Puccini Handboek Groen (2024).pdf
Tekst van het document
Uit historisch beeldmateriaal blijkt dat in delen van deze zone, ter hoogte van bijzondere gebouwen zoals het Rijksmuseum, de zachte walkant werd ingeplant met siervakken. Mogelijk werd dat ook bij andere delen gedaan waar het voormalige bolwerk zijn functie verloren had en tot wan-
07 Heesters, hagen, rozen en klimplanten
Visie op groen Rond 1900 volgt een kentering: het belang van leefbare buurten met groenvoorzieningen en wandelparken voor alle bevolkingslagen wordt onderkend als noodzakelijk onderdeel van de nieuwe uitbreidingswijken. En dit wordt een taak van de overheid.
08 Kruidachtigen
Beplantingssortiment Van oorsprong zullen inheemse soorten de boventoon gevoerd hebben. Op markante pleinen en andere bijzondere ruimtes hebben wellicht uitheemse exemplaren gestaan of bijzondere ‘herinneringsbomen’. Opvallend zijn bijvoorbeeld de platanen in de Lomanstraat. Rond 1900 raakte de toepassing op grotere schaal van uitheemse soorten langzaam wijder verbreid, maar het zal overwegend voorbehouden zijn geweest aan de privé-tuinen, landgoederen en buitenplaatsen en de bijzondere wandelparken zoals het Vondelpark. • Exotische soorten zoals de Judasboom, Ceder, Tulpenboom, Catalpa, Coniferen, Azalea’s, en rododendrons worden vanaf medio 19e eeuw geïmporteerd. • Mogelijk werden sierperken met eenjarigen en (buxus)hagen toegepast op incidentele pleinen van de sjiekere buurten en dito wandelparken/bijzondere uitspanningen. Dit past bij de architectonische en gemengde tuinstijlen die in de decennia rond 1900 populair waren. Maar bomen, gras en heesters overheersten vermoedelijk om kostentechnische redenen. • De gemeente Amsterdam had sinds 1885 haar eigen Stadskwekerij op het terrein van de in 1882 aangekochte buitenplaats Frankendael. Nader onderzoek zal uit moeten wijzen welke soorten er gekweekt en voor het openbaar groen toegepast werden.
•
09 Gras en ruigte
Context/tijdsgeest/Stedenbouwkundige opzet In de 19e eeuw neemt het inwoneraantal explosief toe. Tegelijk is er economische laagconjunctuur en wordt de stad niet gezien als aantrekkelijk woonmilieu voor de gegoede burgerij. De overheid werkte in die tijd niet aan stadsuitbreidingen en huisvesting voor de lagere klassen, maar wilde wel graag de welgestelden aantrekken.
10 Water- en oeverbeplanting
delpark ontwikkeld werd. Wanneer precies de oevers vrijwel volledig voorzien werden van basaltstenen is vooralsnog niet bekend.
11 Bijlagen
19e eeuwse Ring (1860-1910) Status Deels beschermd stadsgezicht.
•
Gordel 20-40 en de Tuindorpen (1910-1945) Status: • Deels Rijks- en deels Gemeentelijk beschermd stadsgezicht
ieder geval op hoofdlijnen passend bij de historische karakteristieken. Of er nog straten zijn waar de oorspronkelijke bomen staan is vooralsnog onbekend, in de meeste gevallen is de boomaanplant in de tweede helft van de 20ste al eens vervangen waarbij eveneens onderzocht moet worden of daarbij van de oude locaties en soorten gebruik gemaakt werd. Op dit moment lijkt in de meeste straten geen directe relatie tussen de architectuur en de positie van de bomen te zijn (bijv. uitlijning ten opzichte van de parcellering). De sortimentskeuze hangt nauw samen met de periode van aanleg (niet zelden dus ten tijde van heraanplant/herinrichting in de tweede helft van de 20ste eeuw) en er is een veelheid aan soorten terug te vinden. In de arbeidersstraten verschilt die per straat door latere inboetingen, ad-hoc ingrepen en per herinrichtingsprojecten. In de luxe villawijken is er sprake van meer eenheid in de soortenkeuze en inrichting per laan/straat/plein. Pas vanaf de tweede helft van de 20ste eeuw neemt het grootschalig toepassen van uitheemse boomsoorten sterk toe.
Context/tijdsgeest/Stedenbouwkundige opzet In de eerste helft van de 20e eeuw zet de gemeente Amsterdam zich in om op grote schaal woningen te realiseren voor alle sociale lagen, in aantrekkelijke wijken met voldoende groenvoorzieningen. Het vak van stedenbouw komt tot ontwikkeling en ook expertise op het gebied van groenontwerp, aanleg en beheer wordt binnen de gemeente als belangrijke taak gezien. Aan alle zijden van de stad vinden uitbreidingen plaats, in de vorm van aaneengesloten bebouwing met gesloten bouwblokken of tuindorpen. Visie op groen De ideaalvorm van wonen wordt gezien als een vrijstaande woning met een tuin, maar omdat dit op een betaalbare wijze voor grote aantallen in een dichte stedelijk context volstrekt onhaalbaar is, zoekt men naar modellen die hierbij passen. Nieuwe ideeën over verbindingen tussen het stadsgroen en het omliggende landschap komen in zwang, zoals de ‘parkway’. Plan Zuid is het eerste stedenbouwkundige plan met een integraal ontworpen groenstructuur. Ook komen er grootschalige groenvoorzieningen tot stand en start de aanleg van het Amsterdamse Bos en Florapark. Sociale wetten zoals de achturige werkdag maken tijd vrij voor recreatie. De eerste volkstuinen, die nadrukkelijk bedoeld waren voor sierplanten, en al snel als verblijfstuin en wandelpark voor omwonenden, worden vanaf 1909 in gebruik genomen en de eerste schoolwerktuinen in 1920.
In de eerste decennia van de 20ste eeuw vindt een sterke ontwikkeling van de planvorming en realisatie plaats van een doorlopend groen netwerk vanuit de woning tot in het omringende (natuur) landschap. Zowel Plan Zuid als het Algemeen Uitbreidingsplan gaan uit van netwerken die de stadsbewoners via naadloze groene routes met het buitengebied verbinden. Volkstuinen, schoolwerktuinen, sportterreinen binnen de stad zijn geïntegreerd in dat netwerk, doelbewust in nabijheid van de woonwijken. De gemeente Amsterdam heeft (net als veel andere gemeentes) sinds 1850 een eigen dienst Stadswerken met een Afdeling Beplantingen en een eigen kwekerij. De aanleg van groen in de stad wordt onderkend als belangrijke factor om de stad aantrekkelijk te maken voor de elite (en dus bedrijven), concurrerend met andere grote steden zoals Parijs. Stadswerken draagt bij aan een aantrekkelijk ontworpen stad. Net als in andere gemeentes is daarin expertise op het gebied van bijzondere soorten aanwezig, er wordt ook zelf gekweekt. Dit gaat hand in hand met de visie-ontwikkeling dat de stad aantrekkelijke en groen
Kansen voor verbetering Zijn nu nog niet opgenomen
•
In de arbeiderswijken van de 19e eeuwse ring geen of slechts incidentele boomaanplant. Govert Flickstraat (bron: Beeldbank Stadsarchief)
34
35
02 Doel en overtuigingen 01 Toelichting voor de Puccinimethode gebruiker 03 Groenkaart en tabel 04 Basisprincipes
05 Bomen 06 Bosplantsoen en struweel 07 Heesters, hagen, rozen en klimplanten 08 Kruidachtigen
Ruimtelijke groenstructuur • De wijken uit deze periode zijn vaak als een totaalontwerp tot stand gekomen; ze omvatten ook straatprofielen met beplanting met perken, gazons en bomen. • De positie en soortkeuze van de (boom) aanplant hangt nauw samen met het straat- en bebouwingsbeeld. • Grote doorgaande groenzones zoals bijvoorbeeld de Apollolaan of de Purmerweg bestaan uit brede grasvelden met daarin grote groepen vaste planten in perken met strakke geometrische en symmetrische vormen en (liguster)hagen. Het gras was vermoedelijk kruiden/ bloemrijk (zoals madeliefjes). Kruidenrijk gras was bij buitenplaatsen eeuwenlang traditioneel ook het geval (en voor diverse doeleinden). Het vrijhouden van ‘onkruid’ werd pas gangbaar met de introductie en grootschalige toepassing van kunstmest en chemische pesticiden vanaf de jaren ‘50. • Beplanting is zorgvuldig gepositioneerd. Het accentueert vaak zichtlijnen en assen . • Langs doorgaande (brede) verkeersstraten staan hoge bomen met zeer verticale of juist breed uitkragende kronen. In kleine straten werden kleinere bomen geplant . • Er is veel symmetriewerking en onderlinge samenhang per straat/buurt/wijk in de aanleg en soortkeuzes.
• Privégroen wordt structureel ingezet als onderdeel van de groene beleving van de openbare ruimte, omdat het daar direct aan grenst (voortuinen) of omdat er een zichtrelatie is naar de binnentuinen (tussen de open hoeken danwel aan de open koppen van bouwblokken). Omdat er zoveel moeite gedaan werd om in groen in de stad te voorzien, waren er verplichtingen opgenomen om (privé)tuinen ook als tuin te onderhouden. • Pleinen en plantsoenen hebben hun eigen accentbeplanting die afwijkt van de aangrenzende straat om zo het plein ruimtelijk vorm te geven, vaak ook in samenhang met de architectuur. Hoe de oorspronkelijke plantschema’s voor de bomen waren is onderwerp van nader onderzoek.
09 Gras en ruigte
Beplantingssortiment In de meer besloten woonstraten staan kleinere, laagblijvende (mogelijk ook sierfruit) soorten . • Gangbaar voor de periode is aanplant in grotere groepen, met duidelijke invloeden van de Engelse cottagestijl, maar ook de architectonische of gemengde tuinstijl met de toepassing van muurwerken, symmetrie en vormsnoei van hagen, soms zeer strak en classicistisch afgestemd op een herdenkingsmonument of monumentaal gebouw. In diezelfde tijd is het ook gangbaar om op bepaalde belangrijk zicht/ontmoetingsplekken bloemenperken aan te leggen en die met een lage (buxus) haag te omzomen (zoals bijvoorbeeld rozenperken, maar het konden ook eenjarigen zijn). Begin 20ste eeuw werd het beplanten in een combinatie van (wintergroene) uit- en inheemse heesters, bloemdragende vaste planten en een- en tweejarigen gangbaar. Of en hoe dit destijds werd vertaald naar de openbare ruimte vergt nader onderzoek. Waarschijnlijk voerden (bloem/kruidenrijk) gras, heesters in de vorm van hagen of als accentgroepen plus vaste plantengroepen en rozenperken de boventoon. • Vaste wintergroene(uitheemse) planten werden vanaf de loop van de 19e eeuw in toenemende mate op grote schaal geïntroduceerd en gekweekt. De gemeente Amsterdam had in die tijd haar eigen kwekerij. Nader onderzoek zal uit moeten wijzen welke soorten voor het openbaar groen in het sortiment zaten.
• Vanaf medio 1900 doen exotische soorten zoals de judasboom, ceder, tulpenboom, catalpa, conifeer, azalea en rododendron hun intrede in Nederland. Het prestige van plantenkunde en het kweken van planten die sinds de 17e eeuw tot grote hoogte gestegen is (onder de elite, tuinbazen, ontwerpers, kwekers en plantenzoekers) eind 19e eeuw begin 20ste eeuw nog altijd groot. Of en hoe bijzondere beplanting op grote schaal in de openbare ruimte en de wandelparken terecht kwam is niet bekend. • Er was een Nederlands netwerk van dendrologen, kwekers en medewerkers van de afdelingen Beplanting, met goede internationale kennis en connecties. • Aandacht voor inheemse natuur, biotopen, Jac. P. Thijsse en de inheemse sierparken van C.P. Broerse, Amsterdamse Bos. Of deze kennis van natuur en biotopen in de beplantingsplannen
•
10 Water- en oeverbeplanting
•
De vormentaal in de parken is nog altijd grotendeels gebaseerd op de landschapsstijl met slingerende wandelpaden, open en gesloten zichtlijnen. In de openbare ruimte in de stad zijn rechthoekige en strakke lijnen en geometrische vormen dominant .
11 Bijlagen
•
dient te zijn. Pas vanaf ca 1915 krijgt dat daadwerkelijk gestalte in de aanleg van de nieuwe uitbreidingswijken. Bekende ontwerpers annex kwekers uit die tijd zijn bijvoorbeeld J.R. Koning (Hoofd Beplantingen gemeente Amsterdam, ontwerp Damplantsoen, Botermarkt/Rembrandtplein), S.G.A. Doorenbos (Hoofd Beplantingen Den Haag, Westbroekpark en Zuiderpark) en W. Broerse (Amstelveen) die even innoverende als toonaagevende heemparken aanlegde en C. van Eesteren, J. Mulder (beide stedenbouwkundige) Jac. P Thijsse (bioloog) en E. Heimans (natuurbeschermer) die het Amsterdamse Bos ontwikkelden.
•
Algemeen Uitbreidingsplan (AUP) (1945-1985) Status Deels beschermd stadsgezicht.
van de straten en pleinen landde zal nader onderzocht moeten worden. Pas vanaf de tweede helft van de 20ste eeuw neemt het grootschalig toepassen van uitheemse boomsoorten sterk toe.
Context/tijdsgeest/Stedenbouwkundige opzet Om steeds beter grip te krijgen op de grote volkshuisvestelijke, stedenbouwkundige opgaven en de geformuleerde idealen van goed wonen met zoveel mogelijk licht, lucht en groene ruimte, wordt in het kader van het Algemeen Uitbreidingsplan (AUP) van 1934 opgezet.
Latere aanpassingen Tijdens WOII hebben de bomen in alle wijken veel te lijden gehad en in de jaren ’60 en ’70 werden veel straten heringericht vanwege de enorme toename van auto’s met als gevolg verstening van de openbare ruimte. • De nieuwe inrichting en sortimentskeuze is soms in lijn met historische karakteristeken (of met een historiserende inslag), maar vaker naar de specifieke inzichten van dat moment ten aanzien van het gebruik van de openbare ruimte. • Er is sprake van verstening van de privé (voor) tuinen, de uitgave van openbaar groen en de toename van schuttingen in plaats van hagen heeft tot gevolg dat het straatbeeld minder groen is.
•
Visie op groen Voor het eerst wordt op basis van statistisch onderzoek een stadsbreed uitbreidingsplan inclusief groensysteem opgezet. Het vak van landschapsontwerper komt tot ontwikkeling en de gemeente breidt haar expertise verder uit. Per inwoner wordt precies berekend hoeveel en op welke afstand welk soort groen nodig is, geïnspireerd op buitenlandse normen. Het vormt ook de basis van de huidige hoofdgroenstructuur die met haar diepe scheggen de stad in steekt.
Kansen voor verbetering Veel ad hoc herinrichten van straten, inboeten en sinds kort het veelvuldig toevoegen van bomen en (participatie)groen waarbij niet altijd rekening is gehouden met de onderliggende ontwerpprincipes. • Hetzelfde geldt voor de gevolgen van aanpassingen van de (fiets-) infrastructuur, parkeren en nutsbouwwerken, waarvoor meer dan eens stukken van het openbaar groen afgesnoept worden. • Verhekking van sport- en speelplaatsen heeft hetzelfde effect. Vaak pragmatisch maar geen ontwerpoplossing. Hier zijn kansen voor verbetering.
In de opzet van de woonwijken vindt een omkering plaats: in plaats van een groene aankleding van straten en pleinen wordt er in wezen een groen tapijt ontworpen waarop open verkaveling komt in de plaats van het gesloten bouwblok. In de AUP-wijken zoals de Westelijke Tuinsteden en Buitenveldert kan dit opgevat worden als een grote aaneengeschakelde tuin waarin gewoond wordt. In latere wijken zoals de Bijlmermeer, Plan van Gool en Molenwijk zijn deze ideeën verder uitgewerkt en opgeschaald tot wonen in een parkomgeving. Het leidt, zoals beoogd, tot een explosieve toename van het aandeel groen in de stad met als hoogtepunt de Bijlmermeer. Landschapsontwerp komt tot ontwikkeling en wordt een vak aan TU Delft en aan de Hogeschool in Wageningen (maar dit komt niet uit de hoek van de voorgaande generatie tuinarchitecten). Veel aandacht voor mee ontworpen tuinen rond bijzondere gebouwen (scholen, overheidskantoren) die ook de openbare ruimte kunnen omvatten. In het ontwerp van de openbare ruimte spelen Mien Ruys, Wim Boer, Hein Otto, Jakoba Mulder, Jan Bijhouwer, Hans Warnau, Catharina Polak Daniels en later Egbert Mos en J.W. van der Meeren een grote rol. Landschapsontwerpers werden nadrukkelijk in het stedenbouwkundig proces betrokken (Ruys, Boer, Bijhouwer en Polak Daniels waren de groensupervisoren, naast de architectsupervisoren).
Dat ging niet altijd helemaal op gelijkwaardige voet, bekend is dat er zorgen waren dat alle grond overal werd opgehoogd met zand, zeer ten nadele van de groeiomstandigheden. Ook speelden de beheerbaarheid en diverse gemeentelijke uitvoeringsdiensten een belangrijke rol.
•
De wijken uit gordel 20-40 en tuindorpen, een totaalontwerp; de straatprofielen omvatten beplanting met perken, gazons en bomen. (bron: Beeldbank Stadsarchief)
36
02 Doel en overtuigingen 01 Toelichting voor de Puccinimethode gebruiker 03 Groenkaart en tabel 04 Basisprincipes
05 Bomen 06 Bosplantsoen en struweel 10 Water- en oeverbeplanting
•
07 Heesters, hagen, rozen en klimplanten
•
08 Kruidachtigen
•
09 Gras en ruigte
•
bomentaal manifesteert zich aan het raamwerk, waardoor raamwerk en woonveld een relatie met elkaar aangaan. De bomen van het raamwerk zijn bomen van de eerste grootte en versterken het karakter van het raamwerk zelf. Bomen zijn nadrukkelijk gekoppeld aan het raamwerk en reageren niet op de bebouwing. Op woonveldniveau is dit nadrukkelijk anders en spelen de bomen een spel met de stedenbouwkundige ensembles. Bomen zorgen voor meer helderheid en hiërarchie in het woonveld. Daarnaast is de boomaanplant bij de (gemeenschappelijke) tuinen en wegen langs parken of brede groenstroken nauwgezet bepaald voor een wederzijdse (ruimtelijke/ visuele) versterking van de groenbeleving. Het asymmetrische straatprofiel in woonstraten is kenmerkend: groenperken en bomen komen aan een zijde, zodat dat relatief veel massa heeft, als een lommerrijke en brede speel- en ontmoetingsstoep fungeert en er tegelijk genoeg ruimte overblijft voor overige verkeersvoorzieningen. Ook zijn er straten met reeksen groene perken aan de voorzijde van de strokenbouw. De boomsoort en positie van boom- en groenvoorzieningen is afgestemd op de verkaveling van de bouwblokken, het straat- en bebouwingsbeeld (dus kleinere laagblijvende soorten, met fraaie bloesem en herfstkleuren).
In de grote doorgaande stadslanen en straten komen hoge bomen met zeer verticale of juist brede kronen en een symmetrische aanleg in (drie of vier of nog meer) dubbele rijen. Ze zijn cruciaal voor de ruimtewerking van het stedenbouwkundige systeem. Dit is cruciaal voor de woonstraten. Infrastructurele kunstwerken (bruggen, metrostations, viaducten) worden geflankeerd door mee ontworpen groenaanleg. Het ritme en de soortkeuze van boomaanplant werd zeer zorgvuldig voor hele wijken uitgezet zodat er een bijzondere mate van continuïteit is die hele bouwblokken, velden of stadsdelen met elkaar verbindt. Als een onderliggend ritme dat de voorbijganger onbewust toch ervaart. De aanplant gebeurde
Molenwijk, kenmerkend voor AUP, een groen tapijt met een open
37 verkaveling, (bron: Beeldbank Stadsarchief)
11 Bijlagen
Ruimtelijke uitgangspunten: • Na WOII vindt de grootschalige uitwerking en realisatie van het in 1934 vastgestelde AUP plaats door de aanleg van een continu groensysteem dat vanuit de woonwijken tot in de natuurgebieden buiten de stad reikt: via balkons en privé-, gemeenschappelijke of kijktuinen bij de woning, naar plantsoenen, speelperken, groene wandelroutes, buurt-, wijk- en stadsparken, school- en volkstuinen en sportvelden via de groene vingers/lobben naar omringende bossen en landschappen. Volkstuinen, schoolwerktuinen, sportterreinen worden doelbewust in dit netwerk binnen de bebouwde kom van de stad geïntegreerd, in nabijheid van de woonwijken, bijvoorbeeld langs spoortaluds. • Groen en ruimtelijkheid staan centraal. Het stedelijk weefsel van de nieuwe woonwijken wordt gedragen door de groenstructuur. De groenaanleg volgt de stedenbouwkundige hiërarchie en zit tegelijk zeer ingenieus en verfijnd in elkaar. • Deze wijken kunnen gekenschetst worden als het wonen in één grote tuin, of groot samenstel van tuinen waarin er alle ruimte is voor ontmoeting (het mogelijk maken van gemeenschapszin!), verpozen, spelen, contact met de natuur (hetgeen van essentieel belang gezien werd voor een gezonde stad).
Er is een open verkaveling (dus geen gesloten bouwblokken), met een voor het oog zo naadloos mogelijke overgang van de privé buitenruimte naar semi-openbaar/collectief naar openbaar groen. Aandacht gaat uit naar functionalistische gebruiksmogelijkheden (lees passieve en actieve) recreatie en educatie zoals openluchtscholen en buitenleslokalen die ook buiten schooltijd openbaar toegankelijk waren, bijvoorbeeld dat eenieder vanuit de achtertuin bij het ‘collectieve’ hof kon komen. De corporaties maakten dat echter niet mogelijk. Bijgevolg wordt nog altijd vaak gesteld dat de collectieve hoven niet goed gebruikt worden en van ‘niemand zijn’. Hier ligt een kans. • Ruimtelijk wordt het privégroen ingezet als onderdeel van de groene beleving van de openbare ruimte, omdat het daar direct aan grenst (achter- en voortuinen aan hoven en straten). De overgang is naadloos en wordt vaak begeleid met heesterzomen die helpen de harde grens van een schutting te verzachten en voor een buffer tussen openbaar en privé zorgen . Omdat er zoveel moeite gedaan werd om in groen in de stad te voorzien, waren er verplichtingen opgenomen om tuinen als zodanig te onderhouden (=groene inrichting). Het hele raamwerk heeft een asymmetrische opzet. Aan een kant is de bebouwing gesloten en aan de andere kant opent de bebouwing zich naar het raamwerk. Het woonveld met bijbehorende
•
•
•
aan de hand van een aantal inrichtingstypes (zoals gevelritme, carré, laan, haak, scherm, blok/woonveld ) of juist het achterwege laten van beplanting of bomen (cesuur) om zo het effect van een kruispunt, zichtas of monumentale entree te vergroten. De sortimentskeuze en positie van de bomen is doorgaans heel precies bepaald in relatie tot de gevelindeling (bijv. juist ter hoogte van alle portiekingangen of de woningscheidingen). Voor Nieuw West is dit secuur geïnventariseerd in de Bomentaal van Slotervaart (let op is toepasbar op het schaalniveau van heel Nieuw West) en De Groene Kracht. Zichtlijnen spelen een cruciale rol, vaak wordt die begeleid door de beplanting (doorzichten tussen bouwblokken, lange zichtlijnen onder boomkronen door, of juist open lijnen naar een groot groengebied dat het focuspunt vormt). In die periode werd veel gebruik gemaakt van het contrast tussen strakke, geometrische hagen en grotere vakken met lossere beplanting bestaande uit inheemse planten en vaste winterharde (uitheemse) cultivars die vanaf de loop van de 19e eeuw in toenemende mate op grote schaal geïntroduceerd en gekweekt werden (bijv. uit Azië en Noord-Amerika). De gemeente Amsterdam had in die tijd haar eigen kwekerij. De afdeling Beplanting speelt in het ontwerpproces een ondergeschikte rol, zij is dan nog niet toegerust voor de nieuwe opgave en immense omvang.
De invloed van kwekers is groot. Kenmerkend zijn rechthoekige en strakke vormen, asymmetrie binnen een compositie (zoals bijvoorbeeld in Tuindorp Frankendael in de ene hoek van een veld met boomgroep, de rest grasveld en omzoming heesters langs de tuinen van de omringende woningen) en cirkels waarin spelen wordt ondergebracht zoals de speelplekken door Aldo van Eyck en Jakoba Mulder. Dit is zowel in de woonbuurten als in de parken (Erasmus-, Gerbrandy-, Gijsbrecht van Aemstelpark). In de naoorlogse wijken zijn de paden overwegend rechtlijnig.
•
•
•
delijk en veilig af te bakenen voor spelende kinderen). Soms zeer precies afgestemd op een herdenkingsmonument of monumentaal gebouw. Langs waterlopen en bij waterbouwkundige werken zoals sluizen en gemalen zijn in de aanleg en sortimentskeuze referenties aan traditionele Nederlandse landschappen te vinden. Veel aandacht voor inheemse beplanting en het streven naar zo een zo lang mogelijke bloeiperiode door slimme sortimentskeuze waarvan de bloei opeenvolgend is. Maar er komen steeds minder bloemperken ivm stijgende loonkosten. Nader onderzoek zal uit moeten wijzen welke soorten voor het openbaar groen toegepast werden. Voortzetting van de aandacht voor inheemse natuur, zoals die eerder door o.a. Jac. P. Thijsse op de kaart is gezet. Denk daarbij aan het toepassen van planten die buiten de stad voorkomen zoals bos- en poldervegetatie, aandacht voor plantensociologische groepen en de ‘echte natuur’. Hoe dit precies in de vormgeving van de beplantingsplannen in de woonwijken terug komt moet nader onderzocht worden.
Kansen voor verbetering Zijn nu nog niet opgenomen
•
Beplantingssortiment De grote groene perken bestaan vaak uit een basis van (kruidenrijk?) gras met daarin secuur gekozen en geplaatste bomen en vakken met elk een eigen soort heesters (soms rechtlijnig, soms meer organisch gevormd, vaak in grotere groepen van een bepaalde soort), maar doorgaans tamelijk eenvoudig, minimalistisch en afgestemd op de gebruikscontext, stedenbouw en beheerbaarheid. De toepassing van heldere, grote vakken met grote groepen felgekleurde eenjarigen past ook in deze tijd. Heesters zijn vaak inheems ( en gericht op dubbel effect zoals bloemen en bessen voor beeld en dieren, doornen om een ruimte dui-
•
Eijkmanstraat, laagbouw AUP ‘wonen in één grote tuin’, ontwerp
38 van Mien Ruys (bron: Beeldbank Stadsarchief)
Kansen voor verbetering Zijn nu nog niet opgenomen
•
Post AUP - Meanders en Woonerven (1970-1985) Status: Context/tijdsgeest/Stedenbouwkundige opzet In de jaren ’70 en ’80 is door de focus op de stadsvernieuwing en de opkomst van de Compacte 39
02 Doel en overtuigingen 01 Toelichting voor de Puccinimethode gebruiker 03 Groenkaart en tabel 04 Basisprincipes
05 Bomen 06 Bosplantsoen en struweel 07 Heesters, hagen, rozen en klimplanten
•
08 Kruidachtigen
Latere aanpassingen Veel van de voornoemde beplantingsprincipes zijn in latere decennia verschraald. Bomen werden soms geheel verwijderd en/of ad-hoc vervangen door soorten die niet passen bij de samenhang van het ontwerp als geheel, beplantingsvakken met bloeiende planten werden met zo onderhoudsarm mogelijke heestersoorten beplant. Straten werden geherprofileerd ten behoeve van het toenemende autobezit en (recenter jaren) dominante fietspaden. Daarnaast ging veel groen verloren door verdichting, grote herstructureringen en infrastructuur. Dat gebeurde ook in het bijzondere aaneengesloten groennetwerk, zodat er soms onderbrekingen zijn ontstaan. • Verder zijn er in recente jaren veel bomen ad-hoc ingeboet en ook schijnbaar willekeurige aanvullingen van bomen op ‘lege’ plekken. Dit kan de kwalitatief hoge ontwerpkwaliteit van de beplantingsplannen sterk vertroebelen. • Hetzelfde geldt voor de verhekking van sport- en speelplaatsen, wat een pragmatische veilige oplossing is, maar niet een ontwerpoplossing: het draagt bij aan de versnippering en verrommeling van de groenstructuur. Verstening van privé (voor)tuinen, de uitgave van openbaar groen en de toename van schuttingen in plaats van hagen heeft tot gevolg dat het groene straatbeeld verschraalt en verrommelt.
Ruimtelijke Groenstructuur • Vanaf eind jaren ’50 tot in de jaren ’80 komt het Strukturalisme tot ontwikkeling waarbij het gaat om het ontwerpen in modellen. Meestal worden pleinen en plantsoentjes in zeshoeken(reeksen) opgebouwd of andere als structuur koppelbare vormen (rond, amorf, geometrisch) opgebouwd; invullingen zijn heesters, bloemen, water, gras, zand, bestrating. Dit is vaak terug te zien in speelplaatsen van Aldo van Eyck. Hij en Mien Ruys zetten de toon voor speelplaatsen, waaronder zogenaamde organische rommelveldjes waar kinderen op spannende ontdekkingstocht kunnen. • Deze woonparkgebieden worden gekenmerkt door integraal min of meer op de landschapsstijl gebaseerde aanleg van grote gazons met boomgroepen bestaande uit zorgvuldig gekozen soorten waardoor er een interessant ruimtelijk een fraai beplantingsbeeld ontstaat. Het contrast tussen de strakke, repetitieve belijningen van de flats en de organische, grillige vormen van de bomen was een onderdeel van het ontwerp van deze wijken. Speeltuinen werden zorgvuldig geïntegreerd in het ontwerp en soms werden de toestellen speciaal ontworpen. • Het concept van verbinding met het omringende buitengebied is ook in deze wijken terug te vinden.
De verbinding ligt doorgaans aan grote landschappelijke structuren die tussen en rond de nieuwe wijken lopen, vaak in nauwe samenhang met grotere waterbouwkundige structuren zoals (eeuwenoude) polderdijken en -ringvaarten. Waterlopen en waterpartijen worden geflankeerd door boomaanplant en heesters waardoor een natuurlijk, landschappelijk beeld ontstaat: natuur, rust en ademruimte op loopafstand van de woning. • Eind jaren ’60 en begin jaren ’70 begint bij de aanleg van de nieuwe wijken meer aandacht te komen voor het behoud van bestaande bomen.
09 Gras en ruigte
Context/tijdsgeest/Stedenbouwkundige opzet Eind jaren ’50 tot in de jaren ’80 ontstaan de eerste middelhoog- en hoogbouwwijken zoals Plan van Gool en de Molenwijk. Hierin voert het wonen in een groot park de boventoon. Dat toont zich in de aanleg: er is een gescheiden verkeerssysteem met dreven waardoor de auto van het maaiveld is en er een grote parkruimte ontstaat waarin iedereen vrij kan wandelen, sporten en spelen. Idee is ook dat de bewoners gelegenheid hebben om zelf mede vorm te geven en kleur aan te brengen door het gebruik, oftewel: niet alles wordt van tevoren exact bepaald.
10 Water- en oeverbeplanting
Beplantingssortiment Veel inheemse boomsoorten en heesters, maar ook bredere toepassing van exoten zoals de Robinia en Kastanje. Nader onderzoek is nodig om na te gaan welke soorten in principe beoogd werden. Op de uitvoering en het beheer werd direct na de oplevering van de flats al sterk bezuinigd. Niet alles werd dus uitgevoerd. Snelgroeiende boomsoorten (die voor instant effect kort na de oplevering moesten zorgen) zijn bovendien vaak niet verwijderd, daardoor zijn de langzaam groeiende soorten in de verdrukking geraakt. Heestergroepen zijn nadat zij wegens achterstallig onderhoud te hoog opgeschoten waren , nogal eens verwijderd omdat ze een gevoel van onveiligheid veroorzaakten .
•
11 Bijlagen
Post AUP Status: Deels beschermd stadsgezicht.
Stad-gedachte minder aandacht voor het stedelijk groen. De opkomst van de ecologische vakkennis leidt tot aandacht voor een andersoortig beheer met een grotere nadruk op het vergroten van de biodiversiteit. In dezelfde periode is echter te zien dat veel groene plantsoenen in pleinen en straten worden vervangen door onderhoudsarmere bestrating. Het gebruik van bestrijdingsmiddelen was in de openbare ruimte in deze periode wijdverbreid. Ook komt er meer aandacht voor participatie en individuele expressie. Nieuwe wijken moeten vooral kind- en voetgangersvriendelijk zijn, daardoor is er veel aandacht voor het buurtgroen. Het woonerf is daarvan een sprekend voorbeeld. Er worden zowel wijken gebouwd met een traditionele opzet waarbij openbaar groen beperkt blijft tot laanbeplanting en plantsoenen, als grootschalige wijken waarin wordt voortgeborduurd op de principes van het AUP.
•
Visie op groen Overwegend staat nog altijd het wonen in of naast een parkachtige of landschappelijke setting centraal. Er is verschil tussen stadsvernieuwings- en uitbreidingswijken. En ook daarbinnen is er veel variatie, net als in de stedenbouw en architectuur in die periode. Het Strukturalisme (het ontwerpen in systemen) landt ook in de stedenbouw en architectuur: het inzetten van een vorm zoals een X of zeshoek wordt op een gevarieerde manier herhaald. Achterliggend idee is dat hiermee een meer organische opzet ontstaat en dat het meer aansluit bij de menselijke natuur: er ontstaan hoeken, nissen en besloten plekken. Dat is echter wel op een behoorlijk ruime schaal die past bij de omvang van de massawoningbouw.
•
Ruimtelijke groenstructuur • Het karakter wordt bepaald door het zogenaamde inversieve landschap: het omringende landschap wordt de wijken in getrokken. Dat uit zich in grote doorlopende waterlopen en waterpartijen en doorgaande graslanen en gras- en weidevelden. Een fiets- of wandelpad loopt op die manier door de groene velden heen en wordt gemarkeerd door middelhoogbouwhoven en zachte overgangen langs de tuinen van de laagbouw. • In de uitbreidingswijken in Noord en Zuidoost worden grote landschappelijke structuren geïncorporeerd voor de verbinding met het omringende landschap. De verbinding ligt doorgaans aan grote landschappelijke structuren die tussen en rond de nieuwe wijken lopen, vaak in nauwe samenhang met grotere waterbouwkundige structuren zoals (eeuwenoude) polderdijken en -ringvaarten. • Waterlopen en waterpartijen worden geflankeerd door boomaanplant en heesters waardoor een natuurlijk, landschappelijk beeld
•
•
40
ontstaat: natuur, rust en ‘adem’-ruimte op loopafstand van de woning. Op wijkniveau maakt het uit of het om hoogof laagbouw-buurten gaat. In de hoogbouwwijken zoals de Bijlmer is de inzet nog steeds wonen in een groot park wat uitgewerkt wordt met hoogteverschillen in het maaiveld, zorgvuldig gegroepeerde en gecomponeerde boom- en heestergroepen, romantisch als contrast met de strakke flats en met het oog op windbeschutting en met zones voor eigen invulling zoals ‘schoffeltuintjes’ (Hans Laumanns). In Nellestein is het Strukturalisme goed herkenbaar en vlecht het dichte park zich tegen de woningen aan. In de laagbouwwijken zoals Gaasperdam en Holendrecht West komt er met hoven een kleinere schaal terug en speelt ‘encroachment’ een belangrijke rol; het faciliteren van het toe-eigenen van de openbare zone vlak voor het huis en de uiting van individualiteit. Ook hier reikt het park dicht de buurten in, maar niet zoals bij de hoogbouw. In Venserpolder is als het ware de klassieke stedenbouw met een stenige straat en grote groene binnenkant van het gesloten bouwblok. De gescheiden verkeerssystemen nemen af maar de auto wordt wel zoveel mogelijk uit de directe woonomgeving geweerd en beperkt tot parkeerkoffers aan de rand van de buurt. Op die manier is er veel gelegenheid voor een veilige, groene openbare ruimte (ontmoeting, recreatie, natuur).
De naadloze aaneenschakeling van prive- en openbaar groen speelt nog altijd een rol, waarbij heesterzomen een bewezen en veelvuldig toegepast middel zijn. Dat is met name daar waar privé en openbaar aan elkaar grenzen, maar ook om parkeerkoffers te omzomen en om de grotere weides tussen de woonblokken ruimtelijk vorm te geven. Vaak zijn het opvallend gestileerde hagen in de woonomgeving die zorgen voor geleding, maat en schaal. Langs tuinen die aan de doorgaande fietsroutes en wandelpaden liggen zijn de hagen ook wel losser. Daarnaast wordt er in de hoven bij de woningen veel gebruik gemaakt van hoogteverschillen in de vorm van heuvels en glooiingen. In straten met laagbouw zijn er reeksen groene perken aan de voorzijde van de strokenbouw. In de stadsvernieuwingswijken (die dus in de bestaande stad worden ontwikkeld) wordt er meer en meer ingezet op autoluwe straten. De buitenruimte is overwegend stenig ingericht (als hét kenmerk van stedelijkheid). Openbaar en semi-openbaar groen bevindt zich aan de binnenzijde van de blokken en dit is vaak niet of nauwelijks ervaarbaar vanuit de omringende straten. Aan de straatzijde wordt het groen op maaiveld bepaald door bomen met soms heestervakken en de stimulatie van geveltuinen. Vaak is dat in samenhang ontworpen. De
Post AUP - Meanders en Woonerven (1985-1996) Context/tijdsgeest/Stedenbouwkundige opzet In de loop van de jaren ’80 komt een nieuw vooruitstrevend, postmodern gedachtengoed tot ontwikkeling dat past bij de nieuwe economische en maatschappelijke tendensen (kapitalisme, individualisering, consumptiemaatschappij): verzet tegen de zogenaamde nieuwe-truttigheid die het Strukturalisme tot stand gebracht zou hebben. Opkomst van diagonalen en driehoeken, scherpe lijnen (ingezet bij het IJplein ) en grote lege ongelijkvormige velden voor multi-gebruik, het concept van ‘lagen’ over elkaar. Visie op groen Groen is niet alleen voor recreatie, maar ook voor cultureel amusement en manifestatieterrein. Door de mens bepaalde vormgeving aan openbare ruimte en groen overheerst (in tegenstelling tot voorgaande periodes waarin het meer om een mix tussen functie en natuur ging).
Latere aanpassingen Ad-hoc, herinrichting straten, inboetingen en sinds kort het veelvuldig toevoegen van bomen en (participatie)groen waarbij niet altijd rekening wordt gehouden met de onderliggende ontwerpprincipes. Hetzelfde geldt voor de gevolgen van aanpassingen van de (fiets)infrastructuur, parkeren en nutsbouwwerken, waarvoor meer dan eens stukken van het openbaar groen afgesnoept worden. Hetzelfde geldt voor de verhekking van sport- en speelplaatsen, wat een pragmatische veilige oplossing is, maar niet een ontwerpoplossing: het draagt bij aan de versnippering en verrommeling van de groenstructuur.
•
Holendrecht (1974), post-AUP, een voorbeeld van het inversieve landschap; het omringende landschap wordt de wijken in getrokken (bron: Beeldbank Stadsarchief)
Geerdinkhof, post AUP; wonen in een parkachtige setting (bron: Beeldbank Stadsarchief)
41
02 Doel en overtuigingen 01 Toelichting voor de Puccinimethode gebruiker 03 Groenkaart en tabel 04 Basisprincipes 11 Bijlagen
10 Water- en oeverbeplanting
09 Gras en ruigte
Kansen voor verbetering -
05 Bomen
Beplantingssortiment De beplanting bestaat uit bijzondere (uitheemse) soorten en cultivars vanwege hun gestileerde effect, zeer weloverwogen gekozen in samenhang met het ruimtelijke of stedenbouwkundige concept en de architectuur. Contrast tussen oud en nieuw wordt uitvergroot. Strakke boomgroepen van een bepaalde soort zorgen voor een sterk sculpturaal/ architectonisch effect.
•
06 Bosplantsoen en struweel
Beplantingssortiment Het belang van inheemse beplanting heeft na het alarmerende rapport van de club van Rome in 1971 een nieuwe betekenis en urgentie gekregen. Er is aandacht voor natuurwaarden, heem- en voorbeeldtuinen (Amstelpark). Louis le Roy (niet in Amsterdam) heeft veel invloed: het op gang brengen van een proces voor een ecosysteem, in plaats van het ontwerpen en aanleggen van groen. Heemtuinen zijn niet meer parkachtig opgezet, maar op wetenschappelijker aspecten en instandhouding gericht. Na Jac. P Thijsse zijn vooral C. Sipkes, C.P. Broerse en J. Landwehr van grote invloed. Ze bevatten een educatief aspect in de vorm van behoud van de landschappen die in de buitengebieden verdwenen zijn door druk op de omgeving en ruilverkaveling/moderne landbouw en pesticiden gebruik. In de openbare ruimte van de uitbreidingswijken zijn overwegend inheemse soorten te zien.
•
07 Heesters, hagen, rozen en klimplanten
Ruimtelijke groenstructuur Het IJ-plein van OMA is nieuw en tegelijk exemplarisch met diagonalen en haast grafische composities van boomgroepen gecombineerd met citaten van traditionele tuinontwerpen en landschapstypes, als een (de-compositorische) opeenvolging van filmscenes die de bezoeker moet stimuleren. Het is zowel architectonisch als conceptueel en er worden verschillende ontwerplagen (waaronder historische structuren) en grids over elkaar heen gelegd waardoor vlakken en lijnen elkaar confronteren. Toegepaste kunst, veel aandacht voor het meubilair en (rijke) verhardingen. Sport- en speelvoorzieningen zijn mee ontworpen.
•
08 Kruidachtigen
focus ligt op buurtgroen, laanbeplanting en plantsoenen.
Verdichtende stad (1996-2020) Status -
•
Context/tijdsgeest/Stedenbouwkundige opzet Vanaf eind jaren ’90 komt bij de toenemende marktwerking in de woningbouw (openbare) groenaanleg vaak in de knel. Groen in de buurt wordt versterkt in de vorm van postzegelparken, geveltuinen, buurtmoestuinen en groene daken. De inbreng van bewoners in de groenvoorziening van de stad wordt steeds belangrijker. Nieuwe groengebieden worden aangelegd als groene buffers en onderdeel van de ecologische hoofdstructuur in de stad zoals de Diemerscheg. Ze worden steeds meer gezien als schakels in de ecologische zones die stad en land verbinden (en die ook als zodanig verankerd worden in beleid). Er is grote variatie omdat het aantal en soort verdichtingslocaties sterk verschilt en de betrokken opdrachtgevers en ontwerpers een invloedrijke rol spelen. Uitbreidingswijken onder gemeentelijke aansturing zijn o.a. het Oostelijk Havengebied en IJburg.
•
groen en het Java-eiland waar de gemeenschappelijke binnentuinen als het ware opengelegd worden voor doorgaande fietspaden. Stadsparken hebben een sterk gestileerde vormgeving: diagonalen, open vlaktes van de multipurpose gebruiksvelden (Cultuurpark Westerpark), opkomst asymmetrische plantvakken met hoekige, onregelmatige lineaire contouren; een combinatie van lagen en grids, scherpe hoeken en belijningen. Uitgangspunt van behoud/gebruiken van historische structuren en bomen in de nieuwe opzet is gangbaar. Reeds bestaande recreatiegebieden die buiten de buiten de bebouwde kom liggen, worden beter aangetakt op de woonwijken. Ook hier neemt de druk toe. Sommige gebieden worden heringericht om ze aantrekkelijker te maken, zoals de Tuinen van West, waarin zowel stilering als het benutten van de onderliggende landschappelijke lijnen en structuren wordt toegepast.
Beplantingssortiment Het toepassen van uitheemse soorten wordt niet geschuwd. In de straten en woonwijken bestaat het groen overwegend uit boomaanplant in strakke grids en rijen en strak gemaaid gras. Een minimalistisch karakter.
•
Visie op groen Openbare ruimte moet geschikt zijn voor intensief gebruik (waardoor het vaak zeer stenig is of erg te lijden heeft van het intensieve gebruik (Cultuurpark Westerpark, Vondelpark) Onder invloed van de deregulering, marktwerking en efficiencygedachte wordt de Stadskwekerij gesloten. Daarnaast diverse reorganisaties en uitbesteding van het groenbeheer, waarmee ook een grote hoeveelheid planten- en beheerkennis voor de algehele groene openbare ruimte verloren gaat. Ruimtelijke groenstructuur • Toenemende aandacht voor ecologische waarden, ook in de openbare ruimte, maar in de praktijk wordt doorgaans het zogenaamde stadse leven gevierd. Dat wil zeggen: stenigheid is een teken van stedelijkheid. Groen zit meer aan de achterzijde van de bebouwing, niet zelden boven maaiveld opgetild op een parkeerdek, met beperkte beplantingsmogelijkheden en nauwelijks een (visuele) bijdrage aan het groene karakter van de openbare ruimte. • In de straten worden geveltuinen aangemoedigd/ontworpen. De gemiddelde woonwijk en -straat is echter overwegend stenig. Het groene karakter is met name aan de bomen en grasvelden te danken. • In de opzet spelen historische structuren vaak een rol, zij het in geabstraheerde vorm. Een sterke stilering en in zeker zin minimalistische aanpak van groen en veelvuldige toepassing van verharding passen daarbij (Michael van Gessel).
Uitzonderingen zijn bijvoorbeeld het autovrije GWL-terrein met veel meeontworpen 42
Java eiland (2006); stenigheid als teken van stedelijkheid, groen zit meer aan de achterzijde van de bebouwing (bron: Beeldbank Stadsarchief)
43
02 Doel en overtuigingen 01 Toelichting voor de Puccinimethode gebruiker 03 Groenkaart en tabel 04 Basisprincipes
05 Bomen 06 Bosplantsoen en struweel
Stadsbiotopen In de natuur is te zien dat bepaalde planten op specifieke plekken groeien. Bijvoorbeeld in een open steppe, aan de kust, in het bos of juist aan de bosrand. Elke plek vormt een eigen biotoop met specifieke groeiplaatsomstandigheden. Plekken in de stad hebben veel overeenkomsten met een natuurlijke groeiplaats. Gebouwen zorgen voor schaduw en zo voor groeiplaatsen die lijken op de situatie in een bos. Terwijl sommige pleinen, waar bijna geen schaduw is, eerder lijken op een open grasland. De stad is dus goed te vergelijken met een verzameling van verschillende biotopen in een dichtbebouwde omgeving. Het zijn stedelijke leefgebieden waar mens, plant en dier samenleven. Iedere plek (plein, dak, straat) heeft een eigen biodiversiteit met specifieke omstandigheden die verschillende voorwaarden voor leven herbergen. Voor de mens zijn dit verschillende vormen van gebruik, voor planten verschillende groeiplaatsomstandigheden en voor dieren schuil-, nest- en voedselgelegenheden. Via ontwerp is het mogelijk om groen en water te integreren in de openbare ruimte en daarmee de biodiversiteit te vergroten. Zo zijn er specifieke omstandigheden te maken op plekken waar deze in eerste instantie niet zijn. Per stadsbiotoop is het zo ook mogelijk om het accent te verschuiven van mens naar plant of dier.
Van belang hierbij is dat de bestaande situatie, de groeiplaats (grondsoort, grondwaterstanden, bestaande bomen, zon/schaduw, droog/nat), leidend is voor de keuze van de beplanting en niet andersom.
07 Heesters, hagen, rozen en klimplanten
Visie op groen Groen speelt in de integrale aanpak een wezenlijke rol om de opgaves met betrekking tot klimaatadaptatie en -mitigatie, gezondheid, biodiversiteit, erfgoedwaarden en sociaal welzijn zo goed mogelijk vorm te geven. Hoe dat in de stedenbouw, bebouwing en inrichting van de openbare ruimte zal landen, zal in de komende tijd duidelijk worden. Grote druk op de openbare ruimte door verdichting en toenemende opgaves, focus op geschiktheid voor intensief gebruik, energietransitie, klimaatadaptatie én ecologie. Ook in de bodem! Natuurinclusiviteit is zeer urgent en er worden steeds meer ambities geformuleerd om dat in ontwerpen voor de openbare ruimte en in de beplantingsplannen van de bestaande stad tot uitdrukking te laten komen. De stad wordt gezien als volwaardig ecosysteem, met bijpassend beleid om dit in de stad te versterken, zo ook in de reguliere openbare ruimte. Noodzaak voor bewuste keuze van beplanting in verband met klimaatverandering en ecologische robuustheid (in plaats van alleen esthetische overwegingen). Toenemende aandacht daarom voor de wijze van aanleg, sortimentskeuze en het beheer Hernieuwde populariteit voor voedselbossen, eetbaar groen, volkstuin, stadslandbouw en voldoende groen voor een gezonde stad.
Tevens van belang in het streven naar een ongedeelde stad, versterking natuurwaarden en omdat intussen de natuurwaarde van het landelijk gebied door lage grondwaterstanden voor en pesticidengebruik door de landbouw ertoe geleid hebben dat de natuurwaarden sterk verminderd zijn; de stad lijkt laatste veilige haven te worden. Start ontwikkeling om met de opgave van rigoureus vergroenen bij de bouwperioden passende vormentaal en beplantingen te vinden. Start relatie boven- en ondergrond voor soortkeuze, historisch inheemse continuïteit. Start zoektocht ecologische beheersvormen voor de reguliere groenaanleg in de stads/woonbuurten (ontwikkeling van cultuurlijk groen gecombineerd hoge ecologische waarden). Start bij elkaar brengen disciplines architectuur-, stedebouw- en landschapsontwerp, mobiliteit, inclusie, civiele techniek, ecologie, beplanting, beheer, cultuurhistorie, participatie, klimaatadaptatie.
08 Kruidachtigen
Beplantingssortiment Bloei van de Dutch Wave (ontstond al in de jaren ’70, waarvan Piet Oudolf de bekendste ontwerper is). In de openbare ruimte betekent dit bij herinrichting van straten aanleg van perken met naturalistische beplanting die relatief onderhoudsvriendelijk is. Toepassing van gemengde beplanting met veel siergrassen en bloeiende (in- en uitheemse) vaste planten en bollen die zoveel mogelijk natuurwaarden hebben. De samenstelling is gericht op een jaarrond aantrekkelijk beeld, met zo lang mogelijke opeenvolgende bloei en een mooi wintersilhouet. Daarnaast komt er toenemende aandacht voor het ontwikkelen van ecologisch waardevolle beplantingsplannen met eenvoudiger en goedkoper te beheren heesters.
09 Gras en ruigte
Context/tijdsgeest/Stedenbouwkundige opzet De opgave voor het nog verder verdichten van de stad is een grote prioriteit. Duidelijk is ook dat hieraan integraal ontworpen moet worden en dat een veelheid aan eisen en ambities plek moeten krijgen. Er was hernieuwde aandacht voor interdisciplinaire teams en beheerbaarheid in relatie tot ontwerp en beplantingsplan.
10 Water- en oeverbeplanting
Ruimtelijke groenstructuur De in de jaren 70 verharde pleinen worden steeds meer vergroend en ook in andere straten wordt gekeken hoe verdere vergroening mogelijk is. Soms sluit dat aan op de oorspronkelijke aanleg, soms gaat het om een nieuw type aanleg voor de betreffende buurt, als een incident. Dit kan tot een versnipperd beeld en inrichting van de openbare ruimte leiden.
11 Bijlagen
2020 en verder Status:-
04
Basisprincipes 44
1. Het bestaande beleid van de gemeente Amsterdam is van toepassing bij het ontwerpen, aanleggen en beheren van (groen) projecten: zie ook de Handleiding Inrichting Openbare Ruimte (HIOR) Amsterdam: hior.amsterdam.nl . 2. De groeiplaats en de bestaande situatie (grondsoort, grondwaterstanden, bestaande bomen, zon/schaduw, gebruiksdruk) zijn leidend voor het toe te passen assortiment. Kies de juiste boom of plant op de juiste plek.
figuur 4.1 De groeiplaats en de bestaande situatie zijn leidend voor de sortimentskeus
figuur 4.2 Amsterdams groen wordt integraal, toekomstbestendig
45 en duurzaam ontworpen, aangelegd en beheerd
02 Doel en overtuigingen 01 Toelichting voor de Puccinimethode gebruiker 11 Bijlagen
10 Water- en oeverbeplanting
09 Gras en ruigte
3. Amsterdams groen wordt integraal, toekomstbestendig en duurzaam ontworpen, aangelegd en beheerd: • We stemmen het (beplantings-)plan af op de stedenbouwkundige structuur, identiteit (genius loci) en de schaal van de omgeving. • We wegen in ieder project afzonderlijk de thema’s ruimtelijke kwaliteit, cultuurhistorie, klimaatadaptatie, biodiversiteit, gezondheid en sociale cohesie af. • De inrichting van de groeiplaats en het te gebruiken sortiment moeten in relatie staan tot de levensduur van het plan en het beheer ervan. • We behouden en passen zoveel mogelijk bestaand groen (inclusief bomen) in als we een gebied opnieuw inrichten en aanleggen.
03 Groenkaart en tabel
algemene uitgangspunten
04 Basisprincipes
4.1.1
05 Bomen
Samenwerken aan het proces van eerste visie tot en met nazorg en beheer in de groenketen is beschreven in paragraaf 4.2. In het openbaar groen zijn medebeheer en eetbaar groen ook thema’s in paragraaf 4.3 en 4.4 is hierover informatie opgenomen.
De uitgangspunten voor duurzaam openbaar groen in Amsterdam zijn onderverdeeld in algemene uitgangspunten (paragraaf 4.1.1), uitgangspunten voor groenontwerp en beplantingsplan (paragraaf 4.1.2), uitgangspunten voor voorbereiding en aanleg (paragraaf 4.1.3) en uitgangspunten voor beheer (paragraaf 4.1.4).
06 Bosplantsoen en struweel
De toepassing van beplanting in de openbare ruimte van Amsterdam moet in lijn zijn met de vijf overtuigingen van de Puccinimethode. Voor beplanting betekent dit dat rekening gehouden moet worden met de hoeveelheid beschikbare ruimte, het gebruik van de ruimte, het beheer en de identiteit van de plek. Deze factoren komen op verschillende manieren en op plekken bij het werken in en aan het groen terug. In dit hoofdstuk is aangegeven waar we met maatvoering en techniek rekening houden bij het maken van duurzaam openbaar groen in Amsterdam.
Uitgangspunten voor duurzaam openbaar groen in Amsterdam
07 Heesters, hagen, rozen en klimplanten
Basisprincipes
08 Kruidachtigen
4.1
4. De aanplant van invasieve exoten is niet toegestaan. Check daarom altijd of de soort op de Unielijst staat. www.nvwa.nl/onderwerpen/invasieve-exoten/unielijst-invasieve-exoten De volgende soorten staan niet op de Unielijst, maar zijn toch ook niet toegestaan: • Japanse duizendknoop • Sachalinse duizendknoop • Boheemse duizendknoop
7. Bevraag tijdens de inventarisatie van de klantvraag (bij het opstellen van de klanteisenspecificatie) de toekomstige beheerder of er een basisspecificatie of PvE (programma van eisen) beschikbaar is voor de objecten die na realisatie van het project in beheer worden genomen. Basisspecificaties en PvE’s vormen een gestandaardiseerde set aan eisen op basis waarvan een ontwerp gemaakt kan worden. Zo’n set kan een project helpen om aan te tonen dat het ontwerp voldoet aan de eisen van een beheerder en/of bij het opstellen van een eisenspecificatie voor een UAV-gc contract.
5. Het ontwerp van het groen moet afgestemd zijn op het afgesproken beheerniveau (zie tabel 4.1 beplantingstypen in relatie tot beheerniveau). Niet alle beplantingstypen zijn geschikt voor alle beheerniveaus. Omdat het ene beplantingstype eerder slijt of dat het qua beheermaatregelen minder goed aansluit bij het beheerniveau. Dit omvat niet alleen snoeien, wieden etc., maar ook afval verwijderen, zodat plaagdieren geen voedsel vinden. 6. Gebruik in het ontwerp beplantingstypen zoals vastgesteld in het beleidskader Puccinimethode (zie paragraaf 3.2).
Groenelement
Toepasbaar in beheerniveau A/B/C/eco (top, verzorgd, sober, ecologisch beheer)
bomen
A/B/C/eco
bosplantsoen
C/eco
struweel
C/eco
heesters
A/B/C/eco
hagen los
B/C/eco
hagen strak
A/B
(struik-)rozen
A/B
klimplanten
A/B
vaste planten en siergrassen
A/B
perkgoed
A
gazon
A/B
bloemrijk gras
B/C/eco
bollen
A/B/C
ruw gras
B/C/eco
ruigte
C/eco
zachte oevers,
B/C/eco
harde oevers
A/B/C/eco
moeras
C/eco
tabel 4.1 groenelementen in relatie tot beheerniveau
46
2. Hou in elk plan rekening met biodiversiteit en de beleving van seizoenen. Daarbij past een jaarronde bloei en zaad/vruchtdracht van zowel inheems als uitheemse soorten. Hiervan profiteren bewoners (aantrekkelijke openbare ruimte), zoogdieren, vogels en insecten (met name voedsel, maar ook voortplantingsmogelijkheden en veiligheid) (ook Stadsbiotoop in kader aan eind van hoofdstuk 3).
5. Maak een sociaal veilig ontwerp (figuur 4.3). Zorg voor voldoende zicht(-lijnen) en verlichting op de juiste plekken die niet belemmerd wordt door beplanting. Voorkom overhangend groen over stoepen en wegen. 6. Het is niet toegestaan zwaar giftige soorten te planten binnen de begrenzing van speelplekken, voedselbossen, pluktuinen, moestuinen, natuurspeelplaatsen en gebieden waar honden mogen loslopen. Plant geen zwaar allergene soorten op plekken waar veel mensen samenkomen of langdurig verblijven.
11 Bijlagen
10 Water- en oeverbeplanting
09 Gras en ruigte
08 Kruidachtigen
07 Heesters, hagen, rozen en klimplanten
06 Bosplantsoen en struweel
3. Het groenontwerp en beplantingsplan zijn eenvoudig, overzichtelijk en robuust. Ze bestaan uit de beplantingstypen beschreven in de hoofdstukken 5 t/m 10 van het Handboek Groen en sluiten qua benaming aan op het landelijk Informatiemodel Beheer Openbare Ruimte (IMBOR) van het CROW. Het groenontwerp maakt duidelijk hoe de boven- en ondergrondse groeiplaatsen voor de verschillende beplantingen worden aangelegd en welke voorzieningen er worden getroffen voor flora en fauna.
02 Doel en overtuigingen 01 Toelichting voor de Puccinimethode gebruiker
1. Sluit het ontwerp aan op het groen in de omgeving (let op de ruimtelijke, ecologische en historische context, zie o.a. Groenkaart en de ruimtelijke zonering in hoofdstuk 3). Maak in het ontwerp duidelijke grenzen tussen openbaar en privé, zodat duidelijk is wie waar verantwoordelijk is voor het beheer.
03 Groenkaart en tabel
4. Een beplantingsplan bestaat uit een tekening op schaal waarop de verschillende plant- en boomsoorten zijn aangegeven. Daarbij horen plantlijsten met daarop het aantal planten per groep of plantvak, aantal per m2 en de te leveren maten. Eventueel een uitzettekening en een beheerparagraaf, afhankelijk van de complexiteit van het plan. Voor een voorbeeld van een compleet beplantingsplan met plantlijst, uitzettekening en beheerparagraaf zie bijlage 11.5.
04 Basisprincipes
uitgangspunten groenontwerp en beplantingsplan
05 Bomen
4.1.2
figuur 4.3 Maak een sociaal veilig ontwerp
47
7. Groen in mobiele, gesloten systemen zoals plantenbakken en bloempotten (figuur 4.4) wordt vanuit de gemeente niet toegepast als er andere mogelijkheden zijn om te vergroenen. We hanteren een “Nee, tenzij…” beleid voor al het groen in gesloten systemen. Groen in gesloten systemen draagt slechts beperkt beperkt bij aan de doelstellingen die Amsterdam heeft met het groen. Bloembakken/-potten zijn in principe geen vast onderdeel van een maaiveldontwerp zoals dat door de gemeente wordt opgesteld. Vanwege het intensieve beheer dat nodig is bij bloembakken en -potten worden deze ook niet door de gemeente in beheer genomen, maar altijd door bewoners en/of ondernemers beheerd. Het “nee, tenzij…”-beleid voor gesloten groensystemen betekent concreet dat we als gemeente geen plantenbakken, hanging baskets en bloempotten financieren en plaatsen, tenzij: • alle andere mogelijkheden voor vergroening (groen in plantvakken in de volle grond, groen in geveltuinen, groene gevels) verkend zijn, in overleg met de omgeving; • en groen in de volle grond onhaalbaar gebleken is, bijvoorbeeld vanwege ruimtegebrek in de boven- of ondergrond; • en de urgentie groen toe te voegen desondanks aanwezig is en breed gedragen is; • en bewoners of ondernemers in de directe omgeving het beheer van dit groen verzorgen.
Bij het plaatsen van plantenbakken en bloempotten geldt altijd dat er ruim voldoende voetgangersruimte over moet blijven op het trottoir, conform de daarvoor geldende normen. Daarbij moet rekening gehouden worden met het feit dat plantenbakken in de praktijk vaak andere objecten aantrekken, zoals geparkeerde scooters en fietsen. In gebieden met een zeer hoge gebruiksdruk en grote voetgangersstromen zijn plantenbakken daardoor in algemene zin moeilijk inpasbaar. Uitzonderingen op dit “nee, tenzij…” beleid omtrent gesloten groensystemen zijn bloembakken aan brugleuningen en de hanging baskets in het centrum van Weesp; deze blijven we toepassen.
figuur 4.4 Mobiele groensystemen worden in principe niet aangelegd
Ook tijdelijke situaties die niet langer dan vijf jaar duren zijn een uitzondering, bijvoorbeeld binnen gebiedsontwikkelingen. In die tijdelijke situaties kunnen gesloten plantenbakken door de gemeente geplaatst en beheerd worden vanuit het lopende project, om een tijdelijke inrichting vorm te geven. Bloempakken of -potten die op eigen initiatief van bewoners en ondernemers geplaatst worden vallen buiten de kaders van de Puccinimethode. Deze dienen te voldoen aan de nadere regels die per stadsdeel zijn opgesteld voor bloembakken in de openbare ruimte. Deze regels volgen uit de Amsterdamse APV, artikel 4.3. 8. Ontwerp plantvakken van voldoende afmeting en zorg voor een evenredige verdeling over de straat (figuur 4.5). Kleine groenstroken (‘snippergroen’) zijn ongewenst omdat ze onderhoudsintensief en slijtagegevoelig zijn. De kwaliteit van kleine plantvakken is slecht in stand te houden. Indien de kwaliteit van het groen onvoldoende is, resulteert dit in vervuiling en verrommeling van het straatbeeld. Daarom moeten plantvakken aan minimale afmetingen voldoen, zie tabel 4.2. Uitzondering op dit beleid zijn kleine groenstroken waarbij er sprake is van medebeheer. Bewoners of ondernemers zijn dan zelf verantwoordelijk voor het beheer en de kwaliteit van dit groen.
Indien de kwaliteit van dit ‘snippergroen’ op termijn onvoldoende blijkt (overhangend groen, vervuiling, slijtage, overwoekering, gaten in de beplanting, etc.) behoudt de gemeente het recht om het groen om te vormen tot verharding of een andere functie.
figuur 4.5 Ontwerp plantvakken van voldoende afmeting en zorg
48 voor evenredige verdeling over de straat
20-25
Voor toelichting zie 5.3.2
Groenelement
Minimale breedte plantvak (m)
Minimale lengte plantvak (m)
Aanvulling
bosplantsoen
10
30
Geplant als bosplantsoen.
struweel
5
15
Geplant als bosplantsoen.
heesters
1,5
5
Bij toepassing in middenberm tussen twee rijwegen, of als beplanting onder een boom tussen parkeervakken.
hagen los
1,2
5
Twee plantrijen met paal en draad ertussen.
hagen strak
0,8
5
Twee plantrijen met paal en draad ertussen.
(botanische) rozen
1,5
5
Bij toepassing in middenberm tussen twee rijwegen.
klimplanten
0,3
0,3
Uitgaande van toepassing op pergola in park.
vaste planten en siergrassen
2
5
Uitzondering: plantvak in een park dat in een punt uitloopt.
perkgoed
2
5
Toepassing alleen op locaties waarvoor een uitzondering geldt.
gazon
1
2
Uitgaande van een gazonstrook die onderdeel is van een bredere of langere structuur. Bijvoorbeeld meerdere stroken in een laan of een park.
bloemrijk gras
1
5
Smallere strook toegestaan als berm langs een rijweg of wanneer het onderdeel is van een grotere structuur.
bollen
1
5
1 m breed is toegestaan wanneer het gras waar de bollen in worden gepoot ook 1 m breed is. Bij het poten in een berm de gehele berm vol poten. Toepassing van losse groepen (botanische) bollen is toegestaan in bosplantsoen en tussen vaste planten.
ruw gras
1
5
Smallere strook toegestaan als berm langs een rijweg of wanneer het onderdeel is van een grotere structuur.
ruigte
5
15
zachte oevers
5,5
20
harde oevers
1,5
10
tabel 4.2 minimale afmetingen van de verschillende groenelementen
49
Bij getrapt profiel.
02 Doel en overtuigingen 01 Toelichting voor de Puccinimethode gebruiker
>25
03 Groenkaart en tabel
bomen 1e en 2e grootte buiten de Hoofdbomenstructuur
04 Basisprincipes
Voor toelichting zie 5.3.1
05 Bomen
25-30
06 Bosplantsoen en struweel
25-40
07 Heesters, hagen, rozen en klimplanten
bomen in de Hoofdbomenstructuur
08 Kruidachtigen
Aanvulling
09 Gras en ruigte
Stamomstrek bij aanplant (cm)
10 Water- en oeverbeplanting