sprake van een grondwaterprofiel (zie figuur 5.23 links). Bij de inrichting van de groeiplaats is daarom de ontwatering van groot belang. De ontwatering is de afstand tussen maaiveld en de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG). De GHG valt meestal samen met de reductiezone. De reductiezone is de vrijwel permanent met (grond)water verzadigde bodemlaag die geen bodemzuurstof bevat. Wortels groeien niet in de reductiezone en het grondwater maar blijven daar altijd vlak boven. De gewenste ontwatering voor bomen is 1 m en de minimale eis is 0,8 m. Dit is nodig om voldoende bewortelbaar volume te creëren. Op locaties waar de ontwatering minder is, moet gekeken worden of technische oplossingen toe te passen zijn, zoals: profielverhoging en/of grondwaterstand verlagende maatregelen zoals drainage of een DT-riool om de minimale eis te halen of tenminste te benaderen. Op meer natuurlijke locaties zoals parkgebieden en plantsoenen kan op lagere terreindelen spake zijn van minder ontwatering en is het zaak vochtminnende boomsoorten toe te passen. Er moet worden voorkomen dat grondwater stijgt tot in het grondsubstraat en daardoor in de wortelzone. Door verdringing van zuurstof vindt dan sterfte van wortels plaats en daarmee kwaliteits89
02 Doel en overtuigingen 01 Toelichting voor de Puccinimethode gebruiker 03 Groenkaart en tabel 04 Basisprincipes
05 Bomen
1. Afwatering De bovengrondse regenwaterafvoer van wegen en fiets- en wandelroutes (afwatering), waar in de winter zout gestrooid wordt, moet bij voorkeur van de bomen af plaatsvinden, zodat er geen water ophoopt ter plaatse van boomspiegels en -vakken. Hiermee voorkomen we wateroverlast aan de wortels en zoutschade. Zorg ervoor dat bomen niet in het laagste punt van het straatprofiel komen te staan. Zoutinspoeling in de winter is ook te voorkomen door boomspiegels en of plantvakranden met klik aan te leggen (zie ook punt 6. Boomspiegel). De boomspiegels en plantenvakken ontvangen dan niet permanent water, maar kunnen op deze manier tijdens piekbuien in de zomer wel bijdragen aan het voorkomen van wateroverlastproblemen.
06 Bosplantsoen en struweel
In deze paragraaf worden de volgende details behandeld: 1. Afwatering 2. Ontwatering 3. Doorwortelbaar volume 4. Begrenzing doorwortelbaar volume 5. Beluchtingssysteem 6. Boomspiegel 7. Boomrooster 8. Infiltratie- en watergeefvoorzieningen 9. Verankering
07 Heesters, hagen, rozen en klimplanten
In natuurlijke omstandigheden staan bomen in open grond, die is begroeid met vegetatie en afgedekt door een strooisellaag. De begroeiing en de strooisellaag beschermen de boom tegen uitdroging en dragen bij aan een actief bodemleven. De langzame afbraak van de strooisellaag, bestaande uit afgevallen bladeren en takken, zorgt er ook voor dat de bomen onderdeel zijn van de kringloop en voldoende voeding krijgen. In de stedelijke omgeving ontbreekt in beginsel deze natuurlijke kringloop door een afsluitende bestrating, verdichting/belasting, wateroverlast of strooizout. Deze belemmeren een goede wateren zuurstofhuishouding en daardoor wortelontwikkeling in de bodem. Dit heeft negatieve gevolgen voor de groei van bomen en kan zelfs leiden tot sterfte van de nieuwe en bestaande bomen. Daarom is de gemeente Amsterdam al tientallen jaren bezig om in nieuwe en bestaande situaties uitgekiende, hoogwaardige groeiplaatsen voor bomen aan te leggen waarbij de natuurlijke situatie zoveel mogelijk wordt nagebootst. In het algemeen geldt dat een groeiplaats in de open grond, bijvoorbeeld een grasberm of gazon, de voorkeur heeft boven een groeiplaats in de verharding. Hieronder zijn tien veel voorkomende principes voor groeiplaatsen uitgewerkt. De precieze keuze, opbouw en techniek is maatwerk en altijd afhankelijk van de lokale situatie.
Het is belangrijk om bij de afweging en detaillering een boomspecialist van IB te betrekken.
08 Kruidachtigen
detaillering van boven- en ondergrondse groeiplaats
09 Gras en ruigte
Aanleg
10 Water- en oeverbeplanting
5.4.1
11 Bijlagen
5.4
vermindering en zelfs (snelle) sterfte van bomen. Met de aanleg van een buffer van minimaal 0,15 m tussen onderzijde van de grondverbetering en de reductiezone of GHG worden kleine seizoensgebonden grondwaterstijgingen opgevangen. Bij hoge grondwaterstanden of sterke fluctuaties moet drainagezand worden aangebracht ter plekke van de buffer.
3. Doorwortelbaar volume • Voor bomen in de Hoofdbomenstructuur geldt een groeiplaatsverbetering van 25-40 m3 doorwortelbaar volume, waarbij we streven naar de maximale hoeveelheid van 40 m3. • Voor bomen buiten de Hoofdbomenstructuur geldt een groeiplaatsverbetering met >25 m3 doorwortelbaar volume.
In Amsterdam is vooral sprake van een grondwaterprofiel (zie figuur 5.23 links). Alleen op hoog gelegen taluds, zoals van spoor- en wegtracés is sprake van een hangwaterprofiel (zie figuur 5.23 rechts). Bij een hangwaterprofiel ligt de grondwaterstand buiten het bereik van de boomwortels en is de boom afhankelijk van de capillaire werking van de grond. In deze situatie is het van belang om boomsoorten te planten die een zeer droge grond kunnen verdragen (zie bijlage 11.1). In sommige situaties kunnen verticale pijlers worden aangebracht, zodat het grondwater alsnog kan worden bereikt. Voor een overzicht van grondwaterstanden zie de peilfilter kaart van Waternet: https://maps.waternet.nl/kaarten/peilbuizen. html?_ga=1.67320529.1557047828.1485769328 (openen in chrome of edge).
De ondergrondse groeiruimte moet voldoende groot zijn, maar kan verschillende vormen hebben (zie figuur 5.24). Het wortelstelsel vormt zich naar de vorm van de beschikbare doorwortelbare ruimte en de reductiezone/gemiddelde hoogste grondwaterstand. Het is ook mogelijk om groeiplekken met elkaar (ondergronds) te verbinden, om zo tot grote aaneengesloten groeiplekken te komen. Door deze richtlijn te hanteren, kunnen bomen tot volle wasdom uitgroeien en het beoogd wensbeeld halen. Als het doorwortelbaar volume niet haalbaar blijkt te zijn, dan is het verplicht om contact op te nemen met een boomspecialist van IB.
figuur 5.23 Wortelkluitontwikkeling bij grondwaterprofiel (links) en hangwaterprofiel (rechts)
90
figuur 5.24 Zelfde m3 doorwortelbaar volume, verschillende vormen
91
02 Doel en overtuigingen 01 Toelichting voor de Puccinimethode gebruiker 11 Bijlagen
10 Water- en oeverbeplanting
09 Gras en ruigte
08 Kruidachtigen
07 Heesters, hagen, rozen en klimplanten
06 Bosplantsoen en struweel
05 Bomen
In het verticale vlak wordt de groeiplaats veelal begrensd door de reductiezone of gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) (zie figuur 5.23 links). Dieper dan deze zone gaat beworteling niet vanwege afwezigheid van bodemzuurstof. Om fluctuaties van het grondwater op te vangen en te voorkomen dat grondwater stijgt tot in de grondverbetering moet er een buffer van minimaal 0,15 m drainagezand worden aangehouden tussen onderzijde van de grondverbetering (bijvoorbeeld bomenzand verrijkt) en de reductiezone of GHG.
03 Groenkaart en tabel
5. Beluchtingssysteem Bij jonge boomaanplant worden beluchtingssystemen in het grondsubstraat aangebracht om het zuurstofpercentage in de bodem op peil te houden. Bij bomen in een open grond situatie ontstaat na verloop van tijd een natuurlijk evenwicht in het zuurstofpercentage, hier gebruiken we biologisch afbreekbare beluchtingsbuizen. De uiteinden van de buizen in de boomspiegel steken <10 cm boven het maaiveld uitsteken uit en zijn voorzien van een eindkap. Bij bomen in verharde situaties wordt onderin het grondsubstraat een permanent beluchtingssysteem toegepast om het zuurstofpercentage op peil te houden. Dit beluchtingssysteem is gemaakt van kunststof. Het is belangrijk dat er voldoende verticale verbindingen zijn met het maaiveld om de ventilatie van het systeem te waarborgen. Wanneer het beluchtingssysteem in de verharding uitmondt, dient dit afgedekt te worden met een bijpassend rooster.
04 Basisprincipes
4. Begrenzing doorwortelbaar volume In het horizontale vlak worden groeiplaatsen doorgaans gecreëerd in open grond situaties, service- en parkeerstroken, trottoirs en pleinen. Waar mogelijk worden de functies van wegtracés, kabels en leidingen en andere ondergrondse obstakels gescheiden van die van de ondergrondse groeiplaats van bomen. Zie paragraaf 5.2.5 afstand bomen tot ondergrondse kabels en leidingen.
6. Boomspiegel De vorm van boomspiegel is bij nieuwe aanleg vierkant (90x90 cm) of rond (ø90 cm ). Bij bestaande bomen worden de volgende boomspiegelmaten aangehouden: • stamdiameter >ø35 cm, boomspiegel 1,50 x 1,50 m • stamdiameter >ø50 cm, boomspiegel 1,80 x1,80 m • stamdiameter >ø70 cm, boomspiegel 2,10 x 2,10 m. Bij elke herstrating wordt gekeken of de boomspiegel moet worden aangepast. De boomspiegel wordt vergroot als de boom gaat groeien en de stam dikker wordt. De boomspiegel wordt verkleind bij herplant, na bijvoorbeeld kap. Standaardmaten zijn niet altijd toepasbaar. Het streven is dan zoveel mogelijk eenheid en uniformiteit in de te gebruiken boomspiegels in de straat.
Bij bestaande bomen is het ook mogelijk om de boomspiegel in te planten. Eventueel aanwezige halfverharding moet worden verwijderd en vervangen door bomenzand verrijkt. De grond in de boomspiegel mag maximaal 5 cm worden opgehoogd. Ophogingen van de grond rond de bomen vergroot de kans op inrotten van de stam en het belemmert jonge bomen in hun ontwikkeling. Het beplanten van de boomspiegels, waarbij de grond maximaal 5 cm wordt opgehoogd levert geen problemen op. Het plaatsen van planken of banden rond de stam van een bestaande boom om een verhoogde plantbak te creëren is niet toegestaan. Indien een groter oppervlak aan onderbeplanting gewenst is, dan is er geen sprake meer van een boomspiegel, maar van een plantvak (zie paragraaf 5.3.4 verhoogde plantvakken). Om boomveiligheidsinspecties niet te belemmeren mag alleen lage beplanting worden toegepast, klimplanten en hoge heesters zijn niet toegestaan. Indien er sprake is van een situatie waar werkzaamheden en inspecties belemmerd worden, de veiligheid in het geding is of er sprake is van slecht onderhoud of een calamiteit, behoudt de beheerder zich het recht voor om de beplanting te verwijderen.
Zie Handboek Rood voor de verschillende mogelijkheden voor ronde en vierkante boomspiegels. Een boomspiegel in trottoir wordt met ‘klik’ aangelegd om te voorkomen dat afstromend hemelwater en dooizouten bij wortels van de boom terecht komt. Bij nieuwe aanplant van bomen wordt de boomspiegel afgewerkt met grof, zoet zand of met grond en beplant met vaste planten of bodembedekkers. Vaste planten in de boomspiegels vormen stapstenen voor insecten en kleine zoogdieren. Om ervoor te zorgen dat deze bomen goed kunnen aanslaan, mag de boomspiegel pas na één jaar na aanplant worden beplant.
Boomspiegel met beplanting, Jan de Jonghkade (foto: Edwin van Eis)
Vijf jaar na aanplant van de boom mag de boomspiegel, om een grotere vrije doorloopruimte te krijgen in overleg met de beheerder, worden voorzien van een halfverharding. Zie voor toepassing van halfverharding Handboek Rood.
figuur 5.25 Gietrand in de vorm van gronddijkje (foto: Hans Kaljee)
92
Ondergrondse of kluitverankering Deze vorm van verankering wordt alleen in overleg met de beheerder toegepast, is maatwerk en wordt alleen toegepast als bovengrondse verankering niet mogelijk is. Bijvoorbeeld op een parkeerdek met een geringe bodemopbouw. Deze methode van verankeren is windgevoeliger dan bovengrondse verankering. Het gaas rond de draadkluit moet blijven zitten voor stevigheid. De verankering mag alleen over de kluit heen aangebracht worden en nooit om de stam heen gedraaid of vastgemaakt. Nadat bomen scheef gewaaid zijn, is het bij deze methode ook lastiger om de bomen weer rechtop te zetten. Binnen vier jaar moet ondergrondse verankering worden verwijderd of losgesneden.
figuur 5.26 Gietrand
Bovengrondse verankering Wibautstraat (foto: Cécile Obertop)
93
02 Doel en overtuigingen 01 Toelichting voor de Puccinimethode gebruiker 03 Groenkaart en tabel 04 Basisprincipes 11 Bijlagen
10 Water- en oeverbeplanting
Kunstmatige infiltratiesystemen, vaak in combinatie met vochtsensoren (druppelsystemen), worden alleen in zeer speciale situaties en in overleg met de beheerder toegepast. De praktijk leert dat alle kunstmatige infiltratiesystemen kwetsbaar zijn en slechts enkele jaren goed functioneren. In tijdelijke situaties zoals bij pas verplante, grote bomen, kan een tijdelijk kunstmatig infiltratiesysteem een goede oplossing zijn. Dit kan de bomen door de aanslagperiode van 3-5 jaar heen helpen.
05 Bomen
Een gronddijkje (zie figuur 5.24) heeft de voorkeur boven een gietrand bij aanplant van een nieuwe boom. In open grond situaties is dit de standaard, tenzij de bomen op bijvoorbeeld een talud worden geplant. Dan wordt een gietrand geplaatst om te voorkomen dat het water direct wegstroomt. Gietranden (zie figuur 5.26) worden alleen toegepast als bomen in de verharding worden geplant. Alleen gietranden van biologisch afbreekbaar materiaal mogen worden toegepast. Deze blijven staan gedurende de (raam-)contractperiode van de aannemer. Na deze periode wordt de gietrand verwijderd en gerecycled of hergebruikt.
06 Bosplantsoen en struweel
Bovengrondse verankering In Amsterdam is de bovengrondse verankering van bomen met twee boompalen. Bij bomen langs wegen worden deze evenwijdig aan de rijrichting aangebracht. In parkachtige situaties is het beter om de palen loodrecht op de meest heersende windrichting (zuid-west) aan te brengen. De boom wordt aan de palen verankerd met biologisch afbreekbare banden. Nadat de boom in het plantgat is gezet wordt het gaas rond de kluit losgeknipt en bij voorkeur verwijderd. Is dit niet mogelijk dat wordt het gaas tot onderin het plantgat geduwd. Boompalen steken maximaal 1,50 m boven het maaiveld uit en zijn niet verduurzaamd. Deze verankering blijft maximaal vier jaar staan, totdat de boom zelf voldoende verankerd is door middel van stabilisatiewortels. Daarna worden de palen en banden verwijderd. In geval van draai- of valwinden rondom hoge gebouwen, op windlocaties of bij grotere bomen zijn drie palen met een houten juk en biologisch afbreekbare banden nodig.
07 Heesters, hagen, rozen en klimplanten
8. Infiltratie- en watergeefvoorzieningen Een boom van de kwekerij krijgt slechts 20-30% van de actieve wortels mee. De rest blijft achter op de kwekerij. Een pas geplante boom heeft daarom de eerste twee tot drie jaar water nodig in droge perioden. Infiltratiesystemen en systemen om water te geven verbeteren de vochtvoorziening bij standplaatsen. Er zijn verschillende systemen: • Het graven en opwerpen van een klein gronddijkje, aangebracht rond de plantkluit. • Gietranden (biologisch afbreekbaar) van ca. 30 cm hoogte die op de plantkluit worden geplaatst en ca. 10 cm worden ingegraven. • Een infiltratieslang (biologisch afbreekbaar) die vlak onder maaiveld rond de kluit wordt aangebracht.
08 Kruidachtigen
9. Verankering Een nieuwe boom wordt verankerd om ervoor te zorgen dat de boom niet scheef of omwaait, maar ook om schade aan nieuwe wortelgroei te voorkomen, door teveel beweging van de boom. Er zijn twee manieren van verankeren; bovengronds (met boompalen en biologisch afbreekbare banden) en ondergronds (kluitverankering).
09 Gras en ruigte
7. Boomroosters In Amsterdam worden geen boomroosters toegepast.
5.4.2 Het bepalen en aanleggen van het grondsubstraat en/of de constructie is maatwerk. Neem altijd contact op met een specialist van IB. Op hoofdlijnen vindt deze plaats op onderstaande wijze: • Open grondsituatie (bomenzand verrijkt). • Groeiruimte onder niet of licht belaste verhardingen zoals trottoirs (bomenzand). • Groeiruimte onder belaste verhardingen zoals parkeervakken, fietspaden of pleinen (sandwichconstructie bestaande uit bomenzand en krattenlaag of bomenzand grof in specifieke situaties waar geen sandwichconstructie kan worden toegepast). • Groeiruimte onder belaste verhardingen met hogere piekbelasting, zoals kiss & ride locaties, in- en uitritten en bij bruggenhoofden (bomengranulaat). • Groeiruimte onder verharding met hoge verkeersbelasting zoals verkeerspleinen (zelfdragende constructie met bomenzand verrijkt).
samenstelling en toepassing van grondsubstaten en constructies Met betrekking tot de verschillende groeiplaatsprincipes worden verschillende grondsubstraten gebruikt waarvan de afzonderlijke eigenschappen bepalend zijn voor het resultaat. Namelijk een goede en duurzame wortelgroei in het substraat waardoor de bomen zonder problemen tot volle wasdom kunnen komen. De grondsubstraten zijn vrij van onkruiden en bevatten vitaal bodemleven. De meest actuele substraatspecificaties staan omschreven in de stadsbrede raamovereenkomst inkoop, aanplant en nazorg bomen. De huidige specificaties zijn ook terug te vinden in bijlage 11.7 Grondsubstraten: Bomenzand verrijkt 6-9% organische stof (os) (samenstelling staat in bijlage 11.7) wordt alleen gebruikt op plekken waar de boom in open grond wordt geplant of bij een groeiplaats met hoge verkeersbelasting, in de zelfdragende constructie. Bomenzand 4-5,5% (os) (samenstelling staat in bijlage 11.8) is een universeel substraat t.b.v. bomen onder verharding. Het is geschikt voor licht belastbare situaties zoals het trottoir. I.c.m. sandwichpanelen wordt het ook toepasbaar onder parkeervakken en fietspaden. Bomenzand grof 1-4% (os) (samenstelling staat in bijlage 11.9) is draagkrachtiger en dus ook onder parkeervakken, fietspaden, woonerven en pleinen toe te passen. I.c.m.
sandwichpanelen kan het ook toegepast worden onder zwaarder belastbare situaties. In tegenstelling tot Bomengranulaat is het niet geschikt voor groeiplaatsen met intensief zwaar vrachtverkeer.
Om het risico op nazakking/insporing na aanleg van een sandwichconstructie te beheersen, is het belangrijk dat het substraat op een verantwoorde manier wordt aangebracht. In bijlage 11.10 is de werkwijze hiervan weergegeven.
Overige substraten: • Humuscompost als bodemverbeteraar bijvoorbeeld tussen vaste planten • Humuscompost (in een fijne fractie) voor in sandwichconstructie • Schrale toplaag voor gazon/berm • Bladaarde (mulch) • Drainzand • Bomengranulaat (alleen in zeer specifieke omstandigheden, zoals kiss & ride locaties, in- en uitritten en bij bruggenhoofden). Voor samenstelling van de substraten zie bijlage 11.9. Constructies: Sandwichconstructie Zelfdragende constructie Voor samenstelling en het aanbrengen van de constructies zie bijlage 11.10.
• •
94
02 Doel en overtuigingen 01 Toelichting voor de Puccinimethode gebruiker
5.4.3 principes van groeiplaatsinrichting In Amsterdam komen negen groeiplaatsprincipes voor die zich onderscheiden in bodemopbouw en eventuele voorzieningen die getroffen moeten worden. Dat zijn:
04 Basisprincipes
03 Groenkaart en tabel
1. Bomen in open grasberm; 2. Bomen in combinatie met vaste planten en siergrassen; 3. Bomen in verharding; 4. Bomen in parkeervoorziening (belaste verharding); 5. Bomen op bijzondere plekken met hoge verkeersbelasting; 6. Bomen langs gracht; 7. Bomen op dak van tunnels en parkeergarages; 8. Bomen in een wadi; 9. Bomen langs trambaan.
11 Bijlagen
10 Water- en oeverbeplanting
09 Gras en ruigte
08 Kruidachtigen
07 Heesters, hagen, rozen en klimplanten
06 Bosplantsoen en struweel
05 Bomen
De negen groeiplaatsprincipes zijn hierna in factsheets uitgewerkt en verbeeld. Ze zijn van toepassing bij zowel elementverharding als halfverharding (dus ook waterdoorlatende/passerende verharding). In beginsel worden bomen niet in een gesloten asfaltverharding geplant.
95
groeiplaatsprincipe 1: bomen in open grasberm Toepassing • Dit principe wordt toegepast in open bermen langs rijwegen en in gazons ter plaatse van plantsoenen en parken. Ten bate van de bomen wordt bomenzand verrijkt aangebracht met een organisch stofgehalte van 6-9%. Het creëren van een schrale toplaag met een organische stof gehalte van 3-5% garandeert een goede ontwikkeling van de bloemrijke grasvegetatie. • Wanneer nodig kan een wortelscherm of –folie worden aangelegd om wortelgroei in rijweg en/of kabels- en leidingentracé te voorkomen. Gebruikswaarde Uitgangspunt is dat bermen en gazons niet bereden worden en de afwatering van rijwegen en/of hoofdpaden inclusief dooizouten niet rechtstreeks richting de bomen plaatsvindt. • Om de sierwaarde te verhogen, worden in grasbermen en/ of gazons vaak biologische bloembollen en knollen toegepast.
•
Bomen in grasberm Gooiseweg (foto: Geert Timmermans)
Bomenzand verrijkt mag niet in contact staan met het grondwater; bufferlaag van 15 cm drainagezand aanbrengen tussen onderzijde grondverbetering en reductiezone.
biologisch afbreekbare boomband
biologisch afbreekbaar
Figuur 5.27 Opbouw plantvak boom in open grasberm en gazon
96
02 Doel en overtuigingen 01 Toelichting voor de Puccinimethode gebruiker 07 Heesters, hagen, rozen en klimplanten
06 Bosplantsoen en struweel
bomen in grasberm Rozenburglaan (foto: Geert Timmermans)
05 Bomen
04 Basisprincipes
03 Groenkaart en tabel
Belangrijkste aandachtspunten • De schrale toplaag kan in het werk of vooraf bij de leverancier worden voorgemengd. • Ten behoeve van optimale zuurstofvoorziening nabij de kluit wordt een biologisch afbreekbare beluchtingsbuis aangebracht. • Indien nodig een gronddijkje ten behoeve van watergeven (zie figuur 5.25).
Figuur 5.28 Detail bodemopbouw en samenstelling
boom in grasberm Mahlerlaan (foto: Jan Willem Obbink)
97
11 Bijlagen
10 Water- en oeverbeplanting
09 Gras en ruigte
08 Kruidachtigen
bomenzand verrijkt
groeiplaatsprincipe 2: bomen in open grond in combinatie met vaste planten en siergrassen Toepassing • Dit principe wordt toegepast bij de combinatie vaste planten borders en vakken met bomen. Ten bate van de bomen wordt bomenzand verrijkt aangebracht met een organisch stofgehalte van 6-9%. Het creëren van een rijke toplaag garandeert een goede ontwikkeling van vaste planten en grassen. Gebruikswaarde Uitgangspunt is dat bermen en gazons niet bereden worden en de afwatering van rijwegen en/of hoofdpaden inclusief dooizouten niet rechtstreeks richting de bomen plaatsvindt. • Uitgangspunt is dat de borders of vakken met vaste planten en bomen niet betreden worden.
•
Bomen in combinatie met vaste planten, Kees Boekestraat (foto: Geert Timmermans)
Bomenzand verrijkt mag niet in contact staan met het grondwater; bufferlaag van 15 cm drainagezand aanbrengen tussen onderzijde grondverbetering en reductiezone.
biologisch afbreekbare boomband biologisch afbreekbaar
Figuur 5.29 Opbouw plantvak boom in open in combinatie met vaste planten en siergrassen
98
02 Doel en overtuigingen 01 Toelichting voor de Puccinimethode gebruiker 07 Heesters, hagen, rozen en klimplanten
06 Bosplantsoen en struweel
Bomen in combinatie met vaste planten (foto: Geert Timmermans)
05 Bomen
04 Basisprincipes
03 Groenkaart en tabel
Belangrijkste aandachtspunten • De humuscompost moet goed gemengd worden met bomenzand verrjijkt zodat een rijke toplaag ontstaat. Dit kan in het werk of vooraf bij de leverancier plaatsvinden. • De mulch (bladaarde) wordt los aangebracht en niet gemengd met ondergrond. • Ten behoeve van optimale zuurstofvoorziening nabij de kluit wordt een biologisch afbreekbare beluchtingsbuis aangebracht. • Het is belangrijk om aaneengesloten groeiplaatsen te creëren binnen de beschikbare ruimte ten gunste van optimale groeiomstandigheden van bomen. • Indien nodig een gronddijkje ten behoeve van watergeven (zie figuur 5.25).
Figuur 5.30 Detail bodemopbouw en samenstelling
Bomen in combinatie met vaste planten, Van Weldammelaan
99 (foto: Ton Muller)
11 Bijlagen
10 Water- en oeverbeplanting
09 Gras en ruigte
08 Kruidachtigen
bomenzand verrijkt
groeiplaatsprincipe 3: bomen in verharding Toepassing • Dit principe wordt toegepast bij bomen in trottoirs en voetgangersgebied waar verharding niet belast wordt door voertuigen. Ten bate van de bomen wordt bomenzand aangebracht met een organisch stofgehalte van 4-5,5%. • Wanneer nodig wordt een wortelscherm of -folie aangelegd om wortelgroei in rijweg en/ of kabels- en leidingentracé te voorkomen. Gebruikswaarde Uitgangspunt is dat trottoirs niet bereden worden. • De boomspiegel kan worden gevuld met schraal zoet zand, specifieke halfverharding of beplant met vaste planten of bodembedekkers.
•
boom in trottoir, Stadionweg (foto: Herman Best)
Bomenzand mag niet in contact staan met het grondwater; bufferlaag van 15 cm drainagezand aanbrengen tussen onderzijde grondverbetering en reductiezone.
biologisch afbreekbare boomband
Figuur 5.31 Opbouw plantvak boom in trottoir
100