CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Puccini Handboek Groen (2024).pdf

Raadscommissie Mobiliteit, Openbare ruimte en Water 16 mei 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Puccinimethode Handboeken Rood en Groen (VN2024-005856)32.423 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Handboek Groen

Standaard voor het Amsterdamse straatbeeld onderdeel van de Puccinimethode

februari 2024

2

Handboek Groen

Standaard voor het Amsterdamse straatbeeld onderdeel van de Puccinimethode

februari 2024 3

Inhoudsopgave 4

Inhoudsopgave 1. Toelichting voor de gebruiker 8 1.1 Opmerkingen bij deze versie 9 1.2 Gebruiksaanwijzing/leeswijzer 9 2. Doel en overtuigingen Puccinimethode 10 2.1 Doel Puccinimethode 11 2.2 Beleidskader Puccinimethode 11 2.3 Samenhang tussen Handboek Rood en Handboek Groen 11 2.4 Vijf overtuigingen Puccinimethode 11 2.5 Toetsteam Openbare Ruimte en Mobiliteit 14 2.6 Klimaatbestendigeheid 14 3. Groenkaart, tabel, ‘hoe vergroen ik...’, ruimtelijke systemen 16 3.1 Groenkaart 18 3.1.1 hoofdboomstructuur 20 3.1.2 Ecologisch groen en Stadsgroen 20 3.2 Groentabel 21 3.2.1 uitzonderingen 22 3.3 Hoe vergroen ik… 23 3.4 ruimtelijke systemen 30 4 Basisprincipes 44 4.1 Uitgangspunten voor duurzaam openbaar groen in Amsterdam 45 4.1.1 algemene uitgangspunten 45 4.1.2 uitgangspunten groenontwerp en beplantingsplan 47 4.1.3 uitgangspunten voorbereiding en aanleg 52 4.1.4 uitgangspunten beheer 53 4.2 Proces van eerste visie tot en met nazorg en beheer in de groenketen 55 4.3 Particulier medebeheer 55 4.3.1 proces 55 4.3.2 inrichting en plantkeuze 55 4.4 Eetbaar groen 55 5.

Bomen 56 5.1 Verschijningsvorm 58 5.1.1 toepassing in rij of lijn 58 5.1.2 toepassing grootte, kroonvorm, kroondichtheid, textuur, structuur 58 5.2 Randvoorwaarden 63 5.2.1 afstand boom tot gevel 65 5.2.2 afstand boom tot rijbaan 65 5.2.3 bomen en parkeersituaties 70 5.2.4 afstand boom tot lichtmasten, tram en spoorweg 72 5.2.5 afstand boom tot ondergrondse kabels en leidingen 74 5.2.6 afstand boom tot ondergrondse afvalcontainer 76 5.2.7 afstand boom tot kadeconstructies en beschoeiingen 78 5.2.8 afstand boom tot waterkerende dijken 80 5.3 Sortimentstoepassing 81 5.3.1 sortiment voor in de Hoofdbomenstructuur 81 5.3.2 sortiment voor buiten de Hoofdbomenstructuur 84 5.3.3 sortiment voor de Ecologische structuur Amsterdam 85 5.3.4 toepassing van verhoogde plantvakken 86 5.3.5 sortiment voor wadi’s 87 5.3.6 sortiment voor op daken van tunnels en parkeergarages 88 5.4 Aanleg 89 5.4.1 detaillering van van boven- en ondergrondse groeiplaats 89 5.4.2 samenstelling bomenzand en toepassing van grondsubstraten en constructies 94 5.4.3 principes van groeiplaatsinrichting 95 5.4.4 bomen in bestaande situaties 114 5.4.5 verplanten van bomen 116 5

5.5 Specials 5.5.1 fruitbomen 5.5.2 knot- lei- en vormbomen 5.5.3 meerstammige bomen

118 118 119 119

6. Bosplantsoen en struweel 6.1 Verschijningsvorm 6.1.1 eindbeeld struweel 6.1.2 eindbeelden bosplantsoen 6.1.3 hakhout 6.2 Randvoorwaarden 6.2.1 algemeen 6.2.2 specifiek voor bosplantsoen en struweel 6.3 Aanleg 6.3.1 algemeen 6.3.2 randvoorwaarden voor gemengde beplanting 6.3.3 groeiplaatsinrichting

120 122 123 125 127 128 128 128 129 129 129 129

7. Heesters, hagen, rozen en klimplanten 7.1 Verschijningsvorm 7.1.1 heesters 7.1.2 hagen 7.1.3 bodembedekkende heesters 7.1.4 rozen 7.1.5 klimplanten 7.2 Randvoorwaarden 7.2.1 algemeen 7.2.2 randvoorwaarden specifiek voor heesters 7.2.3 randvoorwaarden specifiek voor hagen 7.2.4 randvoorwaarden specifiek voor bodembedekkende heesters 7.2.5 randvoorwaarden specifiek voor (struik-)rozen 7.2.6 randvoorwaarden specifiek voor klimplanten 7.3 Sortimentstoepassing 7.3.1 sortiment voor pocketparks en ‘om de straat te vergroenen’ 7.3.2 sortiment voor parken en grote plantsoenen 7.3.3 sortiment voor de Ecologische structuur Amsterdam 7.3.4 sortiment voor wadi’s 7.4 Aanleg 7.4.1 algemeen 7.4.2 groeiplaatsinrichting

132 132 134 134 136 136 137 138 138 138 139 140 140 140 140 140 140 140 141 141 141 141

8. Kruidachtigen (vaste planten, siergrassen, bollen en knollen en perkgoed) 8.1 Verschijningsvorm 8.1.1 mengbeplantingen 8.1.2 groepsgewijze beplantingen 8.1.3 bollen en knollen 8.1.4 perkgoed 8.2 Randvoorwaarden 8.2.1 algemeen 8.2.2 specifiek voor vaste planten en siergrassen 8.2.3 specifiek voor bollen en knollen 8.3 Sortimentstoepassing 8.3.1 sortiment voor vlakken, groepen en randen 8.3.2 sortiment voor accenten 8.3.3 sortiment om te mengen 8.3.4 sortiment voor in de Ecologische structuur Amsterdam 8.3.5 sortiment voor wadi’s 8.3.6 sortiment voor onder bomen 8.4 Aanleg 8.4.1 algemeen 8.4.2 groeiplaatsinrichting 8.4.3 specifiek voor bollen en knollen

146 148 149 150 151 151 152 152 152 152 154 154 155 155 156 156 157 158 158 159 162

6

8.5 Specials 162 8.5.1 perkgoed 163 9. Gras en ruigte 165 9.1 Verschijningsvorm 166 9.1.1 intensief gazon (G1) en bloemrijk gazon (G2) 167 9.1.2 bloemrijk gras (BG1-BG3) 167 9.1.3 ruw gras (RG) 168 9.1.4 ruigte (BR1-BR2 / SR) 168 9.1.5 specials 169 9.2 Randvoorwaarden 170 9.2.1 algemeen 170 9.2.2 randvoorwaarden specifiek voor gazon 171 9.2.3 randvoorwaarden specifiek voor bloemrijk gras 172 9.2.4 randvoorwaarden specifiek voor ruw gras 172 9.2.5 randvoorwaarden specifiek voor ruigte 172 9.3 Aanleg 173 9.3.1 algemeen 173 9.3.2 groeiplaatsinrichting 173 9.4 Specials 178 9.4.1 bloemenlinten (BL1/BL1+) 178 9.4.2 bijzondere introducties (SR/SO) 178 9.4.3 bolgewassen in gras en ruigte 178 9.4.4 evenemententerrein 179 9.4.5 valdempend gras (kunstgras) 179 9.4.6 gepantserd gras (grasbetonstenen) 179 10. Water- en oeverbeplanting 180 10.1 Verschijningsvorm 182 10.1.1 zachte oever 182 10.1.2 harde oever 183 10.1.3 brakwateroevers 183 10.2 Randvoorwaarden 184 10.2.1 algemeen 184 10.2.2 specifiek voor zachte oevers 184 10.2.3 specifiek voor harde oevers 185 10.2.4 specifiek voor poelen 187 10.3 Aanleg 188 10.3.1 algemeen 188 10.3.2 specifiek voor zachte oevers 188 10.3.3 specifiek voor harde oevers 188 11. Bijlagen 190

7

01

Toelichting voor de gebruiker 8

Hoofdstuk 4 Basisprincipes. Hierin zijn algemene uitgangspunten en principes opgenomen voor ontwerp, aanleg en beheer. Daarnaast bevat dit hoofdstuk een schema van het proces op hoofdlijnen van ontwerp tot beheer van groen. Hoofdstuk 5 t/m 10. Deze beschrijven de verschillende soorten beplanting in de openbare ruimte. De indeling op hoofdlijnen, gebaseerd op de indeling van het landelijk Informatiemodel Beheer Openbare Ruimte (IMBOR). Deze indeling gebruiken we ook bij het Amsterdamse (groen)beheersysteem. De hoofdstukken 5 t/m 10 hebben een vaste indeling: • Verschijningsvorm: hoe ziet het soort beplanting eruit? • Randvoorwaarden: waarmee moet in het ontwerp rekening gehouden worden om het soort beplanting optimaal te laten groeien? • Aanleg: waar hou je rekening mee bij de aanleg om een optimaal en goed te beheren eindresultaat te krijgen? Dit is samengevat in factsheets met groeiplaatsprincipes. Hoofdstuk 11 bevat de bijlagen waaronder tabellen van verschillende soorten beplanting (bomen, heesters, vaste planten en bolgewassen, grassen en water- en oeverplanten) gebaseerd op de beste Amsterdamse voorbeelden. De tabellen geven onder andere inzicht in de fysieke eisen, verschijningsvormen, toepasbaarheid en eventuele ecosysteemdiensten van het assortiment. Daarnaast zijn er tabellen opgenomen met technische omschrijvingen van de verschillende soorten bodemlagen.

Nieuw is de bijlage over hoe je faunapassages uitvoert.

11 Bijlagen

10 Water- en oeverbeplanting

Dank aan iedereen die aan deze versie heeft meegedacht en meegeschreven. Het handboek kan alleen een ‘levend en open werkdocument’ zijn met jouw bevindingen en verbetervoorstellen. Geef deze daarom aub door aan de makers van het handboek via puccinimethode@amsterdam.nl. Met jouw feedback wordt het handboek één keer per jaar geactualiseerd en door B&W vastgesteld.

02 Doel en overtuigingen 01 Toelichting voor de Puccinimethode gebruiker

Hoofdstuk 3 Groenkaart en -tabel. Dit hoofdstuk bevat de vloerkaart, de groentabel en een beschrijving van de ruimtelijke systemen met bijhorende groenkenmerken. Daarnaast staat in dit hoofdstuk aangegeven hoe je verschillende typen openbare ruimte kan vergroenen.

In Handboek Groen zijn beleidsmatige principes en de beste voorbeelden uit Amsterdam vertaald naar best practice plantlijsten, technische details, voorschriften, eigenschappen en voorbeelden van hoe beplanting toe te passen. Tekeningen, informatiebladen en tabellen ondersteunen de tekst. Dit handboek is een mijlpaal in de lange traditie van de inrichting van de Amsterdamse openbare ruimte. Eind 2020 is de eerste versie van het Handboek Groen vastgesteld. Het is een ‘levend en open werkdocument’. Onderdelen waarmee deze 3e versie (februari 2024) zijn aangevuld en verbeterd zijn oa.: • De Groenkaart met daarnaast verdere uitleg over de ruimtelijke systemen en bijbehorende groenkenmerken. • De Groentabel is geactualiseerd • Er is een start gemaakt met ‘hoe vergroen ik…’ waarin aangegeven staat hoe verschillende typen openbare ruimte vergroend kunnen worden. Ecologisch groen, Kades binnen en buiten rijksbeschermdstads gezicht, Oevers, Natuurlijke Oevers en Boomspiegels zijn uitgewerkt. De onderdelen Straten en Stadsgroen en bijzondere plekken volgen bij een volgende actualisatie van het handboek, net als pleinen en wadi’s. • De best practicelijsten, met name de heesterlijst en vaste plantenlijsten zijn aangepast, meer gericht op het vergroten van de biodiversiteit en aangepast aan een ‘soberder’ beheer.

• In het kader van biodiversiteit is een nieuwe bijlage opgenomen; faunapassages en faunavoorzieningen in openbaar groen.

03 Groenkaart en tabel

Hoofdstuk 2 Doel en overtuigen Puccinimethode.

04 Basisprincipes

Het Handboek Groen is op de volgende manier opgebouwd: Hoofdstuk 1 Toelichting voor de gebruiker.

05 Bomen

Het Handboek Groen is een uitwerking van het Beleidskader Puccinimethode, dat is vastgesteld door de gemeenteraad.. Zie ook: Beleidskader Puccinimethode, Groen (Deel C) www.amsterdam.nl/wonen-leefomgeving/puccinimethode/puccinimethode/

06 Bosplantsoen en struweel

Gebruiksaanwijzing/leeswijzer

07 Heesters, hagen, rozen en klimplanten

Opmerkingen bij deze versie

08 Kruidachtigen

1.2

09 Gras en ruigte

1.1

9

02 Doel en overtuigingen Puccinimethode 10

Beleidskader Puccinimethode In het beleidskader zijn de algemene kaders, uitgangspunten en afspraken vastgelegd voor de inrichting van de openbare ruimte in Amsterdam. Dit beleidskader is vastgesteld door de Amsterdamse gemeenteraad. In de separate technische Handboeken Rood en Groen, die aanvullend zijn op het beleidskader, is in detail opgenomen met welke verhardingsmaterialen, straatprofielen, detailleringen, masten, armaturen, straatmeubilair, boomsoorten en beplantingstypen we in Amsterdam werken en hoe deze toegepast worden. Deze handboeken zijn een technische uitwerking van het beleidskader. Ze worden vastgesteld door het college van B&W en met regelmaat geactualiseerd.

een goed ontwerp vergt ambacht op elk schaalniveau Het inrichten en ontwerpen van straten, pleinen, parken en plantsoenen is een ambachtelijke discipline. Het begint met een (historisch ontwikkelde) situatie, een heldere opgave en een visie voor de plek, die samen met gebruikers tot stand komt. Vervolgens zijn een goede technische uitwerking en zorgvuldige detaillering onmisbaar voor de kwaliteit op straat. De grote en kleine schaal zijn dus onlosmakelijk met elkaar verbonden en zijn beide even belangrijk. De standaarden van de Puccinimethode brengen kennis en ervaring op het gebied van techniek en detaillering samen. Zo zorgen we dat kennis wordt gedeeld en uitgedragen, binnen en buiten de gemeentelijke organisatie. Maar ook met deze standaarden in de hand kost het ambachtelijk uitwerken en detailleren van een ontwerp tijd. Hiermee moet rekening worden gehouden tijdens de planvorming op projectniveau. Deze investering aan de voorkant verdient zich op de lange termijn terug in het resultaat op straat. Plannen waarbij voldoende tijd en aandacht besteed is aan het kleine schaalniveau, de detaillering, zijn beter uitvoerbaar, beter te beheren en dus toekomstbestendiger.

2.3 Samenhang tussen Handboek Rood en Handboek Groen

02 Doel en overtuigingen 01 Toelichting voor de Puccinimethode gebruiker 11 Bijlagen

Voor het maken van een kwalitatief goede openbare ruimte zijn de rode en groene elementen onlosmakelijk met elkaar verbonden; betonnen banden beschermen onze bomen tegen aanrijdschade, plantvakken voegen groen toe in de verharding van het trottoir. Rood en groen staan dus niet los van elkaar. De bomen, wadi’s, gazons, tegels, klinkers, banden, bankjes en lichtmasten maken samen onderdeel uit van het ontwerp en moeten altijd in samenhang bekeken worden. Toch kent het beleidskader Puccinimethode een ‘rood’ deel (B) en een ‘groen’ deel (C). En er zijn twee losse handboeken: Rood en Groen. Die knip is gemaakt om de grote hoeveelheid informatie zo overzichtelijk mogelijk te presenteren en makkelijk vindbaar te maken. Waar raakvlakken tussen rood en groen zich voordoen wordt indien nodig met kruisverwijzingen gewerkt.

03 Groenkaart en tabel

2.2

04 Basisprincipes

de gebruiker is gebaat bij eenvoud en vanzelfsprekendheid De openbare ruimte vormt voor de gebruikers de basis voor een druk stedelijk leven. In het algemeen geldt daarom dat het straatdecor niet zelf de aandacht moet opeisen. De behoefte op te vallen of iets unieks te maken, leidt te vaak tot een overdreven modieuze inrichting, die onnodig veel aandacht vraagt van de gebruiker en waarin de binding met de historie en de omgeving ontbreekt. Door de toepassing van beproefde standaarden en door uit te gaan van de kracht van eenvoud vormt zich een Amsterdamse traditie die vanzelfsprekend en herkenbaar is. Een functionele, toegankelijke, vanzelfsprekende en tijdloze vormgeving met een tot in de details kloppende uitvoering is meestal het beste recept. Met een beperkt aantal goede materialen is een hoge kwaliteit te bereiken die aansluit op het gebruik van de openbare ruimte. Natuurlijk zijn verbijzonderingen mogelijk, maar met mate en op de juiste plek.

05 Bomen

De Puccinimethode is gebaseerd op vijf overtuigingen. Deze zijn verwoord en vastgelegd in het Beleidskader Puccinimethode en vormen de basis voor alle ontwerpen in de Amsterdamse openbare ruimte.

06 Bosplantsoen en struweel

De Puccinimethode staat voor een kwalitatief goede, fysieke inrichting van alle Amsterdamse openbare ruimte; alle straten, pleinen, parken en plantsoenen. Een goede inrichting is herkenbaar, duurzaam, gebruiksvriendelijk, veilig, beheerbaar, betaalbaar, samenhangend én mooi. In het beleidskader en de handboeken Rood en Groen brengen we al deze belangen samen in breed gedragen standaarden.

07 Heesters, hagen, rozen en klimplanten

Vijf overtuigingen Puccinimethode

08 Kruidachtigen

Doel Puccinimethode

09 Gras en ruigte

2.4

10 Water- en oeverbeplanting

2.1

11

goede openbare ruimte is duurzaam in aanleg, in beheer en in gebruik Duurzaamheid betekent binnen deze context het beperken van de milieubelasting en het grond-stofverbruik, het tegengaan van materiaalverspilling, het inzetten op hergebruik, biodiversiteit en bodemkwaliteit en het zorgdragen voor tijdloze, robuuste ontwerpen die bestand zijn tegen de veranderingen in het klimaat en de hoge gebruiksdruk in de stad. Voor de inrichting van de openbare ruimte gebruiken we daarom materialen met een zo laag mogelijke CO2-belasting, die door standaard maatvoering goed kunnen worden hergebruikt bij onderhoud of herinrichting en waarvan restmateriaal gerecycled kan worden. Een plan is alleen duurzaam als we het goed kunnen beheren. Een straat, plein, plantsoen of park kan er mooi uitzien na de eerste aanleg met circulaire materialen, biodiverse beplanting en klimaatadaptieve principes. Maar als we het niet goed kunnen beheren, moet er vervroegd worden ingegrepen, waarbij energie en materiaal verspild worden. Duurzaamheid is dus gebaat bij beheerbaarheid. Eisen vanuit beheer zijn daarom mede maatgevend voor het ontwerp en beheerders worden van begin af aan betrokken bij de planvorming. Voor de definitieve aanleg moet duidelijk zijn dat ook op de lange termijn goed beheer mogelijk is. Zodat de straten schoon, heel en veilig blijven en het groen zich langdurig gezond kan ontwikkelen.

verkeersveiligheid, etc.) gezocht naar nieuwe en betere ontwerpoplossingen. Voordat een nieuwe ontwerpoplossing kan worden opgenomen in de standaard moeten we zeker weten dat het voldoet aan zeven randvoorwaarden: beheerbaarheid, techniek en uitvoerbaarheid, inkoopbaarheid, uitstraling, duurzaamheid, effectiviteit en kostenefficiency. Het aantonen daarvan kost tijd en capaciteit, maar betaalt zich op de lange termijn terug in de kwaliteit van de openbare ruimte. Het is een proces van uitproberen, monitoren, evalueren en bijstellen. Aanpassingen in de standaard voeren we daarom geleidelijk door en alleen als ze aantoonbaar een verbetering blijken te zijn. goede samenwerking zorgt voor het beste resultaat op straat Bij het inrichten van de openbare ruimte zijn veel specialisten betrokken: landschapsarchitecten, stedenbouwkundigen, cultuurhistorici, ingenieurs, klimaatexperts, verkeerskundigen, ecologen, beheerders, inkopers en uitvoerders. Gezamenlijk moeten al deze disciplines de overtuigingen in praktijk brengen. Daarbij betrekken we als gemeente ook de verenigde vertegenwoordigers van de diverse belangen (toegankelijkheid, fietsers, voetgangers, cultuurhistorie, erfgoed, etc.). Zo komen we tot een zorgvuldige, integrale belangenafweging.

Binnen de gemeentelijke organisatie is het van belang dat alle betrokkenen gezamenlijk verantwoordelijkheid dragen voor het eindresultaat op straat. Doorloop daarom samen het hele proces: van idee tot ontwerp, uitvoering en beheer. In het algemeen geldt: een investering in goede samenwerking vanaf de eerste fase verdient zich in latere fases terug. Door goed samen te werken voorkomen we dat in een laat stadium pas duidelijk wordt dat een ontwerp niet maakbaar, niet inkoopbaar of niet beheerbaar is.

we bouwen voort op ‘best practices’ en bieden ruimte aan innovatie Succesvolle materialen, profielen, inrichtingsprincipes en details uit de Amsterdamse praktijk vormen de basis van onze standaard. Zo is Amsterdam - en Nederland - wereldberoemd om zijn ‘small element paving’: onze gebakken klinkers en de 30 x 30 betontegels. Deze kleine materialen zijn erg geschikt voor onze slappe, moerasachtige ondergrond waarop grote zware materialen sneller verzakken en scheef komen te liggen. Een groen voorbeeld is het unieke iepenbestand van Amsterdam: binnen de grachtengordel maken de iepen zelfs onderdeel uit van het UNESCOwerelderfgoed. Door bewezen oplossingen te standaardiseren leggen we een Amsterdamse traditie en cultuur vast die in ieder project de basis vormt voor de inrichting van de openbare ruimte. Maar, de samenleving en de openbare ruimte zijn altijd in ontwikkeling. Ook de standaard ontwikkelt zich daarom continu. We zoeken doorlopend naar balans tussen enerzijds de ‘best practice’ die zich decennialang succesvol bewezen heeft in Amsterdam en anderzijds innovaties die aansluiten op de veranderende behoeften van de stad. Middels pilots en experimenten wordt vanuit diverse beleidsvelden (duurzaamheid, ecologie, klimaatadaptatie, 12

13

11 Bijlagen

10 Water- en oeverbeplanting

09 Gras en ruigte

08 Kruidachtigen

07 Heesters, hagen, rozen en klimplanten

06 Bosplantsoen en struweel

05 Bomen

04 Basisprincipes

03 Groenkaart en tabel

02 Doel en overtuigingen 01 Toelichting voor de Puccinimethode gebruiker

2.5

2.6

Toetsteam Openbare Ruimte en Mobiliteit, Expertiseteam en afwijken

Klimaatbestendigheid Klimaatadaptatie Klimaatverandering betekent dat Amsterdam steeds vaker te maken krijgt met extreme neerslag, hitte, droogte en de gevolgen van overstromingen. Door ruimtelijke klimaatadaptatie, het aanpassen van de bebouwde en onbebouwde ruimte, is het mogelijk om de impact van de extremen te beperken. De inrichting van de openbare ruimte is daarmee in grote mate bepalend voor de klimaatbestendigheid van de stad. Het op grote en kleine schaal toepassen van klimaatadaptatie in ruimtelijke plannen is in lijn met de duurzaamheidsovertuigingen van de Puccinimethode.

In het Toetsteam worden alle openbare ruimte projecten getoetst. Het Toetsteam Openbare Ruimte & Mobiliteit (OR&M) verzorgt een integrale toets op planproducten waar ruimtelijke kwaliteit, toegankelijkheid én verkeerskundige aspecten samenkomen. Elk ruimtelijk project kent sinds de inwerkingtreding van het Toetsteam OR&M in de planvorming twee verplichte toetsmomenten: voorafgaand aan vaststelling van de nota van uitgangspunten (NvU) of stedebouwkundig plan en vervolgens op het (definitief) ontwerp. Op straat kom je geregeld afwijkingen van de standaard tegen. Ruimte voor afwijkingen maakt dan ook onderdeel uit van het beleid. Naast de ‘bijzondere plekken’ uit handboek Rood en ‘Stadsgroen’ uit Handboek Groen, waar afwijkingen toegestaan zijn, zijn er ook andere plekken in de stad waar de behoefte kan bestaan om af te wijken. Bijvoorbeeld omdat een standaard straatprofiel niet past, omdat cultuurhistorische structuren beschermd worden of omdat bestaand groen wordt ingepast. In die gevallen kan een verzoek tot afwijking van de standaard worden ingediend bij het Toetsteam Openbare Ruimte & Mobiliteit (OR&M), waar alle openbare ruimte projecten getoetst worden. Het toetsteam bekijkt of de afwijking op die specifieke locatie wenselijk is en zo ja, of de afwijkende vormgeving gepast is. Naast het Toetsteam is er ook het Expertiseteam Openbare Ruimte & Mobiliteit.

Bij het Expertiseteam kan een project integraal advies inwinnen tijdens de planvorming. Tegenstrijdigheden in beleid of inhoudelijke dilemma’s kunnen in het Expertiseteam besproken worden. De adviezen van het Toetsteam met betrekking tot afwijkingen van de standaard zijn bindend, maar het college van B&W is bevoegd te besluiten contrair aan het advies. Deze bevoegdheid ligt bij het college, niet bij de Dagelijks Besturen (DB’s), omdat het afwijkingen van stedelijke beleidskaders betreft. In de ‘Verordening stadsdelen en stadsgebied Amsterdam 2022’ is in de takenlijst opgenomen dat de bevoegdheid van het DB zich beperkt tot het inrichten van de openbare ruimte binnen de stedelijke kaders (taak 2.1). Dit betekent dat projecten die onder bevoegdheid vallen van het Dagelijks Bestuur van een stadsdeel moeten worden voorgelegd aan het college van B&W indien men een afwijking van de standaard wil doorzetten na een negatief advies van het toetsteam. De algemene uitgangspunten bij het uitvoeren van de integrale toets zijn terug te vinden in het huishoudelijk reglement van het Toetsteam Openbare Ruimte & Mobiliteit.

Voor het klimaatbestendig inrichten van de openbare ruimte is de verhouding tussen verharding en groen essentieel. Bij een juiste locatiekeuze en goede detaillering van de overgang tussen verharding en groen in alle plannen van de stad, kan de stad stap voor stap beter omgaan met de toenemende extreme weersomstandigheden. Zodoende is een sterke relatie tussen Puccinimethode Rood (verharding) en Puccinimethode Groen essentieel voor het creëren van een leefbare, veilige en toekomstbestendige stad. Vier klimaatthema´s Overstromingen, wateroverlast, droogte en hitte zijn de vier thema’s om rekening mee te houden in de openbare ruimte. Elk thema heeft een eigen impact op de stad. Bij overstromingen gaat het met name over schade in grote gebieden en lange hersteltijden; bij wateroverlast gaat het over kans op schade aan huizen, (vitale) infrastructuur en water op straat. Droogte kan zorgen voor bodemdaling, het vergroot de kans op paalrot en zorgt daarmee voor schade aan gebouwen, nutsvoorzieningen en openbaar groen. Hitte zorgt onder meer voor gezondheidsproblemen en kan leiden tot infrastructurele problemen met bruggen en sporen. De impact van de thema’s laat samenhang, overeenkomsten en verschillen zien. Tussen de thema’s droogte en hitte is er samenhang. Droogte bemoeilijkt de omgang met hitte. Tijdens droogte is er minder water om te verdampen en daardoor minder afkoeling.

Hierdoor is er juist meer vraag naar water. Ook overstromingen en wateroverlast vertonen samenhang. Veel van de adaptieve maatregelen tegen wateroverlast zijn namelijk ook toepasbaar als gevolgbeperking tegen ondiepe overstromingen. Overeenkomst tussen de thema’s is dat bijna alle klimaatadaptieve maatregelen extra druk op de boven- en ondergrondse ruimte geven. Maar er zijn ook verschillen in bijvoorbeeld kennisniveau over de verschillende thema’s. We weten bijvoorbeeld al heel veel over wateroverlast (Programma Rainproof), over hitte groeit de kennis, maar over droogte weten we nog weinig. Daarnaast is er verschil in de impact van de 14

02 Doel en overtuigingen 01 Toelichting voor de Puccinimethode gebruiker

vier klimaatthema’s als gevolg van de ruimtelijke opbouw van de stad. Ook vraagt klimaatadaptatie verschillende inzet, van zowel publieke als private partijen.

03 Groenkaart en tabel

Vastgestelde richtlijnen en richtlijnen in onderzoek Voor het voorkomen van wateroverlast bestaat een vastgestelde richtlijn, waaraan alle (her)inrichtingsprojecten in de openbare ruimte moeten voldoen. Deze is opgenomen in het Omgevingsprogramma Riolering 2022-2027. Richtlijnen ter voorkoming van hitteoverlast en droogte zijn nog in onderzoeksfase.

11 Bijlagen

10 Water- en oeverbeplanting

09 Gras en ruigte

08 Kruidachtigen

07 Heesters, hagen, rozen en klimplanten

06 Bosplantsoen en struweel

05 Bomen

04 Basisprincipes

Neem contact op met een klimaatexpert Laat je ontwerp in een vroegtijdig stadium checken (quickscan klimaatadaptatie) door een klimaatadviseur van het IB. Deze bepaalt in eerste instantie welke klimaatproblemen er in het projectgebied spelen. Daarnaast wordt bepaald welk klimaatthema het meest relevant is en welke eisen en doelen ten aanzien van klimaatadaptatie moeten en/of kunnen worden behaald. Tenslotte worden basisprincipes tegen klimaatextremen naast de randvoorwaarden en de ontwerpopgave gehouden om zo te komen tot toe te passen maatregelen in het project.

15

03 Groenkaart, tabel, ‘hoe vergroen ik...’ 16

02 Doel en overtuigingen 01 Toelichting voor de Puccinimethode gebruiker

3.1 Groenkaart

04 Basisprincipes

03 Groenkaart en tabel

In de groenkaart (zie figuur 3.1) zijn verschillende onderdelen van het gehele groensysteem aangegeven. Hoe je in deze gebieden beplantingstypen toepast is hieronder en in de tabel in paragraaf 3.2 toegelicht. De groenkaart is gebaseerd op bestaande ruimtelijke kaders: Omgevingsvisies Amsterdam (2021) en Weesp (2022), de Hoofdbomenstructuur (actualisatie t.o.v. 2018), de Amsterdamse Ecologische Visie (2012) en de Hoofdgroenstructuur uit 2011. Mocht toekomstige vaststelling van een vernieuwde Hoofdgroenstructuur aanleiding geven tot wijziging van de Groenkaart in de Puccinimethode, dan wordt de kaart in dit Beleidskader Puccinimethode daarop aangepast. Voor losse overzichtskaarten: HGS in kaart zie: maps.amsterdam.nl/hoofdgroenstructuur/ • ESA in kaart zie: maps.amsterdam.nl/ecopassages/ • HBS in kaart zie: maps.amsterdam.nl/hbs/ • Monumentale bomen en beschermd groen in kaart zie: maps.amsterdam.nl/monumentaal_groen/

11 Bijlagen

10 Water- en oeverbeplanting

09 Gras en ruigte

08 Kruidachtigen

07 Heesters, hagen, rozen en klimplanten

06 Bosplantsoen en struweel

05 Bomen

•

17

Groenkaart Hoofdbomenstructuur Ecologisch groen Stadsgroen Regulier openbaar groen groen

figuur 3.1 Groenkaart

18

19

11 Bijlagen

10 Water- en oeverbeplanting

09 Gras en ruigte

08 Kruidachtigen

07 Heesters, hagen, rozen en klimplanten

06 Bosplantsoen en struweel

05 Bomen

04 Basisprincipes

03 Groenkaart en tabel

02 Doel en overtuigingen 01 Toelichting voor de Puccinimethode gebruiker

3.1.1 hoofdbomenstructuur In de Hoofdbomenstructuur is planologisch vastgelegd welke bomen beeldbepalend zijn voor de stad. Het omvat de bomen die een belangrijke bijdrage leveren aan de ruimtelijke en stedenbouwkundige kwaliteit van de stad, waaronder bomen die onderdeel zijn van doorlopende (historische) ‘verbindingslijnen’ (zoals water, straten, lanen en wallen) en boomstructuren die functioneren als belangrijke ruimtelijke verbindingsschakels tussen de parken en de groengebieden. Een gedetailleerd overzicht van de hoofdbomenstructuur is te vinden via maps.amsterdam.nl/hbs.

3.1.2 ecologisch groen en stadsgroen Ecologisch groen bevat stadsnatuur, ecologisch waardevolle gebieden en groen-blauwe verbindingen. Het bevat voor Amsterdam zeldzame en beschermde planten en dieren. De verbindingen zijn essentieel als ecologische koppeling (zowel via land als water) tussen verschillende leefgebieden. Ecologisch groen biedt de Amsterdammers uiteenlopende natuurbelevingen. Het is verplicht om hier inheemse soorten toe te passen (zie I in de best practicelijsten in de bijlage). Stadsgroen bestaat uit groene plekken zoals (stads)parken en plantsoenen met (soms) iconische, maar in ieder geval stedelijke betekenis. Het zijn veelal belangrijke groene ontmoetingsplekken. Hier zijn uitzonderingen op de beplantingstypen zoals beschreven in de tabel in paragraaf 3.2 mogelijk.

20

Perk-/struikrozen

Hagen * let op, alleen passend in bepaalde ruimtelijke systemen

Klimplanten in de openbare ruimte, uitgezonderd gevels

Wissel-/perkplanten

Gazon/bloemrijk gazon *wel toepasbaar bij verblijfsfunctie Blemrijk gras *let op hoogte Ruw gras *let op hoogte Ruigte *let op hoogte ruderale stadsruigte *let op hoogte

Bloemenlint/bijenidylle

water- en oeverbeplanting

+I

+

+

-

+I

-

-

-

+I

+I

-

-*

+

+

+

+

-

+

Straten <15 m

+

-

-

-

+

-

+

+/-*

-

+/-*

+

-

-

-

-

-

-

-

nvt

+

+

+

+

+

-

+

+/-*

-

+/-*

+

-

-*

+*

-

-

-

-

nvt

+

+

+

+

+

+

-

-

-

-

+

-

-

+*

+

+*

-

-

nvt

+

-

-

-

-

-

-

-

-

+/-**

-

-

-

-

-

-

-

-

+

+

-

-

-

+

-

+

+*

-

+/-**

+

-

+

+

+

-

-

-

+

+

-

-

-

+

+

-

+*

-

+/-*

+

-

+

+

+

-

+

+/-

+

Natuurlijke oevers

+I

-

+

+

-

+I

-

-

-

+/- I

+

-

-

+

+

+

-

-

+

Boomspiegels (gemeentelijk beheer)

-

-

-

-

+

-

-

-

-

+

+

-

-

-

-

-

-

-

-

Stadsgroen en bijzondere plekken

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+ Passend beplantingstype voor het type openbaar groen - Minder passend beplantingstype voor het type openbaar groen +/- Het beplantingstype is voor dit type openbaar groen niet altijd geschikt. Een onderbouwing bij het toetsteam is gewenst. tabel 3.1 toepassing van beplantingstypen in de (groene) openbare ruimte van Amsterdam NB: voor pleinen, plantsoenen, postzegelparken, etc. zie paragraaf 3.2.1.

21

05 Bomen 06 Bosplantsoen en struweel 07 Heesters, hagen, rozen en klimplanten 08 Kruidachtigen 09 Gras en ruigte 10 Water- en oeverbeplanting

Straten >15 m incl. bermen, groenstroken, etc. Straten >15 m onderdeel van landschap Kades (binnen rijksbeschermde stadsgezichten) Kades (buiten rijksbeschermde stadsgezichten) Oevers (van oorsprong zachte/ flauwe oever)

04 Basisprincipes

Struweel

+I

Vaste planten I=inheems * à l buurtpleinenpalet, bewuste uitzondering ** op kades in authentiek profiel alleen in boomspiegels Bolgewassen I=inheems

Bosplantsoen

Ecologisch groen

Heesters nb: hieronder verstaan we de uitheemse sierheesters,inheemse soorten zijn benoemd onder ‘struweel’ (Botanische) Rozen (vrijuitgroeiend) I=inheems

Openbaar groen v

Bomen I=inheems Fruitbomen (consumptiefruit) I=inheems

Beplantingstypen >

11 Bijlagen

De Groentabel geeft op een gedetailleerdere manier aan welk type beplanting wel of niet geschikt is in een bepaalde (groene) openbare ruimte. Dat gebeurt aan de hand van de verschillende beplantingstypen die vanaf hoofdstuk 5 beschreven worden in dit handboek. Met behulp van de tabel zorgen we dat we het juiste groen aanleggen op de juiste plek en worden situaties voorkomen die niet passen binnen de overtuigingen van de Puccinimethode. Zoals te grote bomen in te smalle straten, dure vaste plantenborders op plekken waar eenvoudiger groen volstaat, gazon dat vertrapt wordt in een drukke winkelstraat of groen dat overlast gevende

02 Doel en overtuigingen 01 Toelichting voor de Puccinimethode gebruiker

dieren aantrekt. Uitzonderingen op de tabel staan beschreven in paragraaf 3.2.1. Vanaf paragraaf 3.3 ‘Hoe vergroen ik…’ staat per situatie aangegeven hoe je het groen optimaal toepast. De in de tabel beschreven wijzen van beplanting is het uitgangspunt in alle projecten. Daarbij geldt dat toepassing van groen dat niet aan de standaard voldoet niet per definitie onwenselijk is. Een onderbouwing in het Toetsteam Openbare Ruimte en Mobiliteit is gewenst.

Groentabel

03 Groenkaart en tabel

3.2

3.2.1 Maar in algemene zin geldt: verbijzonder niet méér dan strikt noodzakelijk is om het bijzondere groene karakter van de plek te ondersteunen en te accentueren. Deze plekken zijn bewust niet vastgelegd op de Groenkaart. Omdat een exacte definitie van groene plekken van belang voor de buurt niet te geven is, dienen projecten die voornemens zijn te werken met bijzondere beplantingstypen daarvoor advies in te winnen bij het Expertise- en Toetsteam Openbare Ruimte & Mobiliteit in de Nota van Uitgangspuntenfase.

uitzonderingen De Puccinimethode houdt rekening met de mogelijkheid van verbijzonderingen die afwijken van de standaard: de uitzondering bevestigt de regel. We onderscheiden twee typen uitzonderingen met betrekking tot het groen: ‘Bijzondere plekken en Stadsgroen’ en ‘Groene plekken van belang voor de buurt’. Ook op deze plekken moet het ontwerp uiteraard wel passen binnen de overtuigingen van de Puccinimethode: een duurzame inrichting met goede detaillering en aandacht voor beheerbaarheid. En wordt de ruimtelijke kwaliteit van het uiteindelijke ontwerp, in al haar facetten, beoordeeld door het Toetsteam Openbare Ruimte & Mobiliteit. Bijzondere plekken en Stadsgroen Op de bijzondere plekken van de Vloerkaart Handboek Rood en in Stadsgroen hebben projecten qua beplantingstypen en groentoepassingen meer ontwerpvrijheid. Dit zijn (groene) plekken met een iconische, stedelijke betekenis en hebben een buurt overstijgende functie. Of groene plekken die vanwege hun aanleg of geschiedenis bijzonder zijn en die een groen monument kunnen zijn, zoals het Vondelpark, Amstelpark, Zorgvlied, de Nieuwe Ooster, het Bolwerk bij het Westelijk Marktkanaal en Kinderbrug met hun plantsoenen. Het is niet zo dat op een bijzondere plek van de Vloerkaart Handboek Rood per se bijzonder groen moet komen. Groen mag de aanwezige stedenbouwkundige kwaliteit niet overstemmen, maar moet deze ondersteunen.

In bepaalde gevallen is er een bijzonder en kwalitatief hoogstaand oorspronkelijk ontwerp dat kan worden gehanteerd als uitgangspunt voor aanpassingen en/of herstel. Een eenvoudig en rustig groenbeeld is vaak de beste manier om architectonische kwaliteit te benadrukken. Groene plekken van belang voor de buurt (postzegelparkjes, groene buurtpleinen en plantsoentjes) Naast de hierboven genoemde bijzondere plekken van de Vloerkaart Handboek Rood, Stadsgoen en gedenkparken kent Amsterdam ook tientallen kleinere groene plekken: postzegelparkjes, groene buurtpleintjes en plantsoentjes die van belang zijn voor de buurt. Het zijn belangrijke ontmoetingsplekken waar groen de drager is. Ze tonen uitzonderlijke ontwerpkwaliteit of zijn beeldbepalend in ruimtelijke zin. Op groene plekken die van belang zijn voor de buurt is het voorstelbaar dat het groen verbijzonderd wordt, door af te wijken van de groentoepassingen op de Groenkaart en de Groentabel. Dat biedt de mogelijkheid om een plek met een bijzondere groene functie in de buurt ook bijzonder in te richten. 22

02 Doel en overtuigingen 01 Toelichting voor de Puccinimethode gebruiker

3.3 Hoe vergroen ik...

04 Basisprincipes

03 Groenkaart en tabel

Amsterdam kent een lange traditie van ontwerpen, aanplanten en beheren van groen. In de loop van de tijd zijn er accentverschillen en ontwikkelingen in de ontwerp- en beheervisies geweest in het groen die samenhangen met de stedenbouwkundige opgaven. Hierdoor zijn als het ware verschillende ‘groeiringen’ ontstaan en deze zijn duidelijk herkenbaar als verschillende historische lagen (ruimtelijke systemen). De ontwerpkwaliteit in Amsterdam is in vrijwel alle periodes uitzonderlijk hoog. Elk ruimtelijk systeem heeft een eigen karakter en draagt bij aan de identiteit en de leesbaarheid van de stad. Bij het verder versterken van het bestaande groen en vergroenen van bestaande en nieuwe stadswijken is het van belang dat het groen dat gerealiseerd wordt aansluit op de ruimtelijke systemen. Zie hiervoor 3.4.

07 Heesters, hagen, rozen en klimplanten

06 Bosplantsoen en struweel

05 Bomen

In deze paragraaf wordt per openbaar ruimte type beschreven hoe je deze vergroent en/of hoe je er de verschillende beplantingstypen in toepast. 1. Ecologisch groen 2. Straten < 15 m 3. Straten > 15 m 4. Straten > 15 m onderdeel van landschap 5. Kades (binnen rijksbeschermde stadsgezichten) 6. Kades (buiten rijksbeschermde stadsgezichten) 7. Oevers (van oorsprong zachte/flauwe oevers) 8. Natuurlijke oevers 9. Boomspiegels gemeentelijke beheer) 10. Stadsgroen en bijzondere plekken

11 Bijlagen

10 Water- en oeverbeplanting

09 Gras en ruigte

08 Kruidachtigen

In deze versie van Handboek Groen zijn Ecologisch groen, Kades binnen en buiten rijksbeschermdstads gezicht, Oevers en Boomspiegels uitgewerkt. De onderdelen Straten, Natuurlijke oevers en Stadsgroen en bijzondere plekken volgen. Net als Pleinen en wadi’s.

23

1. Ecologisch groen

2. straten < 15 m

Voor het gebruik van beplanting in Ecologisch groen zijn een aantal randvoorwaarden op het gebied van te gebruiken plantmateriaal en plantwijze.

PM

I Inheems plantmateriaal Om de beplanting maximaal bij te laten dragen aan de doelstellingen wordt in Ecologisch groen alleen inheemse soorten toegepast, die regionaal voorkomen en, waar mogelijk, soorten met autochtone eigenschappen. Soorten worden zo gekozen ze passen bij de natuurlijke omstandigheden van de standplaats, zoals: grondsoort, hoogste grondwaterstand en windzonbelasting. In heemparken en natuurtuinen al dan niet gelegen binnen de ecologische structuur, worden inheemse vaste planten, bollen en stinzenplanten toegepast. Er wordt in principe geen verbetering van de groeiplaats toegepast, tenzij de fysieke omstandigheden ertoe noodzaken, bijvoorbeeld als de bodem te arm is om groei mogelijk te maken. Soorten die hiervoor in aanmerking komen zijn in tabel 11.1 gemarkeerd met een ‘I’ (inheems). II Natuurlijk plantverband Om de natuurbeleving te behouden en te versterken, worden bomen en heesters op onregelmatige afstand en in los verband aangeplant. Knotbomen zijn een uitzondering, deze mogen op rij geplant worden in cultuurrijke delen. III Bloemrijk gras en ruigte Bloemrijke graslanden en ruigten moeten minimaal 75% van de tijd worden beschenen door de zon. IV Oevers in de ESA In ecologisch waardevolle gebieden worden bomen in de buurt van water zo aangeplant dat de negatieve effecten van de boom (bladval in het water en schaduwwerking) geminimaliseerd worden.

De minimale afstand tussen de aan te planten boom en de waterlijn wordt berekend door de hoogte van de boom (in volwassen toestand) te vermenigvuldigen met de plantafstandsfactor (zie tabel 3.2). Voorbeeld: een zomereik wordt 25 m hoog en de gewenste locatie voor aanplant ligt op de zuidoever van een oostwest lopende watergang. De minimale afstand tot de waterlijn wordt dan factor 1,4 x hoogte 25 = 35 m.

Oeverligging

Knotbomen (els, es en wilg) langs watergangen vormen een uitzondering. Als het mogelijk is, is de minimale plantafstand tot de waterlijn 2 m, de minimale onderlinge plantafstand is 5 m.

N, NO, O NW

Richting waterloop

N-Z

Z, ZO, ZW

1

1

NO-ZW

0,5

1

NW-ZO

1

1

O-W

0,5

1,4

Tabel 3.2 plantafstandsfactor bomen tot waterlijn

24

W

11 Bijlagen

10 Water- en oeverbeplanting

09 Gras en ruigte

08 Kruidachtigen

07 Heesters, hagen, rozen en klimplanten

06 Bosplantsoen en struweel

05 Bomen

04 Basisprincipes

03 Groenkaart en tabel

3. straten > 15 m

PM PM

25 02 Doel en overtuigingen 01 Toelichting voor de Puccinimethode gebruiker

4. straten > 15 m onderdeel van landschap

een grotere maat worden gehanteerd, als de wortels van grote oude bomen aan de oppervlakte die grootte noodzakelijk maken. Dit principe gaat uit van het huidige standaard grachtenprofiel, waarbij boomspiegels omsloten worden door banden en tussen parkeervakken of andere voorzieningen zoals fietsenrekken gepositioneerd zijn. Het is niet toegestaan de boomspiegel op meer dan 5 cm op te hogen of te voorzien van een gesloten hekwerk. Zie ook 5.4.1 detaillering van boven- en ondergrondse groeiplaats onderdeel 6.

5. Kades (binnen rijksbeschermde stadsgezichten) Onder ‘kades’ verstaan we de waterkanten van grachten, vaarten en rivieren die zijn ingericht met een verticale kademuur, beschoeiing of damwand. De verharding loopt van oorsprong meestal door tot aan de deksloof. Er is geen sprake van een sterk aflopend talud. Zulke kades komen voor langs de grachten in de 17e-eeuwse grachtengordel, maar ook daarbuiten.

•

Geveltuinen Bewoners en of ondernemers kunnen geveltuinen aanvragen en inrichten en zelf onderhouden, mits op het trottoir voldoende doorloopruimte resteert. Geveltuinen kunnen ook integraal worden mee ontworpen bij de (her)inrichting van een kade. Ook dan geldt dat bewoners het gevelgroen beheren. In het beschermd stadsgezicht binnen de Singelgracht kunnen de geveltuinen alleen direct tegen de gevel toegepast worden, dus niet op plekken waar een bordes, trap, pothuis of natuurstenen plaat ligt. Het verwijderen of verzagen van bordessen of natuurstenen platen ten behoeve van geveltuinen is niet toegestaan. Dat betekent in de praktijk dat op de hoofdgrachten veelal geen ruimte is voor geveltuinen. De rechte looplijn, met voldoende doorloop voor de voetganger, mag bij de aanleg van geveltuinen op kades niet verstoord worden. Wanneer beplanting fysiek hecht of gehecht wordt aan monumenten is een monumentenvergunning nodig.

De basis bij het vergroenen van kades binnen rijksbeschermde stadsgezichten in de Gemeente Amsterdam is het ‘traditionele kadeprofiel’, waarbij de verharding doorloopt tot aan de deksloof. Het meest iconisch is het profiel in de 17e-eeuwse grachtengordel, met een verticale kademuur, bomen op minimaal 0,75 meter vanaf de kademuur, een rijweg en een stoep. Dit gebied is door UNESCO aangewezen als de kernzone van het werelderfgoed. Binnen de rijksbeschermde stadsgezichten van Amsterdam en Weesp (zie: maps.amsterdam.nl/ cultuurhistorie) zijn veel grachten op traditionele wijze ingericht. In aansluiting op de cultuurhistorie, de stedenbouwkundige functie en de gebruikswaarde van een kade binnen de rijksbeschermde stadsgezichten zijn als standaardoplossing vier soorten groen mogelijk. Deze worden hieronder benoemd. Het is altijd van belang dat bij het ontwerp van een kade het hele rak, en bij voorkeur de hele gracht, rivier of het hele kanaal, in samenhang bekeken wordt. Voorkomen moet worden dat door toepassing van groen een versnipperd en onsamenhangend beeld ontstaat.

•

Bloembakken of -potten Bewoners en/of ondernemers kunnen potten plaatsen die door hen worden beheerd, zolang die voldoen aan de regels omtrent objecten van particulieren en ondernemers in de openbare ruimte. Bloembakken/-potten zijn daarmee nooit een vast onderdeel van een maaiveldontwerp, maar in een ontwerp voor een kade kan wel plek gevonden worden voor bloembakken of potten, mits voldoende ruimte.

Groensoorten die conform de standaarden van de Puccinimethode (Groentabel) mogelijk zijn op een kade binnen een rijksbeschermd stadsgezicht:

•

Bomen De plantafstand moet passend zijn bij de historische karakteristiek van het ruimtelijk systeem waarin de kade zich bevindt. Het toevoegen van bomen heeft een enorme impact op het groene aanzicht van de kade, biedt schaduw en verkoeling en draagt bij aan de biodiversiteit. Voor de soortkeuze van bomen en alle eisen omtrent de toepassing en inpassing, zie hoofdstuk 5.

Andere soorten groen op kades zijn niet per definitie onwenselijk binnen de rijksbeschermde stadsgezichten, maar het betreft wel een uitzondering. Een afwijking van de standaard dus, die zorgvuldig ontworpen en gewogen moet worden. Eventueel groen langs deze kades in een rijksbeschermd stadsgezicht dient altijd ten dienste te staan van de cultuurhistorische, esthetische, recreatieve en/of ecologische waarde en moet dan ook daarvoor ingericht worden. Een goede landschapsontwerper is daarbij onmisbaar. Binnen beschermde stadgezichten dient in de ontwerpfase altijd advies ingewonnen te worden

•

Beplante boomspiegels De grootte van de boomspiegel wordt bepaald door de groeiruimte en afstand die de boom nodig heeft. De maximale grootte van een boomspiegel op kades bedraagt 2,5 x 5 m, uitgaande van een situatie waarin de bomen in lijn staan met het langsparkeren. Daarbij zijn de groeiruimte en de afstand tot parkerende auto’s die de boom nodig heeft leidend. In uitzonderlijke gevallen kan 26

27

figuur 3.2 Mogelijkheden om een kade te vergroenen: extra bomen, geveltuinen en bloembakken of -potten

02 Doel en overtuigingen 01 Toelichting voor de Puccinimethode gebruiker 03 Groenkaart en tabel 04 Basisprincipes 11 Bijlagen

10 Water- en oeverbeplanting

09 Gras en ruigte

Indien aan bovenstaande uitgangspunten niet voldaan kan worden in een ontwerp van groen op kades buiten rijksbeschermde stadsgezichten, is dit niet altijd onwenselijk, een onderbouwing in het Toetsteam Openbare Ruimte en Mobiliteit is gewenst.

05 Bomen

Op kades buiten rijksbeschermde stadgezichten is daarom conform de Groentabel (tabel 3.1) standaard meer vergroening mogelijk. Als houvast wordt ontwerpers de volgende uitgangspunten meegegeven voor kades buiten het rijksbeschermd stadsgezicht: • De openbare bereikbaarheid van het water moet geborgd zijn: flaneren, lopen en zitten langs het water moet mogelijk blijven. Als de kade een functie heeft om boten aan te leggen moet dat mogelijk blijven. • Er dient rekening te worden gehouden met de zichtbaarheid en beleving van het water. Dat betekent onder meer dat dichtgegroeide, aaneengesloten bosschages op de kades in algemene zin niet wenselijk zijn. • Er dient rekening te worden gehouden met het cultuurhistorische aspect van de kades, passend bij de ruimtelijke systemen (zie 3.3.1).

06 Bosplantsoen en struweel

Ook de grachten buiten rijksbeschermde stadsgezichten zijn tegenwoordig veelal volgens het authentieke grachtenprofiel ingericht, met verharding tot aan de deksloof. Gezien de veranderende opgaven en behoeften in de stad zal de inrichting van deze kades de komende jaren kunnen veranderen. Met meer ruimte voor groen en met groen dat bijdraagt aan stedelijke opgaven zoals biodiversiteit, wateropvang, hittestress en verblijfskwaliteit.

07 Heesters, hagen, rozen en klimplanten

6. Kades (buiten rijksbeschermde stadsgezichten)

08 Kruidachtigen

bij de afdeling Monumenten & Archeologie om de inpasbaarheid van afwijkend groen op kades in relatie tot de erfgoedwaarden te beoordelen.

7. Oevers (van oorsprong zachte/ flauwe oevers

8. Natuurlijke oevers PM

Onder ‘oevers’ verstaan we een hellend talud langs een watergang, veelal bezet met basalt. Meestal ligt op de bovenrand van het talud een deksloof, maar soms is deze achterwege gelaten en sluit er direct groen op aan. Oevers zijn te vinden langs bestaande oude weteringen of zijn zoals in Plan Zuid toentertijd aangelegd. Maar ook langs de Singelgracht en langs de Amstel ten zuiden van de Singelgracht ligt voor het grootste deel dit type oever. Oevers zijn in hun karakter van oorsprong groener dan kades. Veel van deze oevers zijn op dit moment al groen ingericht. Bij een wens voor extra groen moet expliciet gekozen worden voor vergroenen aan de gevelzijde en/of aan de oeverzijde; niet op andere plekken in het profiel. Indien vergroening wordt ingepast aan de oeverzijde wordt altijd direct aangesloten op het reeds bestaande groen, bijvoorbeeld op het gras van de singel. Dit voorkomt een versnipperd en rommelig profiel, is beter beheerbaar en robuuster waardoor het interessanter is voor flora en fauna. Soorten die kunnen worden toegepast bij het beplanten van de oever staan in tabel 11 (deel water- en oeverbeplanting). Daarnaast zijn op oevers aan de gevelzijde van het profiel uiteraard ook geveltuinen mogelijk.

Aan de gevelzijde zijn ook bloembakken of -potten mogelijk op initiatief van bewoners of onder-nemers, die ook door hen beheerd worden, mits dit past binnen de regels voor objecten van particulieren. Bloembakken/-potten zijn daarmee nooit een vast onderdeel van een maaiveldont-werp zoals dat door de gemeente wordt opgesteld.

figuur 3.3 Mogelijkheden om een oever te vergroenen: extra bomen, geveltuinen en bloembakken of -potten

28

10. Stadsgroen en bijzondere plekken

De gemeente staat in principe geen beplanting toe in boomspiegels. Hier kan van afgeweken worden, bijvoorbeeld als er weinig groen in de omgeving is of als de bewoners meehelpen met het onderhoud. Met name bij volgroeide bomen zijn de groeiomstandigheden voor nieuwe vaste planten en heesters in boomspiegels slecht. De boom is concurrentiekrachtiger ten aanzien van vocht, licht en voedingsstoffen. Daarnaast heeft beplanting in de boomspiegel te maken met hondenpoep, foutgeparkeerde fietsen enz. Dat betekent dat alleen zeer sterke beplanting hier kan overleven (bodembedekkers en vaste planten). Beplanting in boomspiegels heeft meer kans direct na aanleg, de bomen zijn dan nog klein. Houdt wel rekening met dat de beplanting na een aantal jaren zal verdwijnen. Het is niet toegestaan de boomspiegel meer dan 5 cm op te hogen of te voorzien van een gesloten hekwerk. Zie ook 5.4.1 detaillering van boven- en ondergrondse groeiplaats onderdeel 6.

11 Bijlagen

10 Water- en oeverbeplanting

09 Gras en ruigte

08 Kruidachtigen

07 Heesters, hagen, rozen en klimplanten

06 Bosplantsoen en struweel

05 Bomen

04 Basisprincipes

03 Groenkaart en tabel

PM

02 Doel en overtuigingen 01 Toelichting voor de Puccinimethode gebruiker

9. Boomspiegels

29

3.3.1 ruimtelijke systemen In het beleidskader Puccinimethoden zijn de verschillende ruimtelijke systemen beschreven. Net als verschillende stedenbouwunidge systemen is ook het groen in zo’n systeem in verschillende periodes op een verschillende manier ontworpen. Vaak ik nauwe samenhang met de stedenbouwkundige structuur. De gehele openbare ruimte is onlosmakelijk onderdeel van het stedelijk weefsel. Bij het werken aan groen in bestaande en nieuwe stadswijken is het van belang dat het groen dat gerealiseerd wordt aansluit op de stedenbouwkundige structuur, de ritmiek van de verkaveling of het gevelbeeld en zo veel mogelijk de oorspronkelijke groene kwaliteiten versterkt.

en structuur van paden in tuinen en uitspanningen vertoonde in de 16e, 17e en 18e eeuw formele, classicistische, geometrische, en symmetrische kenmerken. Ruimtelijke groenstructuur In de 7de eeuw werd door de stedelijke overheid stadsbreed ingezet op boomaanplant, behalve bij straten die primair voor verkeer waren en onvoldoende ruimte boden en bij enkele zeer vervuilde grachten. Dit was een nieuw fenomeen. Verreweg de meeste

•

Dit hoofdstuk beschrijft de verschillende ruimtelijke systemen van de stad. Per systeem wordt beschreven wat de monumentale status is, hoe de tijdsgeest ten opzichte van het groen in die periode was, hoe het ruimtelijke systeem in elkaar zat, en waar eventueel kansen liggen voor herstel of ontwikkeling in de tijdsgeest van die periode, in samenhang met de ruimtelijke stedenbouwkundige structuur. Ligt je project in een gebied met beschermde status, neem dan contact op met Monumenten en Archeologie (M&A). Historische binnenstad en 17e eeuwse Stadsuitleg (1585-1860) Status: Unesco wereld erfgoed- kerngenbied en bufferzone, Rijksbeschermd stadsgezicht De iepen langs de grachtengordel maken onderdeel uit van de Unesco-waarden. Context/tijdsgeest/Stedenbouwkundige opzet In contrast met de dicht bebouwde Middeleeuwse binnenstad (waarin het groen bestond uit enkele afgesloten kloostertuinen en ander groen buiten de stadswallen was), wordt de 17e-eeuwse grachtengordel gebouwd door en voor de gegoede burgerij. Het ontwerp toont het streven naar een optimaal woonmilieu met daarin ruim plek voor vergroening. Kenmerkend zijn de gesloten bouwblokken met diepe keurtuinen. De waardering voor groen komt in de grachtengordel ook tot uitdrukking in de systematische aanplant van bomen in de openbare ruimte.

Visie op groen Bomen werden gezien als prestige en om een fraaie stad te creëren, ter sieraad en vanwege de zoete geur, maar ook voor schaduw, versteviging bodem en vermoedelijk voor gebruik van het materiaal (bast van lindebomen voor touw, iep hoogwaardig gebruikshout ). De boomaanplant

Welstand Systemen Binnenstad Historische kernen, linten en fragmenten 19de-eeuwse Ring Gordel `20-`40 Tuindorpen AUP en Post-AUP / Wederopbouw Woonerven en meanders Woongebieden na 1985 De IJ-landen Kantoren en bedrijven Transformatiegebieden

Beschermde status Beschermde status

figuur 3.4 Ruimtelijke systemen (ligt je project in een gebied met 30 beschermde status, neem dat contact op met M&A)

02 Doel en overtuigingen 01 Toelichting voor de Puccinimethode gebruiker 03 Groenkaart en tabel 04 Basisprincipes

05 Bomen 06 Bosplantsoen en struweel 07 Heesters, hagen, rozen en klimplanten 08 Kruidachtigen 09 Gras en ruigte 10 Water- en oeverbeplanting

•

tengordel) of houten beschoeiingen. Overige delen, zoals grote stukken van de vaarwegen hadden een zachte oever. De inrichting van het maaiveld hing nauw samen met het gebruik. Langs de grachtengordel en zones waar overslag/handel was, is op de historische prenten doorgaans een vorm van (half)verharding en als het gebruik dat toestaat boomaanplant te zien. Langs waterwegen (Haarlemmer- Kostverlorenvaart) moet in gedachten gehouden worden dat de flankerende paden voor de trekvaart in gebruik waren (dus waterloop en pad zonder bomen).

11 Bijlagen

•

grachten en pleinen werden systematisch van bomen voorzien, langs grachten en op pleinen (de indeling voor laatstgenoemde verschilt per plein). Aanplant en beheer was een taak van de gemeentelijke overheid. De exacte plantafstand van de bomen in de grachtengordel is vooralsnog niet bekend, maar wel dat ze in rijen op regelmatige onderlinge afstand stonden. De waterkanten van de grachten, kanalen en (rivier)vaarten zijn daar waar dat om functionele of (water)bouwkundige redenen noodzakelijk was verhard met stenen kademuren (grach-

31

•

Op enkele locaties waren er uitspanningen zoals de Tolhuistuin. En er werden in de 17de eeuw bijzondere privé-tuinen aangelegd. Afhankelijk van de locatiespecifieke geschiedenis kan het gaan om een aanleg of collectie die verband houdt met de 17e eeuwse plantengeschiedenis – in die tijd werden door een kleine groep (rijke) specialisten nieuwe planten uit de overzeese gebieden geïmporteerd hetgeen bijdroeg aan de wetenschappelijke kennis en een toonbeeld van aanzien vormde. Zoals in de hortus botanicus/medicus (de eerste zat aan de Reguliershof, later verhuisde die naar de huidige locatie). Soms zijn die plekken later weer onderdeel van de openbare ruimte geworden waarbij mogelijk oude onderdelen werden geïntegreerd. In uitzonderlijke gevallen kan er nog sprake zijn van de authentieke beplanting, die dan van grote (plant)historische waarde is. D it soort locaties zijn dus maatwerk.

Sortiment Langs de grachtengordel zijn eerst lindes en later Hollandse iepen geplant (Umus x hollandica ‘Belgica’ De iepen zijn sterk en hun brede wortelstelstel helpt de kades te verstevigen. Bij herplant worden opnieuw ziekteresistente iepen geplant. • Gezien de beperkte beschikbaarheid van exotisch plantenmateriaal dat vanaf de 16e eeuw vanuit de nieuw ontdekte overzeese gebieden werd geïmporteerd en door specialisten werd gekweekt, is het onwaarschijnlijk dat die in openbare ruimte/uitspanningen toegepast werden, laat staan op grote schaal. Het waren zeer kostbare en prestigieuze items. Soorten die in de 16e eeuw worden geïmporteerd zijn bijvoorbeeld de robinia, plataan, rozen(struiken), tulpen, buxus, lelie, pioenroos en vele andere. Net als in de voorgaande eeuwen blijft het kweken van kruiden relevant voor geneeskundige toepassingen (zeker in artsenij- en kloostertuinen).

•

•

•

Latere ontwikkelingen Het onderhoud van de kades werd vanaf medio 19de eeuw voor het eerst een verantwoordelijkheid van de gemeente en bijgevolg als eenheid aangepakt (vaak met stenen kades). Ook werden in die periode tientallen grachten om hygiënische redenen gedempt. • Wanneer in de tweede helft van de 19e eeuw de verstedelijking sterk toeneemt en er (her) ontwikkelingen van bestaande en nieuwe openbare uitspanningen plaatsvinden, is de landschapsstijl met slingerende paden en een afwisseling van besloten en open zichtlijnen met uitzicht op het omringende landschap dominant. In de stad is er sprake van een variant daarop, passend bij de kleine en meer besloten schaal.

Sierperken (met eenjarigen) en plantsoenen werden in de decennia rond 1900 op verschillende plekken aangelegd. Denk daarbij aan wandelparken /uitspanningen met enkele sierperken zoals bij het Paleis voor Volksvlijt, het Damplantsoen op de Dam en de Tolhuistuin (al die aanleggen en perken zijn verdwenen). Bij die sierperken wordt er vaak ook gebruik gemaakt van de oudere formele, symmetrische stijlkenmerken en doet begin 20ste eeuw de architectonische tuinstijl haar intrede (met veel bouwkundige elementen en rechte, geometrische vormen waarmee bijvoorbeeld hoogteverschillen gecreëerd worden). In de loop van de 20ste een 21ste eeuw zijn veel straten in de binnenstad vergroend, overwegend met bomen die afhankelijk van de straatbreedte hoge monumentale brede kroonvormen of juist kleinere soorten met een smallere/meer bescheiden kroon. Tijdens WOII hebben de bomen veel te lijden gehad en in de jaren ’60 en ’70 werden veel straten heringericht vanwege de enorme toename van auto’s en het concept van vooruitgang in de vorm van verstening van de openbare ruimte, vaak ten koste van bomen (kans voor verbetering). De aanplant van bomen is doorgaans eenvoudig, een- of tweezijdig in rijen aangeplant.

De nieuwe inrichting is soms in lijn met historische karakteristeken (of met een historiserende inslag), maar vaker naar de specifieke inzichten van dat moment ten aanzien van het gebruik van de openbare ruimte. Dat en de sortimentskeuze hangt nauw samen met de periode van aanleg.

Kansen voor verbetering/Adviezen De karakteristieken van de iep langs de Amsterdamse grachten zoals hoogte, kroonvorm etc. zijn in principe het uitgangspunt. Het toepassen van ziekteresistente soorten wordt hierop afgestemd.

•

•

Systematische aanplant van bomen in de historische binnenstad. Uitsnede uit Historische binnenstad 1625 door Balthasar Florisz 32 van Berckenrode (bron: Beeldbank Stadsarchief)

Latere aanpassingen In de loop van de 20ste eeuw zijn veel straten in de arbeiderwijken vergroend, overwegend met bomen die afhankelijk van de straatbreedte hoge monumentale brede kroonvormen hebben of juist kleinere soorten met een smallere/meer bescheiden kroon. • Tijdens WOII hebben de bomen in alle wijken veel te lijden gehad en in de jaren ’60 en ’70 werden veel straten heringericht vanwege de enorme toename van auto’s en het concept van vooruitgang in de vorm van verstening van de openbare ruimte. • De nieuwe aanplant van bomen in de arbeiderswijken is doorgaans eenvoudig, een- of tweezijdig in rijen aangeplant. De nieuwe inrichting is soms in lijn met historische karakteristieken (of met een historiserende inslag), maar vaker naar de specifieke inzichten van dat moment ten aanzien van het gebruik van de openbare ruimte. Dat en de sortimentskeuze hangt nauw samen met de periode van aanleg. Zie voor de karakteristieken de beschrijvingen hieronder. • Nieuwe inrichtingen zijn in de villawijken in

•

33

02 Doel en overtuigingen 01 Toelichting voor de Puccinimethode gebruiker 03 Groenkaart en tabel 04 Basisprincipes

05 Bomen 06 Bosplantsoen en struweel

Ruimtelijke groenstructuur • In de arbeiderswijken was oorspronkelijk geen of slechts incidentele boomaanplant in straten en pleinen van arbeiderswijken, maar wel structurele aankleding in zichtassen, langs hoofdwegen, de Singelgracht en in de villawijken zoals de Vondel- en Willemsparkbuurt. Langs de hoofdstraten van de hele 19e eeuwse ring en in de monumentale lanen van de villawijken staan boomsoorten die een romantisch, monumentaal/imposant beeld opleveren (grote, brede kroonvormen). De groenaanleg van de woonbuurten sluit aan op het park, en zorgt ervoor dat ze elkaar versterken. De aanplant is doorgaans eenvoudig, afhankelijk van de beschikbare ruimte een- of tweezijdig in rijen aangeplant. • Wanneer in de tweede helft van de 19e eeuw de verstedelijking sterk toeneemt en de villawijken en parken aangelegd worden is de landschapsstijl met slingerende paden en een afwisseling van besloten en open zichtlijnen en het betrekken van het omringend landschap dominant. In de stad is er sprake van een variant daarop, passend bij de kleine en meer besloten schaal. • In de villawijken wordt het idee van slingerende lanen en open en gesloten zichtassen doorgezet . • De Singelgrachtzone werd rond 1900 ontwikkeld. Het fungeerde behalve als verkeersroute ook als wandelgebied, een flaneerzone. De huizen langs de Singelgracht waren dan ook voor de rijkere lagen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14102654/1